Berichten

DE GEVELSTEEN VAN UYTERMEER; De rommeling. (40)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In ” ’t Roemwaard Lisse” staat op bladzij­de 5 een fraaie afbeelding van de buiten­plaats “Uytermeer”. In de voorgevel zit een steen; duidelijk te zien. Het huis is al lang gesloopt; maar waar zou die steen zijn gebleven? Het Leids Jaarboekje van 1973 vertelt meer over de steen. Hij was gevonden en zat inge­metseld in een waranda van het bouwhuis van Klein Leeuwenhorst te Noordwijkerhout; waar Mevrouw Hermance Adeline Amalia, baronesse van Heeckeren van Brandsenburg geb. jonkvrouwe Gevers woont. Het wapen blijkt van de bouwer van het huis, de vermaarde Petrus Scriverius, te zijn. Maar die steen hoort in Lisse ….. Hoe krijgen we hem hier?? Toevallig werd juist in de Poelpolder, op de plaats waar vroeger “Uytermeer” stond, de Christelijke Mavo gebouwd. Bij de heer Joh. A. Segers, directeur van de school, vatte nu de gedachte post: “Als die steen nu och weer naar Uitermeer terug zou kunnen keren ……” Beleefde vraag aan Mevrouw Van Heeckeren. Antwoord: “Nee!” Pas was haar dochter getrouwd, haar enig kind, en die woonde helemaal in Zuid-Afrika. Zouden al die dingen uit haar vertrouwde omgeving, uit haar jeugd, dingen waaraan ze zo gehecht was, haar nu ook moeten ontvallen? Nee, nooit, dat stond wel vast. Maar, wat een Segers in het hoofd heeft, is er ook zo maar niet uit ……; die steen komt terug en dan zal de school “Uitermeer” heten. De stellingen zijn ingenomen, de slotbrug is opgetrokken, de belegering van “Klein Leeuwenhorst” neemt een aanvang. Neen, geen belegering met stormrammen, blij­den en ander wapentuig.

De heer J.Ph.N. du Quesne van Bruchem doet zijn best, schrijver dezes wordt inge­schakeld. Hij verneemt, dat Mevrouw van Heeckeren erg gesteld is op haar neef Van Tets. De heer Segers trekt nog eens naar Leeuwenhorst met alle geduld waartoe een man die weet dat hij uiteindelijk toch zal en moet slagen in staat is. Ook anderen zijn in de weer …… En dan ……. het lijkt of er een kleine bres in de muur van Leeuwen­horst is geslagen. Mevrouw twijfelt. Zij raadpleegt haar neef, Jonkheer Van Tets van Goudriaan ….. “Ach Hermance, wij zijn toch allemaal sterfelijke mensen. En ons jeugdsentiment geldt voor onze kin­deren en kleinkinderen niet meer …… Je hebt toch genoeg gevoel voor traditie …… Welnu ……” En dit geeft de doorslag. Het gaat gebeu­ren: de slotbrug wordt neergelaten en dankbaar voor haar eigen besluit reikt de Baronesse de steen over …… Op 19 september 1975 werd hij ingemetseld in de grote hal van de school, plechtig door Me­vrouw zelf onthuld, en daarmede de school officieel in gebruik genomen. Prediker 3 zegt het reeds: ”Alles heeft een bestemde tijd; er is een tijd om af te bre­ken en een tijd om te bouwen …… Een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te vergaderen”. De Christelijke Mavoschool Uitermeer” was geopend. Moge er zegen rusten op deze school en allen die haar bezoeken.

‘T LAMMETJE GROEN; De rommeling. (23)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn.

Een allerliefst huisje, dat “Lammetje Groen”. Toen ik er een twintigtal jaren geleden met een dame uit de “Grosse Heimat” naar stond te kijken smolt ze hele­maal weg in een aller aandoenlijkste ver­ering. “Was ich da tun tate? Ich tate nichts tun. Ich tate da sitzen und glücklich sein”. Sommige mensen menen, dat het huis zijn naam te danken heeft aan een “eeuwenoud” tegeltableau met een lammetje in het groen. Maar dat klopt niet; dat is pas goed vijftig jaar oud. Het is omstreeks 1927 gemaakt in “Het Tegelhuis” te Alphen aan de Rijn en door Marseille hier keurig inge­metseld. Het staat trouwens lang niet vast dat het huis zijn naam aan een lammetje heeft ontleend. Omstreeks 1650 ontmoet men hier steeds weer de naam van een ze­kere juffrouw Lambertje of Lammetje. De Stalen Brug dankt zijn naam aan Jhr Van der Staal, de Magere Brug te Amsterdam aan de gezusters Magher en de Groenhazen-gracht te Leiden aan een zekere juffrouw Haasje Groen. Het zou dus best kunnen, dat dit huisje naar Juffrouw Lammetje is genoemd. Het is al veel meer dan 300 jaar oud en in 1780 weer goeddeels vernieuwd en vergroot. De bouwnaad is nog duidelijk waarneembaar. Het was toen een boeren­huisje in het weiland. Die jachtbossen zijn pas in het begin der vorige eeuw aange­legd, toen het huis met Keukenhof verenigd werd.

In het Leids Jaarboekje 1973 staat van blz. 139 tot 162 een uitvoerige studie over ” ’t Lammetje Groen” gepubliceerd. Grappig is, dat de bejaarde Dirk Cornelisz Langeveld 300 jaar geleden heel zijn heb­ben en houwen aan de chirurgijn verkocht, waarbij deze dan beloofde “de voornoemde Dirck Cornelisz Langeveld zijn leven lang gedurende, te zullen alimenteren ende on­derhouden in eten, drinken, kleden en re­den, hem in ziekte en gezondheid van node wezende” en ten slotte ook als het zover “denzelven eerlijk te doen begraven”. In later tijd woonde op ” ’t Lammetje Groen” Pieter van der Lans, die al een heel gezin had toen hij trouwde met de weduwe van Jan Mens, die zelf zes kinderen had van ongeveer dezelfde leeftijd. “Piet Lans” had nog wel iets anders aan het hoofd dan “da sitzen”! In 1917 is de ijverige Van der Lans overleden. Zijn nageslacht en de familie Mens is in Lisse nog bijzonder talrijk.

’t Roemwaard Lisse: (65)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Als men Lisse  naderd van de zuidzije passeerde men een Engel een bbeschermengel, en men kan bezwaarlijk zeggen, dat deze engel niet in ere werd gehouden. Het was de herberg “De witte Engel”,1 waaraan het buurschap De Engel zijn naam te danken heeft. Deze herberg bestond reeds in 1602,2 toen Jeroen Dammasz Cluft in De Engel woonde. In 1562 was hij kerkmeester in Sassenheim. (Dit deel van Lisse is bij de splitsing der parochies Sassenheim en Lisse aan Sassenheim gebleven).3 Na het invoeren van de reformatie, waarbij de uitoefening van het katholicisme ten strengste verboden werd, bleef Cluft toch een strijd­baar aanhanger van de oude leer. Hij hield “heimelijke papistige vergaderingen” en werd later weer veroordeeld, omdat hij de predikant van Katwijk beledigd had.4 De Engel is altijd een besloten roomse gemeenschap gebleven. De schuurkerk aan het Mallegat (blz. 13) lag trouwens vlak bij.

Sinds 1738 was de herberg in het bezit van Cornelis Dirkse van Dalen. Na diens dood werd door zijn weduwe , Anna Leendertsz van Grieken, het “sterk en weldoortimmerd huis” met schuur en “het recht van de vrije bier stekerije” voor ƒ 350 verkocht aan Jan Hendrikse Kuijten.5 Deze koop moet echter om een of andere reden niet zijn doorgegaan, want 3 december 1754 verkoopt zij de herberg voor ƒ 300 aan Cornelis van der Hulst.2 “De Witte Engel” is verdwenen, maar “De Engel” is altijd gebleven.

Voordat het Mallegat gegraven was stroomde in natte tijden het overtol­lige water van het Keukenduin naar het laaggelegen terrein ten westen daarvan, de Liesbroek, die via de Voortlaan op de Beek uitwaterde. (Zo’n doorwaadbare plaats heet een voorde). Aan deze laan, waar nu prachtige tulpen bloeien, lag tussen ten dele afgegraven duinen de boerderij “’t Nest”. In 1616 wordt “Claes Gerritsz op ’t Nest” ge­noemd6 en later compareert herhaaldelijk de naam van “Gerrit (Lang-veld? ) op ’t Nest”. Daar dicht bij, op het huidige bollenland van de firma L. Berbee, stond in de 17de eeuw de buitenplaats Akervoorde, een aker- of eikenbos aan de voorde. Het was een deftig huis; verschei­dene kamers waren met goudleer bespannen. Eerst woonde hier Mr. Joan Sylvius, burgemeester van Haarlem en rentmeester van Rijnland7, maar later behoorde het aan het geslacht Van Sijpesteyn, de eigenaars van het Hof van Hiïlegom, hetgeen regelmatig verhuurd werd, omdat men aan Akervoorde de voorkeur gaf.8 Een der bekendsten was (Cor­nelis) Ascanius van Sijpesteyn (1694-1744), schepen, thesaurier, burge­meester en “opperfabriek” der stad Haarlem.9

Akervoorde was reeds lang verdwenen toen het “Huis Ter Beek” ver­rees. Het werd in 1833 door Baron van Pallandt (van Ter Leede) gebouwd in een lichte, Italiaanse stijl voor zijn zoon Cornelis Hendrik, lid der Provinciale Staten, die hier met zijn echtgenote Jkvr. Rudolphine M. Th. Sandberg tot Essenburg en hun gezin jarenlang heeft gewoond.10 Sinds 1909 heeft de St. Vincentiusvereniging het gebouw in gebruik als kinderhuis. Op een naastliggend perceel is in 1929 de Engelenkerk gebouwd en hier neemt onze Jan de Graaff met fraaie beden en wensen afscheid van zijn Roemwaard Lisse.

Gij burgers, die hier rustig, vredig leeft,                   *
Gij akkerlieden, die uwe tienden geeft,
Die ’s mensdoms voedsel haalt van uwe velden,
Ach, dat Gods gunst voor eeuwig u verzelde!
Ach, dat Gods vrees voor eeuwig en altoos
Bij u huisvest en niet de zonden boos,
Zo zal Zijn gunst en heil u steeds beschijnen,
Zo zal alsdan de neveldamp verdwijnen.
Leeft dan in deugd, leeft in dit aardse dal
Bevrijd van druk of heilloos ongeval,
Zijlt door deez’ zee van ongestadigheden
Totdat gij naakt de haven, daar de vrede
Haar zetel heeft, daar nooit geen droevig leed
Of bange zorg de herte nijpt of kneedt,
Daar d’Heilzon op zijn hoogverheven trone
Zijn glanzen spreidt en door gepaarde tonen
Van ’t zalig volk ’t eeuwig Haleluia
Gezongen wordt gestadig voor en na.

Aanbid’lijk God, geef dat wij al temmen

In eeuwigheid steeds loven Uwen Name!

1   Gemeentearchief, gedr. affiche.

2   ARA, Recht.arch. Lisse nr. 19 fol 243.

3   De Aagtenkerk blz. 23.

4   LeidsJaarb. 1941 blz. 171.

5    ARA, Recht.arch. Lisse nr 104. Ansichten blz. 78.

6   Arch. Herv. Gem. Lisse nr. 25.

7    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 60 fol 196 (1699) en 63 fol 211 (1708). Mr. Maarten A. van S., schepen van Alkmaar, nr 66 fol 21 en 62-79 (1717).

8   A.M. Hulkenberg, ’t Vermaaklijk Hiïlegom (1971), blz. 20 en 22.

9   ARA, Arch. Huis te Hiïlegom.

10 Ansichten blz. 79.

65. De hofstede Ter Beek. Litho van J. D. Steuerwaldnaar een aquarel van P.J. Lutgers (1808-1874). Uit Gezigten in de omstreken van Den ‘s-Gravenhage en Leyden, !855.

 

’t Roemwaard Lisse: Uitermeer (5)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Uytermeer lag in de Poelpolder. Wanneer men over de Eerste Poellaan de polder juist was binnengetreden iets naar rechts. Het is een voorbeeld van de hier niet talrijke droogmakerij-buitenplaatsen.1 Op een kaart van 1687 staat Uytermeer reeds vermeld. Het behoorde aan de familie van der Stel, vooral bekend door Simon van der Stel, gehuwd met Jacoba Six, de eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Het is op­merkelijk dat Jan de Graaff Uytermeer in het geheel niet noemt. Hij moet er vlak langs gekomen zijn. Waarschijnlijk was het echter in 1770 reeds verdwenen. Dan treffen we de familie Van der Stel namelijk aan op Meer en Duyn.3 Een gevelsteen met de naam “Uytermeer” moet later zijn ingemetseld in een (thans verdwenen) herberg aan de Trekvaart onder Noordwijk.

Wij laten nu onze dichterlijke vriend zijn wandeling beginnen. Hij loopt de Eerste Poellaan geheel uit en is verrukt over de bekoorlijkheden van het lieflijke landschap.

