Berichten

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

1ste Poellaan 65 – Poldermolen van de Zemelpolder

De molen is een achtkantige bovenkruier op een onderbouw van bakstenen.

Kadaster: D-8293. Bouwjaar: waarschijnlijk 1743, herbouw 2003.

In het bovenwiel stond het jaar 1743 ingekerfd. De molen werd gebruikt om de Zemelpolder droog te houden. In 1999 is de molen afgebrand, in 2003 herbouwd.

Het is een achtkantige bovenkruier, een grondzeiler. De gemetselde onderbouw is van rode baksteen. De bovenbouw is van hout, gedekt met riet. Het kruiwerk bestaat uit een overring en een onderring. Het kruiwerk is m.b.v. de staart en het kruirad vanaf de grond te bedienen. Bovenwiel met kammen en een vang. De vlucht van de molen is ~ 19.30 m (oorspronkelijk was dit minder, nl 17.90 m en later 18.60m)

Oorspronkelijk was het een schepradmolen, later werd een vijzel gebruikt.

Midden 17e eeuw waren er 2 kleine poldertjes in het gebied waar nu de zemelmolen ligt.(samen niet groter dan 50 morgen). Ieder met een eigen watermolen. In 1662 werd besloten om de polders samen te voegen en voortaan door 1 molen te laten bemalen.

Op een oude kaart uit 1687 staat de polder vermeld als Hemelpolder, maar op andere kaarten staat Zemelpolder. Mogelijk is de naam een verwijzing naar “kleine” polder. Een oude betekenis van het woord zemel schijnt klein te zijn.

Wanneer de eerste molen na het besluit van 1662 is gebouwd is niet bekend. Het oudste zekere jaartal is het jaar 1743 wat in het bovenwiel gekerfd stond.
In het archief van Rijnland staan in 1806 gegevens over de molen bekend. Het is een wipwatermolen en de maten van o.a scheprad en wachtdeur worden in duimen omschreven. De te bemalen polder is 42 morgen en 489 roe groot ( 45 ha).
In 1871 (na de Franse tijd waarbij het metrisch stelsel wordt ingevoerd) wordt een meting in cm. opgegeven.
Uit 1904 zijn weer metingen bekend en gaat het om een polderoppervlak van 71 ha.
Tussen de beide laatste metingen zijn grote verschillen. Mogelijk zijn er grote reparaties verricht of is de molen zelfs vernieuwd.

Oorspronkelijk werd de molen alleen door één van de landeigenaren, of hun knechten, in werking gezet wanneer dat nodig was.

Tot 1928 is de molen in bedrijf als schepradmolen. Dan wordt een elektrisch aangedreven vijzel geplaatst. Geleverd door machinefabriek Spaans uit Haarlem. Met ijzeren roeden van 19.30 meter en een gietijzeren as. Voor deze aanpassing moesten de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland toestemming geven, aldus schrijft de toenmalige polderbestuursvoorzitter J.W.A. Lefeber.

In 1943 kocht de gemeente de molen. Voor een symbolisch bedrag van 1 gulden. Grote herstelwerkzaamheden aan het kruiwerk werden hierna uitgevoerd.
Toen er in het voorjaar van 1945 geen elektriciteit meer geleverd werd heeft men de polder met behulp van een automotor bemalen.
In 1973 was er, door het lange stilstaan ( sinds 1928 was er elektrisch bemalen), weer een restauratie nodig. Vanaf die tijd werd de zemelpoldermolen bemalen door leden van het Gilde van Vrijwillige Molenaars. Jan van der Veek en later Pieter van der Veek en zijn vrouw Helga zijn zeer betrokken bij de molen. Er wordt regelmatig gewezen op het feit dat de molen vanaf de 60er jaren van de vorige eeuw steeds meer omsloten wordt door bebouwing en begroeiing.

De molen was rijksmonument, maar werd na de brand in 1999 van de monumentenlijst geschrapt. Alleen de veldmuren bleven na de brand over.
De molen werd weer naar zijn oorspronkelijke vorm gereconstrueerd, dus geen elektrisch aangedreven vijzel, maar weer als vanouds met een scheprad.

Dit kon ook omdat de vijzel in 1928 in de watergang van het scheprad was geplaatst.

