Berichten

Lisse 825 jaar en het huis Ter Specke

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                           

28 maart 2023

 door Nico Groen

 Lisse bestaat dit jaar op papier 825 jaar. Dit wordt groots gevierd in Lisse. De agenda vindt u op de website van de gemeente Lisse. Huis Ter Specke werd in 1343 genoemd als ‘stenen huis’. Mogelijk was dit huis er al veel eerder. De familie Van der Specke woonde namelijk al een eeuw eerder in Lisse.

Speck betekende in de middeleeuwen knuppelpad in een moerassig gebied. Het betrof een constructie van in de lengterichting evenwijdig liggende palen met dwars daarop liggende  takken. Aan weerszijde stonden palen. Als het pad verrotte of in het moeras zakte kwamen er nieuw palen en takken bovenop. Zo’n pad was in gebruik bij de familie Van der Specke, want ten noorden van de huidige Speckelaan had de familie ook grond in leen. Mogelijk werd hun veengebied ook Speck genoemd. De familie van der Specke vernoemde zich naar het pad of het gebied.

Willem van der Specke ook Verspeck genoemd, wordt omstreeks 1280 in Lisse geboren en is daar in 1344 ook overleden. Hij en zijn nageslacht waren van de lagere adel. Zijn waarschijnlijke vader, Dirck van der Specke, was geboren in 1250 en is overleden in 1312. Bij de geboorte van Willem was Dirck dus ongeveer 30 jaar oud en woonachtig in Lisse.

Bastaardzoon van graaf Willen II.

Deze Dirck van der Specke (1250-1312) was een bastaardzoon van graaf Willem II (1228-1256) en werd daarom ook Dirck van Holland genoemd. Vanwege zijn afkomst had hij belangrijke functies bij het graafschap Holland. Hij was o.a. landcommandeur van Holland  van 1287 tot 1307 bij het ridderschap van de Duitse Orde. Dat was bij de balije (afdeling) Utrecht, die een stuk of 15 onderafdelingen had, vooral in het westen van het land. De ridderlijke orde is in 1189 opgericht en werd in 1190 door de paus bekrachtigd. De balije van Utrecht had veel grond en boerderijen door giften in bezit gekregen. De opbrengsten van huur en pacht werden aan allerlei goede doelen besteed. Alleen adellijke lieden mochten lid worden van de ridderlijke orde. Omdat Dirck een bastaardzoon was ging dat niet zomaar. Het lidmaatschap van de orde met dispensatie is door graaf Willem II, voor zijn bastaardzoon Dirck, aangevraagd bij de paus van Rome en gehonoreerd.

Ook het nageslacht in Lisse heeft vele belangrijke functies gehad. Genoemd kunnen worden: diverse keren schout van Lisse, schepen van Haarlem, schout van Noordwijkerhout, schout van Haarlem, schepen en burgemeester in Leiden, kerkmeester van de St. Pieterskerk en rentmeester van Kennemerland en West-Friesland.

Aan een oorkonde uit 1395 van een volgende Dirck van der Speck (overleden voor 1418) zit een wapen, waaruit blijkt dat Van der Speck afstamt van de graven van Holland want hij hanteert eenzelfde soort wapen met een barensteel. In 1269 wordt Symon van Teylingen ‘neef’ van graaf Floris V genoemd. Ook de term ‘bloedverwant’ tussen de Teylingers, de familie Bredero en de graven is opgeschreven. Dit is ook aan de wapens te zien.

Foto: Links boven het wapen van de graven, recht boven, die van Van der Speck. De onderste 2 van Teylingen en Bredero
Foto: Internet

 

MEER EN DUIJN TE LISSE

MEER EN DUIJN TE LISSE MET VAN DER STEL

J. Belonje

Inleiding

In de registers van acten voor schepenen van Alkmaars verleden komt een stuk van 15 April 1806 voor, waarin een zekere WILLEM VAN DER STEL verschijnt, die verklaart zich tijdelijk te Alkmaar te bevinden. Hij had, naar zijn zeggen, kennis genomen van het testament van zijn te Kampen gestorven moeder, mevrouw CATHARINA VAN DER STEL-KEIJSER, daar de 26ste September 1798 ,,opgericht” en in verband daarmede verklaarde hij af te zien van alle vorderingen wegens opbrengst van verkocht hout, van timmerwerk, van huur of wat dan ook, als hem zouden mogen toekomen. WILLEM VAN DER STEL was nl. voor het Hof van Holland een proces begonnen om zijn aandeel uit bovengenoemden hoofde, naar zijn zeggen verschuldigd in verband met het recht van bezit, dat zijn moeder gecompeteerd had sedert de dood van zijn vader SIMON VAN DER STEL van ,,de buitenplaats Meer en Duin, gelegen onder Lisse en leenhoerig aen den Huize van Raephorst”. En hij beloofde bovendien aan zijn beide zusters MARIA JACOBA en CATHARINA ANTHONIA VAN DER STEL, noch haar, noch haar nazaten in of buiten rechten ter zake van de boedel zijner moeder meer lastig te zullen vallen. Zes dagen tevoren had WILLEM VAN DER STEL voor hetzelfde college van schepenen zijn zoon SIMON ADRIAAN, die te Amsterdam woonde, gemachtigd hem te vertegenwoordigen bij de boedelverdeling van zijn moeder en bovendien om van de executeur-testamentair, HENDRIK KOCK te Kampen, inventarisatie te eisen met rekening en verantwoording. Op 13 Juni 1806 gaf hij genoemde zoon te Alkmaar volmacht voor schout en schepenen van Alkemade zijn derde deel van het van zijn moeder geërfde eiland Abenesse onder de heerlijkheid Alkemade in de Haarlemmermeer te verbinden 1).

Een buitenplaats ,,Meer en Duijn” onder Lisse ?

De chromo topografische kaart vermeldt te Lisse ten Oosten van de Straatweg tussen de Lisserbeek en de Noord-grens der gemeente een polder van dezelfde naam, die wel naar het buiten gekozen is. En verder wordt ter plaatse deze naam nog levendig gehouden door een eenvoudige woning, waar men in moderne spelling ,,Meer en Duin” op geschilderd heeft. Inderdaad is, zoals ons medelid, de heer W. J. J. C. BIJLEVELD te Oegstgeest mij berichtte, de buitenplaats, waarvan hierboven sprake was, geheel verdwenen: eerst kwam ,,Meerenburg”, tussen de Straatweg en het Meer ten NO van Lisse ; nog verderop naar Hillegom lag ,,Meer“, zoals het, toen al vrij vervallen, op geestgrond en laag duin gebouwde, buitengoed in zijn jeugd genoemd werd, schuin tegenover ,,Wildlust”, doch iets ten Zuiden daarvan. De afbraak zal, naar de herinnering van de heer BIJLEVELD, wel kort vóór het jaar 1900 hebben plaats gevonden. Al moge ,,Meer en Duijn” zelf dan niet meer bestaan, de herinnering aan het oude landgoed is dus ter plaatse nog niet volkomen uitgestorven. Tegenwoordig bestaat te Lisse ook nog een Meer- en Duinstraat en het leek daarom van enig belang naar de historie van het buiten een nader onderzoek in te stellen. Voor dit onderzoek dan deed de acte, voor schepenen van Alkmaar op 15 April 1806 verleden, al aanstonds een belangrijk hulpmiddel aan de hand, immers daarin staat vermeld, dat ,,Meer en Duijn” een leengoed was van den huize van Raephorst. Wat de Leidse poorter CLAES WILLEMSZ 2) er toe gebracht mag hebben op 27 Januari 1505 zijn eigendom te Lisse, bestaande uit ,,eenen woninghe mytter huijsynghe, bomen ende poethinghe’ ’ op te dragen aan jonker AELBRECHT VAN DEN RAEPHORST om het van die edelman in leen terug te ontvangen, zal wel altijd een raadsel blijven. In de desbetreffende acte constateert de leenheer slechts, dat zijn toekomstige vazal gehandeld heeft ,,uut sijnen ghoeden ghunsten te mijwaerts dragende”, maar het lijkt waarschijnlijker, dat niet zozeer pure sympathieën voor de jonker in casu gesproken zullen hebben als wel mogelijke financiële zorgen van CLAES WILLEMSZ. Opmerkelijk is intussen wèl, dat CLAES WILLEMSZ. naast het nieuw geschapen leen nog andere gronden ter plaatse in eigendom behield ; misschien was zijn schuld aan VAN DEN RAEPHORST dus niet overweldigend groot en diende het om crediet te vermeerderen. In elk geval staat door deze acte vast, dat reeds in de aanvangsjaren der 16de eeuw ter plaatse een hoekje in de Hollandse ,,Wildernis” was, waar een huis tussen opgaand hout te vinden was, met tevens, wat men in latere tijd algemeen een plantage zou gaan noemen. En het heeft er alle schijn van, dat het hier steeds een ,,buitenhuis” gebleven is, want als het volgende verlei door de leenheer – thans was dat jonkheer HENDRIK VAN RAEPHORST 3) – gepasseerd werd ,,ten Huijse van den Raephorst upten sesten dach Novembris” 1552 was het WILLEM JANSZ., een poorter van Haarlem, die de belening verkreeg op naam van de erven van zijn schoonvader, PIETER SALING.