Gewenste dag, toen ik mijn wandeling

In ’t ochtenduur door wijk en beemd aanving!

Aurora* kwam op haren gouden wagen

Aankondigen alsdat ’t begon te dagen.

Haar vingers, daar de nectardauw uit druipt

Terwijl de zon uit zijne schuilplaats kruipt.

Mijn ziel verrukt door die bekoorlijkheden,

Dus ging ik zacht tot aan de Poellaan treden.

Ik zag ’t welig vee, ik aanzag het hoog geboomt

Zeer aangenaam, terwijl een zuchtje koomt

Uit het westen en de bladeren doet ruisen.

Men ziet de vliet staag wentelen en bruisen.

’t Nieuwsgierig oog, genegen om te zien,

Dat leidt mij weg, op hoop dat ik misschien

Wat nieuws ontmoet. Ik ga mij zo begeven

De Poellaan langs. Maar wat zie ik daar leven?

Wat ’s daar te doen, dat ik daar zo veel volk

Bijeen zie staan daar bij die diepe kolk

Des Poeh? Maar wacht! Mij dunkt, ik zie ze laden

De fruiten om den steedling te v er zaden,

Die de ooftgodin met haar gewone vlijt

Besproeit en voedt, of schoon Aeool^ met nijd

Uit’t noorden blaast, met nevelige dampen                           -,

Verzeld, en dus gestaag met ramp op rampen

Haar hof bestormt. Nochtans zo is haar tuin

Zeer vruchtrijk en doet op het woeste duin

En vlakke veld alom met vruchten planten,

Zodat een schuit tot boven aan haar kanten

Hier dag aan dag, door onzen schipper Vroom

Vervoerd wordt en wel binnen Amstels boom.

Of ’t stormt of raast, of Y onweer snel van boven

De baren solt, hij gaat de golven kloven

En bouwt de Meer en ook de buld’rend IJ6

En schroomt geen wind en schijnt in ’t water vrij

Van overlast, dewijl de Stroomgodinnen

In Pomona’s dienst1 behouden ’t brengen binnen.

Vaart Vroome held, vaart door het woeste stof. . .

Er is daar door dat “woeste stof” wat gevaren! In 1770 deed dit schipper Vroom, maar in 1747 was Cornelis Cornelisz Ruychrok van de Werve8 “ordinaris marktschipper van bloemen, groentens ende ooft-vruchten”, die “met twee schuiten” op Amsterdam voer. Ook Antonis van Hulst en Cornelis van Bendt voeren op Amsterdam. Pieter Riggel sinds 1770 op Rotterdam. Govert Gijszoon van Parijs voer via Haarlem, het Spaarne en het (open) IJ naar Amsterdam “en wederom terug”.9 Zijn zoon is eens in Spaarndam tragisch verongelukt. Wij lezen dat op woensdagavond 12 juli 1741 “zekere jongeling van zijn vaders schuit, varende van Lisse op Amsterdam, even binnen de sluizen in het Spaarne was gevallen, nedergezonken en verongelukt.10 Welke jongeling na veel zoekens den volgende morgen vroeg is gevonden, opgevist en te Spaarn­dam met de voeten in ’t water op ’t land werd gelegd. (Hij bleef volgens Rijnlands recht aldus nog steeds drenkeling en niemand had het recht eigenmachtig over het dode lichaam te beschikken.) Zo hebben schout en schepenen op verzoek van gemelde vader, schipper Govert te Lisse wonende, niet mogen nalaten de nodige informatiën daaromtrent te nemen en beschouwing van het dode lichaam te doen en bevonden dat ditzelve ongeval zeer onnozel (onschuldig) is toegekomen, hebben over-zulks tot wegneming van ’t lijk wel willen consenteren.” De tocht naar huis met het lijk van zijn zoon aan boord moet voor schipper Govert wel bijzonder droevig zijn geweest.

1    S.J. Fockema Andreae e.a., Kastelen . . in Rijnland (1952).

2    Johan E. Elias, De Vroedschap van Amsterdam (1903), I blz. 457 e.v.

3    Zie blz. 34 en 48.

4    Deze rozenvingerige godin van de morgenstond opende de hemelpoorten, zodat de zomergod Helios op zijn gouden wagen zijn tocht kon beginnen.

5    Aeolus, de god der winden.

6    Zoals een landbouwer voren trekt door de akker, zo klieft Vroom met zijn schuit het water.

7    Porno na was de godin der tuinen, met name van de veldvruchten en het ooft.

8    A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (1960) blz. 16 en 144.

9    “Regentenboek” in part. bezit (T).

10  Dr. Tj.W.R. de Haan e.a., Spaarndam (1967), blz. 82.

5.Uytermeer Ets van Abraham Rademaker (Lisse1675 – Haarlem.) Uit Rijnlands fraaiste gezichten (1732),

AKERVOORDE

A.M. Hulkenberg

Aan de zuidzijde der gemeente Lisse, niet zeer ver van Sassenheim, ligt in het buurschap De Engel de Akervoorderlaan, door bejaarde Lissers meestal de Voortlaan genoemd. Die weg moet al heel oud zijn. In het Leenboek A van de ridderhofstad Dever te Lisse wordt bij een begrenzing van een perceel, genaamd Vrancken hofstede, al in 1444 over “een lijtweg, genaamd Aggevoerdt” gesproken.1 Nog veel vroeger, reeds in de dertiende eeuw, leest men in het “Oude register van Graaf Florens” tussen de leengoederen van Teylingen: “Jan Naghel (…) een morghen tusscen Vloedorp ende Anghenvort”. Op 12 november 1326, passeert in een oude akte de naam van Margriete Ghysendr. van Aghenvorde, die een stuk land in Noordwijk aan de abdij Ter Leede of Leeuwenhorst aldaar had geschonken.(2 In een trouwinschrijving van 1607 heet het hier Aeckevoorts en op de kaart van Floris Balthasarsz. uit 1615 eveneens Akevoort.

De Voort

Een voord of voorde is een doorwaadbare plaats in een rivier of een beek. Tevens een plaats waar de weg bij tijden zo nat werd, dat het onmogelijk was droogvoets verderop te komen. Dat klopt precies. Als na een natte periode het Keukenduin van Teylingen met water was verzadigd kon de Lisser Beek het niet verwerken en stroomde het over de Heereweg – niet meer dan een zanderige landweg – af naar het Haarlemmer Meer. Om dan van Lisse droogvoets naar Sassenheim, Teylingen of Leiden te komen maakte men gebruik van het Hoylaentje, de Groeneweg ofwel de Achterwegha, nog steeds smal en grinderig, die nu echter officieel de grootse naam van Oude Heereweg draagt. Dicht bij de Voort woonde het gezin van Jacob Dirks van Larum, die later Jacob Dirks genaamd van der Voorden heet. Uit hem is een Lisse’s geslacht Van der Voort ontstaan. (De kinderen van Jacobs broers zijn zich om onbekende reden Van Steyn gaan noemen.5) Later heeft men de Nieuw watering gegraven, “anders genaemt Mallegat”, zoals de kaart van 1746 vermeldt. Deze is in 1604/05 bij het afzanden van het Keukenduin nog extra verbreed en verdiept en zo had het ongemak van de voorde afgedaan. Bij het spitten aan het Mallegat hebben de mensen uit de buurt duchtig meegewerkt. Daar zijn ook bij Gerrit Comelis Claes, Claes op ‘t Nest en Comelis Keijzers, die we later nog zullen ontmoeten.

‘t Nest of ‘t Nestje

De percelen aan de Akervoorderlaan, het huidige bollenland, worden nog altijd “’t Nestje” genoemd. Iets verderop staat een rijtje woningen, misschien vijftig of zestig jaar oud, waarin een gevelsteen met het opschrift Het Nestje is ingemetseld. Inderdaad woonde hier ergens in de tweede helft der 16de eeuw het gezin van Gerrit (Langeveld) op ‘t Nest: Claes, Comelis, Meeus, Neeltje en Maarten.(5 Claes Gerrits op ‘t Nest blijft ter plaatse wonen, maar honderd jaar later leest men alleen nog Nest (7 en kort daarop is deze naam geheel verdwenen. Kennelijk zijn de Langevelden op ‘t Nest hier weggetrokken. Nu rijst de vraag, waar dat Nest precies heeft gelegen. De huidige huizen ‘t Nestje staan in Voorhout, terwijl het historische Nest in Lisse stond, wantdaar moest men zijn belasting betalen. Precies op de plaats van het huidige Nestje kan het dus niet zijn. In het register van de verpondingen van 1657 lezen we: De Overgeest of Duinbuurt. Huig Gerritsz op’t Nest (…) in de polder van Westgeest, 3 partijen neffens de anderen, waarop een hofstede staat, groot te samen 6 morgens.

De Speelman

Later spreekt men van het Speelmansnest. Het lag tegen het duin, iets ten noord-westen van Akervoorde. In 1705 werd het een vervallen huis genoemd.(9 Die “speelman” of “spulman” is Willem Gerritse op ‘t Nest, die misschien wel als rondtrekkend muzikant in herbergen of op kermissen een extra duit verdiende. Intussen werkt de naam Speelman in deze contreien wel zeer verwarrend. Vrijwel alle landerijen aan de Akervoorderlaan en omgeving zijn gekocht en in cultuur gebracht door de bloembollenfirma C.J. Speelman & Zoonen, waarvan de oprichter in 1831 te Pernis was geboren’0 en die dus niets met Willem Gerritse Speelman en het Speelmansnest te maken heeft. In onze eeuw heeft men de verbindingsweg tussen de Akervoorderlaan en de Loosterweg naar een der zoons van C.J. Speelman ‘Johan Speelmanweg” genoemd. de tweede zoon van de genoemde Gerrit Langevelt op ‘t Nest was Comelis Gerrits, duinmeier te Voorhout. Op een grafsteen die thans buiten de dorpskerk van Sassenheim ligt leest men echter: “Gerrit Comelius van den Nes” en “Aeltje Jacobs van der Voorde, starf den 6 Juni 1607”. (Die waren dus in hun jeugd al buren geweest.)

afl. 1. Kaart van een partij land en een boerenwoning, gelegen in de ban van Lisse
bij het Mallegat en het Keukenduin, door Erasmus den Otter, 1647. Gemeentearchief,
Haarlem; familie-archief Van Sypesteyn, nr. 7536.

afl. 2. Detail van afb. 1.

Nu vraagt men zich toch af, of de steenhouwer de naam “van ‘t Nest” wel goed heeft verstaan. Of vond men het zo misschien netter? Was het woord misschien oorspronkelijk werkelijk “nes”, een neusvormige hoek of punt van het land? En is het “Nesje” dan door volksethymologie tot “Nestje” geworden? Of is het toch echt een  boerderijtje, dat tegen de rand van het duin ligt aangevlijd? We weten het niet.

Van Sypesteyn

Geleidelijk aan komt hier in de zeventiende eeuw steeds meer de naam Van Sypesteyn naar voren. Jonker Jan van Sypesteyn uit het Utrechtse was in 1,588 getrouwd met Catharina van Nyenrode, de erfdochter van Het Hof van Hillegom, waarvan het duinbezit zich tot aan het Keukenduin van Teylingen uitstrekte. (11 Met de afgraving van dit laatste duin, beginnende in 1604, had Van Sypesteyn zich ook intensief bezig gehouden. Bij de latere verdeling van het Keukenduin tussen de erfpachters in 1616 was aan Johan van Sypesteyn het stuk tussen de Veenderweg (Stationsweg) en de Spekkelaan te Lisse, alsmede het deel tussen de Trijnelaan (Catharijnelaan) en het Mallegat toegevallen.(6 Bovendien exploiteerde hij het zuidelijk deel van het Keukenduin, van het Mallegat tot voorbij ‘s-Gravendam samen met Odilia Valckenaar, de weduwe van Jonker Johan van Wassenaer van Warmond. Zolang die duinen niet afgegraven waren, werden ze aan duinmeiers verpacht. In 1620 bijvoorbeeld het eerste stuk aan Claes en Adriaen Jansz. Hits en het stuk tussen het Mallegat en de Trijnelaan aan Claes Gerritsz. de Monnick.(12

Nu begrijpen we ook de belangstelling van Sypesteyn voor de landerijen die tegen de oostzijde van het Keukenduin gelegen zijn. Telkens weer leest men van aankopen in dit gebied. Met name toen in 1625 Johan van Sypesteyn was gestorven. Comelis, de zoon van de overledene, koopt van zijn zusters en medeërfgenamen het erfpachtsgoed Keukenduin met een boerderij tussen het Mallegat en de Trijnelaan. Soms zijn het maar kleine stukjes. In 1658 twee morgen land aan het Keukenduin en het Mallegat, die hij koopt van Louweres Pietersz. van ‘t Nest.(13 De Van Sypesteyns hebben tot de dood van Jonker Cornelis in 1665 regelmatig ‘t Hof van Hillegom bewoond. In genoemd jaar stierf Comelis, twee jaar later gevolgd door zijn echtgenote. Zijn oudste zoon, Cornelis Ascanius, volgde hem op als eigenaar van ‘t Hof. Hij werd echter in 1673 – door zijn eigen vaandrig – vermoord en nu droeg zijn weduwe ‘t Hof over aan haar zwager Maarten van Sypesteyn. Het huis werd daarop meestal verhuurd; Maarten van Sypesteyn kwam er niet wonen.

