Posts

De eerste HoBaHohal was een Duitse hangar

De eerste Hobahohal was oorspronkelijk een Duitse hangaar. Deze is in 1922 gebouwd. Hij was 4200 m groot, waarvan 500 m sloot. Het front is ontworpen door Leen Tol. In 1924 was het kantoor, een veilingzaal en een afmijnklok klaar.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 3, juli 2004

De hallen van bloembollenbemiddelaar en bloembollenveiling Hobaho aan de Haven zijn weer ter sprake. Dat was zo bij de bouw van de eerste hal in 1922 en dat is thans zo, nu meer en meer het moment nadert dat die hal zal verdwijnen en er ruimte komt voor nieuwe ontwikkelingen. Hal 3 en 4 (de voormalige glazen hallen) hebben al plaatsgemaakt voor de nieuwbouw van Trias en hal 1 en 2 zullen waarschijnlijk binnen enkele jaren volgen.
Toen ongeveer een eeuw geleden in West-Friesland de eerste bloembollenveiling werd opgericht opereerden de heren Homan, Bader en Hogewoning als ‘groene veiling directie’. Zij veilden de te velde staande gewassen. Van het veilen van bloembollen (droge veilingen) was in de bollenstreek nog geen sprake. Het trio bracht daar verandering in, want zijn richtten de N.V. Hollandsch Bloembollenhuis op.

Succes van initiatief onderschat
De eerste veilingen vonden in 1921 plaats in ‘De Witte Zwaan’ aan het Vierkant. In die lange, hete zomer van 1921 hadden ze alle geluk van de wereld, want ze hadden de reactie op hun initiatief onderschat. De drie veilingdirecteuren dachten aan de ruimte van het etablissement voldoende te hebben, maar er werden zoveel bollen aangevoerd dat deze in de open lucht moesten worden opgeslagen.


500 vierkante meter sloot
De zaken werden vervolgens groot aangepakt. Op de Kapellewei aan de Haven lieten ze een hal van 4200 vierkante meter bouwen, waarvan 500 vierkante meter sloot, zodat de bollen per schip binnengevaren kon worden. Het gebouw (een voormalige hangar) werd in Duitsland op de kop getikt en per speciale trein naar Lisse gebracht.
Daar stond ‘ie dan. Een hal van 48 meter breed en 87 meter lang en een front dat werd ontworpen door de Lissese architect Leen Tol. Van heinde en verre kwam men het bouwsel bekijken en velen verbaasden zich in hoge mate. In 1924 was het bestaan van de veiling verzekerd. In de hal werd een kantoor en een veilingzaal met afmijntoestel (veilingklok) gebouwd. De “hangar” had zijn plaats in de bollenwereld en in Lisse ingenomen en heeft jarenlang zijn diensten bewezen. Ook voor de gehele Lissese gemeenschap, die de hal nu al mist.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Dec bollen konden per boot worden aan- en afgevoerd

Lisse was fameus om haar bloemententoonstellingen

De afdeling Lisse van de Algemene Vereniging Bloembollencultuur werd in 1879 opgericht. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstellingen werden gehouden in de Witte Zwaan.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad  Jaargang 3 nummer 2, april 2004

De tentoonstelling Bloemlust bestaat al jarenlang niet meer. Maar de huisbroeitentoonstelling (nu Lenteflora geheten) is nog altijd een traditie.

