Berichten

’t Roemwaard Lisse: Meerenburgh (37)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Meerenburgh was een zeer grote buitenplaats, waarvan het huis zich bevond achter de huidige villa Merenburgh aan de Lisserbrug. Onder de porriehoop zit nog wat steen van de oude fundamenten. De hofstede is gesticht in 1638 door Jhr. Albrecht van Wassenaar, heer van Alkemade, zoon van Jhr. Jan van Duivenvoorde van Warmond en Odilia Valke­naar.1 De eerste kaart van huis en tuinen vertoont nog een eenvoudig beeld,2 maar geleidelijk aan is het steeds groter en imposanter gewor­den. In 1666 was het in het bezit van Jhr. Gerard van Wassenaar van Alkemade en het had in 1669 de eer de beroemde Constantijn Huygens binnen zijn muren te mogen ontvangen.3 Later woonde hier Jhr. Thomas Walraven van Wassenaar van Alkemade, gehuwd met Margaretha A. baronesse van Lynden. Deze tak van het aloude geslacht Wasse­naar was trouw gebleven aan Rome 4 en zo vinden we hier een priester, die – tegen goede betaling – als huiskapelaan werd toegelaten. Sinds 1719 was dit Peter Gratia, later schuilt er de Jezuiet Ignatius Oliva, die uit zijn statie Leiden verbannen was5 en in 1768 is er als kapelaan Lambertus Eyssen. Andries Schoemaker noemt Meerenburg in 1730 “een zeer vermakelijk oord, als hebbende van voren de jacht door de duinen en van achteren de visserij in het meer, tussen beide liggen grazige weilanden.” Hij vermeldt nog dat een “modern huis” is, 100 roeden van de Heereweg.6

Het echtpaar van Wassenaar-Van Lynden werd in zijn bezit opgevolgd door Gerard Anthony baron van Wassenaar van Alkemade (1707-1752), in 1734 te Amsterdam gehuwd met Elisabeth Marie Cromhout, vrouwe van Werve en Nieuwerkerk, die op 16 augustus op Meerenburgh over­leed.4 Juist in deze jaren komt Jan de Graaff Meerenburgh bezien. De bedijking van Lisserbroek heeft de bouwman bevrijd van lasten en schaden,

En Meerenburgh van het verslindend nat

Bevrijd, die aan haar einde is omvat

Van ’t broekland,7 wijl deez’ plaats vol fraaiigheden

’t Beminnelijk schoon vertoont in volle leden,

Waarop het volk van Lis zo moedig bromt,8

Zelfs aan de vreemd’ling, die hier ter plaatse komt

En roeme steeds, wijl dat haar schoon’gezichten

Tot diep in ’t oost’, ja zelfs tot Amstels stichten

Ver strekt,9 en is aan ’t achterste gesierd

Met vogelkooi, zo dat gestadig zwiert

’t Gevogelte, ’tgeen door de dichte takken

Uit de hoge lucht komt zacht/es nederzakken.

Men ziet het huis van marmer en ivoor

meest opgebouwd, ’t welk Diana ’s koor

in schoonheid lijkt,10 vertoont door beemd en velden

En ’t woeste nat of meer, wiens ijselijk geweiden

Ons vrezen doet, wanneer de oostenwind,

Door Aeool’s muitgespan 11 als gans gestoord, ontzind,

Ons dreigt, zo’t schijnt, ten eenmaal te vernielen,

Totdat Neptuun met zijn blauwe wielen

En schulpkaros der stroomgedrochtens bek

Beteugelt en betoomt het ganse ommetrek

Der vloeden, zee, of grote waterplassen.12

De wolken die op woord des Zeevoogds altijd passen

Verdwijnen fluks,13 dus wordt ’t een stille ree.

Maar, ik zou Neptuun welhaast volgen op de zee . . .

Eigenaar van Meerenburgh is nu Jacob Hendrik baron van Wassenaar van Alkemade, hoofdingeland van Rijnland (1736-1800). Deze onge­huwde baron verbleef regelmatig op het buiten, maar eigenaresse blijkt zijn zuster te zijn, Elisabeth B.M., die evenals vele katholieke freules haar levenspartner vond in de Zuidelijke Nederlanden, het huidige België. Eerst was dit Louis E.G. prince de Montmorency, vicomte de Roulers, baron de Bellem en na diens dood in 1778 Jean F.Ph. comte d’Asson.4 Zij laat Meerenburgh na aan haar dochter, gehuwd met de Prince de Veaudemont. De ongehuwde oom Jacob Hendrik was nog steeds de bewoner en talrijk zijn in deze jaren de moeilijkheden betref­fende de doorvaart door de Zandsloot.14 Baron Du Tour van Zandvliet heeft deze aan de eigenaar van Keukenhof toegestaan,15 maar als Van Wassenaar telkens de uitmonding met een boom afsluit heeft dit weinig zin!

In 1802 kwam voor Meerenburgh het einde. De uitgestrekte buiten­plaats werd voor ƒ 23000 verkocht aan de Haarlemse geweermaker Philipp Wilhelm Wagner.16 Het huis werd gesloopt, de landerijen verka­veld. In zeer korte tijd is het ongelooflijke gebeurd; het machtige Meerenburgh is verdwenen!

1    Van de Aa, Aardr. Woordenb.

2    ARA, Kaarten reg. nr. 2284 (1639)

3    S.J. Fockema Andreae, Kastelen.

4    H.G.A. Obreen, Geschiedenis . . . Wassenaar (1903).

5    De Aagtenkerk, blz. 79 en 90.

6   Ms Schoemaker (A’dam en Den Haag). Gemeentearch. Hillegom, div. kaarten, inv.nr. 122 pak 74 e.a.

7    moerasland.

8    zich beroemt.

9    Bij helder weer kon men over het meer de torens van Amsterdam zien.

10 Diana was de kuise godin van de jacht. Zij was vergezeld door zeven schone nymfen.

11 Aeolus, god der winden.

12 Neptunus, god der zeeën, rijdt in een schelpkaros over de baren en weet de muitende Aeolus te bedwingen.

13 De wolken gehoorzamen Neptunus.

14 Arch. van Lynden/Keukenhof.

15 De kleurige Keukenhof, blz. 42 en 43.

16 Zie 14. Leids Jaarb. 1969, blz. 188.

37. Meerenburgh .Ets van Abraham Rademaker (1675-1753) Uit Rhynlands fraaiste Gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: Meer en Duyn (35)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Het is niet zeer gemakkelijk deze schildering te localiseren, maar als hij gemaakt is vanaf de duinen van Veenenburg met links het Haarlemmer Meer, dan blijft ons weinig keus. Geheel rechts is dan de boerderij van Zandvliet, naar de eigenaar, de heer Marinus Temminck, later ook “Marinus” genoemd en links daarvan het huis Wildlust (blz. 60). In het midden ziet men de ambachtskorenmolen “De Korenbloem” aan de Gracht, al lijkt hij wel wat groot. De watermolen staat aan de Lisser Beek bij het meer achter het reeds gesloopte Merenburgh. Hij diende voor de bemaling van de Lisserbroekerpolder aan de andere zijde van de Zandsloot. De “wijze polderheren” hebben namelijk de Lisser Broek (moerasland) bedijkt. Jan de Graaff noemt dit een “nuttig ding”. Zijn vader heeft hier zijn tuinderijen en het “bevrijdt den bouwman” van wateroverlast en schade. Maar Jan kan toch niet nalaten op te merken, dat “’t is tot bruikers lasten”, m.a.w. dat de ingelanden moeten be­talen!