De boerderij Akervoorde

afl. 3. Kaart van het huis Akervoorde met de landen gelegen tussen Sassenheim en Lisse, door N. van Ca& 1717. Gemeente-archief, Haarlem; familie-archief VanSyp esteyn, nr. 1357.

Nu hebben we wel gesproken over ‘t Nestje, maar nog niet over de boerderij van Keijzer, die daar dichtbij aan de Akervoorderlaan stond. In 1622 woonde daar in de Westduynbuyert Comelis Pietersz. Keijzer en Aechtjen Adriaensdr. met hun kinderen Comelis, Marijtje en Annetje. De zoons Pieter en Adriaen waren al de deur uit, maar vader Comelis “heeft een gehuyert knechtjen van Pouwels Comelisz. Cock, genompt Bastyaan”.(14 Op 21 augustus 1680 gaan de gezamenlijke erfgenamen tot verkoop der boerderij over .is Bij “publycque veijlingen” wordt ze verkocht aan de “Heer Martinus van Sipesteyn, bailluw van der Nieuwburgh, tot Alckemade woonachtig”. Het betrof een “bouwhuis met sijn erve, boomgaertie daeraen gehoorigh ende nog drie partijen weij- of teellant, daer mede aen en omme in den polder van de Westgeestis in Lisse gelegen”. Het is aan de zuidwestzijde gelegen aan “de Aeckervoort” – in 1689 genoemd “een lijdweg genaamt Akenvoort” -, aan de zuidoostkant de “Heer van Out-Alckemade” te Warmond, Comelis Briole en aan de noordwestzijde Maarten van Sypesteyn zelf. Verder verkopen ze hem nog een drietal partijen wei- of hooiland in de Lage Venen. “Wijders met sodanige voordeelige en naerdelige condities van over-, noth-is en uytwegen”. De verkoopprijs is 712 gulden en 10 stuivers, “den lesten penningh metten eersten te betaelen Meijdage (1 mei) des toecomende jaers 1681”. De boerderij en haar toebehoren blijken echter geen rechte eigendom te zijn, het is erfpachtsgoed.

afl. 4. Detail van afl. 3. In onderste perceel A rechtsonder het huis Akervoorde.

Ieder jaar op Allerheiligendag, moet 80 gulden aan erfpacht worden betaald aan de erfgenamen van Jonker Sybrant van Alckemade, aan wie ook het aangrenzende deel toebehoort. (Op een der gekochte percelen in de Lage Venen rust een erfhuur van één gulden, aankomende de erfgenamen van jonker Johan van Matenesse.15) Negen jaren later willen de erfgenamen van Agatha van Alckemade (19 het erfpachtsrecht van Akervoorde van de hand doen. Dan verschijnt voor de notaris te ‘s-Gravenhage jonker Sybrand Joseph van Kuijk van Mierop, woonachtig te Delft, zoon van de erflaatster, en verkoopt aan Maarten van Sypesteyn “het Dominium Directum ofte den Grondeygendom ende erfpacht van 80 gulden van een woninge genaamt Akenvort met vijf mergen lants (…) in de polder van de Westgeest”. Tevens nog een loosterkamp overduin, dat is aan de andere zijde van het Keukenduin in de Lageveense polder en nog een ander perceel van vijf morgen aldaar. De erfpacht hiervan bedroeg “een jaarlijkse canon van 72 gulden ende daar en boven nog een vierendeel appelen of peeren, ‘t houden van twee paar kapoenen ende een speelvaert”. Blijkbaar had men in Delft geen behoefte aan de Lissese appels, peren en kapoenen of aan het dagje spelevaren op de Trekvaart, want dit te samen wordt veranderd in een extra bedrag van acht gulden.1(7 Intussen is Maarten van Sypesteyn al in, 1681 overleden. Uit zijn huwelijk met Quirina Comelia Pieterson liet hij een zoon na, een kind van één jaar oud, Maarten Adriaan. ‘t Hof van Hillegom werd door zijn voogd in 1685 weer terugverkocht aan Comelis Ascanius 11, de zoon van de in 1673 overleden eigenaar.( 20 Men woonde in Haarlem en Alkmaar en kreeg voor buitenplaats steeds meer oog voor het landelijke Akervoort. Intussen was de weduwe van Maarten hertrouwd met Adriaan Pieterson, die nu de belangen van Akervoorde gaat behartigen. Daar woont aan de Akervoorderlaan als pachter Huijg Willemsz. Rode.(21

De buitenplaats Akervoorde

Hoe zal men zich een buitenplaats met pachter nu moeten voorstellen? Nu, in de regel werd aanvankelijk het huis geheel door de pachter bewoond, terwijlmen in de zomerperiode enige vertrekken voor de heerschappen uit de stad in gereedheid hield. Dan leefde de boerenfamilie toch goeddeels buiten of in de stal of in het zomerhuis. Later werd dan vóór de boerenwoning een herenhuis gebouwd. Soms vormden de beide huizen, zoals ook bij Zandvliet te Lisse, één geheel. (22 De (kleine) plattegrond op het kaartje van 1717 staat dit ook hier wel toe. Later blijkt het huis in tweeën verhuurd en wijlen de heer Jan Damen, dicht bij Akervoorde geboren en getogen, herinnerde zich aldaar nog twee woningen, de een achter de ander. Iets bijzonder groots en indrukwekkends is Akervoorde nimmer geweest; in geen enkel boek over huizen of buitenplaatsen wordt het vermeld. Maar de tuin mocht er toch wel wezen! Niet ver van de Akervoorderlaan ligt aldus het huis, juist waar nu het bloembollenbedrijf Leo Berbee & Zn B.V. gevestigd is. Aan de andere zijde van de laan ligt thans land van de erfgenamen Speelman. Dit behoorde indertijd aan “Vloor van Alkemaden” (jonker Floris van Alkemade), eigenaar van het kasteel Oud-Alkemade, aan het einde van de Wasbeeklaan, binnen de gemeente Warmond.(23

afl. 3. Kaart van het huis Akervoorde met de landen gelegen tussen Sassenheim en
Lisse, door N. van Ca& 1717. Gemeente-archief, Haarlem; familie-archief Van
Sypesteyn, nr. 1357.

Het is thans in pacht bij het bloembollenbedrijf R.I.M. Bisschops en in het voorjaar bloeien hier die prachtige tulpen. Achter het huis Akervoorde lagen de mooie tuinen met de waterkom. Daar ongeveer is “de scheijdingh van Liss en Voorhout”, op de kaart schematisch aangegeven. Dan volgt het bos met zijn geometrische vijver. Links is de moestuin. De tuinpercelen lopens langs het Mallegat door tot de Loosterweg, waar we rechts voor de brug – waar zich thans de firma Boot bevindt – het “Blijckers Huys” zien. Daar werd dus het linnengoed gewassen en gebleekt. Alles te samen is 89 morgen 543 roe. De kaart van de Wooninghe Akevoorde is uitgegeven op 21 september 1717, ondertekend van Call.

Het kind van de in 1681 overleden Maarten van Sypesteyn heette Maarten  Adriaan. Deze trouwde in eerste huwelijk in 1707 met Margaretha Helena Kaldenbach. Men vindt hen regelmatig op Akervoort, waar op 24 november 1709 hun zoon Johan wordt geboren.(24 Maar geheel in pais en vree is alles in en om Akervoorde toch niet verlopen. De weduwe van mr. Maarten, Quirina Pieterson, was zoals boven gezegd hertrouwd met Adriaan Pieterson en deze probeert zijn al of niet gepretendeerde deel van het bezit op Akervoorde veilig te stellen. Zoon Maarten Adriaan van Sypesteyn weigert echter iets af te geven. Dan stapt Adriaan van Pieterson op 3 december 1707 in Den Haag naar de notaris en verzoekt hem zich in aanwezigheid van enige getuigen naar Akervoorde te begeven en zijn stiefzoon gerechtelijk aan te zeggen, dat hij op 7 december 1707 zijn meubelen en verdere goederen aldaar zal komen afhalen.(25 “En cas van refuus ofte nige empeschement” bij het afhalen zal de notaris “tegen dezelve expresselijk protesteren van alle kosten, schade en intressen, albereids gehad ende geleden, of nog te hebben ende te lijden”. Hoe deze zaak is afgelopen vertelt de geschiedenis niet. Een regelmatige bron van inkomsten van een buitenplaats was de houtverkoop  en die vindt ook op Akervoorde steeds weer plaats. Op 3 november 1716 geldt het bij voorbeeld “het wassende hout op de struik: de olmehagen ende elsthagen, mitsgaders appel-, peer- en kersebomen te ontruimen voor 1 januari 1717”. De olmen (iepen) tussen de kvels moeten blijven staan en er mag geen schade worden toegebracht aan de beukenhagen. (Natuurlijk de opgesnoeide haagbeuk, Carpinus betulus.) “De kopers zullen hun gekochte mogen schepen in de Sandsloot ende daartoe mogen berijden de ordinaire (= gewone) weg (de Akervoorderlaan dus) ende de zuidelijke laan van de plaatse, en geen andere”.26

Boelhuis op Akervoorde, 1717

Evenals zijn vader is ook Maarten Adriaan van Sypesteyn niet oud geworden. Hij overleed te Alkmaar op 25 juni 1717 en werd zoals zo velen zijner familieleden te Hillegom begraven. Hij liet drie zeer jeugdige kinderen na, waarvan de moeder reeds in 1715 was gestorven. Als hun voogden had Maarten Adriaan in zijn testament van 12 juni 1717 aangewezen zijn zwager Joan van Essen, burgemeester van Zutphen, en zijn neef Cornelis Ascanius  (11) van Sypesteyn.(27 “Op den Huise Akervoord in de Westgeest” hebben deze op 10, 11 en 12 augustus 1717 een groot boelhuis gehouden. Alles wordt verkocht. Men begint buiten: het hooi op rooken (grote oppers), tarwe aan het Mallegat in de Lage Venen, het gras in de weide van de Doolhof met de naweidezs bij de Blekersweide, de gerst op de kroft bezijden de plaats en waar nu de paarden lopen. Dit land werd gepacht door Bart Jacobse van der Son. (Er zijn nog steeds Van der Zonnen aan de Akervoorderlaan woonachtig). Dan nog 14 zakken haver. De karos wordt voor 210 gulden gekocht door schout Jacob van Dorp. Er is een zwarte merrie: 28 gulden en 10 stuivers, en verder nog diverse andere paarden en tuigen, een mestvork, een roskam met borstel en een teervaatje, vier stuks ossen en vaarzen29 en twintig schapen. In de oranjerie heel veel potten en potjes, visnetten, een draagton en een mand. In huis bedden, rokken en japonnen – Mevrouw Sylvius uit Haarlem koopt voor 30 gulden en 10 stuivers een zijden japon -, manshemden, slopen, lakens, servetten en ledikantbehangsel. Het hele huis wordt leeggehaald, tot de kleinste zaken toe: een triktrakbord, dat door de heer Berkheij uit Leiden wordt meegenomen, een Japanse trekpot, kopjes, schilderijen, blakers, tafels, lijsten, matrassen en een zweep. Ten slotte ook portretten, maar wie deze voorstelden  wordt helaas niet vermeld.(30

Akervoorde cum annexis is in het bezit gekomen van Cornelis Ascanius (11), een neef van de overleden Maarten Adriaan. Deze was sinds 1685 ook al eigenaar van ‘t Hof van Hillegom, dat echter steeds verhuurd was.(11 Inderdaad blijkt Ascanius ook op Akervoorde te hebben gewoond, wantpas in 1747 wordt vermeld, dat hij metterwoon naar Hillegom is vertrokken. (31 Lang heeft zijn verblijf aldaar niet geduurd, want hij is reeds op 26 december 1747 overleden en in de familiegrafkelder in de kerk van Hillegom begraven.

