EEN REIS DOOR DE TIJD: Een ingezonden brief van Bas Romeyn
Naar aanleiding van de artikelen in het vorige Nieuwsblad zette Bas Romeyn zijn gedachten op papier.
Bas Romeyn
Nieuwsblad 23 nummer 3 2024
Als je, zoals ik, tachtig bent (het nieuwe zestig wordt het wel genoemd) en geboren en getogen in het Centre of the Bulbdistrict, zoals dat ooit, nogal hovaardig, op het poststempel van Lisse stond, is het niet onlogisch dat je heel wat herinneringen kunt ophalen bij het lezen van ons onvolprezen Nieuwsblad. Temeer omdat ik volgens mijn dochter nogal associatief ben. Zoveel raakpunten dienaangaande als in het laatste
nummer heb ik echter waarschijnlijk niet eerder gezien. Het was gewoon bizar! Nu leek het mij wel aardig om u eens mee te nemen op reis met de hink-stap-sprong-gedachten die bij mij opwellen bij bepaalde onderwerpen of foto’s. Misschien steekt u er nog wat van op, al is het maar een mooie sigaar! Daar gaan we, in willekeurige volgorde: het begon al met dat fraaie fotootje van die vier keurig in het pak gestoken
Lissese huisartsen. We zien daar, in een van die zeer leesbare stukken van Paul Stelder, dokter Van Dijk en de nog jonge, zo gemaltraiteerde Klaas Bet, van wie we tientallen jaren buren zijn geweest. Toen we naast hem kwamen wonen, zal ik een jaar of drieëndertig zijn geweest en we zaten precies tussen de ouders en hun oudste kinderen in. Vooral met die laatsten hebben we veel contact gehad. De jonge Leo Persoon
kwam vrijwel elke dag uit school even bij ons langswippen. Marijke Bet en Dennis en Dieuwke en Robert van der Mark waren ook altijd van de partij. Hij en Roef Ragas kwamen vaak boeken lenen. Er werd muziek gedraaid (hard) en we speelden heel vaak een potje Risk, waarbij de oorlog van het bord vaak, vooral bij ‘alles over’, oversloeg naar de verhitte spelers. Ook gingen we wel eens met z’n allen naar de drie-oktoberkermis in Leiden. Dokter Van Dijk was onze huisarts. Hij reed toen in een grijze Volvo met zo’n hoge ronde rug. Hij kwam nog wel eens bij ons in de straat en dan was ik iedere keer weer gefascineerd door die in- en uitklapbare, verlichte richtingaanwijzers. Ik zal een jaar of vier, vijf geweest zijn toen, op zekere dag, de zon zijn stralen uitbundig liet schijnen over dat kleine bollendorpje en een vage geur van hyacinten menigeen een vrolijke oogopslag gaf. In de verte hoorde je legioenen kikkers in de eindeloze reeks sloten in de weilanden richting Sassenheim kwaken, dwars door de harde bonk van de draaibrug van brugwachter Wesselius, over het ‘kanaal’. Dan stond de brug evenwijdig met de boorden van het water en konden twee schepen tegelijk passeren. Soms, als het rustig weer was, konden we op de Heereweg ’s nachts een auto over de brug horen rijden. Dan hoorde je elke plank van het wegdek, stuk voor stuk, rammelen, maar ik dwaal af. Toen ik die auto zag trok die me als zwarte materie aan en zag ik een van die mooie richtingaanwijzers al als schemerlampje op mijn slaapkamer staan en pardoes trok ik dat juweel naar buiten en brak het af. Aan de consternatie daarna heb ik geen acute herinneringen meer. Later, na het overlijden van mijn moeder, vond ik tussen vele knipsels een artikeltje uit ‘Ons Weekblad’ met als kop: ‘Het wordt al te bar’, waarin op hoge toon mijn misdaad beschreven stond. Ook bij het kopje ‘Succes voor D.O.K.’ moest ik direct denken aan een vriendje van mij die me eens toefluisterde dat op dat clubje zulke leuke meisjes zaten. Ik werd meteen lid! Lang heb ik daar niet op gezeten…
Natuurlijk heb ik het interessante stukje van Ria Grimbergen over de firma H. de Graaff & Zonen in het vorige nummer gelezen. Weer kreeg ik een déjà vue-aanval! Ook nu kwam dit bedrijf weer ter sprake. In 1968 trouwde ik met mijn mooie Janny. We gingen wonen in het heerlijke huis Heereweg 87. Onze drie zonen zijn daar nog geboren. Naast ons bleken de dames Mastenbroek te wonen, zusters van de eigenaar van H. de Graaff. We konden het uitstekend met elkaar vinden. Na hun overlijden kwamen de alom in de streek bekende Jan Willem Plug en zijn gezin in hun huis te wonen. Hij was directeur bij de Hobaho. Hij is veel te vroeg, plotseling overleden. Het was een beste vent. Ik was net voor mijzelf begonnen in ons woonhuis. De kamer links van de voordeur was het kantoor. Het liep meteen. Waar weet ik niet meer, maar op een gegeven moment hoorde ik iets ‘blowen in the wind’, als dat de firma De Graaff ophouden zou te bestaan. Ik eropaf! Nu had ik net een samenwerkingsverband (Bamaro) met de BAM, een groot bouwbedrijf, gesloten. Als eerste project met hen verkocht ik De
