Berichten

“De kleine kroniek over de jaren zeventig”  is uit

Het 2e deel in de serie ‘De kleine kroniek van Lisse’ van Arie in ’t Veld is uit. Het gaat over de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 3, juli 2013

Het tweede deel in de serie ‘De Kleine kroniek van Lisse’ is uit. Dit deel behandelt de jaren zeventig van de vorige eeuw. De eerste exemplaren van het door Arie in ’t Veld geschreven boek zijn onlangs door wethouder Adri de Roon uitgereikt aan Robert en Harry van der Mark van Blokhuis Beheer en Henk van der Kroft, oud voorzitter van de VVV van Lisse. De Roon memoreerde bij de overhandiging onder andere dat de zeventiger jaren van de vorige eeuw jaren waren waarin Lisse uitgroeide tot een dorp van formaat.

Mede door de grootschalige woningbouw die in de zestiger jaren in de Poelpolder was gestart en waardoor het aantal inwoners in no-time zienderogen toenam. Het hoogtepunt van alle ontwikkelingen van het dorp lag wellicht halverwege de zeventiger jaren. Met name 1975 was in vele opzichten een memorabel jaar voor Lisse. Het was bijvoorbeeld het jaar waarin zo ongeveer het halve dorp op z’n kop stond omdat het Grachthuisje (een serie bouwvallige huisjes aan de Grachtweg waar later nieuwe woningen verrezen) niet als monument beschermd zou worden en besloten werd dat de oude huisjes gesloopt zouden worden. Het was ook het jaar waarin het vermaarde weekblad ‘Ons Weekblad’ ter ziele ging en het verschijnen van ‘De Lisser’ daarop onmiddellijk aansloot. Verder werd besloten dik geld te steken in de restauratie van Dever. De oudste inwoner van Lisse, de heer W. Van Manen werd dat jaar in september 101 jaar; Lisse kreeg een nieuwe bibliotheek, ‘Magazijn De Vlijt’ in de Kanaalstraat hield opheffingsuitverkoop en maakte de weg vrij voor ontwikkelingen op de hoek Kanaalstraat/Meer en Houtstraat en het winkelcentrum Blokhuis werd in november officieel geopend. Burgemeester drs. A. Berends verrichtte de opening en de heer Cees van der Mark kon zijn naam behouden. Hij had deze kostbaarheid op het spel gezet door aan het begin van het jaar te stellen dat als het winkelcentrum Blokhuis niet op 19 november zou worden geopend, zijn naam geen Cees van der Mark meer zou zijn. Over Blokhuis wordt in het boek uitgebreid geschreven. Maar ook over onder andere de VVV die het in die jaren presteerde om, naast het organiseren van talloze activiteiten, jaarlijks zo’n tienduizend toeristen bij particulieren onder te brengen. Iets waarvan nu alleen nog maar gedroomd kan worden. Ook wordt er volop aandacht besteed aan De Engel. Het buurtschap waar men toen vond en uitdrukte dat dit stukje Lisse er maar een beetje bij hing. Was de periode 1960 tot en met 1969 belangrijk voor de uitbreiding van Lisse, in de zeventiger jaren werd daar nog een schepje bovenop gelegd. Het bouwen van woningen in de Poelpolder ging onverminderd door en nieuwe bouwplannen en wijken zagen het licht. Zoals Meerenburgh. Het werd een periode met vele hoogtepunten in een dorp dat zichzelf toebedeelde een streekfunctie te vervullen en op alle mogelijke manieren probeerde daaraan invulling te geven.

Het was tevens een periode waarin diverse plannen werden geopperd waarvan later zou blijken dat er uiteindelijk niets van terecht kwam. Zoals een nieuw gemeentehuis op de plek van De Witte Zwaan, of een open zwembad naast De Lis. Wat er wel kwam was een nieuwe Josephschool. Nu praat de raad weer over nieuwbouw en een nieuw Fioretticollege dat net als het onlangs gebouwde Fio, al voor de opening te klein bleek te zijn om alle leerlingen onder te kunnen brengen. Intussen draaide het verenigingsleven op volle toeren, wordt verteld over Jan Pensioen, de zonderling van Lisse, de buurtvereniging Wilhelmina, de carnavalsvereniging De Gaapstokken en onder meer ook over de huisvesting van de bejaarden, de (nimmer bewezen) aanwezigheid van een pyromaan en het vijftigjarige bestaan van Foto Mieloo, die indertijd ook de foto’s voor onder andere De Lisser maakte.

