Berichten

Rooversbroekdijk 100 – Lisserpoelmolen

De Lisserpoelmolen is een achtkante poldermolen met een kap en riet gedekt.

Kadaster: E-2264. Monument: 25907. Bouwjaar: 1667.

De Grote Poelmolen of de Lisserpoelmolen is een rijksmonument en mag dus niet zomaar worden veranderd. De molen is gebouwd in 1676 voor de bemaling van de Lisserpoelpolder, die van origine 235 ha groot is.  In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting.  De molen is niet zo erg groot, maar wordt zo genoemd omdat hij 2 kleine molentjes aan het einde van de 2e Poellaan verving. Deze waren bij de drooglegging van de Poelpolder in 1624 gerealiseerd, maar konden de waterafvoer niet aan. Het is een forse houten, achtkantige bovenkruier met riet gedekt en met lage veldmuren van 0,50 meter hoog. De molen heeft een vlucht van 26,90 m. Het water wordt met een vijzel 3,40 m omhoog gebracht. Een vijzel is een schroefachtig mechaniek. Bij de bouw van de molen werd de vijzel al gemaakt. Dit was toen nog een erg experimenteel werktuig. Hoewel de molen nog steeds functioneel is wordt hij niet meer gebruikt voor het op peil houden van de waterhuishouding van de gecombineerde Poel- en Rooversbroekpolder. Deze functie van de molen is overgenomen door een elektrisch gemaal net ten noorden van de molen. Daar wordt het overtollige water van de Poelpolder omhoog gepompt en gespuid in het restant van de Achterringsloot, dat in open verbinding staat met de Ringvaart. Deze Achterringsloot tussen de Rooversbroek en de Poelpolder is in 1959 gedempt.  De molen kan in noodgevallen dus nog steeds water omhoog brengen. Dat water gaat vanaf de molen rechtstreeks naar de Ringvaart. Daarom is er in het fietspad een bruggetje over dit water gerealiseerd. In het boek ‘Wandel- en fietsroutes langs bruggen in Lisse’ uit 2016 worden ook dit bruggetje en de molen beschreven. Dit boek is nog steeds verkrijgbaar bij de Vereniging Oud Lisse.

 

Lange Rack 2 – Stolpboerderij van Langeveld

De stolpboerderij Langeveld is grondig gerestaureerd. Voorheen was het adres Ooievaarstraat 289.

Kadaster E-1981. Monument: 25905. Bouwjaar: 1647.

Boerderij van Langeveld met het adres ’t Lange Rack 2, voorheen Eerste Poellaan 102. Bij de aanleg van de wijk Poelpolder was het adres eerst ook nog Ooievaarstraat 289.
De boerderij werd in 1642 gebouwd, tegelijk met buitenplaats Uytermeer.
Vermeldenswaardig is de ingebouwde steen met opschrift “1818 den 4e maand, 4de dage eers gelegen. C. Langeveld”. Deze eerste steen werd gelegd door Cornelis Claesz. Langeveld. De boerderij kreeg toen de vorm van de huidige stolpboerderij.
Het woongedeelte is aangebouwd aan de boerderij. Daardoor heeft het rieten dak de vorm van een zadel (zadeldak). De boerderij had in het midden een grote ruimte voor het hooi. Dit werd het vierkant genoemd. Om het vierkant waren de bedrijfsruimten en de woning gesitueerd. Achter de keuken was de kaasmakerij met een grote kelder. Er was een dubbele koestal. Aan de voorkant was de paardenstal en de dorsvloer.
Door deze vorm is het een Noord-Hollandse stolpboerderij. Stolpboerderijen komen bijna alleen boven het Noordzeekanaal voor. Een stolpboerderij in Lisse is dus heel bijzonder.
Op een plattegrond van Lisse is duidelijk te zien, dat deze boerderij, gezien vanaf de Heereweg, schuin achter de donjon Dever ligt. De boerderij, Dever en Uytermeer zijn vroeger heel bewust op die plek gebouwd. Vóór de aanleg van de Poelpolder liep het land van Dever veel verder naar het oosten door dan de huidige Rijnsloot. De oorspronkelijk Poel had een grillig lopende oever. Deze Poel bestond namelijk uit diverse met elkaar verbonden meren: hier ter plekke Zuidpoel en Geestwater genaamd. De Rijnsloot volgde die grillige lijn niet, maar sneed grote stukken land af om een nette, wat rechtere ringsloot te krijgen. Hier ter plekke werd een groot stuk land afgesneden. Daardoor verloor Dever maar liefst 939 roeden (meer dan een hectare) aan de Poelpolder, volgens een uitvoerig verbaal uit die tijd.
Boerderij en donjon zijn gebouwd op een (ondergrondse) duinrug, die vanaf de Heereweg diep doorloopt in de Poel. Zo’n oost/west duinrug werd een ‘horn’ genoemd. Deze horn heette in de 14e en 15e eeuw Reynershorn, waarschijnlijk vernoemd naar Reinier D’Ever (1346-1417), die de donjon gebouwd heeft.
Omdat de fundering van de boerderij op zand rust, is deze in de loop van de eeuwen niet
verzakt en zo goed gebleven, dat het in 1980 een rijksmonument is geworden.
Woningbouw in de buurt betekende het einde van het boerenbedrijf.
De boerderij is in 2002 grondig gerestaureerd en is nu een woonboerderij. Daarbij werd een buitenstal en de beide bouwvallige schuren afgebroken. Daarvoor in de plaats kwam een L-vormige woning met een puntdak.

Stolpboerderij Langeveld voor de renovatie

De zuidkant van de boerderij na de renovatie


de oostkant van boerderij Langeveld na de renovatie

 

Hofje van Six blijft toch bestaan!

Hofje van Six blijft toch bestaan!

