Berichten

3e Poellaan – Tuin- en parkaanleg Buitenplaats Ter Leede

Een gedeelte van het park van landgoed Ter Leede ligt in de gemeente Lisse.

Kadaster: B 2434, B 553, B 554, B 555, B 556, B 557. Monument: 52840.

Het buiten Ter Leede werd rond 1660 gesticht door de Amsterdammer Nicolaas Dragon. Hij bouwde een voornaam herenhuis dat vanaf de straatweg via een lange oprijlaan was te bereiken.
Na 1928 werd Ter Leede niet meer permanent bewoond. Het werd daarna onder meer gebruikt als opleidingsinstituut van de Katholieke Gidsenbeweging in Nederland. Na de restauratie in 1981 is Huis Ter Leede weer in particuliere handen gekomen en woonhuis geworden. Ter Leede is niet te bezichtigen.
Ter Leede ligt in Sassenheim, maar delen van de parkaanleg liggen in Lisse. Het huis en delen van de parkaanleg zijn rijksmonument.
Begin 20e eeuw werd het park aangelegd in de late landschapsstijl, ook wel gardenesque stijl genoemd. Kenmerkend is dat de lijnen in de tuin zich zowel naar punten binnen als buiten de aanleg richten. Bij Ter Leede zijn er o.a. zichtlijnen naar het omliggende weidelandschap. Afwisseling is belangrijk. Ter Leede heeft een slingerende vijver.
Er is nog een oude eikenlaan uit de 18e eeuw die in de latere parkaanleg is opgenomen. Op een minuutkaart van 1819 blijkt deze laan al ingetekend te zijn.

De entree van het park van landgoed Ter Leede

Vereniging Oud Lisse start onderzoek naar ‘Sporen van Six’

In overleg met burgemeester Spruit is een onderzoek gestart naar het wel en wee van de familie Six in Lisse.

17 RIJKSMONUMENTEN VAN KEUKENHOF

Alle rijksmonumenten van landgoed Keukenhof worden genoemd.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws).

10 februari 2015.

door Nico Groen

We vervolgen onze wandeling langs alle 35 geregistreerde rijksmonumenten in Lisse. Nu komen die van landgoed Keukenhof aan de beurt. Volgens het boek uit 2010 ‘Wandel- en fietsroutes Zuid en Noord: Monumenten’ van de Vereniging Oud Lisse staan er 17 rijksmonumenten op het landgoed. Daar is .in 2010 het stationsgebouw van Lisse door aankoop bijgekomen. De meeste gebouwen zijn in de loop van de tijd gerestaureerd.
• Boerderij Middelburg met karnmolen, Loosterweg-Noord 6. Vroeger heette deze boerderij uit de 17e eeuw ‘Mo(r)schveen’. Het voorhuis is in 1868 gebouwd.
• De schaapskooi met riet gedekt op het kruispunt van Loosterweg- Noord en de Stationsweg. Deze kooi uit de 19e eeuw is in 1992 herbouwd.
• De stal van het Jagershuis uit 1926 met als adres Stationsweg 51.
• Boerderij ’t Lammetje Groen, Stationsweg 53/55 . De boerderij dateert oorspronkelijk uit 1650. Later is het uitgebreid.
• Dubbel woonhuis ’t Hoogje met adres Stationsweg 164 en 166. Het dateert uit de 18e eeuw.
• Spoorwegstation, Stationsweg 57 en 59. Het station is gebouwd in 1904/1905.
• Het complex Keukenhof bestaat uit diverse rijksmonumenten. Dit bevat onder anderen, parkaanleg met o.a. de toegangspalen met natuurstenen siervazen bij de oude entree, de oude oprijlaan zelf en het kasteel Keukenhof gebouwd in 1641.
• Het Zwitsers speelhuis in de Frederik’s hof met de z.g. koude bakken (met één gerestaureerd raam) en de oude muren. Oorspronkelijk gebouwd in 1850.
• Het eendenhuis is een z.g. follie. Een romantisch huisje met een schijn duiventil. Follies werden in de 19e eeuw voornamelijk voor de sier neergezet. Het Engelse folly betekent nutteloos gebouw.
• Het koetshuis, tuigkamer, paardenstallen, woningen en tuinmanswoning zijn gebouwd in 1857-1858.
• De hofboerderij van Keukenhof is gebouwd in 1643. Het bakhuisje en karnmolen zijn nog niet gerestaureerd.
• Het washuisje met vrijstaande buitenpomp dateert uit de 18e eeuw.
• Het Sparrenhuisje gedekt met riet heeft een origineel raam

 

 

Van alle 93 gemeentelijke en 35 rijksmonumenten staan er foto’s in het wandel- fietsrouteboek met een uitgebreide beschrijving. Vaak staan er meerdere foto’s en tekeningen uit vroegere tijden bij. Dit boek is te koop bij de plaatselijke boekhandel en bij de Vereniging Oud Lisse.

 

 

 

Het kasteel zelf is een van de rijksmonumenten

Het romantische eendenhuis-follie is een van de rijksmonumenten van Lisse. Foto Nico Groen

De geschiedenis van de boerderij De Phoenix te Lisse.

De relatie met de buitenplaatsen Wassergeest en de Grotenhof (Knappenhof) in Lisse en de bewoners van de boerderij.

Door G. Schrama

Een samenvatting staat in het Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

Tijdens mijn stamboomonderzoek kwam ik een roman tegen genaamd ”In de schaduw der molenwieken, een Lisser familieroman uit de Patriottentijd (1774-1796)” door Joh. Dekker. Ter afwisseling van het jarenlang zoeken in archieven, Internet, literatuur e.d. heb ik dit boek gelezen. Maar zelfs in dit boek kwam ik een Schrama tegen en wel Karel Schrama. De auteur omschrijft in zijn boek Karel als volgt : “Hij was de kromme, maar olijke pachter van de grote boerderij genaamd ”de Phoenix” welke beschut gelegen was tussen de uitlopers van het Reigersbos aan de (oude) Es(ch)laan.” In eerste instantie kon ik nergens iets vinden over een Karel die boer was op De Phoenix in de Patriottentijd (1774-1796). Ik had wel een Karel in mijn stamboom, maar die was geboren in 1799, na de Patriottentijd. Ik ga ervan uit dat het over dezelfde Karel ging en het “een dichterlijke vrijheid” was van Joh. Dekker in zijn boek. Ook kwam er iets totaal onverwachts “boven water”. Verderop in deze publicatie is dat te lezen in de paragraaf “De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)”

Algemeen

schilderij uit 1942 van de boerderij van familie de Wit, boerderij ‘de Phoenix’

In deze publicatie wordt de geschiedenis van de boerderij De Phoenix gevolgd middels de eigenaren van de boerderij, die meestal niet zelf op de boerderij woonden, en middels hun pachters met als belangrijkste pachter uiteraard Karel Schrama. De eigenaren van de buitenplaats Grotenhof (tot circa 1765 Knappenhof genaamd) en van de buitenplaats Wassergeest waren in de loop der eeuwen tot 1959 vaak ook eigenaar van de boerderij De Phoenix.
Op de eerste regel van de hierna volgende hoofdstukken staat tussen haakjes de periode waarop het hoofdstuk betrekking heeft.
Jonkheer Adriaen van der Laen / Adriaen Maertensz. Block (1630-1662)
Het begon met Jonkheer Adriaen van der Laen, hij kwam uit een Haarlems geslacht, was stadhouder 1) der lenen van Dever en rentmeester van Rijnland. De Jonkheer koopt in 1630 van Jacob van Bouxtel een duinmeierswoning 2) gelegen aan de rand van het Keukenduin tussen de huidige Es(sen)laan 3) en de Spekkelaan 4). Deze duinmeierswoning werd later De Phoenix genoemd.

Wassergeest

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex. Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Wassergeest 1850

Deze woning werd toen (in 1630) bewoond door Dirk Gerritsz de Monninck. Voor die tijd woonde er in 1603 de duinmeier Jan Gerritsz de Monninck, zij waren waarschijnlijk broers. Van der Laen geraakte echter in financiële moeilijkheden en in 1644 werd zijn zwager Adriaen Maertensz. Block eigenaar van de duinmeierswoning. Block was niet van adel, maar had geluk gehad “op zee”. Hij had zich zo een belangrijke positie verworven, was eigenaar van het Huis Ter Specke en stichter van de buitenplaats Keukenhof. Adriaen van der Laen was in 1660 de stichter van de buitenplaats Wassergeest. De nieuw gebouwde woning op de buitenplaats zag er uit als een herenboerderij. Blijkbaar verwisselen beide heren weer qua eigenaarschap van de duinmeierswoning want van der Laen was in 1662 weer verkoper van de duinmeierswoning. De verwisseling van eigenaar is (nog) niet onderbouwd door gegevens uit bronnen, maar is gebaseerd op de hierna volgende verkoop aan Pieter Six.
Pieter Six / Pieter Six Pietersz. / Pieter Six Pietersz. Jr. (1662-1763)
Pieter Six erfde in 1654 de Lissese goederen (waaronder Knappenhof) van zijn moeder Anna Wijmer en heeft het bezit aanzienlijk uitgebreid. Hij slaat in 1662 een grote slag en koopt onder andere van Adriaen van der Laen de duinmeierswoning aan de rand van het Keukenduin. Dit was het begin van drie generaties Six als eigenaar van de buitenplaats Knappenhof en de duinmeierswoning. Achtereenvolgens waren dat :
Pieter Six van 1662 tot zijn overlijden in 1680 en daarna zijn weduwe tot haar dood in 1689
hun zoon Pieter Six Pietersz. van 1689 tot zijn dood in 1703
Pieter Six Pietersz. Jr. was in 1703 nog minderjarig, maar in 1712 nam hij de erfenis dankbaar in ontvangst. Hij trouwde in 1716 met Geertruid van der Lijn, hij overleed in 1755 en zijn weduwe in 1763.

 

De buitenplaats Knappenhof.
Bron : het boek “Rhynlands fraaiste gezichten” door Abraham Rademaker, uitgegeven in 1732, maar gebaseerd op oudere prenten o.a. van 1630.