Nog meer naar links stond tot 1812 de hofstede Meer en Duyn. Reeds omstreeks 1500 had de Leidse poorter Claes Willemsz hier “enen woninge mitter huizinge, bloemen en potinge”. In 1505 droeg hij dit -mogelijk wegens financiële zorgen — op als “leen” aan Jhr. Albrecht van den Raaphorst te Wassenaar. In 1552 vinden wij hier Willem Jansz, poorter van Haarlem, die het verkoopt aan zijn schoonvader Pieter Saling. De erven Saling dragen het in 1544 over aan de Haarlemse burgemeester Henrick van Wamelen (± 1616). Diens dochter Katherijne huwde met Mr. Herebert Stalpaert van der Wiele, rentmeester-generaal van Kennemerland en hoogheemraad van Rijnland. Zij hebben waar­schijnlijk “de woning en landen met huis, schuur, (hooi)berg en ge­boomte en zijnen toebehoren, groot zijnde omtrent vijf mergen” als zomerverblijf gebruikt. Nu vererfde Meer en Duyn via het geslacht De Nobelaar op Jhr. Diederik Ramp, die echter geenszins met fortuin gezegend was. In 1711 werd zijn insolvente boedel verkocht aan Willem Adriaan van der Stel, de eigenaar van Uytermeer (blz. 4). Deze kocht de hofstede voor zijn zoontje Willem Adriaan Jr., maar omdat deze jong stierf, kwam ze in het bezit van diens broer Simon, geboren te Amster­dam in 1692. Simon werd een deftig man; hij bezat een koets met twee paarden, een overdekt zeiljacht en een jaarlijks inkomen van ƒ 5 a ƒ  6000. Op een ander punt was hij niet zo deftig: in 1759 trouwde hij ter wettiging van zijn zoon Willem met Catharina Keyser, de vier en dertig jaar jongere dochter van een Amsterdamse droogscheerder. Tot 1790 bleef Meer en Duyn in het bezit der familie Van der Stel. Korte tijd behoorde het daarna aan Carolina S.L.F, gravin van Gronsveld, maar in 1793 wordt het eigendom van Prof. Dr. Lambertus Bicker (1732-1801), gehuwd met Joanna G. Caarten. Hij had in Leiden medi­cijnen gestudeerd en was later arts in zijn geboortestad Rotterdam. Sinds 1787 bekleedde hij aldaar het professoraat-honorair in de medicij­nen en in de physica en was eerste secretaris van het Bataafs Genoot­schap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte. In 1794 heeft Prof. Bicker zich voor goed gevestigd op “de Buitenplaats Meer en Duijn”, maar ook daar bleef hij zich “lenen tot consultatiën en het doen van inentingen”.

Op 15 juli 1801, kort voor zijn dood nam Prof. Bicker afscheid van zijn geliefd bezit. Op genoemde dag verkocht hij de hofstede met deszelfs stallingen, koetshuis, tuinmanswoning, koepel aan de Herenweg, bossen, platagiën, tuinen en omrasterde duinen aan de overzijde van zijn hof­stede voor ƒ 23500 aan de heer Jacob E. Smissaert te Amsterdam. Deze werd in 1812 in het bezit opgevolgd door Christiaan Stumphius, makelaar te Beverwijk. En dan is het spoedig afgelopen. Hendrik Nieuwenhuis, tuinder, koopt de hofstede. Het huis wordt gesloopt, kort daarop ook de koepel en het “Engels plantsoen.” Later vindt men hier slechts bloembollen, met zorg gekweekt door de vele nazaten van Hendrik Nieuwenhuis. Jan de Graaff komt nu van Zandvliet naar Meer en Duyn gelopen.

                                                               Ik ga heen

Naar Meer en Duyn, deez’hofstee, die gemeen

Ligt aan het meer, welk met de groene zomen

Des dijks staag dartelt. Zo is zijn kracht benomen

Wanneer Aeool, zo ’t schijnt als ligt in rust,

Terwijl de stroom, als boetende zijn lust

Aan ’t groene lies,l  en kabbelde zachtjes

Omhelst het dus met aangename lachjes,

Terwijl de rug met vaartuig is gedekt,

Hetwelk het oog tot veel vermaak verstrekt.

Maar ik wil straks de Zandsloot overkeren

En zien, hoe dat onz’ wijze polderheren

De Lisser Broek hebben gemaakt bedijkt,

Waar voor het ongetoomde water wijkt.

Een nuttig ding, schoon ’t is tot bruikers lasten

Van sommigen; nochtans zo zal ’t de kasten

Opvullen weer, dus moet geprezen zijn

Dat grote werk, hetgeen tot algemein

Genot is en door hare wijze raden

Den bouwman vrijdt van lasten en van schaden.

 

Zie Dr. J. Belonje, Meer en Duijn te Lisse, Leids Jaarb. 1951 blz. 110 e.v. met verwijzingen aldaar en naschrift van Mr. R. van Roijen.

1    Lies,  lisbloem,  gele waterlis. Dit is tevens een toespeling op de rederijkerskamer “De Liesbloem”, waarvan Jan de Graaff lid was.

2   De kleurige Keukenhof, blz. 54.

35. “Veenenburg, van de Hooge Duin op het meer te zien”, 1830. Aquarel van A.J. Eymer (Amsterdam 1803 – Haarlem 1863)

 

’t Roemwaard Lisse: Zandvliet (33)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

“Daar doet zich Zandvliet op, een lustplaats vol vermaak,

Een paradijs op aarde, en aller plaatsen baak.

Hoe fraai vertonen zich de lanen!   Hoe bekoren

Mij haar bomen, daar zich Filomeen laat horen! 1 

In de aangename Mei! Hoe lustig voor ’t gezicht

Vertoont er zich ’t gebloemt’, door Flora zelf gesticht! 2 ,

“Santvliet, een deftige hofstede, gelegen aan de Heereweg onder de banne van Lis. Het gebouw is een modern gebouw, gelijk de bovenstaan­de tekening aantoont; het heeft Engelse schuiframen. De ingang van de Heereweg is een opgeschoren laan met acht regelen bomen en tussen beide met Taxusbomen beplant. De tuin, die deftig is, en ’t bos ligt langs de Heereweg. De ingang der laan is door een hek afgesloten en op desself’s pilaren zijn wapenen geschilderd van de Mamoiselle van Bennebroek, vrouwe van Bennebroek en Warmenhuizen.”3 Aldus de heer Andries Schoemaker in 1730. De “bovenstaande tekening” is echter dermate primitief, dat we toch aan de bekende prent van Rademaker de voorkeur gegeven hebben. De “Engelse schuiframen” ter vervanging van de oud-Hollandse kruiskozijnen waren in 1730 wel hoogst modern; meestal verschijnen ze vijftig jaar later. Toch zijn ook op deze afbeel­ding kruisramen te zien. Waarschijnlijk heeft de wijziging omstreeks 1730 plaats gehad. Het fraaie ingangshek stond ongeveer tegenover Merenburgh. Het linker wapenschild vertoonde het wapen Sohier de Vermandois.4 Het ovale (vrouwelijk) wapen waarschijnlijk het wapen Pauw; aldus de wapens van de ouders van Mademoiselle Adriana Constantia Sohier de Vermandois (1675-1735), “de Mammesel”, vrouwe van Bennebroek en Warmenhuizen. Bennebroek is dichtbij; Warmen­huizen daarentegen zelfs in onze gemotoriseerde tijd op enige afstand. Niet alzo 200 jaar geleden. Toen omstreeks 1770 een sollicitant zich aanmeldde voor het schoutambt van dit Warmenhuizen, vond men het heel gewoon, dat hij te voet naar Zandvliet kwam.5 Hij kon de afstand in twee dagen best afleggen. Het schoutambt was wel belangrijk, maar iemand die daarnaar kwam solliciteren hoefde zich nu ook weer niet te verbeelden, dat hij zich in een koets moest laten rijden. Het huis was gebouwd door de machtige Amsterdammer Jeronimus Coymans (1598-1658). Deze handelde in Indische producten zoals peper en kruidnagelen en in een zeker levend zwart materiaal, dat in onze vaderlandse-geschiedenisboekjes tactvol werd doodgezwegen. Ach­ter het huis en ten dele daaraan vastgebouwd, stond de boerderij Oud-Zandvliet (later Marinus genoemd), de huidige bollenschuur van de firma P. H. Beelen. Hier woonde van omstreeks 1750 tot 1890 de familie Van Graven.7

Zandvliet is beroemd geweest wegens de menagerie, een privé dieren­tuin, die in 1760 door Jacob Adriaan baron du Tour naar hier werd overgebracht.8 Witte fazanten, poelpentanen (parelhoenders), Chinese katten, brandganzen, een lepelaar, kroonvogels, “drie vreemde bees­ten”, en nog veel meer. Jan de Graaff, die van Veenenburg kwam, dichtte geestdriftig:

 

Doch ik keer mij een weinig herwaarts om

Totdat ik aan de illustre zale kom

Van Zandvliet, dus ga ik mij derwaarts spoeden

Tot in haar schoot, omheind met zoete vloeden.