NIEUWSFLITSEN

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

De woning van Mien Dol (Kanaalstraat 34), die nog de enige bewoonster is van een van de 5 resterende hofjeswoningen van het Hofje van Six, wordt door de Diaconie van de Hervormde Kerk verkocht aan het bouwbedrijf Dol van haar neef, zoon van Cor Dol, om het opknappen van de hofjeswoningen mogelijk te maken.
Mien Dol (82), al jaren fervent lid van de Vereniging Oud Lisse heeft de afgelopen jaren met de vereniging gestreden om de sloop van het hofje tegen te houden, en heeft nu eindelijk van de diaconie van de Hervormde Kerk de door haar zo lang gewenste garantie gekregen dat ze in haar huis mag blijven wonen.
Er is in de afgelopen jaren heel wat te doen geweest over het Hofje van Six, genoemd naar de in 1741 door Jonkheer Pieter Six aan de diaconie geschonken fundatie voor de armen.
De panden van het “Hofje van Six”, inclusief het oorspronkelijk bij het hofje behorende sigarenmagazijn “Juliaantje” (Kanaalstraat 44), waren al in 2001 aangewezen als gemeentelijk monument. Tegen dit besluit heeft de diaconie zich toen niet verweerd en ook geen beroep ingediend.

Situatie in 2007. Het sigarenmagazijn Juliana is inmiddels gesloopt, wat natuurlijk een verlies is voor het samenhangende straatbeeld. Toch krijgt het geheel in die tijd bij de beoordeling voor de monumentenstatus nog de kwalificatie: Cultuurhistorisch waardevol als zeldzaam voorbeeld van een hofje van liefdadigheid, historisch vanwege het belang voor de Lissese geschiedenis. Maar dan komt toch de dreiging van sloop. Gelukkig is men bijtijds tot inzicht gekomen.

Wel heeft de eigenaar van Kanaalstraat 44 zich toen verweerd waarop de rechtbank in 2003 uitsprak dat de monumenten aanwijzingsprocedure door de gemeente niet correct was uitgevoerd, waardoor het pand op verzoek van de projectontwikkelaar in 2006 gesloopt werd en door een hoog pand (winkel met een appartement erboven) werd vervangen.
De sloop van de resterende woningen van het hofje om de nieuwbouwplannen van de diaconie te realiseren dreigde toen ook. De Vereniging Oud Lisse protesteerde en Mien Dol verzamelde 500 protest handtekeningen! Maar de rechter bepaalde in 2010 dat het hofje door de bouw van het hoge pand er naast, niet meer monumentwaardig is en gesloopt mocht worden. De gemeente Lisse moest toen alsnog een sloopvergunning voor de hofjeswoningen afgeven aan de diaconie.
De onderhandelingen van de diaconie met de gegadigden voor het hofje met de sloopvergunning verliepen echter moeizaam doordat door de economische crisis de een na de andere projectontwikkelaar afhaakte.
Omdat de biedingen steeds lager werden hakte de diaconie de knoop door om de bestaande hofjes woningen met het verkoopbedrag van Mien Dols pand grondig op te knappen omdat er genoeg belangstelling is voor de 4 hofjeswoningen. Mien Dol kan haar geluk niet op: “Ik ben de gelukkigste vrouw van Lisse” . Ook al zou ze na haar aanhoudende strijd tegen de sloop van het hofje niet meer in haar pand mogen wonen, dan nog is ze voor Lisse heel blij dat het karakteristieke Hofje van Six nu blijft behouden. Daar heeft ze jaren voor geknokt.

Plankjes op Dubbelhoven

Bij de verbouwing van Dubbelhoven werden enkele plankjes met tekst en namen gevonden. De plankjes waren uit 1993 met een verwijzing naar een plankje uit 1881

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Het is nu wel duidelijk dat het een normaal gebruik geweest is om plankjes met namen en boodschappen achter te laten bij werkzaamheden in woningen of gebouwen. In deze vierde aflevering met dit thema gaat het om enkele plankjes die zijn gevonden bij verbouwingen op Dubbelhoven, op de Achterweg.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

Het eerste plankje is eigenlijk meer een balkje en is aan drie zijden beschreven. Eén zijde meldt dat tijdens een verbouwing op Dubbelhoven in 1939 er een plankje gevonden is van een eerdere verbouwing. Hierop zouden de namen gestaan hebben van D. Schrama en D. Vergunst en het jaartal 1881. Het bedoelde oude plankje is kennelijk niet bewaard gebleven en de tekst moet zijn overgeschreven. De tegenoverliggende zijde geeft aan dat een nieuwe verbouwing in maart en april 1939 heeft plaatsgevonden onder leiding van de firma Beugelsdijk en Zonen, terwijl het metselwerk door de heren Vergunst is uitgevoerd. Op de derde zijde staan vier namen van timmerlieden, betrokken bij de meest recente verbouwing.

Coll. Historische Kranten – Erfgoed Leiden e.o.

Het tweede is wel echt een plankje en dit noemt twee specifieke data in maart 1939. Op de maandag 21 maart 1939 is de ‘politiek heden zeer spannend’ staat erop. Wij weten nu dat die spanning enkele maanden later tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft geleid, dat wist de schrijver van het plankje toen nog niet. Evenmin kon hij toen al weten dat hij bij die oorlog zelf het leven zou laten, daarover verderop meer, maar de oorlogsdreiging was echter allang voelbaar. Die maandag was het echter de 20e maart en niet de 21e zoals de krantenkop van het Leidsch Dagblad duidelijk aangeeft, maar dat doet aan de situatie niets af. ‘Tusschen oorlog en vrede’ meldt de krant. Kort na de Duitse annexatie van Oostenrijk heeft Duitsland TsjechoSlowakije bezet. Engeland, Frankrijk, Amerika én Rusland weigeren de Duitse inlijving van Tsjecho-Slowakije te erkennen. ‘De ontstane situatie is onwettig en getuigt van minachting voor de belofte tot vreedzame samenwerking zoals in München was overeengekomen’, vindt men. In september 1939 zou de Tweede Wereldoorlog beginnen met de Duitse aanval op Polen.