Een en ander komt hierop neer, dat CLAES WILLEMSZ. de hofstede te Lisse aan SALING had verkocht. WILLEM JANSZ. richtte het verzoek om investituur tot de leenheer, omdat hij met de oudste dochter, MARITIEN SALING, was gehuwd. Na enige jaren verkochten de erven SALING het onverdeelde bezit. Koper werd een Haarlems poorter, nl. HENRICH VAN WAMELEN ALLERTSZ ., te wiens name de belening op 23 Augustus 1554 plaats vond 4).  VAN WAMELEN behoorde tot een aanzienlijk geslacht, dat ook te Alkmaar vertakkingen bezat en dat twee, naar elkaar toegewende berenklauwen als wapen voerde. Te Haarlem is hij burgemeester geweest en hij bezat blijkbaar slechts één dochter, KATHERIJNE geheten, die als de echtgenote van MR. HEREBERT STALPAERT VAN DER WIELE na haar vaders dood belening liet verzoeken en op 2 April 1578 verkreeg. Wie de nieuwe bezitter was, is wel genoegzaam bekend. Hij behoorde tot het befaamde geslacht van hoge ambtenaren uit Haarlem, dat tot de adel gerekend werd en ook hij heeft belangrijke functies bekleed, want hij bracht het tot rentmeester-generaal van Kennemerland. Ook was hij hoogheemraad van Rijnland 5). Het is wel als zeker aan te nemen, dat hij het bezit onder Lisse als zomerverblijf gebruikt heeft, want de omschrijving (van het leengoed) luidt : ,,die woningh en landen met huijs schuijr, berch en geboompte en zijnen toebehooren . . . . groot zijnde omtrent 5 merghen”. In 1616 is KATHERIJNE VAN WAMELEN gestorven en op 6 Mei van het volgende jaar heeft haar zoon Jhr CORNELIS STALPAERT VAN DER WIELE voor belening gezorgd te eigen behoeve en tevens voor zijn zuster ANNA, de echtgenote van Jhr CORNELIS DE NOBELAER. Laatstgenoemd echtpaar kreeg ten slotte de bezitting en het is goed mogelijk, dat ook DE NOBELAER en zijn vrouw, die doorgaans in Den Haag hun domicilie hadden, het latere ,,Meer en Duijn” als hun buitenplaats hebben gehad. – Te hunner herinnering is in de Grote of St Jacobskerk in Den Haag een epitaaf aangebracht 6). Tal van jaren is dit echtpaar in het bezit gebleven van dit ,,groot leen” van den huize van Raephorst en op 10 Mei 1660 volgde CORNELIS DE NOBELAER, heer van Cabauw, hun zoon, in het bezit op. De nieuwe gerechtigde was kinderloos en hij maakte bij testament van 21 Juli 1680 zijn weduwe de levenslange lijftocht van het leen te Lisse, onder bepaling, dat zijn neef Jhr JUSTUS DE NOBELAER, heer van Burght, van Grijsoirde, etc. en na diens overlijden de Haarlemmer Jhr DIEDERIK RAMP daarin zou opvolgen. Het laatste is geschied 7) maar Jhr DIEDERIK RAMP, heer van Steenhuizen, bleek niet een begenadigde van de fortuin te zijn, want zijn boedel raakte door schulden belast.

Na de dood van RAMP VAN STEENHUIZEN en zijn vrouw GEERTRUIJD SPEYAERT VAN WOERDEN (zij hadden vier kinderen, die ongehuwd gestorven zijn) is hun boedel op 11 November 1711 insolvent verklaard en hebben de vereffenaars het huis te Lisse overgedragen aan WILLEM ADRIAAN VAN DER STEL, heer van Oud- en Nieuw-Vossemeer en oud-schepen van de stad Amsterdam, de zoon van SIMON, buitengewoon raad van Nederlands-Indië en bekend vooral om zijn functie als gouverneur van Kaap de Goede Hoop 8).

WILLEM ADRIAANVAN DER STEL

WILLEM ADRIAANVAN DER STEL was een voornaam en rijk man, die zich te Lisse blijkbaar zeer heeft thuis gevoeld, want hij ligt er ook begraven, tezamen met zijn echtgenote, MARIA DE HASE. In de kerk van Lisse ligt, ingewrongen tussen een paar pilasters, opgebouwd uit tegen het kunstwerk vloekend modern materiaal, een voortreffelijk gebeeldhouwde zerk voor het echtpaar, waarvan ik hierbij een afbeelding geef. In het midden van deze, in sterk reliëf uitgehakte wit-marmeren steen, die meer een monument te noemen is dan een gewone grafsteen, is een tombe-vormige cartouche geplaatst tegen een achtergrond van door twee engelen opgehouden draperieën. Bovenuit vliegt de Faam, onderaan zijn gezeten de Historie en de Wijsheid, terwijl de cartouche rust op een en face gesteld en omkranst doodshoofd. Boven de cartouche rijst een arend op, die zich klemt aan de band, waaraan de schilden (het tweede wapenschild, dat van de vrouw, is ovaal van vorm) zijn gehangen en terzijde waarvan zich de Mercurius-staf bevindt als symbool van de handelsstand, waartoe VAN DER STEL heeft behoord. Het wapen van de man voert, evenals dat van de vrouw, als hartschildje het wapen van Oud- en Nieuw-Vossemeer, terwijl de inscriptie van de ,,tombe” ten slotte luidt :

MARIA DE HASE

GEMALINNE VAN DE

HR WILHEM ADRIAEN VAN DER STEL ≈≈

OBIIT PRIMO JULY

Ao MDCCXXIII. AETATIS 55

ENDE DEN VOORN. HR OBIIT

VI NOV : Ao

MONUMENT VAX DER STEL-DE HASE, in de Ned. Herv. Kerk te Lisse

1733. AETATIS 70.

 

De zerk is in ‘t kort beschreven in het Leidsch Jaarboekje  van 1941, blz. 173 en in de ,,Gedenkwaardigheden” van Zuid-Holland, waar het echter telkenmale aan de schrijvers ontgaan is, dat de hartschilden op de beide wapens de heerlijkheid Oud- en Nieuw-Vossemeer aanduiden moeten 9).

WILLEM ADRIAAN VAN DER STEL kocht het Raephorster leen evenwel niet voor zichzelf, maar ten behoeve van een nog minderjarige zoon en naamgenoot, die op 29 Maart 1713 belening verkregen heeft. De jonge WILLEM ADRIAAN is echter niet oud geworden en na zijn vroegtijdige dood, ook een ander broertje stierf nog jong 10), was het zijn enig overgebleven broeder SIMON, die inmiddels ook ‘s vaders heerlijkheden geërfd had en te Amsterdam commissaris van de grote accijns was geworden, welke in het bezit van het Lisser goed is opgevolgd op de 4de November 1734.

SIMON VAN DER STEL

Wij zijn thans aangeland bij de SIMON VAN DER STEL, in het begin van dit artikel reeds genoemd. Hij was, zoals JOH. E. ELIAS in zijn ,,Amsterdamsche Vroedschap” t.a.p. blz. 461 mededeelt, op 12 October 1692 in de Amsterdamse Nieuwe Kerk gedoopt. Hij woonde te Amsterdam en hield in 1742 drie dienstboden, bezat een buitenplaats (waarover hier wordt gehandeld), een koets met twee paarden en een overdekt zeiljacht, en dit alles vermocht hij te bekostigen uit een jaarlijks inkomen van f 5 à f 6000, waarop hij was geschat! Te Amsterdam was hij in de Engelse kerk eerst op 28 Januari 1759 gehuwd ter wettiging van zijn zoon WILLEM, die hij had bij CATHARINA KEIJSER. Zij was geboren in 1726. De echtelieden verschilden dus wel wat in jaren, zegge vier en dertig! Zij was een dochter van FRANS KEYSER MIJNDERTSZ., droogscheerder op de Prinsengracht en van JOHANNA FONTEIJN. In stand liepen de echtelieden dus ook nog al uiteen. Die buitenplaats, waar ELIAS melding van maakt, is ,,Meer en Duijn” geweest, want toen SIMON VAN DER STEL in September 1780 hoogbejaard stierf, maakten De Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken (blz. 782) uitdrukkelijk melding van zijn overlijden op ,,Meer en Duijn”. Hiermede staat wel vast, dat het buiten zijn naam aan de VAN DER STEL’S te danken heeft. De naam was zeer goed gekozen. Het lag onmiddellijk aan de Haarlemmermeer en tegelijk aan de rand van de binnenduinen.

WILLEM VAN DER STEL

Na de dood van SIMON VAN DER STEL werd op 22 Januari 1784 zijn, ook in het begin van dit opstel genoemde, zoon WILLEM, die destijds te Heukelom – waarschijnlijk wel bij de familie 11) – woonde en die volgens de leenacte de leeftijd bezat van circa 30 jaren, met Meer en Duijn beleend. Blijkbaar – ook in de aanhef dezes zagen wij het al, dat zijn financiële toestand wel iets te wensen overliet – was deze opvolger heel wat minder goed gesitueerd dan zijn directe voorouders, want reeds in het volgende jaar werd ,,Meer en Duijn” door hem bezwaard. Klaarblijkelijk is het ten slotte voor WILLEM VAN DER STEL moeilijk geworden het goed langer aan te houden, want nog weer vier jaren later zien wij een nieuwe bezitster optreden. Toen werd het nl. op de 31ste Augustus 1790 overgeschreven op jonkvrouw CAROLINA SIDONIA LOUISA FREDERICA gravin van GRONSVELD. De twee zusters van WILLEM VAN DER STEL waren klaarblijkelijk bij de ouderlijke boedelverdeling buiten ,,Meer en Duijn” gelaten. Op haar beurt heeft de koopster slechts een kort genot gehad van het goed te Lisse, want zij droeg het reeds na verloop van ruim drie jaren over aan Prof. Dr LAMBERTUS BICKER.

