Berichten

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

1ste Poellaan 65 – Poldermolen van de Zemelpolder

De molen is een achtkantige bovenkruier op een onderbouw van bakstenen.

Kadaster: D-8293. Bouwjaar: waarschijnlijk 1743, herbouw 2003.

In het bovenwiel stond het jaar 1743 ingekerfd. De molen werd gebruikt om de Zemelpolder droog te houden. In 1999 is de molen afgebrand, in 2003 herbouwd.

Het is een achtkantige bovenkruier, een grondzeiler. De gemetselde onderbouw is van rode baksteen. De bovenbouw is van hout, gedekt met riet. Het kruiwerk bestaat uit een overring en een onderring. Het kruiwerk is m.b.v. de staart en het kruirad vanaf de grond te bedienen. Bovenwiel met kammen en een vang. De vlucht van de molen is ~ 19.30 m (oorspronkelijk was dit minder, nl 17.90 m en later 18.60m)

Oorspronkelijk was het een schepradmolen, later werd een vijzel gebruikt.

Midden 17e eeuw waren er 2 kleine poldertjes in het gebied waar nu de zemelmolen ligt.(samen niet groter dan 50 morgen). Ieder met een eigen watermolen. In 1662 werd besloten om de polders samen te voegen en voortaan door 1 molen te laten bemalen.

Op een oude kaart uit 1687 staat de polder vermeld als Hemelpolder, maar op andere kaarten staat Zemelpolder. Mogelijk is de naam een verwijzing naar “kleine” polder. Een oude betekenis van het woord zemel schijnt klein te zijn.

Wanneer de eerste molen na het besluit van 1662 is gebouwd is niet bekend. Het oudste zekere jaartal is het jaar 1743 wat in het bovenwiel gekerfd stond.
In het archief van Rijnland staan in 1806 gegevens over de molen bekend. Het is een wipwatermolen en de maten van o.a scheprad en wachtdeur worden in duimen omschreven. De te bemalen polder is 42 morgen en 489 roe groot ( 45 ha).
In 1871 (na de Franse tijd waarbij het metrisch stelsel wordt ingevoerd) wordt een meting in cm. opgegeven.
Uit 1904 zijn weer metingen bekend en gaat het om een polderoppervlak van 71 ha.
Tussen de beide laatste metingen zijn grote verschillen. Mogelijk zijn er grote reparaties verricht of is de molen zelfs vernieuwd.

Oorspronkelijk werd de molen alleen door één van de landeigenaren, of hun knechten, in werking gezet wanneer dat nodig was.

Tot 1928 is de molen in bedrijf als schepradmolen. Dan wordt een elektrisch aangedreven vijzel geplaatst. Geleverd door machinefabriek Spaans uit Haarlem. Met ijzeren roeden van 19.30 meter en een gietijzeren as. Voor deze aanpassing moesten de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland toestemming geven, aldus schrijft de toenmalige polderbestuursvoorzitter J.W.A. Lefeber.

In 1943 kocht de gemeente de molen. Voor een symbolisch bedrag van 1 gulden. Grote herstelwerkzaamheden aan het kruiwerk werden hierna uitgevoerd.
Toen er in het voorjaar van 1945 geen elektriciteit meer geleverd werd heeft men de polder met behulp van een automotor bemalen.
In 1973 was er, door het lange stilstaan ( sinds 1928 was er elektrisch bemalen), weer een restauratie nodig. Vanaf die tijd werd de zemelpoldermolen bemalen door leden van het Gilde van Vrijwillige Molenaars. Jan van der Veek en later Pieter van der Veek en zijn vrouw Helga zijn zeer betrokken bij de molen. Er wordt regelmatig gewezen op het feit dat de molen vanaf de 60er jaren van de vorige eeuw steeds meer omsloten wordt door bebouwing en begroeiing.

De molen was rijksmonument, maar werd na de brand in 1999 van de monumentenlijst geschrapt. Alleen de veldmuren bleven na de brand over.
De molen werd weer naar zijn oorspronkelijke vorm gereconstrueerd, dus geen elektrisch aangedreven vijzel, maar weer als vanouds met een scheprad.

Dit kon ook omdat de vijzel in 1928 in de watergang van het scheprad was geplaatst.

De wederopbouw van de molen was mede mogelijk door een inzamelingsactie onder de burgerij. (april 2000). In 2003 was de molen weer herbouwd. Molenmaker was Verbeij. In het gras naast de molen ligt de bovenas van zijn voorganger, die na de brand is afgekeurd.

De molenwerf is redelijk oorspronkelijk. De molenbiotoop is aangetast door omliggende bebouwing en beplanting. Er is te weinig ruimte om de molen.
Vrijwilligers zorgen er voor dat de molen geregeld draait. De molen staat sinds 2008 op de gemeentelijke monumentenlijst.

