Berichten

MONUMENTENBELEID VERLOOPT ZOALS DE BEDOELING WAS: Interview met wethouder Jaap Schuijt

Begin november 2003 was er een algemene discussie tussen de monumentencommissie en het college van B&W. De conclusie is dat het beleid in Lisse wat betreft monumenten goed is, ondanks dat er af en toe wrijving is over bepaalde panden. Er zijn nu 17 gemeentelijke monumenten.

door Arie in ’t Veld Fotografie Hans Smulders e.a.

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 1, januari 2004

Er is niks mis met de wijze waarop de gemeente Lisse omgaat met de gemeentelijke monumenten. Dat is de teneur die valt te proeven als met leden van het college van B en W over het beleid ten aanzien van de gemeentelijke monumenten wordt gesproken. Af en toe verloopt er wel eens iets anders dan de bedoeling was, maar dat doet niet af aan het feit dat het beleid goed op poten staat en er ook naar wordt gehandeld.

Voor een aantal leden van de gemeenteraad is het Monumentenbeleid in Lisse niet duidelijk genoeg, met tot gevolg dat begin november 2003 een discussie over het monumentenbeleid plaatsvond. Eerder lieten raadsleden al weten geconstateerd te hebben dat het college af en toe de nodige proble­men heeft met het zorgvuldig en objectief aanwijzen van panden als beschermd monument. Vooral de uitspraak van de bestuursrechter inzake sigarenmagazijn Juliana in de Kanaalstraat baarde enkele raadsleden zor­gen. En als er straks een sloopvergunning wordt afgegeven, gaat er een karakteristiek stukje Lisse verloren.

Wethouder Jaap Schuijt zegt daarover, dat er in feite niets mis was met de motivering van de gemeente. “We hebben de regels opgevolgd zoals die door het rijk via de MIP (Monumenten Inventarisatie Plan – red.) zijn aan­gereikt. We hebben in Lisse gewerkt aan een lijst van tweemaal tien gemeentelijke monumenten. Alles volgens dezelfde motiveringen. Van al die aanvragen is Maria’s Hof nog niet afgerond en zijn er twee die vragen hebben opgeroepen. Alleen wat betreft het Koetshuis Ter Specke, waarin de gemeente in het gelijk werd gesteld en van de wagenmakerij op de hoek Kanaalstraat Wagenstraat heeft het college na een hoorzitting besloten ervan af te zien om deze als gemeentelijk monument aan te wijzen. In feite is er dus l aanwijzing gesneuveld. Daarnaast hebben er enkele ad hoc aanwijzingen plaatsgevonden, waaronder het sigarenmagazijn. Dat heeft de rechter dus ongedaan gemaakt, maar er kan niet worden gesteld dat de procedures niet goed zijn verlopen, want die waren in alle gevallen hetzelfde. In eerste aan­leg is het pand in de sectie van monumentwaardige panden niet eens in aan­merking gekomen. Daaruit kun je dan concluderen dat de waarde die er aan gehecht moest worden, ook lager was. Op verzoek van velen hebben we desondanks geprobeerd het pand op de gemeentelijke lijst te krijgen, met de uitspraak van de rechter tot gevolg. En daarbij is door ons de beschrijving gebruikt die het rijk (net als bij de andere monumenten het geval was) aan­reikte”.

De wethouder zegt over dit onderwerp ook, dat binnen de monumentencom­missie actie wordt ondernomen om de betreffende verordening te herschrij­ven en daarin een betere plaats voor de eigenaren in te ruimen bij de partici­patie in het voortraject.

Notitie

Om de discussie door de raad handen en voeten te geven heeft het college een korte notitie opgesteld waarin een en ander over het beleid is weergege­ven. In die notitie is onder andere te lezen dat in 1997 het beleid ten aanzien van de gemeentelijke monumenten is gestart en de raad tot op heden 23 objecten als gemeentelijk monument heeft aangewezen. Bloembollenschuren zijn daarbij buiten beeld gebleven. Men is daarmee echter wel druk in de weer zoals blijkt uit aantekeningen van de Monumentencommissie. Daaruit valt op te maken dat men voor het behou­den onder andere de bollenschuur op het adres Heereweg 335a (voorheen Theo Lefeber) op de nominatie heeft staan. Verder de schuur in de Nieuwstraat, de schuur op Heereweg 341 (voorheen Verduyn) achter het huis ‘De Venne’, de schuur van Dames en Werkhoven in De Engel, schuur en woonhuis van Van der Zon op Heereweg 450, de schuur op Heereweg nummer 449, tevens een schuur aan de Zwartelaan en tenslotte het schuren-complex tussen de Schoolsstraat en de Eerste Havendwarsstraat.

Omschrijving

De omschrijvingen voor de monumenten zijn dezelfde als die zijn opgeno­men in de lijst Monumenten Inventarisatie Plan (MIP) met de beschrijvin­gen uit het boek “Registratie waardevolle panden in Lisse”. Per saldo omvat de gemeentelijke monumentenlijst naast de diverse Rijksmonumenten op dit moment: 17 gemeentelijke monumenten waarvan de procedure is afgerond.

Heereweg 191

Drie objecten krijgen op die lijst geen plaats namelijk Heereweg 240a (John de Bruin), het voormalige sigarenmagazijn Juliana in de Kanaalstraat en het veelbesproken pand Heereweg 191. Wat betreft de benoeming van Maria’s Hof aan de Heereweg moet worden gewacht op een uitspraak van de rechter, het pand van Van Rossen op de hoek Kanaalstraat/Wagenstraat is van de lijst geschrapt en de boerderij van Schrama aan de Laan van Rijckevorsel is nog niet definitief aangewezen.

Criteria

Een van de punten die door de raadsleden worden aangesneden is de gebruikte selectiecriteria. In de tot op heden toegepast criteria staat onder andere dat de aan te wijzen objecten ouder dan vijftig jaar moeten zijn. Verder moet het object nog in goede staat verkeren en zal de zeldzaamheidswaarde op lokaal niveau in hoge mate bepalend zijn voor de aanwij­zing.

Wat betreft de cultuurhistorische waarde staat in die criteria dat het object kan gelden als een bijzondere uitdrukking van een culturele, sociaal econo­mische en/of geestelijke ontwikkeling, of als bijzondere uitdrukking van een geografische, landschappelijke en/of bestuurlijke ontwikkeling, als bijzondere uitdrukking van een technische, structurele en/of functionele ontwikkeling en tenslotte wegens innovatieve waarde of pionierskarakter. Daarnaast wordt gesproken over het belang voor de geschiedenis van de ruimtelijke ordening of stedenbouw, samenhang van functies, schaal en ver­schijningsvorm, ruimtelijk en esthetische kwaliteiten en (onder andere ook, want er zijn nog meer criteria) wegens de unieke verschijningsvorm vanuit historisch-ruimtelijk, stedenbouwkundig, functioneel en/of landschappelijk oogpunt.

Al met al een flink aantal criteria, maar kennelijk voor de gemeente Lisse niet genoeg, of niet sterk genoeg om als uitgangspunt te kunnen dienen voor het onomstreden aanwijzen van een object als gemeentelijk monument. Op 4 december kon elke geïnteresseerde tijdens de raadsvergadering vernemen hoe de gemeenteraad van Lisse over het plaatselijke monumentenbeleid met betrekking tot gemeentelijke monumenten denkt.

Het oude laboratoriumgebouw

Nieuwbouw na de brand

Inmiddels heeft de Monumentencommissie het college van B en W er op gewezen dat het gebouw van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek (LBO, thans PPO) gemeentelijk monument is. Dit gemeentelijk monument bevindt zich op een locatie die is aangeboden aan de CNB in het streven van de gemeente om de bloembollenveilingen binnen de gemeentegrenzen te behouden. In haar voortvarendheid heeft de gemeente de CNB een vlak en leeg terrein aangeboden, terwijl hier een gemeentelijk monument staat in de vorm van het lab.