Pieter Six Pietersz. Jr. heeft diverse hoge posten bekleed zoals schepen en burgemeester van Amsterdam, kapitein der Burgerij, Commissaris van de Artillerie en Fortificatie, ambachtsheer van Amsterdam, Sloten en Sloterdijk, bewindhebber van de VOC, heemraad, schepen en hoofdingeland 5) van de Watersgraafmeer.
Achtereenvolgens waren de volgende personen van 1693 tot 1730 bewoners van de duinmeierswoning : Floris Cornelisz. de Vlieger, Engel Jansz. Koster en Crijs Arisz. van Breedloosbergen (of Brelofsbergen).
Floris Cornelisz. de Vlieger was vanaf 1693 de pachter en van beroep was hij duinmeier. In die functie moest hij het Keukenduin, voor zover dat in handen was van de heer Six, beheren. En daar hoorde uiteraard bij dat hij regelmatig de nodige konijnen op de Knappenhof moest bezorgen. Maar Floris zal zelf ook wel van dat kostelijke wild genoten hebben. Floris huurde ook loosters 6) ter grootte van circa vijf morgen. Hij verbouwde dus ook een en ander of had misschien koeien. Na onenigheid met de Heer Six over het betalen van de huur is Floris in 1697 vertrokken.
Floris werd opgevolgd door Engel Jansz. Koster, die in 1698 alweer was vertrokken, naar Haarlem.
Van 1698 tot circa 1730 was Crijs Arisz. Van Breedloosbergen de pachter. Hij moest vanaf 1699 tien jaar lang 330 gulden per jaar betalen voor de huur van een stuk Keukenduin en de duinmeierswoning.
Vrouwe Geertruid van der Lijn / Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria (1763-1784)
Vrouwe Geertruid van der Lijn , de weduwe van Pieter Six Pietersz. Jr, was een tante van Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria. Na het overlijden van tante Geertruid erfde in 1765 Cornelis Jacob onder andere het huis Knappenhof en Anna Maria onder andere de duinmeierswoning. In 1764 werd de buitenplaats nog “Knappenhoeff” genoemd maar in 1765 wordt het buiten van Cornelis Jacob de naam “Grootenhoff” toegedicht. In 1776 is Anna Maria van der Lijn overleden en komt haar bezit, conform het testament van Vrouwe Geertruid Six – van der Lijn, in handen van haar broer Cornelis Jacob. Door schulden moest Cornelis Jacob van der Lijn in 1782 Grotenhof verkopen en in 1784 de duinmeierswoning.
Cornelis Jacob was een zoon van een belangrijk ambtenaar in Alkmaar en als kind vallen hem al ereambten ten deel. Hij was kerkmeester van de Nieuwe kerk, later regent van het Burgerweeshuis, koopman, assuradeur en Kapitein van de Amsterdamse Burgerij. Meer informatie over het geslacht van der Lijn is te vinden op de site van de gemeente Alkmaar.

Appolonius Jan Cornelis Lampsins (1784-1796)
In 1784 kocht Appolonius Jan Cornelis Lampsins de duinmeierswoning met de bijbehorende 26 morgen grond. Hij was zowel eigenaar van de buitenplaats Grotenhof (1782) als van de buitenplaats Wassergeest (1783). Gerrit Pietersz. Langeveld was in 1784 en ook nog in 1786 de pachter van de duinmeierswoning. De naam De Phoenix komen we voor het eerst tegen in 1789 als de boerderij door Appolonius Jan Cornelis Lampsins te koop wordt aangeboden. In een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 2 mei 1789 staat “Een capitale BOERENGEBRUIKER, genaamd DE PHOENIX (…)”. In de jaren daarna leest men ook wel eens “De Phenix” of “De Phaenix”. “Phoenix” betekent zoveel als “uit de as herrezen”. Blijkbaar is de boerderij, ergens tussen 1786 en 1789, afgebrand en daarna weer opgebouwd. De boerderij is later nog een keer afgebrand toen Karel Schrama de pachter was.
Appolonius Jan Cornelis Lampsins moest, wegens schulden, in 1790 zowel Grotenhof als Wassergeest verkopen. In de verkoop van Grotenhof is begrepen ‘Een kapitale BOERENBRUIKER (pachthoeve), genaamd DE PHOENIX, met deszelfs Huismans Wooninge, Stallinge, Schuur, Bergen, etc’.! De Grotenhof wordt echter zonder De Phoenix verkocht. De Phoenix blijft in het bezit van Lampsins tot hij het in 1796 verkoopt aan het tweetal Willem Walman en Cornelis Heemskerk, beide afkomstig uit de Vogelenzang. 7)
Appolonius Jan Cornelis Lampsins was kerkmeester van de Oosterkerk, Kapitein van de Burgerij, Bewindhebber van de West-Indische Compagnie, directeur van de kolonie Suriname en lid van de Raad van de Vroedschap van Amsterdam. Daarna was hij Baljuw van Vlissingen.
Willem Walman en Cornelis Heemskerk / zijn zoon Cornelis (1796-1805)
In 1800 en 1801 staat het tweetal hun aandeel in De Phoenix af aan Cornelis Heemskerk junior, de zoon van Cornelis Heemskerk. 8) In het begin gaat het heel goed met het boerenbedrijf van Cornelis Jr., maar op 18 juli 1805 is hij genoodzaakt zijn gehele bezit af te staan aan Daniel Pompejus Johannes van der Staal van Piershil.

Daniel Pompejus Johannes (D.P.J.) van der Staal van Piershil en zijn zoon Guillaume Charles (1805-1852)
D.P.J. van der Staal van Piershil was sinds 1804 eigenaar van Wassergeest en toen hij in 1805 het boerenbedrijf kocht, wordt dat omschreven als “De Huismanswooninge genaemt de Phoenix met desselvs bargen, Schuuren, Zomerhuis, Stalling voor dertig à veertig Koebeesten, Kaarnhuys, Item Erven, Boomgaard met en benevens de nombre van vijff en Twintig Morgen zoo weij, hooy, als teelland”. 9)
Daar Heemskerk junior van D.P.J. van der Staal van Piershil de garantie wilde hebben dat hij op De Phoenix kon blijven wonen is er tegelijk met de verkoop op 18 juli 1805 een uurcontract afgesloten met een huurprijs van 1100 gulden per jaar. 10) In de lijst van de personele quotisatie uit 1808 11) 12) komen we de naam van boer Heemskerk nog tegen evenals in het volkstellingsregister uit 1809. 13) In 1812 blijkt hij echter vertrokken te zijn en in 1814 treffen we hier een zekere Pieter Dirkse Langeveld als pachter aan. 14)
Op 20 april 1839 heeft D.P.J. van der Staal van Piershil de boerderij De Phoenix en omliggende landerijen (in totaal zo’n 25 morgen) overgedragen aan zijn zoon Guillaume Charles. Het geheel wordt in de acte, opgesteld door de Lissese notaris Jan Gerard Cramers, omschreven als “Den Bouwmanswooning genaamd De Phoenix met verdere getimmertens, Erven, Tuyn, Boomgaard en eenig boschhakhout (…) met alle na te melden partijen lands”. 15)

 

In augustus 1852 heeft Guillaume de latere Vennesloot er nog bijgekregen. Deze strekte zich uit vanaf boerderij De Phoenix , onder de Jannetjesbrug door, tot in de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Hij kreeg deze sloot erbij daar de bewoners van De Phoenix hiervan altijd gebruik hadden gemaakt “volgens vroegere Titels en bescheiden”. 16) Hier heeft Karel ook vast wel gebruik van gemaakt voor transport van zijn produkten en / of voor het ophalen van hooi als hij grond had in de Lisserpoelpolder.
D.P.J. van der Staal van Piershil moest wegens schulden zijn deel van het landgoed Wassergeest op 16 september 1852 verkopen. 17) Ook het aandeel in het landgoed van Guillaume Charles, zijn zoon, werd verkocht. Het omvatte onder andere de “Bouwmanswoning genaamd De Phoenix”. Karel Schrama kocht toen een perceel land dat niet nabij het huis Wassergeest lag. Dit zou heel goed land in de Lisserpoelpolder geweest kunnen zijn.
Van der Staal sr. was ambachtsheer, hoogheemraad 18) van het Hoogheemraadschap van Rijnland en burgemeester van Lisse. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Meer informatie over de famiie van der Staal van Piershil is te vinden op de site gahetna.nl (van het Nationaal Archief) onder toegang 3.20.54.

Karel Schrama (1824-1876)

Boerderij De Phoenix vanuit het zuidoosten gezien (Achterweg-zijde), schilderij door W. Schouten 1942, collectie P. de Wit, fotograaf F. v.d. Veen

In de eerste decennia van de 19e eeuw blijkt het met de boerenstand op De Phoenix niet zo voorspoedig te gaan. Er was een hele reeks van pachters geweest die steeds gedurende korte tijd het hoofd boven water hadden weten te houden. Karel Schrama 19) was vanaf 1824 pachtboer op De Phoenix en het zou hem beter vergaan. 20) Gedurende enige tijd liep het boerenbedrijf van Karel en zijn vrouw Marytje Riggel zeer voorspoedig totdat de gehele boerderij in 1830 in de as werd gelegd. In de memoires die Johannes Rotteveel, boer bij Dever, tussen 1830 en 1878 heeft opgetekend, lezen we dat op “den 6 september” van eerstgenoemd jaar ” (1830) de wooning van de Heer van der Staal, bewoond door Karel Schrama, (is) verbrand door het broeien van het hooi “. 21) In een kroniek opgesteld door Cornelis van der Zaal, de zeer bekende Lisser timmerman en molenmaker, schrijft hij dat in de nacht van 11 op 12 september 1830 het woonhuis en de stal van de boerderij De Venne, waar Carel Schrama woonde, in volle vlam stond. Opvallend is dat de boerderij niet De Phoenix maar De Venne genoemd werd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat er een sloot genaamd de “Vennesloot” vanaf de Phoenix in de richting van de Haarlemmermeer liep. Ook is opvallend dat in de memoires van Rotteveel een andere datum van de brand genoemd wordt dan in de kroniek van Van der Zaal. Na opdracht van de heer Van der Staal senior is door de heer van der Zaal binnen 10 weken de schade aan de boerderij hersteld en kon boer Schrama zijn boerenbedrijf hervatten. 22) In de jaren 1844 tot 1867 kwamen er uitbraken van veepest voor en boer Karel deed dan ook diverse malen aangifte van gestorven vee. 23) Onder andere kwam Karel in 1849 op een dag melding maken van liefst vijftien koeien die bij hem aan longziekte waren overleden. De schade was echter niet van dien aard dat hij zijn boerenbedrijf moest beëindigen en Karel heeft zichzelf redelijk door deze moeilijke periode heen kunnen slepen. In ieder geval heeft hij tot zijn dood (in 1876) op De Phoenix het boerenbedrijf uitgeoefend. 24) 25)

Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht (1852-1899)
Nieuwe eigenaar van Wassergeest en De Phoenix werd op 16 september 1852 de Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht als curator van zijn (geestelijk gestoorde) broer Johan Frederik. Bij de verkoop werd bepaald dat bij de gronden van de tuinmanswoning “ten behoeve van de bouwmanswooningen de Hoogewerf en De Phoenix (….) voor den duur van den tegenwoordigen verhuring (wordt) voorbehouden een overpad ten dienste van melkers”. 26) Nicolaas Johan en zijn broer Johan Frederik kwamen uit een heel rijke Zeeuwse “regenten-familie”.