Het boek kost € 12,95 en is verkrijgbaar bij de boekhandels Grimbergen en Wagner. Voor leden van Vereniging Oud Lisse is er een speciale actie. Zij kunnen één exemplaar kopen voor de gereduceerde prijs van € 9.95, verkrijgbaar op de inkoopmomenten in de Vergulde Zwaan, aan de Ie Havendwarsstraat, of via de secretaris.

Lisser Herinneringen

Oud  Lisser Hans van Duijnhoven woont in Denemarken. Hij is geboren in 1937 aan de Tulpenstraat. Hij beschrijft uitvoerig zijn jeugd in Lisse.

door Hans van Duijnhoven uit Randers (DK)

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 3, juli 2013

1945 Let op het duidelijke
“hergebruik” van materiaal,
moeder heeft gedaan wat
ze kon om nog een redelijk
uitziend pakje te maken.

Ik ben Oud-Lisser, geboren in 1937, wij woonden sinds 1941 aan de Tul­penstraat en dagelijks liepen mijn broers en ik naar de R.K. Jozefschool aan de Heereweg tegenover de Agatha-kerk.

In de Tulpenstraat staat nu het kantoorgebouw van de bollenveiling, die vroeger HBG heette. Destijds was daar een driehoekig landje, ’s winters werden er dikwijls bollenmanden opgeslagen, zomers werd het nogal eens gebruikt om veiling-bollen te plaatsen, wanneer de capaciteit van de hallen onvoldoende was.

Meestal waren dat narcissen, die aangeleverd werden in kisten. Voor ons was veel spannender, dat daar regelmatig een geitenkeuring werd ge­houden, van heinde en verre werden “de koeien der armen” daar ter keuring aangeboden. We liepen van daar naar het HBG-plein, waar we dikwijls voetbalden, met als een van de doelen de toegangsdeur tot de meest oostelijke hal van de HBG, (het heeft nogal wat ruitjes gekost en eindeloze strijd of de bal nu binnen of buiten de krijtlijnen op de deur gekaatst was). Tegenover die hal was “het landje van Beelen”, daarnaast de dito graanhandel, de eigenaar woon­de op de hoek van de Hyacinthenstraat, waar tegenwoordig een of andere bank is gevestigd. Op het landje van Beelen werd jaarlijks (?) een podium in elkaar getimmerd, waarop de harmo­nie “Canite Tuba” dan zomeravond uitvoeringen gaf.

De graanhandel had een stoommachine en omdat we bevriend waren met de zonen van Beelen, mochten we bij die machine weleens onze kousen drogen, als we te roekeloos waren geweest bij slootjespringen of op het nog nauwelijks dragende ijs van de gracht (moeder merkte niettemin dat onze kousen stonken!). Op de hoek van de Molenstraat en Grachtweg was het witte huis van Oma Beelen.Even verderop aan de Grachtweg was een bakkerij achter de bebouwing en via een poort toegankelijk. In de oorlogstijd, speciaal de hongerwinter van ’44, lieten mensen daar wel hun brood bakken, als ze tenminste voldoende meel hadden kunnen be­machtigen, je kon dat altijd nog aanlengen met tulpenmeel! (Voor een misdienaar, die nuchter naar de kerk moest, was de geur van die bakkerij een ware beproeving)

Even verderop was het bedrijf van beurtschipper/expediteur Mart van der Linden. Zijn schuiten lagen in de gracht daartegenover, twee soorten, “vletten”, kleine platte schuiten waarin/waarop bollen van de exporteurs in kisten werden aangeleverd. Die kisten werden dan overgeladen in binnenvaart­schepen, die de bollen naar Rotterdam of Amsterdam vervoerden. Soms vonden we het leuk om springend van de ene vlet naar de andere over de Gracht te komen. De corpulente heer Mart v.d. Linden was uiteraard “not amused”, tierend kwam hij uit zijn kantoortje om ons luidkeels op de gevaren te wijzen: “zijn jullie nu helemaal besodemieterd…,kwajongens!”