Die schoonste plaats die ik in Holland weet,

Wiens grootheid is met sierlijkheid bekleed;

Zo van een doolhof als van vijvers en rivieren,

’t Ontelbaar tal van lanen, die versieren

Het boomgewas, zo blaadrijk hooggetopt,

Het bos vol wild, de waters opgepropt

Van vis, nu komt ons ’t aangenaamst nog vertonen,

Wanneer men ziet het middelste bewonen

Met rundervee. En ga ik dieper treden,

Zo zie ik daar ’t gevolgelt groot en kleen

Van wild en tam, door moeite en veel kosten

Bijeen vergaard. Onmooglijk dat ik ontvloste

Haar fraaiigheden, al dewijl mijn dwalend oog

Staag vliegt en zweeft door lind- en iepeboog

En gans verward in honderden van dreven,

Dat voor een mens een groot vermaak kan geven.

Verrukkend dal, ‘k verlaat u . . .

Nog beroemder dan door zijn manegerie is Zandvliet achteraf geworden door de aanleg van de “Engelse tuin” in 1772, het huidige tentoonstel­lingsterrein.9 Behalve dit laatste stuk grond was kort na 1800 Zandvliet geheel geveld.

1    Philomele en Prokne, twee gezusters in de Griekse mythologie, die respectievelijk in een nachtegaal en een zwaluw veranderden.

2    Rhynlands Fraaiste Gezichten, 1732.

3   Ms. Schoemaker, Rijksprentenkab. A’dam deel V. ld. Kon. Bibl. ‘s-Gravenhage, handschr. 78C53. De Aagtenkerk blz. 97. Huis Dever blz. 138/39.

4   In het bezit van de heer A. Hoes, Lisse.

5    Rijksarch. Arnhem, Huisarch. Waardenb. en Neerijnen nr. 166.

6   De kleurige Keukenhof, blz. 27.

7    Gemeentearch. Hillegom, diverse tekeningen.

8    Leids Jaarb. 1969 blz. 147 e.v. ld. 1970, blz. 151 e.v.

9   De kleurige Keukenhof, blz. 49 e.v.

Zandvliet of Sandvliet. Ets van A. Rademaker (1675-1753). Uit Rhynlands fraaiste gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: Veenenburg ( 31)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

 

Maar ik keer mij tot de schone velden

Der Loosterkant en zo naar Veenenborg,

Daar men gerust leeft, zonder bange zorg,

Daar de nachtegaal in de hoge eiketoppen

Zijn zetel heeft en gaat zijn jongens kroppen

Opvullen, zo verheugt ons ’t lommerende woud,

Als ’t pluimgediert in ’t dichtgetakte hout

Onz’ oren streelt met liefelijke klanken,

Den Zegenaar toejuichen en bedanken

In ’t ochtenduur en roepen keer op keer:

“Zij t dankbaar, mens, zij t dankbaar aan den Heer!”.

Zo komt ons ’t vee de plichten die ons dringen

In ’t morgenuur ons leren en voorzingen.1

[n 1544 behoorde “Veenenburg” alias het “Huis ter Panne” aan Joost van Veen te Alkmaar.2 Een dertigtal jaren later is het in het bezit van Claes van der Laen Gerritsz, burgemeester van Haarlem. In 1593 verkoopt diens dochter Anna, weduwe van Jhr. Artus van Brederode, Veenenburg aan Jhr. Jacob van Duivenvoorde. Als pachter woont er Pieter Woutersz Vogelsanck.3 Daarna is eigenaar Hans van Loon, een Welgesteld koopman te Amsterdam4, die het aanvankelijk verhuurt aan zijn zwager Wilhelm Ruychaver.5 Pachtboer is dan Dirk Pietersz Wassenaar.3

Pasen 1645 is voor het personeel van de heer Van Loon hoogst onaangenaam geweest. Mr. Cornelis van Sijpesteyn, die op het Hof te Hillegom woonde,6 probeerde voor zijn zanderij een doorvaart te forceren naar de Veenwatering ter plaatse van de latere Leidse Vaart, dwars door het domein van Veenenburg. Hij had de Veenenburgerlaan doen “opdelven en opgraven om den gemelden Van Loon het gebruik daarvan te beletten.” Toen de knechts dit trachtten te verhinderen was Sijpesteyn handgemeen geworden”. Daarna had hij hen nagelopen tot binnen de poort van Veenenburg “en op Paasdag daaraanvolgende den gehelen voormiddag hem (zich) met een geladen roer en een piek omtrent de  hofstede laten vinden”, zodat niemand het erf durfde verlaten! Uiteinelijk heeft Sijpesteyn zijn zin toch niet gekregen en later heeft hij het iets zuidelijker opnieuw geprobeerd. Ook zonder succes.7   Nu moeten we bladzijden vol interessante historie en lange lijsten van eigenaars en huurders overslaan, want één pagina is niet veel en het lettertype waarin deze bladzijde is gezet, is voor sommige lezers al reeds klein genoeg! Op l oktober 1796, na de dood van Vrouwe Anna Bout, douairiere Van Hogendorp, wordt een groot boelhuis gehouden8 en dan wordt de hele inhoud van de orangerie van de hand gedaan: allerlei soorten “welgecouleurde orange-, pompelmoes- en citroenbomen, laurier en granaatbomen, Aluwees (Aloë’s) en diverse soorten buitenlandse bijgewassen”, etc. etc. Dan de menagerie: zilverlakense, Chinese, Engel-, Ring- en ordinaire (gewone) fazanten, witte en bonte pauwen, waaier- en Carolineëenden, diverse soorten watergevogelte, hoenderen en duiven, harten en reetjes, zoals die lopen in het hartekamp, alsmede paarden, koeien, vaarzen, ossen en kalveren, ezels en ezelinnen en een partij hooi. Verder nog een “poulepetatehaan” (parelhoen), knob­belganzen, smientjes, haarhoendertjes, een kaneelduif, drie kwakertjes, krieltjes en tortelduiven. Dan komt men nog met enige soorten Oleanders en gele jasmijn. Er worden ook nog heel veel andere dingen verkocht: “Een toilet, een dito, nog een dito en weer een dito”. De opbrengst van het gehele boelhuis is ƒ 2330:16 – Een groot bedrag! Nu wordt ook het huis zelf verkocht, en… gesloopt! In 1797 is Veenenburg van de aardbodem verdwenen! Allerlei bouwmateriaal wordt te koop aangeboden. Er zijn bekende namen onder de kopers zoals Rotteveel en Lommerse, maar ook de Heer A. van Aaken te Rotterdam en typen als Marcus Moses. Chinese tempels, zomerhuisjes, koepels, een “extra konstig fonteinhuis”, alles wordt verkocht. Het is heel wel mogelijk, dat de antieke kolom, ingemetseld in het tuinhuis van Keukenhof, van de “kolonnade met 16 uitgewerkte kolommen” afkomstig is. Er kwam een nieuw Veenenburg, dat pas in 1913 ver­dwenen is.9

Het tweede Veenenburg is hiernaast afgebeeld. Ds Craandijk is verrukt over “de Herenhofstede Veenenburg, met haar uitgestrekte overplaats, rijk aan houtgewas, ’t Is een schoon, woest bos, geruimen tijd ons vergezellend langs den weg, die met statige eiken en kloeke iepen is beplant. Bij het inrijhek van de plaats staan twee colossale sparren en het witte huis ligt te midden van een smaakvolle aanleg aan den zoom der vlakte, waaruit in de verte een molen oprijst en het station Veenen­burg is te onderscheiden. Een lange, brede laan achter het heerenhuis loopt recht op den spoorweg aan en het grote, wilde overbosch strekt zich tot aan den straatweg tussen Lisse en Hillegom uit. Bordjes met het opschrift “verboden toegang” zullen wel de bedoeling niet hebben, om iederen bescheiden wandelaar zorgvuldig te weren, maar de tijd ont­breekt ons, om in de schilderachtige en geheimzinnige diepten er van door te dringen. Wie eens den voet in zulke bossen zet, wordt door de geesten des wouds niet spoedig weer losgelaten!”