De Zemelpoldermolen in 1935

De Zemelpoldermolen verloor zijn wieken in 1950 door een storm

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

De molen na de herbouw in 2003

1e Poellaan noordzijde nabij Zemelmolen

Reproductie van een ansichtkaart.

OP OPENMONUMENTENDAG DOET DE POELMOLEN MEE

De Poelpoldermolen is in 1676 gebouwd voor bemaling van ‘De Bedijkte Lisserpoel’.  Het rijksmonument wordt beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

29  augustus 2017

door Nico Groen 

Op 9 september wordt weer de Openmonumentendag georganiseerd. Er zijn maar liefst 20 deelnemende monumenten in Lisse.  Één daarvan is de Grote Poelmolen aan het einde van de 3e Poellaan (Rooversbroekdijk 100). Molenaar Jan van Schalkwijk, vrijwillig molenaar en bewoner laat de molen dan graag zien.
Hij hield op 12 juni jl. een leuke lezing voor de VOL over vele wetenswaardigheden van de molen. Een vijftigtal belangstellenden hoorde in de Vergulde Zwaan aan de Havendwarsstraat 4 bijvoorbeeld hoe de wiekentaal werkt.
 
Het rijksmonument is gebouwd in 1676
De Grote Poelmolen of de Lisserpoelmolen is een rijksmonument en mag dus niet zomaar worden veranderd. De molen is gebouwd in 1676 voor de bemaling van de Lisserpoelpolder, die van origine 235 ha groot is.  In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting.
De molen is niet zo erg groot, maar wordt zo genoemd omdat hij 2 kleine molentjes aan het einde van de 2e Poellaan verving. Deze waren bij de drooglegging van de Poelpolder in 1624 gerealiseerd, maar konden de waterafvoer niet aan. Het is een forse houten, achtkantige bovenkruier met riet gedekt en met lage veldmuren van 0,50 meter hoog. De molen heeft een vlucht van 26,90 m. Het water wordt met een vijzel 3,40 m omhoog gebracht. Een vijzel is een schroefachtig mechaniek. Bij de bouw van de molen werd de vijzel al gemaakt. Dit was toen nog een erg experimenteel werktuig. Hoewel de molen nog steeds functioneel is wordt hij niet meer gebruikt voor het op peil houden van de waterhuishouding van de gecombineerde Poel- en Rooversbroekpolder. Deze functie van de molen is overgenomen door een elektrisch gemaal net ten noorden van de molen. Daar wordt het overtollige water van de Poelpolder omhoog gepompt en gespuid in het restant van de Achterringsloot, dat in open verbinding staat met de Ringvaart. Deze Achterringsloot tussen de Rooversbroek en de Poelpolder is in 1959 gedempt.
De molen kan in noodgevallen dus nog steeds water omhoog brengen. Dat water gaat vanaf de molen rechtstreeks naar de Ringvaart. Daarom is er in het fietspad een bruggetje over dit water gerealiseerd. In het boek ‘Wandel- en fietsroutes langs bruggen in Lisse’ uit 2016 worden ook dit bruggetje en de molen beschreven. Dit boek is nog steeds verkrijgbaar bij de Vereniging Oud Lisse.

Sponsors in 2018 nodig
Het comité Openmonumentendag Lisse organiseert de dag dit jaar voor de laatste keer onder leiding van Emma Schuuring.  De organisatie wordt overgenomen door een werkgroep van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud-Lisse”. Om ervaring op te doen lopen enkele leden van de VOL al een paar jaar mee met het comité. Wat dat betreft worden er daarom in 2018 geen problemen verwacht. Wat wel spannend wordt zijn de financiën. De gemeente Lisse heeft in al haar wijsheid besloten om volgend jaar voor het organiseren van de Open Monumentendag geen subsidie meer beschikbaar te stellen. Wil de VOL één en ander goed organiseren dan is er echter wel geld nodig. Dat heeft de VOL zelf niet. Om onder andere een goede folder te kunnen maken zijn dus sponsors nodig. Men kan zich nu reeds als sponsor aanmelden voor volgend jaar.

Het bruggetje en de Grote Poelmolen Foto uit het boek ‘Wandel- en fietsroutes langs bruggen in Lisse’

Stationsweg 166 – Keukenhof molen

De achtkantige molen op het terrein van de tentoonstelling is in 1957 door de Holland-Amerika Lijn aan de Keukenhof geschonken.

Kadaster: C-4456. monument: 527689. Bouwjaar: 1892.

Het is een achtkante Groninger watermolen uit 1892, gebouwd voor de Rozenburgerpolder bij Scharmer (bij Slochteren).
De poldermolen werd in 1957 opnieuw opgebouwd op het Keukenhofterrein . De kleinzoon van de molenbouwer, die de molen in 1892 in Groningen gebouwd had, was in Lisse de molenbouwer. In Lisse werd de molen omgebouwd tot korenmolen (stellingmolen). Op 4 april 1957 werd de molen weer in gebruik gesteld.

