Berichten

Lisse 825 jaar en het huis Ter Specke

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                           

28 maart 2023

 door Nico Groen

 Lisse bestaat dit jaar op papier 825 jaar. Dit wordt groots gevierd in Lisse. De agenda vindt u op de website van de gemeente Lisse. Huis Ter Specke werd in 1343 genoemd als ‘stenen huis’. Mogelijk was dit huis er al veel eerder. De familie Van der Specke woonde namelijk al een eeuw eerder in Lisse.

Speck betekende in de middeleeuwen knuppelpad in een moerassig gebied. Het betrof een constructie van in de lengterichting evenwijdig liggende palen met dwars daarop liggende  takken. Aan weerszijde stonden palen. Als het pad verrotte of in het moeras zakte kwamen er nieuw palen en takken bovenop. Zo’n pad was in gebruik bij de familie Van der Specke, want ten noorden van de huidige Speckelaan had de familie ook grond in leen. Mogelijk werd hun veengebied ook Speck genoemd. De familie van der Specke vernoemde zich naar het pad of het gebied.

Willem van der Specke ook Verspeck genoemd, wordt omstreeks 1280 in Lisse geboren en is daar in 1344 ook overleden. Hij en zijn nageslacht waren van de lagere adel. Zijn waarschijnlijke vader, Dirck van der Specke, was geboren in 1250 en is overleden in 1312. Bij de geboorte van Willem was Dirck dus ongeveer 30 jaar oud en woonachtig in Lisse.

Bastaardzoon van graaf Willen II.

Deze Dirck van der Specke (1250-1312) was een bastaardzoon van graaf Willem II (1228-1256) en werd daarom ook Dirck van Holland genoemd. Vanwege zijn afkomst had hij belangrijke functies bij het graafschap Holland. Hij was o.a. landcommandeur van Holland  van 1287 tot 1307 bij het ridderschap van de Duitse Orde. Dat was bij de balije (afdeling) Utrecht, die een stuk of 15 onderafdelingen had, vooral in het westen van het land. De ridderlijke orde is in 1189 opgericht en werd in 1190 door de paus bekrachtigd. De balije van Utrecht had veel grond en boerderijen door giften in bezit gekregen. De opbrengsten van huur en pacht werden aan allerlei goede doelen besteed. Alleen adellijke lieden mochten lid worden van de ridderlijke orde. Omdat Dirck een bastaardzoon was ging dat niet zomaar. Het lidmaatschap van de orde met dispensatie is door graaf Willem II, voor zijn bastaardzoon Dirck, aangevraagd bij de paus van Rome en gehonoreerd.

Ook het nageslacht in Lisse heeft vele belangrijke functies gehad. Genoemd kunnen worden: diverse keren schout van Lisse, schepen van Haarlem, schout van Noordwijkerhout, schout van Haarlem, schepen en burgemeester in Leiden, kerkmeester van de St. Pieterskerk en rentmeester van Kennemerland en West-Friesland.

Aan een oorkonde uit 1395 van een volgende Dirck van der Speck (overleden voor 1418) zit een wapen, waaruit blijkt dat Van der Speck afstamt van de graven van Holland want hij hanteert eenzelfde soort wapen met een barensteel. In 1269 wordt Symon van Teylingen ‘neef’ van graaf Floris V genoemd. Ook de term ‘bloedverwant’ tussen de Teylingers, de familie Bredero en de graven is opgeschreven. Dit is ook aan de wapens te zien.

Foto: Links boven het wapen van de graven, recht boven, die van Van der Speck. De onderste 2 van Teylingen en Bredero
Foto: Internet

 

Parelje: Klein Veenenburg, inspiratie voor C. Kieviet

C. J. Kieviet was de schrijver van de boeken van Dik Trom. Hij was onderwijzer in Lisse. In het boek ‘De hut in het bosch’ is veel van de omgeving van Veenenburg te herkennen. Een bollenfamilie ziet het duin- en bosgebied veranderen in kaal bollenland.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 1, 2022

Een verliefde jongeman pakt in 1879 zijn pen op en schrijft een ode aan Lisse. Hij is dat jaar benoemd als hulponderwijzer aan de Openbare School. Volg de Veenenburgerlaan, spoort hij aan. Daar woont op Klein Veenenburg het meisje van wie hij houdt. De dichter is C. Joh. Kieviet en na deze eerste ongepubliceerde pennenproef zouden 48 kinderboeken van zijn hand verschijnen. Een ervan staat in de bibliotheek van de VOL en niet zonder reden. Het speelt zich af in Lisse in het bos bij het landgoed Veenenburg.

Ontmoeting met Gezina

C. Joh. Kieviet werd in 1858 in Hoofddorp geboren als tiende kind van een timmerman. Zijn oudere broer Laurens kreeg een aanstelling als schoolhoofd van de nieuwe school met onderwijzerswoning in Lisserbroek. In het bevolkingsregister van de Haarlemmermeer wordt Johan als inwonend bij zijn broer in Lisserbroek bijgeschreven. Na een baan op een school in Vijfhuizen, wordt hij in 1879 hulponderwijzer aan de Openbare Lagere School in Lisse. In die tijd leert hij Gezina Veldhuyzen van Zanten kennen. Zij zou Engelse of Franse les gekregen hebben van Kieviets broer Laurens. In 2019 verscheen een biografie van Kieviet, geschreven door zijn achterkleinzoon Ton van der Lee. Volgens de familieverhalen verloor hij zijn hart toen een elegant geklede jonge vrouw op het Vierkant uit een koets stapte. Johan dirigeerde een koortje, waarin haar veel jongere zusje Agnes zong. De hulponderwijzer spelde een briefje met een voorstel voor een ontmoeting aan de binnenkant van de schortzak van het meisje, dat zij ongezien aan Gezina moest geven. Geheime afspraakjes volgden. Een jaar daarna maakte Kieviet zijn opwachting bij de ouders van zijn bruinharige beminde. Als hulponderwijzer verdiende hij een klein loontje, te weinig om een gezin fatsoenlijk te onderhouden. De ijverige jongeman studeerde hard voor zijn hoofdakte, maar mocht zich pas in 1881 met Gezina verloven. Een jaar daarna had hij de hoofdakte op zak en kreeg een baan als onderwijzer in Den Haag. Nadat Kieviet in 1883 een aanstelling kreeg als hoofd van een school in Etersheim in Noord-Holland, kreeg hij toestemming met Gezina te trouwen. Op 4 oktober 1883 werd het burgerlijk en kerkelijk huwelijk (NH) in Lisse gesloten. Het schooltje met schoolmeesterswoning in Etersheim was nieuw en geknipt voor het paar, dat een mooie toekomst tegemoet leek te gaan. De zwangerschapppen van Gezina verliepen echter dramatisch. In de loop van de eerste huwelijksjaren baarde zij vijf voldragen kinderen, die allen levenloos geboren werden. Een zesde kindje kwam levend ter wereld. De grote vreugde sloeg om in verdriet toen het jongetje dood in zijn wiegje werd gevonden. Na negen jaar huwelijk werd in 1892 een gezonde zoon Marinus Laurens geboren, in 1893 gevolgd door een dochter, Gretha.