Daarnaast (richting Kapelstraat) was het oude waaggebouwtje, dat destijds, meen ik, niet meer als zodanig werd gebruikt, wellicht gebruikte v.d. Linden het als opslagplaats. Daar weer naast, op de hoek met de Kapelstraat stond een wit huis met geknotte lindebomen ervoor (van Segers?). Tegenover dat huis op de andere hoek van Kapelstraat en Grachtweg, was de bekende kapper Stuifbergen. Wij gingen linksaf de Schoolstraat in. Links op de hoek was het huis van Kuilboer. Hij was een van de heren-bas-zangers in het kerkkoor van de Agathakerk, waar ik als jongenssopraan en alt heb gezongen o.l.v. dirigent meester van Hulten. Als wij tijdens de soms lange diensten in de Agathakerk wat ongeduldig werden, liep je het risico een oorvijg te krijgen van een van de heren achter je, Kuilboer was daarom berucht. Rechts kwam je dan voorbij de “protestantse school”, uiteraard waren ook daar voor schooltijd kinderen op het schoolplein. Wij, “roomse kinderen”, werden soms (en goedmoedig) uitgescholden voor “papen”. Wij scholden met roomse blijmoedigheid “ketters” terug. Juist voorbij de school was het KAB-gebouw, beheerd door meneer Sloot-beek, waar “Nut en Genoegen” oefende en zijn jaarlijkse toneelspel opvoer­de en het RK Gemengd Koor “Sint Cecilia” uitvoering gaf. Recht vooruit was de zwart geteerde schutting van huize Pius, daarachter lag de Piustuin, waar de oudjes soms even wandelden. Als de poort naar de tuin openstond kon je in de tuin kijken, ik herinner me alleen bloeiende Rododendrons. Je ging dan de hoek om, de Bondstraat in, een zijde Huize Pius, de andere zijde het Patronaatsgebouw, waar dansschool Evert Castelein uit Leiden danslessen gaf, achter waren jarenlang de “verkenners” actief (verkenners zijn Roomse padvinders, verschil moest er zijn, ik heb het nog gebracht tot verkenner “eerste klasse” met insignes!). Tegenover de Bondstraat stond het Raadhuis, met de trap ervoor, dikwijls renden we de trap op aan één zijde en weer naar beneden langs de andere zijde. De gemeentebode (meneer de Koning?) was dan weer “not amused” over die op klompen klossende bengels. nast het Raadhuis stond een geheimzinnige villa, achter donkere (rode beuken ?) bomen. We wisten niet wie er woonden, maar het waren uiteraard “deftige mensen”, Rooms waren ze in ieder geval niet, anders hadden we het geweten. Tegen over de machtige Agatha-kerk lag het nonnenklooster, aan de ene zijde de Jozefschool voor de jongens, de andere zijde de Agatha-school voor de meisjes. De Jozefschool werd geleid door meester Strik, de meis­jesschool door de nonnen, beide werden overigens even hardhandig geleid.

In 1950 ging ik naar de HBS in Lei­den, meester van Wickeren leidde ons op voor het toelatingsexamen. Kees van der Eerden en ik voor “het Bona” in Leiden, Cor Rottwei­ler voor het seminarie van de missi­onarissen van Mill Hill. De meeste andere leerlingen gingen naar de “mulo” van meester Ragas of naar de ambachtsschool in Leiden. In de Agatha kerk hingen met hoogtijdagen, bv. Sacramentsdag (donderdag de tiende dag na Pasen, later de tweede zondag na Pasen), vaandels. Mijn vader attendeerde mij ooit op twee daarvan. De ene van de RK vereniging van Bloembollenhandelaren, groot en breed, met een bollenlandschap waarover de zon opgaat, met de tekst: “Het is de Heer, die de was­dom geeft”. De andere van de RK Landarbeidersbond “St Deus-Dedit”, veel beschei­dener met een arbeider erop en de tekst: “De Heer zegene het werk onzer handen”. “Het zou een mooi zootje worden op de tuin, als je het alleen aan de Heer overlaat”, merkte mijn vader droogjes op, maar die Katholieke Arbeiders-moraal had ik zelf al ontdekt.