LAMBERTUS BICKER

De nieuwe eigenaar was enig zoon van ARNOLDUS BICKER en van HENDRINA VAN SCHILFGAARDE en hij werd te Rotterdam op 11 April 1732 geboren, twee dagen later gedoopt. Hij studeerde te Leiden in de medicijnen, waar hij op 8 Augustus 1757 promoveerde, waarna hij naar Rotterdam als geneesheer terugkeerde. Van de oprichting af tot aan zijn dood was hij eerste secretaris van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte in zijn geboortestad en hij werd 18 Juni 1787 op voordracht van Burgemeesteren door de Raad aldaar bekleed met het professoraat-honorair in de medicijnen en in de physica. Zijn grote praktijk verhinderde niet, dat hij een werkzaam aandeel kon nemen in de bevordering van de genees- en natuurkundige wetenschappen en hij deed dan ook verschillende verhandelingen het licht zien, terwijl zijn naam in de bekende ,,courant” dier dagen, de (Nieuwe) Nederlandsche Jaarboeken, bij herhaling genoemd wordt. Op 62-jarige leeftijd dus, legde hij in April 1794 de praktijk neer en hij vestigde zich voorgoed op het huis ,,Meer en Duijn” te Lisse, welk ruim buitenverblijf reeds vele jaren door hem des zomers in huur werd bewoond. Aan deze verhuizing werd op de navolgende wijze ruchtbaarheid gegeven door de Rotterdamsche Courant van ,,Saturdag” 19 April 1794 : ,,Naardien de ondergeteekende is gaan wonen te Lisse, op de Buitenplaats ,,Meer en Duijn”, worden de genen die aan ,,hem of sijne familie willen schrijven versogt hunne brieven ,,aldaar te adresseeren of te Rotterdam onder het adres ,, F. BICKER-CAARTEN, zullende zich blijven ,,leenen tot consultatiën en het doen van inentingen.  L. BICKER te Lisse.”

Prof. BICKER, die op 26 Februari 1764 gehuwd was met JOANNA GEERTRUIDA CAARTEN, overleed toch nog in zijn geboorteplaats op 14 September 1801 en werd daar in de Grote Kerk begraven op de 18de d.a.v. in het graf hoogkoor 23. Hiermede tot de beginjaren der XIXe eeuw teruggekomen, wordt het tijd van het ,,feodale” Meer en Duijn afscheid te nemen, immers onder de nieuwe staatsrechtelijke verhoudingen werd het leenverband verbroken geacht. – Gaarne had ik deze bijdrage nog vergezeld willen doen gaan van een afbeelding van het oude huis, maar hoewel ik op tal van plaatsen daarnaar gezocht en geïnformeerd heb, bleven al mijn pogingen zonder resultaat. Mogelijk, dat een lezer, naar aanleiding van deze bijdrage, in de toekomst daarin nog eens slagen zal !

Alkmaar, Juni 1950 J. BELONJE.

NASCHRIFT

 

Wellicht zal het de lezer van bovenstaande regelen van de naarstige speurder Mr BELONJE interesseren hoe het dit landgoed, onder normale burgerrechtelijke omstandigheden, verder is gegaan. In het rechterl. arch. van Lisse (Alg. Rijksarch.) komt het transport voor d.d. 15 Juni 1801, waarbij de heer LAMBERTUS BICKER afscheid van zijn geliefd bezit nam en zo ligt het voor de hand, dat zijn sterfplaats ten slotte zijn woonplaats Rotterdam was. Op genoemde dag verkocht hij de hofstede genaamd Meer en Duin met deszelfs stallingen, koetshuis, tuinmanswoning, koepel aan de Heerenweg (de grote weg over Sassenheim, Lisse, Hillegom, enz.), bossen, plantagiën, tuinen en omrasterde duinen aan de overzijde van zijn hofstede, aan de heer JACOB ELIAS SMISSAERT te Amsterdam. De oppervlakte van de hofstede zelf was ruim 5 ha., die van de duinen 6 ha. De koopsom, die BICKER kon bedingen, was f 23500.-, een niet gering bedrag voor en in deze, zwaar op de ingezetenen drukkende tijd. Wanneer men in aanmerking neemt, dat de grond van de hofstede, als uitstekende cultuurgrond, in 1812 f 2000 en in 1838 f 3500.- gold en de duinen veel minder, dan volgt hieruit, dat de hoofdwaarde in het gebouw en het hout heeft gelegen. Van Meer en Duin onder SMISSAERT is verder niets gebleken; ook niet waarom deze er toe kwam één en ander van de hand te doen ; in Haarlem werd door ondergetekende de akte, verleden voor notaris WILLEMARNOLDUS HASELAAR d.d. 1 Febr. 1812, gevonden, waarin een CHRISTIAAN STUMPHIUS, makelaar te Beverwijk, als eigenaar van Meer en Duin wordt genoemd. Deze verkrijging betekende, dat spoedig de doodsklok over de oude buitenplaats zou worden geluid. In genoemde Haarlemse akte zien we nl. dat Stumphius de grond van de hofstede aan zekere HENDRIK NIEUWENHUIS, wonende ,,op de voormalige hofstede Meer en Duin” in eigendom overdroeg voor f 2000.-. Vrij zeker zal men in de koper de tuinman van de eigenaren van Meer en Duin in haar betere dagen mogen zien. NIEUWENHUIS koopt dan van STUMPHIUS de binnengrond van de hofstede, – in tegenstelling tot de duinen aan de buiten- of zeezijde van de grote weg aldus genoemd -, groot 5,5 ha met daarop staande het tuinmanshuis, de paardenstal, het koetshuis en de schuur, zoals een en ander thans (1812) nog aanwezig is. Verder de vruchtbomen, de schuttingen en spaljeringen, de rasteringen en de stenen muur langs de Heerenweg en het houten hek in de rasters staande ; verder de bruggen of overlopen die nodig zijn om van het ene stuk op het andere te komen en in het bijzonder ook de brug, die leidt naar het warmoes- of tiendenland. Verder krijgt NIEUWENHUIS de 9 olmenbomen, die om en bij het tuinmanshuis staan. Mede de rechten van verkoper op de vaart, van achter de gekochte grond tot de Haarlemmer meer, met bepaling, dat de eigenaar van de achterliggende gronden (de heer STUMPHIUS) daar ook de vrije vaart door houdt. Voorts, zo luidt het, is in de koop niets hoegenaamd ook begrepen, van hetgeen zich verder nog op gewezen hofstede bevindt en in het bijzonder niet ,,de heerenhuizinge, zoverre die nog niet geamoveerd is, ook niet de koepel aan de Heerenweg, generlei veldgewas, Engelsch plantsoen, hagen en verder houtgewas, hoezeer ook thans nog aanwezig zijnde ; desgelijks niet de hekken om de menagerie en wateringen, noch de ijzeren of houten hekken”. Uitdrukkelijk houdt verkoper de vrijheid die publiek of uit de hand te verkopen. Uiterlijk 1 April moet de koper NIEUWENHUIS de door hem gekochte grond van deze gewassen hebben ontdaan. De koper NIEUWENHUIS moet verkoper tot 1 April laten het gebruik van de paardenstal en van het koetshuis; de knecht de tuinmanswoning, die deze gedeeltelijk in gebruik heeft, moeten laten houden en aan de verkoper tot 1 Dec. e.k. moeten laten ,,het plein voor de Heeren Huizinge, zoals hetzelve thans zich bevind en honderd roeden gronds ter wederzijde van de Heeren Huizinge, mitsgaders gelijke honderd roeden achter dezelve Heeren Huizinge, alsoo in het geheel derhalve, behalven het voorplein, 300 roeden”. De koper moet gedogen dat alles door verkoper of diens rechtverkrijgenden wordt afgevoerd met paard en wagen of per vaartuig naar achteren over de Meer. Hierna is de heerenhuizinge Meer en Duin de weg van al het aardse gegaan. Wanneer op 9 Januari 1823 de zoon van de reeds bejaarde koper van 1812, JOHANNES HENDRIK(szoon) NIEUWENHUIS is overleden en 15 jaren later diens vrouw GEERTRUIDA HENRICA DEEN (18 Juni1838), achten de beide kinderen het geraden het gemeenschappelijk goed te delen. Aan de zoon Jan, tuinier te Lisse, werd toebedeeld het woonhuis (de oude tuinmanswoning van het landgoed), verdeeld in 3 afzonderlijke woningen, wagenhuis, schuur en 5 ha tuinen weiland ; de dochter Anna, gehuwd met FREDERIK BEUKERS, van beroep dagloner (in het schoonvaderlijk bedrijf), kreeg het woonhuis, erf en tuin met enige grond, van welk huis wordt gezegd, dat het na overlijden van der condividenten vader voor rekening van wijlen hun moeder geheel nieuw is gebouwd. Ononderbroken zijn sedert 1812 leden van de familie NIEUWENHUIS, naderhand in de vorm N.V. Gebroeders N., hier als tuiniers, later bollenkwekers genoemd, werkzaam geweest. Naast de genoemde twee gebouwen in de akte van 1838 maken de kadastrale kaarten geen melding van het oude herenhuis, zodat vast staat dat de afbraak in de loop van 1812 heeft plaats gehad, Genoemde STUMPHIUS bepaalde zijn betreurde werkzaamheid niet tot dit object. In hetzelfde jaar bericht hij in de bladen de verkoop op afbraak van het fraaie Zoetenhoven onder Zoeterwoude aan de Hoge Rijndijk buiten de Hogewoerdse poort, met zijn vleugelgebouwen, overtuin enz. Ondergetekende acht zich verplicht zijn hartelijke dank te betuigen aan de heer F. A. NUNNINK, landmeter bij het kadaster te Leiden, die door zijn hulpvaardigheid het heeft mogelijk gemaakt, dat ook de ondergang van ,,Meer en Duin” kon worden medegedeeld. De door de geachte schrijver in het begin van zijn beschouwing genoemde verdwijning van een huis ,,kort vóór 1900” kan dan slechts op de vervallen tuinmanswoning of het bouwsel, dat tussen 1823 en 1838 is verrezen, betrekking hebben gehad.

R. v. ROIJEN

Bronnen

1) In de betekenis van: als onderpand voor zijn schulden te stellen

2) Leenregister D. Alg. Rijksarchief, blz. 18

3) S. VAN LEEUWEN ,,Batavia Illustrata”, blz. 1171.

4) Leenregister als voren blz. 20

5) Leenregister van Raaphorst, Alg. Rijksarchief, ‘s-Gravenhage, litt C, blz. 17.