Hadden de bloemistknechts aan het begin van de vorige eeuw hun vakbonden zoals St. Isidorus; de kwekers zaten ook niet zonder. Die konden zich verenigen in de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (thans Koninklijk). De afdeling Lisse van deze vereniging werd op 13 maart 1879 opgericht. Onder leiding van voorzitter C.Blokhuis (inderdaad de Blokhuis die het land bezat waar nu het winkelcentrum is gevestigd) werden de eerste stappen op het verenigingspad gezet. Men werd overigens lang met de naam Blokhuis geconfronteerd, want toen de driejarige voorzittersperiode voorbij was nam de heer G.Blokhuis de hamer over. Dit hamertje wisselen duurde tot 1896. De Lissese afdeling organiseerde onder andere tentoonstellingen. De tentoonstelling die in 1929 in de (houten) HBG hallen werd gehouden vanwege het 50-jarig bestaan van de afdeling, spande wel de kroon. Niet alleen omdat men een enorme berg werk verzette om alles zo mooi en groots mogelijk te doen zijn, maar ook voor wat betreft de enorme tegenslagen die men kreeg te incasseren. Het vroor in die bewuste februarimaand namelijk dat het kraakte (het gemeentehuis in Leiden brandde af en veranderde door het bevroren bluswater in een schitterend ijspaleis). De pakweg 20 graden vorst konden niet worden verwerkt door de nog experimentele oliestook c.v. en de tentoonstelling ging door de kou ten onder. Zelfs de voor 4000 (!!!) gulden gehuurde palmbomen gingen eraan. Eerdere tentoonstellingen werden gehouden in (jawel) De Witte Zwaan. De vakpers schreef over de bloemenexpositie van 1892:. “Het feest is schitterend geweest; nooit werden hier schoonere bloemen gezien. Nooit ook mocht een tentoonstelling te Lisse zich in zulk een succes verheugen. Het lokaal van De Witte Zwaan was in een waar lustoord veranderd en reeds bij het binnentreden was de aanblik grootsch. Ofschoon tulpen schaarsch waren en Narcissen en Crocussen geheel ontbraken, werd men voor dit gemis schadeloos gesteld door de grote massa Hyachinten, welke in onberispelijke exemplaren voorhanden waren…”

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Bloemententoonstelling in 1930

 

“Welbedrogen”, een drama in vier lettergrepen

Een bloembollenschuur aan de Heereweg heet Welbedrogen .Schuur, huis en grond werden begin 1900 gekocht door Nieuwenhuis. Hij kon het echter niet betrekken, omdat het pand bewoond werd door Rutger van Zanten. Hij was niet te bewegen om te vertrekken. De pacht werd afgekocht, vandaar de naam Welbedrogen.

Villa Somalo 1914

Lisse Toen: Sigaar op het werk? Op het matje! controleren

Door afzanding van de binnenduinen zagen steeds meer landbouwers in Lisse brood in de bollenteelt. Met name langs de Heereweg verrees het ene na het andere bloembollenbedrijf met prachtige bollenvilla’s. De werknemers hadden niet veel rechten.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

De bloembollenteelt in Lisse stamt van begin 1800.Langzaam werd de teelt uitgebreid, hetgeen mede mogelijk werd door de afzanding van de Binnenduinen. Ook zagen meer en meer landbouwers brood in de bollenteelt, niet in het minst omdat ze constateerden dat het de bollenmensen nogal naar den vleze ging. Meerdere boerenzoons gingen zich in het vak bekwamen en werden bloembollenkwekers. Vandaar ook dat menige kweker wist te vertellen dat zijn voorouders tot de boerenstand behoorden.

Het weiland kromp geleidelijk in en voor de boerenzoons was er daarom bijna nooit gelegenheid om het bedrijf van de ouders voort te zetten. Het bleek al vrij spoedig dat de gronden in Lisse uitstekend voor de hyacintencultuur geschikt waren, ofschoon de beoefenaren van het vak uit Haarlem en de naaste omgeving lange tijd beweerden dat Lisse het kerkhof van de hyacinten was. Men ging zelfs zover dat, wanneer in sommige partijen bollen voorkwamen, die ten gevolge van de sterke groei van het vorige jaar geen wortel maakten, wel bloeiden maar volstrekt niet groeiden, deze de naam te geven van ‘Lissers’.
Het ging de ‘nieuwe kwekers’ ondanks de na-ijver evenwel voor de wind. Met name langs de Heereweg verrees het ene grote bloembollenbedrijf na het andere, veelal samen met prachtige ‘bollenvilla’s’. En natuurlijk een flinke koppel personeel op de kwekerij. Bloemistknechts, die het qua pegulanten heel wat minder royaal hadden dan hun patroons. En mocht het er dan eens op lijken dat er eentje in goeden doen was omdat hij vanwege bijvoorbeeld een bepaalde feestelijkheid met een sigaar in het hoofd op het werk verscheen, dan liep deze de kans op het matje geroepen te worden en opgemerkt te krijgen, dat gezien de sigaar ook de knecht kennelijk in goede doen was en opslag dus wel kon vergeten.