1  Als de koeien loeien moet Jan de G. zijn dagtaak beginnen!

2  Leids Jaarb. 1971, De Hofstede Middelburg.

3  Gaarderboeken van Rijnland.

4  Ned. Adelb. 1943/48 blz. 436.

5   A.M. Hulkenberg, ’t Vermaaklijk Hillegom (1971) blz. 62

6  ld. blz 20 en 22.

7  Morsveen, Leids Jaarb.1972.

8  ARA, Recht. arch. Eisse nr. 108 en 110 (no 8).

9  V. Loenen, Gesch. van H’gom blz. 13-20. Ansichten blz. 36. Idem H’gom blz. 79/80.

31. Veenenburg omstreeks het midden van de19e eeuw. Tekening met Oostindische inkt in het schetsboek A van G. Leembruggen Jzn, Gemeentearchief Leiden. Leembruggen is geboren in ’s Gravenhagen in 1801. Hier op Veenenburg verdronk hij tijdens een jachtpartij in de herft van 1865.

’t Roemwaard Lisse: Keukenhof (25)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

In de jaren 1861/62 heeft Baronesse C.M. van Pallandt geb. Jkvr. Steengracht het huis Keukenhof door de Haagse architect Eli Saraber tot een kasteel laten verbouwen. In het archief Van Lynden/Keukenhof bevindt zich een hele verzameling ontwerpen en schetsen, een gamma dat zich uitstrekt van de Engelse pleistergotiek der veertiger jaren tot iets in de Cuyperiaanse geest van omstreeks 1880.1  Schipperus toont zich in deze afbeelding een waar kunstenaar. Hij maakt het huis iets breder en de torens iets slanker, zodat het aan romantische charme gewonnen heeft.

Lisse heeft thans dus twee kastelen, zoals de A.N.W.B, gids terecht vermeldt: Dever en Keukenhof. In tegenstelling tot de woorden burcht, versterkt huis, slot, havezate, stins, borg of buitenplaats is voor het begrip “kasteel” geen nadere omschrijving te geven.2 Men kan dus beide gebouwen “kasteel” noemen. Dever authentiek middeleeuws, Keukenhof in zijn huidige verschijningsvorm authentiek 19-de eeuws, neogotisch, of liever nog Victoriaans, met vooral in de ingangspartij, ook neo-renaissance motieven. Er zijn inderdaad tussen beide kastelen wel grote verschillen:

– Dever had reeds eeuwen doorstaan en zijn glorietijd was eigen­lijk al voorgoed voorbij toen in het midden van de 17-de eeuw het huis Keukenhof werd gebouwd. Thans is Dever (nog) een ruïne; Keukenhof is in volle welstand.

— Dever staat thans leeg en kaal. De naakte muren zijn voor de kenner interessant. Keukenhof bevat tal van waardevolle oude schilderijen, portretten, antieke meubelen en andere voorwerpen. Vooral de collectie porselein mag genoemd worden.

– Dever is een toren, waartegen tussen 1631 en 1634 een – sinds lang weer verdwenen – huis is gebouwd. Keukenhof is een huis, waartegen in 1861/62 torens zijn gebouwd. In hetzelfde jaar 1862, waarin het dak van de Devertoren instortte, kreeg Keukenhof zijn nieuwe torens. Het kasteel moest in 1631 een ruime woning worden; het huis Keukenhof moest in 1862 een kasteel worden!

— Dever was omringd door uitgestrekte landerijen en verbonden met de gehele “heerlijkheid” Lisse. Thans zijn er om de ruïne nog slechts enkele vierkante meters grond overgebleven. Keukenhof was aan­vankelijk slechts omgeven door enkele morgens land. Het groeide uit tot een landgoed van vele honderden hectaren.

— Dever was van ouds een ridderhofstede, altijd een adellijk bezit. Eerst in 1949 kwam het in handen van de burgelijke gemeente Lisse. Keukenhof was altijd in handen van Amsterdamse burgers. In het begin van de 19de eeuw kwam het in het bezit van een jonkheer, later van een baron en nu is het reeds drie generaties bewoond door de grafelijke familie Van Lynden, die tot de hoogste en oudste adel van ons land behoort.

– In hetzelfde jaar 1949, waarin de Gemeenteraad van Lisse moeite had ƒ l te voteren voor de Ruïne van Dever, hetgeen door lichte aandrang van Burgemeester Lambooy toch gelukte, kreeg Keukenhof door de visie van diezelfde burgemeester een naam, die over de gehele wereld zou gaan weerklinken.3

Keukenhof en Dever. Twee kastelen in Lisse, geheel verschillend, maar beide in hun soort uniek. Dever vooral vanwege zijn bouwvorm en oude historie; Keukenhof met name vanwege zijn heerlijke ligging en zijn bloeiende bloembollen.

Misschien zijn er nog mensen die een “namaakkasteel” beslist lelijk wensen te vinden. Hun klok loopt enigszins achter. De Homo ludens van 1971 weet voor zulk een bouwwerk meer waardering op te brengen dan waartoe een tussenliggende, rigoureuser denkende generatie in staat was.

H. Jongsma schrijft in “Kasteelen, Buitenplaatsen, Tuinen en Parken van Nederland”: “Er is, zoals voor de hand ligt, aan De Keukenhof veel gerestaureerd, maar er zijn gedeelten die onweerlegbaar stammen uit een ver verleden. Niet de deur met zijn rustieke omlijsting en zijn boog-fronten. Met de kleine vensters die den ingang flankeren, zijn zij het werk der Oud-Hollandse Renaissance. Het avant-corps, waarin de ingang zich bevindt, moeten wij eigenlijk beschouwen als een torenfragment, door inbrengen van vensters van karakter geheel veranderd, tenzij ten tijde der zestiend’eeuwse Re­naissance zo gebouwd, doch dat is niet nauwkeurig vast te stellen. Ook de rechts en links vooruitspringende gedeelten zijn torens, waarvan alleen de westelijke een behoorlijke spits draagt, op de hoeken met erkers verlevendigd. Alle torens zijn afgezet met boogfriezen; ook aan den effen achtergevel – van bedenkelijk achttiend’eeuws uitzicht -zijn zij aangebracht, echter geheel ten onrechte. De torens aan zuid- en westzijde zijn van middeleeuws karakter en alles wettigt het vermoeden, dat bij de herbouw een zeer ruim en nuttig gebruik is gemaakt van torens of torenresten die aan verwoesting hadden weerstand geboden.”

De eigenaresse van Keukenhof, Mevrouw Van Lynden-van Pallandt, die wel beter wist, zal bij het lezen van deze volzinnen wel genoten hebben! De legende was geboren… Nu Vrouwe Jacoba nog. En ook die kwam, in 1950!

1  Ansichten blz. 45.

2  Dr. J.G.N. Renaud, Variaties op het thema kasteel (1966).

3  De kleurige Keukenhof, blz. 69 e.v.

25, Kasteel Keukenhof. Steendruk van S. Lankhorst & Co, ’s Gravenhage, naar een tekening van P.A. Schipperus (Rotterdam 1840 – ’s Gravenhage 1929), afgebeeld in “Wandelingen door Nederland met pen en potlood”, zesde deel door J. Craandijk en P.A. Schipperus.