Beschreven zijde van het plankje – Dubbelhoven

Geheime radiozender in bollenschuur op De Wolf

Direct onder de eerste notitie staat op hetzelfde plankje nog een ander berichtje, dat heeft betrekking op de zaterdag ervoor. We moeten er de krant even op naslaan om te weten waar dit bericht nu precies om gaat. De schrijver van het artikel heeft het over een ‘sensationele arrestatie op heterdaad’ van daders ‘van brutale en ongeoorloofde handelingen’. Al weken is men namelijk op zoek geweest naar de geheime verplaatsbare zendinstallatie die op een golflengte van 311 m uitzond. De spreker heeft beledigend gesproken over regering en overheidspersonen, en gezien de politieke strekking van de uitzendingen veronderstelde men dat het om N.S.B.-ers zou gaan. Die zaterdagnacht is een verdachte achternagezeten door een Amsterdamse inspecteur die hem in een snelle en hardnekkige achtervolging over duistere Lisser wegen en een doodlopend laantje naar het terrein van een bloembollenkweker volgde. Dit was ‘in den donkere nacht géén gemakkelijk werk temeer het te nemen terrein doorsneden werd door slooten’, maar om precies vijf minuten over twaalf rukten de agenten gewapend met revolver de deur open, ‘waardoor de spreker in het midden van zijn zin, zijn mond dicht klapte’ … Onder de gearresteerden was een 31-jarige W. uit Lisse en diens zwager. Na de vlotte bekentenis – het had natuurlijk geen zin om te ontkennen na op heterdaad betrapt te zijn – werden de daders op vrije voeten gesteld, want voor een dergelijk misdrijf was voorarrest niet toegestaan.

Leidsch Dagblad 20-3-1939

A.M. Beugelsdijk (scheeps)timmerman

Het beschreven plankje is ondertekend door Antonius M. Beugelsdijk jr. Hij is geboren in 1905 in Lisse en wordt timmerman. Hij voelt in 1939 de spanning van een oorlog die reeds in de lucht hangt. Hij is op dat moment vierendertig jaar oud. Slechts drie jaar later, in 1942 is hij tijdens de oorlog omgekomen met het stoomschip de Poseidon. Antonius werkt daar aan boord als timmerman wanneer hun schip op vijf juni wordt getorpedeerd door een vijandelijke U-Boot en de gehele bemanning van eenendertig personen verdrinkt. In Amsterdam is een herdenkingsmonument van wit natuursteen opgericht. Hierop staan de namen van alle 247 tijdens de bezetting door oorlogshandelingen omgekomen zeelieden, waaronder die van Antonius M. Beugelsdijk.

Dirk Schrama, timmerman op Dubbelhoven

In het Nieuwsblad van Oud Lisse zijn in 2009 twee artikelen geschreven over de zeventiende-eeuwse boerderij Dubbelhoven, die op dezelfde plaats gelegen heeft als het huidige Dubbelhoven. Indertijd zou de eigenaar Quirijn Klaaszn Schrama zijn geweest. In 1881 is Dubbelhoven inmiddels  al langere tijd in bezit van de familie Kroon, eerst van Dirk Kroon, geboren in 1792 en later van zijn zoon Wouter en vervolgens van diens dochter Catharina en haar man Hugo van Graven.

Als uiteindelijk na de verkoop van het huis Dubbelhoven in 2008 aan de heer Boers, de plankjes uit 1939 gevonden worden, zijn deze aanleiding voor het bovengenoemde artikel. Hierin is de conclusie getrokken dat timmerman Dirk Schrama, betrokken bij de verbouwing van Dubbelhoven in 1881, een afstammeling is van de oudste eigenaren. Deze Dirk (Theodorus) Schrama is geboren in 1854 in Lisse. In 1881 is hij zevenentwintig jaar oud.

Dirk Vergunst, metselaar in 1881

In 1848 is Dirk Vergunst geboren in Alkemade. Hij komt in 1874 naar Lisse en trouwt met Treintje Kulk. Dirk is metselaar en woont in die tijd op verschillende adressen in Lisse, onder meer op de ‘Halfwegsteeg’, de latere Stationsweg. Dirk is in 1881 ongeveer drieëndertig jaar. In de loop der tijd wordt hij vader van een aantal zoons en verschillende van hen worden net als hun vader ook metselaar. Hoewel in 1881 al de zoontjes Pieter (in 1875) en Maarten (in 1878) zijn geboren, zal dat voor hun vader waarschijnlijk niet de aanleiding zijn geweest om zichzelf dan al als senior aan te duiden, in een notitie op een plankje. En zijn zoon Dirk, die van hem pas echt Dirk Vergunst Senior zal maken moet dan nog (pas in 1887) geboren worden. Het is aannemelijk dat bij het overschrijven van de tekst uit 1881 in 1939 de aanduiding senior moet zijn toegevoegd, maar dat het op het origineel niet heeft gestaan.

Eerste zijde van het beschreven balkje – Dubbelhoven

Vergunst Senior en Junior in 1939, metselwerk

Bij de verbouwing in 1939 is de oudste Dirk Vergunst al geruime tijd overleden. Zijn zoon Dirk profileert zich echter al vele jaren volop als metselaar en bouwondernemer in Lisse. Deze zet ‘sr.’ achter zijn eigen naam op het balkje in 1939 want zijn eigen zoon Dirk is dan Dirk Vergunst junior en zestien jaar oud. Dat ‘jr.’ staat ook achter zijn naam op het balkje. Niet duidelijk is waarom op het balkje in 1939 staat dat Dirk senior vijftig jaar oud is, terwijl hij op dat moment bijna twee jaar ouder moet zijn? Ook blijft onbekend wie Leen Vergunst op het balkje precies geweest is. De gegevens vanaf het begin van de 20ste eeuw zijn vaak lastiger te vinden dan veel oudere, door beperkte toegankelijkheid of het openbaar zijn van archiefgegevens.

Firma A.L. Beugelsdijk en Zonen, timmerwerk

Antonius Leonardus Beugelsdijk is in 1875 in Zoeterwoude geboren. Hij trouwt met Maria Turenhout uit Heerhugowaard. Antonius is timmerman en zou voor de bouw van de Sint Agathakerk in augustus 1901 met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. In 1917 overlijdt zijn eerste vrouw en is Antonius hertrouwd met Regina Adema uit Bolsward. Er worden uit het eerste huwelijk in elk geval vijf zoons geboren. Ze worden aanvankelijk allemaal timmerman. In 1939 zou de verantwoordelijkheid voor de verbouwing op Dubbelhoven, volgens het balkje, bij de Firma A.L. Beugelsdijk en Zonen – Lisse liggen.