De voorzitter van de commissie de heer J. Zwetsloot deed in de vergadering van de commissie de aanbeveling aan het college om het lab op de lijst te laten staan en geen toestemming tot sloop te verlenen. Wethouder Schuijt zegt hierover dat het college nog geen formele beslissing heeft genomen t.a.v. dit advies. Het gemeentebestuur onderhandelt nog met de CNB. Ook is het college in gesprek met de directie van de Hobaho over het naastliggende terrein waarop ook een gemeentelijk monument staat in de vorm van de voormalige Tuinbouwschool. De directie van Hobaho onderschrijft de meer­waarde van het mogen betrekken van dit monumentale pand. Hangende de besprekingen is er nog geen finaal besluit genomen ten aanzien van dit gebied.

Commissievoorzitter Joop Zwetsloot zegt over het ontstaan van het lab dat in de twintiger jaren van de vorige eeuw de handel in narcissen naar Amerika stokte. De reden was dat men in Amerika bevreesd was voor import van plantenziekten. De bollenstreek ervoer deze handelsstop als een enorm probleem. In overleg met de minister van Landbouw werd besloten in Lisse het laboratorium voor bloembollenonderzoek te bouwen, in te rich­ten en te bemannen. Dit bleek succesvol onder leiding van professor E. van Slogteren. In dit laboratorium kon worden aangetoond dat de vermeende plantenziekte van de narcis geen bedreiging kon zijn voor de Amerikaanse   ? markt. Hierop herleefde de handel met Amerika. En….: voor het oude lab-gebouw staat het borstbeeld van Nicolaas Dames. Een man die uitermate veel voor het bloembollenvak heeft betekend.

Inmiddels is het lab aan het begin van deze maand al voor een deel naar het nieuwe pand aan de overzijde van de Heereweg verhuisd en binnen afzien­bare tijd de totale verhuizing een feit zijn.

De definitieve lijst van gemeentelijke monumenten per december 2003

Vennestraat 22 (Laboratorium),

Achterweg 2, woonboerderij,

Heereweg 28, Huize Somaio,

Heereweg 225, Museum de Zwarte Tulp

Heereweg 227, Kantoorvilla,

Heereweg 304, Voormalig politiebureau nu Hestia,

Kanaalstraat 22, Boerderijcomplex,

Kanaalstraat 22a, Pannenkoekenhuis,

Kanaalstraat 34-42,’t Hofje,

Kanaalstraat 56, hoek Kapelstraat, winkelpand,

Schoolstraat 11 a, schoolgebouw De Akker,

Achterweg Zuid 50, Huys Ter Specke,

Achterweg Zuid 52, Huis Ter Spoecke

Bondstraat 13, patronaatsgebouw, Welkom,

Heereweg 172, woning Heereweg 473, Boerderrij Ter Beek,

Van enkele panden moet de definitieve aanwijzing nog worden afgewacht waaronder Laan van Rijckevorsel 16 ( de boerderij) en Heereweg 317 (Villa Maria’s Hof).

Erepenning 2002 voor Heereweg 304

De erepenning 2002 was voor de eigenaren van Heereweg 304

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Tijdens de Jaarvergadering 2002 is wederom door de Bouwkundige Commissie van de Vereniging Oud Lisse de traditionele legpenning uitgereikt als beloning voor het fraai restaureren van een beeldbepalend pand in Lisse. De prijs ging dit jaar naar Arno en Sandra Jurgens, die het voormalige politiebureau aan de Heereweg 304 ‘perfect hebben gerestaureerd’. Zij hebben er het interieurbedrijf Hestia in onderge­bracht. Frits Treffers,VOL-bestuurs-lid Bouwzaken, die de penning uit­reikte, roemde het feit dat zelfs de politiecel in de oude staat is terugge­bracht.

Het voormalige politiebureau ontving de ereprijs 2002

 

STOLPBOERDERIJ VAN LANGEVELD IN OUDE GLORIE HERSTELD

De stolpboerderij van Langeveld in de Poelpolder is in 1642 bebouwd. Bij de restauratie aan het einde van de twintigste eeuw komen veel originele objecten voor in de erg vervallen boerderij.

door Ine Eizinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Dankzij het feit dat de 17e-eeuwse stolpboerderij aan ’t Lange Rack 2 (vroeger aan de Ruishornlaan) op de rijksmonumenten-lijst is geplaatst, is zij voor de verre toekomst behouden. De restauratie van het vervallen pand was een immens project, dat dankzij de volharding van eigenaar Cees Horsman in samenwerking met de restauratiearchitect Bob C. van Beek is gerealiseerd. Op het terras achter de voormalige schuur van het complex, met uitzicht op de appelboom, vertelt hij graag over hoe een en ander tot stand is gekomen.

In de jaren negentig koopt de gemeente Lisse de als Rijksmonument aangewezen stolpboerderij met het bijbehorende terrein van krap vijf duizend vierkante meter van de heer Langeveld. De stolpboerderij moet gerestaureerd worden en een openbare bestemming krijgen. Het architectenbureau Bob C. van Beek wordt in de arm genomen om te bekijken wat de mogelijkheden zijn. Wanneer hij zijn rapport presenteert, schrikt het gemeentehuis. De boerderij en een aantal omliggende schuren die hoewel geen rijksmonument, maar wel het bewaren waard zijn, verkeren in een zeer slechte staat. Restauratie zal veel geld vragen, wat voor een gemeente niet is op te brengen. In september 1997 biedt de gemeente Lisse de stolpboerderij te koop aan en legt in een brochure uit wat de aankoop inhoudt. De nieuwe koper is verplicht de boerderij te restaureren, naar de normen van het rapport van Van Beek. In samenwerking met hem moet deze zoveel mogelijk in authentieke staat worden teruggebracht, inclusief de tuin. Vlakbij de boerderij staan immers de oudste bomen van de Poelpolder.

Doodschrik

Gemeente Lisse belegt vervolgens een bijeenkomst waarin belangstellenden de boerderij kunnen bezichtigen. Horsman: ‘We, ik denk vijftien personen, kregen een rondleiding door de gebouwen. Het zag er echt heel slecht uit en ik stak dat niet onder stoelen of banken. Toenmalig burgemeester Van der Kroft meende dat ik expres met mijn opmerkingen de andere gegadigden had weggejaagd, maar ik meende echt wat ik zei.Horsman aarzelt en vraagt zijn broer een oordeel te geven: ‘Mijn broer zei helemaal niets tijdens de bezichtiging. In de auto vroeg ik hem ‘Wat vind je ervan’ en hij zei dat hij zich dood-geschrokken was van de staat van de gebouwen. Hij vroeg zich af wat ik ermee wilde.’ Cees Horsman wil er gewoon wonen en zijn broer meent: ‘Als je dat echt wilt, dan is alles mogelijk.’ Uiteindelijk blijkt Cees Horsman de enige bieder: ‘Later hoorde ik dat het in 1800 al onbewoonbaar is verklaard. Mijn vrouw Ineke is van mening dat het sindsdien onverklaar­baar bewoond is geweest.’ De boerderij heeft weliswaar elektriciteit, maar is niet aangesloten op leidingwater, noch op de riolering. Horsman: ‘De vorige eigenaar heeft zijn water altijd uit een wel bij de boerderij betrokken.’ 

Tekeningen

De muren van het woon- en slaapgedeelte zijn in de oorspronkelijke stijl gebouwd. Je ziet dan ook duidelijk dat de gevel niet loodrecht is, maar van onder naar boven naar rechts afwijkt.