 

Reactie

In het vorige Nieuwsblad stond een artikel van Hans van Duijnhoven over zijn Lisser Herinneringen. Bij de prentjes van mei 1945 wordt gerept over het droppen van Zweeds wittebrood. Dat droppen was niet letterlijk bedoeld en had dus tussen quotes moeten staan. Peter Huis attendeerde ons daar terecht op. Hij schrijft:

In de aanhef wordt gesproken over het gedropte Zweeds wittebrood. Dit is een hardnekkig misverstand. De werkelijkheid is als volgt. Op 28 januari 1945 werd door drie zweedse rodekruisschepen een grote hoeveelheid voedsel naar de haven van Delfzijl vervoerd, ruim 7500 ton. Een groot gedeelte hiervan bestond uit meel waarvan in Nederlandse bak­kerijen brood gebakken is. Dit gebeurde voornamelijk in de plaatselijke bakkerijen in het westen van het land, waar de nood het hoogst was. Door een probleem met de vervoerscapaciteit in die dagen, kwam het brood pas medio februari bij de bevolking terecht. Ongeveer tegelijkertij d met de droppingen.

Dit is ook een haast niet uit te roeien geschiedkundige invulling. Evenals Jacoba van Beieren die jaagde vanuit kasteel keukenhof (gebouwd begin 17e eeuw als luxe woonhuis)

En Jacoba van Beieren die eindeloos j acoba kannetjes bakte, en vanuit haar cel in de slotgracht van slot Teylingen wierp.

Hans in 1950, met “plusfours”, die waren
toen “hot”. De broek dankt haar naam
aan de lengte: vier duimen langer dan de
knickerbocker.
De gewone naam voor dit soort broeken was
“drollenvanger”.

 

 

Detail van kaart van Balthasar Forisz - 1615

Reacties op De naam van ‘Lis’ en ’t Vierkant’

ln reactie op het artikel over de naamgeving van Lisse wordt gemeld dat ’t Vierkant mogelijk plein zou kunnen betekenen. Analoog aan firkantet en square, dat beide plein betekent. Bij de Vuursteeglaan werd mogelijk vroeger vuil verbrandt. Zou Viersteeg vier haardsteden kunnen betekenen?

Deen Boogerd

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 2, april 2013

In voorgaande Nieuwsbladen zette Nico Groen zijn ideeën uiteen over “De overeenkomst tussen Lisse en het Vierkant: Vuur” .

Dat artikel inspireerde anderen om ook na de denken over de oorsprong van de namen Lisse en Vierkant. Een discussie was • geboren. Hierna volgt een verhaal van Deen Boogerd dat weer een andere kijk op de herkomst van de namen geeft.

Deen Boogerd

Balthasar Floriszn. van Berckenrode 1615.

ln een bijdrage aan de discussie over het ontstaan van de namen Lis en ’t Vierkant beschrijf ik bij dezen mijn idee hier over. Op de eerste plaats ik ben geen taalkundige, maar de discussie over dit soort onderwerpen vind ik erg interessant. Mij is gebleken dat de naam van ‘Lis’ afkomstig is uit het Deens misschien zelfs uit de tijd dat de Noormannen/Vikingen onze kuststreken onveilig maakten en hier en daar vaste voet aan wal zetten. ‘Lys’ betekent in het Deens o.a. stralende, heldere, klare, schijnende, glimmende en schitterende, allen synoniem aan licht. Nog wat namen die de zelfde betekenis hebben zijn onze welbekende ‘de Blinkerd’ daar was vroeger ook zo’n kaal duin. Ook bij het Vlaamse Koksijde ‘de Hoge Blekker’ en het kustplaatsje ‘Blankenberg’, al die namen zijn terug te voeren naar een blanke top der duinen. Om een plaats een naam te geven werd vaak gekeken naar de aard van dat stukje aarde. Ons stukje was een kale duintop wat stralend lag te schitteren in de zon. Een zeer opvallende landmark die niet veel onder doet voor een vuurbaak. Naar mijn idee komen we zo aan de stralende naam Lys, Lis en later Lisse. Lux en Liusna zijn in betekenis het zelfde. Waren het de Noormannen/Vikingen die hier misschien een plek hadden gesticht om te legeren? Of waren het de Friezen die in de achtste eeuw de kustgebieden bevolkten van af de Zeeuwse kust tot aan halverwege Jutland?