Tweede zijde van het beschreven balkje – Dubbelhoven

De oudste zoon Jan is later weliswaar in de zaadhandel gegaan en is directeur van de bioscoop naast de Witte Zwaan geweest, maar hij werkte aanvankelijk als timmerman, zoals zijn vader en broers. De twee jongste zoons maken in 1939 vast ook nog deel uit van het bedrijf van hun vader. Van zoon W. (Wilhelmus Walterus) en van Toon (Antonius Maria) is dat in elk geval zeker, hun namen staan beiden op de derde zijde van het balkje geschreven. Op de laatste zijde van het balkje staan ook nog de namen van de timmerlieden Cor de Jeu en Ebel Wessels geschreven.

Derde zijde van het beschreven balkje – Dubbelhoven

Broekweg 142/144

Rond 1920 is op de hoek van de Grachtweg en de Smalleweg de Lissesche Timmerfabriek van Firma A.L. Beugelsdijk & Zonen gevestigd. Dat deel van de Smalleweg, richting de huidige Kanaalstraat, krijgt in 1930 de naam Broekweg en de Grachtweg die dan nog tot ongeveer de Ringvaart loopt, krijgt vanaf 1950 de naam Grevelingstraat. Naast het perceel van de timmerfabriek Beugelsdijk komt de Eerste Lissese Kistenfabriek ELKA – Anthonius Leonardus Beugelsdijk is daar ook directeur van geweest. Dit bedrijf heeft daar vele decennia bestaan. Ook in 1930 wordt een dubbel woonhuis gebouwd op Broekweg 142-144. De opdrachtgever is timmerman A.L. Beugelsdijk, die in het adresboek van 1954/55 van Lisse daar ook als bewoner/ gebruiker op Broekweg 144 voorkomt. Dirk Vergunst komt vele malen voor als aannemer bij inschrijvingen op de bouw van huizen en in 1927 wordt het huis ‘De Driesprong’ gebouwd op de andere kruising van de Smalleweg, die met de Kanaalstraat en de latere Van Speykstraat. Maar in september 1932 meldt de krant dat Dirk Vergunst helaas failliet gegaan is. In november wordt het ‘Heerenhuis van den Heer D. Vergunst aan den ‘Driesprong’ alhier bij openbare verkooping’ verkocht. Metselaar Dirk Vergunst komen we in het adresboekje van 1954/55 weer tegen als bewoner van de andere helft van het pand aan de Broekweg, op nummer 142. Zo blijkt opnieuw dat je met enkele plankjes en een paar regels tekst, een klein beetje geluk en een heleboel zoekwerk, de geschiedenis van een of meer families behoorlijk kunt ontrafelen.

Geraadpleegde bronnen en informatie:

Plankjes gevonden op Dubbelhoven – foto’s R. Boers;

Historische kranten Erfgoed Leiden;

Diverse oorlogsdocumentatie inzake SS Poseidon,

KNSM-Monumenten Amsterdam en Oorlogsgravenstichting;

ProGen/data/Lisse VOLl;

Beeldbank Gemeente Lisse;

Bevolkingsregister Lisse,

adresboekje(s) Lisse;

Informatie Maarten van Bourgondiën, Rob Pex, A.M. Hulkenberg, G. Schrama

Opschriften door bollenarbeiders op Oud Zandvliet

Op een wand en op de zolder van de bollenschuur van boerderij Oud Zandvliet, Westelijke Randweg 2, zijn vele teksten van arbeiders gevonden. De foto’s geven een goede impressie.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘ Met hevigen storm en regenvlagen is de deur van het schijthuis weggeslagen’

Inleiding

Het gebeurde vroeger nog weleens: het aanbrengen van allerlei opschriften op wanden, balken etc. Soms betrof het een aardig rijmpje. Een andere keer voelde men de behoefte bepaalde gebeurtenissen te vermelden. Weer een andere categorie bestaat uit namen van timmerlui die net een verbouwing hadden uitgevoerd en dat op de een of andere manier wilden vastleggen. In Lisse zijn er van alle categorieën wel voorbeelden te vinden. In dit artikel wil ik u bekend maken met teksten die ik, samen met F.W. van de Veen, in 2007 aantrof op Oud Zandvliet, tegenwoordig Westelijke Omleidingsweg 2. De foto’s van de opschriften die in dit artikel staan weergegeven, zijn van laatstgenoemde, waarvoor mijn dank. Ik wil ook de vorige eigenaar van de woning Oud Zandvliet dank zeggen voor het verlenen van zijn toestemming voor het fotograferen en publiceren van de teksten

De voormalige boerderij Oud Zandvliet in 2015. Foto Nico Groen

Locatie en geschiedenis

Oud Zandvliet bevindt zich aan de noordzijde van Lisse aan de Westelijke Omleidingsweg, niet ver verwijderd van de Bloemententoonstelling Keukenhof. Reeds in 1544 bevond zich hier een boerenwoning. Later werd hier een wat fraaier en ruimer huis tegenaan gebouwd, zodat de eigenaar van Zandvliet zich hier in de zomermaanden kon terugtrekken. In 1797 werd het buiten gesloopt, zoals dat met meer ‘hofsteden’ gebeurde in deze tijd (de Franse Tijd). Alleen de aloude boerderij bleef bestaan. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw was deze in handen van Coenraad Jacob Temminck, die ook het nabijgelegen Wildlust bezat. Na zijn overlijden in 1858 erfde zijn zoon Marinus het bezit, waardoor vanaf die tijd de boerenwoning in de Lissese volksmond ook wel ‘Marinus’ werd genoemd. In 1869 werd ‘Marinus’ aangekocht door de eigenares van Keukenhof, mevrouw Van Pallandt-Steengracht. In de boerderij woonde toen al heel lang de familie Van Graven. In 1892 vertrokken ze naar boerderij Middelburg. Al het land rondom de boerderij werd nu bollenland. Op de voormalige boerderij kwamen nu de landbazen van de nabijgelegen firma Gebr. Driehuizen te wonen, zoals Belder, De Kooker en Hein Evers. In 1925 kwam Piet Wassenaar naar Zandvliet vanaf de Stationsweg. We komen zijn naam tegen op één van de houten wanden van de bollenschuur (zie verderop in dit artikel). De Wassenaars hebben tot 1953 op Zandvliet gewoond. Daarna treffen we hier de familie Beelen aan, die het recentelijk verkocht aan de Bloemententoonstelling Keukenhof.

