Berichten

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

De voorgeschiedenis van Anna Beelen wordt beschreven.Het verhaal begint bij haar opa, die molenaar was op de Korenmolen van Beelen aan de Grachtweg

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Wanneer je de jongste bent van 15 kinderen en je vader is ook nog eens de jongste uit zijn gezin, dan is het niet zo verwonderlijk dat je de opa van vaders kant nooit gekend hebt. Overigens heeft Puck de Vroomen-Beelen, hoofdpersoon van het kwartiertje in dit Nieuwsblad, de grootouders van beide kanten nooit gekend. Haar Lisser grootvader was een bekende dorpsgenoot. Hij was de molenaar op korenmolen de Korenbloem. De familiegeschiedenis van de familie Beelen en de molen is door Bert Kölker uitvoerig beschreven in het boek ‘Kroniek van de Lisser timmerman en molenaar Cornelis van der Zaal 1762-1839’.
Hier start ons verhaal met de opa van Puck, Pieter Beelen, die in 1865 de korenmolen koopt. Bij de koop van de molen is het huis aan de Grachtweg inbegrepen, maar daar kan hij niet meteen over beschikken. Pieter trouwt in 1867 een meisje uit een bekende Hillegomse familie, Geertruida van Dril. Samen krijgen ze 7 kinderen. De jongste is Mattheus, geboren in 1878. Thijs wordt in de molen geboren. Hij is 2 jaar wanneer de familie naar een gewoon huis aan de Grachtweg/hoek Molenstraat verhuist. Thijs is de vader van Puck.
Oudste zoon Gerrit van het echtpaar Beelen-van Dril verhuist naar Rijpwetering en begint daar een maalderij. Tweede zoon Jan begint in De Zilk een graanhandel. Zoons Piet en Frans volgen Pieter Beelen op in de korenmolen in Lisse. Jongste zoon Thijs gaat een heel andere weg op. Hij gaat in de leer voor het bollenvak bij de familie Slegtkamp aan de Heereweg 291.

Thijs Beelen te paard met de molen, die gepavoiseerd is

In september 1898 zijn in heel Nederland, dus ook in Lisse, grootse feestelijkheden ter ere van de troonopvolging door koningin Wilhelmina. De molen is gepavoiseerd en Thijs doet te paard mee aan de historische optocht. Thijs is bevriend met Cor Langeveld van de kaashandel aan het Vierkant. Diens vrouw heeft familie in Schalkwijk, toen nog een boerengemeenschap, vallend onder de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Zo kan het gebeuren dat Thijs met de tilbury regelmatig naar Schalkwijk rijdt. Want via Cor en zijn vrouw leert Thijs een meisje kennen, Anna Horstman, en het klikt meteen. Anna Horstman woont in een boerderij aan het Spaarne. Het is een melkveehouderij. Werk in overvloed en ook Anna moet helpen. Met tegenzin, maar haar vader belooft haar dat ze een naaimachine krijgt wanneer ze tot haar 18e blijft helpen met melken. En daar doe je wat voor!
Thijs koopt grond aan de Heereweg, aan het Oostend. Hij laat er een huis annex bollenschuur bouwen. Het adres is Heereweg 67/Nieuwstraat 2. Thijs Beelen en Anna Horstman trouwen in 1906 en een jaar later wordt dochter Truce geboren. Het jaar 1908 is een bewogen jaar. Eerst sterft de vader van Anna, een paar maanden later komt de vader van Thijs te overlijden. Weer een maand later wordt dochter Agaath geboren. Opoe Horstman uit Schalkwijk komt, wanneer de boerderij langs het Spaarne overgenomen is door haar zoon, ook bij haar enige dochter in Lisse wonen. Zij is dolblij met de geboorte van Anny, dochter nr. 5. Daarvoor zagen dochter Nel en zoon Piet al het levenslicht. In de officiële aktes zijn 14 geboortes aangegeven, maar in de familie spreekt men van de geboorte van 15 kinderen. Met nog een aantal miskramen staat de periode van 21 jaar waarin de kinderen worden geboren, voortdurend in het teken van zwangerschap, geboorte en dood. Want een aantal kinderen sterft op zeer jonge leeftijd. Anna Beelen-Horstman draagt zeer regelmatig zwarte kleding vanwege de rouw.
Het jongste kind is Maria Anna Theresia, die aanvankelijk Ria wordt genoemd, maar al gauw Puck heet.

De rest van het verhaal kunt u lezen in het Nieuwsblad van april 2016

POELPOLDER: Molenaar Duineveld

De bewoningsgeschiedenis van de grote Poelpoldermolen wordt beschreven. Ook andere zaken over de Poelpolder komen aan de orde.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Grote Poelmolen Foto van vóór 1950, genomen richting noorden. Het  noodgemaal met de Kromhoutmotor staat er nog niet. Rechts is de Ringvaart. In het midden, meteen links van de molen is de woning van De Vlieger in de Poelpolder.