De hut in het bosch

Landhuis Veenenburg

In zijn vrije tijd schreef Kieviet kinderboeken, waaronder ‘Uit het leven van Dik Trom’, een verhaal over
een kwajongen met een goed hart. Dik was geenvoorbeeldig jongetje als de kinderen in de negentiende-eeuwse boekjes. Een omslag in kinderboekenland. Pedagogen waarschuwden voor het slechte voorbeeld, maar Dik werd populair bij de jeugd. Het bos bij de Veenenburgerlaan uit Kieviets gedicht, komt terug in ‘De hut in het bosch’, dat in 1905 verscheen. Evenals Dik halen de kleinkinderen van grootvader Bolland van den Heuvel ondeugende
streken uit. Het boek geeft een levendig beeld van het leven van een bollenfamilie. In de figuur van grootvader Bolland van den Heuvel beschrijft Kieviet zijn schoonvader Marinus. In de vakantie stroomt zijn huis in Lisse vol met logés, kinderen en kleinkinderen die buiten de Bollenstreek wonen. Marinus Veldhuyzen van Zanten woonde op ‘Klein Veenenburg’, eerst met zijn vrouw, vijf dochters en vijf zonen, later met alleen zijn ongetrouwde dochter Agnes.. Het bos ligt tegenover het huis aan de overkant van de weg, een wildrijk gebied. Eigenaar is de driftige baron
van Beerenbroeck, waarin Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol van het landgoed Veenenburg te herkennen valt. Een onaangenaam mens, die zijn boswachter opdracht geeft te jagen op de katten van grootvader, die wel eens een konijn of haasje verschalken. De baron is verantwoordelijk voor de teloorgang van het bos. Kieviet beschrijft hoe heuvels worden afgegraven en bomen geveld. De boswachter gebruikt meer de bijl dan het geweer.
Het mooie bos zal verdwijnen, maar de baron denkt alleen aan de goede bollengrond die dat oplevert.

Recensies
Het boek kreeg in 1905 een paar recensies, die gematigd positief zijn. De recensenten vinden het onderhoudend,
aardig, gezond-humoristisch, met prettige beschrijvingen van dolle avonturen. Sommige gedeelten zijn echter te langdradig en het is lastig om de vele familieleden uit elkaar te houden. Een recensent heeft als bezwaar dat
dieren als gevoelloos speelgoed worden beschouwd. De tekeningen van A. Beerends kunnen niet bekoren. De
een vindt ze een mislukking, de ander vindt dat de tekenaar een wonderlijke visie op kinderen heeft. Op de eerste bladzijde staat al een tekening van een poes die het eindje van zijn staart aan een touwtje heeft, ervan afgeschoten door de boze boswachter.

Voor de tweede druk uit 1916 maakte Joh. Braakensiek de tekeningen. Een voor de hand liggende keuze, want mede dankzij deze illustrator had Dik Trom triomfen gevierd. Toch koos uitgever Valkhoff voor de vierde druk uit 1927 voor de begaafde tekenaar Jan Lutz. Bij uitgever Mulder verscheen in 1949 de druk die in het bezit is van de bibliotheek van de VOL, aangepast aan de nieuwe spelling en met de plaatjes van Lutz. Drie jaar voor ‘Het huis in
het bosch’ verscheen, kreeg Kieviet een baan als hoofdonderwijzer bij een openbare school in Zaandam. Op 59-jarige leeftijd ging hij wegens gezondheidsproblemen met pensioen en verhuisde naar Wassenaar. In 1931, een jaar na de dood van zijn vrouw, overleed Kieviet in in de Mariastichting in Haarlem.

Gebruikte literatuur en bronnen:
Ton van der Lee: Kieviet, Biografie van de schrijver van Dik Trom (2019).
Met dank aan Ton van der Lee voor het gedicht ‘Lisse’ in handschrift.
Deen Boogerd over Kieviet in Nieuwsblad van VOL, jrg. 13-1 (jan-2014), p. 36-37.
Lisse Tijd Reis

Johannes Cornelis Kiviet

 

Bij de hartpagina

Op de hartpagina ziet u het eens zo statige buiten “Wildlust” ten tijde van haar ondergang. Links achter de bomen ziet u het “Wildlust” met de rieten kap dat plaats moest maken voor de rotonde bij de Nachtegaal. De meneer in het raamkozijn is bezig om nog wat bruikbaar materiaal veilig te stellen voordat het grootse “Wildlust” tegen de vlakte gaat. Deze prachtige en unieke foto met twee “Wildlusten” kunnen wij u laten zien dankzij mevrouw Irma Grullemans-Erades, die het Grullemans archief beheert. De foto is gemaakt in 1927. Het jaar daarop werd het grote buitenhuis gesloopt en het bijbehorende landgoed wordt dan bollenland. Een klein gedeelte van het grote buiten blijft voortbestaan onder de naam “Villa Wildlust”.

Wildlust links net voor de afbraak

Wildlust rechts net voor de afbraak

MYSTERIEUS MEESTERWERK in Lisse

De schilder Johannes Simonisz van der Beeck allias Torrentius was bevriend met van der Laen van huis ter Specke. De wetenswaardigheden van deze schilder en zijn bijzondere schildertechniek zonder perseelstrepen wordt besproken.

Jaargang 18 nummer 3 oktober 2019

Door Ria Grimbergen

Het mysterie zat in de techniek die Torrentius gebruikte.
Men kon geen penseelstreken ontdekken en onder de microscoop lijkt het zelfs een fotografische emulsie te zijn. Onderzoekers zijn er nog steeds niet achter wat zijn procedé was.

In het Rijksmuseum in Amsterdam hangt een wonderlijk stilleven, getiteld Emblematisch stilleven met kan, glas, kruik en breidel. Het ronde paneeltje en zijn schepper zijn onderwerp van de tweedelige documentaire Mysterious Masterpiece.
Het vertelt het verhaal van de schilder Johannes Symoonisz van der Beeck alias Torrentius en zijn meesterwerk, dat experts nu nog voor raadsels stelt. Hoe kan het dat een schilder die zo onmatig leefde een schilderij maakte met als thema matigheid? Welk bindmiddel voor zijn verf gebruikte Torrentius? Hoe kan het dat geen penseelstreek te zien is? Een goed antwoord op deze vragen is nog niet gegeven. Het schilderij is onderzocht met de modernste technieken, maar geeft zijn geheimen niet prijs.
Van Torrentius’ hand resten slechts een aquarel in een vriendenboek en dit stilleven uit 1614, dat na eeuwen spoorloos te zijn geweest in 1923 werd ontdekt in een kruidenierswinkel in Enschedé. Daar diende het jarenlang als deksel van een krentenvat. In de documentaire valt opeens het woord Lisse.
Wat heeft Lisse te maken met dit meesterwerk.