Horsman weet bij de aankoop min of meer waar hij aan toe is. Van Beek heeft de gebouwen nauwgezet opgemeten. De nieuwe eigenaar bezit de tekeningen waarop alle zijden van de te behouden gebouwen staan, zelfs de scheuren staan ingetekend. Van de stolpboerderij staat alles per centimeter op papier, alle balken, maar ook de vroegere voergoot en mestgoot van de koeienstal. Horsman: ‘De stolpboerderij dateert uit 1642, de schuren zijn in 1848 gebouwd en vallen niet onder het Rijksmonument, net zo min als de hooiberg. Vroeger bewaarde men het hooi immers onder de stolp. De hooiberg is veel later gebouwd, met een dak wat in hoogte verstelbaar was, afhankelijk van de hoeveelheid hooi. Van Beek vond het belangrijk het ‘ensemble’ te bewaren, dus ook een deel van de ontwikkelingsgeschiedenis rond de boerderij.Horsman vertelt enthousiast: ‘Wist je trouwens dat een drietal kerkorganisaties uit Leiden ooit een claim legden op het water van deze polders? Zij hebben toen de polders droog laten leggen en verkochten vervolgens de gronden. Daarmee werden de kerkgenootschappen min of meer indirect gesubsidieerd. Uit die tijd stamt ook deze boerderij.’  Met de tekeningen in de hand wordt een plan van aanpak opgesteld. Het zal drie jaar duren voordat Horsman opgelucht en trots kan zijn op zijn stolpboerderij.

Verrassingen

‘We konden niet direct aan de slag. Voor de vorige eigenaar moest eerst een nieuwe woning worden gebouwd en dat duurde langer dan gehoopt.’ Het plan ligt in grote lijnen klaar, maar het is onduidelijk hoeveel verrassingen de boerderij nog in petto heeft. Eerst zullen de schuren worden afgebroken, de grond aldaar opgehoogd en twee ervan opnieuw opgebouwd. Van Beek heeft tekeningen gemaakt over een mogelijke indeling:

‘De eerste tekeningen waren nogal uitgebreid, zoveel ruimte hadden we niet nodig. We hebben een lijstje gemaakt: woonruimte, keuken, een grote en twee kleinere slaapkamers, bad en doucheruimte en een werkkamer. Over de deel, de vroegere koeienstal, was nog geen besluit genomen. Als

woonruimte was dat veel te groot Wel overwoog ik de mogelijkheid er een expositieruimte van te maken. Ik kende een aantal Poolse kunstenaars voor wie ik op die manier misschien iets kon betekenen. En dat zou passen binnen het idee van ‘openbare bestemming’ wat de gemeente ooit had.’

Schuiframen

In augustus 1999 is het zover, de schuren kunnen worden af­gebroken en weer opgebouwd aan de hand van de gemaakte tekeningen in oorspronkelijke stijl. Deze bijgebouwen krijgen als bestemming het slaap- en woongedeelte. ‘In mei 2000 konden we die gebouwen betrekken. In de kozijnen zijn weer schuiframen gezet, maar nu met veren in plaats van het altijd zo onhandige brok ijzer, om de ramen open te houden. De keuken zou een plek krijgen in de stolpboerderij, we hebben tijdelijk een keukenblok in de slaapschuur geplaatst.’

Oude plavuizen

De stolpboerderij zelf is nu aan de beurt. Uit onderzoek is gebleken dat het pand opnieuw onderheid moet worden. ‘De muren van de boerderij stonden op een gemetselde fundering. We hebben binnen de grond tot tachtig centimeter uitgegraven. Bij het verwijderen van de houten vloer kwamen we nog plavuizen tegen die bewaard zijn en later opnieuw gelegd. Er bleken er niet voldoende te zijn, vandaar dat we een rand van andere, overigens ook oude, plavuizen hebben gemaakt. We ontdekten ook restanten van de fundering van een open haard die midden in de keukenruimte moet hebben gestaan. Omdat we er niet achter konden komen hoe die er ooit heeft uitgezien, hebben we daar verder niets mee gedaan. Ook rond het gebouw is een een meter brede strook van tachtig centimeter diep weggehaald. Dat was een heel spannend moment. Er zat beweging in het gehele pand, er bestond een reëel risico dat het zou instorten. En een ingestort gebouw is geen monument meer.

We moesten ondersteuning aanbrengen op allerlei plekken en op regelmatige afstanden gaten maken in de gemetselde fundering, zodat de dertig centimeter dikke laag beton die we zouden storten naar buiten door die gaten kon lopen. Overal is bekisting aangebracht zodat het beton niet verder kon dan waar we het wilden hebben’.

Bekisting

Maar behalve de betonnen vloer is heien noodzakelijk. Voordat het beton wordt gestort, is er op maar liefst tachtig plaatsen een houten bekisting aangebracht als uitsparing voor de heipalen. Ook dat heien is een klus op zich. Ouderwets heien is uiteraard niet mogelijk vanwege het trillingsgevaar en het feit dat een hei-installatie niet binnen in een gebouw zijn werk kan doen: ‘Holle buizen met een lengte van anderhalve meter werden de grond ingebracht, door deze te verzwaren. Wanneer ze nog een randje boven de grond uitstaken, werd er een nieuw stuk aangetast en vervolgens ook weer de grond ingebracht’. En dat tachtig maal tot een lengte van ongeveer veertien meter per buis! De monumentale stolpboerderij heeft nu een degelijk basis. Een nieuwe fase in de werkzaamheden breekt aan.

Rotte sporen

Driekwart van het metsel werk wordt hersteld, een tijdrovend werk: ‘Alle kozijnen gingen eruit en opnieuw erin. Alle scheu­ren zijn hersteld’. Het houtwerk wordt grotendeels vervangen. Horsman: ‘Toen het rieten dak, of wat daar nog van over was, eraf ging, bleken ook alle sporen verrot (sporen zijn de balken die het rieten dak dragen). Dat was wel te verwachten, het rieten dak was zo slecht dat het binnen vrijwel net zo hard regende als buiten. Bovendien hebben deze balken altijd veel last van vocht gehad, een koeienstal is nu eenmaal vochtig’.  De zware houtconstructie blijkt erg aangetast door ondermeer boktorren en alles wat graag in hout zetelt, maar nog wel bruikbaar: ‘Het was gatenkaas. Maar de torren tasten de randen aan en komen nooit in de harde kern van het hout. Omdat die grenen balken zo dik waren, was er geen risico. We hebben die balkenconstructie kunnen behouden, behandeld en hersteld. Er is een nieuw geïmpregneerd rieten dak opgelegd volgens de huidige normen van het bouwbesluit. En de muren zijn voorzien van een vochtwerend middel’.

 

De zuid- en de noordkant na de renovatie van de boerderij

Opkamer

En dan volgt de ‘inrichting’. De binnenmuren worden hersteld, het houtwerk in de verf gezet. De prachtige gewelven van de kelder missen een gedeelte, ooit ingestort. Ook dat ontsnapt niet aan de aandacht en wordt hersteld, drie van de treden naar beneden zijn authentiek. De opkamer, huidige werkkamer van Cees Horsman, heeft nog steeds zijn voor de Nederlander van tegenwoordig te lage deur, maar wel de echte, die uit liefde een extra laagje verf heeft gekregen. De hard stenen drinkbakken in de paardenstal hebben voor het huishouden van Horsman geen functie meer, maar worden wel in ere gehouden. Ineke Horsman verzorgt de maaltijden op de plek waar dat eeuwenlang is gedaan. Er wordt echter geen kaas meer gemaakt en de bak waar de melkbussen stonden, ontbreekt. Ook de tuin doet denken aan vroeger, de moestuin bijvoorbeeld, het weitje. Horsman: ‘Wat kon, is gebleven. We zijn hier ontzettend blij mee, dit is een geweldige plek’.