Een polder zonder molen is natuurlijk ondenkbaar. Daarom nu herinneringen van de heer Duineveld. Hij was jarenlang molenaar van de Lisserpoelmolen. De heer Duineveld is opgegroeid op een boerderij in De Engel. Na de diensttijd solliciteerde hij naar de functie van molenaar op de Grote Poelmolen. Dat was in 1953. Toen woonde de oude molenaar, Joop Kerkvliet, er nog en daar leerde hij het vak van. In die eerste jaren als molenaar woonde Duineveld nog bij zijn ouders in de Engel. Naast molenaar werd hij ook veehouder. Het vak van molenaar is altijd al een deeltijdbaan geweest. In 1678, toen de voorgangers van de huidige molen er nog stonden, ontving de molenaar op de achtkanter molen 120 gulden en die op de kleinere wipmolen 70 gulden per jaar. Een ongeschoold arbeider verdiende in die tijd zo’n 300 gulden per jaar. Het maalloon was niet slecht en men had vaak ook bepaalde privileges, zoals vrij wonen en
stookvergoeding, maar om in het levensonderhoud te voorzien moest er iets bij gedaan worden.
Voor molenaar Duineveld was het malen dus een deeltijdbaan. In 1961 bedroeg het maalloon bijna 700 gulden. Ter vergelijking: een jaarloon voor een arbeider was begin jaren ’60 zo’n 4.000 gulden/jaar. Je zou bijna concluderen dat de betalingsverhoudingen weinig veranderd zijn in die drie
eeuwen.
Ook andere taken in de polder kwamen in aanmerking voor een vergoeding. In ’75 werd de vergoeding voor polderbestuursleden vastgesteld op fl. 175- per jaar, voor de voorzitter fl. 350- per jaar. In dit verband is het curieus dat de vertegenwoordiger van de gemeente Lisse (Lisse was ook stemgerechtigd), de heer Mesman, in de vergadering stelt dat de vergoedingen veel te laag zijn. Ze zouden moeten verdubbelen. Daarop leggen de bestuursleden uit dat ze hun verkiezing voor het bestuur zien als een grote eer, waar vanzelfsprekend geen juiste geldelijke waardering tegenover behoeft te staan. Bovendien was het al een redelijke verhoging vergeleken met nog niet zo lang daarvoor toen de vergoeding voor een
bestuurslid fl. 25 bedroeg. Zou een dergelijk idealisme nog bestaan? Terug naar molenaar Duineveld in 1953. Brood op de plank moest er komen en de combinatie veehouder/molenaar was passend. Er werden, met geleend geld van pa, 7 koeien gekocht. Vlak bij de molen had Duineveld toen 9 ha. grasland. Bij de ouderlijke boerderij, ook een melkveebedrijf, had hij ook nog eens 9 ha. in gebruik. Hard werken, maar na een jaar kon er afgelost worden. In 1958 ging hij met zijn vrouw in de molen wonen. Er werden 5 kinderen geboren. Ze zouden er uiteindelijk 47 jaar wonen. Toen de vorige molenaar, Joop Kerkvliet, in de molen woonde nam eenvzuiggasmotor, die in de molen geplaatst was, nog veel ruimte in. Dat gezin had beneden een kamer met bedstee, boven ook een kamer met bedstee en op de zolder sliepen de kinderen. In het halletje stond een gasstel. Waterleiding was er niet. Men gebruikte regenwater of haalde ergens een emmer water. Toen was de kwaliteit van regenwater gelukkig nog goed. Die zuiggasmotor moest er voor zorgen dat de polder minder afhankelijk van de wind zou worden voor de bemaling. Maar dat was lang niet voldoende. m de motor aan de gang te krijgen was bovendien de hulp nodig van veehouders uit de buurt. In 1956 kwam er een noodgemaal met een Kromhoutmotor naast de molen te staan. Dus toen de heer en mevrouw Duineveld in de molen kwamen wonen was er wat meer woonruimte. Om vanaf Lisse bij de molen te komen kon je via de 2e Poellaan met een wagen tot De Vlieger (zo’n beetje bij het zuidelijkste puntje van de Roversbroek) komen. Daar was ook een brug naar de Poelpolder. Naar de molen moest je dan het pad over de dijk volgen. Je kon ook door het land naar de 3e Poellaan. Het adres van de molen was ook 3e Poellaan. Maar de verbinding naar de overkant, naar de Haarlemmermeer, was veel eenvoudiger en werd meer gebruikt. Ook voor het boerenbedrijf.

De heer Duineveld zo’n nok van de molen bij een reparatie, uitgevoerd door medewerkers van molenmakersbedrijf
Verbij.