’t Roemwaard Lisse: Keukenhof (23)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Van Berkhout wandelt Jan de Graaff nu over de huidige Stationsweg1 westwaarts.

Doch ik verneem van ver het hoog gebergt’

Van ’t Keukenhof, dus word ik nu gevergd

Te dezen stond om de hemelhoge terrassen

Te schouwen aan, met eiken dicht omwassen.

’t Schijnt Typhoeus hier berg op berg gesmakt

Heeft, eer hij onder d ‘Etna was gepakt

En nu nog gans Sicilië doet beven

Wanneer zijn kop maar iets schijnt opgeheven.2

Maar mijne reis dient heden afgedaan,

‘k Laat ’t reuzendom met de hemelgoón begaan . . .

Keukenhof is omstreeks 1655 gebouwd aan het einde van het Keukenduin van Teylingen. Bouwheer was de zeer welgestelde Adriaen Maertensz Block, geboren te Gouda en commandeur der Oostindische Compagnie. Zijn echtgenote, Catharina, behoorde tot het Haarlemse geslacht Van der Laen, dat hier in de omgeving talrijke bezittingen heeft gehad, zoals Veenenburg, Ter Specke en Wassergeest.3 Later komt Keukenhof, telkens door koop, in het bezit van diverse, vooral Amsterdamse, geslachten. In 1725 wordt “de plaats” vergroot en verfraaid door Mr. Joan Henry van Heemskerk (1689-1730), graaf des Heiligen Roomsen Rijks en kapitein der Amsterdamse schutterij. Hij had op 3 oktober 1720 als executeur testamentair van Henry van Hoven Jr Keukenhof “ten behoeve van hemzelven in zijn WelEdelheids Particulier” gekocht.4 Tot deze koop behoorden ook ongeveer 50 morgen Keukenduin en de boerderij met bijbehorende landerijen. Om het huis was een “plantage” van nog geen 3,5 ha. De Lyt- of Loosterweg was een eenvoudige zandweg aan de voet van het Keukenduin. Van Voorhout komende passeerde men de boerderij en de hofstede Keukenhof rechts en kwam op de Veenderweg (Stationsweg), niet ver van de plaats, waar zich thans de Loosterweg in de richting van Hillegom voortzet. Deze situatie is op de schilderij weergegeven. Let ook op de oude boerderij achter het herenhuis. Voor de rijke Van Heemskerk was de plantage echter veel te klein. Hij liet deze aanzienlijk vergroten. Om het gerij van boerekarren door de plantage en langs zijn huis te voorkomen wordt er een weg om de “Nieuwe plantage” aangelegd en de oude weg in deze plantage opgenomen. Deze bosweg is er nog steeds. Ten slotte had Heemskerk een prachtige verzameling tuinbeelden, met name werken van Jan Claudius de Cocq en Alexander van Papenhoven, die in 1746 publiekelijk werd geveild. Later komt dan Keukenhof in handen van de Amsterdamse professor Willem Roëll, een ongemakkelijk man, wie men bovendien verweet dat hij maar al te vaak (op Keukenhof) op vakantie was.5 Vooral de “vinkvakantie” in oktober was erg populair.

Tegen het einde der 18de eeuw werd Keukenhof gemoderniseerd en voorzien van Engelse schuiframen. In 1809 kwam het in het bezit van Mr. Johan Steengracht van Oostkapelle (1782-1846)6 en dat is de redding geweest. Keukenhof bleef behouden; Keukenhof is zelfs steeds groter geworden!

In de verkoopaffiche van 1809 wordt Keukenhof als volgt aangeprezen: “Eene extra schoone vermakelijk gesitueerde en welaangelegde HOF-STEEDE, genaamd KEUKENHOF, staande en gelegen in de Ambachte van Lisse, voorzien van eene zeer logeabele en binnen weinig jaren naar de nieuwste smaak opgemaakte en met groote schuiframen voorziene HEERENHUIZINGE, contineerende buiten eene extra rojale marmere regt doorgaande gang, wederzijds agt beneden- en negen bovenvertrekken, kamers en commoditeiten, meest alle behangen en met bekwame stookplaatsen voorzien, ruime keuken met pomp- en regenwaterbakken, fornuizen en kasten, extra ruime zolders en kelders, met wijnrakken en alle andere en verdere benodigde offices en gemakken, welke bij en tot een welgeordonneerde Heeren-Huizinge behooren”, stalling, koetshuis, druiven- en perzikenkassen, “en ’tgene verder tot eene compleete en welingerigte broeijerye behoord”, etc. etc. 7

1    Ansichten blz. 47 en 48.

2   Typhoeus, een afschuwelijk honderdkoppig en vlammenspuwend monster, door de oppergod Zeus bedolven onder de Etna. Wanneer Typhoeus zich beweegt, beeft de aarde. Wanneer hij toornig is gulpt het vuur uit de berg.

3   M. Thierry de Bye Dólleman en Mr. O. Schutte, Het Haarlemse geslacht Van der Laen, De Ned. Leeuw, 1969, pag. 21 overdruk. De mededeling aldaar dat Catharina Keukenhof zou hebben ontvangen uit haar vaders nalatenschap, berust op een misvatting. (Schr. hoopt binnen afzienbare tijd een gedetailleerde studie over Keukenhof en Zandvliet te kunnen publiceren).

4    Leids Jaarb. 1969 blz. 181 en 1970 blz. 159. (Schr. meende hier, dat met Baron van Wassenaar slechts de eigenaar van Merenburg bedoeld kon zijn. Het kan echter ook zijn de eigenaar van Wassergeest). A.M. Hulkenberg, De kleurige Keukenhof (1971), blz. 30-32.

5    Dr. LH. van Eeghen, De Gilden, theorie en praktijk, Fibuiareeks (1965), blz. 85.

6   Ned. Adelsboek 1950. De kleurige Keukenhof, blz. 52-53.

7    Archief Van Lynden/Keukenhof.

23. Keukenhof. Anoniem schilderij uit het einde der 17e eeuw. Collectie Van Lynden/Keukenhof

’t Roemwaard Lisse: Berkhout (21)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