6) Mr P. C. BLOYS VAN TRESLONG PRINS ,,Gedenkwaardigheden” Zd.- Holland, 11 A, blz. 8 sub. 4 ; A. F. O. VAN SASSE VAN IJSSELT ,,Beschrijving v.h. Kerstmisgilde te Haarlem”, ‘s-Gravenhage 1905, blz. 16/17 en ,,Taxandria”, 1900, blz. 72 en 129

7), Repertorium der Raephorsterleenen fol. 3~2.0.

8) JOH. E. ELIAS ,,De Vroedschap van Amsterdam”, 1, blz. 461.

9) Zie voor de juiste beschrijving van het wapen (Oud-) Vossemeer : Mr W. J. BARON D’ABLAING VAN GIESSENBURG ,,Nederlandsche Gemeentewapens”, ‘s-Gravenhage 1862, Zeeland, pl. 4 no. 60 maar vooral : A. J. VAN DER AA ,,Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden”, X1, Gorinchem 1848, blz. 880.

10) Er waren uit dit huwelijk voorts behalve een tweede SIMON VAN DER STEL, ged. Gr. Kerk ‘s-Gravenhage 28 Febr. 1685 nog drie dochters, CORNELIA, gehuwd met MARCUS VAN WEERT, JACOBA CATHARINA en MARIA VAN DER STEL (MS. -genealogie Van der Stel, Univ. Bibliotheek te Amsterdam).

11) Zie J. A. BARBAS ,,Uit het Land van Arkel, Beschrijving van Heukelom”, Nijmegen 1892; zie ook ELIAS ,,Vroedschap” I.

Tekst en foto’s overgenomen uit het Leids Jaarboekje 1951 pag 110

Toegevoegd redactie OudLisse.nl

Oud Nieuws: Een kapitale hofstede aan de Veenderlaan (3)

De buitenplaats Berkhout was van grote klasse. Na het overlijden van de bewoner in 1681 scout en secretaris  mr. Van Gorcum, werd Berkhout te koop aangeboden. In een akte uit 1691 wordt het buitengebeuren van besproken.

Dirk Floorijp

Jaargang 20 nummer 4, 2021

Na het overlijden van schout en secretaris mr. Hannard van Gorcum (Lisse 1632-Lisse 1681) stond een kapitale hofstede, later “Berkhout” genoemd, te koop aan de Veenderlaan. Uit 1691 dateert een akte over de hofstede. In vorige Nieuwsbladen werd over de relatie met Jan Six verteld en kwamen aanleg en ouderhoud aan de orde. Nu komen getuigenissen van de tuinlieden aan de beurt.

In 1682 werd een perceel land van achthonderd roeden geschikt gemaakt als nieuwe boomgaard. Dat bleef natuurlijk aandacht vragen. Getuige Cornelis Jochemse Witteman verklaart dat hij den selven nieuwen boomgaard gestadig van tijd tot tijd had vermeerdert ende verbetert, dat hem getuige ook heel wel indagtig was dat in de harde vorst, die na sijn beste meeninge in den jare 1684 geweest was, verscheide boomen in de nieuwen boomgaard ende op de werf ende aan de glintinge, waren uitgevrose. Dat wordt natuurlijk hersteld: andere in plaatse gestelt, ende dat hij… voor verscheijde boomen in koop had moeten betalen een ducaton voort stuk. Kosten noch moeite worden blijkbaar gespaard.

Erfafscheiding
In de akte wordt gesproken over diverse soorten afscheidingen van de erven. Zo is te lezen: Verscheijde duijsenden els met ligustrum, linde ende hulst heijningen, mitsgaders een heijning omt bleijkveld van chessemin
persica, voorts mastboomen langs de glinting aan de veenderlaan. We nemen aan dat langs de omheining
aan de Veenderlaan dennen stonden, maar wat chessemin persica zijn blijft een vraag. Misschien een seringensoort die wel verkeerde jasmijn wordt genoemd.

Verzorging boomgaard
Pieter Pancrasse Meijster getuigt hierover Dat deselven boomgaard wel vet gemest was, dat hij mede met nog andere personen verscheijde dagen gaten tot het planten van boomen had helpen maken, ende boomen planten, ende na ’t planten nog misse met streken tussen die boomen henen had gespit, ende in de herfst van dien selven jare mede verscheijdee dagen de boomen had helpen aan aarden ende mesten, ende dat om ijder boom omtrent drie kruiwagens misse wierde geconsumeert.

Wat stond er in de boomgaard
Tuinman Witteman weet dat alsdoen in dien nieuwen boomgaard nog stonden omtrent 300 appelen en perebomen die in den jare 1681 en 1682 omtrent gekogt souden hebben tien stuijvers stuk. Er was flink geïnvesteerd in de boomgaard. Het is duidelijk een heel ander soort boomgaard dan wij ons nu bij een boomgaard voorstellen. Alleen al de verscheidenheid aan soorten verbaast.

Kwekerij
Duidelijk wordt uit de akte dat er niet alleen een boomgaard is maar ook nog een kwekerie of enterie. Wij zijn gewend om bij een tuincentrum of op een kwekerij een bepaalde soort boom te kopen. In de tijd van de akte werden op een landgoed de diverse soorten bomen zelf gekweekt en geënt (methodiek om te vermeerderen. Je zet een deel van een plant op een andere onderstam). Gekweekt worden note, castanien, persiken, appele, pere, kruijsbesse, aalbesse, queen, wijngaarden, aalbesse en anders.

Lusthof
Van een Bollenstreek was in deze tijd nog lang geen sprake, maar de akte spreekt wel over bloemen en noemt specifiek tulpen, anjers, hyacinten. Er is sprake van Uijtstekende moije, ende ook gemeene siringa ende bloem ende boomgewassen die al een werkelijke somme waardig waren, ende gekost souden hebben. Bij en om de hoeve stonden allerlei siergewassen. Tuinman Witteman verklaart Dat onder andere ook op de werf ende aan de glinting verscheijde persiken ende apricose boomen waren geplant.

Groen, J. van der and Nylandt, P. Den Nederlantsen Hovenier, beschrijvende alderhande Prinçelijke en Heerlijke Lust-hoven en Hof-steden, en hoe men deselve, met veelderley uytnemende Boomen, Bloemen en Kruyden, kan beplanten, bezaeijen, en verçieren. (…) Met noch ontrent 200 Modellen van Bloem-perken, Parterres, Doolhoven, Priëlen, Latwerken,
en Zonnewijsers. Amst., Weduwe G. de Groot, 1721

Knoop, J.H. Beschouwende en werkdadige Hovenier-Konst of Inleiding tot de Waare Oeffening der Planten. Waarin aangewezen word al ’t gene een Hovenier en aan andere Tuin-oeffenaars dienstig en nodig zyn kan te weeten. Leeuw., A. Ferwerda, 1753

Gravure Berkhout door Abraham Rademaker 1732 RHYNLANDS FRAAISTE GEZICHTEN “Een zeer deftige huizing, waarop een torentje staat met klok en uurwijzer. ’t Heeft ook een ruim koetshuis en stalling voor 16 paarden, orangehuis, speelhuizen, grote en kleine hoenderhokken en ook duivenhokken, alsmede een bekwame plaats voor eenden. Alles modern getimmerd, diverse vakken met broeibakken, glazen trekkas, grotten, vijvers, starrebos met lanen daarom henen, daarin een viskom met een terras. Voor de ingang staat een fraai ijzer hek“.

Onthulling Veenenburgbrug

Wethouder Kees van der Zwet en onze voorzitter Eric Prince hebben op
25 november de Veenenburgbrug met historisch informatiebord onthuld.

Jaargang 20 nummer 4, 2021

Nieuwsflits

Op dit bord is te lezen hoe de brug is ontstaan. De oorspronkelijke Veenenburgbrug werd gebouwd in 1928 en speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van ons bollenerfgoed. Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek
van Ammerstol bouwde in 1904 kalkzandsteenfabriek ‘Arnoud’. De baron liet in 1928 de Veenenburgbrug bouwen voor het vervoer van zand naar zijn fabriek. Deze brug, gelegen op de grens van Lisse en Hillegom, was niet meer in goede conditie en aan vervanging toe. Toen Oud Lisse hoorde van de plannen om deze oude historische brug te vervangen, heeft ze voorgesteld de brug liever niet te vervangen maar te restaureren. Ook in ‘Sporen van Vroeger’ van het weekblad ‘Lissernieuws’ vroeg Oud Lisse hier aandacht voor. Daarin werd weergegeven dat de jaagpaden onder deze kalkzandstenen brug uniek zijn. Met name bijzonder, omdat daaruit het verband blijkt tussen de zandafgravingen, de kalkzandsteenfabriek ‘Arnoud’ en het omliggende landschap. Helaas bleek restauratie niet mogelijk en moest de brug vervangen worden om gevaarlijke situaties te voorkomen. In de onderbouw van de brug zaten n.l. veel scheuren. De vervangingswerkzaamheden hebben van half mei tot eind augustus geduurd. Tijdens deze werkzaamheden werd al het verkeer op de Loosterweg Noord tussen de Zwartelaan en de Frederikslaan afgesloten. Eind juli werd de nieuwe brug in gebruik genomen en eind oktober werden de laatste werkzaamheden uitgevoerd. Oud Lisse hoopte op een nieuwe brug in de oorspronkelijke stijl, maar dat is niet gebeurd. Wel zijn de vier kenmerkende beschermingspalen die aan de uiteinden van de brugleuning stonden, opnieuw gemaakt en neergezet. Het naambord met de originele naam uit 1928 is opnieuw aangebracht.