Akervoorde weer boerderij

De oudste dochter van Comelis Ascanius (11), Anna Jacoba Catarina vanSypesteyn is getrouwd met Antonie Swaens, rentmeester van de Swaluwe(Hoge en Lage Zwaluwe) .(32 Zij werd na de dood van haar vader Vrouwe van Sypesteyn en moet ook op Akervoorde hebben vertoefd. Later is het huis steeds verhuurd. Na haar dood in 1778 wordt namens de voogden over de minderjarige kinderen de boerderij tussen het Mallegat en de Trijnelaen en nog “een land genaamd het Speelmansnest, gelegen aan ‘t duin” verpacht  aan Barend van der Voort en vier jaar later aan David Michielse Munnickendam.(33 Akervoorde zelf, het voorste gedeelte, wordt verhuurd aan Huig van Bourgogne (Bourgondië).(34 Dat betreft alleen een zijkamer, een binnenkamer en een klein vertrekje, alsmede de stal en de zolder. Maar de zijkamer alleen zolang de beesten op stal staan. Kennelijk wilden de verhuurders  voor zich zelf ook enige woonruimte in gereedheid houden. Het achterste gedeelte van Akervoorde met wat bijhorend land wordt verhuurd aan Harman Mens of Menssen, tuinder, die zelf als “harme mense” het contract ondertekent, 2 november 1781. Hij mag met zijn goed naar de schuit of markt over de laan en alzo het voorste hek uitrijden. Intussen houdt Akervoorde op een buitenplaats te zijn. Op 18 december 1783 wordt “een grote quantiteit eiken- en beukenbomen, zwaar essen- en elshakhout, op en om de landen van de hofstede Akervoort verkocht.(34 Het wordt kaal om Akervoorde. Wel worden “aan de huising van Aakenvorte” regelmatig kleine herstelwerkzaamheden verricht. In 1788 is er metselwerk en heeft Comelis van Brake1 “gesudeert in de kielen op Akevoord. Aan sudeer en arbeysloon 1 gulden en 16 stuivers”. Van Brake1 heeft dus op de inspringende hoeken, waar de dakvlakken elkaar raken, het lood nieuw gesoldeerd. Ook wordt de pomp “aan ‘t Heerehuys” gerepareerd. In 1792 levert Daniel Guldemondss verf en is de timmerman weer bezig. Jan Schenk levert “hengsels, krikken en dreppelijzers”. En zo gaat dat maar door.(36

De families Brender à Brandis en Pels Rijcken

Als eigenaars van Akervoorde met de omliggende landerijen komt nu een aantal nieuwe namen naar voren, namelijk Brender à Brandis en Pels Rijcken.3(8 De weduwe van Comelis Ascanius (111) van Sypesteyn, Charlotte A. Kelderman, was namelijk hertrouwd met Christoffel Christiaan Brender à Brandis, terwijl de aangetrouwde tante van Anna Jacoba Catharina van Sypesteyn, Anna Swaans, gehuwd was met Laurens Pels. Bovendien is Sara Clara Pels getrouwd met Johannes Adrianus Rijcken. Verder is hun zoon Christiaan Pels Rijcken gehuwd met Catharina Maria barones van Heeckeren van Brandsenburg. Al die diverse familieleden blijken in de ongedeelde boedel van Akervoorde geïnteresseerd, totdat in 1855 Gerhard Christian Coenraad Pels Rijcken, luitenant ter zee, & Consorten te Breda, tot verkoop overgaan.(39 De Huizinge Ackervoorden zélf met naaste omgeving komt aan Hendrik Janse van Lierop, tuinier, wonende te Hillegom. De huismanswoning tussen de Catharijnelaan en het Mallegat met bijbehorende landerijen worden gekocht door Dirk en Simon Prins, tuinders te Voorhout. In 1817 troffen we op Akervoorde nog aan Harmen Mens(e) met Claasje Kortemuller en hun zoon Hermanus, getrouwd met Jannetje van der Linden met hun talrijke kroost. (40 Vader Harmen is kort daarop gestorven en in 1825 is ook Hermanus overleden. Dan wonen nog in het huis aan de Voort (34 de weduwe van Hermanus Mens en Dirk Mens, eveneens tuinier, getrouwd met HelenaRuigrok .(41 Altijd twee gezinnen op Akervoorde. Dirk trekt in 1860 naar Voorhout. Daarna komt hier Henricus van Lierop uit Hillegom met Elisabeth Heemskerk, terwijl in het tweede huis, (34a, daarachter, een ongehuwde wasvrouw, Grietje Geers, en diverse arbeidersgezinnen wonen.(41

afb. 8. Kaartje van de grens tussen Lisse en Voorhout door J. van Beek, 1878. Archief Parochie St. Agatha, Lisse, inv. nr. 4.

Berbee

Niet ver van Akervoorde verwijderd, bij de hoek van de Akervoorderlaan en de Achterweg woonde de tuindersfamilie Berbee, afkomstig uit Overveen. (41 De naam Berbee doet een Franse afkomst veronderstellen en inderdaad vinden we in de doop-, trouw- en begrafenisregisters in het Gemeentearchief te Haarlem zo’n familie als “Waals” genoteerd, en wel onder de meest uiteenlopende naamsvarianten: Berbé, Barbe, Barbeij, Barbée,  Berbe, Barbet, Berrebeê en zelfs als Barbin, Berrewey of Derbee. Of de katholieke familie Berbee of Berbée, die zich in de eerste helft der vorige eeuw in Lisse gevestigd heeft tot ditzelfde geslacht behoort, is zeer twijfelachtig. In Overveen schrijft men in de r.k. trouw- en doopboeken alsmede in het notarieel archief steeds “Berben” . (42 Men zou willen, dat er Berber stond, hetgeen in het Frans ook als Berbee wordt uitgesproken, maar het staat er niet. Pieter Berbee was op 28 augustus 1789 te Overveen geboren als zoonvan Jan Harmze Berben en Antje van Velsen, die op 2.5 januari 1778 te Bloemendaal in het huwelijk waren getreden.(42 Jan Harmse was een zoon van Harmen Jansz. Berben, die op 15 november 1744 voor de pastoor van Bloemendaal trouwde met Geertruy Gerrits. De herkomst van Harmen Jansz. is in Overveen en omgeving niet te vinden, maar in Midden-Limburg, met name in Bom, Baexem en Heythuysen, kwam de naam Berben regelmatig voor.(43 Nu is het bekend, dat in de achttiende eeuw verscheidene bewoners van het schrale Limburgse land naar de omgeving van Haarlem trokken, om met name in de vele daar gevestigde blekerijen werkzaam te zijn. Aldus zullen we de herkomst van het geslacht Berben/Berbee wel in Limburg moeten zoeken. Genoemde Pieter trouwde met Anna Helena Seysenaar of Sijzener, akkerbouwster, in 1809 – de naam verraadt het al – te Hillegom geboren. De derde van de acht kinderen, eveneens een Petrus of Piet, geboren 17 augustus 1833, trouwde met Johanna van Lierop, geboren te Hillegom op 18 juni 1841 als dochter van de reeds genoemde Hendrik Jacobus van Lierop en Elisabeth Heemskerk.(41 Alweer van die echte Hillegomse namen. Het oog der liefde behoefde niet ver te kijken; schoonvader Van Lierop was sinds 1855 eigenaar van het nabij gelegen Akervoorde. Aldus zijn door dit huwelijk de Berbee’s op Akervoorde gekomen. Wijlen Jan Damen herinnerde zich het oude Akervoorde nog goed. Voor de boerderij lag een stuk duin en aan de weg stonden twee stenen inrijpalen met het opschrift “Aker-voort”.

 

afb. 7. Stenen dekplaten van de twee hekpalen. Op de rechter is AKER te ontwaren, maar links is niet te lezen.

(De beide dekplaten zijn een aantal jaren geleden weer uit de grond opgespit en liggen nu terzijde van de inrit.) Akervoorde was een oude boerderij. In het voorste deel woonde Jan Berbee, in het achterste deel zijn vader Piet, geboren in 1872. In 1922 kwam Akervoorde enige tijd in het bezit van de bloembollenkweker Jan Pereboom. In die jaren moet het oude huis zijn gesloopt. Mevrouw A. Pereboom-Veldhuyzen van Zanten bezit nog een aantal ingelijste tegels, die van Akervoorde afkomstig zijn. Maar de heer Peereboom stierf vroeg en korte tijd later kwam Akervoorde weer aan de familie Berbee. Leo Berbee Jansz., als boeren- en tuinderszoon op Akervoorde geboren, en diens zoons hebben het bollenbedrijf krachtig uitgebouwd en thans bezit “Le0 Berbee & Zn B.V.” met name door zijn lelies en zijn Hippeastrums ofwel Amarylissen een wereldvermaardheid. Al lijkt de naam Akervoorde hierbij verloren te gaan.

AANTEKENINGEN

1. C. Hoek in “Ons Voorgeslacht”,juni 1974, nr. 233, p, 134. Een “lijdweg” is een weg waarlangs men gaat. De breedte werd soms op 16 voeten bepaald. Het woord “aker” is moeilijker teverklaren. De betekenis “akker” of “aker” (eikel) is niet mogelijk, omdat men dan in de oudste vormen tenminste een r zou mogen verwachten. Was de naam dan oorspronkelijk afgeleid van het latijnse “aqua” (water), zoals men ook bij “de Lage Ake” te Warmend veronderstelt? We weten het niet. (Met dankaan het P.J. Meertens-Instituut te Amsterdam.)
2. Het oude register van Graaf Florens, fol. 89. ARA, Arch. Leeuwenhorst; charter, ongenummerd.
3. ARA, DTB Lisse, ger. doopboek, 26 jum 1607.
4. Zie de kaarten van Floris Balthasars en Balthasar Florisz.
5. Notities van Ir. A.F. de Graaff.
6. A.M. Hulkenberg, Keukenhof, Hall. Studiën nr. 7, p. 15 e.v.
7. Notities Ir. A.F. de Graaff, 1674.
8. GA Lisse, Verpondingsregister nr. 69 (1657), nr. 72 (1672).
9. Id. nr. 77, nr. 80 (1708r AtiA, RA L’~sse 9, fol. 198, Willem Gerrits Speelman verkoopt percelen aan Jacobus Sprong, Heer van Sluipwijk (1673).
10. A.M. Hulkenberg, Kent U ze nog, de Sassenheimers, Zaltbommel, 1978. nrs. ll. 13. 14. 58.
11. Id., ‘t Hof van Hillegom, Alphen a/d Rijn, 1978, p. 8 en p. 16 e.v.
12. GA Haarlem, Famarch. Van Sypesteyn, nrs. 1522 en 1524.
13. Ib. nrs. 276, 279 en 282. ‘. ’
14. Kohier Hoofdgeld, GA Leiden, secr. arch. nr. 7542
15. ARA, RA Lisse nr. 10. fol. 193 e.v.
16. De Westgeest of Westergeest lag aan de zuidzijde van Lisse, ten westen van de Heereweg.
17. ARA, RA Lisse nr. 11, fol. 242 e.v.; vgl. sant. 1.
18. Het woord notweg houdt verband met& woorden genot en genieten. Een weg dus waarop men zekere rechten, bijvoorbeeld overpad geniet.

19. Woonachtig op het Huis Oud-Alkemade, juist binnen Warmond.
20. Aant. 11, o.c. p. 38. ARA, Arch. Heul. Hillegom nr. .5.
21. GA Lisse nr. 76 (1668).
22. A.M. Hulkenberg, Zandvliet, Alphen a/d Rijn, 1982, p. 37 en elders.
23. S.J. Fockema Andreae e.a., Kastelen in Rijnland, Leiden, 19.52, p. 67. A.G. v.d. Steur,Heeren ex Bueren, I.eiden, 1969, p. 63-72.
24. S.M. van Zanten Jut, Inventaris Famarch. Van Sypesteyn, deel 11, Nieuw Loosdrecht, 1969, p. 318/19.
25. GA Haarlem, Famach. Van Sypesteyn, nr. 374.
26. ARA, RA Lisse nr. 66, fol. 21.
27. Over de moeilijkheden tussen hen beiden omstandig in Famarch. Van Sypesteyn, nr. 376.
28. Het etgroen, tweede grasgewas dat na het maaien opkomt.
29. Jonge koeien die nog niet of pas één keer gekalfd hebben.
30. De portrettencollectie bevindt zich op het kasteel Sypesteyn te Nieuw~I.oosdrecht.
31. GA Llsse, inv.nr. 219, nr. 37.
32. Genealogische kwartierstaten van Ned. geslachten, Tweede serie (1X68-1870). Noot 24, dl 1, p. 52. Ib. 154.
33. Famarch. Van Sypesteyn, nr. 1,534.
34. Ib. nr. 394.
35. Zie over de bloembollenkweker Daniel Guldemond, A.M. Hulkenberg, Kent U ze nog, de Lissers, Zaltbommel, 1974, nr. 35 en 70.
36. Famxch. Van Sypesteyn, nr. 395 en 396.
37. H. de Jager, “De Brielsche Vroedschap in de jaren 161X-1794”, Alg. Ned. Familieblad (1895), p. 199. Fam.arch. Van Sypesteyn, nr. 396.
38. Ned. Patriczaat 1904, p. 331 e.v. Ned. Adelsboek 1942, p. 400.
39. Kadaster ‘s-Gravenhage. Zie ach. Keukenhof nr. 59.
40. Fam.arch. Van Sypesteyn, nr. lF>38.
41. GA Lisse, Bevolkingsregisters. Id. kadasterkaart, getekend door W.J. van Campen, 1890.
42. RA Haarlem, DTB en notariële archieven. Wanneer op 9 februari 1823 een jongere broer van Pieter, Henrirus, te Hillegom in het huwelijk treedt met Maria van Opzeeland leest men in de huwelijksakte: “Henricus Berben, jongeman, ook genaamd Berbe”.
43. E.M.A.H. Delhougne e.a., Genealogieën, deel 11 (1958) en deel 111. In Limburg is de voornaam Berbe of Berbken (Barbara) zeer bekend. Sint Barbara gold o.m.  als de patrones der mijnwerkers. Het kwam vroeger vaker voor, dat kinderen naar de moeder werden vernoemd, indien haar familie bekender was of als belangrijker gold. Zo kan – met een zwakke genetief-n – de naam Berben, d.1. zoon van Berbe, zijn ontstaan.