Hun vader had in 1809 Keukenhof gekocht. Nicolaas Johan kocht Wassergeest kennelijk niet voor zijn broer. Het werd namelijk in 1853 verhuurd aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt gehuwd met Jonkvrouw Cecilia Maria Steengracht (zuster van beide broers en eigenaresse van Keukenhof). Toen echter Jonkheer Johan Frederik Steengracht in 1862 overleed, kreeg de jonkvrouw in 1863 ook Wassergeest in eigendom toebedeeld. De Jonkvrouw was de laatste van de vier eigenaren van de Phoenix waar Karel als pachter mee te maken had. Eerst had hij te maken met vader en zoon van der Staal van Piershil en daarna met broer en zus Steengracht.

De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)
Karel Schrama is overleden op 7 mei 1876. 27) Zijn vrouw was al eerder overleden in1871.
Op 23 mei 1876 heeft notaris van Stockum uit Lisse zich naar “het huis gemerkt met nr. 71” (De Phoenix) begeven om een inventaris op te maken van de door Karel nagelaten roerende goederen. 28) “In den Paardenstal” bevindt zich wat stro, paardentuigen en gereedschap niet veel. “In de Wagenloods” twee wagens, en een tilbury, naast nog “een partij aardappelen”, tonnen, een ladder etc. In een andere wagenloods is nog een “kapwagen” aanwezig. Verder is er nog een schuur met zolder, waarin zich een wagen bevindt, kruiwagens, turf en een rattenval. Zelfs in de “Barg” (hooiberg) bevindt zich nog een en ander. Er is ook een afzonderlijk karnhuis, alsmede een zomerhuis, waarin de boer ’s zomers met zijn gezin trok. In de boerenwoning zelf bevond zich ook de kelder, waarin zich nog voorraden melk, boter en room bevonden. Troffen we op Grotenhof in de 18e eeuw nog ledikanten aan voor de welgestelde heren en dames, Karel en zijn gezin moesten het doen met bedsteden “met stroozakken”. Op de zolder bevinden zich onder meer turfmanden, “een partij rogge en gerst”, een muizenval, een partijtje “stamboonen”, een “gemakje” (verplaatsbaar toilet), kazen en nog veel meer. In de keuken vinden we een elftal schoorsteenborden en “ornamenten” (kleine beeldjes en andere siervoorwerpen) en natuurlijk is er veel aardewerk. Tegen een wand hangen een spiegeltje en diverse schilderijtjes en in de open haard vinden we een haardijzer en een tang. Ook in de opkamer hangen enige schilderijen. Verder bevinden zich er een tafel, een bureau en een kastje met glas en aardewerk, porselein en een crucifix. Ook hier is er een bedstede aanwezig. Kennelijk had Karel schulden nagelaten want reeds op 24 augustus 1876 worden diverse partijen wei- en hooiland, die Karel in de loop der jaren verworven had, verkocht. 29) En op 18 april van het volgende jaar heeft notaris van Stockum zich nogmaals naar de “Bouwmanswooning De Phoenix te Lisse” begeven om daar een aantal roerende goederen van Karel te veilen. 30) Tenslotte werd op 19 september 1877 de boedel van wijlen Karel gescheiden. 31) De schulden van Karel hadden misschien te maken met het goedkoop lenen van gelden aan de Aagtenkerk en ook deed hij een gift / verleende hij een legaat aan de kerk. Misschien stond hij daarom bij zijn dood “in het rood”, maar hij is vast naar de hemel gegaan.32)
Toen ik Karel zocht in het bevolkingsregister over de periode 1870-1880 ontdekte ik totaal onverwacht iets verrassends. Bij huis 71 (De Phoenix ) staat allereerst Karel met twee dochters vermeld en vervolgens staan (ingaande 1876) Antonius Schrama en Cornelia van der Reep vermeld. Karel was een oom van Antonius. Antonius is mijn overgrootvader. Mijn overgrootouders verhuisden van de Haarlemmermeer naar de Phoenix. En op 14 mei (één week na het overlijden van Karel) gaan zij in ondertrouw en zij trouwen op 1 juni in Lisse. Waarom hadden zij ineens zo’n haast ? Op 26-1-1877 wordt hun eerste kind geboren op de Phoenix. Negen maanden terug geeft april ! Cornelis, hun tweede kind, was mijn grootvader. Totaal werden er drie kinderen geboren op de Phoenix (in 1877, 1878 en eind 1879). Antonius heeft tijdens zijn leven op diverse plaatsen gewerkt als boerenknecht, arbeider en ten slotte was hij vrachtrijder. Ook zijn oudste zoon (Cornelis, mijn Opa) werd vrachtrijder en later grossier in levensmiddelen. Aan het einde van 1879 verhuisde het gezin van Antonius naar het Oosteinde in Lisse en kort daarna naar een huis dichtbij Het Vierkant. 33) Mijn overgrootouders kregen totaal vijftien kinderen waarvan er twee levenloos waren en negen kinderen binnen 150 dagen na de geboorte zijn overleden. Dat kwam in vroegere tijden wel vaker voor.

Mijn overgrootvader Antonius Schrama, mijn overgrootmoeder Cornelia v.d. Reep en mijn Opa Cornelis Schrama. Bron : eigen archief.

Jacobus Schrama was een zoon van Karel. 34) 35) Hij huwde met Grietje Meyer. Laatstgenoemde was een dochter van Hendrik Meyer, veehouder op de boerderij Bloemhof aan het Mallegat. In 1862 kwam boer Meyer te overlijden waarna zijn dochter Margaretha (Grietje) het boerenbedrijf (Bloemhof) overnam. 36) Het was een “klein wereldje” waarin men vaak trouwde met “de buurjongen om de hoek” of met “de dochter van die rijke boer”. Op slechts 41-jarige leeftijd overleed Jacobus op 7 maart 1870.37) 38) Niet lang daarna, op 27 augustus 1872, hertrouwde de weduwe (Grietje) met Hendrik van Schie. 39) Grietje Meyer overleed in 1877. Aan het einde van 1879 kwam veehouder Hendrik van Schie als weduwnaar naar De Phoenix. 40) In april 1880 hertrouwde hij met Adriana Langeveld.

Van Pallandt / van Lynden / van Rechteren Limpurg (1899-1925)

Naam in muur Foto G. Schrama 2014

Na het overlijden van de baronesse Cecilia Maria Van Pallandt-Steengracht erfde in 1899 haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt (gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden) de Keukenhof en Wassergeest. De barones verkocht in de jaren 1900 tot 1902 De Phoenix met bijbehorende gronden aan haar twee zoons (Jan Maurits Dideric van Lynden en Carel Anne Adriaan Willem van Lynden). 41) In 1914 hebben de broers dit bezit onder elkaar verdeeld. “De Boerderij genaamd De Phoenix met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” ging naar Carel Anne Adriaan Willem. 42) Hij was in 1898 getrouwd met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Na het overlijden van Carel Anne in 1923 kwam De Phoenix in 1925 in het bezit van zijn dochter Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Zij trouwde in 1937 met Adolph Reinhard Zeyger graaf van Rechteren Limpurg en kregen in 1938 een dochter genaamd Elisabeth Marguérite Carole. Het oud-adellijke geslacht Van Pallandt stamt uit het Gulikse, oostelijk van de provincie Limburg.

Vervolg van de opvolgers van Karel als pachter / eigenaar van De Phoenix (1892-1991)
Hendrik van Schie is in 1892 overleden en zijn tweede vrouw in 1907. Bij zijn tweede vrouw had hij een zoon genaamd Adrianus. Adrianus volgde zijn moeder op in het boerenbedrijf. Hij had nog lang op De Phoenix kunnen blijven wonen en boeren, ware het niet, dat het op een kwade dag uitkwam dat hij zand uit het Reigersbos had gehaald ! Dit kwam barones Carola Elisabeth Aurelia Anna ter ore en kort daarna (in 1926) kon van Schie vertrekken.43) In hetzelfde jaar volgde Willem de Wit Adrianus op als pachtboer op De Phoenix.

 

Phoenix, bron Chris Balkenende

In 1959 werd De Phoenix door de baronesse Elisabeth Marguérite Carole van Rechteren Limpurg van de hand gedaan. De koper was Willem de Wit of zijn zoon Pieter. Pieter de Wit woonde samen met zijn vader Willem de Wit op De Phoenix tot vader Willem overleed.
Bron : Chris Balkenende / Facebook

In 1991 droeg Pieter De Phoenix over aan de apotheker R.E. van der Vliet.44) Hij heeft erg veel verbouwd aan de hoeve wat ten koste ging van de authenticiteit. Momenteel (2014) is de heer A. Peterse eigenaar van de Phoenix. 45)

Nawoord
Allereerst wil ik Rob Pex hartelijk danken voor al zijn hulp bij het tot standkomen van deze publicatie. Veel van de informatie in deze publicatie heb ik mogen putten uit twee boeken van R.J. (Rob) Pex over twee buitenplaatsen in Lisse namelijk :
“Knappenhof of Grotenhof te Lisse”, in 1999 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse.
“Wassergeest te Lisse”, in 2004 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse en de Stichting Historische reeks Duin – en Bollenstreek.
Meer informatie over de buitenplaatsen Wassergeest en Knappenhof (of Grotenhof) is te vinden op de site home.tiscali.nl/~kastelenzuidholland.
Tevens wil ik (in willekeurige volgorde) Maarten van Bourgondiën, Laura Bemelman, Janny de Wit en niet met name genoemde medewerkenden danken voor hun bijdrage.
Ik heb niet alles in deze publicatie kunnen verifiëren. Graag verneem ik Uw commentaar en / of aanvulling(en) op deze publicatie.