Het Fries en het Deens hebben veel met elkaar gemeen en als volkeren ergens langere tijd vertoeven, blijven er altijd sporen in het taalgebruik achter, zo zou de naam Lys een spoor kunnen zijn uit die tijd. De tekening van de Gele Lis laat de zon zien, dan noem ze toch ook “de stralende”. Lisse heeft nog steeds een uitstraling van wereldfaam en maakt haar stralende naam nog steeds waar!

’t Vierkant

fyrkant, San, Marco, Venedig, Italier

Nog iets eigenaardigs is het raadsel van het niet vierkante vierkant. Volgens mij ligt de oplossing ook in het Deens. Het woord ‘firkantet’ wat naast vierkant ook plein betekent. Ons vierkant is dus simpelweg een dorpsplein een firkantet een square. In Engeland hebben die Denen ook behoorlijk huis gehouden en daar noemen ze bijna elk plein vierkant denk maar aan Trafalgar-square, Leicestersquare en heel vaak zijn die squares helemaal niet vierkant er zitten zelfs ronde bij. Voor een vierboet zou ’t Vierkant veel te ver van de oever zijn. In een atlas uit 1625 zie je van Monster tot en met Egmond een zestal duinen met vuur en zwarte rookpluim, altijd op veilige afstand van het dorp. (vuur en houten huisjes met rieten daken is vragen om narigheid). Bij de monding van onze Greveling bij j Lisserbroek stond ook al een tonne, haspel of kruisbaak. Bij goed weer kon je Lisse al van ver waarnemen vanwege haar hoge ligging, later nog extra door de kerktoren. Nu nog is het verschil in hoogte tussen Turfspoor en ’t Vierkant ongeveer 6 meter. Eeuwen geleden zal dat behoorlijk meer zijn geweest. Het gedeelte van het kaartje van Jan Pietersz Dou 1624 laat zien hoe de gracht in de Lisser Noorder Poel stroomt en niet in het Leidsche Meer. Een behoorlijk eind verder was in die tijd de Greveling die de Noorder Poel verbond met het Lange Rack pas als je de tonnebaek van Gansoort (Lisserbrouck) voorbij was zat je op het oude Leidsche Meer, alles bij elkaar geteld bijna twee kilometer van ’t Vierkant. Toen de naam ‘Lys’ werd bedacht zou het water nog wel eens veel verder weg zijn geweest. De subtitel, “Het Vierkant was een hoge duintop langs het Leidtsche Meer”, komt mij daarom best vreemd over.

Vuursteeg suggesties

Grote vuren maken in de bebouwde kom vonden ze vroeger al niet slim. Zou het niet kunnen dat bij de Vuursteeg een soort vuilverbranding was, op net zo’n veilige afstand als een vierboet bij de kustdorpen.

Zou het misschien een  vervorming van ‘vierstee’ kunnen zijn, vier haardsteden? Dubbelhoven telt al voor twee. Lisse, Lys, Lis is een schitterend duindorp met op de top het ‘firkantet’, zo dachten de Denen. Deze Deen vindt dat wel een goede gedachte!

Reacties

Ook nav de discussie rond “De naam van ‘Lis’ en ’t Vierkant” geeft de heer Nieuwenhuis enkele aanvullingen. Het onderschrift bij het plaatje van Venetië met ondertiteling “berömd , fyrkant…” (apr. 2013) is in het Zweeds en niet in het Deens gesteld. En de Zweedse plaats Ljusne ligt niet in Zuid Zweden, maar ca. 250 km ten noorden van Stockholm, in Norrland aan de kust van de Botnische Golf. In het artikel over de naam van Lis en ’t Vierkant staat onder een foto van een plein in Venetië dat de tekst in het Deens is. Het is echter Zweeds.

Kleine Kroniek van Lisse in de zestiger jaren

Arie in ’t Veld  heeft een boek over Lisse uitgebracht. Het heet de kleine kroniek van Lisse in de zestiger jaren.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 10 nummer 1, januari 2011

p donderdag 28 oktober werd, voorafgaand aan de raadsvergadering, door wethouder Adri de Roon het pas uitgekomen boek “De kleine Kroniek van Lisse” in de zestiger jaren van Arie in’t Veld, aan raadsleden en vele andere genodigden waaronder de Ver. Oud Lisse aangeboden.