Onthulling Veenenburgbrug

 

Oud Nieuws: Een kapitale hofstede aan de Veenderlaan (2)

De buitenplaats “Berkhout” was van grote klasse. De entree, de hofstede zelfde nieuwe boomgaard, het vinkenhuis, het zomerhuis en de vijver worden besproken.

door Dirk Floorijp

Jaargang 20 nummer 3, 2021

Na het overlijden van schout en secretaris mr. Hannard van Gorcum (Lisse 1632-Lisse 1681) stond een kapitale hofstede te koop aan de Veenderlaan. Het ging om de buitenplaats die later bekend werd als “Berkhout”. In 1691 werd een acte opgemaakt. Dat het over een kapitale hofstede ging blijkt wel uit de acte. In dit Nieuwsblad worden enkele zaken over onderhoud en de verbetering van het landgoed uitgelicht.

Getuigen
Maar liefst 17 personen legden getuigenissen af. Hun beroepen worden genoemd: tuinlieden, arbeiders, timmerlieden en een metselaar. Uit de getuigenissen blijkt dat er heel veel mensen betrokken waren bij de verbetering en het onderhoud op het landgoed. De periode van de getuigenissen loopt van 1681 tot 1690.

Entree bij de hofstede
Een kapitale hofstede vraagt om een fraaie entree. Over het onderhoud aan de pilaren aan de poort staat er: …hadden regt gewonnen ende ondervangen, en daaronder een geheel nieuw fundament hadden gemaakt met twee leggende balken van omtrent vijftien voeten ieder lang…..daarop gewrogt vier kespen, daar ’t metselwerk op geschoeijt, ende gefundeert was. Ende dat sulks wel hadde gekost tenminste dertig guldens, behalve ’t maken van de dammen. Een van de genoemde arbeiders, Cornelis Clase Stellingwerve getuigt dat hij met 4 à 5 andere personen in de somer van de jaren 1682 ofte 1683 aan het vereffenen van ’t bleijkveld ende de plaats voor de deur, welke met verscheijde lompe heuvelen oneffen was, tenminste twee dagen had gewerkt, ende dat daardoor het bleijkveld ende pleijn voor de hofstede netter ende sierlijker was geworden ende wel tenminste tien gulden had gekost.

De Hofstede
Timmerman Klinkenberg verklaart dat hij aan de hofstede hadde getimmert. Er wordt ondermeer gemeld: een venster in de kelder met nog twee groote vensters met kasijnen in het bloemkamertjje. Metselaar Jan Vlaanderen zegt in de keuke ende gange van de hofstede een nieuwe vloer had geleijt en de ook ander metselwerk gedaan en dat naar sijn oordeel alleen de vloer tenminste 16 gl. Had gekost. Samen verklaren ze Het muurtje van de haardstede in de keuke was uijtgebroken, uitgeset en vermaakt soo van steen als hout, alsook ’t geheele huijs van buijten en het hek ende banken was geverft.

Nieuwe boomgaard
Getuige Cornelis Jochemse Witteman verklaart al in den jare 1682 van een perceel land  omtrent achthonderd roeden, dat van slegte stoffe was had doen opregten een braven nieuwen boomgaard sijnde daar tevoren maar weinig boomgaard, ende meer gans niet fleurig,nog vrugtbaar. Dat moet toch zo’n 1,5 ha zijn geweest. Bovendien verklaren Witteman en getuige Jan Dirkse Klinkenberg, de timmerman, de boomgaard insonderheijd seer met ende sierlijk van paden ende anders had onderhouden. Gerrit Willemse Rode en Adriaan Florisse van der Wolf verklaren dat sij in den jare 1683 ….. hadden opgemaakt de slooten om de boomgaard… ende daar voren bedongen ende ontfangen een somme van 19 gulden en 6 stuijvers ende vrij bier, behalven ’t gene andere verdiend hadden. Dat vrij bier komt vaak terug in de acte. Blijkbaar was het een goed gebruik om naast de gewone betaling ook vrij bier te verstrekken.

Vinkenhuis
Bij een kapitale hoeve ontbreekt het vinkenhuis natuurlijk niet. Timmerman Juriaan Bruijnse Vreeburg heeft op ordre en versoeke als timmerman gewrogt ende gemaakt had aan de speelhuijsen of vinkenhuijsen ….. ende dat hij selfs op eene tijd agter den anderen, aan een van deselve met sijn knegts alleen aan arbeijdsloon had verdiend vijfentwintig guldens eene stuijver, ende dat het voorsz: een speel of vinkenhuijs bijna geheel vernieuwd, ende soo in arbeijdsloon als hout en spijkers na sijn oordeel tenminste hadden gekost een somme van vijftig guldens. Het vangen van  vinken was een soort sport en een gebraden vinkje gold als een lekkernij. Blijkbaar mocht zo’n hobby wat kosten. Jan Dirkse Klinkenberg, timmerman, kwam in actie voor een vinkevlugt, een vinkekas int vinke kamertje. Prijzen staan er bij: De vinkenvlugt 30 gl. De vinkekas 10 gl.

Zomerhuis
Timmerman Jan Dirkse Klinkenberg en metselaar Jan Vlaanderen verklaren een somer of washuijs
van groot gemak ende nuttigheijt aan gemelde hofstede had aangebouwd … dat daartoe nieuwe delen ende ander nieuw houtwerk was vertimmert, ende dat het houtwerk ende arbeijdsloon, behalve de glasen, omtrent ende tenminste hadde gekost een somme van 60 gulden.

Vijver
In het vorig nieuwsblad lazen we al over de krioelende karpers. Het moet wel een grote vijver geweest zijn die in de loop der jaren werd vergroot en verfraaid. Lambert Pieterse Berendregt verklaart dat hij met sijn vader Pieter Symonse, …… ten minsten vijf a ses dagen hadden gediept ende omtrent vier voeten verwijt, ende daar voren ontfangen ijder 24 a 25 stuijvers des daags vrij bier. Gerrit Sijmonse Berendregt verklaart drie agtereen volgende jaren, na de voorgemelde eerste verdiepinge ……..de vijver telkens meerder hadde verdiept ende verwijt, ende bezig geweest agt of negen dagen ende daarvoor ontfangen eene gulden vijf stuijvers daags. Ook lezen we in de acte over een brugge over de vijver met een hekje item schutten in de vijver.

Ede Bovenstaande is maar een klein deel van wat de getuigen verklaren ijder in den sijnen des noods, ende
daartoe versogt sijnde met eede te sterken. Dankzij deze onder ede afgelegde verklaringen krijgen we een klein beetje een idee van hoe zo’n voorname hoeve reilde en zeilde. ■

Klik hier voor het volgende deel

Berkhout tot Lis staat er rechtsboven, een tekening van C. Pronk 1725
Cornelis Pronk tekende het in 1715 zo

Pareltje over een vooruitstrevende geneesheer.

De Rotterdamse arts Lambertus Bicker publiceert in 1777 een pleidooi voor het inenten tegen de pokken. Op de titelpagina presenteert hij zichzelf al als parel van de wetenschap. Het is deze man die in 1793 Meer en Duin in Lisse koopt.

door Ria Grimbergen

Jaargang 20 nummer 2, 2021

De Rotterdamse arts Lambertus Bicker publiceert in 1777 een pleidooi voor het inenten tegen de pokken. Op de titelpagina presenteert hij zichzelf al als parel van de wetenschap. Het is deze man die in 1793 Meer en Duin in Lisse koopt. De nieuwe eigenaar van de buitenplaats heeft in de tussenliggende jaren een formidabele reputatie als medicus en wetenschapper opgebouwd. Een jaar later verhuist hij voorgoed naar het buiten, gelegen tussen het Haarlemmermeer en de duinen. Bicker adverteert dat hij in Lisse nog wel beschikbaar is voor consulten en inentingen. Het laatste een specialisatie van deze wetenschappelijke alleskunner.

Arts in Rotterdam
Lambertus Bicker wordt op 11 april 1732 in Rotterdam geboren als zoon van een lid van het bierdragersgilde. Zijn
vader overlijdt in hetzelfde jaar. Zijn moeder, Hendrina van Schilfgaarde, hertrouwt met een weduwnaar met vier kinderen. Bicker studeert medicijnen in Leiden, waar hij 8 augustus 1757 promoveert. Hij keert terug naar de Maasstad en bouwt daar een artsenpraktijk op. Zeven jaar later trouwt hij op 26 februari 1764 met de achttienjarige Johanna Geertruida Caarten (1746-1821). De stad Rotterdam eert Bicker in 1787 met een ereprofessoraat in de medicijnen en de fysica.

Meer en Duin
Al lang voordat Bicker Meer en Duin koopt, huurt hij het buiten in de zomermaanden. Vermoedelijk al kort na zijn huwelijk, want zijn derde kind Alida Sophia wordt in Lisse geboren op 24 september 1767. Aanvankelijk huurt hij de
buitenplaats van de familie Van der Stel. Vanaf 1790 van Carolina S. L. F. gravin van Gronsveld. De eerste maal overigens dat de buitenplaats met Meer en Duin wordt aangeduid is in de overlijdensadvertentie van de 88-jarige Simon van de  Stel. Van der Stel overlijdt op Meer en Duin op 6 september 1780. Op Bickers geliefde buiten wordt later nog een kleinkind geboren. Terwijl zij logeert op Meer en Duin bevalt Aletta Jacoba Top, getrouwd met Bickers jongste zoon Arnold, op 27 mei 1798 onverwacht van een gezonde zoon, Frederik Cornelis Bicker.

Een begaafde wetenschapper
Zou Bicker wel ooit hebben geslapen? Naast zijn werk als geneesheer is hij secretaris van het Rotterdamse Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, een gezelschap geleerden en artsen met een groot enthousiasme voor de natuurwetenschappen. Bicker is een van de oprichters van dit gerenommeerde gezelschap, dat nu nog bestaat. Voor dit en andere genootschappen houdt hij lezingen op uiteenlopend terrein. Hij begint zijn voordracht altijd met een stichtelijk woord. Hij gelooft in de eenvoud van de natuur en Gods ondoorgrondelijke wijsheid en almacht. Zijn lezingen worden gedrukt en uitgegeven, tellen vaak honderden pagina’s en handelen over onderwerpen roeden, vuurmachines, stoommeters, de dubbele luchtpomp, rivierkundige grondwaarheden en over de noodzaak ventilatoren te plaatsen op schepen. In 1772 al publiceert hij anoniem een verhandeling over de voordelen van het gebruik van een stoommachine, dan nog vuurmachine genoemd, boven dat van molens bij het bemalen van polders. Mede dankzij zijn inspanningen wordt de Rotterdamse polder Blijdorp drooggelegd met een van de eerste stoommachines in ons land. Bicker schrijft over het zog der vrouwen, met een gedetailleerde uitleg over de ontwikkeling van vrouwenborsten van puberteit tot overgang. Over de oorzaken, de aard en genezing van zenuwziekte, roodvonk, ziekten gerelateerd aan de droogmaking van polders en over de behandeling van drenkelingen.