De wederopbouw van de molen was mede mogelijk door een inzamelingsactie onder de burgerij. (april 2000). In 2003 was de molen weer herbouwd. Molenmaker was Verbeij. In het gras naast de molen ligt de bovenas van zijn voorganger, die na de brand is afgekeurd.

De molenwerf is redelijk oorspronkelijk. De molenbiotoop is aangetast door omliggende bebouwing en beplanting. Er is te weinig ruimte om de molen.
Vrijwilligers zorgen er voor dat de molen geregeld draait. De molen staat sinds 2008 op de gemeentelijke monumentenlijst.

De Zemelpoldermolen in 1935

De Zemelpoldermolen verloor zijn wieken in 1950 door een storm

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

De molen na de herbouw in 2003

1e Poellaan noordzijde nabij Zemelmolen

Reproductie van een ansichtkaart.

OP OPENMONUMENTENDAG DOET DE POELMOLEN MEE

De Poelpoldermolen is in 1676 gebouwd voor bemaling van ‘De Bedijkte Lisserpoel’.  Het rijksmonument wordt beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

29  augustus 2017

door Nico Groen 

Op 9 september wordt weer de Openmonumentendag georganiseerd. Er zijn maar liefst 20 deelnemende monumenten in Lisse.  Één daarvan is de Grote Poelmolen aan het einde van de 3e Poellaan (Rooversbroekdijk 100). Molenaar Jan van Schalkwijk, vrijwillig molenaar en bewoner laat de molen dan graag zien.
Hij hield op 12 juni jl. een leuke lezing voor de VOL over vele wetenswaardigheden van de molen. Een vijftigtal belangstellenden hoorde in de Vergulde Zwaan aan de Havendwarsstraat 4 bijvoorbeeld hoe de wiekentaal werkt.
 
Het rijksmonument is gebouwd in 1676
De Grote Poelmolen of de Lisserpoelmolen is een rijksmonument en mag dus niet zomaar worden veranderd. De molen is gebouwd in 1676 voor de bemaling van de Lisserpoelpolder, die van origine 235 ha groot is.  In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting.
De molen is niet zo erg groot, maar wordt zo genoemd omdat hij 2 kleine molentjes aan het einde van de 2e Poellaan verving. Deze waren bij de drooglegging van de Poelpolder in 1624 gerealiseerd, maar konden de waterafvoer niet aan. Het is een forse houten, achtkantige bovenkruier met riet gedekt en met lage veldmuren van 0,50 meter hoog. De molen heeft een vlucht van 26,90 m. Het water wordt met een vijzel 3,40 m omhoog gebracht. Een vijzel is een schroefachtig mechaniek. Bij de bouw van de molen werd de vijzel al gemaakt. Dit was toen nog een erg experimenteel werktuig. Hoewel de molen nog steeds functioneel is wordt hij niet meer gebruikt voor het op peil houden van de waterhuishouding van de gecombineerde Poel- en Rooversbroekpolder. Deze functie van de molen is overgenomen door een elektrisch gemaal net ten noorden van de molen. Daar wordt het overtollige water van de Poelpolder omhoog gepompt en gespuid in het restant van de Achterringsloot, dat in open verbinding staat met de Ringvaart. Deze Achterringsloot tussen de Rooversbroek en de Poelpolder is in 1959 gedempt.
De molen kan in noodgevallen dus nog steeds water omhoog brengen. Dat water gaat vanaf de molen rechtstreeks naar de Ringvaart. Daarom is er in het fietspad een bruggetje over dit water gerealiseerd. In het boek ‘Wandel- en fietsroutes langs bruggen in Lisse’ uit 2016 worden ook dit bruggetje en de molen beschreven. Dit boek is nog steeds verkrijgbaar bij de Vereniging Oud Lisse.

Sponsors in 2018 nodig
Het comité Openmonumentendag Lisse organiseert de dag dit jaar voor de laatste keer onder leiding van Emma Schuuring.  De organisatie wordt overgenomen door een werkgroep van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud-Lisse”. Om ervaring op te doen lopen enkele leden van de VOL al een paar jaar mee met het comité. Wat dat betreft worden er daarom in 2018 geen problemen verwacht. Wat wel spannend wordt zijn de financiën. De gemeente Lisse heeft in al haar wijsheid besloten om volgend jaar voor het organiseren van de Open Monumentendag geen subsidie meer beschikbaar te stellen. Wil de VOL één en ander goed organiseren dan is er echter wel geld nodig. Dat heeft de VOL zelf niet. Om onder andere een goede folder te kunnen maken zijn dus sponsors nodig. Men kan zich nu reeds als sponsor aanmelden voor volgend jaar.