 

 

Villa Somalo 1914

Samalo is één van de gemeentelijke monumenten en van oorsprong een bollenvilla.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

LISSE TOEN: OVERWERKEN VOOR TWAALF CENT PER UUR

De werkomstandigheden van bloemistknechten rond 1914 worden besproken. Er waren zeer lange werkdagen van 6.00 uur tot 17.00 uur.

door Arie  in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

De oprichting van de arbeiders­organisaties deed ook in de bollenstreek de nieuwe tijd de intrede. Weliswaar veranderde er aanvankelijk niet veel en was de invloed van de organisaties zeer gering, doch in 1914 had men de eerste etappe achter de rug. Nu was het in 1914 ondanks de oorlog trouwens al heel wat beter gesteld dan in de laatste jaren van de negentiende eeuw. In Haarlem en omgeving bijvoorbeeld, werd het als iets minderwaardigs beschouwd als men moest bekennen een ‘bloemistknecht’ te zijn. Toen vluchtten vele jonge­mannen uit het bollenbedrijf. Naar de spoorwegen, of ze werden brugwachter of nachtwaker en dan nog verdienden ze nauwelijks meer dan in de bollen. In Haarlem, Overveen en Heemstede was het droevig gesteld.

Werken van 6.00 tot 19.00 uur

Men weigerde daar zelfs om aardappelland aan de arbeiders beschikbaar te stellen, hetgeen in Hillegom en Lisse vrij algemeen geschiedde. De normale arbeidsdag was toen van ‘s morgens zes tot ‘s avonds zeven uur, voorzover het daglicht dit toeliet. In de praktijk kwam het erop neer dat de arbeider meestal verplicht was vanaf half juni twee uur per dag over te werken. Daarvoor werd dan een dubbeltje of twaalf cent per uur extra uitbetaald. In Lisse, Sassenheim en Hillegom betaalde men gedurende acht/ negen maanden per jaar ƒ 7,= tot ƒ 8,= per week.

Te voet

En voor dat loon konden ze net zoveel arbeiders krijgen als ze wilden, want in Noordwijk, Noorwijkerhout en Voorhout betaalde men zelfs nog minder! Het spreekt overigens vanzelf dat men te voet naar het werk ging. Slechts een enkeling beschikte over de rijkdom van een rijwiel, leder ander moest lopen.

En dat betekende dan dat je vroeg van huis moest, want je had er maar voor te zorgen dat je op tijd bij de baas aanwezig was! En op tijd was in de zomermaanden vijf uur ‘s morgens. De ‘knecht’ moest soms zes kilometer of meer tippelen en ging dus ‘s morgens ver voor vieren van huis. ‘s Avonds om zeven uur maakte hij hetzelfde ‘ritje’ weer terug.

Het planten van narcissenbollen in vroeger tijden, toen alles nog met de hand gedaan moest worden. Voor elke cent per uur mee moesten de bloemistknechts knokken, foto: Arie in ‘t Veld

LISSE TOEN: MACHINES? JE KON EEN GRAAF IN JE NEK KRIJGEN!