Want de heer Duineveld was dan wel molenaar, zijn beroep was bovenal veehouder en veehandelaar. De melkbussen werden overgevaren. ’s Zomers werden ze 2 maal daags opgehaald, in de winter 1 maal daags om naar melkfabriek Hollandia in Hazerswoude te gaan. Je had toen ook nog melkfabriek Heemskerk in Noordwijkerhout, een melkfabriek in Leiden en natuurlijk Menken in Wassenaar die nog lang heeft bestaan. De melkbussen werden opgehaald door een transporteur en eventueel voor de verschillende fabrieken elders overgeladen. De bussen waren genummerd en je had een dubbel stel melkbussen. Ook een broer van hr. Duineveld werkte 10 jaar in het veebedrijf. Waar indertijd grasland was bij de boerderij van zijn ouders werd het land omgezet en ontstond bollenland. Twee andere broers hadden daar hun bedrijf. Het veehoudersbedrijf bij de molen werd van lieverlee uitgebreid. Er kwamen stallen bij en later ook een woning. Maar het plekje van de molen had zo’n mooi uitzicht; verhuisd naar die woning zijn ze nooit. Inmiddels staan er zo’n 300 koeien op het bedrijf. Dat de melkveehouderij in de laatste 50  jaar enorm veranderd is blijkt wel uit deze aantallen. Met de hand melken was al lang  overgenomen door machines, een melkblok (melkkrukje) is niet meer nodig. Vroeger molk je met de hand en dan deed je zo’n 6 koeien per uur. Nu doet de machine dat voor 100 koeien. En dan de hoeveelheid melk. De 7 koeien waar de heer Duineveld mee begon leverden 2 melkbussen op, 80 l. Nu zorgen 160/170 koeien voor een melkproductie van zo’n 4.000 l. Het 2 maal per daags overvaren met de bussen is al lang voorbij; eens per 3 dagen wordt de koeltank leeggehaald door een melkwagen. De Poelmolen zorgde dus voor het droog houden van de Poelpolder. In de Poelpolder woonden maar weinig mensen; 4 a 5 boerderijen waren er. Daarnaast waren er wel een tiental veehouders die elders hun boerderij hadden, maar in de polder grond bezaten. Uit Lisse waren dat: De Wit, Van der Salm en Hulsebosch. Uit De Engel: Heemskerk, Duineveld en Van der Zon. De Roversbroek en de Poelpolder verschilden wezenlijk van elkaar. In de Roversbroek woonden aardig wat mensen en het waren daar veelal kwekers. Je had één groot veehoudersbedrijf, Warmerdam, en enkele kleinere zoals De Groot, Brak en Bakker. In 1890 was er vanuit de Roversbroek al een keer voorgesteld om te bestuderen of een gezamenlijk stoomgemaal niet een oplossing zou betekenen voor de bemalingsproblemen van beide polders. Er werd lang over onderhandeld, maar in 1896 verwierp het polderbestuur van de Poel het plan.
Toch was de nood soms wel hoog. De Poelpoldermolen werd in 1907 door een windhoos getroffen en in 1917 werden weer de molenas en de roeden vernield. Dan was langdurig onderhoud natuurlijk nodig en ontstond een probleem met de afwatering.
Molenaars kunnen een weersomslag vaak aan zien komen, die hadden daar geen buienradar voor nodig. Toch gebeurde het wel dat een plotseling aanwakkerende wind snel ingrijpen vroeg. Dan was het een hele toer om de molen stil te zetten. Ook molenaar Duineveld is dat wel overkomen. Gelukkig steeds goed afgelopen, maar hij is toch wel met een emmer zand naar boven gegaan om te kijken of de as niet warmgelopen was. Voor onderhoud aan de molen kwam in de begintijd molenmaker De Gelder
uit Leiden. Later werd dat molenmakersbedrijf Verbij uit Hoogmade. De molenaar moest de staat van de molen in de gaten houden en deed voorstellenc aan het polderbestuur voor het noodzakelijk onderhoud. De polder was eigenaar en daar moest dus beslist worden of men het geld er aan wilde besteden. Om een idee te geven: in 1961 werd er door fa. De Gelder voor 1380 gulden werk geleverd aan de molen. Daar kwam verder aan onderhoud nog bij schilderwerk, rietdekkerswerk. Het totaal aan onderhoudswerk
was dat jaar begroot op 3000 gulden. 1 maal per jaar was er een algemene ledenvergadering in de Witte Zwaan. Daar werd ook over de polderlasten gestemd. In 1961 was het voorstel 43 gulden per ha. Leden waren degenen die land in eigendom hadden in de Poelpolder. Het stemrecht was verdeeld naar het aantal ha. grond dat in eigendom was. Het bestuur vergaderde indien nodig. Om te zorgen dat water goed afgevoerd kan worden, wordt er jaarlijks een schouw gehouden. In augustus was er de 1e schouw. Bij de schouw werden de tocht, de scheisloten en natuurlijk de molentocht, die de molenaar zelf
schoon moest houden, bekeken. De molentocht was zo’n 600 m. lang en het moest indertijd allemaal met de hand onderhouden worden, dus dat was wel een paar weken werk . De overige sloten van de veehouders waren eigen verantwoordelijkheid. Toch gebeurde het wel in natte periodes in de zomer,
vooral in het noordelijkste deel van de polder, dat het water niet voldoende weggemalen kon worden. Gemalen werd er dan 24 uur per dag. Een sloot die niet voldoende open was verergerde de problemen natuurlijk. Dan kwamen de veehouders wel verhaal halen bij de molenaar. Eind oktober was de 2e schouw door het polderbestuur. Eerst verzamelen bij de vader van de heer Duineveld (hij zat in het polderbestuur) met koffie. Dan werden de taken voor de schouw verdeeld in noord, zuid en de tocht. Het schouwen was zo tegen 12 uur klaar. Dan naar de molen voor het na vergaderen met een borreltje. Een zeer gezellige afsluiting waarbij drankjes geschonken werden die nu nauwelijks meer gedronken worden als oude genever en een brandewijntje. De Roversbroekpolder en de Poelpolder werden in de 60-er jaren als polders samengevoegd. Het gemaal van de Roversbroek werd in ’70 opgeheven. Dat had gevolgen voor de afwatering. De Poelpolder is een diepe polder; het zomerpeil bedraagt -3,73 m NAP, het winterpeil – 4,- NAP. De Roversbroek ligt iets hoger dan de Poel. De dijken werden afgegraven en er kwamen duikers onder de wegen om het water naar de Poelpolder af te voeren. Extra elektrische bemaling was nodig.

Het recreatieve fietspad ligt inmiddels langs de molen. Foto 1991.