Tekst en foto’s uit het Leids Jaarboekje 1984 blz 155

 

Onderstaande tekening komt niet uit het Leids Jaarboekje

Akervoorde in 1647, getekend door landmeter en kaartmaker en later architect Erasmus den Otter. Het stenen huis is de Heerenhuizinge van Sypesteyn, de boerderij erachter is waarschijnlijk de duinboerderij. Kaart van Hondius, 1629,

ROSENDAAL EN ZIJN BEWONERS (1641-1962)

ROSENDAAL EN ZIJN BEWONERS (1641-1962)

IR. A. F. DE GRAAFF

In het najaar van 1962 viel de buitenplaats Rosendaal te Lisse onder slopershanden om plaats te maken voor een toonzaal van het aangrenzende Lisser Automobielbedrijf. In de ruim drie eeuwen van zijn bestaan verschafte het gebouw onderdak aan velerlei lieden, die aan een ruim buitenhuis behoefte hadden. Na de tweede wereldoorlog bewees het zijn nut als doorgangshuis voor gezinnen, die tijdelijk dakloos waren. Het slopen bracht geen verrassingen, alleen de steen van de in kalkmortel gemetselde muren was, hoewel soms iets zacht, bijzonder fraai van tint en zal nu gebruikt worden bij restauraties in de stad Haarlem. Het enige wat ons nog uit het verleden rest, buiten de zandstenen leeuwen op de stenen palen van het inrijhek, zijn een als woning ingericht gebouwtje, dat mogelijk vroeger een ,,koepel” is geweest met uitzicht op tuin en goudvisvijver en de zeer oude moerbeiboom. Misschien ware het mogelijk binnen het gestroomlijnde autobedrijf hiervoor nog een functie te vinden, zodat het een rustpunt zou worden in deze woelige wereld van glas, staal en rubber. Vroege afbeeldingen uit de zeventiende eeuw zijn niet bekend, de kopergravure in ,,Rijnlands fraaiste gezichten” van omstreeks 1730 is het enig gegeven ter reconstructie. Het is bekend dat deze afbeeldingen verre van betrouwbaar zijn en veeleer weergeven hoe de toenmalige eigenaars hun buitens gaarne zouden zien. Voor zover wij tijdens de afbraak hebben kunnen opmaken bevatte het oorspronkelijke gebouwzijde – eerst een voorhuis met een opkamer boven de kelder en vervolgens een trapopgang, dan kwam de grote zaal met stookplaats en hierachter nog een achterkamer en een zeer ruime keuken waarvan de schoorsteen nog te herkennen is op de afbeelding van Rademaker. De tuin was geheel ommuurd, wat de teelt van fijn fruit en groenten ten goede kwam. Aardig is hierin het ingangspoortje met de erboven gelegen koepel, die gelegenheid bood het verkeer te zien passeren. Ook het houten hek van de inrij was eenvoudig maar stijlvol. Het is niet bekend in welke tijd men het stuk muur aan de straatzijde door een zwaar ijzeren hek en de pilaren met de bekende leeuwtjes vervangen heeft. Zeer wel mogelijk zijn deze van Keukenhof afkomstig, doch rond 1800 werden er zoveel buitens afgebroken, dat er te Lisse zelfs een verordening tegen het afbreken van buitenplaatsen verscheen. Omstreeks 1620 begon de eerste eigenaar van de buitenplaats Adriaan Block Maartensz, geboortig van Gouda, Commandeur der Vereenigde Oostindische Compagnie, huizen en gronden te kopen in Lisse. Hij was een der schoonzoons van Gerard van der Laan Cornelisz, die woonde op de buitenplaats ,,Huis ter Spekken”. Zo kocht hij aan de Heereweg van Cornelis en Apolonia van Immerzeel, kinderen uit het eerste huwelijk van de schout Cornelis van Immerzeel het door hen bewoonde huis en croft groot 750 roe, dat belendde aan een perceel dat reeds in het bezit van Block was en dat in 1622 bewoond werd door Isaac Massa, Antwerpenaar van geboorte, die onder meer koopmansreizen naar Rusland maakte en door Frans Hals meer dan eens werd geportretteerd. Massa was gehuwd met Beatrix van der Laan en eveneens een schoonzoon van voornoemde Gerard van der Laan. Ten noorden van het perceel Immerzeel vinden wij Jan Ponneel Jacobs met Cathelijntje van den Bussche, Vlaamse uitwijkelingen, die zich hier met lotgenoten langs de Heereweg gevestigd hadden en zich een ,,vlaams huisgen” of ,,borden huisgen” bouwden zodat hier de ,,vlaamsche buurt” te zoeken is. Achter de plaats van Rosendaal en de vlaamsche buurt lagen de gronden van de Oostgeest; te hoog voor weiland, in tegenstelling tot de gronden van de Oostpolder tussen Heereweg en Haarlemmermeer gelegen, die als best weiland hoog getaxeerd werden. Afzanden of ,,afkarren” was dus een voordelige zaak, wanneer men dit zand naar de opbloeiende stad Amsterdam kon varen. Eigenaar van deze gronden was Aernt van der Hoogh, een te Haarlem woonachtige Leidenaar, zoon van Claes Aalwijn Claesz (van Swanenburg) en Anna van der Hoogh, die de ,,verhogher Santvaart” liet graven van de Lisserbrug tot de Delftweg (tegenwoordig Stationsweg). Leden van beide families behoorden voor het beleg tot de regeringsgeslachten te Leiden; als glippers verloren zij evenwel hun invloed. Aert van der Hoogh probeerde ook de Vlamingen die zich langs de weg gevestigd hadden te verwijderen, doch kreeg ongelijk. De vrijgekomen gronden, weiland en teelland behoren tot de beste bollengronden in Lisse. In 1908 werd hier een recordprijs betaald van f. 20.000.- per hectare, wat destijds krantennieuws was. Weiland en kleigrond golden toen ongeveer f. 2.000.- per ha. Het duurde nog tot 1641 voor de Commandeur na een eervolle en waarschijnlijk winstgevende loopbaan ter zee, voor zich en zijn gezin een buitenhuis liet bouwen dat in het ,,Quoyer van de nieuwe getimmerten ten platten lande van Lisse” als volgt wordt vermeld : ,,den selven Block een woonhuis 8 gulden jaarlijks.” Ter vergelijking: het huis van den Heer van Wassenaar van Alkemade, het pronkvolle Meerenburg, besomt in 1640 jaarlijks 17,5 gulden, het statige huis voor de woontoren van Dever gebouwd in 1634 als ,,het huys te Lisse, voor de verbetering” 10,5 gulden en Dubbelhoven, de buitenplaats van de Heer Doublet in 1635: 6 gulden. Lang heeft de Commandeur er niet gewoond want in 1646 kocht hij na de dood van zijn schoonvader van Adriaan van der Laan het huis ter Spekken, waar hij in 1663 overleed. Voor zijn dood had hij Rosendaal verkocht aan Abraham Gilles Jansz, geboren te Amsterdam op 25 september 1612 en overleden op 27 februari 1689, die in 1657 onder de naam Sinjeur Jelys als eigenaar te boek staat. Deze Abraham Gilles, heer van Minquedorne, stamde uit een hugenotengeslacht, dat van Doornik via Engeland naar ons land gekomen was. Abraham was gehuwd met Johanna van Heyenberg van Reyde en had slechts een zoon, Jan. Zowel Abraham als Jan waren eigenaars en bewoners van Rosendaal, hoewel zij mogelijk ook de beschikking hadden over een woning te Amsterdam. Jan Gilles, heer van Minquedorne was geboren óf 6 september I 642 óf 5 september I 644 en trouwde te Amsterdam op 17 januari 1667 met Cornelia Maria de Waal. Uit dit huwelijk werden twee zoons, Jacob en Jan François geboren. Cornelia stierf op 15 oktober 1672, waarna Jan Gilles op 24 juni 1679 te Amsterdam hertrouwde in de Krijtberg – een bekende r.k. schuilkerk – uit welk huwelijk nog zes kinderen geboren werden. Deze gegevens werden grotendeels ontleend aan het Algemeen Nederlandsch Familieblad, jaargang 1905. Het familiewapen Gilles is een blauw schild met een gouden keper en drie eikels. Het is zeer goed mogelijk dat de zandlopervormig in donker blauw met wit beschilderde raamluiken – die bij de sloop van Rosendaal nog aanwezig waren aan de noordzijde van het huis – in de tijd der familie Gilles blauw en geel geweest zijn. De naam Rosendaal was waarschijnlijk de naam van een oude boerderij ter plaatse, mogelijk het huis waar Cornelis en Apolonia van Immerzeel in 1622 woonden. Omstreeks 1600 wordt de duinmeijer Jan Gerrits de monick, ook wel Jan Gerrits van Rosendaal genoemd. Hij was gehuwd met Zyburg Cornelisdr van Immerzeel, tante van Cornelia en Apolonia. Jan Gilles overlijdt in 1721, zijn weduwe C. M. de Surmont in 1743; en in het huis dat in 1734 bij de eerste huisnummering het nummer 118 en de kwalificatie ,,buitenplaats” kreeg, vestigt zich daarna Jan van der Plas Jansz. Van zijn leven en bedrijf zijn wij enigszins op de hoogte door een belastingkohier van 1748 waarin hij wordt aangeslagen voor

Belastingkohier van 1748 voor Rosendaal

De Bataafsche Republiek doet haar intrede en inmiddels is er op Rosendaal een nieuwe bewoner, Huybert Breero, die in 1808 een patent nodig heeft als ,,Coopman in Bloembollen” beneden f. 6.000.- ‘s jaars debiterende. De gilden zijn afgeschaft, maar zelfs een mollenvanger moet voor zijn werkzaamheden een patent hebben, landarbeiders zijn vrij, doch een buitenlandse maaier moet zich eerst aanmelden en betalen. Ook de polders hebben een bedrijf, een watermolen en moeten daarvoor betalen. Toch schijnt de handel te gaan. In1 810 koopt de weduwe H. Breero tenminste een patent als Coopvrou in Bloembollen.

Waarschijnlijk woont zij niet meer op Rosendaal, want op 27 juli 1808 wordt er door A. F. Wundel, directeur van Flora te Lisse, voor zijn principaal een verkoping gehouden van bomen en heestergewassen, kennelijk uit de nalatenschap van de bloemist Breero. In 1815 en vele volgende jaren is Aert van der Mey, een geboren Rijnsburger, op Rosendaal gevestigd als stalhouder en verhuurder van paarden. De Leidse studenten zullen wel goede klanten geweest zijn van de paardenverhuurderij. Hoezeer Lisse, de Witte Zwaan en de hospes Gerrit Veldhorst populair waren kan men nog lezen in de studentenalmanak van 1847. Het huis Rosendaal was wel een beetje groot voor een gezin en zo vinden wij in de belastingkohieren in 1818 en 1822 een medebewoner Hendrik van Alphen, zonder beroep, maar blijkens zijn aanslag niet zonder middelen. Na zijn vertrek is er weer plaats en lezen wij in de Opregte Haarlemsche Courant van 1 april Anno 1824: ,,Te huur: Eenige Behangen Kamers, met de kost, voor het Zomerseisoen of voor het geheele jaar, met een vrije Wandeling in een groote Bloemrijke Tuin, genaamd Rozendaal, gelegen aan de groote Pasagie van Amsterdam op de Haag, tusschen Haarlem en Leyden, in het aangenaamst van het Dorp Lisse. Te bevragen bij de Bewoonder A. van der Mey. Brieven franco.” Aart van der Mey sterft in 1827; een paar jaar zet zijn weduwe met de oudste zoons de zaak voort en dan besluit Magdalena Maria Brouwer, weduwe van der Mey het huis dat sinds 1808 genummerd is als Straatweg nr. 87 te verkopen aan de nieuwbenoemde burgemeester. Burgemeester Ernst Joseph van den Bergh was weduwnaar en nam in 1832 zijn intrek in het pas verworven huis, te zamen met zijn zuster Gezina Maria, haar man Hermanus Scherpenzeel en twee dienstboden. De burgemeester overlijdt en zijn zuster Gezina erft het huis. Hermanus Scherpenzeel wordt brievendistribuant en gaat wonen in het fraaie dorpshuis op de hoek van het Vierkant, dat thans plaats heeft moeten maken voor winkelhuizen o.a. van de firma Jamin. Een grote brievenbus gaf nog lang de plaats aan waar de Lissers hun brieven konden posten en afhalen. Tevens was Hermanus Scherpenzeel tot zijn dood in 1865 rooms-katholiek kerkmeester. Op 19 april 1844 wordt door Hermanus Scherpenzeel, gemachtigd van zijn echtgenote Gezina van den Bergh, erfgename van haar broeder Ernst Joseph van den Bergh publiek geveild: ,,Een welingericht Zomer- en Winterverblijf met 5 beneden en 3 bovenkamers, waarvan 6 behangen en 5 van stookplaatsen voorzien, twee dienstbodenkamers, zeer ruime keuken en kelder, zolders, stalling voor vijf paarden en zes koebeesten en ruim koetshuis, wijders een aangename tuin met fijne weldragende vruchtbomen, wandelboschje, goudvisschenvijver, grote moestuin en verdere bepoting en beplanting.” Voor 4700 gulden werd het gekocht door Henri Joseph Huysmans, gepensioneerd ambtenaar van het Koninklijk Huis, die er met vrouw en kinderen zijn intrek nam, komende van Den Haag. Na tien jaar vertrok hij naar Haarlem, daar hij het huis verhuurd had aan de kunstschilder Cornelis Kruseman, geboren in 1797 te Amsterdam, met zijn echtgenote Hendrika Angelica Meyer, die ieder een zuster meebrachten om ook van het buitenleven en de aangename tuin te profiteren. Cornelis was een verdienstelijk schilder uit de romantische school, die veel in het buitenland gewoond en gewerkt had en kunstwerken van monumentale afmetingen schilderde, dikwijls met zeer dramatische inhoud. Samen met hem kwam ook Hendrik Lambert de Bauterlé, verversknecht, geboren in 1806 te Boxmeer met vrouw en dochter, die in een der bijgebouwen – voor die gelegenheid genummerd met 87A – hun intrek namen. Waarschijnlijk heeft De Bauterlé zijn diensten verleend bij het bereiden van de verf en het klaarmaken van de zeer grote doeken.