Verreweg de meeste arbeid moest vroeger met de hand gebeuren bij de bollenteelt. Ook in de bollenschuren kwamen machines nauwelijks voor. Bollen mocht je alleen met de handen als eieren aanraken. Machines verpestten de structuur van de grond. Hoofdschuddend zullen ondernemers en hun personeel de eerste plant- en rooimachines op de percelen tekeer hebben zien gaan.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Wie tijdens de werkperiode eens over de bollenvelden kijkt, zal con­stateren dat de ondernemers gebruik maken van de meest geavanceerde machines. Dat was in vroegere jaren wel anders, want verreweg de meeste arbeid moest met de hand worden verricht. Een machine kwam in de bollenschu­ren nauwelijks voor en op het veld was zo’n ding helemaal uit den boze. Men vond dat er machines er waren voor de industrie. Niet voor een van de hoogste sporten op de tuinbouwladder: de bollenteelt. Bollen mocht je alleen met de han­den aanraken. Voorzichtig behande­len. Als eieren. Dan was beschadi­ging nauwelijks mogelijk en bovendien zag je het product en kon je het beoordelen. Op teeltgronden wilde men zo’n herriemakend monster niet zien, omdat het ding steevast de struc­tuur van de grond naar de galle-miezen hielp. En die structuur was en is het allerbelangrijkste voor een goed teeltresultaat. In bloembollenkringen doet nog altijd het verhaal de ronde over de “uit de noord” afkomstige jongelui, die in de bollenstreek de kost kwamen verdienen. Zij werden door hun werkgever echter naar hun kosthuis teruggestuurd met de boodschap, dat er maar eerst een paar schoe­nen aangeschaft diende te worden. Onder geen voorwaarde mocht het land met hun eigen schoeisel (klompen) worden betreden wegens gevaar voor “platlopen”. Laat staan dus dat er een machine op de tuinen kwam. Bovendien “verdreven machines de mensen uit het werk”. Wie zich desondanks ergens met een vinding op het erf durfde te vertonen liep dan ook de kans “een graaf(schep) in zijn nek te krijgen”.

Desalniettemin woekerde het “kwaad” voort. De techniek ont­wikkelde zich overal en dus moest noodzakelijkerwijs het bollenvak er ook aan geloven. Hoofdschuddend zullen velen ondernemers en hun personeel hun eerste plant- en rooimachines op de percelen tekeer hebben zien gaan. Die dingen trok­ken sporen, die pijn aan de ogen deden en stampten bovendien de grond ook nog stevig in elkaar. “Dat kan nooit goed gaan”, werd er dan ook veel gezegd. “Het zou het einde van het bloembollenvak betekenen “.

Het rooien van Bloembollen. Foto Arie in ‘t Veld

LISSE TOEN: BLOEMISTKNECHTS VOCHTEN VOOR HOGER INKOMEN BLOEMISTKNECHTS

Omstreeks 1903 verdienden de bloemistknechten weinig. De landarbeidersbond protesteerde hiertegen. Men staakte voor hogere lonen. De arbeiders wonnen

door Arie in ‘t Veld.

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

Omstreeks 1903 bedroeg in de Bloembollenstreek het gemiddel­de loon van de bloemistknechts, de mensen die bij de bloembollen-kwekerij- en handelsbedrijven werkten, ƒ 8,- a ƒ 8,50 per week. Onderscheid was er al, want in Haarlem en omgeving was dat ƒ 10,20 gedurende negen en ƒ 8,10 gedurende drie maanden. De ontevredenheid onder de werk­lieden over hun karig loon werd voortdurend groter en in Hillegom barstte in 1913 de bom bij de fa. Van Til-Hartman en bij de fa. K. van Bourgondiën & Zn. De eerstgenoemde firma haalde snel bakzeil toen men zag dat het de arbeiders ernst was met het dreigement om het werk erbij neer te leggen, maar de firma van Bourgondiën hield het been stijf. Het ging hard tegen hard, want het werk moest doorgaan en er waren geen arbeiders. Elders trachtte men tegen abnormaal hoge lonen