Het bruggetje en de Grote Poelmolen Foto uit het boek ‘Wandel- en fietsroutes langs bruggen in Lisse’

Molen vijftig jaar op Keukenhof

De molen op Keukenhof is 50 jaar. Het is sinds 2004 een rijksmonument. Het is in 1892 gebouwd in Groningen. In 1957 in het geheel ontmanteld en op keukenhof weer opgebouwd.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Nieuwsflitsen

Eén van de jongste monumenten op het landgoed Keukenhof is de molen die zich op het terrein van de bloemententoonstelling bevindt. Het is niet zozeer het jongste monument in jaren, maar wel wat het predikaat ‘monumentaal’ betreft, want pas sinds 2004 is de molen opgenomen op de Rijks Monumentenlijst. Het is ook een zeer bekende molen en wellicht het meest gefotografeerde exemplaar ter wereld, want vanaf het moment dat de molen op Keukenhof verrees, hebben honderdduizenden mensen het monument bezichtigd en beklommen, om vanaf de omloop de omliggende bloembollenvelden en Keukenhof te bekijken. Het betreft een zogenoemde Stellingmolen, die in 1892 werd gebouwd en oorspronkelijk dienst deed als watermolen in de Rozenburgpolder in Groningen. De molen werd aan Keukenhof geschonken door de Holland Amerika Lijn, in 1957 geheel ontmanteld en op het tentoonstellingsterrein opnieuw opgebouwd, waar hij op 4 april in gebruik werd genomen. Dat is dus op 4 april van dit jaar precies vijftig jaar geleden! Een reden voor Keukenhof om daar bij stil te staan, niet in het minst omdat dit ‘jubileum’ valt in het Jaar van de molen, 2007.

Een roddeltje en de gevolgen (1847)

In de politierapporten van 1847 wordt een roddel vermeld in verband met de korenmolen Speelman. Molenaar van Rhijn zou een schepel rogge hebben achtergehouden. Dat gaf veel commotie. Zelfs ‘heer officier van Justitie’ bemoeide zich er mee. Het bleek achteraf een grap te zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 8

Wie rond 1847 zijn graan wilde laten malen, had keus genoeg: hij kon terecht bij de koren-molenaar aan het einde van de Grachtweg in Lisse of hij bracht het naar molenaar Jan Jacobus van Rhijn te Sassenheim, op de latere molen De Speelman. Van Rhijn was in 1798 geboren in Durgerdam, maar kwam rond 1821 naar Lisse. In dat jaar kocht hij van Pieter Oudshoorn de koren-molen aan de Grachtweg, alsmede een woning aan diezelfde weg, meer richting het dorp. Rond 1827 liet hij de oude korenmolen vervangen door de stellingmolen die we nog op tal van oude ansichten kunnen bewonderen.
Hij geraakte echter in de schulden en tussen 1830 en 1840 heeft hij Lisse vaarwel gezegd en is zich gaan vestigen in Leiden. Vervolgens verhuisde hij naar Sassenheim, waar hij de latere molen De Speelman bouwde.

De molen van Speelman in de negentiende eeuw. In 1847 werkte J.J. van Rhijn hier als korenmolenaar. Op 30 januari 1868 kwam Cornelis Johannes Speelman, van beroep korenmolenaar, naar Sassenheim. Hij woonde in het huis rechts op de foto. Tussen 1890 en 1900 werd de molen afgebroken. Tegenwoordig resteert nog de romp. Bron: G. Verschoor, Sassenheim in oude ansichten (Zaltbommel 1969), p. 10.