Opvallend is het aantal faillissementen bij de “hoge heren”, wegens schulden moesten zij hun bezittingen verkopen. Hadden zij het te “hoog in de bol” of was het toen ook “crisis” en moesten zij verkopen wegens de economische omstandigheden.
G. Schrama

1. Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten tijdelijk het gezag uitoefende. Bron : Wikipedia

2. Vroeger liet de adel de jacht op konijen in de duinen over aan een “duinmeier” (of duinmeijer, duinmeyer en duinmaaijer) die er zijn broodwinning van maakte. De duinmeiers waren pachters van de duinen van de toen rechtmatige eigenaren. Het gebied dat aan een duinmeier werd verpacht heette een “warande”. Elk dood konijn leverde vlees , maar ook een konijnenvel voor de bontjas. Bron : het boek Perikelen in de duinen, H.J. Min.
Claes Maertensz van ’s Gravenmade (een van de voorvaders van de Schrama’s), geboren in 1533, was een duinmeier in de Zilker duinen

3. De vroegere Es(sen)laan is niet de tegenwoordige Es(sen)laan, maar lag meer noordelijk. Het was een zeer landelijke weg die liep van De Phoenix naar de Loosterweg. In 1755 schijnt het gedeelte Trijnelaan (Catharijnelaan) dat liep van de Achterweg tot aan het Keukenduin een ander naam te hebben gekregen : de “Neslaen”. In de latere jaren is de naam verbasterd tot Eslaan of Essenlaan.

4. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 74, fol. 333.

5. Hoofdingeland = lid van het algemeen bestuur van een waterschap.

6. De stroken zandgrond langs de duinen waarover het water afvloeide werden “loosters” genoemd.

7. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 26, fol. 273 d.d. 31 augustus 1796, zie ook het huisarchief Keukenhof, inv.nr. 56

8. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d. 16 juli 1800 en 24 juni 1801

9. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

10. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

11. Bron : GA Lisse inv.nr. 225

12. Bij een wet van 30 maart 1808 is een belasting op het inkomen , de zogenaamde Quotisatie, ingesteld.

13. Bron : GA Lisse inv.nr. 10

14. Bron : .GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1814).

15. Bron : Huisarchief Keukenhof, inv.nr.56.

16. Bron : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10 d.d. 19 augustus 1852

17. Bron : NA, Notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 120

18. Lid van het dagelijks bestuur van een waterschap

19. Carolus (Karel) Schrama is op 17 juni 1799 gedoopt in Hillegom en op 7 mei 1876 overleden in Lisse. Hij trouwde in Lisse op 29 februari 1824 met Maria Riggel. Maria was gedoopt in Lisse op 12 november 1797 en is overleden in Lisse op 21 december 1871. Een van hun zoons was Jacobus, geboren op 6 september 1829 op de Phoenix en op 7 maart 1870 in Lisse overleden. Bron : www.genealogie-stamboom-schrama-gravenmade-bollenstreek.nl

20. Bron : GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1824).

21. Bron : Boek met perkamenten omslag uit de 18e eeuw , in het bezit van de heer J.Rotteveel (1981), veehouder bij Dever, waarin diens betovergrootvader J.Rotteveel (1804-1880) enige memoires heeft genoteerd.

22. Bron : “Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762-1839”, dr. A.J. Kölker

23. Bron : GA Lisse inv.nr. 1126

24. Bron : idem

25. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

26. Bron : Veilingakte d.d. 2 september 1852 in : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 124.

27. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

28. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 23 mei 1876

29. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 24 augustus 1876

30. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 18 april 1877

31. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 19 september 1877

32. Bron : boek van Hulkenberg over de Aagtenkerk (blz. 133 en blz. 145)

33. Bron : Laura Bemelman

34. Zie noot 19

35. Bron : GA Lisse, geboorteregister, geboren 6 september 1829 in huisnummer 45 (De Phoenix) als zoon van Karel Schrama en Maria Riggel.       terug

36. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister, 1860-1870

37. Zie noot 19

38. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 38, d.d. 1 juni 1870, hierin de inventaris van de gemeenschappelijke boedel van wijlen Jacobus Schrama en zijn weduwe Grietje Meyer.

39. Bron : GA Lisse, huwelijksregisters

40. Bron : Laura Bemelman

41. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

42. Bron : NA,notarieel Lisse 1909-1915, inv.nr.7

43. Bron : de heren A. en W. de Wit (1995) te Lisse

44. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

45. Bron : Janny de Wit

 

Familiegeschiedenis van Van der Tang (14)

De periode rond 1850 wordt beschreven. Onder andere wordt van Klaveren en Kramm worden genoemd.

Door Aad van der Tang,

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 3, juli 2013

Droogmaking Haarlemmermeer

In januari 1848, enkele maanden na zijn veertiende verjaardag, overleed Aarts moeder. Alida van Klaveren liet haar man met vijf kinderen achter. Jan van der Boon was niet in staat om zelf haar overlijden aan te geven. Dat deden zijn vrienden Siem de Graaff en Willem van der Meij voor hem. Het jaar daarop viel er in het gezin van Jan van der Boon weer een dode te betreuren. Hendrika van der Boon, de oudste zus van Aart die na het overlijden van hun moeder het huishouden had waargenomen, stierf op 24 jarige leeftijd. Sterfte was er ook onder het rundvee van Jan van der Boon, veroorzaakt door de gevreesde longziekte. Inmiddels was de ringvaart gereedgekomen en kon met het droogmaken van het Haarlemmermeer worden begonnen. In juni 1848 trad het stoomgemaal de Leeghwater in werking en een jaar later de Lynden en de Cruquius. Het afsterven van de Waterwolf betekende voor veel mensen die in zijn nabijheid hadden geleefd het einde van een tijdperk. De visserij op het meer behoorde nu tot het verleden en in De Witte Zwaan werden geen Lisser baarzen meer geserveerd. Wel had Aart van der Boon zijn goudvissen nog, die in het wintervertrek van de boerderij rondjes zwommen in hun glazen kom.

Nadat de drie stoomgemalen enige jaren hun werk hadden gedaan en ontelbare liters water in de ringvaart hadden gepompt, begon de bodem van het meer zichtbaar te worden. Toen deze op sommige plaatsen begaanbaar werd ondernamen de jongens uit de omliggende dorpen speurtochten over het met slib en rottende vis bedekte land in de hoop er waardevolle zaken te vinden. Er kwamen inderdaad belangwekkende voorwerpen tevoorschijn, zoals een grote hoeveelheid oude munten, sommige uit de Spaanse tijd, en de restanten van een verdronken dorp. Maar veel tijd om te zoeken was er niet, want al spoedig veranderde het nieuwe land in een uitgestrekte wildernis met planten van “ongewone grootte”, die de ontginning en bebouwing bemoeilijkten. Zeker in de eerste jaren na de droogmaking, toen er van enige beschaving in de nieuwe polder nog geen sprake was, zullen velen met weemoed aan de Waterwolf hebben teruggedacht.

De dood van Hendrik Kramm

Niet alleen bij de Van der Boons vonden droevige gebeurtenissen plaats. In februari 1850 overleed Gouda, de jongste dochter van Kees van der Tang en Teuntje van Tol. Jan van der Boon was in 1837 getuige geweest bij haar huwelijk met zijn vriend Hendrik Kramm en nu ging hij met Hendrik mee om haar overlijden aan te geven. Kramm – vader van twee schoolgaande kinderen – kon dit verlies niet verwerken.

Enkele maanden na het overlijden van hun dochter, in de vroege ochtend van de 4e mei, werden Teuntje van Tol en haar man gewekt door de dienstmeid van Kramm, die bij hem inwoonde. Ze was bezorgd om haar meester want ze kon hem nergens vinden. Samen met de wagenmaker Jan van Rossen begaf Kees van der Tang zich naar het huis van zijn schoonzoon om daar een schokkende ontdekking te doen: Kramm had zich aan een balk verhangen! Ze maakten zijn lichaam los en de inmiddels gearriveerde dokter Thomas Nieuwenhuizen verrichtte nog een aderlating, maar het mocht niet baten. Vervolgens was het dochter Aaltje van der Tang die voor de nodige opschudding zorgde. Aaltje had zich, komend uit ’s Gravendeel, in 1835 met haar man Hendrik Zonderwijk en hun kinderen in Lisse gevestigd. Waren haar ouders blij dat de Zonderwijks twee jaar later naar Hillegom verhuisden, halverwege de jaren veertig trok Aaltje met haar kinderen weer bij hen in en was het met de rust van de twee oude mensen gedaan. Hendrik Zonderwijk overleed in 1845 in Den Haag. Had hij zijn gezin verlaten? Aaltje, die als werkster de kost verdiende, liep op 6 juni 1850 op het Oosteinde van Lisse een zekere H. van Opzeeland tegen het lijf, die haar begon uit te schelden voor hoer en dief. Op de Gracht ontmoette ze hem opnieuw. Ze dook een steeg in, waar hij haar schopte en tot bloedens toe sloeg. Een kleine wond in het achterhoofd was daarvan het bewijs. Van Opzeeland rukte ook de ketting van haar hals en scheurde haar jas, terwijl hij haar nogmaals van diefstal beschuldigde, onder andere van vlees bij slager Van der Meij. Aaltje maakte dezelfde verwijten tegen haar belager. Gelukkig kwam de veldwachter tussenbeide en kon Aaltje gaan uithuilen bij haar ouders aan de Heereweg.

Zandbaas Van der Tang

Dit schilderij van Jan Willem Pieneman, mevr. Elisabeth Leembruggen-Reijnvaan met haar dochter Elisabeth Johanne, hangt in de trouwzaal van ’t Hof te Hillegom. Ook hangt in die zaal het portret van Johannes Leembruggen, geschilderd door Jan Willem
Pieneman.

In het voorjaar van 1851 vestigde Dirk van der Tang zich met zijn vrouw en hun acht kinderen op Veenenburg, een grote buitenplaats onder Lisse en Hillegom. De bij de zanderij gelegen dienstwoning, die de Van der Tangs op de Ie mei van dat jaar betrokken, bevond zich – net als het huis Veenenburg – op het grondgebied van de gemeente Lisse, zodat Dirk na vele jaren weer inwoner van zijn geboorteplaats was. Maar hij bleef waarschijnlijk meer op Hillegom georiënteerd. Dirk had nu een echte baan: hij was zandbaas (opzichter van de zanderij) in dienst van de heer Johannes Leembruggen. Leembruggen behoorde tot een gefortuneerde Leidse familie, waarvan een tak zich met de fabricage van wollen dekens bezighield (Clos en Leembruggen). In 1833 kocht hij de buitenplaats Veenenburg, die ook Hillegomse landerijen omvatte. Leembruggen woonde in Amsterdam. Dirk zag zijn baas voornamelijk in de zomermaanden, wanneer de Leembruggens op Veenenburg verbleven.

Leembruggens zoon Gerard, die met zijn gezin de buitenplaats Het Hof van Hillegom bewoonde, was een verdienstelijk amateurschilder. Dankzij zijn topografische werk kunnen we ons een beeld vormen van de fraaie omgeving van Lisse en Hillegom van vóór de zandafgravingen. Gerard was bevriend met de destijds bekende kunstschilder Jan Willem Pieneman, die van Gerards ouders portretten schilderde. In 1865 zou Gerard Leembruggen tijdens een jachtpartij op Veenenburg verongelukken.