Na het overlijden van Cornelis Kruseman in 1857 vertrekt diens familie naar Den Haag evenals het gezin De Bauterlé. Het huis is dus weer onbewoond, de winter is voorbij, zodat eigenaar Huysmans het maar weer zelf betrekt, komende van Amersfoort. Nadat hij het buitenverblijf vier jaar heeft bewoond vestigt hij zich in de winter van 1862-63 te Amsterdam op de Oude Schans. Op 29 december I 862 verkoopt hij de buitenplaats voor f. 8.500,- aan de Zeer Eerwaarde Heer Johann Fredrick Fick, r. k. priester en pastoor te Berkel, geboren te Amsterdam op 14 juli 1802. Jarenlang heeft deze rustend pastoor op Rosendaal gewoond met zijn zuster Catharina Egberdina en de dienstbode Florentina Jannette Anthonette Schellings uit Medemblik. Aan de overzijde der straatweg woonde Arnoldus Peters, alias Nolletje Fick, die als huis- en tuinknecht optrad. Pastoor Fick had op Rosendaal een eigen huisaltaar en ook een verzameling electrische instrumenten waarmee hij experimenteerde. Veel sensatie werd verwekt toen hij van plan was voor f. I00.000 een kerk te Lisse te bouwen en die belofte later weer introk, maar men moet bedenken dat hij toen reeds 75 jaar was. Toen van deze schone plannen niets doorging, verkocht hij voor de schappelijke prijs van f. 5.000,- de blote eigendom van Rosendaal voor eenderde aan het kerkbestuur van Berkel en Rodenrijs, en voor tweederde aan het armbestuur aldaar. Hierbij was bedongen dat hij er tot zijn dood vrij zou wonen, en zijn huisgenoten nog een jaar daarna; registratierecht werd berekend over f. 7.500,- ook zeer schappelijk. Zes en een half jaar heeft pastoor Fick nog van dit vruchtgebruik geprofiteerd tot 8 juni 1889. Zijn bejaarde zuster vertrok op 28 oktober naar Haarlem, zodat kerk en armbestuur de volle beschikking hadden over de buitenplaats. Zij verhuurden het toen aan diverse rijksontvangers, de heren Marinus P. Rasch, die nog geen jaar bleef, Cornelis Johannes van de Wetering en Henricus Willem Houwink. Daarna kwam het buiten vóór 1900 in gebruik bij de geneesheer Cato Metzlar, med. dr., geboren 19 december 1863 te Oldeberkoop, die in 1902 naar Apeldoorn vertrok en praktijk en huur overdeed aan de arts Martinus de Graaf, geboren te Leiderdorp op 3 januari 1872. Een deel der tuin groot 34,4 are werd voor bloembollenteelt verhuurd aan de heer Juriaan Pijnacker tegen 50 cents per roe, terwijl het woonhuis groot ongeveer 24 are verhuurd was voor f. 350,- per jaar. In 1912 besloten kerk- en armbestuur van Berkel en Rodenrijs het pand te verkopen en op 26 juli mijnt Maarten Paulus Splinter, aannemer te Leiderdorp, het voor zijn opdrachtgever, dokter M. de Graaf op ongeveer 20 mille. Voor verkoop van kerk- en armengoederen was toestemming van de kerkelijke overheid – in dit geval van de bisschop van Haarlem – nodig. Deze toestemming gaf aanleiding tot geruchten als zoude pastoor Fick het buiten ,,vermaakt” hebben onder beding dat het nooit verkocht mocht worden. Dit is evenwel een legende. Dat de ,,leeuwtjes” buiten de verkoop gehouden werden is waar, maar voor f. 50,- werd dokter De Graaf eigenaar. Mogelijk had ,,Berkel en Rodenrijs” de leeuwtjes ergens willen aanbrengen, maar met 50 gulden kon men toen ook wel een andere versiering kopen. En nu past Monumentenzorg er op, dat ze voor Lisse behouden blijven.

Na de eerste wereldoorlog begon de versnippering van het ommuurde terrein groot 58 are 36 c.a. Aan de noordzijde werd de Veldhorststraat aangelegd, naast het aardige witte huisje van de heer van Hemert, meester metselaar, specialist in kelderwerk. Verder verrezen er garages en woonhuizen van het Lisser Automobielbedrijf. De Veldhorststraat is vernoemd naar Gerrit Veldhorst, hospes in de Witte Zwaan tussen 1810 en 1840, die goed bij kas was en wel eens in gronden speculeerde; een der aanliggende tuinen, van hem afkomstig, werd van ouds Veldhorst genoemd. Lange jaren bleef het hoekperceel tussen Heereweg, Veldhorststraat en autogarage open, tot architect Gratama er voor de Incassobank (thans Amsterdamsche Bank) een monumentaal en praktisch gebouw neerzette. Wij hopen maar dat de nieuw te stichten gebouwen, hoewel moderner van opvatting, eveneens zullen bijdragen tot de welstand van dit zo welvarende centrum van de bloembollenstreek.

Tekst en foto’s overgenomen uit Leids Jaarboekje 1963 pag 153

Rosendaal uit Rijnlands fraaiste gezichten” van omstreeks 1730

MYSTERIEUS MEESTERWERK in Lisse

De schilder Johannes Simonisz van der Beeck allias Torrentius was bevriend met van der Laen van huis ter Specke. De wetenswaardigheden van deze schilder en zijn bijzondere schildertechniek zonder perseelstrepen wordt besproken.

Jaargang 18 nummer 3 oktober 2019

Door Ria Grimbergen

Het mysterie zat in de techniek die Torrentius gebruikte. Men kon geen penseelstreken ontdekken en onder de microscoop lijkt het zelfs een fotografische emulsie te zijn. Onderzoekers zijn er nog steeds niet achter wat zijn procedé was.

In het Rijksmuseum in Amsterdam hangt een wonderlijk stilleven, getiteld Emblematisch stilleven met kan, glas, kruik en breidel. Het ronde paneeltje en zijn schepper zijn onderwerp van de tweedelige documentaire Mysterious Masterpiece.
Het vertelt het verhaal van de schilder Johannes Symoonisz van der Beeck alias Torrentius en zijn meesterwerk, dat experts nu nog voor raadsels stelt. Hoe kan het dat een schilder die zo onmatig leefde een schilderij maakte met als thema matigheid? Welk bindmiddel voor zijn verf gebruikte Torrentius? Hoe kan het dat geen penseelstreek te zien is? Een goed antwoord op deze vragen is nog niet gegeven. Het schilderij is onderzocht met de modernste technieken, maar geeft zijn geheimen niet prijs.
Van Torrentius’ hand resten slechts een aquarel in een vriendenboek en dit stilleven uit 1614, dat na eeuwen spoorloos te zijn geweest in 1923 werd ontdekt in een kruidenierswinkel in Enschedé. Daar diende het jarenlang als deksel van een krentenvat. In de documentaire valt opeens het woord Lisse.
Wat heeft Lisse te maken met dit meesterwerk.

Torrentius schilder

De Amsterdamse schilder Torrentius (1588-1644) verhuisde in 1620 naar Haarlem en trok in bij de rijke koopman Coppens. Torrentius verdiende goed met zijn schilderijen. Hij vertelde graag over zijn bijzondere schildertechniek, zonder zijn geheim te verklappen. Een getuige zou later verklaren dat hij vertelde dat hij geen ezel en penseel gebruikte. Hij legde zijn panelen plat neer en schilderde niet zelf, maar had een andere “wetenschap”, waarbij een zoet muzikaal geluid over het paneel kwam, alsof er een zwerm bijen boven zweefde. De schilder liet het geld rollen en kleedde zich volgens de mode van die tijd in kostbaar fluweel en kant. Hij was welbespraakt en geestig en werd het middelpunt van een groep jongeren die zich onweerstaanbaar tot hem voelden aangetrokken en hem bewonderden, vereerden zelfs. Tot in de late uurtjes maakten ze “goede sier” in de herbergen. Onder zijn vrienden bevonden zich twee zoons van Gerard van der Laen, Nicolaes en Adriaen. De aanhang van deze meesterlijke charlatan bestaat merendeels uit onbenullen, oordeelde tijdgenoot Constantijn Huygens over Torrentius en zijn vrienden.

Gerard van der Laen (1552-1635)
Hij had een kinderrijk gezin: dertien kinderen uit twee huwelijken. Nicolaes en Adriaen waren nummer 11 en 12 uit zijn tweede huwelijk met Magdalena van Berensteyn. Het gezin woonde in Haarlem in de Jacobijnestraat, maar Gerard was ook eigenaar van Huis ter Specke in Lisse. Het was een man met een enorme bestuurlijke ervaring. Hij was tot 1618 een van de vier burgemeesters van Haarlem. Toen werd hij uit zijn functie gezet.
De jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd tijdens het Twaalfjarig Bestand verscheurd door godsdiensttwisten binnen de Gereformeerde Kerk. De strijd ging onder andere om de leer der predestinatie. De contraremonstranten of gomaristen, volgelingen van Gomarus, geloofden dat God van tevoren al had bepaald of de mens in de hemel of in de hel komt. De remonstranten of arminianen, genoemd naar hun voorman Arminius, dachten dat de mens door zijn levenswijze daarop wel enige invloed had. De contraremonstranten vonden hun aanhang onder het gewone volk en de voorgangers. De elite sloot zich aan bij de remonstranten. Belangrijk was ook de vraag of de strijd met de Spanjaarden zou worden voortgezet. De remonstranten wilden vrede, de contraremonstranten vochten liever verder. En wie moet de baas zijn in de Kerk? Wie benoemt de voorgangers? De Staat volgens de remonstranten,
de Kerk in de visie van de contraremonstranten. Stadhouder Maurits van Oranje koos voor de
contraremonstranten en ontsloeg in heel Holland de remonstrantse bestuurders. In 1618 kregen de remonstrantse Gerard van der Laen en zijn Haarlemse medebestuurders hun congé en daarna
maakten de contraremonstranten de dienst uit. De nieuwe bewindvoerders hielden Torrentius
scherp in de gaten en verdachten hem van “gruwelijke” ketterijen. Ook het Hof van Holland wantrouwde de schilder. Hij zou een van de leiders zijn van een geheime broederschap, de Rozenkruisers, een mystieke beweging die een gevaar zou zijn voor de Republiek. Het Hof van Holland gaf de Haarlemse magistraten opdracht bewijsmateriaal tegen Torrentius te verzamelen. De band met de broederschap van Rozenkruisers kon niet worden bewezen, maar er was nu wel een dik dossier met belastende verklaringen.