Over een houten wand in een bollenschuur (en wat erop te zien is…)

Ook op Oud Zandvliet hebben diverse bollenarbeiders in de loop der jaren allerlei teksten achtergelaten op een houten wand en op de bollenstellingen op de zolder van de schuur. De houten wand is hierbij het meest in het oog springende element, vanwege de vele opschriften. Deze laten we hier dan ook eerst aan bod komen.

‘Regen en wind. Watersnoot in Holland’

De meeste opschriften dateren uit de jaren twintig en dertig. Ze maken soms gewag van bepaalde gebeurtenissen in die tijd. Zo schrijft een onbekende op 7 januari 1926: ‘Regen en wind. Watersnoot in Holland’.

Een ander opschrift maakt melding van de ‘harddraverij tot Lisse’ op 1 oktober 1934. Er staat bij vermeldt: ‘Pracht weder’ (Prachtig weer).

In 1939 hangt er oorlog in de lucht. Duitsland valt in dat jaar Polen binnen en Engeland en Frankrijk verklaren daarop de oorlog. We lezen:
‘Mobilisatie. Engeland en Frankrijk verklaren den oorlog aan Duitsland’.

Een veel recenter opschrift, gedateerd 2 juni 1982, luidt:
‘Thijs bestelt 20 staalmatten te veel’.

Op 22 juli 1986 is er iemand ‘op z’n smoel’ gegaan ‘bij blote bertus’. Ook daar lezen we over.

Een andere categorie opschriften betreft allerlei bedrijfsgebonden activiteiten. Zo schrijft een onbekende:
‘1 November 1922 waren den laatsten bollen den schuur uit’.
Daaronder staat een slecht leesbare handtekening. Hij gaat verder: Pride of Haarlem [en] Bismarck waren de laasten’.

Op 11 september 1925 is men ‘begonnen met bollen klaarmaken voor de Planterij’. Eronder lezen we onder meer de naam van G. v. Meijgaarden. Helaas hebben we niet kunnen achterhalen wie deze persoon was.

Op 28 november van hetzelfde jaar zijn ‘de laaste bollen uit de schuur’ gegaan.

De volgende twee opschriften dateren uit 1939. Tenminste, als we het juist interpreteren:
‘Donderdag 20 October: schoffelen’.
Daaronder opnieuw een onleesbare naam. De betreffende persoon is echter zo vriendelijk om te vermelden dat hij ‘17 jaar oud’ is en geboren is op ‘2 mei 1922 te Lisse’.

Soms staan er alleen namen vermeld, zonder dat deze worden gekoppeld aan bepaalde gebeurtenissen.

Op ‘St. Franciskus’, dus 4 oktober, hebben de volgende personen hun namen vastgelegd voor het nageslacht:

‘A. Groen A. Grimbergen D. Evers G. Spaargaren’.
A. Grimbergen is mogelijk identiek aan Adrianus Grimbergen, die tussen 1910 en 1920 aan de Meer en Houtstraat woonde. Hij was geboren in 1888 en huwde in 1913 met Joanna van Opzeeland. Was D. Evers familie van Hein, die als landbaas op Zandvliet woonde in dienst van Gebr. Driehuizen (zie hiervoor)? En is G. Spaargaren identiek met een Gijsbertus Spaargaren die tussen 1900 en 1910 woonachtig was in ’t Hofje aan de Kanaalstraat?

Andere namen die we tegenkomen zijn onder meer een zekere J. Veldhoven en H. van Drunen. Met betrekking tot hen hebben we geen nadere gegevens kunnen vinden.

Wanneer de navolgende persoon nu precies geboren is, wordt uit de tekst niet geheel duidelijk: ‘L. v.d. Berg Lisserweg (huisnr. onleesbaar) oud 13 jaar geb. te Leiden 4 Juli 1934’.Heeft de betreffende persoon ondertekend met de op dat moment geldende datum (4 juli 1934) of is hij toen geboren?

Met het opschrift ‘P. Wassenaar’ lijkt de in de inleiding genoemde Piet Wassenaar, die zich op Zandvliet vestigde in 1925, te worden bedoeld. Vooral ook omdat er een (slecht leesbaar weliswaar) adres bij vermeld staat: Heereweg 26. Dit moet Zandvliet zijn geweest, daar nummer 28 de nabijgelegen villa Somalo betrof.

Het laatste opschrift op de houten wand dat we hier vermelden is een rijmpje, dat de landbaas van de firma Gebr. Driehuizen waarschijnlijk niet mocht zien:
‘Met hevigen storm en regenvlagen is de deur van het schijthuis weggeslagen. Nu sta ik voor het open front te roepen aan mijn blote kondt’. Maakte de houten wand waarop dit gedichtje staat, oorspronkelijk deel uit van een toilet voor de arbeiders op Oud Zandvliet? Het heeft er alle schijn van…

Over houten planken op een zolder (en wat ze ons te vertellen hebben…)

Ansicht van de winkel van Van der Geest aan de Heereweg, verstuurd door ‘ P. Maat’, ca. 1905. Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 13.

De activiteiten van het bollenbedrijf op Zandvliet strekten zich uit tot op de zolder van de bollenschuur. Ook daar hebben de harde werkers van zich doen spreken in de vorm van allerlei namen op de houten stellingen waarin de bloembollen bewaard werden. Ze zijn iets vroeger gedateerd dan de opschriften op de houten wand. Zo heeft een zekere ‘P. Maat’ (of is het ‘Maas’?) op 3 januari 1917 zijn naam geplaatst op één van de stellingen. Als het ‘Maat’ betreft (dus met een ‘t’) dan gaat het mogelijk om Piet Maat die omstreeks 1897 werd geboren. Zijn naam komt voor op een ansicht uit omstreeks 1900-1905. Ook ontmoeten we hem op een klassenfoto uit ca. 1905/06, genomen bij de ‘School van Meester Kingma’, oftewel de Openbare School tegenover de Grote Kerk. Tenslotte ontmoeten we hem ook nog op een foto van het personeel van Gebr. Driehuizen uit 1929, wat weer heel goed kan kloppen met de aanwezigheid van zijn naam op de zolder van Oud Zandvliet, daar veel personeel van Driehuizen daar werkte (zoals we reeds vermeldden). Ook hier op de zolder van de bollenschuur komen we weer oude bekenden tegen, zoals G. van Meijgaarden. Hij heeft samen met W. v. Blitterswijk op 25 oktober 1924 zijn naam aangebracht op één van de bloembollenstellingen.
Een aantal arbeiders zijn ook bezig geweest met ‘snotzoeken’2, zoals een zekere M. Kuyper (augustus 1919) en E.H. v.d. Snoek (6 augustus 1926).
Helaas geen leuke rijmpjes hier, zoals we op de begane grond van de bollenschuur aantroffen…

Foto van de eerste klas van de Openbare School uit 1905/06. Op de tweede rij van bovenaf, geheel links, zien we P. Maat (hij trekt een beetje een raar gezicht). Uit: A.M. Hulkenberg, Kent u ze nog…de Lissers (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 45.