Haarlemmermeer droog

In juli 1852 was de droogmaking van het Haarlemmermeer een feit en kon je de polder oversteken zonder natte voeten te krijgen. De belangstelling van de boerenbevolking voor het drooggelegde meer was groot en uit het hele land trokken kolonisten naar de polder. Maar ook volk van laag allooi zocht er zijn toevlucht. Militairen – die in de omliggende dorpen werden ingekwartierd,onder anderen bij Jan van der Boon – moesten in de polder de orde zien te handhaven.

Vanaf de duinen van Veenenburg keek Dirk van der Tang over het uitgestrekte land, dat eens de bodem van het Haarlemmermeer had gevormd. Nu glinsterde er geen zonlicht meer in het rimpelende water, maar hingen er rookwolken boven een naargeestig landschap, waarin onkruid en riet welig groeiden. De dragonders   wier paarden in de modder wegzakten   staken de schamele hutten van de achtergebleven polderjongens in brand om zo de weg vrij te maken voor de kolonisten. In de polder heerste in die beginperiode bittere armoede, terwijl diefstal en drankmisbruik er veelvuldig voorkwamen.

Reactie

Op blz. 18 stond bij de familiegeschiedenis een schilderij van Veenenburg afgedrukt dat wij ten onrechte toeschreven aan Leembruggen.

Deen Boogerd meldt dat het gaat hier om een schil­derij van A.J. Eymeruit 1830. De linker molen is de molen aan “der Beeck” en de grote molen is de molen van Beelen aan de Gracht. Het schilderij is gemaakt vanaf het landgoed Veenenburg ongeveer vanaf waar nu de Bloembol-lenKeurings Dienst op de Zwartelaan zit.

Klik hier voor het volgende deel

Landhuis Veenenburg

 

 

 

 

Een dienstmeid met teveel noten op haar zang, 1848

Janna van Dijk was dienstmeisje bij Jan van Riessen, tuinman van buitenplaats Wassergeest. Hij woonde recht tegenover de Deverlaan. Het dienstmeisje werd ten onrechte van diefstal beschuldigd. Toch werd zij ontslagen.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Uit het politierapport van Lisse, deel 12

Inleiding
In dit verhaal spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Janna van Dijk. Ze was in dienst bij Jan van Riessen, tuinman op de buitenplaats Wassergeest. De tuinmanswoning bevond zich tegenover de Deverlaan aan de Heereweg. Van Riessen was in 1816 geboren te Beverwijk. In 1841 trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Johanna Lamberta van der Horst. Van Riessen verhuisde naar Lisse, waar D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van de buitenplaats Wassergeest, hem in dienst nam als tuinman. Verder zullen we in dit verhaal nog kennis maken met de tuinknechten Willem Kuneman en Dirk van Biezen.

 

 

De tuinmanswoning van Wassergeest vóór de verbouwing in 1956. De woning bevond zich aan de Heereweg tegenover de Deverlaan. Het was in 1671 gebouwd. Achter de woning tot aan de Achterweg strekten zich boomgaarden uit. In 1956 heeft Van Parijs de woning ingrijpend verbouwd en omgedoopt in villa Lutetia (de Latijnse benaming voor Parijs). De woning is in 1994 afgebroken.

Hoe het begon…

 

Op een dag is de dienstmeid Janna van Dijk bezig met de was. De vrouw des huizes komt langs en haalt uit de wasmand een wantje tevoorschijn die gedragen werd door één van haar kinderen. Vervolgens loopt ze er mee weg. De dienstmeid loopt haar achterna en vraagt of ze het wantje mag hebben, zodat ze verder kan gaan met de was. Tot haar verrassing antwoordt vrouw Van Riessen echter dat zij het zoek gemaakt had en dat zij het moest betalen. Wat nu?

Het kledingstuk is weer terecht
Op de zondag daarna ziet de dienstmeid één van de kinderen met het verloren gewaande wantje rondlopen. De maandag erop ligt het kledingstuk in de wastobbe. Ze nam het wantje uit de tobbe en ging ermee naar vrouw Van Riessen. Ze zei: ‘Vrouw, daar hebt ge nu het wantje dat ge gezegd hebt dat ik weggespoeld had’.

De dienstmeid wordt ontslagen
Vanaf dat moment zijn er meerdere versies van het gebeurde. Janna van Dijk, de dienstmeid, verklaart dat ze meerdere keren op het hoofd was geslagen door zowel Jan van Riessen als zijn vrouw. Vervolgens zou hij tegen haar gezegd hebben dat ze aanstalten moest gaan maken om te vertrekken, hetgeen ze ook deed.

Het getuigenis van Willem Kuneman
De meid vond dat ze onheus bejegend was en ging naar de burgemeester, J. van Rosse. Daar deed ze haar verhaal. Ze hoopte dat Van Rosse nog iets voor haar kon betekenen. Maar de burgervader kon natuurlijk niet alleen uit gaan van het getuigenis van de dienstmeid en daarom nodigde hij ook de tuinknecht Willem Kuneman uit om getuigenis te geven van de waarheid. Hierbij realiseerde Van Rosse zich echter niet dat de tuinknecht niet helemaal onpartijdig was. En dat gold ook voor de andere tuinknecht, Willem van Biezen en al helemaal voor Johanna Lamberta van der Horst, de echtgenote van Van Riessen.
Maar wat had Willem Kuneman nu precies te vertellen? Welnu, kort nadat de dienstmeid van de zolder weer beneden was gekomen en wilde vertrekken, werd Kuneman met Willem van Biezen naar boven gestuurd om een meubelstuk dat de dienstmeid bij de aanvang van haar werkzaamheden te leen had ontvangen van baas Van Riessen naar beneden te halen. Daarop zou de meid de weg verspert hebben op de trap. De baas heeft haar toen opzij geduwd. Janna van Dijk had eerder verklaart dat Jan van Riessen haar toen een klap op de wang had gegeven. Maar daar kon Kuneman zich (natuurlijk) niets van herinneren.

Willem van Biezen aan het woord
Vervolgens wordt Willem van Biezen gevraagd te vertellen wat er gebeurd was. Hij kwam net binnen om ‘naar de catechesatie te gaan’ (gaf Van Riessen voor het personeel catechese?) toen tuinbaas Van Riessen hem opdroeg om samen met Kuneman het hiervoor vermelde meubelstuk naar beneden te halen. Dit werd inderdaad bevestigd door het getuigenis van Kuneman en de meid. Van Biezen had echter niet gezien dat de tuinbaas en zijn echtgenote de meid hadden geslagen. En ook niet dat de meid op de trap was gaan staan om hem en Kuneman de weg te versperren.

Het getuigenis van vrouw Van Riessen
Tenslotte doet ook vrouw Van Riessen haar verhaal. Zij en haar man zouden de meid niet geslagen hebben. Ze hadden haar wel ontslag aangezegd, aangezien ze een grote mond had gehad. De meid was binnengekomen met het zoekgeraakte wantje en zou hebben gezegd: ‘Daar heb je nu het wantje, daar je zo’n beweging om gemaakt hebt’. Alles wel overwogen komt dit niet helemaal overeen met de woorden uit het getuigenis van de meid. De versie van de dienstmeid komt heel wat ‘beleefder’ over dan hetgeen vrouw Van Riessen hier beweert. Daarop zou haar man gezegd hebben: ‘Nu is het genoeg, nu moet ge weg’.

Tenslotte…
Tot zover de getuigenissen. De burgervader zat met een probleem. Het was het woord van vrouw Van Riessen en de tuinknechten tegen dat van de dienstmeid. Hij kon dus niets voor haar betekenen.

Conclusie
Daar gaat de meid dan met het kleine beetje bezit dat ze had, hopende dat ze elders nog een betrekking zou kunnen vinden. In deze tijd zou zij waarschijnlijk een beroep op haar bedrijfsvereniging hebben gedaan. Maar dan nog viel er weinig te bewijzen. En de maatschappelijke verhoudingen waren in die tijd zodanig dat de werkgevende partij er altijd beter af kwam. En die werkgevende partij was van mening dat Janna van Dijk een dienstmeid was met teveel noten op haar zang!

Noten
R.J. Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004).
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115.
Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

Wassergeest 1850

Geschiedenis van Wildlust vanaf het originele Wildlust tot Villa Wildlust

De geschiedenis van Wildlust vanaf het originele Wildlust tot Villa Wildlust wordt besproken. De oorspronkelijke buitenplaats Wildlust  is rond 1800 gebouwd. De bewoning en eigendom van de landerijen worden ook beschreven.

Nieuwflits

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Aanvulling op de informatie in ons Nieuwsblad van april 2009 over de in maart 2009 gesloopte Villa Wildlust.

Dat waren 3 verschillende huizen. In de 18e eeuw bestond Wildlust nog niet. De oorspronkelijke buitenplaats “Wildlust” is rond 1800 gebouwd en is op 2 augustus 1814 gekocht door “de Heer Casparus Henricus Wolff , chirurgijn en apothecar” te Lisse. (zie ‘t Roemwaard Lisse door A.M. Hulkenberg , blz. 61).

De buitenplaats Wildlust door P.J.Lutgers (1865

Het was een buitenplaats die was verhuurd aan de Weledel Hooggeboren Heer Coenraad Jacob Temminck, een verdienstelijk dierkundige en later directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, toen wonende op de Heeregracht te Amsterdam. Op 30 jan. 1819 koopt de heer Temminck van de eigenaar Casparus Henricus Wolff, de buitenplaats Wildlust voor 1000 Gulden. De heer Temminck trouwt met de dochter van Marinus Smissaert, die in die tijd eigenaar was van Veenenburg. De heer Temminck overlijdt op 30 januari 1859 op 79 jarige leeftijd, en zijn weduwe blijft op Wildlust wonen tot haar dood in 1865. Haar tweede zoon Marinus Temminck, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd, verhuurt Wildlust aan Baron Snouckaert van Schauburg. Hij liet enige tijd later het oude Wildlust slopen en vervangen door het landhuis Wildlust, dat met de tuinen omstreeks 1923 is afgebroken (zie kaart hierboven en foto’s hieronder ).

Omstreeks 1890 verkoopt Marinus Temminck, Huize Wildlust aan de Graaf van Lynden (Meneer Jan), gehuwd met Gravin van Palland die later Keukenhof erft . Zij wonen er tot 1923, dan gaan ze naar Keukenhof .