Toen het plan voor de bebouwing er kwam is het land van de veehouders vrij verkocht. Het meeste werd door de gemeente gekocht. Met de bebouwing van de Poelpolder werd de waterafvoer ook anders geregeld. Er kwam een rioolstelsel en de gemeente had een eigen bemaling.
De Poelmolen, eerst eigendom van de Poelpolder, werd overgedaan aan waterschap De Oude Veenen. In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting. Het werk van de molenaar veranderde mee. Tegenwoordig wordt er alleen nog op vrijwillige basis gemalen. Eind 2005 volgde Jan van Schalkwijk molenaar Duineveld op als vrijwillig molenaar. Gelukkig kunnen we anno 2015 nog steeds genieten van de statig ronddraaiende wieken die het mechaniek in gang houden dat het overtollige water afvoert naar de Ringvaart.

Foto van vóór 1950, genomen vanaf de Haarlemmermeer richting Sassenheim.
De optrekjes bij de molen werden verhuurd als vakantieverblijf.

Jan Pieter molenaar van de Lageveense molen deel 2

De Lageveense molen heeft een vlucht van 18.40 meter. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd  door molenmakersbedrijf Melman uit Warmond. Dit artikel en het artikel in het vorige Nieuwsblad met veel informatie is gebaseerd op Molenwereld 2000-9-192. 

door Andries Veloo

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

JP in de Lageveense molen (foto Andries Veloo,21 maart2011

Zijn molen

De molen heeft een vlucht van 18,40 meter, de diameter van het scheprad is 4,02 meter en de schoepbreedte is 32 cm. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd door molenmakersbedrijf wed. J.A. Melman te Warmond. Dezelfde molenmaker bouwde tegelijkertijd de Munnikenmolen te Leiderdorp. Het was kennelijk een groot molenmakersbedrijf, want ze bouwden twee nieuwe wipmolens in een jaar en hadden daarnaast ook nog het normale onderhoudswerk aan de bij hun in onderhoud zijnde molens. Bijzonder aan de Lageveense molen is het veelvuldig gebruik van Amerikaans grenenhout. Het tafelement is gedeeltelijk beton. Merkwaardig is, dat de beide schijfl open helemaal uitgevoerd zijn met schietstaven, dus in het bovenblad met ronde konische gaten, waarover een gesmede ring is geplaatst die aangeklemd wordt met gesmede vleugelmoerbouten. De staven kunnen dus gedraaid worden zonder het schijf uit elkaar te nemen. In het Zuid-Hollands Molenboek van 1961 is te zien dat de wieken nog stroomlijnneuzen volgens het systeem van A.J. Dekker heeft. In 1961 is er een nieuwe stalen buitenroede gestoken. Die kreeg toen fokken, waarschijnlijk zijn alle stroomlijnneuzen toen vervangen voor fokken. Toen in 1978 het molenmakersbedrijf De Gelder vanuit Valkenburg/Oegstgeest verhuisde naar Arkel in de Alblasserwaard, kwam de molen bij de fi rma Verbij in onderhoud. Bij de polderconcentratie van 1979 kwam de Lageveense molen in eigendom van het Hoogheemraadschap van Rijnland, district Middengeest. Voor de concentratie kreeg fi rma Verbij de eerste onderhoudsklus: het vernieuwen van de schepradkast en betonnen vloeren storten op de bestaande houten waterloop vloeren. Alle materialen en gereedschappen moesten over de trekvaart geroeid worden, daarna over het spoor gesjouwd (toen al zeer druk bereden) en daarna weer over de bermsloot geroeid worden, waarlijk niet ongevaarlijk.

Molenaars

De molenaars Leo Cozijn en zijn zoon Bart hebben zo jaren naar de molen gevaren, ze hadden dus gewoon twee roeiboten nodig. In het Keukenhofbos werd begin 1950 een gemetseld vijzelgemaaltje neergezet, dat alleen in noodgevallen werd gebruikt. In 1990 werd het gemaaltje gerenoveerd en er kwam een pomp in. De molen kwam toen buiten gebruik, waarna de molen werd overgedragen aan de Rijnlandse Molenstichting. De vergunning van de spoorwegen om over het spoor naar de molen te lopen werd toen ook opgeheven. Vader Leo Cozijn en zoon Bart zagen ervan af om als vrijwillig molenaar nog langer de Lageveense te malen. In 1995 vond een forse restauratie plaats. Dat betrof bijna het gehele bovenhuis. Jan Hoogenboom heeft er veel aan gewerkt. De molen stond uit zijn werk en als JP met de molen draaide kon hij vanuit het nieuw voor de molenaar getimmerde kamertje het onderschijf zien draaien door een rookglazen ruitje. Jan dacht: Ik zal JP eens ‘verrassen’, en plakte over de staven kalenderplaten van schaars geklede dames, een grap die door JP wel gewaardeerd werd. De molen staat op een hele mooie plek in de Lageveense polder. Er bevindt zich wel een bos op het ZW, maar verder is de biotoop redelijk. De vorige (beroeps)molenaar was Leo Cozijn uit een zeer oud molenaarsgeslacht. Deze Leo kwam begin jaren ‘30 als machinist op de schuin tegenover de Lageveense molen gelegen Hoogeveense molen. In deze molen dreef een motor het scheprad aan. De dorpstimmerman had de molen in onderhoud, ook de gaande werken. Volgens Leo, die een gezellige prater was, stond er geen kam op steek en viel er met de molen niet te malen. Leo zou Leo niet zijn, als hij bij het polderbestuur niet zou aandringen op herstel van de gaande werken om weer op wind te kunnen malen. De fi rma De Gelder kreeg opdracht de molen weer maalvaardig te maken, zodat Leo kon kiezen tussen op de motor, of op de wind te malen. Het werd dus overwegend windbemaling. Leo viste graag, had een tuinderij en een bloemkwekerij tussen de Leidsevaart en de spoorlijn. Door dreigend brandstoftekort tijdens de tweede wereldoorlog besloot het polderbestuur om de Hoogeveense molen in 1939 te voorzien van Dekkerwieken. Leo vond dat er niets ging boven Dekkerwieken. Ze kunnen best 160 enden gaan en zijn dan nog goed stil te zetten, met fokken lukt dat niet, vond hij. Leo kreeg steun van zoon Bart, die zich meer ging ontfermen over de Lageveense. Op 94-jarige leeftijd overleed Leo Cozijn op 30 januari 2000 (Zie Molenwereld 20009-192). Zoon Bart volgde zijn vader op als molenaarmachinist van de Hoogeveense polder. Zo maalt de molen voort.