EIGENAAR CEES HORSMAN RESTAUREERDE SEDERT 1800 ONBEWOONBAAR VERKLAARDE BOERDERIJ DIE AL DIE TIJD ONVERKLAARBAAR BEWOOND IS GEWEEST

DE WILLEMSHOEVE, EEN PARADIJS

De boerderij van Heemskerk, Heereweg 443, heette vroeger De Willemshoeve. Op een kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat reeds een gebouw getekend. De familiegeschiedenis wordt besproken.

door Ine Elzinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Op tweehonderd meter vanaf de Heereweg ligt één van Lisses oudste boerderijen, de ‘Willemshoeve’. Op de kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat hij reeds aangegeven. Er is een tijd geweest dat de bewoners het vrije uitzicht hadden op ’t Huys Dever, maar die tijd kan de huidige bewoner Jos Heemskerk zich niet herinneren. Tegenwoordig spreekt de familie over boerderij ‘Heemskerk’, gelegen aan Heereweg 443. Jos Heemskerk: ‘De boerderij valt onder monumentenzorg. De buitenkant is nog goed intact Ik vind het prachtig dat er nu eens aandacht wordt besteed aan één van de oudste panden van Lisse.’

Uit het voorouderonderzoek van de familie Heemskerk blijkt dat de streek waarschijnlijk al sinds 1053 door families Heemskerk is bewoond, maar de eersten die op schrift staan, dateren uit 1570. De naam Heemskerk wordt voor de eerste maal in verband gebracht met de Willemshoeve in 1840. In het bevolkingsregister van de gemeente Lisse staat vermeld dat Johannes Verdegaal na de dood van zijn vader op Willemshoeve blijft wonen en in 1840 trouwt met Agnes Heemskerk. Het echtpaar laat alleen dochters na, waarmee de naam Heemskerk de boerderij weer verlaat. In 1894 koopt Willem Heemskerk boerderij Willemshoeve, hij blijft kinderloos en de boerderij wordt in 1920 verpacht aan neef Willem, de grootvader van Jos Heemskerk. Grootvader wordt eigenaar van de boerderij in 1941. Jos Heemskerk heeft de boerderij acht jaar geleden van zijn vader Wim, oorspronkelijk veehouder, gekocht die het beslist in familiehanden wil houden. Jos zowel als vader Wim zijn er geboren en getogen, en ook de kinderen van Jos en zijn vrouw Petra zullen er hun jeugd doorbrengen: Wij gaan hier nooit meer weg en ik hoop dat een van onze kinderen hier later zal blijven wonen.’ De boerderij die dertig meter lang is, heeft in de loop der eeuwen aan velen onderdak geboden. Begin 1900 is het ook de gewoonte dat het personeel inwoont op de stal- of voorzolder. Na de Tweede Wereldoorlog wordt er veel aan de boerderij verbouwd om onderdak te bieden aan verschillende gezinnen. Maar de buitenkant blijft grotendeels intact. Hoewel de kenner bouwsporen kan vinden van veranderingen die gevolgen hadden voor de buitenkant. De voorgevel staat gericht naar de Heereweg, met links de opkamer met T-venster en daaronder gelegen het kelderraam met diefijzers en luik. Het middelste raam was ooit een deur met bovenlicht gezien de bouwsporen achter de luiken. Deze deur zou toegang hebben gegeven tot de kaaskamer. Het rechter venster was oorspronkelijk kleiner. Het metselwerk van de tuitgevel is in kruisverband gemetseld. De linkerzijgevel heeft twee vensters in de opkamer, waarvan het linker venster in de jaren 1938-1940 is toegevoegd. Verschillende verticale bouwnaden laten zien dat er ook in de jaren daarna regelmatig is verbouwd of uitgebreid.

Bewoonbaar

Als Jos Heemskerk de woning van zijn vader koopt is er ook voor hem werk aan de winkel om het huis naar de eisen van deze tijd bewoonbaar te maken. Zo zijn ondermeer alle elektriciteitsleidingen vervangen. De buitenkant houdt hij zoveel mogelijk in tact: ‘Binnen hebben mijn vrouw en ik wel verbouwd, om er een bewoonbaar huis van te maken. Binnen waaide het nog harder dan buiten.’ Hij wijst op de glas in lood bovenramen: ‘Hef glas in lood zit er nog, maar we hebben er wel dubbelglas achter geplaatst’. Hij loopt door de huidige woonkamer: ‘Vroeger was dit gedeelte de zondagse kamer, daar mocht je doordeweeks echt niet komen. Hier halverwege stond een steunmuur, de zondagse kamer was eigenlijk maar klein’. De steunmuur is met behulp van een aannemer verwij­derd: ‘Daar zag ik zelf geen kans toe, er moest in het plafond een stalen ‘balk worden gemaakt. De rest hebben we allemaal zelf gedaan’. Een half jaar lang zijn hij en zijn vrouw elke avond en elk weekend bezig met de verbouwing, die ondermeer resulteert in een grotere leefruimte met open keuken. Hij wijst op een zijraam: ‘Dit raam is niet oorspronkelijk. Hier was vroeger een kamertje, waar mijn grootmoeder nog een tijd heeft gewoond. Wij hebben er een keuken aangelegd. Het parket heb ik ook zelf gelegd’. Hij stampt op de vloer: ‘Je kunt horen waar de zondagse kamer was, daar ligt een houten vloer onder, de rest is beton.1 Een aantal deuren verdween, of moest worden vervangen: ‘De deur van de wc is nog een authentieke deur, ik heb hem natuurlijk wel geverfd, maar je kunt wel zien dat hij erg oud is, deze deur gaat er dan ook nooit uit. Vroeger gaf hij toegang tot de drankkast, nu dus naar het toilet’.

Rieten zadeldak

De boerderij heeft een rieten zadeldak, aan de zuidkant is het dak bedekt met Oestgeester dakpannen: ‘Vroeger stond hier namelijk een enorme boom, die is begin 1900 omgewaaid. Om een huis met een rieten dak mogen nooit bomen staan, dat is heel slecht voor het riet, riet moet zon hebben. Naast de boerderij staat het zogeheten zomerhuis ook met een tuitgevel, waarvan de voorgevel in de oorlogsjaren is vernieuwd. Jos Heemskerk: ‘Ik weet eigenlijk niet waarom het een zomerhuis wordt genoemd. Wij verhuren het nu aan jong stelletje’. Daarnaast staat een koeienstal, ook hoogbejaard, momenteel in gebruik als hobbyruimte. Jos Heemskerk boert niet, hoewel er wel een paardje staat in een stal van recentere datum en een flink kippenhok. De leilinden voor de boerderij zijn Jos Heemskerk heilig, zoals hij zelf zegt: ‘Ik denk dat ze rond 1750 zijn geplant. Een paar jaar terug maakte ik mij zorgen over een van die bomen, ik heb er Van der Kaaden (hoofd plantsoenendienst gemeente Lisse. red.) bijgehaald. Ik ben hovenier van mijn vak, maar ik weet ook niet alles. Gelukkig viel het mee. De fruitbomen zijn door mijn grootvader geplant, in 1928, vooral moesappelen’.Heemskerk is bijzonder gesteld op zijn boerderij. In zijn woon­kamer vallen twee schilderijtjes van Mustert op, boerderij Heemskerk vanuit twee verschillende gezichtshoeken geschil­derd. Het terrein voor de boerderij heeft hij aangelegd in de stijl van een Engelse formele tuin. Een volkomen symmetrische tuin, met lage ‘heggetjes’, grindpaden en een fontein in het midden: ‘Dat is mijn vak. Maar ook mijn hobby. Ik vind deze echt bij de boerderij passen. En hij is het hele jaar mooi’. Hij troont trots foto’s van de tuin in de sneeuw en volop in bloei: ‘Ik geniet enorm van mijn boerderij en de tuin.’