 

Besluit

Allemaal namen uit het verleden. Allemaal hebben ze iets van henzelf achtergelaten; zeker op het vermeende toilet op de begane grond van de schuur… (Excuses voor de wat dubbele lading van deze uitspraak). Doorheen al die opschriften krijgen we toch een beeld van wat zo’n bollenarbeider nu zoal bezighield. Het zou wat dat betreft een interessant idee zijn indien met name de houten wand op de één of andere wijze voor het nageslacht behouden kan blijven. Kan er wellicht een plekje voor worden vrijgemaakt in Museum De Zwarte Tulp?
We hebben niet van alle arbeiders gegevens beschikbaar, zoals overduidelijk blijkt uit dit stuk. Misschien dat er bij de lezer van dit artikel nog iets te binnen schiet. Indien dat zo is, kunt u reageren via de redactie van dit nieuwsblad. Alvast hartelijk dank!
2 Snot is een bacterie die de bol aantast. Met behulp van een metalen koker werd de zieke bol verwijderd.

Naschrift.

De foto’s van de plankjes werden in 2007 gemaakt door F.W. van de Veen
In het Nieuwsblad van juli 2015 vertelde Laura Bemelman over de vondst van “Een plankje van honderd jaar geleden”. Ook al met ontboezemingen van personen gemaakt op hun werk. Het vermoeden bestaat dat er wel vaker door timmerlieden of, zoals in bovenstaand artikel, door bollenwerkers of anderen mededelingen werden vastgelegd. Hebt u daar een voorbeeld van, laat het ons weten!

EEN FOTO VAN ’T HUYS DEVER UIT 1847 Stand van het lopende onderzoek

Er is een melding van een genomen foto van Dever met voorhuis in 1847. De foto zelf is nog niet te vinden. Wie weet daar iets van?

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

Inleiding

In de periode uit de geschiedenis van Dever dat het Huys in verval stond (ca. 1780-1857) is er een keur aan schetsen, prenten en schilderijen vervaardigd. Dever dat temidden van een bloeiende natuur zijn einde tegemoet ging, raakte de romantische ziel van die tijd. Schetsen, prenten en zelfs schilderijen dus, maar…geen enkele foto? Vreemd zou dat niet zijn, omdat de fotografie nog maar van 1839 dateert. Toch kreeg het vervallen Dever in 1847 bezoek van een fotograaf. Dat weten we omdat er melding van wordt gemaakt in een brief die de bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen in 1953 richtte aan J.W.A. Lefeber (1890-1973), bloemist en wethouder, woonachtig op villa Riesenbeck. De brief kwam te voorschijn tijdens mijn inventarisatiewerkzaamheden aan het archief van de stichting Vrienden van ’t Huys Dever.1 In dit artikel wil ik u op de hoogte brengen van de voorlopige stand van het onderzoek naar deze toch wel heel bijzondere foto.

Portret van Reinier Pieter van den Bosch (1835-1900), RKD (Coll. Iconografisch Bureau), Den Haag.

De brief

In 1953 was er nog niet zoveel bekend over de historie van ’t Huys Dever. Hulkenberg begon pas met het onderzoek daarnaar in de jaren zestig. De bovengenoemde heer Lefeber wilde er wat meer over te weten komen. Met name over de verschillende beleningen en over de stamboom van het geslacht Dever. Hij richtte zich tot de destijds bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen. Janssen ging voor hem op zoek. De resultaten deelde hij mede in een uitvoerige brief. Veel van wat hij daarin mededeelt, is ons nu wel bekend. Maar aan het einde van de brief schrijft hij: ‘Foto van ’t Huys Dever van R.P. van den Bosch te ’s-Gravenhage, 1847’. Deze foto had Janssen kennelijk tijdens zijn onderzoek aangetroffen. Het bevond zich echter niet bij de brieven die Janssen heeft geschreven en die later in het archief van de Vriendenstichting terecht zijn gekomen. Op dit moment is de foto nog niet te voorschijn gekomen. Wél is er een en ander te zeggen over de maker ervan: R.P. van den Bosch.

R.P. van den Bosch (1835-1900)

Reinier Pieter van den Bosch was in 1835 te Rotterdam geboren als zoon van Jacobus Herman (1792-1863) en Aletta Suzanna Elisabeth van de Kasteele (1797-1850).2 Vader Jacobus was Rijksontvanger te Overschie. Zoon Reinier bekleedde het ambt van hoofdcommies van het Departement van Koloniën. Vanuit die functie moet hij geïnteresseerd zijn geraakt in het koloniale verleden van Nederland. Hij liet althans in 1894 een publicatie het licht zien over de Kaap de Goede Hoop tijdens het Nederlandse bewind (1652-1806). Ook zijn genealogische belangstelling was opvallend. Zo komen we hem tegen als bestuurslid van het genealogisch heraldiek genootschap De Nederlandsche Leeuw. Met name in het maandblad van dit genootschap publiceerde hij een aantal artikelen. Na zijn overlijden in 1900 verscheen postuum het boek ‘Neêrlands verleden uit steen en beeld. Gedenkteekenen en grafgestichten uit den vroegeren en lateren tijd’ (Schiedam, 1901). Het boek bevat onder meer een beschrijving van het graf van Willem Adriaen van der Stel en zijn echtgenote Maria de Haase in de Grote Kerk te Lisse.