Hoe het begon…

Op een dag zat Willem Wubbe, tuinder van beroep en wonende aan het Mallegat op boerderij Klopjeshoven, in de herberg De Engel iets te nuttigen. Hij hoorde met belangstelling de verhalen van de gasten aan. Een van hen was Jan Wezelenburg, boer in Voorhout. Hij had eens een zak rogge aan Van Rhijn in Sassenheim aangeboden om te malen, maar, zo zou hij verteld hebben, de molenaar had vervolgens “een schepel rogge” achtergehouden. De dief! Een paar dagen later bevond Wubbe zich “in de publieke gelagkamer aan ’t Warmonderhek”. Toevallig kwam hij Van Rhijn daar tegen en ze raakten met elkaar in gesprek. Het werd zowaar gezellig, want er kwam al gauw een fles jenever bij te pas. Heel en passant kwam vervolgens het verhaal ter sprake dat hij in herberg De Engel – meende! – gehoord te hebben, namelijk dat Van Wezelenburg had gezegd dat Van Rhijn een schepel rogge had achtergehouden. Het roddeltje was nu verspreid…

De gevolgen…

Hoe de Sassemse korenmolenaar precies reageerde weten we niet, maar mogelijk heeft hij het hoog opgevat, want het kwam ook “de heer officier van Justitie” ter ore en dan was er toch echt iets loos! Het opvallende was echter dat Van Wezelenburg nergens iets van af wist. Ook Willem Wubbe was “hoogst bevreemd” dat aan het verhaal “zodanig gevolg was gegeven”. Hij verklaarde dat “de gesprekken (met Van Rhijn) zijn gehouden en de mededeling van t gezegde aan Van Rijn gedaan is onder een glas jenever en vertrouwelijk met elkander zittende praten”.

De aap komt uit de mauw…
In opdracht van diezelfde “heer officier van Justitie” verscheen dan ook op 10 juni 1847 Willem Wubbe ter secretarie van Lisse aan ’t Vierkant. Hij verklaarde dat hij inderdaad niet ontkennen kon dat hij aan Van Rhijn verteld had “dat Wezelenburg gezegd had een baksel rogge te kort te zijn gekomen van het mud rogge dat hij bij hem had laten malen”. En dan komt het: mogelijk had hij Van Wezelenburg echter verkeerd begrepen “en deze vroeger van Van Rijn gesproken hebbende, later van andere molenaars en van zoodanig afhouden van graan sprekende, hij die gesprekken ten onjuiste kan zamengevoegd hebben”. Het was dus gewoon een roddeltje geweest dat Wubbe aan Van Rhijn had verteld! Willem had nooit de bedoeling gehad “aan een hunner (dus aan Van Wezelenburg of aan Van Rhijn) eenig leed of nadeel te hebben willen berokkenen”. Hij wilde dan ook best zich met Van Wezelenburg “in ’t vriendelijke verstaan, teneinde mogelijk misverstand te verklaren”. Het kwaad was echter inmiddels al geschied…

Conclusie
Het is interessant om te zien hoe vroeger bepaalde verhaaltjes konden ontstaan en vervolgens zich verspreidden. Herbergen en in het algemeen drinkgelegenheden speelden daarbij kennelijk een grote rol. Logisch natuurlijk, omdat het hier belangrijke ontmoetingsplaatsen betrof in het sociale leven van die tijd. Daarom waren er ook zoveel “logementen” in het Lisse van die dagen.
Een roddeltje kon gemakkelijk ontstaan, onder meer doordat men zich weinig rekenschap gaf van de eventuele gevolgen ervan. Zeker wanneer er een fles jenever een rol ging spelen en er een gezellige atmosfeer ontstond, zoals uit het bovenstaande verhaal blijkt.
Het blijft de vraag of Willem Wubbe hieruit een les voor zichzelf heeft getrokken. In ieder geval zal de lucht in de herbergen wel met allerlei verhalen van een twijfelachtig gehalte vervult blijven. Roddeltjes hebben altijd al bestaan. Waarschijnlijk zijn ze zo oud als de mensheid…
Bron: Gemeentearchief Lisse, inv.nr 1115.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Liss

Stationsweg 166 – Keukenhof molen

De achtkantige molen op het terrein van de tentoonstelling is in 1957 door de Holland-Amerika Lijn aan de Keukenhof geschonken.

Kadaster: C-4456. monument: 527689. Bouwjaar: 1892.

Het is een achtkante Groninger watermolen uit 1892, gebouwd voor de Rozenburgerpolder bij Scharmer (bij Slochteren).
De poldermolen werd in 1957 opnieuw opgebouwd op het Keukenhofterrein . De kleinzoon van de molenbouwer, die de molen in 1892 in Groningen gebouwd had, was in Lisse de molenbouwer. In Lisse werd de molen omgebouwd tot korenmolen (stellingmolen). Op 4 april 1957 werd de molen weer in gebruik gesteld.