De molen heeft een vlucht van 17,9 m, de hoogte van de stelling is 6,1 m. Deze stelling is extra zwaar geconstrueerd omdat in het seizoen veel bezoekers de stelling beklimmen.
Dit type molen is in Zuid Holland een uitzondering. De molen heeft, zoals in Groningen gebruikelijk, namelijk een lange struit in het midden van de kap.
In de molen zijn 2 gevelstenen ingemetseld. De oudste is meegekomen uit Groningen en dateert van 1892 en andere werd ingemetseld in 1957. De molen draait nog regelmatig. In Zuid Holland bestaat een subsidiebeleid dat is gebaseerd op basis van de jaarlijkse asomwentelingen van hun molen.

De molen op het tentoonstellingsbedrijf

Rooversbroekdijk 100 – Lisserpoelmolen

De Lisserpoelmolen is een achtkante poldermolen met een kap en riet gedekt.

Kadaster: E-2264. Monument: 25907. Bouwjaar: 1667.

De Grote Poelmolen of de Lisserpoelmolen is een rijksmonument en mag dus niet zomaar worden veranderd. De molen is gebouwd in 1676 voor de bemaling van de Lisserpoelpolder, die van origine 235 ha groot is.  In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting.  De molen is niet zo erg groot, maar wordt zo genoemd omdat hij 2 kleine molentjes aan het einde van de 2e Poellaan verving. Deze waren bij de drooglegging van de Poelpolder in 1624 gerealiseerd, maar konden de waterafvoer niet aan. Het is een forse houten, achtkantige bovenkruier met riet gedekt en met lage veldmuren van 0,50 meter hoog. De molen heeft een vlucht van 26,90 m. Het water wordt met een vijzel 3,40 m omhoog gebracht. Een vijzel is een schroefachtig mechaniek. Bij de bouw van de molen werd de vijzel al gemaakt. Dit was toen nog een erg experimenteel werktuig. Hoewel de molen nog steeds functioneel is wordt hij niet meer gebruikt voor het op peil houden van de waterhuishouding van de gecombineerde Poel- en Rooversbroekpolder. Deze functie van de molen is overgenomen door een elektrisch gemaal net ten noorden van de molen. Daar wordt het overtollige water van de Poelpolder omhoog gepompt en gespuid in het restant van de Achterringsloot, dat in open verbinding staat met de Ringvaart. Deze Achterringsloot tussen de Rooversbroek en de Poelpolder is in 1959 gedempt.  De molen kan in noodgevallen dus nog steeds water omhoog brengen. Dat water gaat vanaf de molen rechtstreeks naar de Ringvaart. Daarom is er in het fietspad een bruggetje over dit water gerealiseerd. In het boek ‘Wandel- en fietsroutes langs bruggen in Lisse’ uit 2016 worden ook dit bruggetje en de molen beschreven. Dit boek is nog steeds verkrijgbaar bij de Vereniging Oud Lisse.

 

Keukenhof 1 – Lageveense Wipwatermolen

De Lageveense molen staat aan de Leidsevaart.

Kadaster: A-1272. Monumentnummer: 25903. Bouwjaar: 1890.

In 1654 een polder gesticht op een deel van de “Laege Veenen”. De polder wordt sinds 1654 bemalen door een wipmolen met scheprad. Verscheidene malen werd de molen verbouwd en herbouwd.

Bij de aanleg van de Leidsevaart werd de molen naar het oosten verplaatst. In 1815 wordt de afbraak van deze molen verkocht en vermoedelijk een nieuwe molen gebouwd.

Door de aanleg van de spoorlijn Haarlem-Leiden veranderde de situatie opnieuw, omdat het traject langs de noordwestelijke rand op korte afstand evenwijdig aan de Leidsevaart gepland was.

Een overeenkomst tussen de polder en de “Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij” van 28 januari 1842, goedgekeurd door Rijnland op 14 mei van dat jaar, bepaalde dat de molen op kosten van de Maatschappij zou worden verplaatst, zodat hij voortaan uit kon slaan op een nieuw gegraven sloot met een grondduiker onder de spoorbaan.

Op 25 juli 1890 verbrandde de molen. De molen werd door het bedrijf van de weduwe J. A. Melman te Warmond weer herbouwd en moest volgens het bestek op 19 september 1890 maalvaardig zijn.

In 1950 werd in het Keukenhofbos voor noodgevallen een gemetseld vijzelgemaaltje gezet. In 1990 werd er een pomp ingezet en kwam de molen goeddeels buiten gebruik.

De molen is sinds 1990 in eigendom van de Rijnlandse Molenstichting en kan nog voor bemaling worden ingezet. Molenaars van het Gilde van Vrijwillige Molenaars zorgen er voor dat de molen af en toe draait.

Er volgde nog een restauratie in 1995.