Torrentius schilder

De Amsterdamse schilder Torrentius (1588-1644) verhuisde in 1620 naar Haarlem en trok in bij de rijke koopman Coppens. Torrentius verdiende goed met zijn schilderijen. Hij vertelde graag over zijn bijzondere schildertechniek, zonder zijn geheim te verklappen. Een getuige zou later verklaren dat hij vertelde dat hij geen ezel en penseel gebruikte. Hij legde zijn panelen plat neer en schilderde niet zelf, maar had een andere “wetenschap”, waarbij een zoet muzikaal geluid over het paneel kwam, alsof er een zwerm bijen boven zweefde. De schilder liet het geld rollen en kleedde zich volgens de mode van die tijd in kostbaar fluweel en kant. Hij was welbespraakt en geestig en werd het middelpunt van een groep jongeren die zich onweerstaanbaar tot hem voelden aangetrokken en hem bewonderden, vereerden zelfs. Tot in de late uurtjes maakten ze “goede sier” in de herbergen. Onder zijn vrienden bevonden zich twee zoons van Gerard van der Laen, Nicolaes en Adriaen. De aanhang van deze meesterlijke charlatan bestaat merendeels uit onbenullen, oordeelde tijdgenoot Constantijn Huygens over Torrentius en
zijn vrienden.

Gerard van der Laen (1552-1635)
Hij had een kinderrijk gezin: dertien kinderen uit twee huwelijken. Nicolaes en Adriaen waren nummer 11 en 12 uit zijn tweede huwelijk met Magdalena van Berensteyn. Het gezin woonde in Haarlem in de Jacobijnestraat, maar Gerard was ook eigenaar van Huis ter Specke in Lisse. Het was een man met een enorme bestuurlijke ervaring. Hij was tot 1618 een van de vier burgemeesters van Haarlem. Toen werd hij uit zijn functie gezet.
De jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd tijdens het Twaalfjarig Bestand verscheurd door godsdiensttwisten binnen de Gereformeerde Kerk. De strijd ging onder andere om de leer der predestinatie. De contraremonstranten of gomaristen, volgelingen van Gomarus, geloofden dat God van tevoren al had bepaald of de mens in de hemel of in de hel komt. De remonstranten of arminianen, genoemd naar hun voorman Arminius, dachten dat de mens door zijn levenswijze daarop wel enige invloed had. De contraremonstranten vonden hun aanhang onder het gewone volk en de voorgangers. De elite sloot zich aan bij de remonstranten. Belangrijk was ook de vraag of de strijd met de Spanjaarden zou worden voortgezet. De remonstranten wilden vrede, de contraremonstranten vochten liever verder. En wie moet de baas zijn in de Kerk? Wie benoemt de voorgangers? De Staat volgens de remonstranten,
de Kerk in de visie van de contraremonstranten. Stadhouder Maurits van Oranje koos voor de
contraremonstranten en ontsloeg in heel Holland de remonstrantse bestuurders. In 1618 kregen de remonstrantse Gerard van der Laen en zijn Haarlemse medebestuurders hun congé en daarna
maakten de contraremonstranten de dienst uit. De nieuwe bewindvoerders hielden Torrentius
scherp in de gaten en verdachten hem van “gruwelijke” ketterijen. Ook het Hof van Holland wantrouwde de schilder. Hij zou een van de leiders zijn van een geheime broederschap, de Rozenkruisers, een mystieke beweging die een gevaar zou zijn voor de Republiek. Het Hof van Holland gaf de Haarlemse magistraten opdracht bewijsmateriaal tegen Torrentius te verzamelen. De band met de broederschap van Rozenkruisers kon niet worden bewezen, maar er was nu wel een dik dossier met belastende
verklaringen.

Nicolaes van der Laen (1597-omstreeks 1646) studeerde in Leiden filosofie, evenals zijn oudere broer Cornelis. Gerard van der Laen zond in 1616 deze twee zonen naar het Italiaanse Padua om daar hun studie af te ronden met een graad in de rechten. De universiteit aldaar stond bekend om zijn uitstekende juridische opleiding. Beroemde wetenschappers doceerden in Padua en de studenten kwamen uit de beste milieus. De twee jongensvzijn in 1618 weer terug in Holland, want in dat jaar trouwde Cornelis. In 1619 trad Nicolaes als advocaat in dienst van het Hof van Holland, maar voor hoe lang is onbekend. In het dossier-Torrentius bevindt zich een brief van ene Jacob Canter. Torrentius heeft hem geportretteerd. 27 februari 1627 schreef hij een brief aan zijn neef Isaac Massa in Lisse. Massa was getrouwd met Beatrix van der Laen, een zus van Nicolaes. Zij woonden in een pand van hun zwager Adriaen Block, naast Rosendaal. Frans Hals schilderde een huwelijksportret van Isaac en Beatrix, nu een van de topstukken van het Rijksmuseum. Canter schreef dat hij graag zou zien dat Massa’s schoonvader Gerard van der Laen de “goddeloze” schilder Torrentius de toegang tot zijn huis ontzegt, dat de “fielt” niet meer over Van der Laens drempel komt en dat hij zijn zoon Nicolaes de omgang met Torrentius verbiedt. Torrentius is een spotter, beweerde Canter. Tijdens het schilderen van Canters portret sprak hij over duivels, toverij, vrijgeesten. Hij heeft geen religie, erger, “mijn begeerte is uw vlees” is zijn religie. Massa mag de brief aan iedereen laten lezen, ook aan Nicolaes.

Torrentius gevangen genomen

30 augustus 1627 werd Torrentius gevangengezet in de kerkers onder het stadhuis van Haarlem, beschuldigd van goddeloosheid, schandelijke levenswijze, ketterijen en godslasteringen. In zijn atelier nam de schout vier aanstootgevende schilderijen in beslag. Twee maanden daarna ging Gerard van der Laen naar de Haarlemse notaris Schoudt en legde een verklaring af ten gunste van de schilder.
Wat bewoog Gerard hiertoe? Zouden zijn zoons in de slipstream van deze rechtszaak gevaar hebben kunnen lopen? In elk geval nam hij het op voor Torrentius én voor zijn zoons.
Nicolaes en Adriaen, liet hij optekenen, gaan al lange tijd met Torrentius om. Hem bereikten geruchten over diens slechte gedrag. Hij heeft zijn zoons daarover aan de tand gevoeld en niet tevreden met hun excuses en verdedigende woorden, heeft hij zelf een grondig onderzoek ingesteld naar de gedragingen, gesprekken en handel en wandel van Torrentius. Hij sprak met díe mensen, die de zwaarste beschuldigingen hebben geuit en heeft ze vriendelijk gevraagd naar de waarheid en de grond van alle opschudding. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat men alles had van horen zeggen. Hij is zelf met Torrentius gaan praten om hem te waarschuwen voor de verdachtmakingen die de gewone man over hem verspreidt. Torrentius gaf tot zijn voldoening een serieus antwoord, maar was daarbij zo geestig, dat hij lust kreeg meer keren met hem te spreken, zodat hij hem verzocht bij hem thuis te komen. Hij vroeg niet alleen Torrentius, maar ook de hele familie Coppens (de familie bij wie Torrentius inwoonde, R.G.) bij zich te logeren. Tot zijn genoegen en tevredenheid gebeurde dat ook. Hij voerde gesprekken met Torrentius zonder dat deze ooit enige losbandige taal liet horen, maar zich juist betrouwbaar toonde. Nooit hoorde hij enige blasfemie, schandalige of lasterlijke woorden van God of zijn zoon Jezus Christus onze Heer of oproerige taal jegens de overheid. In waarheid heeft hij de heer Torrentius door zijn oprechte woorden altijd moeten houden voor een “wijs, vernuft, aandachtich en verresiende persoon”.
Bekennen deed Torrentius niet en zonder bekentenis kon hij niet worden veroordeeld. Eind december werd de arme man wreed gemarteld om een confessie af te dwingen. Nicolaes drong die dag het stadhuis binnen. Hij had ontlastende verklaringen verzameld, maar de burgemeester stuurde hem weg. Een geruchtmakend proces volgde. De eis tot doodstraf werd omgezet in een veroordeling tot twintig jaar tuchthuis op eigen kosten. Torrentius was het slachtoffer van de hoogoplopende religieuze spanningen in de Republiek. Een proces met een sterk politieke lading.