Wildlust 1920 en tijdens afbraakperiode omstreeks 1923

Cornelis Marijnus Grullemans woont sinds 1900 tegenover Wildlust op de Heereweg 19 , met land erachter. In 1905 huurt Grullemans grote stukken land van de Graaf en in 1923 koopt Dhr. M. C. Grullemans Wildlust en breekt het verwaarloosde huis tot de grond toe af .(Het is nooit een schuur van Grullemans geweest ondanks hardnekkige verhalen).
Hij maakt er bollenland van en Wildlust is dan bollenland van de oude Grul zover je kon kijken vanaf de Heereweg , want erachter huurt hij er nog bij van Speelman. Zijn zoon Karel (Cees) trouwde met Annie Speelman op 12 Mei 1925. Vader Grul laat in 1925 op de hoek van het land Grullemans een huis bouwen voor het stel: “ Villa Wildlust” .

Villa of Huize Wildlust ca. 1930

Cees Grullemans overlijdt in 1968 en na vertrek van Mevr. Annie Grullemans- Speelman wordt Villa Wildlust verkocht. Het is bewoond geweest tot 2009 en is nu uiteindelijk toch afgebroken .Villa Wildlust heeft dus niets te maken met de buitenplaats “Wildlust” uit 1800 of het later gebouwde buitenhuis Wildlust. Dat was een groot landhuis, beschreven door verschillende mensen. Villa Wildlust heeft dus bestaan vanaf 1925 tot 2009. Hopende dat dit verhaal een paar vragen van lezers heeft opgehelderd. (Info uit ’t Roemwaard Lisse door A.M. Hulkenberg en met dank van Mevr. I.P. Grullemans).

 

 

Dubbelhoven aan de Achterweg. Deel 2

Voordat Dubbelhoven werd gebouwd, was er in de 17e eeuw al een boerderij van Schrama. De belastingen van diverse jaren van de huizen in Lisse worden weergegeven. Daarmee is de grootte van de huizen te bepalen. De vele landerijen van Schrama worden weergeven, evenals de opvolging op de boerderij.

door Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 3, juli 2009

De boerderij van Schrama

Quirijn Klaaszn. Schrama
In het vorige deel van mijn artikel ben ik geëindigd met de boerderij van Schrama, die gelegen was op de plek van het huidige pand “Dubbelhoven” aan de Achterweg. Gedurende een groot deel van de eerste helft van de zeventiende eeuw werd deze boerderij bewoond door Quirijn Klaaszn. Schrama. Waarschijnlijk was hij veehouder van beroep. Zijn zoon Joris (die hem op de boerderij opvolgde) werd in ieder geval als zodanig aangeduid. Volgens het kohier van het haardstedegeld (een belasting die gebaseerd was op het aantal haardsteden of stookplaatsen), telde de boerderij van Schrama in 1628 in totaal drie haardsteden: “Crijn Claesz. eygenaer, gebruycker ende aenwijser…III”. [1] Met “aenwijser” wordt bedoeld dat Quirijn Klaaszn. Schrama de haardsteden persoonlijk heeft laten zien aan de functionarissen die waren belast met het innen van het haardstedegeld. Dit aanwijzen was overigens niet specifiek een taak van het gezinshoofd. Afhankelijk van wie er op dat moment thuis was (en tijd had) traden bijvoorbeeld ook echtgenotes, zonen, dochters en dienstmaagden op als aanwijzer. Tijdens het innen van de belastingen liepen de belastinggaarders in  de zeventiende en achttiende eeuw steeds een vaste route door het dorp. Dat betekent dat belastinglijsten uit verschillende jaren goed met elkaar vergeleken kunnen worden om na te gaan hoe de bewoning zich in een bepaald gebied heeft ontwikkeld. Het kohier van het haardstedegeld uit 1628 geeft voor de omgeving van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan in ieder geval het volgende beeld (met achter elk huis het aantal haardsteden)

De boerderijen van Cornelis Maartenszn. Verdel en de zogenoemde ‘Gasthuiswoning’ hadden in 1628 ieder twee haardsteden. Deze aantallen zeggen lang niet altijd iets over de grootte van het betreffende pand, al had een buitenplaats als Ter Spekke in 1628 maar liefst zeven haardsteden. De extra stookplaatsen kunnen namelijk ook verband houden met het beroep dat werd uitgeoefend (bijvoorbeeld de ovens van een bakkerij of smederij). Uit het kohier van het haardstedegeld van 1628 kan ook nog worden opgemaakt dat er tussen de boerderij van Schrama en de Gasthuiswoning een huisje heeft gestaan. Dit huisje telde slechts één haardstede en werd gebruikt door Pieter Floriszn. Wassenaar. Vermoedelijk stond het op land dat toebehoorde aan Quirijn Klaaszn. Schrama, aangezien hij in 1628 als eigenaar en aanwijzer van het huisje werd vermeld. Het zal niet lang daarna zijn afgebroken, want in latere archiefstukken ontbreekt verder ieder spoor. Quirijn Klaaszn. Schrama heeft tot halverwege de zeventiende eeuw aan de Achterweg gewoond en gewerkt. In 1648 had hij in totaal bijna 21 morgen land tot zijn beschikking (oftewel 18 hectare), waaronder een grafelijk leengoed van drie morgen nabij Ter Spekke, dat door Adriaan Adriaanszn. Corsteman aan hem was overgedragen (zie het eerste deel van dit artikel).  Uitgezonderd het leengoed was het allemaal eigen land. Quirijn Klaaszn. Schrama wist in Lisse dus een redelijk groot boerenbedrijf op te bouwen. Zijn landerijen lagen echter wel verspreid over verschillende plekken: de Oude Veen, de Westgeest, de Lisserbroekerpolder en de Hoge Mosveen. Dat gold overigens voor de meeste Lissese boerenbedrijven: er waren maar weinig boeren die al hun land in de directe nabijheid van hun boerderij hadden liggen. Een exacte overlijdensdatum heb ik nog niet terug kunnen vinden, maar in 1653 blijkt Quirijn Klaaszn. Schrama niet meer in leven te zijn. Zijn erfgenamen verkochten op 6 juli van dat jaar namelijk een stukje grond ter grootte van 734 roeden aan de heer Filips Doublet (eigenaar van de buitenplaats Dubbelhoven). Dit perceel, waarvan de resterende 213 roeden eigendom waren van de abdij van Leeuwenhorst, lag tussen de buitenplaats Dubbelhoven en de Vuursteeglaan, en strekte zich uit van de Heereweg tot aan de Achterweg. [2]

Joris Quirijnszn. Schrama
Na het overlijden van Quirijn Klaaszn. Schrama, ging de boerderij aan de Achterweg over op zijn zoon Joris. Dat gold eveneens voor de bijbehorende landerijen en het grafelijke leengoed nabij Ter Spekke. Daaruit zou je op kunnen maken dat Joris Quirijnszn. Schrama de oudste zoon was van Quirijn. De volgorde van de kinderen in het kohier van het hoofdgeld uit 622 lijkt dat echter weer tegen te spreken. Daar wordt Joris namelijk pas als vierde genoemd, na Gerrit, Maria en Alfertje. Zijn broer Klaas sluit de rij. Indien de volgorde van de kinderen verband hield met de leeftijd, was volgens dit belastingkohier uit 1622 niet Joris, maar Gerrit de oudste zoon van Quirijn Klaaszn. Schrama. Hoe het ook zij, het was uiteindelijk Joris Quirijnszn. Schrama die de belangrijkste vaderlijke bezittingen kreeg toegewezen.

Fragmentgenealogie van Quirijn Klaaszn. Schrama (met vetgedrukt de leden van de familie Schrama die op de boerderij van Schrama hebben gewoond)

Het is niet bekend wanneer Joris Quirijnszn. Schrama is geboren, maar hij trad voor het eerst zelfstandig op in het uit 1653 daterende kohier van het morgengeld (een waterschapsbelasting). [3] Zijn broer Gerrit was toen al minimaal vijf jaar pachter (of huurder) van de Gasthuiswoning. De momenten waarop beide broers voor het eerst in de archiefstukken verschijnen, komen overeen met de volgorde van de kinderen zoals die in het bovengenoemde kohier van het hoofdgeld uit 1622 is opgetekend. Joris Quirijnszn. Schrama wist het bedrijf van zijn vader al vrij snel verder uit te bouwen. In 1653 had hij namelijk 28 morgen land tot zijn beschikking, waaronder vijf morgen pachtgrond in het gebied van de Oude Veen die hij huurde van de familie Massa. De zaken leken goed te gaan en twintig jaar lang woonde en werkte Joris Quirijnszn. Schrama op zijn eigen boerderij aan de Achterweg. Toen besloot hij om nog onbekende redenen de boerderij te verkopen aan Filips Doublet, de eigenaar van de nabijgelegen buitenplaats Dubbelhoven. In de op 29 oktober 1673 opgestelde verkoopakte wordt gesproken van een “wooninge, soo bargen,
stallingen, schuyer…met omtrent twee margen drie hondert roeden lants daer om ende annex aen”, ten noordoosten grenzend aan het land van de koper, ten zuidoosten aan de Achterweg en het land van de weduwe van Gerrit Quirijnszn. Schrama en ten noordwesten aan het land van de verkoper. [4] Na ondertekening van deze akte was Joris 3200 gulden rijker, maar een boerderij armer. Kort na de verkoop moet Joris Quirijnszn. Schrama zijn verhuisd, want in 1674 blijkt veehouder Maarten Janszn. Kleipoel de boerderij van Schrama te huren van Filips Doublet. [5] Een exacte locatie kan nog niet worden gegeven, maar in 1688 woonde Joris Quirijnszn. Schrama op een boerderij in het Oosteinde van Lisse (“de Oosteynd buurt”), die hij pachtte van Adriaan IJsbrandszn. Daar verdiende hij net als de bovengenoemde Maarten Janszn. Kleipoel als veehouder zijn brood. [6] Voor de uitoefening van zijn boerenbedrijf kon Joris Quirijnszn. Schrama in 1688 gebruik maken van in totaal negen morgen en 488 roeden land. Dat is heel wat minder dan de 28 morgen land waarover hij in 1653 beschikte. Blijkbaar was zijn economische situatie sinds die tijd steeds verder verslechterd. Misschien was dat ook de reden dat hij in 1673 overging tot verkoop van de boerderij aan de Achterweg.