Graaff aan de BAM. Ook verkochten wij de woningen. Een mooie opsteker voor een jong kantoor! Nu deed de Hobaho ook wel eens wat onroerend-goedzaken. Met name bollenland en alles wat daarbij hoort. Mijn buurman keek er toch wel van op toen ik betrokken bleek te zijn
bij de transactie van onze achterbuurman. Er bleek dus goud te blinken in deze sector! Ook de Hobaho ging toen makelen. Ze pakten het meteen groots aan met meerdere vestigingen, Heemborgh genaamd. Goed voorbeeld doet goed volgen. Dat gold ook voor Harry Mens, een neef van de onvergetelijke Martien Zwaan, mijn voormalige baas. Eigenlijk was die boekhouder en ik moest de makelaardij opbouwen. Dat is
heel goed gelukt! Harry kwam met enige regelmaat bij mij langs om te kijken hoe het met me ging. Ook hij was werkzaam bij de Hobaho. Hij liet mij weten dat hem de onroerendgoedwereld veel interessanter leek dan ‘die bollen’. Dat was ik volmondig met hem eens. Zeker in die tijd! Ook hij stapte over. Tja, en dan lees ik dat stuk over ‘De Gewoonste Zaak’. Het bestuur van het CDA hield daar altijd z’n vergaderingen. Ik ben daar 2×4 jaar lid van geweest en denkend aan die periode kan ik een glimlach niet onderdrukken. Wat hebben we daar een plezier gehad! Over een van de hoogtepunten van de vergaderingen in ‘De Gewoonste Zaak’ heb ik op 3 april 2011 nog een artikel in de NRC geschreven onder de omineuze titel: ‘Hoog bezoek in Lisse’. Ik ga daar verder niet op in omdat ik de indruk heb dat het al eens eerder in het Nieuwsblad heeft gestaan. Ook het Politiek Café is daar ontsproten. Alle partijen deden mee, ook de SGP. De ‘vergaderingen’ werden in ‘Den Ouden Heere’ gehouden. Voor de zekerheid kwamen de meesten op de fiets.. U weet wel waarom mevrouw!
U ziet, lezer, wat ‘ons’ Nieuwsblad wel niet teweeg kan brengen. ‘En nog is het einde niet broeders en zusters!’ Bij het stuk van Liesbeth Brouwer over Huize Maria overviel mij een schier fantasmagorische quantumsprong die ‘de overhand op mij kreeg’, om het maar eens met de psalmdichter te zeggen. Ik zat in de vijfde klas van de School met den Bijbel (zo heette die toen nog) in de Schoolstraat bij meester Van der Spek. Of ik toen de korte broek inmiddels ontgroeid was, weet ik niet precies meer. Halverwege het schooljaar kregen we een nieuwe leerling in de klas. Ze heette Mirjam (haar achternaam ben ik vergeten) en ze kwam uit het voormalige Nederlands-Indië. Ze was erg beschaafd en had mooie krullen. Het spreekt voor zich dat ze nog moest wennen, niet alleen wat betreft het klimaat, maar ook aan de gewoonten van een klein dorpje, gelegen tegen blonde duinen en niet heel ver van de zee. Ze woonde tijdelijk in Huize Maria, volgens mij toen Pension Irene geheten. (Deen Boogerd wees mij erop dat Pension Irene afgebroken is ten faveure van de aansluiting van de Nassaustraat op de Heereweg. Ik zat in de buurt!) Ze zat, met een looppad tussen ons in, in de bank naast mij. In die tijd kon je bij Van der Geest (of was het Warenhuis
Sterk?) knalerwten kopen. Zoals niet onbekend was ik nogal geoefend in het maken van mijn eigen vuurwerk, en die erwten (toen nog goed gevuld) spraken mij zeer aan! Ik had er altijd wel een paar op zak. Zo ook op die bewuste dag! We waren hard ‘aan het werk’, sommigen staken zelfs het puntje van hun tong naar buiten, en op zeker moment vroeg Mirjam of ze mijn gum even mocht lenen. Natuurlijk mocht dat! Ik gaf, ja lezer, u begrijpt het al, een knalerwt. Na vergeefs wat gestuft te hebben, gooide ze hem terug en riep: ‘Hij werkt niet’. Deze woorden werden teniet gedaan door een enorme knal in dat afgesloten lokaal. Wat een schrik! De twee interlokale deuren naar de vierde en de zesde klas vlogen open en de meesters van die klassen renden naar binnen. ‘Wat is er aan de hand!’ Ik moest nablijven. Ik zat nog keurig op mijn plaats toen meester Van der Spek dreigend, dacht ik, op mij afkwam. Wat zou er voor me zwaaien? ‘Bas’, zei hij, ‘vond je dat nou leuk?’ Ik antwoordde eerlijk: ‘Ja meester. Ik vond het heel leuk.’ ‘Nou’, zei-die, ‘ik ook, je mag naar huis!’ Geweldig toch! U begrijpt het al, lezer, mijn lidmaatschap van de Vereniging Oud Lisse, zeg ik nooit op!






