POELPOLDER: Molenaar Duineveld

De bewoningsgeschiedenis van de grote Poelpoldermolen wordt beschreven. Ook andere zaken over de Poelpolder komen aan de orde.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Grote Poelmolen Foto van vóór 1950, genomen richting noorden. Het  noodgemaal met de Kromhoutmotor staat er nog niet. Rechts is de Ringvaart. In het midden, meteen links van de molen is de woning van De Vlieger in de Poelpolder.

Een polder zonder molen is natuurlijk ondenkbaar. Daarom nu herinneringen van de heer Duineveld. Hij was jarenlang molenaar van de Lisserpoelmolen. De heer Duineveld is opgegroeid op een boerderij in De Engel. Na de diensttijd solliciteerde hij naar de functie van molenaar op de Grote Poelmolen. Dat was in 1953. Toen woonde de oude molenaar, Joop Kerkvliet, er nog en daar leerde hij het vak van. In die eerste jaren als molenaar woonde Duineveld nog bij zijn ouders in de Engel. Naast molenaar werd hij ook veehouder. Het vak van molenaar is altijd al een deeltijdbaan geweest. In 1678, toen de voorgangers van de huidige molen er nog stonden, ontving de molenaar op de achtkanter molen 120 gulden en die op de kleinere wipmolen 70 gulden per jaar. Een ongeschoold arbeider verdiende in die tijd zo’n 300 gulden per jaar. Het maalloon was niet slecht en men had vaak ook bepaalde privileges, zoals vrij wonen en
stookvergoeding, maar om in het levensonderhoud te voorzien moest er iets bij gedaan worden.
Voor molenaar Duineveld was het malen dus een deeltijdbaan. In 1961 bedroeg het maalloon bijna 700 gulden. Ter vergelijking: een jaarloon voor een arbeider was begin jaren ’60 zo’n 4.000 gulden/jaar. Je zou bijna concluderen dat de betalingsverhoudingen weinig veranderd zijn in die drie
eeuwen.
Ook andere taken in de polder kwamen in aanmerking voor een vergoeding. In ’75 werd de vergoeding voor polderbestuursleden vastgesteld op fl. 175- per jaar, voor de voorzitter fl. 350- per jaar. In dit verband is het curieus dat de vertegenwoordiger van de gemeente Lisse (Lisse was ook stemgerechtigd), de heer Mesman, in de vergadering stelt dat de vergoedingen veel te laag zijn. Ze zouden moeten verdubbelen. Daarop leggen de bestuursleden uit dat ze hun verkiezing voor het bestuur zien als een grote eer, waar vanzelfsprekend geen juiste geldelijke waardering tegenover behoeft te staan. Bovendien was het al een redelijke verhoging vergeleken met nog niet zo lang daarvoor toen de vergoeding voor een
bestuurslid fl. 25 bedroeg. Zou een dergelijk idealisme nog bestaan? Terug naar molenaar Duineveld in 1953. Brood op de plank moest er komen en de combinatie veehouder/molenaar was passend. Er werden, met geleend geld van pa, 7 koeien gekocht. Vlak bij de molen had Duineveld toen 9 ha. grasland. Bij de ouderlijke boerderij, ook een melkveebedrijf, had hij ook nog eens 9 ha. in gebruik. Hard werken, maar na een jaar kon er afgelost worden. In 1958 ging hij met zijn vrouw in de molen wonen. Er werden 5 kinderen geboren. Ze zouden er uiteindelijk 47 jaar wonen. Toen de vorige molenaar, Joop Kerkvliet, in de molen woonde nam eenvzuiggasmotor, die in de molen geplaatst was, nog veel ruimte in. Dat gezin had beneden een kamer met bedstee, boven ook een kamer met bedstee en op de zolder sliepen de kinderen. In het halletje stond een gasstel. Waterleiding was er niet. Men gebruikte regenwater of haalde ergens een emmer water. Toen was de kwaliteit van regenwater gelukkig nog goed. Die zuiggasmotor moest er voor zorgen dat de polder minder afhankelijk van de wind zou worden voor de bemaling. Maar dat was lang niet voldoende. m de motor aan de gang te krijgen was bovendien de hulp nodig van veehouders uit de buurt. In 1956 kwam er een noodgemaal met een Kromhoutmotor naast de molen te staan. Dus toen de heer en mevrouw Duineveld in de molen kwamen wonen was er wat meer woonruimte. Om vanaf Lisse bij de molen te komen kon je via de 2e Poellaan met een wagen tot De Vlieger (zo’n beetje bij het zuidelijkste puntje van de Roversbroek) komen. Daar was ook een brug naar de Poelpolder. Naar de molen moest je dan het pad over de dijk volgen. Je kon ook door het land naar de 3e Poellaan. Het adres van de molen was ook 3e Poellaan. Maar de verbinding naar de overkant, naar de Haarlemmermeer, was veel eenvoudiger en werd meer gebruikt. Ook voor het boerenbedrijf.