Huys Dever omstreeks 1845 door P.J. Lutgers. Uit: Hofdijk en Lutgers, ‘Gezigten in de omstreken van ’s-Gravenhagen en Leijden’ (1855). Tijdens het bouwhistorisch onderzoek dat naar aanleiding van de opgravingen van de resten van het voorhuis in de jaren 1985-1987 verricht werd, werd al snel duidelijk dat de hier getoonde steendruk één van de meest betrouwbare weergaven is van het grote voorhuis. Zou Lutgers bij het vervaardigen van deze afbeelding een zogenaamde Camera Obscura gebruikt hebben? Veel kunstenaars werkten in deze tijd daar al mee. Het principe was eenvoudig. Er werd gebruik gemaakt van een donkere ruimte. De enige verbinding met de buitenwereld was een kijker (een lens zouden wij tegenwoordig zeggen) die het beeld omgekeerd projecteerde op de tegenoverliggende wand. Vervolgens behoefte men de afbeelding slechts over te trekken. Later werden de donkere kamers vele malen kleiner en werd er geprojecteerd op een gevoelige plaat: het begin van de fotografie.

Bekendheid met de streek

Reinier moet goed bekend zijn geweest met de omgeving van Lisse. Zo trad hij in 1873 te Sassenheim (eerste link met Lisse e.o.) in het huwelijk met Elisabeth Johanna Kuys (geb. Voorschoten 1842). Zij was weduwe van Gerrit Blokhuis (1841-1870) die in Sassenheim burgemeester was geweest. Hij behoorde tot de Lissese tak van de gelijknamige familie en dat is alweer onze tweede link met Lisse! Verder had Reinier een oom, Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868), die net als zijn vader van 1840 tot 1860 Rijksontvanger was in…Lisse! De connecties met Lisse lijken overduidelijk.

Een kink in de kabel

Het schijnt dus allemaal prachtig te kloppen: Reinier Pieter had belangstelling voor het verleden, was bekend met de streek en had waarschijnlijk ook de middelen om zich aan een destijds kostbare hobby als fotografie te wijden.3 Er is echter een probleem: zijn plaats in de tijd! Het zal de lezer misschien al opgevallen zijn dat Reinier Pieter pas in 1835 het levenslicht zag, zodat hij dus in 1847 als jongetje van een jaar of twaalf één van de eerste foto’s nam die van deze streek bekend zijn, namelijk van het leegstaande huis Dever. Toch noemt Corneille Janssen hem duidelijk als maker van de foto. Of zou de kleine Reinier hulp hebben gekregen?

Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868)

Degene die wél goed in het ‘plaatje’ past van de mogelijke maker van de foto is Willem Bernardus van den Bosch. We noemden hem zoëven al als oom van Reinier en als Rijksontvanger. Zijn standplaats was van 1840 tot 1860 Lisse. Het jaar van opname van de foto (1847) past daar keurig in. Tot 1846 woonde hij met zijn echtgenote en vijf kinderen aan ’t Vierkant, waarschijnlijk ter plaatse van het restaurant Den Ouden Heere. Vervolgens kocht hij een huis dat er schuin tegenover was gelegen, namelijk in het rijtje huizen dat zich aan de westzijde van ’t Vierkant bevond. Hij verkoopt het weer door in 1857 aan Elisabeth (de) Kruyff, maar blijft nog tot in 1860 in het huis wonen. Op 27 april van dat jaar is hij met zijn gezin naar Culemborg vertrokken, alwaar hij acht jaar later zijn laatste adem uitblies.
Willem Bernardus kan, zeker gezien zijn maatschappelijke positie en dus de middelen waar hij over beschikte, heel goed ‘onze’ fotograaf zijn geweest, die zijn neefje Reinier behulpzaam is geweest bij het maken van zoiets ingewikkelds als een foto. De vraag is echter of zijn oom inderdaad iets van fotografie af wist. Daarover meer in een volgend deel…

Aanslagbiljet van de personele belasting uit 1852. In het midden rechts zien we de naam vermeld staan van ‘De Ontvanger der Directe Belastingen, VAN DEN BOSCH’, ofwel Willem Bernardus van den Bosch, die zijn kantoor/ woning aan ’t Vierkant had. De aangeslagene is D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van het landgoed Wassergeest (waarover u meer verneemt in het boek ‘Wassergeest te Lisse’ (Lisse, 2004) van de schrijver van dit artikel). Nationaal Archief, familiearchief Van der Staal van Piershil inv.nr. 115.

Besluit

Het lijkt haast te mooi om waar te zijn: een foto van het vervallen Dever, genomen in een periode dat het voorhuis nog niet gesloopt was. Zou zich dan toch nog ergens een foto bevinden die één van de eersten van de streek is, maar misschien lange tijd op één of andere zolder heeft doorgebracht? Het is met recht zoeken naar de bekende speld in de hooiberg. Maar met geduldig zoeken en wellicht wat suggesties van uw kant, komen we er uit!

Bronvermelding

1. Plaatsingslijst van het archief van de stichting Vrienden van ‘t Huys Dever, voorl. nr. 61.

2. Gegevens betreffende de familie Van den Bosch ontleend aan Nederland’s Patriciaat 1915.

3. Er was zelfs een familielid, Hendrik Johan Christoffel van den Bosch, geboren te Amsterdam, 1845, die enige bekendheid genoot als fotograaf. Helaas is over hem weinig bekend.

 

Voorgenomen bezuiniging op monumentenzorg in Lisse

De VOL is tegen het voornemen om de bijdragen aan eigenaren van monumenten te schrappen. Daarmee is  de monumentenzorg vrijwel verdwenen.

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

De Ver.Oud Lisse heeft zich jarenlang ingezet voor het behoud van en de aanwijzing van monumentale panden om Lisse aantrekkelijk te maken, ook voor toeristen. Ook het Rijk erkent de waarde van cultuurhistorie. In de nieuwe MoMo wet (Modernisering Monumentenwet) die sinds 2012 van kracht is, is het opnemen van cultuurhistorie (naast archeologie) in bestemmingsplannen verplicht. De impact van bouwplannen op de cultuurhistorie en monumenten in de omgeving moet deskundig beoordeeld worden. Vandaar dat nu gesproken wordt over omgevingsvergunning i.p.v.. bouwvergunning! De professionele monumentencommissie speelt hierin een deskundige rol. Vandaar dat we het een doodzonde vonden om deze commissie nu af te schaffen. Bescherming tegen onrealistische bouwplannen in Lisse is broodnodig, anders verdwijnt het zo karakteristieke en hierdoor zo aantrekkelijke Lisse na verloop van tijd! De Ver.Oud Lisse heeft daarom op basis van deze argumenten op 14 april 2015 een brief gestuurd naar de gemeenteraad en het College en op 16 april 2015 heeft de vorige voorzitter Wim Bosch samen met een lid van de Monumentencommissie ingesproken in de Cie Ruimtelijke Ordening en Infrastructuur . Gelukkig had dit als positief gevolg dat in de raadsvergadering van april 2015 besloten werd om de monumentencommissie niet op te heffen, hoewel de bijdragen en budget voor het onderhoud van monumenten wel geschrapt werden.