Pleidooi voor inenting

Verhandeling over kinderpokken uit 1777 door Lambertus Bicker

Een van zijn belangrijkste artikelen verschijnt in 1777, een verhandeling over de inenting tegen kinderpokjes. In
Turkije had de flamboyante Engelse ambassadeursvrouw Lady Mary Wortley Montagu, zelf getekend door de pokken, kennis gemaakt met de oosterse techniek van inenting tegen pokken. Via de Engelsen raakten Nederlandse
artsen bekend met de inenting of variolatie. Met een lancet maakte de inenter een krasje in de bovenarm. Etter uit de
pokken van een besmet persoon werd in de huid gebracht en de ingeënte patiënt kreeg in lichte mate de ziekte. Vaccineren met koepokken kwam pas in de negentiende eeuw in zwang). Rotterdam worstelde in de jaren 1775 en 1776 met uitbraken van pokken. De ziekte laaide periodiek op en woedde vooral in de steden met zijn benauwde stegen en volgepakte huizen. Deze pokkenexplosies motiveren Bicker tot een gloedvol Vertoog. De arts oreert over het belang van inenting tegen de kinderpokjes, zoals men toen de pokken  noemde (niet te verwarren met de waterpokken). Bicker besluit ook zijn jongste dochtertje van twee jaar in te enten, de oudere vijf kinderen waren al beschermd door inenting. Had je pokken gehad, dan was je er immuun voor. Het virus trof vooral kinderen, maar ook volwassenen konden er heel ziek van worden en eraan sterven. Besmetting met het virus verliep via de luchtwegen, een druppeltjesbesmetting zoals bij verkoudheid en covid. Tijdens de uitbraken in Rotterdam stierven omtrent 830 patiënten van de naar schatting 6000 besmettingen. Van de 183 ingeënte overleed er niet één.

Gravure 1797 van James Phipps. Afgebeeld is Edward Jenner, die een vaccinatie verricht met vocht uit koepokken, een ongevaarlijke rundveeziekte. Jenner ontdekte dat melkmeisjes die deze koeien molken, immuun waren voor pokkenbesmettingen. De techniek is dezelfde als die Lambertus Bicker toepaste, een krasje in de bovenarm waarin entstof wordt ingebracht. Bicker gebruikte etter uit pokken van een besmette patiënt, waarbij de ingeënte de ziekte in lichte mate kreeg. Een behandeling die niet zonder risico was. Jenners veel veiliger methode betekende een revolutie in de strijd tegen de pokken

De pokken veroorzaakten grote zwerende puisten over gezicht en lichaam. In Arthur Japins roman ‘Een schitterend gebrek’ overleeft de mooie Lucia de pokken, maar haar schoonheid is geruïneerd. Haar gezicht is ontsierd door afgrijselijke littekens. Zij ontvlucht haar geliefde, wetend dat zij beiden door haar lelijkheid outcasts zouden worden. Of, zoals Bicker schrijft in zijn Vertoog, ‘Het is een wreede en moorddadige ziekte met jammerlijke verwoestingen’. Het virus zocht via de bloedbaan een weg door het lichaam en kon vitale organen aantasten. Blindheid was een veel voorkomende complicatie. De behandeling was niet zonder risico. Van de duizend ingeënten overleden er vijf tot tien. Toch schrijft Bicker, inenting is ‘het heilzaamste, vermogendste en zekerste van alle welke geneeskunst ooit heeft uitgevonden’. Het is vooral de elite die zich laat inenten. De ‘gemeene man’ heeft vooroordelen, gevoed door de angst om te sterven. Traag van aard, houdt hij niet van nieuwigheden. Schoolmeesters, dokters, predikanten praten op hem in en beweren dat inenten levensgevaarlijk is. Inenters zouden moedwillig de besmetting verspreiden en hun ‘beurs vullen ten koste van het leven van hun evenmens’. Nu worden in de Filipijnen vaccinatiehuiverige armen overgehaald zich te laten inenten tegen corona in ruil voor zakken rijst. De VS beloont twijfelaars met bier en geld. Verlotingen in priklokalen moeten Russen over de streep halen. En Bicker hoopt vergeefs dat de Staten Generaal geld of voorrechten beschikbaar stellen aan mensen die zich laten inenten.

Als Bicker in 1794 Rotterdam verlaat en in Lisse gaat wonen, verliest de stad een gewaardeerd geneesheer, maar vooral een kundig inenter. Zevenhonderd mensen heeft hij ingeënt en niet een heeft hij verloren. Daaronder zeer veel heel jonge kinderen, sommige twee of drie weken oud. Voorloper gezondheidszorg Bicker heeft veel aandacht voor ziekmakende omgevingsfactoren. Hij pleit voor verse lucht, zoals in zijn artikel over het plaatsen van ventilatoren op schepen. Bij Oost-Indiëvaarders en ‘slaafhaalders’ verblijven de mensen opgepropt tussendeks en is de lucht bedorven en ziekmakend. Ventilatoren kunnen verse lucht blazen in de ruimtes en zo sterfte tegengaan. Bicker en zijn medestanders zijn ervan doordrongen dat de medische zorg moet worden hervormd en onder centraal gezag moet komen. Die kans komt met de Bataafse Revolutie in 1795. Een jaar daarna biedt Bicker de Staten van Holland zijn plan aan voor een Geneeskundige Staatsregeling. Een goede medische opleiding voor artsen en anderen die zich met de geneeskunst bezighouden, tegengaan van kwakzalverij, toezicht op voedsel en aandacht voor ziekmakende factoren in de leefomgeving zijn de speerpunten.

Op 15 juni 1801 verkoopt Bicker zijn ‘hofstede genaamd Meer en Duin met deszelfs stallingen, koetshuis, tuinmanswoning, koepel aan de Heerenweg, bossen, plantagiën, tuinen en omrasterde duinen aan de overzijde van zijn hofstede’ voor f 23.500 aan Jacob Elias Smissaert. De oppervlakte van de hofstede bedroeg ruim vijf hectare, van de duinen zes hectare. Drie maanden daarna overlijdt hij op 14 september 1801 in Rotterdam.

Zie hiervoor: LJB, 1951, p. 119.

Bicker en zijn dochter Hermina

Strofe uit het gedicht ‘De dochter van Bicker’

Op een dag rijdt Bicker met een jonge patiënte, die hij zojuist heeft ingeënt, ter ontspanning in een open rijtuig langs de Schie naar Schiedam. Zijn oudste dochter Hermina volgt met familie van het meisje in een tweede rijtuig. Bij Schiedam schrikken de paarden en het rijtuig raakt te water. De drenkelingen worden uit het water gehaald. Bicker is ‘als in een gerusten slaap gevallen’, wordt naar een herberg gebracht en voor een groot vuur gelegd, geklisteerd en adergelaten. Zijn dochter doet al het mogelijke voor haar vader om hem door wrijven weer tot bewustzijn te brengen. Hij komt bij, kan nauwelijks ademen, het vuur voelt onaangenaam aan en hij brengt uit ‘natuurlijke warmte’. Zijn dochter herinnert zich dat haar vader beweerde dat natuurlijke warmte in geval van drenkelingen het beste is. Zij ontbloot haar boezem en valt met haar ontblote borst op die van haar ontklede vader, die door de warmte nu geheel bijkomt. In 1794 bezingt Adriaan Loosjes PZ deze hartroerende gebeurtenis in het lange gedicht ‘De dochter van Bicker”. Dochter Hermina Hermina wordt ziek en Bicker behandelt zijn geliefde dochter. Hij doet verslag van haar lijdensweg in een boek met de titel ‘Waarneeming van een oogenschijnlijk bevrucht eijernest’. Tijdens haar ziekte bezoekt zij haar vader op zijn buiten in Lisse om gezonde lucht in te ademen. Na haar dood wordt in zijn bijzijn het ontleedmes ter hand genomen en haar lijk ontleed. Hij komt tot de conclusie dat zij gestorven is aan een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Zou het met haar dood te maken hebben dat hij zich kort daarna permanent vestigt in Lisse?

Gebruikte literatuur:
Lambertus Bickers nog zeer leesbare publicaties, waarvan er veel zijn gedigitaliseerd en te lezen via Google Books.
Geslachtslijst van de families Bicker (Rotterdam) en Bicker-Caarten. 1914.
J. Belonje, ‘Meer en Duin te Lisse’, met een naschrift van R. van Roijen. In: Leids Jaarboekje, 1951. P. 110-121.
Willibrord Rutten, ‘De vreselijkste aller harpijen, Pokkenepidemieën en pokkenbestrijding in de 18e en 19e eeuw’. Houten, 1997. J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt, ‘1800. Blauwdrukken voor een samenleving’. Den Haag 2001.

Johanna Geertuida Caarten en Lambertus Bicker

OudNieuws: EEN KAPITALE HOFSTEDE AAN DE VEENDERLAAN, deel 1

Na het overlijden van schout en secretaris mr. Hannard van Gorcum (Lisse 1632- Lisse 1681) stond een kapitale hofstede te koop aan de Veenderlaan. De buitenplaats “Berkhout” waar het over gaat, wordt met geen naam genoemd en heeft waarschijnlijk pas na 1681 zijn naam gekregen. . In dit Nieuwsblad wordt alleen het verband met Jan Six behandeld.