 

Een roddeltje en de gevolgen (1847)

In de politierapporten van 1847 wordt een roddel vermeld in verband met de korenmolen Speelman. Molenaar van Rhijn zou een schepel rogge hebben achtergehouden. Dat gaf veel commotie. Zelfs ‘heer officier van Justitie’ bemoeide zich er mee. Het bleek achteraf een grap te zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 8

Wie rond 1847 zijn graan wilde laten malen, had keus genoeg: hij kon terecht bij de koren-molenaar aan het einde van de Grachtweg in Lisse of hij bracht het naar molenaar Jan Jacobus van Rhijn te Sassenheim, op de latere molen De Speelman. Van Rhijn was in 1798 geboren in Durgerdam, maar kwam rond 1821 naar Lisse. In dat jaar kocht hij van Pieter Oudshoorn de koren-molen aan de Grachtweg, alsmede een woning aan diezelfde weg, meer richting het dorp. Rond 1827 liet hij de oude korenmolen vervangen door de stellingmolen die we nog op tal van oude ansichten kunnen bewonderen.
Hij geraakte echter in de schulden en tussen 1830 en 1840 heeft hij Lisse vaarwel gezegd en is zich gaan vestigen in Leiden. Vervolgens verhuisde hij naar Sassenheim, waar hij de latere molen De Speelman bouwde.

De molen van Speelman in de negentiende eeuw. In 1847 werkte J.J. van Rhijn hier als korenmolenaar. Op 30 januari 1868 kwam Cornelis Johannes Speelman, van beroep korenmolenaar, naar Sassenheim. Hij woonde in het huis rechts op de foto. Tussen 1890 en 1900 werd de molen afgebroken. Tegenwoordig resteert nog de romp. Bron: G. Verschoor, Sassenheim in oude ansichten (Zaltbommel 1969), p. 10.

Hoe het begon…

Op een dag zat Willem Wubbe, tuinder van beroep en wonende aan het Mallegat op boerderij Klopjeshoven, in de herberg De Engel iets te nuttigen. Hij hoorde met belangstelling de verhalen van de gasten aan. Een van hen was Jan Wezelenburg, boer in Voorhout. Hij had eens een zak rogge aan Van Rhijn in Sassenheim aangeboden om te malen, maar, zo zou hij verteld hebben, de molenaar had vervolgens “een schepel rogge” achtergehouden. De dief! Een paar dagen later bevond Wubbe zich “in de publieke gelagkamer aan ‘t Warmonderhek”. Toevallig kwam hij Van Rhijn daar tegen en ze raakten met elkaar in gesprek. Het werd zowaar gezellig, want er kwam al gauw een fles jenever bij te pas. Heel en passant kwam vervolgens het verhaal ter sprake dat hij in herberg De Engel – meende! – gehoord te hebben, namelijk dat Van Wezelenburg had gezegd dat Van Rhijn een schepel rogge had achtergehouden. Het roddeltje was nu verspreid…

De gevolgen…

Hoe de Sassemse korenmolenaar precies reageerde weten we niet, maar mogelijk heeft hij het hoog opgevat, want het kwam ook “de heer officier van Justitie” ter ore en dan was er toch echt iets loos! Het opvallende was echter dat Van Wezelenburg nergens iets van af wist. Ook Willem Wubbe was “hoogst bevreemd” dat aan het verhaal “zodanig gevolg was gegeven”. Hij verklaarde dat “de gesprekken (met Van Rhijn) zijn gehouden en de mededeling van t gezegde aan Van Rijn gedaan is onder een glas jenever en vertrouwelijk met elkander zittende praten”.