De buitenplaats Berkhout lag op een perceel van 3 morgen en 211 roeden aan de zuidzijde van de Veender- of Berkhouterweg, de huidige Stationsweg, recht tegenover de Chr. Ger. Kerk.1 Daarnaast, van het einde der Veldhorststraat tot aan “De Wolf”, lag het bos van Berkhout. Over het oude Berkhouter Duintje leze men “Het Huis Dever” blz. 83 en elders. In 1580 was het duintje in handen van Jhr. Gijsbert van Duivenvoorde, die het overdroeg aan Jhr. Johan van Matenesse, heer van Lisse, een vrijgezel die de ridder hof stad Dever bewoonde. Na diens dood in 1624 zijn er tussen de erfgenamen van vaders- en moederszijde om de nalatenschap enorme moeilijkheden ontstaan, die 75 volle jaren hebben voortgeduurd2. Het Berkhouter Duin had Jhr. Johan niet geërfd maar zelf verworven en daarom werd het tussen beide groepen erfge­namen gedeeld. Het oostelijk stuk kwam aan de erven van vaderszijde en is tot in deze eeuw daarin gebleven, n.l. in het geslacht Heereman van Zuydtwijck. Pas in deze eeuw is het aan de familie Vreeburg verkocht. Het westelijk deel kwam aan de families Pieck en Valkenaar (van Dukenburg). In deze jaren is het duin afgegraven. Op 25 maart 1633 schrijft de schout van Lisse, A.A. van Gorcum, aan Hendrik Valkenaar te Utrecht, dat het met de zanderij “nogal wel” gaat.3 In 1643 is de Berkhouterweg recht getrokken4 en lijkt de afzanding vrijwel voltooid. Niet lang daarna moet ook het huis zijn gebouwd. Het behoorde aan bovengenoemde “Heer van Dukenburg”, had vijf haardsteden (stookplaatsen) en werd bewoond door schout Adriaan van Gorcum.5 Later blijkt het in het bezit van de zoon van de vroegere huurder, Mr. Hannaert van Gorcum, schout zoals zijn vader,6 maar in 1698 is het eigendom van de doopsgezinde heer Pieter Colaert, die een bijzonder bekoorlijke dochter had . . .7 In 1705 heeft Colaert zijn tuin geheel opnieuw laten aanleggen. Het graafwerk werd in vijf percelen aanbe­steed.8 In mei 1705 stonden Gerrit Jansz Breero, Corn. Pietersz Coole en Jan Sonneveld op Berkhout te spitten. Omstreeks 1720 komt Berk­hout in handen van de heer Johan Albrecht van Barner, “generaal der Holsteinse troepen, gemiliteerd in dienst van de krone van Groot-Brittannië”, stadhouder-koning Willem III. De generaal, die gehuwd was met Dorothea van Plessen, overleed op Berkhout in 1725 en moet er ook zijn begraven.9 Achter bleef een minderjarige zoon, Christiaan Siegfried, namens wie twee “omen materner’, Christiaan en Karel van Plessen, “geheime raden van zijne Koninklijke Majesteit” de erfenis regelen.10 Berkhout komt nu aan de heer Christiaan de Jonk. Schoemaker beschrijft dan de buitenplaats als volgt:11 “Een zeer deftige huizing waarop een torentje staat met klok en uurwijzer. ’t Heeft ook een ruim koetshuis en stalling voor 16 paarden, orangehuis, speelhui­zen, grote en kleine hoenderhokken en ook duivenhokken, alsmede een bekwame plaats voor eenden. Alles modern getimmer, diverse vakken met broeibakken, glazen trekkas, grotten, vijvers, starrebos met lanen daarom henen. Daarin een viskom met een terras. Voor de ingang staat een fraai ijzer hek”. In 1732 wordt vooral ” ’t gebloemte” geprezen, dat “met paarlen van de lucht gedrenkt, elks oog en neus verkwikt met zijne geuren en de uitgelezendste en de fraaiste koleuren.”12 In 1738 is Berkhout eigendom van Joost Westerveen en na diens dood van Mr. Pieter Jan Fremeaux, lid van een koopmansfamilie te Leiden, die met Cathrina Jacoba Westerveen was gehuwd.13 Er zijn dan (als zo vaak) moeilijkheden over de eigendom van de Lage Venerweg (Stationsweg) en de bomen die daar langs staan.14 Maar nu komt Jan de Graaff:

Maar ik hoor in de hooggetopte linde

Op Berkhout, daar het pluimgediert’ gezwinde

Staag tierelier t, hoogmoedig en zeer trots,

Wijl Echo, die vervormt is in een rots,15

De klank weerkaatst met eindeloos naklappen

En doet haar zelfs ontberen ’s levens sappen.

Mijn oor gestreeld, mijn oge weggevoerd

Aanschouwen het, de wandelstreek gevloerd

Met groen tapijt en sierlijk overtogen,

Verrukkend schoon, met groen gevlerkte bogen.

Het is eigenlijk een zwanenzang. Het huis wordt gesloopt en op 25 maart 1775 worden de gronden van “de geraseerde Hofstede Berkhout11 verkocht, het stuk “van het Houten Hek of Koepellaan tot aan de laan van de bouwwoninge” (De Wolf) aan Jurriaan Vreeburg.16 Berkhout is grasland geworden.

1    Arch. Van Lynden/Keukenhof, voorl. nr. 28. ARA, Recht.arch. Lisse, nr. 104,

2    Huis Dever blz. 92-98 e.v.

3    ARA, Arch. Heereman v. Z., Voorl.nr. 200.

4   Gemeentearch. nr. 501. Vgl. kaarten achterin.

5    ld. nr. 221, Haardsteegeld 1666.

6    ld. nr. 365.

7    Huis Dever blz. 201, r. 12/13.

8    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 63 fol. 19.

9    Gemeentearch. nr. 502. A.R.Hz, Gids . . blz. 25.

10 ARA, Recht.arch. Lisse nr. 68.

11 Mr. Andries Schoemaker, ms. Kon. Bibl. ‘s-Gravenhage.

12 Rhynlands Fr. Gez . . Vgl. afb. aldaar met deze iets jongere.

13 ARA, Recht.arch. Lisse nr. 19 fol. 126-132 vs. Voor Fremeaux: D.N. Leeuw 1902, kol. 155 en 156.

14 Gemeentearch. nr. 502.

15 Echo, door Narcissus verstoten, verschrompelde en verhardde tot een rots, die enkel gesproken woorden kon weerkaatsen. (In de tuin waren grotten gemaakt! ).

16 Zie noot 1. Arch. Rijnland, kaart nr. 5703.

21. Het huis Berkhout tre Lisse. Pentekening door Cornelis Pronk (Amsterdam 1691 – aldaar 1759), 127×203 mm .Gemeentemuseum Arnhem, G.M 4505.

’t Roemwaard Lisse: Grotenhof (19)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

De boerenhofstede Grotenhof is juist onlangs gesloopt en opnieuw opgebouwd. Raaphorst vertelt in 1922, hoe 25 jaar eerder bij het diepdelven tussen deze woning en de Achterweg de fundamenten wer­den gevonden van een ander huis, alsmede de overblijfselen van een vijver. Dit nu was de buitenplaats Grotenhof. In 1666 bezat de Amster­damse Pieter Six hier een aanzienlijk huis met vijf stookplaatsen en bovendien nog twee kleinere woningen waar als pachters Corn. en Peter Huybertsz en Jan Jacobs woonden.2 In dit bezit werd hij opgevolgd door zijn zoon Pieter Six Pzn Sr (1655-1703), advocaat “In de Vergulde Wolf1 in de Nieuwe Doelenstraat.3  Zijn tweede zoon, de ongehuwde Mr. Willem Six (1662-1733) verbleef ’s zomers meestal op de ridderhof-stad Dever.4 Pieter Six Pzn had een zoon, Mr. Pieter Six Pzn J r (1686-1755), raad, schepen en burgemeester van Amsterdam, enz. enz. Op 5 juli 1716 was Six te Alkmaar getrouwd met Geertruid van der Lijn (1694-1763), dochter van Cornelis van der Lijn, gouverneur-generaal van Oost-Indië en daarna burgemeester van Alkmaar. Het echtpaar woonde op de Heerengracht bij de Vijzelstraat.3 Pieter Six Pzn Jr stierf in 1755 en zijn echtgenote op 24 december 1763. Het echtpaar had geen kinderen en zo vererfde Grotenhof — een enkele maal ook Knappenhof genoemd – op een neef, Cornelis Jacob van der Lijn, geboren te Alkmaar in 1730 en in 1799 te Straatsburg overleden. Hij was gehuwd met de zeer welgestelde Johanna van Marselis uit Amsterdam (1730-1773). Het duin van Grotenhof lag tussen dat van Akervoorde (blz. 64) en Keukenhof. Langs de Trijnelaan, thans Essenlaan, staat nog de oude stenen grenspaal met het opschrift: “Van der Lijn” en “Sijpesteyn” (Akervoorde). Een tweede staat langs de voormalige Spekkelaan, n.l buiten de noordwestelijke hoek van de begraafplaats. In 1737 had timmerman Warbout Vreeburg onder toezicht van schout en schepenen, die de situatie “exactelijk hadden geëxamineerd”, aldaar houten palen gesteld, nadat de oude uit 1662 met het opschrift XIX (Vreeburg noteert in de marge: “N.B. is Six”) waren weggenomen.5 Hier dreigen we in moeilijkheden te geraken. Liever luisteren we naar onze zangerige Jan de Graaf f:

‘k Wil Grotenhof bezien in volle leden

Daar de nettigheid en vruchtbaarheid meteen

Steeds huisvest en zeer visrijk ongemeen,

En leit bij ’t duin, om met een zoet vernoegen

De haas of de konijn de brakken toe te voegen.