Nicolaes beleend met Huis ter Specke

Het Huis ter Specke in 1730.

Op 4 augustus 1628 verschijnen Gerard en Nicolaes van der Laen voor Bartholomeus van de Velde, procureur bij het Hof van Holland. Nicolaes wordt bij overdracht beleend met Huis ter Specke. Van diezelfde dag 4 augustus dateert een schuldverklaring van Nicolaes en Adriaen, broers, bewonende op “heur hofstede van der Specke”. Zij belenen 6000 gulden van Cornelis van Lockhorst met Ter Specke als onderpand en de clausule dat hun vader Gerard van der Laen het vruchtgebruik van de hofstede behoudt. Gerard van der Laen gaat hiermee akkoord (Rechterlijk archief van Lisse, inv. No. 7).
Torrentius verzocht eind augustus de nieuwe stadhouder Frederik Hendrik of hij zijn straf niet in een plaats buiten Haarlem mocht uitzitten. Zijn vrienden kunnen hem dan helpen te herstellen van de folteringen en hij kan weer gaan schilderen. Gerard van der Laen was een van de twee mensen die
garant voor hem wilde staan. (Hadden de Van der Laens Ter Specke op het oog als plaats waar Torrentius kon bijkomen van de martelingen? Was Ter Specke daarom overgedragen aan Nicolaes? Niet onmogelijk.) Frederik Hendrik stemde ermee in, maar de Haarlemse stadsbestuurders weigerden. De schilder zou weer de gelegenheid krijgen zijn ketterse ideeën en “grouwelycke godtloosheyden” te verspreiden en de jeugd te verpesten.

Trouwe vrienden
De Van der Laens bleven hun vriend steunen. 23 oktober 1628 legde de Haarlemse notaris Schoudt
een lange verklaring vast van de “edele Mr. Nicolaes van der Laen, de rechten licentiaet, en jonker Adriaen van der Laen, zijn broer”. Zij refereren aan de meedogenloze marteling die Torrentius heeft ondergaan en zij hebben met de schilder gesprokenv over de punten die hem bij zijn verhoren ten laste
werden gelegd. Adriaen en Nicolaes laten het volgende vastleggen.
Torrentius verklaarde dat hij tot zijn 25ste levensjaar katholiek was, dat hij daarna de bijbel had bestudeerd en dat de gereformeerde godsdienstvdaarmee het best in overeenstemming was. Daar
hij zichzelf zag als zwak en zondig voelde hij zich onwaardig zich te voegen bij deze gemeenschap en het avondmaal te gebruiken en zich naar de verdoemenis te eten en te drinken (hij wil hiervoor niet voor straf branden in de hel, R.G.). Bovendien wasv hem gebleken dat aanhangers van bedoelde religie zich overgaven aan grote zonden als overspel, hoererij, dronkenschap, woekeren, leugentaal, achterklap en nog veel meer. Dat hield hem tegen zich bij hen aan te sluiten. Nooit had hij zich in gesprekken overgegeven aan godslastering. Hij wist wel wie tegen hem getuigd hadden. Daaronder waren lieden die getracht hadden hem te doden met pistolen.vHij verklaarde tijdens de verhoren dat hij geloofde in alle artikelen van het geloof, de Drievuldigheid, de sacramenten, etc. Voor, tijdens en na de foltering was hij hierbij gebleven. Burgemeester Voocht had hem na het verhoor toegevoegd: “Toch weten wij wel dat je geblasfemeerd hebt en de Heilige Schrift voor fabelen houdt”. Nicolaes getuigt dat hij sprak
met mensen die veelvuldig met Torrentius omgingen over met name de godslasteringen. Hij beschikt
over verklaringen van mensen die veel met Torrentius hadden gesproken en die eendrachtig verklaarden nooit dergelijke taal van hem gehoord te hebben. Nicolaes was met hun ontlastende getuigenissen op de dag dat Torrentius zo wreed werd gemarteld naar het stadhuis gegaan. Om 11 uur inmde morgen vervoegde de jonge jurist zich met zijn bewijsmateriaal bij burgemeester Voocht, die hem woedend onderbrak en gebood naar buiten te gaan met de woorden: “Het mach ons nu niet beuren de
stucken te lesen, soo ghy wilt ghij meucht die mergen brengen”.

Mysterieus meesterwerk op Huis ter Specke

De Engelse koning Karel I was een verwoed kunstverzamelaar en had grote belangstelling voor het werk van Torrentius. In de State Papers van Karel I bevindt zich een “note” uit 1629. Schilderijen van Torrentius, zo staat in deze note, bevinden zich in het huis van een vriend in Lisse. “Of Torrentius
pictures there be at a frends house in Liss near Leyden, 7 peeces”. Deze lijst is opgesteld door Dudley Carleton, diplomaat in dienst van Karel I en wonend in Den Haag. Na Torrentius’ gevangenneming zijn diens schilderijen blijkbaar naar Lisse overgebracht. Mogelijk verhandelden Adriaen en Nicolaes zijn kunst. Hofstede ter Specke wordt niet met name genoemd in de State Papers. In het verleden is wel eens gesuggereerd dat Isaac Massa de Lissese vriend was. De inzet van de Van der Laens voor Torrentius die zo overduidelijk blijkt uit de documenten in het dossier, wijst toch meer in de richting van Ter Specke. Dankzij de State Papers beschikken we over een beschrijving van de schilderijen op naar we aannemen Ter Specke. Althans, degene die Carleton te zien kreeg. Het stilleven met breidel uit het Rijksmuseum staat op de lijst, omschreven als zijn beste werk. Verder drie stillevens met als centraal element een doodshoofd; een onafgemaakt schilderij met een aarden pot die de beeltenis van de schilder weerspiegelt; een vrouw op de rug gezien met een beurs in haar hand; een afbeelding van Maria Magdalena met een doodshoofd, waarvan de mond wordt doorboord met een pijl. Dan zijn er volgens Carleton liederlijke schilderijen, waarvan zijn vrienden zeggen dat Torrentius niet wilde dat ze gezien werden en die zich of in Haarlem of in Lisse bevonden: een naakte Adam en Eva, zijn vlees blozend en hun gezichten zijdelings te zien, een (naakte) vrouw in een vreemde houding met haar hand onder haar been en tot slot een vrouw plassend in het oor van een man. Nu zal het zeker niet de naaktheid van de figuren zijn die terughoudendheid gebood. De zeventiende-eeuwse schilderkunst wemelt van naakten, veelal in een mythologische context. Nee, het was de onzedelijke wijze waarop ze waren afgebeeld