De aap komt uit de mauw…
In opdracht van diezelfde “heer officier van Justitie” verscheen dan ook op 10 juni 1847 Willem Wubbe ter secretarie van Lisse aan ‘t Vierkant. Hij verklaarde dat hij inderdaad niet ontkennen kon dat hij aan Van Rhijn verteld had “dat Wezelenburg gezegd had een baksel rogge te kort te zijn gekomen van het mud rogge dat hij bij hem had laten malen”. En dan komt het: mogelijk had hij Van Wezelenburg echter verkeerd begrepen “en deze vroeger van Van Rijn gesproken hebbende, later van andere molenaars en van zoodanig afhouden van graan sprekende, hij die gesprekken ten onjuiste kan zamengevoegd hebben”. Het was dus gewoon een roddeltje geweest dat Wubbe aan Van Rhijn had verteld! Willem had nooit de bedoeling gehad “aan een hunner (dus aan Van Wezelenburg of aan Van Rhijn) eenig leed of nadeel te hebben willen berokkenen”. Hij wilde dan ook best zich met Van Wezelenburg “in ‘t vriendelijke verstaan, teneinde mogelijk misverstand te verklaren”. Het kwaad was echter inmiddels al geschied…

Conclusie
Het is interessant om te zien hoe vroeger bepaalde verhaaltjes konden ontstaan en vervolgens zich verspreidden. Herbergen en in het algemeen drinkgelegenheden speelden daarbij kennelijk een grote rol. Logisch natuurlijk, omdat het hier belangrijke ontmoetingsplaatsen betrof in het sociale leven van die tijd. Daarom waren er ook zoveel “logementen” in het Lisse van die dagen.
Een roddeltje kon gemakkelijk ontstaan, onder meer doordat men zich weinig rekenschap gaf van de eventuele gevolgen ervan. Zeker wanneer er een fles jenever een rol ging spelen en er een gezellige atmosfeer ontstond, zoals uit het bovenstaande verhaal blijkt.
Het blijft de vraag of Willem Wubbe hieruit een les voor zichzelf heeft getrokken. In ieder geval zal de lucht in de herbergen wel met allerlei verhalen van een twijfelachtig gehalte vervult blijven. Roddeltjes hebben altijd al bestaan. Waarschijnlijk zijn ze zo oud als de mensheid…
Bron: Gemeentearchief Lisse, inv.nr 1115.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Liss

Molen vijftig jaar op Keukenhof

De molen op Keukenhof is 50 jaar. Het is sinds 2004 een rijksmonument. Het is in 1892 gebouwd in Groningen. In 1957 in het geheel ontmanteld en op keukenhof weer opgebouwd.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Nieuwsflitsen

Eén van de jongste monumenten op het landgoed Keukenhof is de molen die zich op het terrein van de bloemententoonstelling bevindt. Het is niet zozeer het jongste monument in jaren, maar wel wat het predikaat ‘monumentaal’ betreft, want pas sinds 2004 is de molen opgenomen op de Rijks Monumentenlijst. Het is ook een zeer bekende molen en wellicht het meest gefotografeerde exemplaar ter wereld, want vanaf het moment dat de molen op Keukenhof verrees, hebben honderdduizenden mensen het monument bezichtigd en beklommen, om vanaf de omloop de omliggende bloembollenvelden en Keukenhof te bekijken. Het betreft een zogenoemde Stellingmolen, die in 1892 werd gebouwd en oorspronkelijk dienst deed als watermolen in de Rozenburgpolder in Groningen. De molen werd aan Keukenhof geschonken door de Holland Amerika Lijn, in 1957 geheel ontmanteld en op het tentoonstellingsterrein opnieuw opgebouwd, waar hij op 4 april in gebruik werd genomen. Dat is dus op 4 april van dit jaar precies vijftig jaar geleden! Een reden voor Keukenhof om daar bij stil te staan, niet in het minst omdat dit ‘jubileum’ valt in het Jaar van de molen, 2007.

2007 het Jaar van de Molen

De geschiedenis van de wipwatermolen begint vóór 1652. De gehele geschiedenis wordt besproken.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

 

De wipwatermolen in de Lageveense Polder in 1970: ‘om duinwater te verwinnen’

In de Lageveense Polder, aan de overkant van de Leidsevaart, staat een wipwatermolen. Hij bevindt zich aan de spoorbaan, maar oorspronkelijk was hij gelegen aan de Leidsevaart. Onze verslaggever ontdekte dat er hier al een watermolen stond in 1650!

De wipwatermolen maakt deel uit van het landgoed Wassergeest. In het boek Wassergeest te Lisse leest u meer over de geschiedenis van dit nog bestaande landgoed. Toen de Lageveense Polder in 1652 werd gesticht, bestond het molentje al. In die beginjaren van de polder ondervond men veel overlast van zogenaamd kwelwater wat vanuit het Keukenduin in de polder terechtkwam. Deze overlast was zodanig dat “de molen niet machtig is de landen behoorlijk boven het water te houden”. Een groot gedeelte van het jaar moest “de molen malen om het voorschreven duinwater te verwinnen”. Een en ander speelde zich reeds in 1652 af, zodat we kunnen aannemen dat de Lageveense Watermolen toen al bestond. Overigens is die wateroverlast nog lang zo gebleven.

Aanleg Leidsevaart, 1657

Vijf jaar later wordt de Leidsevaart aangelegd. Het jaar daarvoor – in 1656 – werden reeds de daartoe benodigde gronden onteigend. Van de te onteigenen percelen is toen ook een kaart vervaardigd. Zoals we zien bevond de molen – toen al een eenvoudige wipwatermolen – zich op perceel nummer 214 dat eigendom was van Gerrit Symonsz. De molen grensde aan een slootje dat langs de Vaert Weg liep. Het tracée van de nieuwe vaart is reeds aangegeven. Deze loopt oostelijk van laatstgenoemde weg en loopt dus dwars door het perceel waarop het molentje getekend staat. Deze zal na 1657, het jaar waarin de Leidsevaart gereedkwam, dan ook wel verplaatst zijn. Aan de overzijde van de Vaert Weg bevindt zich op het grondgebied van Noordwijkerhout ook een molen. Deze is nog steeds aanwezig.