arbeiders te werven. Op het land betaalde men zelfs ƒ 10,- per dag, bijna het salaris van een minister! Diverse werknemers gingen snel overstag. Desalniettemin breidde de sta­king zich uit. Op de 20ste juni van 1913 riep de Landarbeidersbond alle landarbeiders bijeen in Flora terwijl een vertegenwoordiger van de landarbeiders trachtte contact op te nemen met de ‘onderkruipers’ die voor het gouden kalf waren gezwicht. De goede man liep daarbij een der firmanten tegen het lijf en het onderhoud dat toen volgde was aan­vankelijk van beide kanten niet bijster vriendelijk. Toch kwam men tot een voorstel: De werkgever beloofde op handslag dat men met ingang van 1 maart 1914 aan de verlangens van de arbeiders tegemoet zou komen. Tot die datum zou het loon verbeterd worden, maar de arbeidsdag zou dat jaar blijven zoals het was. Met deze bood­schap kwam de afgevaardigde terug in Flora waar de arbeiders het allesbehalve eens waren met zijn voorstel niet te staken. Slechts na veel vijven en zessen lukte het hem om de werknemers te overtuigen. Hoewel van de zijde der werkge­vers was toegezegd dat men tegen de stakers geen represaillemaat­regelen zou nemen, bleken deze werknemers het volgende jaar toch moeilijk aan de slag te kunnen komen. Er werd zelfs een pamflet verspreid waarin werd aangeraden bepaalde arbeiders niet in dienst te nemen.

Uit de inmiddels gevormde ‘strijd-kas’ werden deze arbeiders net zolang gesteund tot ze wel werk hadden. Zo hadden de arbeiders de eerste grote slag gewonnen, maar men had nog een lange weg af te leggen om de omstandigheden aanzienlijk ver­beterd te krijgen.

Lisse toen: De bloemistknechts op de barricaden

Rond 1900 werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. De nieuwe arbeidsorganisatie Flora in Hillegom werd in 1900 opgericht. Zij hadden diverse eisen, maar men kwam niet overeen met de werkgevers.


Tekst en foto: Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

 


Aan het begin van de twintigste eeuw, rond 1900 dus, werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. Meer en meer durfde men voor de eigen belangen op te komen. Niet altijd met succes overigens en soms zelfs met een desastreuze afloop, omdat de werkgever zo’n opspelende arbeider nogal eens gewoon op de keien zette. De neutrale arbeidsorganisatie Flora, die in 1900 in Hillegom werd opgericht, mocht al gauw enkele successen boeken. Zo kreeg men het voor elkaar dat men zaterdag niet meer tot ‘s avonds zeven uur moest werken, maar tot ‘s middags vier uur. Een hele verbetering. Na dit succes vloeide onmiddellijk meer leden toe en al gauw werd ook in Lisse een afdeling opgericht.
Een en ander had tot gevolg dat ook de werkgevers zich gingen aansluiten. De Patroonsvereniging werd opgericht. Dit had tot gevolg dat er meer kansen tot overleg tussen werkgevers en werknemers kwamen. Tot ernstige moeilijkheden kwam het aanvankelijk niet. Maar toen de werknemersorganisatie in 1913 enkele wensen kenbaar maakte, barstte de bom. De arbeiders wilden dat de nor­male arbeidsdag zou zijn van ‘s ochtends zes tot ‘s avonds zeven uur en in de donkere maanden, waarin men natuurlijk niet om zes uur kon beginnen en men eerder naar huis moest, omdat men niets meer kon zien, wilde men van ‘licht tot donker’ werken. Voor de periode van l november tot l maart vroeg men twee uur en voor de overige maanden twee en een halfuur schafttijd per dag. Bij ziekte zou dertien weken lang min­stens het halve loon doorbetaald moeten worden. Voor overwerk vroeg men een kwartje per uur. Dat was voor de werkgevers alle­maal te veel van het goede. Men bedankte voor de eer. Er zou nog heel wat water door de Rijn stromen voordat men tot elkaar kwam.