Gratie
Torrentius kreeg gratie op verzoek van Karel I en na tussenkomst van stadhouder Frederik Hendrik vertrok hij in 1630 naar Engeland als hofschilder van de Engelse koning. Het fameuze stilleven met breidel dat daarvoor in Lisse op Huis ter Specke hing, belandde in diens koninklijke kunstverzameling. In 1642 keerde Torrentius terug naar Amsterdam en overleed daar in 1644. Het geheim van zijn schilderkunst nam hij mee in zijn graf. Gerard van der Laen ontsliep op Huis ter Specke in 1635 op 83-jarige leeftijd en ligt begraven in de Grote Kerk in Lisse. Adriaen en Nicolaes van der Laen bleven ongetrouwd en hun naam duikt op in het rechterlijk archief van Lisse bij grondaankopen en
-verkopen en bij het afsluiten van leningen. Van Nicolaes is verder niet veel bekend. Hij stierf rond 1646 en na zijn dood werd zijn oudere broer Cornelis beleend met Ter Specke, waarna Cornelis en Adriaen Ter  Specke overdragen aan hun zwager Adriaen Block, die de hofstede hierna bewoonde. Hoe weinig we weten over Nicolaes, des te meer weten we over Adriaen. Hij liet Wassergeest bouwen en deed als corrupte rentmeester van het Hoogheemraadschap van Rijnland veel stof opwaaien. Adriaen overleed op 83-jarige leeftijd in 1861.

Gebruikte literatuur.
Over Adriaen van der Laen, zie R. J. Pex: Wassergeest te Lisse, Lisse 2004.

De verklaringen van de Van der Laens uit het dossier Torrentius zijn te vinden in Bredius:

Johannes Torrentius, schilder, 1589-1644. Den Haag 1909.

Gegevens over de familie Van der Laen in M. Thierry de Bye Dólleman en O. Schutte:

Het Haarlemse geslacht Van der Laen. Overdruk “De Nederlandsche Leeuw”, 1969.

In het Torrentius-jaar 2014 verscheen van Wim Cerutti De schilder en vrijdenker Torrentius 1588-1644. Haarlem, 2014

De documentaire Mysterious Masterpiece kan worden bekeken via Uitzending gemist.

BIJ DE VOORPLAAT: Rosendaal

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

Redactie

Deze ingekleurde plaat van Rosendaal komt uit een versie van RHYNLANDS FRAAISTE GEZICHTEN.
Vertoont in honderd afbeeldingen naar het leven getekend, en in ’t ligt gebracht door ABRAHAM RADEMAKER. In dat prachtige boekwerk komt het Lisse van rond 1730 aardig aan bod in wel elf gravures. Zo krijgen we een indruk van de mooie buitens en landgoederen die Lisse rijk was. Was het omdat Abraham Rademaker een geboren Lisser was, hadden we daarom een streepje voor? Andere dorpen komen er bekaaid af qua hoeveelheid tekeningen of hadden we gewoon meer fraaie gezichten dan de andere dorpen om ons heen? Op deze plaat kijken we naar het huis Rosendaal dat toebehoorde aan den heer Gillis Jillis. We staan op de Heereweg daar waar we nu de Westerdreef op zouden rijden bij de oude incassobank. Lees meer op pagina 20.

Landgoed Rosendaal van Rademaker

OUD NIEUWS: WAARDE PAPIEREN DROGEN OP TER SPECKE

In tijd van oorlog een plunderingen werden munten en waardepapieren voor de veiligheid begraven. Zo was een koffer met waardepapieren begraven van de erfgenamen van Gerard van der Laen in 1567. Na opgraving van de koffer bleken de paieren voor een deel erg nat e zijn. Zij werden op Landgoed Ter Specke gedroogd.

Door Dirk Flo0rijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Zo nu en dan verschijnt het in het nieuws, iemand met een metaaldetector vindt een schat aan gouden en zilveren munten. Misschien dat je bij het lezen van zo’n bericht je afvraagt hoe het komt dat die munten daar zijn begraven. Waarom begraaft iemand zijn bezit?

Vroeger werd alles contant, met voornamelijk muntgeld en waardepapieren zoals obligaties, betaald. Kocht je bijvoorbeeld een huis van 500 gulden dan werd 250 gulden contant betaald en 250 gulden met een custingbrief (schuldbrief). Dit zorgde ervoor dat er regelmatig met veel geld en waardepapieren heen en weer werd gesleept. Daarnaast waren het in 1567 roerige tijden tussen Den Haag, Leiden en Haarlem. Moorden, plunderingen en brandstichting door rondtrekkende soldaten waren aan de orde van de dag. Menige hofstede rond Lisse moest het ontgelden en lag in de as. Maar hoe stel je dan, in dit soort tijden, je bezit veilig? Je kocht onroerend goed en het geld wat je contant had werd, zodra er onraad in de buurt was, begraven. Overleefde je de plunderingen niet dan wist verder niemand iets af van je begraven bezit. Zo komt het soms voor dat zo’n schat wordt gevonden. In de transportacten van het rechtelijk archief kwam ik een mooi verhaal tegen: “een iegelijk alhier in Den Hage deed zijn goed herwaerts en derwaerts versondt daer zij meende best bewaert te zijn”.

De welgestelde familie Van der Laen van Ter Specke die het landgoed Ter Specke in 1535 aangekocht had was bang voor een aanval op Den Haag. De voorname familie die al honderd jaar deel uitmaakte van het stadsbestuur van Haarlem, zat met de erfenis van wijlen mr. Gerard van der Laen. Zo vraagt de zoon Nicolaes van der Laen namens zijn broers en zusters aan curator mr. Anthonius Hoffplach, advocaat bij de hove van Holland in Den Haag het volgende;
“omme der waarheid en getuijgenisse te geven, dat deposant voorstaat dat ingeval de vrees van een invasie van de knechten van de heeren van Bredenvoorde en rapallie die tot Vianen lagen en subiet naar Amsterdam getogen waren en gezonden”