De wipwatermolen op een foto uit 1950

Een nieuwe molen, 1815

Op 16 juni 1815 wordt er door de Lissese notaris Cramerus publiek verkocht “de Afbraak der Laage Veenschen Polders Watermolen” op verzoek van “Jan Warmerdam en Dirk van der Hulst, beiden woonende te Lisse, als Poldermeesteren des Lageveenschen Polders onder Lisse”. De totaalopbrengst bedraagt 130 gulden en 17 stuivers. Indien de molen niet tussentijds herbouwd is, heeft hij dus bestaan vanaf circa 1650 tot 1815, dus ongeveer 165 jaar. Er kwam een nieuwe wipwatermolen. Deze moest echter in 1842 weer verplaatst worden, toen de spoorweg werd aangelegd. En weer kwam de molen dus een stukje oostelijker te liggen, evenals in 1657.

Brand, 1890

In het Leidsch dagblad van 28 juli 1890 lezen we dat de molen in de Lageveense Polder in de brand was geraakt door de vonken van een passerende locomotief. Maar ook nu kwam er gewoon weer een nieuwe molen. Of dat de huidige bestaande molen is, of dat er na 1890 weer een nieuwe molen is gekomen is mij helaas niet bekend.

Geraadpleegde bronnen: Nationaal Archief, Notarieel Archief Lisse, inv.nr. 5347, akte 44. Akte van 16 juni 1815. A.M. Hulkenberg, Keukenhof, Hollandse Studiën 7 (Dordrecht 1975), p. 59.

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

VERLEDEN EN HEDEN VAN DE ZEMELPOLDERMOLEN

De geschiedenis van de molen wordt beschreven. Het oudste jaartal in de molen is 1743. Het is een wind schepradmolen met ijzeren bovenas en houten wieken. De Zemelpolder was 71 ha. In 1943 is de molen gekocht door de gemeente Lisse.

door Ignus Maes

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

In het begin van de zeventiende eeuw bestond de bedijkte Zemelpolder uit twee kleine poldertjes met een totale oppervlakte van 50 Rhijnlandsche morgen (circa 42,60 hectare). Deze beide poldertjes werden door twee kleine poldermolens bemalen. De vier aangestelde molenmeesters zorgden, dat de waterstand in die poldertjes en omringende polders op kunstmatige wijze met behulp van wind kon worden beheerst.

Op een oude tekening uit 1624, vervaardigd door Jan Pietersz.Dou, met daarop de bedijkte Poelpolder, staat in het cartouche geschreven: “Caerte van de Lisser Polder mette bijgelegen plaetsen, sulcx Inden Jare sesthienhondert drientwintich ende vierentwintich bedijckt is”. Twee poldermolens zorgden voor het op peil houden van deze Lisser Polder.

In het jaar 1662 mochten door een besluit van grondeigenaren, schout en schepenen van Lisse en met goedkeuring van het Hoogheemraadschap van Rijnland de beide kleine molens van de Zemelpolder worden vervangen door één poldermolen.

Het polderwater van de Zemelpolder kon door een molen met scheprad worden opgepompt naar de Ringsloot om de bedijkte Lisser Poel. Wellicht konden de twee kleinere molentjes dat oppompen naar de Ringsloot niet meer aan, en werd gekozen voor een krachtiger molen.

Het kan ook zijn, dat het droogmalen en droog houden van de polder, inklinken van het veen tot gevolg had en de molens moesten worden vervangen.

Het oudste jaartal, hetgeen in het bovenwiel van de molen terug gevonden is 1743.

Op een in september 1767 ingekleurde getekende kaart van de Lisser Broeker Polder en de bedijkte Lisser Poel van 1767 van de gezworen landmeter M. Bolstra staat net over de Ringsloot, een pol-dermolen achter de kade van de Zemelpolder ingetekend.

In de achttiende en negentiende eeuw vonden er landmetingen plaats van de te bemalen polderoppervlakte, waarbij kleine verschil­len optraden, meestal het gevolg van afkalving of onzorgvuldige eerdere metingen.

Doorsnee van een achtkantige poldermolen

Windschepradmolen

In 1904 werd de molen beschreven en sprak men over een wind-schepradmolen met ijzeren bovenas en houten wieken. De polder werd bemeten op 71 hectare; je kunt je voorstellen dat dit een zodanige vermeerdering is geweest dat hiervoor op z’n minst aan­passingen aan de molen nodig moeten zijn geweest. In 1928 is het scheprad vervangen door een elektrisch aangedreven vijzel; daarbij is ook de gemetselde watergang verbreed. De functie van de molen, het bemalen van de Zemelpolder, is toen verloren gegaan. De wieken stonden vanaf die tijd stil.

In 1943 is de molen voor het symbolische bedrag van één gulden door de gemeente Lisse van het Hoogheemraadschap aangekocht. Door het wegvallen van elektriciteit in het jaar 1945, heeft een auto­motor de energie geleverd voor het op peil houden van de Zemelpolder.

Woningbouw

Vanaf de zestiger jaren in de twintigste eeuw is het rijksmonument helaas, door ontwikkelingen op stedebouwkundig gebied, niet die vrijheid (biotoop) geschonken die het voor de juiste windvang nodig heeft, zodat de woningbouw met bijbehorend groen de benodigde wind voor een groot gedeelte uit de zeilen heeft genomen.

Vrijwillige molenaars hebben vanaf 1973 de molen laten draaien en veel energie in onderhoud gestoken om dat ook technisch mogelijk te houden.