De heer Duineveld zo’n nok van de molen bij een reparatie, uitgevoerd door medewerkers van molenmakersbedrijf
Verbij.

Want de heer Duineveld was dan wel molenaar, zijn beroep was bovenal veehouder en veehandelaar. De melkbussen werden overgevaren. ’s Zomers werden ze 2 maal daags opgehaald, in de winter 1 maal daags om naar melkfabriek Hollandia in Hazerswoude te gaan. Je had toen ook nog melkfabriek Heemskerk in Noordwijkerhout, een melkfabriek in Leiden en natuurlijk Menken in Wassenaar die nog lang heeft bestaan. De melkbussen werden opgehaald door een transporteur en eventueel voor de verschillende fabrieken elders overgeladen. De bussen waren genummerd en je had een dubbel stel melkbussen. Ook een broer van hr. Duineveld werkte 10 jaar in het veebedrijf. Waar indertijd grasland was bij de boerderij van zijn ouders werd het land omgezet en ontstond bollenland. Twee andere broers hadden daar hun bedrijf. Het veehoudersbedrijf bij de molen werd van lieverlee uitgebreid. Er kwamen stallen bij en later ook een woning. Maar het plekje van de molen had zo’n mooi uitzicht; verhuisd naar die woning zijn ze nooit. Inmiddels staan er zo’n 300 koeien op het bedrijf. Dat de melkveehouderij in de laatste 50  jaar enorm veranderd is blijkt wel uit deze aantallen. Met de hand melken was al lang  overgenomen door machines, een melkblok (melkkrukje) is niet meer nodig. Vroeger molk je met de hand en dan deed je zo’n 6 koeien per uur. Nu doet de machine dat voor 100 koeien. En dan de hoeveelheid melk. De 7 koeien waar de heer Duineveld mee begon leverden 2 melkbussen op, 80 l. Nu zorgen 160/170 koeien voor een melkproductie van zo’n 4.000 l. Het 2 maal per daags overvaren met de bussen is al lang voorbij; eens per 3 dagen wordt de koeltank leeggehaald door een melkwagen. De Poelmolen zorgde dus voor het droog houden van de Poelpolder. In de Poelpolder woonden maar weinig mensen; 4 a 5 boerderijen waren er. Daarnaast waren er wel een tiental veehouders die elders hun boerderij hadden, maar in de polder grond bezaten. Uit Lisse waren dat: De Wit, Van der Salm en Hulsebosch. Uit De Engel: Heemskerk, Duineveld en Van der Zon. De Roversbroek en de Poelpolder verschilden wezenlijk van elkaar. In de Roversbroek woonden aardig wat mensen en het waren daar veelal kwekers. Je had één groot veehoudersbedrijf, Warmerdam, en enkele kleinere zoals De Groot, Brak en Bakker. In 1890 was er vanuit de Roversbroek al een keer voorgesteld om te bestuderen of een gezamenlijk stoomgemaal niet een oplossing zou betekenen voor de bemalingsproblemen van beide polders. Er werd lang over onderhandeld, maar in 1896 verwierp het polderbestuur van de Poel het plan.
Toch was de nood soms wel hoog. De Poelpoldermolen werd in 1907 door een windhoos getroffen en in 1917 werden weer de molenas en de roeden vernield. Dan was langdurig onderhoud natuurlijk nodig en ontstond een probleem met de afwatering.
Molenaars kunnen een weersomslag vaak aan zien komen, die hadden daar geen buienradar voor nodig. Toch gebeurde het wel dat een plotseling aanwakkerende wind snel ingrijpen vroeg. Dan was het een hele toer om de molen stil te zetten. Ook molenaar Duineveld is dat wel overkomen. Gelukkig steeds goed afgelopen, maar hij is toch wel met een emmer zand naar boven gegaan om te kijken of de as niet warmgelopen was. Voor onderhoud aan de molen kwam in de begintijd molenmaker De Gelder
uit Leiden. Later werd dat molenmakersbedrijf Verbij uit Hoogmade. De molenaar moest de staat van de molen in de gaten houden en deed voorstellenc aan het polderbestuur voor het noodzakelijk onderhoud. De polder was eigenaar en daar moest dus beslist worden of men het geld er aan wilde besteden. Om een idee te geven: in 1961 werd er door fa. De Gelder voor 1380 gulden werk geleverd aan de molen. Daar kwam verder aan onderhoud nog bij schilderwerk, rietdekkerswerk. Het totaal aan onderhoudswerk
was dat jaar begroot op 3000 gulden. 1 maal per jaar was er een algemene ledenvergadering in de Witte Zwaan. Daar werd ook over de polderlasten gestemd. In 1961 was het voorstel 43 gulden per ha. Leden waren degenen die land in eigendom hadden in de Poelpolder. Het stemrecht was verdeeld naar het aantal ha. grond dat in eigendom was. Het bestuur vergaderde indien nodig. Om te zorgen dat water goed afgevoerd kan worden, wordt er jaarlijks een schouw gehouden. In augustus was er de 1e schouw. Bij de schouw werden de tocht, de scheisloten en natuurlijk de molentocht, die de molenaar zelf
schoon moest houden, bekeken. De molentocht was zo’n 600 m. lang en het moest indertijd allemaal met de hand onderhouden worden, dus dat was wel een paar weken werk . De overige sloten van de veehouders waren eigen verantwoordelijkheid. Toch gebeurde het wel in natte periodes in de zomer,
vooral in het noordelijkste deel van de polder, dat het water niet voldoende weggemalen kon worden. Gemalen werd er dan 24 uur per dag. Een sloot die niet voldoende open was verergerde de problemen natuurlijk. Dan kwamen de veehouders wel verhaal halen bij de molenaar. Eind oktober was de 2e schouw door het polderbestuur. Eerst verzamelen bij de vader van de heer Duineveld (hij zat in het polderbestuur) met koffie. Dan werden de taken voor de schouw verdeeld in noord, zuid en de tocht. Het schouwen was zo tegen 12 uur klaar. Dan naar de molen voor het na vergaderen met een borreltje. Een zeer gezellige afsluiting waarbij drankjes geschonken werden die nu nauwelijks meer gedronken worden als oude genever en een brandewijntje. De Roversbroekpolder en de Poelpolder werden in de 60-er jaren als polders samengevoegd. Het gemaal van de Roversbroek werd in ’70 opgeheven. Dat had gevolgen voor de afwatering. De Poelpolder is een diepe polder; het zomerpeil bedraagt -3,73 m NAP, het winterpeil – 4,- NAP. De Roversbroek ligt iets hoger dan de Poel. De dijken werden afgegraven en er kwamen duikers onder de wegen om het water naar de Poelpolder af te voeren. Extra elektrische bemaling was nodig.