De erfgenamen van Gerard van der Laen hadden in Den Haag waardepapieren bij curator mr. Hoffplach in beheer gegeven; “Een coffer met platte kanten”. De curator werd verzocht om deze zo spoedig mogelijk naar Voorhout te brengen en daar te begraven in een boomgaard. Zodra de kust veilig was en de Bredevoortse knechten omtrent Medemblik uit Holland waren vertrokken, kon de koffer weer worden opgegraven. Er staat te lezen:
“en dat zij aldoende in Voorhout gekomen waren dat zij deselfde coffer voor hem naar t huijs gebracht op ter Specke”.
“De coffer werd open gemaakt ende de bevondende diezelfde brieven waren door nattigheid bedorven en aangetast”. Er is grote moeite gedaan om de coffer met brieven en waardepapieren te drogen. De helft van de koffer had in de grond van de boomgaard in het water gelegen. De onderste helft in de koffer was nat geworden. In de acte is niet terug te vinden of er veel van de nat geworden waardepapieren verloren zijn gegaan en of de waarde van de koffer het zelfde is gebleven als voor het begraven. Dat familie Van der Laen bezit had in Voorhout is tot op heden niet bekend en ook over de locatie van de boomgaard wordt met geen woord gerept. ■

Plattegrond van het huis Ter Specke

 

EEN GENERAAL OP BERKHOUT

De bewoningsgeschiedenis van Huize Berkhout wordt beschreven.Het huis lag waar waar nu woonzorgcetrum Berkhout is gevestigd. De generaal was J.A. von Barner. Hij koopt Berkhout in 1722.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Voor schout Jacob van Dorp en de schepenen Cornelis Adriaansz van der Saal en Arent Meese van Velsbrugge verkoopt op 17 mei 1722 Pieter Colaard, koopman in Haarlem, aan luitenant generaal Joan Albregt von Barner, Generaal van de Holsteinse troepen in dienst van koning Willem III, een schoone vermakelijke hofstede genaamt Berkhout, met desselfs huijsinge, boomgaarden, tuijnen, bloem en moesperken, binnen en buijtenlanen, bepotingen, beplantingen en al het gene daarin aard en nagelvast is. Begroot op twee morgen en vierhonderd veertien roeden, belend ten noordwesten de landerijen van mr. Isbrand de Bije oud burgemeester der stad Leijden en mr. Pieter Six, oud schepen der stad Amsterdam en ten noordoosten de Veenderlaan. De koop wordt gesloten voor een bedrag van 5000 gulden waarvan de helft gelijk wordt betaald en de wederhelft binnen twee maanden met een wisselbrief. Dit alles zonder bedrog voor schout en schepenen gepasseerd. Hier hoorde nog bij 550 roeden lands recht voor de hofstede gelegen, voorts nog twee morgen land genaamd den hooge Kroft, ende akerenbos met den halven weg.

De Generaal was zo verknocht aan zijn buitenplaats, dat hij op verzoek en met goedkeuring van de Staten van Holland op zijn buitenplaats op Berkhout begraven mocht worden ipv in de kerk waar hij wel grafrechten aan moest betalen. Nog geen jaar voor zijn overlijden kocht hij in december 1724 nog 3 morgen en 130 roeden land van mr. Pieter Six op de oude venen aan de Veenderlaan voor 2600 gulden. Ook koopt hij op 30 januri 1725 nog een huis met 44 roeden land in de oostgeest in de oude mosvenen voor 365 gulden, misschien voor zijn personeel? Hij heeft maar drie jaar van Berkhout mogen genieten. Zijn zoon Siegfried was nog minderjarig, voor hem werden voogden aangesteld, de halfbroers van zijn moeder Dorothea von Plessen. Het totale bedrag van de aankoop van Berkhout werd pas afgelost op 24 maart 1730 bij secretaris Jacob van Dorp, twee jaar nadat Cristiaan Jonk, koopman te Amsterdam de buitenplaats had gekocht. En nog steeds rust zijn gebeente in de buurt van het verzorgingshuis Berkhout.

Bouwer, eigenaars en bewoners

Ligging Volgens de Verponding van 1735 lag buitenplaats Berkhout in de Oude Mosveense buurt, als nr. 60. Ten westen van de Heereweg, ten zuiden van de Veenderweg, ten noorden van het afgegraven Berkhouter Duintje. De huidige locatie is om en nabij woonzorgcentrum Berkhout, Berkhoutlaan 15. Oostelijk van Berkhout lag de moestuin, westelijk het bos van Berkhout, vóór hofstede De Wolff.

Hendrik Valkenaer (Poortugal 1600/1669) ambachtsheer van Duyckenburg en Portengen, schout van de stad Utrecht (van 1633 tot 1662 ambachtsheer van Lisse) getrouwd met Florentina van Mathenesse (Putten 1604/1670), vrouwe van Giessen, dochter van Karel van Mathenesse (Schiedam 1570/1625) en Johanna Piek (Giessen 1568/1625). Bewoner: Adriaen van Gorcum (Lisse 1690), schout en secretaris van Lisse, in 1630 getrouwd met Cornelia Cornelis de Jonge, later met Sijberig van der Horst (Lisse, 1707). Eigenaar: 1669: Carel Valckenaer (1638-1686), heer van Valckenaer en Duyckenburg, ambachtsheer van Valckenaer, Lisse en Giessen, watergraaf van Bies veld, maarschalk van Montfoort en van het Nederkwartier van Utrecht, zoon van Hendrick Valckenaer en Florentina van Mathenesse; Carel Valckenaer reisde in 1660/1661 op het schip “Middelburg“ met een gezelschap hoogwaardigheidsbekleders naar het Koninklijk Hof in Spanje; hij is, evenals zijn vader, ambachtsheer van Lisse (1670-1686), zijn zuster, Florentina Valckenaer volgt hem in 1686 op als ambachtsvrouwe. Bewoner: Hannard van Gorcum (Lisse, 1632-Lisse, 1681); notaris, schout en secretaris van Lisse, zoon van Adriaen van Gorcum en Cornelia Cornelis de Jonge.

Gravure Berkhout door Abraham Rademaker 1732 RHYNLANDS FRAAISTE GEZICHTEN “Een zeer deftige huizing, waarop een torentje staat met klok en uurwijzer. ’t Heeft ook een ruim koetshuis en stalling voor 16 paarden, orangehuis, speelhuizen, grote en kleine hoenderhokken en ook duivenhokken, alsmede een bekwame plaats voor eenden. Alles modern getimmerd, diverse vakken met broeibakken, glazen trekkas, grotten, vijvers, starrebos met lanen daarom henen, daarin een viskom met een terras. Voor de ingang staat een fraai ijzer hek“.