In de nacht van 3 op 4 november 1999 is de molen verbrand. Op initiatief van de Vereniging Oud-Lisse werd de “Stiching Herbouw Molen Lisse” opgericht. Op 19 juli 2001 besloot de gemeenteraad van Lisse tot herbouw van de molen.

De molen vóór de brand

Uit archieven is bekend, dat dit type molens in onze streek op een zeer groot aantal palen met balkenvloer werd opgebouwd. De buitenkant van de poldermolen heeft een lage achtkantige gemet­selde opbouw, waarin een toegangsdeur en een inspectie luik voor de motor van de vijzel waren opgenomen. Het lage metselwerk zorgde voor een laag zwaartepunt, droge voetjes en een gering gewicht op de meestal slappe, van oorsprong moerassige, ondergrond. Op dit lage metselwerk lag een eikenhouten balk, het z.g. ondertafelment, met daarop de enigszins gebogen achtkantige eikenhouten opbouw, die kenmerkend is voor de Zuid-Hollandse poldermolen. Dit alles werd gedekt met riet.

De draaibare kap met gietijzeren as met wieken en buitenkruier gaven de molen het gezicht zoals we dat allen kennen. De molen was voorzien van een z.g. buitenkruier, de juiste stand van de wieken werd vanaf het maaiveld ingesteld en geborgd.

De poldermolen is een z.g. grondzeiler, hetgeen betekent dat de wieken vlak over de grond draaien. Het vereenvoudigt het aanbrengen en afnemen van de zeilen op de wieken.

Het polderwater werd middels een elektrische vijzel, binnen de molen op de vloer opgesteld, naar het boezemwater opgepompt. De molen draaide “voor de prins”, hetgeen betekent dat hij geen echte bedrij fstechnische funktie meer bezat.

Herbouw molen

De molen wordt op dit moment gerestaureerd. De metalen vijzel, geplaatst in het jaar 1928 en opgesteld binnen de molen, zal door een historisch verantwoord houten scheprad van circa 4 meter doorsnede worden vervangen. Het metselwerk van de watergang wordt tot de breedte van het scheprad teruggebracht. De watergang tussen polder en ringsloot was voor de metalen schroefvormige vijzel verbreed. Om het onderwiel van circa 2.50 meter te laten draaien is de vloer in de molen uitgegraven en de daarbij (terug) gevonden gietijzeren kast kan worden hergebruikt om het onderwiel in te laten draaien. Deze kast was volgestort met puin en netjes dichtgestraat.

De molen zal een aanvullende bedrij f stechnische funktie gaan vervullen bij het op peil houden van de Zemelpolder en krijgt daar­voor een jaarlijkse vergoeding van het Hoogheemraadschap. Het water van de polder wordt, indien de molen niet draait, met behulp van een elektrische pomp die in de nabijheid van de molen staat opgesteld, op peil gehouden. Wanneer het water in de polder op peil is en er toch wordt gemalen, zal een wateromleiding voor voldoende wrijving van het mechaniek van de molen zorgen.

Een molen moet draaien om het houtwerk (o.a. het houtworm gevoelige iepenhout) in goede conditie te houden. Houtaantastende insecten zijn niet gecharmeerd van beweging (misselijkheid??).

Doorsnede van een poldermolen

Werking van een poldermolen

In de gietijzeren bovenas (1), die nieuw gegoten moest worden, zijn de roeden (wieken) met een lengte van 19.60 meter vastgespied. Om dezelfde as zit het bovenwiel (2), met eromheen een krans van wilgenhouten blokken: de vangrem, waarmee via de vangbalk en, aan

de buitenkant van de molen, de vangstok en het vangtouw, het wiekenkruis wordt geblokkeerd en tijdens het draaien tot stilstand kan worden gebracht.

De hardhouten kammen van het bovenwiel grijpen in de ronsel-staven van de bovenschijf (3) (ronsel) met daartussen de hardhouten ronselstaven en zo wordt de houten spil met een afmeting van 250 x 250 mm in beweging gebracht, waarop om het ondereinde de onder­schijf zit vastgewigd.

In de ronselstaven van de onderschijf (4) grijpen de kammen van het onderwiel (5) die voor de helft is ingelaten in de gietijzeren onderwielkast onder de vloer van de molen. Het onderwiel en het scheprad (6) zijn bevestigd op de houten (!!!) wateras met een doorsnede van 400 x 400 mm.

Het onderwiel (5) brengt de wateras en die op zijn beurt weer het scheprad (6) met circa 20 schoepen aan het draaien. De linksom-draaiende wieken zetten windenergie om in mechanische energie en zo kan het water omhoog naar het boezemwater ofwel de Ringsloot worden geschept.

Educatieve functie

In deze 21ste eeuw gaan moderne windmolens ons Nederlanders helpen het hoofd boven water te houden.

Het is te wensen dat de Zemelpoldermolen na de herbouw zijn edu­catieve funktie weer kan opnemen en ons historisch bewustzijn ver­sterken over hetgeen onze voorouders presteerden en voor de inricht­ing van ons dorp hebben betekend.

De “Stichting Herbouw Molen Lisse” met zijn voorzitter Hans Kok is er met dit initiatief in geslaagd binnen 2 jaar voldoende (poli­tiek) draagvlak te vinden in de gemeente Lisse om de nieuwe (oude) Zemelpoldermolen in 3 jaar te laten herrijzen. Een felicitatie waard!