De molen heeft een vlucht van 17,9 m, de hoogte van de stelling is 6,1 m. Deze stelling is extra zwaar geconstrueerd omdat in het seizoen veel bezoekers de stelling beklimmen.
Dit type molen is in Zuid Holland een uitzondering. De molen heeft, zoals in Groningen gebruikelijk, namelijk een lange struit in het midden van de kap.
In de molen zijn 2 gevelstenen ingemetseld. De oudste is meegekomen uit Groningen en dateert van 1892 en andere werd ingemetseld in 1957. De molen draait nog regelmatig. In Zuid Holland bestaat een subsidiebeleid dat is gebaseerd op basis van de jaarlijkse asomwentelingen van hun molen.

De molen op het tentoonstellingsbedrijf

Rooversbroekdijk 100 – Lisserpoelmolen

De Lisserpoelmolen is een achtkante poldermolen met een kap en riet gedekt.

Kadaster: E-2264. Monument: 25907. Bouwjaar: 1667.

De Grote Poelmolen of de Lisserpoelmolen is een rijksmonument en mag dus niet zomaar worden veranderd. De molen is gebouwd in 1676 voor de bemaling van de Lisserpoelpolder, die van origine 235 ha groot is.  In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting.  De molen is niet zo erg groot, maar wordt zo genoemd omdat hij 2 kleine molentjes aan het einde van de 2e Poellaan verving. Deze waren bij de drooglegging van de Poelpolder in 1624 gerealiseerd, maar konden de waterafvoer niet aan. Het is een forse houten, achtkantige bovenkruier met riet gedekt en met lage veldmuren van 0,50 meter hoog. De molen heeft een vlucht van 26,90 m. Het water wordt met een vijzel 3,40 m omhoog gebracht. Een vijzel is een schroefachtig mechaniek. Bij de bouw van de molen werd de vijzel al gemaakt. Dit was toen nog een erg experimenteel werktuig. Hoewel de molen nog steeds functioneel is wordt hij niet meer gebruikt voor het op peil houden van de waterhuishouding van de gecombineerde Poel- en Rooversbroekpolder. Deze functie van de molen is overgenomen door een elektrisch gemaal net ten noorden van de molen. Daar wordt het overtollige water van de Poelpolder omhoog gepompt en gespuid in het restant van de Achterringsloot, dat in open verbinding staat met de Ringvaart. Deze Achterringsloot tussen de Rooversbroek en de Poelpolder is in 1959 gedempt.  De molen kan in noodgevallen dus nog steeds water omhoog brengen. Dat water gaat vanaf de molen rechtstreeks naar de Ringvaart. Daarom is er in het fietspad een bruggetje over dit water gerealiseerd. In het boek ‘Wandel- en fietsroutes langs bruggen in Lisse’ uit 2016 worden ook dit bruggetje en de molen beschreven. Dit boek is nog steeds verkrijgbaar bij de Vereniging Oud Lisse.

 

Keukenhof 1 – Lageveense Wipwatermolen

De Lageveense molen staat aan de Leidsevaart.

Kadaster: A-1272. Monumentnummer: 25903. Bouwjaar: 1890.

In 1654 een polder gesticht op een deel van de “Laege Veenen”. De polder wordt sinds 1654 bemalen door een wipmolen met scheprad. Verscheidene malen werd de molen verbouwd en herbouwd.

Bij de aanleg van de Leidsevaart werd de molen naar het oosten verplaatst. In 1815 wordt de afbraak van deze molen verkocht en vermoedelijk een nieuwe molen gebouwd.

Door de aanleg van de spoorlijn Haarlem-Leiden veranderde de situatie opnieuw, omdat het traject langs de noordwestelijke rand op korte afstand evenwijdig aan de Leidsevaart gepland was.

Een overeenkomst tussen de polder en de “Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij” van 28 januari 1842, goedgekeurd door Rijnland op 14 mei van dat jaar, bepaalde dat de molen op kosten van de Maatschappij zou worden verplaatst, zodat hij voortaan uit kon slaan op een nieuw gegraven sloot met een grondduiker onder de spoorbaan.

Op 25 juli 1890 verbrandde de molen. De molen werd door het bedrijf van de weduwe J. A. Melman te Warmond weer herbouwd en moest volgens het bestek op 19 september 1890 maalvaardig zijn.