1679 eigenaar/bewoner: Hannard van Gorcum (Lisse, 1632-1681); notaris, schout en secretaris van Lisse, zoon van Adriaen van Gorcum en Cornelia Cornelis de Jonge. Hannard van Gorcum kocht Berkhout van Carel Valckenaer voor “vier duijsent sevenhondert gulden“. Eigenaar/bewoner: 1682 Adriaen van Gorcum (Lisse, 1690), schout en secretaris van Lisse, in 1630 getrouwd met Cornelia Cornelis de Jonge, later met Sijberig van der Horst (Lisse, 1707). Eigenaar: 1698 Pieter Colaert, koopman te Haarlem 1705 herinrichting van de tuin van buitenplaats Berkhout; werklieden: Gerrit Jansz Brero (Lisse, 1666), zoon van Jan Gerritsz Brero en Ariaentje Floris, Cornelis Pietersz Cole (Lisse, 1672), zoon van Pieter Cornelisse Cole en Jaepje van der Codde Jan Jansz Sonneveld, eerst getrouwd met Maria Cornelisdr van Larum (Lisse, 1737), daarna met Aaltje Dirksdr den Dubbelden. Eigenaar/bewoner: 1722 Johan Albrecht von Barner (Lisse, 1725), begraven op zijn buitenplaats, luitenant-generaal van de Holsteinse troepen , in dienst van stadhouder– koning Willem III; Johan Albrecht von Barner is getrouwd met Dorothea Elisabeth von Plessen, dochter van Christian Siegfried von Plessen en Clara Eleonore von Bülow Wedendorf

Berkhout heeft een lange geschiedenis en het verzorgingshuis verwijst naar deze mooie buitenplaats en houdt deze naam in ere. Berkhout stond daar van 1645 tot 1775. Cornelis Pronk tekende het in 1715 zo

1725 Christian Ludwig von Plessen (Schwerin, 1676 -Kopenhagen, 1752) en Carl Adolph von Plessen (1678-1758), geheimraden van de koning van Denemarken en Noorwegen. Beide halfbroers van Dorothea von Plessen krijgen de voogdij over Christiaan Siegfried von Barner, minderjarige zoon van Johan Albrecht von Barner en Dorothea Elisabeth von Plessen. Daghuurders: getuigen inzake een afgedamde en dichtgegooide sloot: Pieter Pietersz Berendregt (1657), getrouwd met Hillegont Korsse, Gerrit Jansz Brero (Lisse, 1666), zoon van Jan Brero en Ariaentje Floris; woont nr. 96/181,Cornelis de Zwart (Lisse, 1669-Lisse, 1732), getrouwd met Baafje van Tol (Lisse, 1734), Willem Willemse van der Meer (1671), getrouwd met Grietje Langevelt (Wassenaar, 1669), Cornelis Persijn (1691), getrouwd met Marijtje van Steijn, Jan Jansz Sonneveld, eerst getrouwd met Maria Cornelisdr van Larum (Lisse, 1737), daarna met Aaltje Dirksdr. den Dubbelden. Eigenaar/bewoner: 1728: Christiaan Jonk,koopman te Amsterdam. Eigenaar/bewoner: 1735 Justus Westerveen (A’dam, 1670), woont aan de Keizersgracht 276, Amsterdam, zoon van Jacobus Westerveen en Elisabeth Nielis, getrouwd met Gloudina Fremeaux. Eigenaar/bewoner: Pieter Jan Fremeaux (A’dam, 1738), zoon van Isaac Fremeaux (Izmir (TR), 1710 A’dam, 1771) en Geertruida Johanna La Clé (1716), getrouwd met Catharina Jacoba Westerveen (A’dam,1712 ), dochter van Justus Westerveen en Gloudina Fremeaux. Eigenaar/bewoner: 1765 Jan Isaac Fremeaux, koopman, woont aan de Keizersgracht 284, A’dam, getrouwd met Johanna Catharina van Velzen. Berkhout wordt in 1775 gesloopt, de gronden worden in percelen publiek geveild. ■

Bronnen

Hulkenberg: ’t Roemwaard Lisse, blz. 20–21

ARA, Rechterlijk Archief Lisse nr. 104 Gemeentearchief Lisse nr. 221

Haardsteegeld Lisse, 1666 Gemeentearchief Lisse, nr. 502 en 365

Rechterlijk Archief Lisse nr. 63, fol. 19. 68

Met dank aan Alfons Verstraeten.

Achterweg-Zuid 35,37,39 – Boerderij Wassergeest met bollenschuur

Boerderij “Wassergeest” met aangebouwde woonhuizen in de archaïsche stijl gebouwd op de fundamenten van de gesloopte buitenplaats “Wassergeest”.

Kadaster: B-2820, Monumentnummer: 516112. Bouwjaar: 1852

Omstreeks 1660 moet er bewoning ter plaatse zijn begonnen. De buitenplaats werd gesticht door Adriaan van der Laen (1598 -1680). Oorspronkelijk was het ongeveer 32 morgen (ongeveer 25,6 hectare) groot. Het groeide uit tot een prachtig buiten. Het buitenhuis werd omgeven door een zeer fraaie tuin. Er is een reeks van eigenaren bekend die het als buiten gebruikten, maar die hier ook wel gewoond hebben. In 1804 kwam het in bezit van D.P.J. van der Staal van Piershil. (de Staalbrug herinnert nog aan deze eigenaar). Het landgoed werd hierna aanzienlijk uitgebreid. Het landgoed Wassergeest strekte zich uit van de Heereweg in het oosten tot de Leidsevaart in het westen.

In 1852 werd Wassergeest verkocht aan Johan Frederik Steengracht . Via de familie Steengracht kwam het buiten aan de eigenaren van Keukenhof, de Van Lyndens. Eind 19e eeuw waren het herenhuis en de andere gebouwen gedeeltelijk gesloopt en het geheel was omgevormd tot boerderij. In de tweede helft van de 19de eeuw deed ook de bloembollencultuur haar intrede op Wassergeest. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn aanzienlijke delen van het landgoed verkocht.

Niet onvermeld mag de volgende anekdote blijven:
Het is november 1813. Napoleon is verslagen. Den Haag voelde zich bevrijd. Enkele voorname heren togen naar Amsterdam om samen een regering te vormen. De heren in Amsterdam durfden hun nek nog niet uit te steken. De koets met de Haagse delegatie keert huiswaarts en komt op de terugweg door Lisse. Zij verblijven op Wassergeest als gast van de eigenaar van der Staal. Ook de heer van der Staal zet zijn handtekening onder de proclamatie, die was opgesteld door G.K. Hogendorp.
Het is een mooi verhaal, maar historisch waarschijnlijk onjuist. Het meest aannemelijk is dat het landgoed Elsbroek in Hillegom de eer van de proclamatie van 1813 te beurt viel.

In woorddeel “geest” vindt u niet alleen in de naam Wassergeest terug. Geest, en in het Fries gaast, betekent zand. We vinden het ook terug in aardrijkskundige namen als Oegstgeest en Gaasterland. En in het woord geestgronden natuurlijk.

Tewkening van Rademaker

Achterweg 35 37 39 achter

Achterweg 35 37 39 achter

Achterweg-Zuid 56 – Complex ‘Grotenhof’

De bewoningsgeschiedenis wordt besproken.

Kadaster: B-2460, B-3199. Bouwjaar: 19e eeuw, herbouw 1971, nieuwbouw 2012?