Nicolaes van der Laen (1597-omstreeks 1646) studeerde in Leiden filosofie, evenals zijn oudere broer Cornelis. Gerard van der Laen zond in 1616 deze twee zonen naar het Italiaanse Padua om daar hun studie af te ronden met een graad in de rechten. De universiteit aldaar stond bekend om zijn uitstekende juridische opleiding. Beroemde wetenschappers doceerden in Padua en de studenten kwamen uit de beste milieus. De twee jongensvzijn in 1618 weer terug in Holland, want in dat jaar trouwde Cornelis. In 1619 trad Nicolaes als advocaat in dienst van het Hof van Holland, maar voor hoe lang is onbekend. In het dossier-Torrentius bevindt zich een brief van ene Jacob Canter. Torrentius heeft hem geportretteerd. 27 februari 1627 schreef hij een brief aan zijn neef Isaac Massa in Lisse. Massa was getrouwd met Beatrix van der Laen, een zus van Nicolaes. Zij woonden in een pand van hun zwager Adriaen Block, naast Rosendaal. Frans Hals schilderde een huwelijksportret van Isaac en Beatrix, nu een van de topstukken van het Rijksmuseum. Canter schreef dat hij graag zou zien dat Massa’s schoonvader Gerard van der Laen de “goddeloze” schilder Torrentius de toegang tot zijn huis ontzegt, dat de “fielt” niet meer over Van der Laens drempel komt en dat hij zijn zoon Nicolaes de omgang met Torrentius verbiedt. Torrentius is een spotter, beweerde Canter. Tijdens het schilderen van Canters portret sprak hij over duivels, toverij, vrijgeesten. Hij heeft geen religie, erger, “mijn begeerte is uw vlees” is zijn religie. Massa mag de brief aan iedereen laten lezen, ook aan Nicolaes.

Torrentius gevangen genomen

30 augustus 1627 werd Torrentius gevangengezet in de kerkers onder het stadhuis van Haarlem, beschuldigd van goddeloosheid, schandelijke levenswijze, ketterijen en godslasteringen. In zijn atelier nam de schout vier aanstootgevende schilderijen in beslag. Twee maanden daarna ging Gerard van der Laen naar de Haarlemse notaris Schoudt en legde een verklaring af ten gunste van de schilder.
Wat bewoog Gerard hiertoe? Zouden zijn zoons in de slipstream van deze rechtszaak gevaar hebben kunnen lopen? In elk geval nam hij het op voor Torrentius én voor zijn zoons.
Nicolaes en Adriaen, liet hij optekenen, gaan al lange tijd met Torrentius om. Hem bereikten geruchten over diens slechte gedrag. Hij heeft zijn zoons daarover aan de tand gevoeld en niet tevreden met hun excuses en verdedigende woorden, heeft hij zelf een grondig onderzoek ingesteld naar de gedragingen, gesprekken en handel en wandel van Torrentius. Hij sprak met díe mensen, die de zwaarste beschuldigingen hebben geuit en heeft ze vriendelijk gevraagd naar de waarheid en de grond van alle opschudding. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat men alles had van horen zeggen. Hij is zelf met Torrentius gaan praten om hem te waarschuwen voor de verdachtmakingen die de gewone man over hem verspreidt. Torrentius gaf tot zijn voldoening een serieus antwoord, maar was daarbij zo geestig, dat hij lust kreeg meer keren met hem te spreken, zodat hij hem verzocht bij hem thuis te komen. Hij vroeg niet alleen Torrentius, maar ook de hele familie Coppens (de familie bij wie Torrentius inwoonde, R.G.) bij zich te logeren. Tot zijn genoegen en tevredenheid gebeurde dat ook. Hij voerde gesprekken met Torrentius zonder dat deze ooit enige losbandige taal liet horen, maar zich juist betrouwbaar toonde. Nooit hoorde hij enige blasfemie, schandalige of lasterlijke woorden van God of zijn zoon Jezus Christus onze Heer of oproerige taal jegens de overheid. In waarheid heeft hij de heer Torrentius door zijn oprechte woorden altijd moeten houden voor een “wijs, vernuft, aandachtich en verresiende persoon”.
Bekennen deed Torrentius niet en zonder bekentenis kon hij niet worden veroordeeld. Eind december werd de arme man wreed gemarteld om een confessie af te dwingen. Nicolaes drong die dag het stadhuis binnen. Hij had ontlastende verklaringen verzameld, maar de burgemeester stuurde hem weg. Een geruchtmakend proces volgde. De eis tot doodstraf werd omgezet in een veroordeling tot twintig jaar tuchthuis op eigen kosten. Torrentius was het slachtoffer van de hoogoplopende religieuze spanningen in de Republiek. Een proces met een sterk politieke lading.

Nicolaes beleend met Huis ter Specke

Het Huis ter Specke in 1730.

Op 4 augustus 1628 verschijnen Gerard en Nicolaes van der Laen voor Bartholomeus van de Velde, procureur bij het Hof van Holland. Nicolaes wordt bij overdracht beleend met Huis ter Specke. Van diezelfde dag 4 augustus dateert een schuldverklaring van Nicolaes en Adriaen, broers, bewonende op “heur hofstede van der Specke”. Zij belenen 6000 gulden van Cornelis van Lockhorst met Ter Specke als onderpand en de clausule dat hun vader Gerard van der Laen het vruchtgebruik van de hofstede behoudt. Gerard van der Laen gaat hiermee akkoord (Rechterlijk archief van Lisse, inv. No. 7).
Torrentius verzocht eind augustus de nieuwe stadhouder Frederik Hendrik of hij zijn straf niet in een plaats buiten Haarlem mocht uitzitten. Zijn vrienden kunnen hem dan helpen te herstellen van de folteringen en hij kan weer gaan schilderen. Gerard van der Laen was een van de twee mensen die garant voor hem wilde staan. (Hadden de Van der Laens Ter Specke op het oog als plaats waar Torrentius kon bijkomen van de martelingen? Was Ter Specke daarom overgedragen aan Nicolaes? Niet onmogelijk.) Frederik Hendrik stemde ermee in, maar de Haarlemse stadsbestuurders weigerden. De schilder zou weer de gelegenheid krijgen zijn ketterse ideeën en “grouwelycke godtloosheyden” te verspreiden en de jeugd te verpesten.

Trouwe vrienden
De Van der Laens bleven hun vriend steunen. 23 oktober 1628 legde de Haarlemse notaris Schoudt een lange verklaring vast van de “edele Mr. Nicolaes van der Laen, de rechten licentiaet, en jonker Adriaen van der Laen, zijn broer”. Zij refereren aan de meedogenloze marteling die Torrentius heeft ondergaan en zij hebben met de schilder gesprokenv over de punten die hem bij zijn verhoren ten laste werden gelegd. Adriaen en Nicolaes laten het volgende vastleggen.
Torrentius verklaarde dat hij tot zijn 25ste levensjaar katholiek was, dat hij daarna de bijbel had bestudeerd en dat de gereformeerde godsdienstvdaarmee het best in overeenstemming was. Daar
hij zichzelf zag als zwak en zondig voelde hij zich onwaardig zich te voegen bij deze gemeenschap en het avondmaal te gebruiken en zich naar de verdoemenis te eten en te drinken (hij wil hiervoor niet voor straf branden in de hel, R.G.). Bovendien wasv hem gebleken dat aanhangers van bedoelde religie zich overgaven aan grote zonden als overspel, hoererij, dronkenschap, woekeren, leugentaal, achterklap en nog veel meer. Dat hield hem tegen zich bij hen aan te sluiten. Nooit had hij zich in gesprekken overgegeven aan godslastering. Hij wist wel wie tegen hem getuigd hadden. Daaronder waren lieden die getracht hadden hem te doden met pistolen.vHij verklaarde tijdens de verhoren dat hij geloofde in alle artikelen van het geloof, de Drievuldigheid, de sacramenten, etc. Voor, tijdens en na de foltering was hij hierbij gebleven. Burgemeester Voocht had hem na het verhoor toegevoegd: “Toch weten wij wel dat je geblasfemeerd hebt en de Heilige Schrift voor fabelen houdt”. Nicolaes getuigt dat hij sprak met mensen die veelvuldig met Torrentius omgingen over met name de godslasteringen. Hij beschikt over verklaringen van mensen die veel met Torrentius hadden gesproken en die eendrachtig verklaarden nooit dergelijke taal van hem gehoord te hebben. Nicolaes was met hun ontlastende getuigenissen op de dag dat Torrentius zo wreed werd gemarteld naar het stadhuis gegaan. Om 11 uur in de morgen vervoegde de jonge jurist zich met zijn bewijsmateriaal bij burgemeester Voocht, die hem woedend onderbrak en gebood naar buiten te gaan met de woorden: “Het mach ons nu niet beuren de stucken te lesen, soo ghy wilt ghij meucht die mergen brengen”.

Mysterieus meesterwerk op Huis ter Specke

De Engelse koning Karel I was een verwoed kunstverzamelaar en had grote belangstelling voor het werk van Torrentius. In de State Papers van Karel I bevindt zich een “note” uit 1629. Schilderijen van Torrentius, zo staat in deze note, bevinden zich in het huis van een vriend in Lisse. “Of Torrentius pictures there be at a frends house in Liss near Leyden, 7 peeces”. Deze lijst is opgesteld door Dudley Carleton, diplomaat in dienst van Karel I en wonend in Den Haag. Na Torrentius’ gevangenneming zijn diens schilderijen blijkbaar naar Lisse overgebracht. Mogelijk verhandelden Adriaen en Nicolaes zijn kunst. Hofstede ter Specke wordt niet met name genoemd in de State Papers. In het verleden is wel eens gesuggereerd dat Isaac Massa de Lissese vriend was. De inzet van de Van der Laens voor Torrentius die zo overduidelijk blijkt uit de documenten in het dossier, wijst toch meer in de richting van Ter Specke. Dankzij de State Papers beschikken we over een beschrijving van de schilderijen op naar we aannemen Ter Specke. Althans, degene die Carleton te zien kreeg. Het stilleven met breidel uit het Rijksmuseum staat op de lijst, omschreven als zijn beste werk. Verder drie stillevens met als centraal element een doodshoofd; een onafgemaakt schilderij met een aarden pot die de beeltenis van de schilder weerspiegelt; een vrouw op de rug gezien met een beurs in haar hand; een afbeelding van Maria Magdalena met een doodshoofd, waarvan de mond wordt doorboord met een pijl. Dan zijn er volgens Carleton liederlijke schilderijen, waarvan zijn vrienden zeggen dat Torrentius niet wilde dat ze gezien werden en die zich of in Haarlem of in Lisse bevonden: een naakte Adam en Eva, zijn vlees blozend en hun gezichten zijdelings te zien, een (naakte) vrouw in een vreemde houding met haar hand onder haar been en tot slot een vrouw plassend in het oor van een man. Nu zal het zeker niet de naaktheid van de figuren zijn die terughoudendheid gebood. De zeventiende-eeuwse schilderkunst wemelt van naakten, veelal in een mythologische context. Nee, het was de onzedelijke wijze waarop ze waren afgebeeld

Gratie
Torrentius kreeg gratie op verzoek van Karel I en na tussenkomst van stadhouder Frederik Hendrik vertrok hij in 1630 naar Engeland als hofschilder van de Engelse koning. Het fameuze stilleven met breidel dat daarvoor in Lisse op Huis ter Specke hing, belandde in diens koninklijke kunstverzameling. In 1642 keerde Torrentius terug naar Amsterdam en overleed daar in 1644. Het geheim van zijn schilderkunst nam hij mee in zijn graf. Gerard van der Laen ontsliep op Huis ter Specke in 1635 op 83-jarige leeftijd en ligt begraven in de Grote Kerk in Lisse. Adriaen en Nicolaes van der Laen bleven ongetrouwd en hun naam duikt op in het rechterlijk archief van Lisse bij grondaankopen en verkopen en bij het afsluiten van leningen. Van Nicolaes is verder niet veel bekend. Hij stierf rond 1646 en na zijn dood werd zijn oudere broer Cornelis beleend met Ter Specke, waarna Cornelis en Adriaen Ter  Specke overdragen aan hun zwager Adriaen Block, die de hofstede hierna bewoonde. Hoe weinig we weten over Nicolaes, des te meer weten we over Adriaen. Hij liet Wassergeest bouwen en deed als corrupte rentmeester van het Hoogheemraadschap van Rijnland veel stof opwaaien. Adriaen overleed op 83-jarige leeftijd in 1861.

Gebruikte literatuur.
Over Adriaen van der Laen, zie R. J. Pex: Wassergeest te Lisse, Lisse 2004.

De verklaringen van de Van der Laens uit het dossier Torrentius zijn te vinden in Bredius:

Johannes Torrentius, schilder, 1589-1644. Den Haag 1909.

Gegevens over de familie Van der Laen in M. Thierry de Bye Dólleman en O. Schutte:

Het Haarlemse geslacht Van der Laen. Overdruk “De Nederlandsche Leeuw”, 1969.

In het Torrentius-jaar 2014 verscheen van Wim Cerutti De schilder en vrijdenker Torrentius 1588-1644. Haarlem, 2014

De documentaire Mysterious Masterpiece kan worden bekeken via Uitzending gemist.