Het recreatieve fietspad ligt inmiddels langs de molen. Foto 1991.

Toen het plan voor de bebouwing er kwam is het land van de veehouders vrij verkocht. Het meeste werd door de gemeente gekocht. Met de bebouwing van de Poelpolder werd de waterafvoer ook anders geregeld. Er kwam een rioolstelsel en de gemeente had een eigen bemaling.
De Poelmolen, eerst eigendom van de Poelpolder, werd overgedaan aan waterschap De Oude Veenen. In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting. Het werk van de molenaar veranderde mee. Tegenwoordig wordt er alleen nog op vrijwillige basis gemalen. Eind 2005 volgde Jan van Schalkwijk molenaar Duineveld op als vrijwillig molenaar. Gelukkig kunnen we anno 2015 nog steeds genieten van de statig ronddraaiende wieken die het mechaniek in gang houden dat het overtollige water afvoert naar de Ringvaart.

Foto van vóór 1950, genomen vanaf de Haarlemmermeer richting Sassenheim.
De optrekjes bij de molen werden verhuurd als vakantieverblijf.

Jan Pieter molenaar van de Lageveense molen deel 2

De Lageveense molen heeft een vlucht van 18.40 meter. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd  door molenmakersbedrijf Melman uit Warmond. Dit artikel en het artikel in het vorige Nieuwsblad met veel informatie is gebaseerd op Molenwereld 2000-9-192. 

door Andries Veloo

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

JP in de Lageveense molen (foto Andries Veloo,21 maart2011

Zijn molen

De molen heeft een vlucht van 18,40 meter, de diameter van het scheprad is 4,02 meter en de schoepbreedte is 32 cm. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd door molenmakersbedrijf wed. J.A. Melman te Warmond. Dezelfde molenmaker bouwde tegelijkertijd de Munnikenmolen te Leiderdorp. Het was kennelijk een groot molenmakersbedrijf, want ze bouwden twee nieuwe wipmolens in een jaar en hadden daarnaast ook nog het normale onderhoudswerk aan de bij hun in onderhoud zijnde molens. Bijzonder aan de Lageveense molen is het veelvuldig gebruik van Amerikaans grenenhout. Het tafelement is gedeeltelijk beton. Merkwaardig is, dat de beide schijfl open helemaal uitgevoerd zijn met schietstaven, dus in het bovenblad met ronde konische gaten, waarover een gesmede ring is geplaatst die aangeklemd wordt met gesmede vleugelmoerbouten. De staven kunnen dus gedraaid worden zonder het schijf uit elkaar te nemen. In het Zuid-Hollands Molenboek van 1961 is te zien dat de wieken nog stroomlijnneuzen volgens het systeem van A.J. Dekker heeft. In 1961 is er een nieuwe stalen buitenroede gestoken. Die kreeg toen fokken, waarschijnlijk zijn alle stroomlijnneuzen toen vervangen voor fokken. Toen in 1978 het molenmakersbedrijf De Gelder vanuit Valkenburg/Oegstgeest verhuisde naar Arkel in de Alblasserwaard, kwam de molen bij de fi rma Verbij in onderhoud. Bij de polderconcentratie van 1979 kwam de Lageveense molen in eigendom van het Hoogheemraadschap van Rijnland, district Middengeest. Voor de concentratie kreeg fi rma Verbij de eerste onderhoudsklus: het vernieuwen van de schepradkast en betonnen vloeren storten op de bestaande houten waterloop vloeren. Alle materialen en gereedschappen moesten over de trekvaart geroeid worden, daarna over het spoor gesjouwd (toen al zeer druk bereden) en daarna weer over de bermsloot geroeid worden, waarlijk niet ongevaarlijk.