 

BOLLENSCHUREN VOOR DE MONUMENTENLIJST

Een beschrijving van een groot aantal bollenschuren wordt weergegeven.

door de redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

De foto’s zijn overgenomen van het CHG Bollenstreek, Werkgroep  Bollenschuren

De leden van de Monumentencommissie van Lisse hebben, gebruik makend van de inventarisatie van het bolllenschuren-bezit in Lisse die door de Projectgroep Herbestemming Oude Bollenschuren is opgesteld, een lijst opgesteld van een aantal schuren die de aandacht verdienen en het behouden waard zijn. Een aantal van deze schuren zal dus op de gemeentelijke Monumentenlijst komen te staan.

HEEREWEG 335/A

De schuur voorheen Theo Lefeber, thans van fa. Bakker. Van buiten gezien is de schuur gaaf en lijkt in goede conditie: een fraai exemplaar waar niets aan verrommeld is. Situatie van binnen onbekend!

 

 

 

NIEUWSTRAAT 20

Bollenschuur Nieuwstraat 20
Foto: CHG Bollenstreek

Schuur voorheen Beelen, thans schilders­bedrijf Marseille. Eveneens een puntgave schuur. Hij is van exact dezelfde construc­tie en ontwerp als die van Lefeber hier­boven.

Beide schuren stammen uit dezelfde periode. Er is al sterkstroom (rond 1930) dus zijn er ventilatoren en geen grote deu­ren meer aangebracht voor de ventilatie. De schuur van Lefeber heeft iets meer pretenties (een deftige fries met de naam erop). Uit het oogpunt van wijs beleid moet er slechts één bewaard blijven en op de lijst geplaatst: welke? Dat hangt ook af van andere zaken af.

 

HEEREWEG 450-452

Bollenschuur Heereweg 450
Foto: CHG Bollenstreek

Schuur en woonhuis Van der Zon. Puntgaaf complexje wat zeker op de lijst moet worden geplaatst.

 

 

 

 

 

 

HEEREWEG 341

Bollenschuur Heereweg 341.
Foto: CHG Bollenstreek

Schuur voorheen Verduyn en Ten Hagen thans Blanken. Schuur zelf is niet meer de mooiste, er is veel aan veranderd. Maar de combinatie met de villa (‘De Venne1), de ligging aan een (zand)vaart en de posi­tionering bij de voormalige tuinbouw-school schept wel een fraai ensemble. Behoud van de schuur zorgt er met name voor dat het fraaie zicht op de Tuinbouwschool vanaf het noorden via de Heereweg behouden blijft.

 

 

 

HEEREWEG 425

De voorkant van de bollenschuur is vanaf de weg goed te zien

Dames en Werkhoven. Het woonhuis en de schuur naast het woonhuis te samen zijn fraai en het behouden waard. Er moet echter wel veel aan verbeterd, c.q. in meer oorspronkelijke setting worden terugge­bracht om het goed te krijgen. Die kans moet het geheel echter wel krijgen.

HEEREWEG 449

Thans in gebruik door Walraven, timmer­werken. Mooi geheel, woonhuis in de lengte-richting van de weg en de schuur daar dwars op erachter en een beetje scheef geplaatst (waarom?). Een van de weinige schuren met een kap.

 

 

ZWARTE LAAN 30

Zwartelaan 30

Schuur in eigendom van W.R Ruigrok. Grote stenen schuur midden in het bol-lenland. Met nog een echte latten (narcis-sen)loods er tegen aan. Schuur ziet er gaaf uit, er is weinig aan verrommeld, daardoor en door de positionering is plaatsen op de lijst gewenst.

 

 

 

HEEREWEG 429

Bollenschuur Heereweg 429
Foto: CHG Bollenstreek

(eigendom onbekend). Een woonhuis en schuur aan elkaar vast. Zeer strakke, strenge vormgeving, van buiten gezien nog helemaal gaaf. Is nog niet eerder aan de orde geweest bij de Projectgroep Herbestemming Oude Bollenschuren.

 

 

 

 

 

SCHURENCOMPLEX TUSSEN DE SCHOOLSTRAAT EN DE 1STE HAVENDWARSSTRAAT

De zijkant van de Vergulde Zwaan

Het betreft een drietal schuren die als een cluster bij elkaar staan. Met de bijbehorende woonhuizen, (in de 1ste Havendwarstraat 6 zelfs eraan vast) geeft dit ensemble een karakteristiek dorpsbeeld uit het begin van de vorige eeuw. Sterk overwegen om op de lijst te plaat­sen. Juist met de ontwikkeling van de nieuwe centrumplannen is hier  wellicht een waardevol historisch element in het centrum van de maken.

 

WAAROM WORDT EEN PAND GESELECTEERD VOOR DE MONUMENTENLIJST?

Een beschrijving van een groot aantal gemeentelijke monumenten wordt weergegeven.

Redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

Tijdens het samenstellen van een lijst van nieuw geselecteerde gemeentelijke monumenten in Lisse bleek dat de informatie aan de eigenaren over de nieuwe status van hun woning c.q. object, te wensen overliet. De argumentatie was met name te summier. Een veel gehoorde klacht was ook, dat er geen bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit. De afdeling Onderwijs, Sport en Cultuur heeft in maart van dit jaar deze omissie goed willen maken middels een brief. Die drukken wij in zijn geheel af.

De in het boekwerk van de Vereniging Oud Lisse geformuleerde argumenten, en die vermeld in de Monumenten Inventarisatie Project (MIP) rapportage, zijn in de brief verzameld. Indien voorhanden zijn de teksten uit de MlP-rapportage cursief weergegeven.

Rechts is de woning, links het voormalige Koetshuis

Achterweg Zuid 50 en 52 (Huis Ter Specke) #

Op deze plaats stond het 15e eeuwse ‘leengoed Ter Specke1. Wat resteert is een tot bewoning omgebouwd koetshuis van de rond 1720 gebouwde hofstede, en, op het restant van een binnenduin, een door Leen Tol junior in 1952 ontworpen woonhuis, gebouwd van de stenen afkomstig van de gesloopte boerderij. Boven het zolderraam is de steen met de naam ‘Huis Ter Specken’, gevonden in 1946 bij afgravingen, ingemetseld. Deze steen komt uit het statige woonhuis dat voor de boerderij op het binnenduin stond. De hekwerken zijn misschien niet origineel, maar passen goed bij dit complex. Het CHW-rapport spreekt van een goed in de landelijke omgeving passend geheel. Gezien de aard van dit complex dient het als gemeentelijk monument beschouwd te worden.

Bondstraat 13 (Patronaatsgebouw)

De voorkant van het patronaatsgebouw

Dit voormalig patronaatsgebouw van de St. Agatha parochie is, in zjjn studietijd, ontworpen door architect C.W. Barnhoorn en dateert van 1918. De goede hoofdvorm maakt dit pand beeldondersteunend. Het MIP rapport acht het pand van sociaal-historisch belang.

Voorgevel met middenrisaliet met betonnen afdekstenen met kruisbeeld op top, en hoekpilasters met betonnen afdekstenen. Rode baksteen in kruisverband met aan voorgevel afgeschuinde plintlijst van groen geglazuurde baksteen. Lekdorpels van geprofileerde groen geglazuurde baksteen. Bogen boven vensters. Kroonlijst van uitkragend metselwerk met blokmotief. Boven zijgevel houten goot op klossen. Aangesmeerde gevelsteen met naam omrand door rode strengperssteen. Nieuwe deur in portiek. Schuifvensters met bovenlichten met roedeverdeling. In voorgevel twee vensters met zes-ruits bovenlichten. Plat dak. Aan achterzijde éénlaagse aanbouw uit ca. 1970 (valt buiten gemeentelijke monumentenstatus). Datering volgens eerste steen in portiek. Motivatie: Sociaal-historisch belang.