Aanvankelijk bevond zich hier in de zestiende eeuw een boerenhofstede, in bezit van de fam. Van der Laen, die ook Ter Specke bezat. Waarschijnlijk bevatte de boerderij een iets fraaiere kamer, waar de eigenaar ‘s zomers kon vertoeven. Later groeide deze uit tot herenboerderij.
Dat is reeds het geval in 1640. In dat jaar gaat Grotenhof over in handen van de familie Six uit Amsterdam. Deze breidde het grondbezit dat bij de buitenplaats hoorde aanzienlijk uit. In 1765 erft Cornelis Jacob van der Lijn Grotenhof en laat het verbouwen en uitbreiden. Hij geraakt echter in financiële problemen, waardoor het landgoed uiteenvalt.
In 1793 wordt het huis tenslotte gesloopt, m.u.v. de tuinmanswoning. Van 1802 tot 1858 is Grotenhof in bezit van bloembollenkweker en –transporteur R.C. Affourtit (1775-1858). Hij introduceert de bloembollenkwekerij op Grotenhof.
Na zijn dood wordt Grotenhof verkocht aan Cecilia Maria Steengracht, die tevens eigenares was van Keukenhof en het nabijgelegen landgoed Wassergeest. In 1900 gaan landgoed Wassergeest en Grotenhof weer ieder hun eigen weg.
In 1971 komt het in handen van de heer Elout. Hij laat het negentiende-eeuwse gebouw slopen om er een nieuwe woning op te trekken. Deze lijkt echter als twee druppels water op het oude gebouw.
In 2007 verkoopt hij Grotenhof aan de heer J. Zwaan. Deze laat het huis slopen m.u.v. de bollenschuur. Het ligt in de bedoeling om een nieuw pand op te trekken dat wat meer de uitstraling zal hebben van een buitenplaats. De directe omgeving zal worden ingericht als park, zodat we kunnen stellen dat Grotenhof weer een buitenplaats zal worden in de nabije toekomst.
Complexonderdelen staan op de gemeentelijke monumentenlijst. De bollenschuur, daterend van rond 1900, valt hier onder. Achter de bollenschuur bevindt zich een gemetselde tuinmuur met steunberen.
Bijzonder is de gemetselde stenen hekpijler, die een restant is van het 18de eeuwse toegangshek. In het metselwerk enkele natuurstenen blokken. De paal is afgedekt met een zandstenen geprofileerde plaat.

Helaas is in 2010 de bollenschuur die op de gemeentelijke monumentenlijst stond illegaal gesloopt. De fraaie gemetselde hekpijler, restant van de 18e eeuwse toegangshek maar inmiddels fiks beschadigd, ligt er anno 2012 nog steeds voor oud vuil bij, maar is ondertussen herbouwd. De woning is herbouwd en veel groter geworden als het vorige huis.

De oude bollenschuur is vervangen door een hogere schuur.

Het het was in vervallen staat. Nu is het hersteld, maar groter als eerst

Tekening van Grotenhof, gemaakt door Rademaker

Voor DSL beschrijving klik hier:Achterweg_-_Zuid_56

Bestraten Berkhout tot de Heereweg 1725

In 1723 werd de Heereweg bestraat Twee jaar later werd de weg naar landgoed Berkhout bestraat.

door Dirk Floorijp

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Binnen een paar jaar heeft het dorp Lisse een totale gedaanteverwisseling ondergaan. Werden er daarvoor door de schout nogal eens boetes opgelegd en tal van aanmaningen afgegeven vanwege het vele afval dat op en langs de straat werd gedeponeerd, nu was het aanzien een stuk aantrekkelijker geworden, ook in het belang van de doorgaande route van Den Haag naar Haarlem en Amsterdam. Tevens voor tal van buitenplaatsen in en rondom Lisse.
Het begon in 1723. Toen werd de Heereweg in het dorp bestraat. Voorheen waren het allemaal zandwegen. Iedereen die aan de Heereweg woonde moest daar verplicht aan mee betalen. Twee jaar later, in 1725, werd besloten om twintig roeden in de rijweg op Berkhout te bestraten tot de Kruijsweg hoek Kanaalstraat/Heereweg tot de huijsinge van Claas Jorisse ’s Gravenmade. Claas Jorisse vinden we terug op de lijst in 1723 waar hij meebetaalde aan de straat voor zijn huis aan de Heereweg. Hij zal dus bij de kruising van de Heereweg, Kanaalstraat, Stationsweg nu Berkhoutlaan gewoond hebben.

Hier, in 1725, echter geen verplichting, want de weg werd bestraat vanuit giften: -Bij Claas Jorisse ’s Gravenmade was de Heereweg al bestraat en werd het dus een aansluitend geheel. -In hetzelfde jaar was op Berkhout de eigenaar sijne excellentie den heer luitenant generaal Jan Albregt von Barner overleden. Op speciaal verzoek, zelfs tot aan het Hof van Holland, werd dispensatie verleend om begraven te worden op zijn eigen landgoed Berkhout en niet in of bij de kerk. Uit de boedel werd 60 gulden geschonken. -Verder de Heere van Heemskerck dertig gulden, de heeren Nicolaas ende Pieter Tjark tien guldens ende van andere ingesetenen en ingelanden van Lisse, tesamen 120 guldens en 8 stuivers.

De betalingen

Betaald aan Adriaan Groenevelt, steenkoper tot Koudekerk over leverantie van tot bestraten van de rijweg op Berkhout 89 gulden 12 stuivers. – Aan Benjamin Jochemse Stellingwerve, stratenmaker over arbeijdsloon van het leggen van een steenstraat op Berkhout voorz: lang twintig roede, bedragende volgens quitantie 17 gulden.

  • Betaald aan de navolgende arbeijders, over arbeijdsloon van het uijtgraven, van sand, ende gelijkmaken van de rijweg tot het leggen van een steenstraat op Berkhout:

De inwoners werden ook verplicht de straat voor hun huis schoon te houden. Dat waren ook de uitwerpselen van al het vee, koeien, varkens en paarden die door het dorp trokken. De paarden van de vele ruiters en postkoetsen lieten het nodige achter!

In 1732 verscheen van ABRAHAM RADEMAKER (1660-1735) een uitgave met gravures getiteld:
Rhynlands fraaiste gezichten; vertoonende alle deszelfs Lustplaatzen, heerenhuizen en dorpen, waar Berkhout uiteraard in voor komt.
Pentekening CORNELIS PRONK (1691-1759)
Pronk werkte wel in opdracht van Andries Schoemaker. Schoemaker maakte een zogenaamde atlas met uitgebreide omschrijvingen en tekeningen van plaatsen uit alle toenmalige provincies.
Bronnen

Huygens, Lodewijck : Spaansch Journaal, 1665; bewerkt door M.Ebben, Utrecht, 2005. Fockema, Andrea : Kastelen, ridderhofsteden en buitenplaatsen in Rijnland, 1974 ; blz. 69 – 70. Hulkenberg A.M. : ’t Roemwaard Lisse, 1971 ; blz. 20 – 21. Haardsteegeld Lisse, 1666. Decreten en Rekesten van het Hof van Holland. Biografisch Woordenboek van Nederland. PRO – GEN \ data \ LISSE. GA Lisse inv.nr.37 Werkgroep genealogie met dank aan Alfons Verstraeten