O loof prieel, dat zelfs het godendom

Bekoren zoud, dewijl dat gij alom

Van ’t welig vee en vette klaverweiden

Omsingeld zijt en doet mij henen leiden

In ooggeneugt tot op het eind van uw gebied,

Alwaar men ’t hoog gebergteduin beziet.

Dus keer ik mij tot aan de steile kanten

Der bergen, die aan hare blauwe randen

Gesierd zijn aan haar nederzakkend deel

Met boomgewas, waarvan de trotse abeel

Het meest beslaat, wiens wortels men ziet schieten

Ten kruinwaarts heen en weer tot in de vlieten.

 

Dan wendt hij zich tot Overduin in de Lageveense Polder:7

 

Doch ik verlaat deez’ bergen hoog en schuin

En wend mij naar ’t rustig Overduin,

Daar Ceres op haar hoog verheven trone

Gezeten is en wil het mensdom tonen

Het nut van het gebruik der korenaar.

Haar krakend kleed van goud, de borsten zwaar

van melk. O grote schoot vol vruchtbaarheden

En voedsteres van de onverwindb ‘re steden;

Gij plant uw kunst voort tot op ’t woeste duin

En laat de zorg op Triptolemos’ kruin*

Berusten.

De boerderij Duinhof aan de Spekkelaan was aan het echtpaar Corn. A. van den Steen — Anna M. van der Lijn gekomen. De erfgenamen verkochten hem in 1784 voor ƒ 5.000 aan de pachter, Huijg van Bourgonje, waarbij bepaald werd dat “de bloembollen in de grond van dit verkochte leggende tot den aanstaande opneemtijd ofwel den Ie augus­tus a.s. zullen mogen blijven leggen”.9 In 1821 kwam Duinhof aan Wassergeest. Nu groeien er op Grotenhof en Duinhof alleen nog maar bloembollen.

1    A.R. Hzn, Gids voor een wandeling langs de bloemenvelden in Lisse.

2    Gemeentearch. nr. 221, Haardsteegeld.

3    De Vroedschap, blz. 904/5.

4    Huis Dever blz. 193.

5    Arch. Van Lynden/Keukenhof voorl. nr. 17.

6    Jachthonden.

7    Schr.   hoopt  binnen afzienbare tijd een studie over Overduin te publiceren.

8    Triptolemos, zoon van koning Keleos, die de mensen in de akker­bouw onderrichtte.

9    Arch. Van Lynden/Keukenhof, perk. ongen.

19 Grotenhof. Ets van Abraham Rademaker (1675-1753). Uit Rhynlands fraaiste Gezichten 1732.

t Roemwaard Lisse: Wassergeest (17)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Hier ziet men het Wassergeest van omstreeks 1800, toen de Leidse burgemeesterszoon Mr. Isaac van Buren (1748-1812) eigenaar van de hofstede was. Van Buren was een erudiet man; hij bezat een fraaie bibliotheek en moet ook verzamelaar zijn geweest van schilderijen en prenten. Bovendien had hij een grote liefde voor tuinen en exotische planten. Zijn hartstocht voor de kwekerij had de ruim veertigjarige vrijgezel behalve met de Leidse hortulanus Nicolaas Meerburg, ook in aanraking gebracht met diens nauwelijks twintigjarige dochter Maria! 2 Of het waar is weten wij niet, maar men zei dat moeder haar dochter in de warme kas aan de burgemeesterszoon zou hebben gekoppeld. Een feit is, dat op de trouwdag, 26 juni 1791, zijn familie het volledig liet afweten en het is hoogst onwaarschijnlijk dat de jonge bruid het huis der Van Burens ooit heeft betreden.

Mr. Van Buren was aanvankelijk schout van Zoeterwoude, maar in 1795, als hij op Wassergeest woont, is hij baljuw van Lisse, Hillegom, Noordwijkerhout en Voorhout. Revolutie! De Prins van Oranje neemt de wijk naar Engeland! Vol trots laat de baljuw, die zich in 1793 nog zeer feodaal “Heer van Wassergeest” liet noemen2 “door de gezamen­lijke jeugd” der vier ambachten op 15 Bloeimaand 1795 op zijn hof­stede de vrijheidsboom planten, compleet met vrijheidshoed, het symbool der Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, de idealen die de baljuw met zoveel overtuiging wilde uitdragen. Het is gemeenlijk zo, dat al diegenen die voor de idealen der gelijkheid en revolutie zo luide getuigen, deze idealen ook gaarne in toepassing willen brengen, maar dan liever niet op zich zelven. Van Buren woonde op Wassergeest met zijn verzameling van zeldzame planten en heesters niet zonder een zeke­re allure en zijn destijds zo veelbesproken vrouw neemt hier met veel gratie een brief in ontvangst uit de hand van een harer domestiquen. Het ventje rechts met de geit is misschien haar in 1793 op Wassergeest geboren maar jonggestorven zoontje Hendrik. Te midden van de wat wonderlijk gesnoeide bomen blijkt “la vie galante” zich ook tijdens de revolutie te kunnen handhaven. Ten minste, zolang het geld reikt … Mr. Van Buren moet zoals zovelen in deze jaren in financiële moeilijk­heden zijn geraakt. In 1806 wordt een grote partij afbraak verkocht; er moet behoorlijk zijn gesloopt. De boerderij “De Phoenix” werd van de hand gedaan, ook een aldaar staande “zeer schone partij hyacinten” wordt geveild.3 Ten slotte wordt veel hout verkocht, maar Wassergeest met al zijn “ap- en dependentiën” blijkt reeds in 1804 verkocht aan Mr. D.P.H, van der Staal van Piershil. Deze Van der Staal werd tijdens het Franse gezag “maire”, burgemeester, van Lisse. Links op de afbeelding ziet men de naar Van der Staal vernoemde brug in de Heereweg, die thans zonderling genoeg zelfs officieel de naam van “Stalen Brug” draagt. Hier heeft zich in november 1813 iets zeer belangrijks voorge­daan; hier heeft zich een deel van onze vrijheid voltrokken.

November 1813,

Napoleon was verslagen. Gijsbert Karel van Hogendorp had de oranjekokarde al te voorschijn gehaald; Den Haag voelde zich vrij! Amsterdam durfde niet. Dus gingen enige Haagse heren, Van der Duyn van Maasdam en Hendrik Collot d’Escury, op zondag 21 november naar Amsterdam toe, te vergeefs . . . Intussen zat de voortvarende Van Hogendorp thuis op zijn stoel, mét rheumatiek maar zonder geduld. Hij had reeds een Proclamatie ten gunste van de Prins van Oranje opgesteld, maar zijn medestanders wilden of durfden hun hand­tekening niet eronder plaatsen. Ten slotte stuurde hij de jonge Van der Hoeven met zulk een proclamatie in de richting van Amsterdam. Bij Wassergeest hield Van der Hoeven de koets met de in Amsterdam teleurgestelde heren staande; of de heer Van der Duyn maar even wilde tekenen . . . Baron Collot d’Escury vemeldt: “Gene bevreemding was immer groter dan die van mijn reisgenoot! ” Ze stapten uit en gingen bij Van der Staal de zaak eens bespreken. Maar wat moest Van der Duyn, zakte de hele Haagse vrijheidsbeweging in elkaar; dat wilde hij Van Hogendorp niet aandoen. Tekende hij wel, dan kon hem dat het hoofd kosten! “Na enige wisseling van bedenkingen echter tekende hij”. Zo is Van der Duyn op Wassergeest onverwacht een der “Helden van 1813″ geworden.

‘Alzoo de Regeringloosheid veel is voorgekomen in de meeste steden, door wyze voorzieningen van de notabelste Ingezetenen, maar het ALGEMEEN BESTUUR geheel verwaarloosd en in niemands handen is, terwyl het geroep van alle zyde om zulk een BESTUUR tot redding van het Vaderland, onze harten diep getroffen heeft: ZOO IS HET dat wy besloten hebben hetzelve op te vatten tot de komst van ZYNE HOOG­HEID toe. Bezwerende alle de brave Nederlanders om zich te vereenigen tot ondersteuning van dit ons cordaat besluit. GOD helpt die genen, die zich zelve helpen.