Heereweg 172

Vroeger was hier een bakkerij gevestigd

Dit, van oorsprong 18e eeuwse pandje, zal zijn huidige voorkomen rond 1850 verkregen hebben. De mooie winkelpui was destijds van bakker Vaneveld, de achtergelegen grote ‘schuur’ was de bakkerij. Het halve dakvenster doet vermoeden dat het pand groter is geweest en het linkerdeel gesloopt is ten behoeve van nummer 140. Ondanks enkele aanpassingen en nogal bonte kleurstelling, achten wij dit hele complex van groot belang voor het oude straatbeeld en dient het als gemeentelijk monument gewaarmerkt te worden. Het MIP rapport spreekt van een ‘karakteristiek geheel’. Zijgevels met vlechtingen, mogelijk begin 18e eeuw. Rode baksteen in kruisverband. Rollagen onder en boven vensters. Schuifvensters. Winkelpui met consoles en pilasters. Zadeldak met rode Hollandse pannen. Aan de achterzijde schuur met zadeldak en windveren. Daarachter houten schuur met plat dak. Motivatie: karakteristiek geheel. Geornamenteerde winkelpui grotendeels intact.

Heereweg 225

De huidige situatie

Witgestuct woonhuis met symmetrische raam- en deurindeling. Het huis bezit een begane grond, een eerste verdieping en een zolder in de kap. De symmetrische voorgevel is een zogenaamde lystgevel en geheel gestuct (wit) met blokverdeling. Het stucwerk is uitgevoerd in frijnslagmotief. Uitgebouwde lijst ter plaatse van de onder­dorpels van de verdiepingskozijnen. Ter hoogte van de verdiepingsvloer bevinden zich gietijzeren balkankers. Het plint is in een donkere kleur geschilderd. Alle kozijnen zijn authentiek en de schuiframen bezitten nog de oorspronkelijke empire indeling. Alle bovendorpels zijn in de hoeken afgerond, in het bovenlicht van de voordeur bevindt zich een gietijzeren levensboom. Blankhouten voordeur met koperen klopper. Langs alle kozijnen bevinden zich profileerde stuclysten. Het dak is een zadeldak belegd met blauw-grijze verbeterde Hollandse pannen. De brede bakgoot op gesneden klossen en gootljjst (fries) wordt beëindigd met houten krullen. De eigen stoep langs de voorgevel is van beton en wordt begrensd door hardstenen stoeppalen en smeedyzeren hekwerken. In de achtertuin bevindt zich, als erfafscheiding met Heereweg 223, een gemetselde muur met zandstenen kolommen en koppen. Bouwjaar ca. 1860 (voorgevel, het huis zelf is waarschijnlijk ouder, te weten 18e eeuw). Hier woonde vroeger de bloembollenkweker Pijnacker. De vier panden Heereweg 221, 223, 225 en 227 vormen aan het Vierkant één van de mooiste straatwanden van Lisse. Gezien de hoge architectonische kwaliteit dienen deze panden als gemeentelijk monument beschouwd te worden. De naastliggende panden zijn helaas verloren gegaan. Wit gepleisterd, plint grijs. Schijnvoegen en groeven ter imitatie van natuursteen. Fries vormt samen met houten kroonlijst classicistisch hoofdgestel. Gietijzeren geornamenteerde ankers, vier- en zes-ruits schuifvensters met geprofileerde middenstijl. Afgeronde bovenhoeken. Gietijzeren levensboom in bovenlicht voordeur. Deur uit ca. 1920. Zadeldak met gesmoorde opnieuw verbeterde Hollandse pannen. Hard­stenen stoep en stoeppaden. Smeedijzeren leuning met krullen. Motivatie: beeldbepalend pand.

Heereweg 230 e.a

Links was de oude Albert Hein winkel

Tegenover de ‘mooiste straatwand van Lisse’ (zie hierboven) staan deze meermalen verbouwde panden, welke grotendeels stammen uit de vorige eeuw; het pand 228-230 is in 1930 ontworpen door architect J. Francken te Haarlem. De boven-bouwen laten in grote lijnen nog iets van de oorspronkelijke hoofdvormen zien, de onderbouwen harmoniëren slecht met zowel de bovenbouw als onderling. De aangebrachte reclame-uitingen zijn vaak te grof. Gezien de hoofdvormen is dit pand beeldondersteunend voor het Vierkant.

 

 

Heereweg 473 (Ter Beek’)

boerderij,landgoed,woning

Boerderij Ter Beek

Woonhuis met aangebouwde stal onder één kap. Losstaande, met poort verbonden, melk- en karnruimte; gebouwd in 1910. Symmetrische voorgevel; woonhuis bestaat uit begane grond en de eerste verdieping in de kap. Het gevelmetselwerk is uitgevoerd in kruisverband. Onder de kozijnen zijn gele gemetselde waterslagen aangebracht. Het plint is gevoegd met donkere specie, opgaande gevels met lichte specie. In het plint van de voorgevel is het kelderraam opgenomen. Boven de kozijnen is een natuursteen latei aangebracht, waarboven gemetselde ontlastingsbogen met boogvulling. Ook tussen de kozijnen van de begane grond in de voorgevel is deze latei met ontlastingsboog als versiering aangebracht. De eerste steen is opgenomen in geel metselwerk. De gemetselde poort tussen huis en melkstal is geheel in stijl van het complex. De oorspronkelijke schuiframen zijn allen vervangen door ongedeelde ramen. De deurkozijnen, zowel in de zuid- als in de noordgevel, zijn van latere datum. De dubbele deuren in de melkstal zijn voorzien van klampen in Art Nouveau stijl. Woonhuis met stal en de melkruimte bezitten zadeldaken, belegd met blauwgrijze kruispannen, de overstekende daken eindigen in de geprofileerde daklijsten met makelaar en sierkrullen. De oorspronkelijke staat van het complex doen ons dit pand, ondanks de minder gelukkige
aanbouwen aan de zuidzijde van recente datum, als karakteristiek waarderen.

Kanaalstraat 11 (Van Rossum & Zn) #

Kanaalstraat 11Besrijf van Van Rossum

Een oorspronkelijk 19e eeuws bedrijfspand, dat in de loop der jaren in het exterieur verschillende wijzigingen heeft ondergaan. Het gebouw bestaat uit een begane grond (werkplaats) en een zolderverdieping. De voorgevel is een zogenaamde tuitgevel met twee schouderstukken. Dat wil zeggen dat de gevel is doorgemetseld tot iets boven het dakvlak en in de nok is afgewerkt penantje (het tuitje of de waker) en tegen de zijgevels eveneens verticaal is beëindigd met zogenaamde schouderstukken. Het metselwerk is uitgevoerd in kruisverband en wordt op het trottoir beëindigd met een klein gestuct plint. Zeven gietijzeren rozetten verankeren de verdiepingsbalklaag en de gordingen in de kap. De oorspronkelijke draaideuren zijn vervangen door aan de buitenzijde schuivende deuren. De twee ramen ter weerszijden van de schuifdeuren bezitten gebogen bovendorpels. Het raam van de zolder is ingekort. Het zadeldak is belegd met rode oud-Hollandse pannen. Een 19e eeuws karakteristiek pand in een eenvoudige ambachtelijke architectuur, mede vermeld in de MIP rapportage. Rode baksteen in kruisverband. In de voorgevel strekken boven vensters. In de zijgevel rollaag boven vensters. Topgevel, sierankers, nieuwe goot. Houten vensters met roedeverdeling waarvan twee schuifvensters. In de top een deur gedeeltelijk dichtgezet en gewijzigd in openslaand venster. In de voorgevel schuifdeur, later aangebracht, balk loopt door over de strekken van de vensters. Zadeldak met rode Hollandse pannen. Aan de achterzijde nieuwere bedrijfsruimte bijgebouwd.

Motivatie: Redelijk gaaf 19e eeuws bedrijfspand met nog steeds bedrijfsfunctie.