In 1950 werd in het Keukenhofbos voor noodgevallen een gemetseld vijzelgemaaltje gezet. In 1990 werd er een pomp ingezet en kwam de molen goeddeels buiten gebruik.

De molen is sinds 1990 in eigendom van de Rijnlandse Molenstichting en kan nog voor bemaling worden ingezet. Molenaars van het Gilde van Vrijwillige Molenaars zorgen er voor dat de molen af en toe draait.

Er volgde nog een restauratie in 1995.

2007 het Jaar van de Molen

De geschiedenis van de wipwatermolen begint vóór 1652. De gehele geschiedenis wordt besproken.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

 

De wipwatermolen in de Lageveense Polder in 1970: ‘om duinwater te verwinnen’

In de Lageveense Polder, aan de overkant van de Leidsevaart, staat een wipwatermolen. Hij bevindt zich aan de spoorbaan, maar oorspronkelijk was hij gelegen aan de Leidsevaart. Onze verslaggever ontdekte dat er hier al een watermolen stond in 1650!

De wipwatermolen maakt deel uit van het landgoed Wassergeest. In het boek Wassergeest te Lisse leest u meer over de geschiedenis van dit nog bestaande landgoed. Toen de Lageveense Polder in 1652 werd gesticht, bestond het molentje al. In die beginjaren van de polder ondervond men veel overlast van zogenaamd kwelwater wat vanuit het Keukenduin in de polder terechtkwam. Deze overlast was zodanig dat “de molen niet machtig is de landen behoorlijk boven het water te houden”. Een groot gedeelte van het jaar moest “de molen malen om het voorschreven duinwater te verwinnen”. Een en ander speelde zich reeds in 1652 af, zodat we kunnen aannemen dat de Lageveense Watermolen toen al bestond. Overigens is die wateroverlast nog lang zo gebleven.

Aanleg Leidsevaart, 1657

Vijf jaar later wordt de Leidsevaart aangelegd. Het jaar daarvoor – in 1656 – werden reeds de daartoe benodigde gronden onteigend. Van de te onteigenen percelen is toen ook een kaart vervaardigd. Zoals we zien bevond de molen – toen al een eenvoudige wipwatermolen – zich op perceel nummer 214 dat eigendom was van Gerrit Symonsz. De molen grensde aan een slootje dat langs de Vaert Weg liep. Het tracée van de nieuwe vaart is reeds aangegeven. Deze loopt oostelijk van laatstgenoemde weg en loopt dus dwars door het perceel waarop het molentje getekend staat. Deze zal na 1657, het jaar waarin de Leidsevaart gereedkwam, dan ook wel verplaatst zijn. Aan de overzijde van de Vaert Weg bevindt zich op het grondgebied van Noordwijkerhout ook een molen. Deze is nog steeds aanwezig.

De wipwatermolen op een foto uit 1950

Een nieuwe molen, 1815

Op 16 juni 1815 wordt er door de Lissese notaris Cramerus publiek verkocht “de Afbraak der Laage Veenschen Polders Watermolen” op verzoek van “Jan Warmerdam en Dirk van der Hulst, beiden woonende te Lisse, als Poldermeesteren des Lageveenschen Polders onder Lisse”. De totaalopbrengst bedraagt 130 gulden en 17 stuivers. Indien de molen niet tussentijds herbouwd is, heeft hij dus bestaan vanaf circa 1650 tot 1815, dus ongeveer 165 jaar. Er kwam een nieuwe wipwatermolen. Deze moest echter in 1842 weer verplaatst worden, toen de spoorweg werd aangelegd. En weer kwam de molen dus een stukje oostelijker te liggen, evenals in 1657.

Brand, 1890

In het Leidsch dagblad van 28 juli 1890 lezen we dat de molen in de Lageveense Polder in de brand was geraakt door de vonken van een passerende locomotief. Maar ook nu kwam er gewoon weer een nieuwe molen. Of dat de huidige bestaande molen is, of dat er na 1890 weer een nieuwe molen is gekomen is mij helaas niet bekend.

Geraadpleegde bronnen: Nationaal Archief, Notarieel Archief Lisse, inv.nr. 5347, akte 44. Akte van 16 juni 1815. A.M. Hulkenberg, Keukenhof, Hollandse Studiën 7 (Dordrecht 1975), p. 59.