‘sGravenhage, den 20ste November 1813

F. VAN DER DUYN VAN MAASDAM G.K. VAN HOGENDORP”

1    Drs. E. Pelinck in Leids Jaarb. 1961 blz. 88.

2    ld. blz. 90 noot 31.

3    Gemeentearch. nr. 14, gedrukte affiche.

4    ARA, Recht.arch. Eisse nr. 27, fol. 164 vs.

5    J. Steur in Bijdragen Hist. Gen. dl 77 (1963), blz. 203 e.v. Huis Deverblz. 246/47.

17. “Gezicht op de grote Beuken- en Dennenlaan op Hofstede Wassergees.t Brug op de Heereweg uit het huis mede zichtbaar anno 1795”.Tekeningen inkleuren van B.H. Thier (Ludinghausen bij Munster omstreeks 1770 – Leiden 1814) 38×32,5 cm. Gemeentearchief Leiden LPV 77977.

t Roemwaard Lisse: Wassergeest (15)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Over de “Westgeest”, “een stuk hout en konijnenland”, de “laan van het wilde bos” en het boerderijtje van Huyg Dignums de Roo leze men in “Het Huis Dever”. Ook over Jhr. Adriaan van der Laen die hier bezittingen had. De erfgename van Jhr. Adriaan was in 1681 zijn nichtje Magdalena van der Laen en deze had bij haar dood in 1691 als universeel erfgenaam haar neef van moederszijde Ysbrand de Bije.1 In 1707 heet het hier echter Wassergeest en blijken deze gronden het eigendom van de machtige Jacob baron en rijksgraaf van en tot Wasse­naar, heer van Obdam etc. (1635-1714).2 Hij behoorde tot dezelfde “tak Obdam”, die omstreeks 1600 de hofstede Middelburg in bezit had gehad,3 vervulde vele zeer hoge posten en was doctor in de rechten aan de universiteit te Oxford. Als hoofd van een regiment cavallerie had hij met Prins Willem III gestreden bij Senef (1674) en Neerwinden (1693). Hij bezat een paleisje te ‘s-Gravenhage en was gouverneur geweest in ‘s-Hertogenbosch en gezant in Frankrijk, Pruisen, Polen, Engeland, etc. Een der grote mannen uit de omgeving van de koning-stadhouder. In 1714 werd hij in zijn bezit opgevolgd door zijn ongehuwde zoon Jan Hendrik, lid van de Raad van State, en deze weer door diens broer Unico Wilhelm (1692-1766), ambassadeur in Frankrijk, gehuwd met Dodonea Lucia van Goslinga. Deze graaf van Wassenaar heeft wijzigin­gen doen aanbrengen in de tuin en in deze jaren heeft Jan de Graaff de buitenplaats bezongen:

Ik ga tot aan het groot gebied

Alwaar men ’t houtrijk Wassergeest beziet,

Verrukend dal, doorwrocht met galerijen

van lindeloof; gij doet mij henenleiden

In uwe schoot, alwaar de tuinderij,

Mijn voedsteres 4 , zo aangenaam en blij

Mij welkom heet en toont haar vruchtbaarheden:

De zoete aalbes, de peul en doperwt mede,

De kruisbes met de aardbei en kroos,

De moerbei met de peer en abrikoos

Vertoont ons hier en staan moedig hier te prijken

En behoeven niet voor ander fruit te wijken.

Beminnelijk dal, in wie ik ben verward,

En ‘k bleef bij u, want ’t scheiden valt mij hard

En zwaar. Indien ik niet wierd aangedreven

Door wandelzucht, ik ging u niet begeven.

Maar ik moet nu een weinig verder zien

En uwe aangenamigheden vliên.

Ik verlaat u dan en ga dus verder treden

In 1795 is de hofstede in handen van Mr. Isaac van Buren (blz. 16), die haar in 1804 verkoopt aan Mr. D.P.H, van der Staal van Piershil.5 Deze heeft de “plaats” mede door de aankoop van Grootenhof aanzienlijk vergroot, zodat deze zich uitstrekte van de Heereweg tot de Leidse Vaart en Keukenhof. Ten slotte kwam voor dit machtige Wassergeest vrij plotseling het einde. Het werd in september 1852 met al zijn “lustgronden” in het Logement de Witte Zwaan publiek verkocht.6 De “kapitale, solide gebouwde, goed geordonneerde herenhuizinge, bevat­tende aan het front ter weerszijde van de vestibule twee in elkander lopende, en alzo vier zeer ruime vertrekken . . ., wijnkelder, stalling voor acht paarden” gesloopt en vervangen door een ietwat archaisch aandoende boerderij waar thans de firma G.C. Tromp gevestigd is. Dan was er de tuinmanswoning aan de Straatweg (sinds een aantal jaren verbouwd tot “Lutetia”) met perziken- en druivenkassen en “een laan van opgaande eiken”. “De Phoenix ‘ aan de Eschlaan, verpacht aan Karel Schrama, Duinhof aan de Spekkelaan, (in 1821 door de dochter van Huygh van Bourgondië aan Mr. Van der Staal verkocht), pachter D. Prins, de boerderij van Grotenhof (Th. Langeveld) en de Hogewerf (J. Ruygrok). Verder het prachtige sterrebos aan de Loosterweg, etc. etc. Het geheel werd gekocht door Erven Steengracht (van Keukenhof) en toebedeeld aan Jh. J.F. Steengracht, die echter onder curatele stond. Na zijn dood op het slot Moyland in het land van Cleef in 1862 kwam Wassergeest aan Keukenhof.9 Later vererfde het op Mevrouw C. gravin van Rechteren geb. baronesse van Lynden, die het tot op heden goeddeels nog bezit. Er is veel afgegraven10 maar de bossen in de Lageveensepolder met hun sneeuwklokjes, verwilderde narcissen en hun vogels zijn een dorado!

Ds Craandijk beschrijft omstreeks 1875 Wassergeest met zijn “nieuwe, smaakvolle hoeve” als volgt: “Wilgen en elzen groeien er in menigte; enkele eiken met hun kloeker bouw en krachtiger takken zien als de aristokraten onder het geboomte met rustige majesteit op hun nederige broeders neer. Een fraai exemplaar dier boomsoort, in gezelschap van zijn evenknie, een even kloeke maar vriendelijker beuk, prijkt op het weiland bij de nieuwe, smaakvolle hoeve, die onder het landgoed Wassergeest behoort. Daar verheffen ook slanke dennen hun brede kronen hoog in de lucht en in de verte golven de mastbossen langs den duinzoom”… Het was er prachtig op Wassergeest!

1    M.  Thierry  de Bye Dólleman en Mr. O. Schutte,  Het Haarlems geslacht Van der Laen, De Ned.Leeuw 1969.

2    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 63 fol. 140, nr. 70 o.a. fol. 67, nr. 74 fol. 251/56 en 333/35 vs.

3    A.M. Hulkenberg, De hofstede Middelburg, Leids Jaarb. 1971.

4    Jan de G. verdient met de tuinbouw zijn brood!

5    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 27 fol. 164 vs.

6    Veilingb.   (3  ex)  in  Arch.  Van L./Keuk.  Bijbeh. kaart in Rijks-univ.bibl. Leiden, verz. Bodel-N. port. 13 nr. 44.

7    Huis Dever blz. 244 noot 26a.

8    De huidige Essenlaan was deel van de Catrijnelaan.

9    Bibl. Gemeentearch. Leiden nr. 85547a.

10 Ansichten blz. 75.

15. Wassergeest omstreeks1850., tekening in Oost-Indische inkt en sepia van P.J. Lutgers (Amsterdam 1808 -Loenen (U) 1874), 19,5×24,5vcm. Gemeentearchief Leiden LPV 77975