Molenaars

De molenaars Leo Cozijn en zijn zoon Bart hebben zo jaren naar de molen gevaren, ze hadden dus gewoon twee roeiboten nodig. In het Keukenhofbos werd begin 1950 een gemetseld vijzelgemaaltje neergezet, dat alleen in noodgevallen werd gebruikt. In 1990 werd het gemaaltje gerenoveerd en er kwam een pomp in. De molen kwam toen buiten gebruik, waarna de molen werd overgedragen aan de Rijnlandse Molenstichting. De vergunning van de spoorwegen om over het spoor naar de molen te lopen werd toen ook opgeheven. Vader Leo Cozijn en zoon Bart zagen ervan af om als vrijwillig molenaar nog langer de Lageveense te malen. In 1995 vond een forse restauratie plaats. Dat betrof bijna het gehele bovenhuis. Jan Hoogenboom heeft er veel aan gewerkt. De molen stond uit zijn werk en als JP met de molen draaide kon hij vanuit het nieuw voor de molenaar getimmerde kamertje het onderschijf zien draaien door een rookglazen ruitje. Jan dacht: Ik zal JP eens ‘verrassen’, en plakte over de staven kalenderplaten van schaars geklede dames, een grap die door JP wel gewaardeerd werd. De molen staat op een hele mooie plek in de Lageveense polder. Er bevindt zich wel een bos op het ZW, maar verder is de biotoop redelijk. De vorige (beroeps)molenaar was Leo Cozijn uit een zeer oud molenaarsgeslacht. Deze Leo kwam begin jaren ‘30 als machinist op de schuin tegenover de Lageveense molen gelegen Hoogeveense molen. In deze molen dreef een motor het scheprad aan. De dorpstimmerman had de molen in onderhoud, ook de gaande werken. Volgens Leo, die een gezellige prater was, stond er geen kam op steek en viel er met de molen niet te malen. Leo zou Leo niet zijn, als hij bij het polderbestuur niet zou aandringen op herstel van de gaande werken om weer op wind te kunnen malen. De fi rma De Gelder kreeg opdracht de molen weer maalvaardig te maken, zodat Leo kon kiezen tussen op de motor, of op de wind te malen. Het werd dus overwegend windbemaling. Leo viste graag, had een tuinderij en een bloemkwekerij tussen de Leidsevaart en de spoorlijn. Door dreigend brandstoftekort tijdens de tweede wereldoorlog besloot het polderbestuur om de Hoogeveense molen in 1939 te voorzien van Dekkerwieken. Leo vond dat er niets ging boven Dekkerwieken. Ze kunnen best 160 enden gaan en zijn dan nog goed stil te zetten, met fokken lukt dat niet, vond hij. Leo kreeg steun van zoon Bart, die zich meer ging ontfermen over de Lageveense. Op 94-jarige leeftijd overleed Leo Cozijn op 30 januari 2000 (Zie Molenwereld 20009-192). Zoon Bart volgde zijn vader op als molenaarmachinist van de Hoogeveense polder. Zo maalt de molen voort.

 

Een roddeltje en de gevolgen (1847)

In de politierapporten van 1847 wordt een roddel vermeld in verband met de korenmolen Speelman. Molenaar van Rhijn zou een schepel rogge hebben achtergehouden. Dat gaf veel commotie. Zelfs ‘heer officier van Justitie’ bemoeide zich er mee. Het bleek achteraf een grap te zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 8

Wie rond 1847 zijn graan wilde laten malen, had keus genoeg: hij kon terecht bij de koren-molenaar aan het einde van de Grachtweg in Lisse of hij bracht het naar molenaar Jan Jacobus van Rhijn te Sassenheim, op de latere molen De Speelman. Van Rhijn was in 1798 geboren in Durgerdam, maar kwam rond 1821 naar Lisse. In dat jaar kocht hij van Pieter Oudshoorn de koren-molen aan de Grachtweg, alsmede een woning aan diezelfde weg, meer richting het dorp. Rond 1827 liet hij de oude korenmolen vervangen door de stellingmolen die we nog op tal van oude ansichten kunnen bewonderen.
Hij geraakte echter in de schulden en tussen 1830 en 1840 heeft hij Lisse vaarwel gezegd en is zich gaan vestigen in Leiden. Vervolgens verhuisde hij naar Sassenheim, waar hij de latere molen De Speelman bouwde.