In de achttiende eeuw keerde de familie Schrama nog even terug op het oude nest. In 1715 en 1717 wordt Laurens Joriszn. Schrama namelijk vermeld als pachter van de boerderij van Schrama aan de Achterweg. Laurens bewoonde aanvankelijk de woning van de familie De Roo (hij was namelijk getrouwd met de erfdochter van Willem Arendszn. de Roo), maar in 1715 vinden we hem toch weer terug op voorvaderlijke grond. Daar heeft zijn tweede echtgenote Geertruida Cornelisdr. van der Vogel mogelijk een rol bij gespeeld. Zij was namelijk een zus van Gerrit Corneliszn. van der Vogel die vanaf 1709 als boer verbonden was aan de buitenplaats Dubbelhoven. [7] Gerrit pachtte zowel de landerijen van de boerderij van Verdel als de landerijen van de boerderij van Schrama. Op basis van een belastingkohier uit 1710 kan worden geconcludeerd dat Gerrit Corneliszn. van der Vogel op de boerderij van Schrama heeft gewoond. In het kohier van de ordinaris verponding worden aan het eind namelijk de volgende
huizen vermeld (met de bedragen die aan de belastinggaarders betaald moesten worden):

Belasting 1710

Eerder gaf ik al aan dat de belastinggaarders een vaste route door het dorp liepen. Wanneer het kohier van de ordinaris verponding uit 1710 en de kohieren van het haardstedegeld uit 1628 en 1666 (zie onderstaande paragraaf over de Gasthuiswoning) naast elkaar worden gelegd, kunnen we zien dat met het huis van Gerrit Corneliszn. van der Vogel de boerderij van Schrama werd bedoeld. Gerrit was zoals gezegd tevens pachter van de landerijen van de boerderij van Verdel. Deze boerderij werd in 1710 blijkbaar niet bewoond, want er staat in het belastingkohier geen gebruiker bij vermeld (alleen de eigenaar: de heer Van Groeneveld, oftewel François Doublet). De pachttermijn van Gerrit Corneliszn. van der Vogel liep van 1709 tot en met 1714. In 1715 werd hij opgevolgd door Laurens Joriszn. Schrama. Net als Gerrit Corneliszn. van der Vogel pachtte Laurens niet alleen de landerijen van de boerderij van Schrama, maar ook de landerijen van de boerderij van Verdel, en net als Gerrit woonde ook Laurens op de boerderij
van Schrama. Daarmee waren boerderij en familie weer even met elkaar verbonden.

De Gasthuiswoning

Kaart uit 1583 met rechtsonder de Gasthuiswoning (afbeelding uit het Kaartenboek van het Sint Elisabeth Gasthuis)

In het verlengde van de Spekkelaan lag in het verleden de Gasthuiswoning. Die werd zo genoemd omdat hij sinds 1540 eigendom was van het Sint Elisabeth Gasthuis te Haarlem. Deze oude boerderij werd in 1648 gepacht door Gerrit Quirijnszn. Schrama. De broers Gerrit en Joris Quirijnszn. Schrama woonden halverwege de zeventiende eeuw dus dicht bij elkaar. De toenmalige situatie op de hoek van de huidige Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan kan worden geschetst aan de hand van het kohier van het haardstedegeld uit 1666. Daarin worden achtereenvolgens de volgende woningen genoemd (met de bedragen die aan de belastinggaarders betaald moesten worden):

Vergeleken met de situatie in 1628 zijn er twee dingen veranderd. Allereerst wordt er geen melding meer gemaakt van het huisje dat tussen de boerderij van Schrama en de Gasthuiswoning in stond. Blijkbaar is dat in de tussenliggende periode gesloopt. De tweede verandering houdt verband met de buitenplaats Dubbelhoven. In 1635 kocht Filips Doublet de aan de Achterweg gelegen boerderij van Cornelis Maartenszn. Verdel. Niet lang daarna bouwde hij naast de boerderij van Verdel een buitenplaats. Deze buitenplaats (die later bekend zou staan onder de naam Dubbelhoven) telde in 1666 drie haardsteden, wat in schril contrast staat met de in totaal zeven haardsteden van de nabijgelegen buitenplaats Ter Spekke. Gerrit Quirijnszn. Schrama overleed vóór 29 oktober 1673. Zijn weduwe bleef nog even wonen op de Gasthuiswoning, maar met het overlijden van Gerrit en de verhuizing van Joris Quirijnszn. Schrama was er in 1674 een einde gekomen aan de jarenlange aanwezigheid van de familie Schrama op de hoek van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan. Hoewel de familie in de achttiende eeuw even terugkeerde kon zij nooit meer zo’n stempel drukken op dit gebied als zij vroeger had gedaan.

wordt vervolgd

De boerderij van het voormalige buiten Dubbelhoven staat nog steeds aan de Achterweg. Het pand werd waarschijnlijk omstreeks 1660 gebouwd. Het rietgedekte huis was aan het begin van de 18e eeuw in het bezit van Simon Garbijn, de burgemeester van Haarlem die hier in 1749 overleed.

Historische Villa Wildlust gesloopt!

Maart 2009 is Wildlust gesloopt, ondanks dat het gebouw monumentwaardig was. De alternatieven voor de rotonde, aangedragen door de VOL, werden helaas niet overwogen. 

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Omdat de provincie vanwege verkeersperikelen een rotonde wil aanleggen op de kruising Meer en Duin, Zwartelaan en Heereweg werd na een lange procedure die al in 2007 was gestart, de historische villa Wildlust , Heereweg 14, eind maart 2009 helaas gesloopt. De door VOL bij het College aangedragen alternatieven voor de aanleg van de rotonde werden helaas niet serieus overwogen. Hoewel dit pand, zowel door de Monumentencommissie en ook door de VOL bouwkundige werkgroep als Gemeentelijk monument werd gewaardeerd, wilde het College zich om politieke redenen helaas bij de provincie niet inzetten voor het behoud van deze historische villa en werd de villa in 2008 niet in de lijst Gemeentelijke monumenten opgenomen.

Wildlust omstreeks 1900

De hoog bejaarde eigenares verzette zich in eerste instantie hevig tegen de sloop en wilde absoluut niet vertrekken uit haar pand. Om haar monumentale pand te beschermen tegen sloop startte ze een aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk. monument. Ook het Cuypers genootschap van architecten had een verzoek tot aanwijzing tot gemeentelijk monument ingediend. Het college wilde om bovengenoemde politieke redenen deze verzoeken om aanwijzing tot gemeentelijk monument niet honoreren en startte een onteigeningsprocedure. Het verzoek van het Cuyperscollege werd door het College niet ontvankelijk verklaard omdat men het Cuypers genootschap niet als belanghebbende beschouwt. Hiertegen is het Cuypers Genootschap in beroep gegaan. Deze procedure loopt nog. Echter bleek na een lange onteigeningsprocedure dat de eigenares uiteindelijk toch heeft ingestemd met de verkoopvoorwaarden zodat het pand nu zo snel mogelijk en definitief werd gesloopt (onomkeerbaar en onherstelbaar), ook al wordt de rotonde voorlopig nog niet direct aangelegd!
Alles overziende betreurt de VOL de sloop van deze villa in hoge mate. Bijzonder jammer vinden wij dat het College zo weinig belangstelling heeft gehad om dit, voor de geschiedenis van Lisse, zo belangrijke historische monumentale pand te behouden en niet serieus de door VOL aangedragen alternatieven heeft overwogen.

De afbraak van Wildlust in 2009

Wildlust was een bekende buitenplaats gelegen aan de rand van de wildernisse (het duingebied tussen Hillegom en Lisse). De buitenplaats Wildlust heeft een voor Lisse belangrijke historie en is op veel 19e eeuwse kaarten aangegeven. De bekende Lissese chirurgijn, Casparus Henricus Wolff, was hiervan eigenaar van 1814 tot 1819. Daarna woonde hier van 1819 tot zijn dood in 1859 de bekende hoogleraar en directeur van het Leidse museum van Natuurlijke Historie, Dr. Coenraad Jacob Temminck. Temminck maakte er een schitterende buitenplaats van door de aanleg van prachtige tuinen. Fons Hulkenberg beschreef de geschiedenis van Wildlust in detail in zijn boek ’t Roemwaard Lisse, Ook de bekende Lissese dichter Jan de Graaff memoreerde Wildlust al in zijn dichtbundel “Arkadia”, verschenen omstreeks 1770.  Het einde van Wildlust is nu helaas ingeluid: “Sic Transit Gloria Mundi”!

Dubbelhoven aan de Achterweg (deel 1)

Het pand en zijn vroegere bewoners wordt beschreven

 door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Inleiding

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand “Dubbelhoven” aan de Achterweg dateert in zijn huidige vorm uit de negentiende eeuw. Onlangs is het door de familie Boers fraai opgeknapt. Tijdens de verbouwing werden diverse houtblokjes gevonden met daarop de namen van werklieden die tijdens eerdere verbouwingen in het pand hadden gewerkt. Zo was in 1881 de Lissese timmerman Dirk Schrama bij bouwwerkzaamheden betrokken. Zou hij geweten hebben dat hij toen werkte op exact dezelfde locatie waar eeuwen eerder zijn voorouders woonden? Dirk stamde namelijk af van Quirijn Klaaszn. Schrama, wiens boerderij in de zeventiende eeuw gelegen was op dezelfde plek als het tegenwoordige “Dubbelhoven”. In een serie artikelen wil ik kort stilstaan bij de geschiedenis van de oude boerderij van Schrama en de bouw van het huidige pand Dubbelhoven. Het vormt een onderdeel van het onderzoek naar de buitenplaats Dubbelhoven, waar ik samen met Rob Pex mee bezig ben. Dat doen wij op verzoek van Richard Boers, de eigenaar van Dubbelhoven, die zeer geïnteresseerd is in de geschiedenis van zijn pand (en de directe omgeving). Het onderzoek is nog in volle gang, en bij dezen zou ik graag willen vragen of er mensen zijn die meer kunnen vertellen over de woning Dubbelhoven aan de Achterweg. Zij kunnen daartoe contact opnemen met ondergetekende (maartenvanbourgondien@hotmail.com) of Rob Pex (robpex@planet.nl). Langskomen tijdens één van de inloopavonden of –ochtenden is natuurlijk ook mogelijk. In de door mij bestudeerde bronnen worden de volgende oude maten gebruikt: morgen, hond en roede. Eén morgen was gelijk aan zes hond of 600 roeden. Eén Rijnlandse morgen komt overeen met 0,8516 hectare.

Cornelis Corstiaanszn.