Het sorteren van de bollen na de oogst

LISSE TOEN: BARBIER: 5 CENT

Aan het begin van de twintigste eeuw gaf de Federatie van Bloemistwerklieden  Verenigingen een lijst uit, waarop stond wat een gezin  per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.

Tekst en foto: Arie in t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Aan het begin van de vorige eeuw gaf de Federatie van Bloemist-werkliedenverenigingen een lijstje uit, waarop stond wat een gezin van een bloemistknecht, bestaan­de uit zes personen, per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.


Huur……                                    2,00

Steenkolen                                0,60

Turf……..                                   0,20

Petroleum…                             0,36

Brood…….                                 2,25

Margarine…                             0,60

Melk, l Itr per dag.                 0,56
Suiker……                                0,25

Koffie……                                 0,40

Aardappels..                           1,00
Vet, l,5ons/p.dag.                 0,80
Zeep………                               0,11

Wasmiddelen..                      0,10
Zout………                              0,06

Garen, band..                        0,15
Schoeisel….                           0,50

Ziekenfonds..                        0,20
Onderst.fonds.                     0,10
Begrafenisfonds                  0,17
Brandverzekering               0,02
Belasting….                          0,08

Schoolgeld (2 kinderen)    0,15

Contributie bond.               0,05

Lectuur…                              0,10

Tabak..                                  0,10

Barbier…                              0,05

Totaal                                   10,96

Op dit uitgezuinigde, beknib­belde, schrale budget was geen enkele post uitgetrokken voor drank, schoonmaakartikelen, boven- en onderkleding, aarde­werk, spek en vlees, groenten, beddengoed, meubelen en kos­ten van ziekte of bevalling! Wanneer er dan ook “iets wezen moest” bezuinigde men maar op het eten. Allemaal maar een snee brood minder, een aardappel minder, wat water bij de jus en bij sommigen een oneindig poffen, lenen bij leen-vrouwen. Ook bij het pandjes-huis was menigeen een bekende.

 
 
 
Bloemistknechts in hyacintenveld (1920)

LIISSE TOEN: SCHRAALHANS IN DE BOLLEN

Rond 1900 werden de vakbonden in de bloembollenteelt opgericht. De arbeiders verdienden erg weinig en konden zo maar ontslagen worden. Er was dus veel werk te doen.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

In verreweg de meeste gezin­nen van de werkers in de bol­len, de bloemistknechts, was schraalhans indertijd keuken­meester. De enige rijkdom bestond meestal uit een grote kinderschare. Die vele monden vullen was een schier onmoge­lijke taak en zo gauw zoon of dochter “werkensgereed” was, kon deze aan de slag voor de huishoudportemonnee.

Er was dus volop te doen voor de pas (rond 1900) ontsta­ne bonden, die zich middellijk na de oprichting op het fenomeen “Vrouwenarbeid in de zomer” stortten. Dan ging het dus om het bollenpellen.

Daaraan moest een einde komen “om de zedelijkheid zoo veel mogelijk te beschermen….” Wat men zich daarbij nu precies moest voorstellen, is niet duidelijk.

In 1906 zette de Lissese Bond St. Gregorius het onderwerp Jongelingenarbeid hoog op de actielijst. Men kwam tot de conclusie dat het “mest kruien, karre met een kar, rietdragen en dergelijke man’s werk is” en dat “Jongelingenarbeid” pas werd toegestaan als de jongelieden de leeftijd van twaalf jaar hadden bereikt.Wat betreft de lengte van de arbeidsdag, die wilde men beperkt zien van 06.00 tot 19.00 uur en niet meer van zonsop­gang tot zonsondergang!

Arbeiders in de bollen. De foto is omstreeks 1900 gemaakt. Er werden zo goed als geen machines gebruikt. De handen vormden het gereedschap. Foto: Archief A. in ‘t Veld