De molen van Speelman in de negentiende eeuw. In 1847 werkte J.J. van Rhijn hier als korenmolenaar. Op 30 januari 1868 kwam Cornelis Johannes Speelman, van beroep korenmolenaar, naar Sassenheim. Hij woonde in het huis rechts op de foto. Tussen 1890 en 1900 werd de molen afgebroken. Tegenwoordig resteert nog de romp. Bron: G. Verschoor, Sassenheim in oude ansichten (Zaltbommel 1969), p. 10.

Hoe het begon…

Op een dag zat Willem Wubbe, tuinder van beroep en wonende aan het Mallegat op boerderij Klopjeshoven, in de herberg De Engel iets te nuttigen. Hij hoorde met belangstelling de verhalen van de gasten aan. Een van hen was Jan Wezelenburg, boer in Voorhout. Hij had eens een zak rogge aan Van Rhijn in Sassenheim aangeboden om te malen, maar, zo zou hij verteld hebben, de molenaar had vervolgens “een schepel rogge” achtergehouden. De dief! Een paar dagen later bevond Wubbe zich “in de publieke gelagkamer aan ’t Warmonderhek”. Toevallig kwam hij Van Rhijn daar tegen en ze raakten met elkaar in gesprek. Het werd zowaar gezellig, want er kwam al gauw een fles jenever bij te pas. Heel en passant kwam vervolgens het verhaal ter sprake dat hij in herberg De Engel – meende! – gehoord te hebben, namelijk dat Van Wezelenburg had gezegd dat Van Rhijn een schepel rogge had achtergehouden. Het roddeltje was nu verspreid…

De gevolgen…

Hoe de Sassemse korenmolenaar precies reageerde weten we niet, maar mogelijk heeft hij het hoog opgevat, want het kwam ook “de heer officier van Justitie” ter ore en dan was er toch echt iets loos! Het opvallende was echter dat Van Wezelenburg nergens iets van af wist. Ook Willem Wubbe was “hoogst bevreemd” dat aan het verhaal “zodanig gevolg was gegeven”. Hij verklaarde dat “de gesprekken (met Van Rhijn) zijn gehouden en de mededeling van t gezegde aan Van Rijn gedaan is onder een glas jenever en vertrouwelijk met elkander zittende praten”.

De aap komt uit de mauw…
In opdracht van diezelfde “heer officier van Justitie” verscheen dan ook op 10 juni 1847 Willem Wubbe ter secretarie van Lisse aan ’t Vierkant. Hij verklaarde dat hij inderdaad niet ontkennen kon dat hij aan Van Rhijn verteld had “dat Wezelenburg gezegd had een baksel rogge te kort te zijn gekomen van het mud rogge dat hij bij hem had laten malen”. En dan komt het: mogelijk had hij Van Wezelenburg echter verkeerd begrepen “en deze vroeger van Van Rijn gesproken hebbende, later van andere molenaars en van zoodanig afhouden van graan sprekende, hij die gesprekken ten onjuiste kan zamengevoegd hebben”. Het was dus gewoon een roddeltje geweest dat Wubbe aan Van Rhijn had verteld! Willem had nooit de bedoeling gehad “aan een hunner (dus aan Van Wezelenburg of aan Van Rhijn) eenig leed of nadeel te hebben willen berokkenen”. Hij wilde dan ook best zich met Van Wezelenburg “in ’t vriendelijke verstaan, teneinde mogelijk misverstand te verklaren”. Het kwaad was echter inmiddels al geschied…

Conclusie
Het is interessant om te zien hoe vroeger bepaalde verhaaltjes konden ontstaan en vervolgens zich verspreidden. Herbergen en in het algemeen drinkgelegenheden speelden daarbij kennelijk een grote rol. Logisch natuurlijk, omdat het hier belangrijke ontmoetingsplaatsen betrof in het sociale leven van die tijd. Daarom waren er ook zoveel “logementen” in het Lisse van die dagen.
Een roddeltje kon gemakkelijk ontstaan, onder meer doordat men zich weinig rekenschap gaf van de eventuele gevolgen ervan. Zeker wanneer er een fles jenever een rol ging spelen en er een gezellige atmosfeer ontstond, zoals uit het bovenstaande verhaal blijkt.
Het blijft de vraag of Willem Wubbe hieruit een les voor zichzelf heeft getrokken. In ieder geval zal de lucht in de herbergen wel met allerlei verhalen van een twijfelachtig gehalte vervult blijven. Roddeltjes hebben altijd al bestaan. Waarschijnlijk zijn ze zo oud als de mensheid…
Bron: Gemeentearchief Lisse, inv.nr 1115.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Liss