Nieuwsflits

Jaargang 20 nummer 2, 2021

Berkhout heeft een lange geschiedenis en het verzorgingshuis verwijst naar deze mooie buitenplaats en houdt deze naam in ere. Berkhout stond daar van 1645 tot 1775. Cornelis Pronk tekende het in 1715 zo.

Na het overlijden van schout en secretaris mr. Hannard van Gorcum (Lisse 1632- Lisse 1681) stond een kapitale hofstede te koop aan de Veenderlaan. De buitenplaats “Berkhout” waar het over gaat, wordt met geen naam genoemd en heeft waarschijnlijk pas na 1681 zijn naam gekregen. Er wordt alleen gesproken over een hofstede aan de Veenderlaan. De heer Jan Six is er meerdere keren gaan kijken, zelfs op de boeldag, om deze te kopen, doch heeft ervan afgezien om welke reden dan ook. Hij liet daarna in 1689 Sixenburg bouwen aan de Leidsevaart.

 

Compareren
Op 27 juni 1691 passeert een akte waarin meerdere getuigenissen zijn vastgelegd over de hofstede aan de Veenderlaan. Voor de schepenen Jacob Ottense Kranenburg en Adriaan Aelbertse van den Bos compareerden, tegenwoordig zouden we zeggen verschenen, maar liefst 17 personen om te getuigen voor Sijburg van der Horst, de weduwe van mr. Adriaan van Gorcum. Deze Adriaan was de vader van de al eerder overleden mr. Hannard van Gorcum. De getuigen zijn volgens de akte alle van competenten ouderdom en versogt sijnde omme der getuijgenisse der waarheijt ende verklaart waaragtig te wesen.

Tijdsbeeld
De getuigenissen geven een interessant kijkje in het buitengebeuren van de hofstede. Daar wordt in een volgend Nieuwsblad nog verder aandacht aan besteed. In dit Nieuwsblad wordt  alleen het verband met Jan Six, heer van Vromade en Wimmenum ( A’dam 1618– A’dam 1700), behandeld. Jan Six was sinds 1679 lid van de vroedschap van Amsterdamen werd er in 1691 tot burgemeester benoemd. Recent verscheen het door Vereniging ‘Oud Lisse’ uitgegeven boek ‘Sporen van Six in Lisse, De voetafdruk van een Amsterdams familie op een dorpsgemeenschap in de jaren 1640-1763’

De getuigenissen
Over Jan Six laten we de 2e getuige Philips Dirkse van Steijn, een van de tuinlieden, aan het woord. Het getuigt dat hij: ten versoek ende met ende benevens ‘d heer Jan Six, burgemeester der stad Amsterdam terwijl de voors: hofstede te koop stond op de plaats was geweest, ende de boomgaarden naukeurig hadden besien, ende den ouden boomgaard niet euvel, dog den nieuwen boomgaard heel wel hadden bevonden, in voegen dien heer daar van heel
wel voldaan was Blijkbaar was Jan Six niet erg onder de indruk van de oude boomgaard, maar was hij zeer zeker tevreden over de nieuwe boomgaard. Diezelfde Van Steijn wordt later in de verklaring nogmaals aangehaald. Hij verklaart dan: dat hij ten tijde hij met de burgemeester Jan Six de hofstede was besien ende daarna nog alleen op desselfs ordre tot verscheijde malen op de hofstede hadde geweest, terwijl de voorsz: hofstede te koop stond, ook in de vijvers telkens, ende selfs ook op den dag van het boelhuijs, van de req, van de liefhebberie ’t welk des daags na de verkoopinge van de hofstede was, gesien hadde dat overvloedig vele groote carpers, ende andere vissen in de vijver waren, ende in de bijten met groote menigte door malkander crioelden, ende door drongen. Blijkbaar was de belangstelling van Six voor de hoeve zo groot dat hij meerdere keren met Van Steijn is gaan kijken in de tijd dat de hoeve te koop stond. Dan kijken ze ook naar de vijvers. Op de dag na de verkoop van de hoeve bezoeken ze samen ook het boelhuis. Bij een boelhuis wordt een veiling van de inboedel gehouden. Of Six wat kocht van de boedel blijkt niet uit dit stuk, maar dat zijn belangstelling voor de hoeve in Lisse groot was is duidelijk.

Sixenburg
De hoeve aan de Veenderweg werd dus niet gekocht door Six. Mogelijk oriënteerde Six zich breder in onze omgeving. Vanaf 1657 werkte men aan de Trekvaart van Haarlem naar Leiden. In 1658 was het veerhuis Halfwegen gebouwd, eigendom van de steden Leiden en Haarlem. In 1689 ontving de stad Leiden, eigenaar van de gronden zuidelijk van het veerhuis, het verzoek om percelen in erfpacht te krijgen en een brug met een “steenen voet over de togtsloot “ te mogen bouwen, ten zuiden van het huis Halfwegen, met de bedoeling om aan de Trekweg een bouhuijs en boomgaard aan te leggen. De aanvrager en later bouwer is Jan Six. Na de bouw van het huis dient Six nog een verzoek in voor vrijdom van tol bij het passeren van het tolhek. Het is aannemelijk dat Jan Six zeker ’s zomers dikwijls op Sixenburg heeft vertoefd. Zouden de vijvers bij de hoeve aan de Veenderweg dan nog zo’n overvloed aan grote karpers hebben gehad als toen hij ze op de dag van het boelhuis in de bijten door elkaar zag krioelen? ■

Klik hier voor het volgende deel

 

Ligging Volgens de Verponding van 1735 lag buitenplaats Berkhout in de Oude Mosveense buurt, als nr. 60. Ten westen van de Heereweg, ten zuiden van de Veenderweg, ten noorden van het afgegraven Berkhouter Duintje. De huidige locatie is om en nabij woonzorgcentrum Berkhout, Berkhoutlaan 15. Oostelijk van Berkhout lag de moestuin, westelijk het bos van Berkhout, vóór hofstede De Wolff.

Buitenplaats Berkhout

 

 

Veenenburgbrug gesloopt?

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                 

20 oktober 2020

door Nico Groen

 Begin september stond er een aanvraag bij de gemeenteberichten in het LisserNieuws voor het vervangen van de Veenenburgbrug. Deze brug uit 1928 ligt in de Loosterweg Noord bij de grens met Hillegom. Omdat het een unieke, grotendeels originele brug is, heeft de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” een reactie naar de gemeente gegeven.

Het is in de ogen van de VOL een monumentwaardige brug, die niet gesloopt, maar gerestaureerd zou moeten worden. Ook zou het de status van gemeentelijk monument moeten krijgen. Uniek zijn de jaagpaden onder de brug. De brug is gemaakt van kalkzandsteen. Dat is bijzonde,r omdat daaruit het verband blijkt tussen de zandafgravingen, de kalkzandsteenfabriek en het omliggende landschap.

Gebouwd in 1928

De brug is gebouwd in 1928 over het Veenenburg-Elsbroekkanaal, die gerealiseerd was om afgegraven zand te kunnen vervoeren. Schepen tot ongeveer 120 ton konden zonder bezwaar de brug passeren. Naast de unieke jaagpaden aan beide kanten onder de brug, heeft de brug ook een mooie, maar vervallen leuning met een oud bord met naam en datum er op. Op de uiteinden van de brugleuning stonden 4 beschermingspalen. Daar zijn er nu na bijna 100 jaar nog 3 van over. De brug is door deze bijzondere kenmerken zeker het restaureren waard.

Kalkzandsteenfabriek

Op 24 september 1903 werd bij de grens van Lisse en Hillegom de kalkzandsteenfabriek ‘Arnoud’ opgericht door Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol. In augustus 1904 begon men voor het eerst zandstenen te produceren. De grondstof bestond voor een groot deel uit afgegraven duinzand, dat afkomstig was uit de streek tussen Lisse en Hillegom. Later moest men het zand betrekken uit de duinen bij de Ruigenhoek, waardoor later het Oosterduinsemeer of Comomeer is ontstaan. Dit zand werd in grote, met elkaar verbonden sleepbakken door kleine sleepbootjes over het Steengrachtkanaal, de Leidsevaart en het Veenenburg-Elsbroekkanaal naar de fabriek vervoerd.

De Veenenburgbrug werd door het eigen personeel van de fabriek gemaakt met natuurlijk als voornaamste materiaal kalkzandsteen. Iets nieuws waren de jaagpaden (70 cm breed), die onder de brug doorliepen. De fabriek was eigenaar en dus onderhoudsplichtig. De gemeente Lisse eiste wel een waarborgsom, voor het geval de fabriek zou verzaken met het onderhoud. Dit systeem van een waarborgsom eindigde in 1980. De brug werd toen overgenomen door de gemeente Lisse.

Veenenburg

De brug is vernoemd naar buitenplaats Veenenburg, die liep van de Heereweg tot de Haarlemmertrekvaart. Landhuis Veenenburg, waar baron Arnoud nog een tijd woonde, stond net ten noordwesten van de brug. Het eerste landhuis met bijgebouwen werd waarschijnlijk kort na het graven van de trekvaart (1657) gebouwd. Deze mooie buitenplaats werd in 1913 gesloopt. De gebouwen, tuinen en duinen maakten plaats voor bloembollenbedrijven. Veel zand is toen afgegraven. Dit is ter plaatse nog goed te zien door de hoge ligging van de Loosterwegen. Vóór het afzanden lagen deze wegen op de laagste delen van de duinen.

De Veenenburgbrug met uniek jaagpaden onder de brug.
Foto: Nico Groen

 

 

Rembrandt en het bruggetje van Six

Rembrandt van Rijn bezocht regelmatig Jan Six op zijn landgoed Elsbroek. Daar tekenede hij waarschijnlijk “Het bruggetje van Six”.