Het was een leuke bijeenkomst met heel veel humoristische opmerkingen van Arie (iedereen lag in een deuk!). Het boekje met veel prachtige oude foto’s heeft Arie in ’t Veld in opdracht van de gemeente gemaakt. Winkelprijs € 12,50. (voor VOL leden, zo lang de voorraad strekt, €10). Arie is nu al weer begonnen met het boek “Lisse in de zeventiger jaren!” waarvan de uitgave in september wordt verwacht.

Lezing Aad van der Geest over de herkomst van de naam Lisse in 1198

In 1198 vinden we de vermelding ‘aput Lis’. Dit duidt op een plaatsnaam. 

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

In september hield Aad van der Geest een zeer interessante lezing over de herkomst van plaatsnamen. De oudste namen zijn doorgaans van oorsprong waternamen, die op den duur overgingen op de nederzettingen. De oorsprong van Lisse is daar niet uit te verklaren. Van de Geest benadrukt dat altijd teruggekeken moet worden naar de eerste bronnen. De naam Lisse vinden we, als Lis, in 1182 terug in verband met de bruiloft van Margaretha, dochter van graaf Floris III, met Dirk van Kleef. Er staat dan “Magnifice Lis celebratis”, wat duidt op steekspelen, (het grootse tournooiveldse feest). De oorsprong van het Franse woord “Lice” gaat terug op het oud-latijnse “Stlis” via het Latijnse “Litis” of “Lis”, wat strijd of geschil betekende. Later werd de betekenis via het Frans strijdperk of tournooiveld. Tijdens de bruilofsfeesten zou er in deze omgeving een tournooi geweest kunnen zijn. Lis wordt dan dus niet gebruikt als plaatsnaam. Mogelijk was er een eerdere nederzetting met een naam waarvan de betekenis niet meer begrepen werd. In 1198 vinden we een vermelding “apud Lis”. Op dat moment wordt het gebruikt als plaatsaanduiding. Aanpassing in het dagelijkse taalgebruik uit die tijd kan veroorzaakt hebben dat het woord Lis van bijvoeglijk naamwoord veranderde in plaatsnaam.

Een bevallige en welvarende plaats

Het Lisse in 1811 tot 1870 wordt beschreven. De bevolking liep op van 1116 inwoners in 1811 tot 2099 in 1874.

Uit: Witkamp Aardrijkskundig Woordenboek'(18 maart 1877)

Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Nieuwsflitsen

Lisse, gem. in Z.-Holl., tusschen Hillegom, Noordwijkerhout, Voorhout en Sassenheim in Z.-Holl. en Haarlemmermeer in N.-Holl. Het grootste deel der gem. — die in het geheel 1591 bund. beslaat, — bestaat uit allu-visch zand (duingronden). Er zijn echter ook klei-gronden en laag veen. In 1811 had deze gem. 1116, in 1822 1187, in 1840 1544, in 1874 2099 inw. Bij de volkstelling voor 1870 was deze bevolking onderscheiden in 1309 R.-Kath., 498 N.-Herv., l W.-Herv., 115 Chr.-.Geref., 8 Ev.-Luth, 4 Doopsgez., l Rem., l N.-Isr. en l ongen. De voornaamste middelen van bestaan zijn landbouw, bloemkweekerij en warmoezerij (groentenkweke-rij), veeteelt en zuivelbereiding. De gem. bevat het d. Lisse, het geh. Veenenburg, verscheidene buitenverblijven, zooals: Keukenhof, Wassergeest, Wildlust, enz.

Het d. Lisse, aan den straatweg van Haarlem naar Leiden en ‘s-Gravenhage, bevatte in 1870 1262 inw. binnen de kom. Het is eene bevallige, welvarende plaats, met 2 kerken, een voor de R.-Kath. en een voor de Hev. Voor 1460 had Lisse slechts een kapel, doch bij een bul van den 8 Nov. van het genoemde jaar werd deze kapel tot eene parochiekerk verhe­ven. De oudst-bewaarde oorkonde, waarin men den naam Lisse vindt, is van 22 Februari 1259.