In 1544 was de grond waarop het huidige Dubbelhoven werd gebouwd nog eigendom van Cornelis Corstiaanszn. Vermoedelijk stond er toen nog geen boerderij. Cornelis Corstiaanszn. was de stamvader van de rooms-katholieke Lissese familie Corsteman. Hij trouwde met Geertruida Klaasdr. en trad in de jaren vijftig van de zestiende eeuw onder andere op als kerkmeester van de Agathaparochie. Daarnaast speelde Cornelis in diezelfde tijd als gezworene een rol in het dorpsbestuur van Lisse. De vroegste vermelding dateert van 6 juni 1542, toen Cornelis Corstiaanszn. werd beleend met drie morgen land uit een grafelijk leengoed nabij Ter Spekke (niet ver van het huidige Dubbelhoven aan de Achterweg), dat omstreeks 1500 was afgesplitst van een groter leengoed van in totaal negen morgen land. [1] Later zal dit leengoed van drie morgen land door Adriaan Adriaanszn. Corsteman junior in twee delen worden overgedragen aan zijn oom Quirijn Klaaszn. Schrama. In 1544 was Cornelis Corstiaanszn. eigenaar van een woning met in totaal tien morgen en 292 roeden land aan weerszijden van de Achterweg (in de bronnen ook wel “Lijtwech” of “Buurwech” genoemd). [2] Op een deel van de landerijen aan de westkant van de Achterweg verrees in later tijd de boerderij van de familie Schrama. De woning van Cornelis Corstiaanszn. lag aan de oostkant van de Achterweg, niet ver van de tegenwoordige Vuursteeglaan. Dat gold eveneens voor de 374 roeden, die in 1544 door Cornelis werden gepacht (=gehuurd) van “Maritje Cornelis weduwe”. Op dit kleine stukje land werd in de zeventiende eeuw de buitenplaats Dubbelhoven gebouwd.

De familie Schrama

Boerderij De Wolff, die in de 17e eeuw eigendom was van de familie Corsteman.

De voorouders van Quirijn (Crijn) Klaaszn. Schrama komen oorspronkelijk uit Bennebroek. Zij hebben hun familienaam ontleend aan de ’s-Gravenmade, oftewel het weiland van de graaf. Dit land was gelegen tussen de Rijksstraatweg en de Haarlemmertrekvaart (bij het huidige restaurant Patrick’s – voorheen De Geleerde Man), en werd al in 1464 genoemd. [3] Aanvankelijk was het alleen weiland, maar later werd er ook een hofstede op gebouwd. Deze hofstede – met in totaal 25 morgen land – was in 1557 eigendom van Agatha Jansdr. uit Amsterdam, en werd bewoond door Cornelis Klaaszn. Scravemade. Waarschijnlijk was hij een zoon van Klaas Floriszn., die in de jaren dertig van de zestiende eeuw de hofstede ’s-Gravenmade met bijbehorende landerijen pachtte. [4] Het genealogisch onderzoek is nog in volle gang. Het lijkt er echter sterk op dat Gerrit Klaaszn. Scramaede (die in 1557 in de ambachtsheerlijkheid Heemstede woonde), en Maarten Klaaszn. eveneens zonen waren van de bovengenoemde Klaas Floriszn. In 1553 woonde Maarten Klaaszn. in Bennebroek. Hij pachtte toen van mr. Pieter Isaacs uit Amsterdam een hofstede met 21 morgen land. In 1555 blijkt Maarten Klaaszn. in Hillegom te wonen, alwaar hij van de Dominicanen uit Haarlem een woning huurde met ongeveer zeventien morgen land in Hillegom en drie morgen land in Bennebroek. In Hillegom wist Maarten Klaaszn. na verloop van tijd een uitgebreid landbouwareaal op te bouwen. In 1564 was hij namelijk gebruiker van maar liefst 51 morgen land. [5] Het overgrote deel van dit land werd door hem gepacht. Maarten Klaaszn. had slechts twee morgen en 350 roeden in eigendom. Het is niet bekend wat hij jaarlijks aan pacht betaalde, maar gezien de totale hoeveelheid grond die hij in gebruik had moet dit een aanzienlijk bedrag zijn geweest. Vier jaar later gebruikte Maarten Klaaszn. nog maar 25 morgen en 50 roeden. Hoewel dat nog altijd behoorlijk veel is, was zijn fi nanciële situatie blijkbaar dusdanig verslechterd dat hij de helft van het door hem gebruikte land moest afstoten. De tweede helft van de jaren zestig van de zestiende eeuw werd gekenmerkt door economische achteruitgang. Zo veroorzaakte het slechte weer omstreeks 1565 bijvoorbeeld diverse misoogsten in het graafschap Holland. [6] Vermoedelijk hadden hoge pachtsommen en een lage opbrengst Maarten Klaaszn. tussen 1564 en 1568 in fi nanciële problemen gebracht. Maarten Klaaszn. was de stamvader van een Hillegomse tak van de familie ‘s-Gravenmade, of Schrama. Zijn zoon Klaas Maartenszn. Schrama was getrouwd met Machteld Adriaan Jorisdr. Dit echtpaar bewoonde in 1591 een boerderij in De Zilk. [7] Eén van hun kinderen was Quirijn Klaaszn. Schrama, die later naar Lisse verhuisde.

Van De Zilk naar Lisse

Fragmentgenealogie van de families Corsteman en Schrama

Het is onduidelijk wanneer Quirijn Klaaszn. Schrama naar Lisse is verhuisd. De vroegste vermelding dateert vooralsnog uit 1619, toen Quirijn werd vermeld op de lijst van welgeboren mannen van Lisse. Zijn zus Katharina Klaasdr. Schrama was getrouwd met Adriaan Adriaanszn. Corsteman senior, kleinzoon van de bovengenoemde Cornelis Corstiaanszn. Waarschijnlijk speelden deze familiebanden een rol bij het besluit van Quirijn om in Lisse te gaan wonen. De boerderij van Schrama stond namelijk op land dat in de zestiende eeuw eigendom was van Cornelis Corstiaanszn. Quirijn legde met zijn komst naar Lisse de basis voor een langdurige band tussen dit dorp en de familie Schrama. Een groot deel van de Schrama’s die de afgelopen eeuwen in Lisse hebben gewoond, stamt namelijk van hem af. Tegenwoordig wonen er nog altijd nakomelingen van Quirijn in Lisse. De familie Schrama kan dan ook zeker tot de groep der oude Lissese geslachten worden gerekend. Quirijn Klaaszn. Schrama was getrouwd met Maria Cornelisdr. Op 2 november 1622 hadden zij vijf kinderen: Gerrit, Maria, Alfertje, Joris en Klaas. [8] Later kwam daar ook nog een dochter Katharina bij. Het huishouden werd gecompleteerd door twee inwonende dienstboden, die Quirijn hielpen met alle werkzaamheden op de boerderij. Het betreft Willem Adriaanszn. uit De Zilk en Geertje Jansdr. Het is niet bekend of Willem Adriaanszn. direct met Quirijn Klaaszn. Schrama vanuit De Zilk naar Lisse is verhuisd, of dat hij pas later in dienst is getreden.

De boerderij van Schrama in de Oude Mosveense Buurt

Het gebied waarin de boerderij van Schrama gelegen was, wordt vanouds de “Oude Mosveensche Gebuyerte” genoemd (oftewel de Oude Mosveense Buurt). Dit werd ook wel afgekort tot “de Oude Veen”. In een ver verleden had zich in de laaggelegen strandvlaktes tussen de Oude en Jonge Duinen een veengebied gevormd. Hier en daar bereikte het veen op den duur ook de hoger gelegen duingrond. [9] Blijkbaar gold dat eveneens voor de Oude Mosveense Buurt, waarvan de exacte begrenzing helaas niet bekend is. Vanaf de middeleeuwen werden dergelijke veengebieden ontgonnen en geschikt gemaakt voor agrarische exploitatie. Lisse kent meer van dit soort plekken: het gebied rond de boerderij Middelburg aan de Loosterweg Noord (tegenwoordig bewoont door de familie Van Graven) werd bijvoorbeeld “de Hooge Moschveen” genoemd. [10] Een ander voorbeeld is de Lageveense polder langs de Loosterweg Zuid.
Het is nog onduidelijk wanneer de boerderij van Schrama precies werd gebouwd. In 1544 lagen er langs dit deel van de Achterweg en Spekkelaan alleen enkele landerijen. De boerderij verschijnt voor het eerst op een oude kaart uit ca. 1615. Op het kruispunt van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan lagen toen in totaal vier woningen. Met de klok mee gaat het om: de buitenplaats Ter Spekke, de boerderij van Schrama (op de plek van het huidige Dubbelhoven), de boerderij van Cornelis Maartenszn. Verdel (= de woning van Cornelis Corstiaanszn.) en de Gasthuiswoning (eigendom van het Sint Elisabethgasthuis uit Haarlem). Naast het ontbreken van een exact bouwjaar, is het op dit moment ook nog niet bekend wie de boerderij van Schrama heeft laten bouwen. Verder onderzoek zal aan moeten tonen of Quirijn Klaaszn. Schrama opdracht tot de bouw heeft gegeven, of dat hij verhuisde naar een reeds bestaande woning. In ieder geval waren de Schrama’s nauw verbonden met deze boerderij aan de Achterweg, aangezien zij er in totaal bijna 100 jaar hebben gewoond en gewerkt.

Klik hier voor het volgende deel

Noten

[1] Ons Voorgeslacht 43e jaargang no. 385 (juli/augustus 1988) 335.

[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 305, fol. 126v.

[3] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, ‘De geschiedenis van Bennebroek’, in: Dr. Tj.W.R. de Haan (red.) Bennebroek-Vogelenzang. Bijdragen tot geschiedenis en volkskunde van een voormalig blekersdorp (Meppel 1965) 7-39, aldaar 26-27.

[4] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, beeld van een dorpsgemeenschap (Zutphen 1982) 53, Nationaal Archief, Archief van de Staten van Holland vóór 1572, inv. nr. 960 (fi lmnummer 1319), Kohier van de Tiende Penning van Heemstede 1557, fol. 1 en 8 en Noord-Hollands Archief, Oud Recht Heemstede, inv. nr. 536, fol. 28v.

[5] Oud Archief van het Hoogheemraadschap Rijnland, Morgenboeken van Hillegom uit 1564 en 1568, inv. nr. 4649.

[6] Leendert Noordegraaf, Hollands welvaren? Levensstandaard in Holland 14501650 (Bergen 1985) 41 en 86-87.

[7] A.M. van Kampen, ‘Behoorde De Zilk vroeger tot Hillegom?’, in: Hangkouserieën (februari 2003) 15-25, aldaar 21.

[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 41, fol. 10v. [9] K. van der Meer, De bloembollenstreek. Resultaten van een veldbodemkundig onderzoek in het bloembollengebied tussen Leiden en het Noordzeekanaal (Den Haag 1952) 90.

[10] A.M. Hulkenberg, ‘”Middelburg” te Lisse’, in: Leids Jaarboekje nr. 63 (1971) 143-172, aldaar 146.

De boerderij van Schrama omstreeks 17e eeuw