Sporen van vroege (LisserNieuws)                                                          

5 november 2019

Door Nico Groen

 

Het jaar 2019 is uitgeroepen tot het Rembrandtjaar omdat het zijn 350ste sterfjaar is. Door de vele activiteiten en promotie is u dat ongetwijfeld niet ontgaan. De vraag kwam of Lisse of Hillegom nog iets te melden  heeft over Rembrandt. Rembrandt was regelmatig op bezoek bij de familie Six op landgoed Elsbroek in Hillegom,  net ten noorden van Lisse. Hij zou daar een bruggetje geschetst hebben.

Landgoed Elsbroek

Tot 1867 bevond zich ten noorden van Lisse het uitgestrekte land­goed Elsbroek. Van 1642 tot 1801 is de naam van de familie Six onlosmakelijk aan deze buitenplaats verbonden geweest. In 1867 is het landgoed van 782 ha in delen verkocht. Het landhuis is in 1870 gesloopt. De eerste van de leden van deze familie was Jan Six (1618-1700), die in zijn vrije tijd, naast het schrijven van gedichten en toneelstukken, ook in schilderen geïnteresseerd was. Hij stond op goede voet met Rembrandt. Op een mooie dag in het jaar 1645, zo gaat het verhaal, logeerde Rembrandt bij zijn vriend Six op landgoed Elsbroek. Rembrandt toog naar buiten om in de landelijke omgeving van Elsbroek het een en ander vast te leggen in zijn schetsboek. Zijn tekenwerk wilde maar niet vlotten omdat het 14 juni was. Zijn geliefde Saskia was namelijk 3 jaar daarvoor op 14 juni 1642 gestorven. Tegen half twaalf kwam Six terug van zijn werk in Haarlem. Rembrandt zat nog steeds achter zijn schetsboek te mijmeren. “En”, vroeg Six, “hebt gij uw schetsboek met eenige mooie schetsen voor schoone schilderijen verrijkt ?”, waarop Rembrandt antwoordde dat hij die ochtend niets had uitgevoerd. “Alle duivels te paard op een houtvlot! Wat zijt ge dan lui geweest! Dat zijn we niet gewend. Maar het is jammer van die mooie dag”, zei Six. Zijn vriend wilde het echter niet opgeven en wilde met hem wedden om vijf gouden dukaten dat hij in een half uur tijd nog een mooie schets kon maken. Die weddenschap is door Rembrandt nog juist op tijd gewonnen en heeft ons de ets, bekend als ‘Het bruggetje van Six’ opgeleverd. Het betreffende bruggetje zou over de Elsbroekervaart, de vaart langs de tegenwoordige Singel, gelegen hebben. Het torenspitsje aan de horizon is dan de Hillegomse St. Maartenskerk. Rembrandt stond dan met zijn rug naar Lisse, toen hij het bruggetje tekende.

Uit de Volksalmanak van ‘Het Nut’ in 1883

 Bovengenoemd verhaal is ons overgeleverd door van Loenen’s ‘Beschrijving en kleine Kroniek van de Gemeente Hillegom’,   in 1916 verscheen. Van Loenen dankte het verhaal op zijn beurt aan Ds. W.P. Wolters, die het wat uitgebrei­der publiceerde in de Volksalmanak van ’Het Nut’ in 1883. “Of het op historie berust is niet uit te maken”, zo lezen we aan het einde van het verhaal, al zal Rembrandt ongetwijfeld als goede vriend van Six, vaak diens buitenplaats te Hillegom bezocht hebben.

Bovenstaande beschrijving komt uit een artikel van Rob Pex uit het allereerste Nieuwsblad van de VOL in 2002.

Foto: Het bruggetje van Six, getekend door Rembrandt in 1645.

Foto uit het eerste Nieuwsblad van Oud Lisse uit 2002.

PARELTJES VAN DE BOVENSTE BOEKENPLANK: Abraham Rademakers

In de bibliotheek van de VOL bevindt zich een facsimile uit 1967 van Rhynlands fraaiste gezichten van Abraham Rademaker.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

In de achttiende eeuw was in de Republiek der zeven Vereenigde Nederlanden grote belangstelling voor topografie. Het genre van de topografische prenten bloeide. De inwoner van de Republiek was trots op zijn land en zijn identiteit. Afbeeldingen van buitenplaatsen en kastelen waren zeer gezocht bij verzamelaars. Uitgevers speelden in op de verzamelwoede door gravures in boekvorm uit te brengen.

Een van hen was de Amsterdamse uitgever Leonardus Schenk, die een zaak had op de Vijgendam,
nu het Damrak. Hij trok dichter Gysbert Tyssens (1693-1732). aan voor de teksten en tekenaar Abraham Rademaker voor de prenten. Vanaf 1728 verschenen van het duo in rap tempo boeken over buitenplaatsen in de buurt van Amsterdam, zoals Hollandsche Arcadia in 1730 over de “lustplaatzen” aan de Amstel. In 1732 bracht Schenk Rhynlands Fraaiste Gezichten ofwel Vues de Rhynland op de markt, waarin de schoonheid en rijkdom van de Rijnlandse buitenplaatsen wordt getoond. De uitgave bevat honderd prenten van Rademaker, die “naar het leven” de “lustplaatzen, heerenhuizen en dorpen” van Rijnland tekende. De toevoeging naar het leven is belangrijk, want de tekenaar gebruikte ook wel bestaande oudere prenten voor zijn topografische werk. Voor de hedendaagse belangstellende in de geschiedenis van dorp of stad is dit heel verwarrend, omdat een veronderstelde situatie uit 1730 in werkelijkheid die van soms wel een eeuw eerder weergeeft. Honderd procent waarheidsgetrouw zijn de prenten niet. Rademaker voegde elementen toe en liet weg wat hem niet beviel.

Elke pagina in het boek bevat twee gravures met een kort onderschrift in het Nederlands en Frans met de naam van de buitenplaats en de eigenaar. Rademaker zal met de trekschuit naar Halfweg zijn gereisd. Hij begon zijn tocht door Rijnland volgens de titelpagina “Halfwegen Haarlem en Leyden” en de eerste prent van de honderd is dan ook die van de luisterrijke buitenplaats Merenburg, gelegen aan de Heereweg tussen Hillegom en Lisse. Vervolgens zien we afbeeldingen van Zandvliet, Rosendaal, Berkhout, Keukenhof, de kerk van Lisse (waar Radema ker zelf nog is gedoopt), Dubbelhoven en Huis ter Specke. Op de volgende prent zien we de naamloze “lustplaats van den Edele agtbare heer Pieter Six, Schepen en Raad der Stad Amsterdam”, waarmee Knappenhof, het latere Grotenhof wordt bedoeld. Tot slot het “Huys te Deveren” en Uitermeer. Op een uitzondering na zijn het namen die Lissers in enigerlei vorm nog vertrouwd in de oren klinken. Vervolgens reist Rademaker via Sassenheim en de andere dorpen in Rijnland naar Leiden en eindigt hij bij Leiderdorp.
De prenten worden voorafgegaan door een katern van zestien pagina’s met hoogdravende versregels van Gysbert Tyssens. Deze verdiende zijn brood met het schrijven van talloze toneelspelen en gelegenheidsgedichten. De man is weggezonken in de anonimiteit en Schenk gaf daartoe al een voorzetje door niet eens zijn naam te vermelden in deze druk van 1732. Het gevolg is dat zijn werk soms wordt toegeschreven aan twee andere dichters die samen werkten met Rademaker, Matth. Brouërius van Nidek en Is. Le Lang.
De uitgave draait dan ook echt om de prenten van Abraham Rademaker, een autodidact met een enorme productie. Bladerend door “Rhynlands fraaiste gezichten” valt zijn vaardigheid in het weergeven van wolkenpartijen op. Een wolkendek is op elke prent te zien en niet een is hetzelfde, waardoor licht en schaduw steeds anders worden weergegeven. Lang werd gedacht dat Rademaker geboren was in Amsterdam, maar na de vondst van een ondertrouwacte uit 1706 kwam vast te staan dat Lisse zijn geboorteplaats was, waarna men aannam dat hij tussen 11 september 1676 en 10 september 1677 werd geboren. Tot op verzoek van Deen Boogerd Jan van der Linden het doopregister van de Nederlands Hervormde Kerk doorvlooide en daar de vermelding vond dat op 5 september 1677 Abraham Rademaker was ingeschreven als zoon van Frederick Rademaker en Anna de Leuter.

Drie jaar na de verschijning van deze luxueuze uitgave overleed Rademaker, nadat hij in juni 1734 tijdens het tekenen in de open lucht bij Haarlem werd gemolesteerd door een groep mensen die hem bij vergissing aanzagen voor een katholieke moordenaar, en dat terwijl de man geen religie aanhing. Een uitgave als Rhynlands fraaiste gezichten was kostbaar en niet voor iedereen bereikbaar, maar de welgestelde eigenaren van de afgebeelde buitenplaatsen zullen zich zeker een exemplaar hebben aangeschaft. De prenten van Rademaker toonden hun status en dichter Tyssens bewierookte hun persoon en maatschappelijke positie en bezong het zoete buitenleven dat ze op hun lusthoven leidden.

In de bibliotheek van de VOL bevindt zich een facsimile, uitgegeven in 1967 naar de eerste druk uit 1732 door de Haagse uitgeverij Kruseman in een gelimiteerde oplage, gedrukt op zwaar papier en gestoken in een foedraal naar ontwerp van Aldert Witte. Deze mooie uitgave toont Jos van Bourgondiën, de bibliothecaris van de VOL, u graag. Een originele uitgave uit 1732 zou een waardevolle aanvulling zijn voor onze bibliotheek!

Deen Boogerd schreef eerder over Abraham Rademaker in 2014 in jaargang 13 van het Nieuwsblad van de VOL, nummers 3 en 4. Zie verder: C. J. Kaldenbach, Abraham Rademaker [enz.], p. 165-179, in “ eeuwse kunst in de Nederlanden”. Delft, 1987.

Tekeningen van Abraham Rademaker