Kanaalstraat 44 #

Hofje van Six - mei 2018

Hofje van Six – mei 2018

Het MIP rapport schrijft waarderend over dit woonhuis (1910) met sigarenwinkel (1925) en noemt met name het interieur van de winkel.

Vormt een gebouw met nummer 46. Dit is een woning van rode baksteen in kruisverband. Schuifvensters met glas in lood bovenlichten en bogen boven vensters. Pui sigarenwinkel circa 1925 in dit pand uit 1910 gezet. Rode baksteen in halfsteensverband met rollaag als plintlijst en boven venster en deur. Aan weerszijden van deur en venster van bovenzijde gevel decoratief uitkragend verticaal metselwerk. Houten kozijn met etalagevenster. Houten deur met ruit en ijzerbeslag. Boevenlichten in glas en lood. Zadeldak met gesmoorde verbeterde Hollandse pannen. Windveren en gevelmakelaar. Houten etalage met schuif ruiten. Houten kasten en rekken. Toonbank met vitrine. Motivatie: Gaaf, met name het interieur.

Laan van Rijckevoorsel 16 (‘Zwanendrift’) *

Zwanendrift vóór de renovatoe

Boerderij ‘Zwanendrift1 is gebouwd aan het eind van de 19e eeuw. Dit redelijk bewaard gebleven complex met aangepaste bijgebouwen is ons inziens, mede door het mooie boombestand, een gemeentelijk monument. Ook in het MIP rapport wordt lovend over dit complex geschreven. Rode handvormsteen in kruisverband. Aan de voorzijde gedeelte bijgebouwd in rode fabriekssteen in zelfde formaat. Aan de achterzijde gedeelte bijgebouwd circa 1970 in nieuwe baksteen. Houten goot op klossen. In de voorgevel strekken boven vensters. Windveren, gevelmakelaar en hoekmakelaars. Zes-ruits schuifvensters. Deur met roedeverdeling. Ijzeren stalvensters met roedeverdeling. In dakkapel houten luiken. In oudste deel twintig-ruits schuifvensters en een nieuw venster. Voorste deel met Oestgeester pannen en Tuile du Nord. Oudste deel met rieten dekking. Achterste deel met golfplaten. Geheel een zadeldak. Woonhuis verbouwde schuur met zadeldak en schild boven achtergevel. Gesmoorde Hollandse pannen. Twee originele houten strokendeuren, één met levensboom. Openslaande houten staldeuren. Hooiberg, nieuwe schuur. Gietijzeren toegangspoort tussen bakstenen postamenten. Drie kastanjebomen. Motivatie: Karakteristiek complex. Redelijk bewaard.

De met een # aangegeven panden, zijn panden waarbij de eigenaren bezwaar hebben aangetekend tegen de beschermde monumentenstatus

 

Wanneer wordt een gebouw gemeentelijk- en/of rijksmonument?

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

Redactie

Wanneer komt een pand in aanmerking om op de lijst van Rijks- dan wel gemeentelijke monumenten geplaatst te worden met alle daaraan verbonden voor- en nadelen? Een korte schets.

De kwaliteit van panden en gebouwen wordt in vijf klassen gerangschikt en wel als volgt:

  1. De Rijksmonumenten. Deze zijn opgenomen in het register ingevolge artikel 6 van de Monumentenwet 1988.
  2. De gemeentelijke monumenten. Zij dienen te voldoen aan de volgende criteria: a. hoge architectonische kwaliteit, hetzij vanwege een markant

voorbeeld van een bepaalde stijl, school of periode, hetzij vanwege

de hoogwaardige ambachtelijke kwaliteit, vrijwel uitsluitend

van vóór 1920; b. de geaardheid van het gebouw, waarbij ook de historische

waarde betrokken dient te worden.

  1. De karakteristieke gebouwen. Of een gebouw karakteristiek is wordt bepaald door de goede architectonische kwaliteit met dezelfde aan­tekeningen als gemaakt bij de gemeentelijke monumenten.
  2. De beeldbepalende gebouwen. Een gebouw is beeldbepalend als a. de architectonische kwaliteit redelijk is
  3. de situering markant is, hetzij in het straat of dorpsbeeld, hetzij in het landschap.
  4. De beeldondersteunende gebouwen. Dit zijn gebouwen die door hun hoofdvorm en architectonische structuur het straat- of dorpsbeeld ver­sterken in samenhang met de monumenten, de karakteristieke en beeld­bepalende panden.

Veelal wordt de kwaliteit bekrachtigd door het hoogwaardig bomenbestand, vooral langs de oudste wegen van Lisse, zoals de Heereweg Zuid en de Heereweg Noord, de Achterweg en de Loosterweg Zuid en Noord., en de nog originele hekwerken en bestratingen.

Restauratie Grote Kerk

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

Nieuwsflitsen

Terwijl men nog druk bezig was steigers te bouwen rond de grote Kerk van de Nederlands Hervormde Gemeente in Lisse (begrote kos­ten circa l miljoen euro), trad er al vertraging op. Dat komt omdat onder de houten vloer meer graven werden gevonden dan men dacht dat er lagen. Zoals bekend werden vroeger veel mensen in de kerk begraven met hun voeten naar het oosten. Bij de wederopstanding stonden ze meteen goed: met hun gezicht naar het altaar. Behalve priesters. Die werden met hun voeten naar het westen begraven, zodat ze bij de wederopstanding richting de gelovigen keken.

Pand van Lefeber aan de Achterweg: BOLLENSCHUUR WORDT WONING

De verbouwing van een bollenschuur tot woning aan de Achterweg kan beginnen. Het is de oude schuur van Lefeber. Het uiterlijk van de schuur moet.

door Hans Smulders

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

Na ruim een jaar van oponthoud kan de heer Leo van Schooten uit Noordwijkerhout (een oud-inwoner van Lisse) nu eindelijk beginnen met de verbouwing tot woning van de oude bollenschuur van Lefeber aan de Achterweg in Lisse.

Wegens ernstige bezwaren tegen de plannen van omwonenden, waarbij onder meer een dam door de sloot aan de Acacialaan aange­legd moet worden, diende de Bestuursrechter er aan te pas komen. De rechterlijke molens malen langzaam in dit land, maar eind oktober van het afgelopen jaar kwam voor de heer Van Schooten dan toch eindelijk het verlossende woord: de bezwaren werden niet ontvanke­lijk verklaard. Hij kon gaan verbouwen.

Aanvankelijk wilde de heer Van Schooten de bollenschuur slopen en vervangen door nieuwbouw, maar daarvoor kreeg hij van de gemeente Lisse geen toestemming. Hij kan nu de bollenschuur tot woning verbouwen op voorwaarde dat het uiterlijk van de schuur intact blijft.

Gezicht op de Lefeberschuur vanaf de Acacialaan.

DE GESCHIEDENIS VAN WASSERGEEST: Deel 1:1660 -1804

Rob Pex verricht al enige jaren onderzoek naar het landgoed Wassergeest, dat gelegen was in het zuidelijk deel van de gemeen­te Lisse tussen de Heereweg en Leidsevaart. Doel is natuurlijk een boekwerk. Vooruitlopend daarop schreef Rob voor ons nieuwsblad een samenvatting.

door Rob Pex

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

In dit nummer deel 1: Wassergeest van 1660 tot 1804.

Omtrent het midden van de 17de eeuw bestond het gebied tussen de Heere- en Achterweg nog slechts uit verspreid liggende perceeltjes weiland en teelland, die in handen waren van verschillende eigenaren zoals de Abdij van Leeuwenhorst, de Heren van Dever en Lisse en allerlei boeren en tuinders. Het gebied werd in de volksmond ook wel de Westgeest genoemd. Hier werden doorgaans de zandige gronden tussen (grofweg) de Heereweg en de Achterweg mee aangeduid. Deze bevonden zich ten zuiden van het dorp Lisse. Voor de toenmali­ge begrippen lagen deze echter westelijk, daar men het oosten in vroeger tijden altijd rekende daar waar de zon opkwam. (Meer naar het noorden dus).