BIJ DE VOORPLAAT: Rosendaal

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

Redactie

Deze ingekleurde plaat van Rosendaal komt uit een versie van RHYNLANDS FRAAISTE GEZICHTEN.
Vertoont in honderd afbeeldingen naar het leven getekend, en in ’t ligt gebracht door ABRAHAM RADEMAKER. In dat prachtige boekwerk komt het Lisse van rond 1730 aardig aan bod in wel elf gravures. Zo krijgen we een indruk van de mooie buitens en landgoederen die Lisse rijk was. Was het omdat Abraham Rademaker een geboren Lisser was, hadden we daarom een streepje voor? Andere dorpen komen er bekaaid af qua hoeveelheid tekeningen of hadden we gewoon meer fraaie gezichten dan de andere dorpen om ons heen? Op deze plaat kijken we naar het huis Rosendaal dat toebehoorde aan den heer Gillis Jillis. We staan op de Heereweg daar waar we nu de Westerdreef op zouden rijden bij de oude incassobank. Lees meer op pagina 20.

Landgoed Rosendaal van Rademaker

Achterweg-Zuid 56 – Complex ‘Grotenhof’

De bewoningsgeschiedenis wordt besproken.

Kadaster: B-2460, B-3199. Bouwjaar: 19e eeuw, herbouw 1971, nieuwbouw 2012?

Aanvankelijk bevond zich hier in de zestiende eeuw een boerenhofstede, in bezit van de fam. Van der Laen, die ook Ter Specke bezat. Waarschijnlijk bevatte de boerderij een iets fraaiere kamer, waar de eigenaar ‘s zomers kon vertoeven. Later groeide deze uit tot herenboerderij.
Dat is reeds het geval in 1640. In dat jaar gaat Grotenhof over in handen van de familie Six uit Amsterdam. Deze breidde het grondbezit dat bij de buitenplaats hoorde aanzienlijk uit. In 1765 erft Cornelis Jacob van der Lijn Grotenhof en laat het verbouwen en uitbreiden. Hij geraakt echter in financiële problemen, waardoor het landgoed uiteenvalt.
In 1793 wordt het huis tenslotte gesloopt, m.u.v. de tuinmanswoning. Van 1802 tot 1858 is Grotenhof in bezit van bloembollenkweker en –transporteur R.C. Affourtit (1775-1858). Hij introduceert de bloembollenkwekerij op Grotenhof.
Na zijn dood wordt Grotenhof verkocht aan Cecilia Maria Steengracht, die tevens eigenares was van Keukenhof en het nabijgelegen landgoed Wassergeest. In 1900 gaan landgoed Wassergeest en Grotenhof weer ieder hun eigen weg.
In 1971 komt het in handen van de heer Elout. Hij laat het negentiende-eeuwse gebouw slopen om er een nieuwe woning op te trekken. Deze lijkt echter als twee druppels water op het oude gebouw.
In 2007 verkoopt hij Grotenhof aan de heer J. Zwaan. Deze laat het huis slopen m.u.v. de bollenschuur. Het ligt in de bedoeling om een nieuw pand op te trekken dat wat meer de uitstraling zal hebben van een buitenplaats. De directe omgeving zal worden ingericht als park, zodat we kunnen stellen dat Grotenhof weer een buitenplaats zal worden in de nabije toekomst.
Complexonderdelen staan op de gemeentelijke monumentenlijst. De bollenschuur, daterend van rond 1900, valt hier onder. Achter de bollenschuur bevindt zich een gemetselde tuinmuur met steunberen.
Bijzonder is de gemetselde stenen hekpijler, die een restant is van het 18de eeuwse toegangshek. In het metselwerk enkele natuurstenen blokken. De paal is afgedekt met een zandstenen geprofileerde plaat.

Helaas is in 2010 de bollenschuur die op de gemeentelijke monumentenlijst stond illegaal gesloopt. De fraaie gemetselde hekpijler, restant van de 18e eeuwse toegangshek maar inmiddels fiks beschadigd, ligt er anno 2012 nog steeds voor oud vuil bij, maar is ondertussen herbouwd. De woning is herbouwd en veel groter geworden als het vorige huis.

De oude bollenschuur is vervangen door een hogere schuur.

Het het was in vervallen staat. Nu is het hersteld, maar groter als eerst

Tekening van Grotenhof, gemaakt door Rademaker

Voor DSL beschrijving klik hier:Achterweg_-_Zuid_56

Familiegeschiedenis van Van der Tang (11)

Aad van der Meij woonde op landgoed Roosendaal naast de boerderij van Geesje Slootheer. Van der Meij overleed in 1827. In 1832 werd Roosendaal verkocht aan Ernst Joseph van den Berg.

Door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Idylle op Rosendaal

Aart van der Meij was bijna dertig jaar ouder dan zijn nichtje Alida van Klaveren, over wie hij na de dood van haar vader toeziend voogd was geworden. Ofschoon Aart een volle neef van haar was beschouwde Alida – nu mevrouw Van der Boon – hem vanwege het grote leeftijdsverschil als een oom en diens vier kinderen als haar neven en nichten. Met zijn gezin bewoonde Van der Meij de buitenplaats Rosendaal aan de Straatweg, vlakbij de boerderij van Geesje Slootheer. Hij was stalhouder en verhuurde paarden. oor de zomermaanden bood hij kamers te huur aan,”met een vrije wandeling in een groote Bloemrijke Tuin.” Jan van der Boon heeft Aart van der Meij maar kort gekend want deze stierf “na langdurig sukkelen van twee jaren” in de zomer van 1827. Met diens oudste zoon Willem van der Meij zou Jan de rest van zijn leven bevriend blijven.

Op Rosendaal woonde ook nicht Keetje, de twee jaar jongere zus van Willem van der Meij. Over haar zijn we goed geïnformeerd door de dagboeken die Eduard Isaa’c Asser (1809-1894) in zijn jonge jaren bijhield en die, tezamen met dagboekaantekeningen van zijn zus Netje, door de Amsterdamse archivaris Dr. Isabella H. van Eeghen werden bewerkt en gepubliceerd.

Foto door Eduard Isaac Asservan de 3 kinderen van Netje Asser,
ca 1846, coll. Rijksmuseum

Eduard Asser behoorde tot een vooraanstaande joodse familie uit Amsterdam. Omdat zijn moeder moest herstellen van een ziekte werd in het voorjaar van 1827 gezocht naar een geschikt zomerverblijf. De keuze viel op de buitenplaats Rosendaal van Aart van der Meij, waar ze op l mei introkken. l Ook de piano van Netje Asser ging mee. Eduard Asser, op dat tijdstip achttien jaar, l schrijft kort na zijn aankomst in Lisse in zijn dagboek “Er is in het huisje, waar wij wonen, eene dochter van 20 jaren, die er gansch niet lelijk uitziet, een lief blank  boerinnegezichtje.” Weldra geeft hij Keetje “frissche zoenen”, mag hij haar ring bewaren, schildert hij haar portret en zien we hen op een warme julidag (kort na het overlijden van Keetjes vader) onder de grote perenboom in de boomgaard zitten.”Keetje heeft vele Hollandsche schrijvers en  voornamelijk dichters als Helmers, Tollens, Feith, enz. gelezen. Wie had dat bij een meisje van Lisse gezogt?”

Als de familie Asser zich na enkele maanden opmaakt om naar Amsterdam terug te keren, maakt Eduard een gedicht voor Keetje (“Ik denk aan ’t meisje dat ik kuste”), dat ze overschrijft en aanvult met een eigen afscheidsgedicht.” Onbeschrijfelijk was ik daarvan verrast en getroffen. Een dorpsmeisje zulke lieven verzen te maken en dat voor mij!” Na hun laatste wandeling schrijft Eduard: “Deze avondwandeling zal mij lang in het geheugen blijven. Ik ging met Keetje gearmd. Het is zoo een lief goedig aardig meisje. Ach, waarom is zij niet wat jonger, waarom heeft zij niet eene andere stand? En het grootste, waarom heeft zij eene andere godsdienst?”

Op l september schrijft Eduard in zijn dagboek: “Heden ochtend ben ik zelve vertrokken van het aangename Lisse. Ik kan niet beschrijven, hoe ik daar aangedaan van was. Jufvrouw van der Mey en Keetje hebben zwaar over ons vertrek geweend. Wat zullen die menschen het nu eenzaam hebben. Tegen 3 uren ben ik te Amsterdam gearriveerd. Mijn ligchaam was er toen, maar mijne gedachten waren nog geheel en al op Keetje en Lisse gevestigd.”

Naar Duitsland

De familie Asser bracht vier jaar lang de zomermaanden op Rosendaal door, met uitzondering van de zomer van 1830. Toen reisde Eduard Asser met zijn moeder en zijn zus Netje voor familiebezoek naar Duitsland. Onder de verwanten die ze daar ontmoetten waren de ouders van de componist Felix Mendelssohn Bartholdy. In Weimar zagen ze de beroemde dichter Goethe in een rijtuig voorbijrijden. De oude heer had volgens Eduard “iets goedigs” in zijn gezicht en leek op het beeldje dat Netje van een tante had gekregen. Eduard had zijn vriendin in Lisse weer heel wat te vertellen!

Portret van een oudere Eduard Isaac Asser.
Coll. Joods Hist. Museum

In de zomer van 1831 verbleven de Assers voor het laatst in Lisse. Eduard Asser en Keetje van der Meij gingen nog goed met elkaar om maar hun relatie was niet meer zo innig als in het begin. Keetje logeerde soms in het statige huis van de familie Asser aan het Singel in Amsterdam, waar haar zus Jansje dienstbode was. Ook haar broer Willem van der Meij wist huize Asser te vinden, zoals die keer toen zijn moeder in verlegenheid zat en hij – waarschijnlijk met grote tegenzin – bij de Assers geld voor haar kwam lenen. Jan van der Boon kende ze wel, de mensen die de zomers op Rosendaal doorbrachten. Ze ontvingen er vaak bezoek. Hun deftige gasten uit Amsterdam namen dan de gelegenheid te baat om de mooie omgevingvan Lisse te verkennen en wandelingen te maken naar bezienswaardigheden, zoals het vervallen kasteel Huis Dever, of vanaf de duinen te genieten van het uitzicht op het Haarlemmermeer. En dan naar herberg De Witte Zwaan van Gerrit Veldhorst om er een Lisser baars te verorberen en er vervolgens, met een goed glas binnen handbereik, de indrukken van de dag te laten bezinken.

Prinselijk bezoek

De familie Asser had met enkele vooraanstaande inwoners van Lisse vriendschap gesloten, zoals dokter Van Dieren (wiens vrouw aan dezelfde ziekte leed als mevrouw Asser) en de vrederechter Entinck en zijn vrouw. Ook met de familie De Bronovo stonden de Assers op goede voet. Jetje, de jongste zus van Eduard Asser, mocht samen met haar even oude vriendin Catootje de Bronovo (naar wie in Den Haag een ziekenhuis zou worden genoemd) acte de précense geven toen op zaterdag 17 september 1831 de Prins van Oranje (de latere Koning Willem II) met zijn gevolg door Lisse ging. De kroonprins reisde van Den Haag naar Amsterdam en werd op de tussenliggende dorpen met veel enthousiasme ontvangen vanwege diens optreden tijdens de Tiendaagse Veldtocht. Heel Lisse was met guirlandes, bloemen en vlaggen versierd. In het Vierkant was een erepoort opgericht, waarbij de prins even stopte. Burgemeester Lucas van Arxhoek was volgens ooggetuigen behoorlijk zenuwachtig toen hij de prins toesprak. (Dat was hij niet toen hij enige jaren eerder op ongeveer dezelfde plek Dirk van der Tang een uitbrander gaf.) Jetje en Catootje, beiden in het wit gekleed en oranje sjerpen dragend, boden de prins vervolgens een lauwerkrans met een versje aan.

Studie van een meisje

In 1832 verkocht moeder Van der Meij de buitenplaats Rosendaal (met zijn vele vertrekken, stalling, koetshuis en grote tuin) aan Ernst Joseph van den Bergh, de nieuwbenoemde burgemeester van Lisse. Driejaar later trouwde Keetje van der Meij in Lisse met Johannes Dona, een weduwnaar uit Den Haag met drie kleine kinderen. In 1862 stierf Keetjes zoon, de kunstschilder Johannes Dona junior. Dit verlies greep haar zo erg aan dat ze volgens een familieoverlevering een einde aan haar leven maakte.

Eduard Asser trouwde in 1834 met de dochter van een joodse bankier uit Keulen en vestigde zich als advocaat te Amsterdam. Hij is vooral bekend geworden als een van de pioniers van de fotografie in Nederland de oudst bekende foto’s van Amsterdam zijn van zijn hand). In zijn jeugd beoefende hij de schilderkunst als liefhebberij. Het portret dat hij in Lisse van Keetje van der Meij maakte werd later in Amsterdam en in Keetjes bijzijn door Eduards tekenmeester op gelijkenis beoordeeld. Misschien was dit hetzelfde schilderij, dat in 1845 op een tentoonstelling van Eduards werk in Den Haag – waar Keetje sinds haar huwelijk woonde – als “studie van een meisje” was te zien.

Klik hier voor het volgende deel

Rosendaal Ie helft 18e eeuw. Uit Rhynlands gezichten.