Grondaankopen

Al gauw treedt een belangrijk persoon ten tonele: Jonkheer Adriaen van der Laen, lid van een familie die hier vele bezittingen had, zoals het Huis ter Specke. In 1656 begint hij in de Westgeest met de eerste grondaankopen. In latere jaren breidt hij dit bezit steeds meer uit, zodat in 1667 het hele gebied tussen Heere- en Achterweg, gaande van de gronden van het huidige tuincentrum Overvecht tot en met de huidige Catharijnelaan bij de buurtschap De Engel, in zijn handen is: dit nu is de buitenplaats Wassergeest en tot 1804 zou het bovenge­noemde omvang blijven behouden, om daarna fors uit te breiden.

De ligging van het oorspronkelijke landgoed Wassergeest in de gemeente Lisse tussen de Heereweg en de grens in het westen die ongeveer gelijk loopt met de huidige spoorbaan.
Gezigt van de groote Beuken en Dennenlaan op de hofstede Wassergeest met de vrijheidsboom.” Anno 1795. (G.A.Leiden)

Buitenverblijf

Inmiddels had Van der Laen in 1660 ter hoogte van de huidige Staalsloot, vlak ten zuiden van het huidige bedrijf Onderwater, een buitenverblijf opgetrokken, eigenlijk meer een soort herenboerderij. Volgens een aantekening doopte hij dit huis in oktober van het jaar 1660 om in Wassergeest: de eerste keer dat we de naam in de archie­ven tegenkomen.

Waar nu de naam Wassergeest vandaan komt blijft vrij onduidelijk; er is al veel over gespeculeerd. Het woordje “geest” is wel duidelijk: vermoedelijk is dit een verwijzing naar de geestgronden die hier voorkwamen. Waar het woordje “wasser” echter op slaat is veel min­der duidelijk. Men is geneigd te denken aan “water”, aangezien zich vlakbij het huis Wassergeest vanouds een drassig gebied uitstrekte, dat ook wel de Liesbroek werd genoemd. De naam “wasser” echter werd in de 17de eeuw niet gebruikt in plaats van het woord water.

Jonkvrouw

Na het overlijden van Jonkheer Adriaen in 1681 werd Wassergeest geërfd door Jonkvrouw Agnes van Wassenaer Obdam, lid van een belangrijke en machtige familie, die Wassergeest tot 1783 in handen zou hebben. Wassergeest aan een rijke familie nalaten was een goede keuze van Van der Laen , want de tak van de familie waartoe hij behoorde was bijna uitgestorven: met Magdalena van der Laen, zijn nicht, zou die tak in 1691 in vrouwelijke lijn uitsterven. Magdalena kreeg dan ook alleen het vruchtgebruik van Wassergeest toebedeeld, terwijl het eigendom naar Jonkvrouw Agnes ging. Als vruchtgebruik-ster heeft Jonkvrouw Magdalena ook op Wassergeest gewoond: de testamenten die ze opstelde in de jaren 1683 en 1687 zijn allen op Wassergeest geschreven en bevatten interessante bijzonderheden over het buiten in deze jaren.

Ter Specke

Magdalena van der Laen heeft in haar leven de buitenplaats Wassergeest niet verder uitgebreid. Alleen heeft ze van de erfgena­men Block in 1687 Ter Specke gekocht, waardoor het weer terug inde familie kwam. Aldus werd een oude schande, veroorzaakt door haar oom Jonkheer Adriaen, die het door schulden had moeten ver­kopen, uitgewist. Op 28 december 1691 is Jkvr. Magdalena op Ter Specke overleden.

Vrijwel onbewoond

De familie Van Wassenaer Obdam heeft zich, tot de verkoop van Wassergeest in 1783, weinig met hun Lissese buitenverblijf bemoeid en heeft er waarschijnlijk maar zelden vertoefd. Kasteel Twickel en andere bezittingen in het oosten des lands waren immers veel statiger en voornamer! En paste deze gebouwen ook niet veel meer bij hun eigen status? Het is juist hiermee dat Jonkheer Adriaen van der Laen bij zijn dood geen rekening gehouden heeft. Gebouw en bijbehorende tuinmanswoning daalden omstreeks 1730 in waarde: op Wassergeest woonden in deze jaren alleen nog tuinmannen, die de tuinen onder­hielden voor de familie Van Wassenaer Obdam en de gelden ontvin­gen van de houtverkopen die ieder jaar weer plaatsvonden. De familie Van Wassenaer Obdam zelf bewoonde de buitenplaats waarschijnlijk nog maar zeer zelden.

Schulden

Een en ander kan er de oorzaak van zijn geweest dat de status van Wassergeest als buitenplaats minder werd, hetgeen mogelijk zijn invloed kan hebben gehad op de verponding (belasting). In 1783 heeft Carel George van Wassenaer Obdam Wassergeest wegens schulden moeten overdoen aan A.J.C. Lampsins, die eenjaar eerder eigenaar was geworden van de naburige buitenplaats Grotenhof, dat ook aan de Achterweg lag. Ook deze eigenaar zal zich vermoedelijk niet zeer veelvuldig met Wassergeest hebben beziggehouden. We lezen althans in 1785 dat hij door zijn functie als schepen van Amsterdam “niet veel te Lisse kan koomen”. En als hij er toevallig wel was, zal hij zich voornamelijk op het veel statiger Grotenhof heb­ben opgehouden.


Reigersbos

Lampsins heeft zijn bezit in 1785 nog uitgebreid met het latere Reigersbos en bijbehorende afzanderij, doch zeer kort erna zit hij diep in de schulden: op l januari 1786 komt hij voor schout en sche­penen van Lisse verklaren dat hij van een tweetal bankiers het kapitale bedrag van 50.000 gulden heeft geleend. Als borg verbindt hij zijn gehele Lissese bezit: Wassergeest en Grotenhof.

Verkocht

Hoe moet dat aflopen? Lampsins kan het nog een paar jaar volhou­den, doch is dan toch genoodzaakt Wassergeest en Grotenhof te ver­kopen. Grotenhof vond zijn weg naar Pieter van Walré, terwijl Wassergeest werd verkocht aan Izaak van Buren uit Leiden. Onder Van Buren ging Wassergeest betere tijden tegemoet: hij nam er zelf zijn intrek en bracht kort na 1191 zijn speeltuin “Amerika” vanuit Leiden over naar Wassergeest.

Tot 1795 leidt Van Buren een luxe leventje op zijn nieuwe buiten­goed. Er wordt in 1792 ook een zoon, genaamd Hendrik, ter wereld gebracht, die in februari van het volgende jaar te Lisse wordt gedoopt. Van Buren laat zich bij deze gelegenheid nog heel feodaal Heer van Wassergeest noemen.

Vrijheidsboom

In 1795, als de Fransen ons land binnenvallen, worden vele bestuur­ders van hun functies ontheven. Zo ook Izaak van Buren als schout van Zoeterwoude. Wellicht om bij de bezetters in een goed blaadje te komen, richt hij op 15 mei 1795 samen met de jeugd van de vier ambachten Lisse, Sassenheim, Voorhout en Noordwijkerhout, waar­van hij nog maar kort tevoren baljuw was geworden, een grote Vrijheidsboom op het plein voor zijn huis.

Het heeft alles bij elkaar weinig mogen baten, want spoedig kwam Van Buren in de schulden, wat er toe leidde dat hij in 1804 zijn gehe­le bezit moest overdoen aan D.P.J. van der Staal.

Met deze verkoop begon voor Wassergeest een geheel nieuwe periode.

Lees hier het tweede deel