Beroep tegen het bestemmingsplan en besluit omgevingsvergunning (de Zon).

De VOL heeft op 24 maart 2015 beroep aangetekend tegen het vaststellen van het bestemmingsplan en omgevingsvergunning van Kanaalstraat 33. De gemeente heeft onvoldoende rekenng gehouden met de nieuwe MOBO wet.

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

De Ver. Oud Lisse heeft op 24 maart 2015 naast 4 omwonenden beroep aangetekend tegen het vaststellen van het bestemmingsplan Kanaalstraat 33/Van der Veldstraat 2 en 2a in Lisse (Postzegelbestemmingsplan) en de bijbehorende omgevingsvergunning voor Kanaalstraat 33 en Van der Veldstraat 2 en 2a in Lisse (coördinatieregeling).
De gemeente Lisse heeft naar onze mening onvoldoende rekening gehouden met de eisen van de nieuwe MoMo (Modernisering Monumenten) wet, die vanaf 1 januari 2012 van kracht is. Wel is op ons verzoek naderhand een referentie paragraaf opgenomen, die verwijst naar de zeer relevante nieuwe wet Modernisering Monumentenzorg en is dat in de toelichting in het bestemmingsplan opgenomen. Maar er is helaas onvoldoende met deze wet rekening gehouden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, (dus niet alleen maar object gericht), maar ook voor de omgeving ervan: het zogenaamde omgevingsgerichte erfgoedbeleid. We vinden dat de gemeente Lisse aan de borging van het culturele erfgoed van de omgeving en specifiek het gemeentelijk monument Kanaalstraat 33 in het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende aandacht heeft besteed. Kennelijk was ook de Monumentencommissie nog veel te veel object gericht! Men herinnert zich kennelijk niet meer de uitspraak van de rechter in oktober 2010, die het Hofje van Six niet meer monumentwaardig vond, door de sloop van het vroegere sigarenmagazijn “Juliana” Kanaalstraat 44 in Lisse en nieuwe moderne hoogbouw pal naast het Hofje van Six …..! Concreet tekenden wij beroep m.b.t. de volgende zaken:: 1. Naar onze mening is het hoge trappenhuis incl. lift aanbouw (wordt i.p.v. de eerder genoemde 11 meter nu 12.90 meter hoog!) pal naast het gemeentelijk monument Kanaalstraat 33 een aantasting van de monumentwaardigheid van dit pand. Deze enorme hoogte staat ook niet duidelijk in het bestemmingsplan en in de gevelschets aangegeven. Ook vinden wij de derde bouwlaag van de nieuwbouw aan de noordzijde van het monumentale pand (Kanaalstraat 33) een aantasting van de monumentale waarde ervan. 2. Ook zien we in de stukken alleen een geveltekening van het pand Kanaalstraat 33 en aanbouw maar geen gevelschetsen van Kanaalstraat 33 inclusief schetsen van de gevels van omgevende woningen in de Van der Veldstraat en Kanaalstraat. Dit is wel nodig om de omgevingsvergunning goed te kunnen beoordelen. 3. Wij vinden dat de sloop van het hoekpand (Van der Veldstraat 2a) van de set karakteristieke woningen en de vervanging door een hoog modern pand er pal naast, de omgeving en het karakteristieke straatbeeld veel te veel aantast. Wij zouden deze set karakteristieke panden intact willen houden en de aanbouw niet ten koste willen laten gaan van het hoekpand van deze set woningen. Wordt vervolgd in afwachting van de verdere beroepsprocedure!
Voorgenomen bezuiniging op de monumentenzorg door Gem. Lisse De Ver.Oud Lisse had met verbijstering kennis genomen van de voorgenomen bezuinigingen op de monumentenzorg door het college van B&W van de gemeente Lisse. Met name het voornemen om de professionele Monumentencommissie, het schrappen van de bijdragen aan eigenaren van monumenten en het budget voor onderhoud monumenten deed ons erg pijn, nu daarmee monumentenzorg in Lisse vrijwel geheel opgegeven werd.

De winkel van Tissing en zijn voorgangers Deel III: Het ga je goed Kanaalstraat 33!

De geschiedenis van Tissing van 1938 tot  1979 wordt beschreven.In 1938 werd het pand aan de Kanaalstraat 33, magazijn De Zon gebouwd voor Tissing.

 Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

In de collectie van Tissing bevindt zich deze foto van een winkelpand op een onbekende locatie, dat sterke gelijkenis vertoont met de winkel van Tissing zoals deze in 1938 tot stand kwam. Heeft Egbert zich hierdoor laten inspireren?

In deel II van deze serie hebben we reeds uitgebreid gesproken over Egbert Tissing (1875-1947). Een ondernemer in hart en nieren. Hetzelfde kan gezegd worden van zijn echtgenote, Alijda C.A. de Liefde, met wie hij in 1900 in het huwelijksbootje stapte. Beiden bezaten dezelfde handelsgeest die nodig is om werkelijk iets nieuws te beginnen; iets dat voor de gemeenschap toegevoegde waarde heeft. Die gemeenschap werd in 1907 het dorp Lisse. Aan de Van der Veldstraat zette het kersverse huwelijkskoppel een winkel in garen en band op. Het liep zo goed dat Egbert in 1911 een nieuwe zaak startte op de hoek Van der Veldstraat/ Kanaalstraat, nadat ter plaatse de oude arbeiderswoning uit ca. 1860 (zie deel I) was gesloopt. Dit pand heeft zo’n 27 jaar bestaan (altijd goed te herkennen op oude ansichten vanwege het torentje). In 1937, toen de zaak 30 jaar bestond, was het weer tijd voor iets nieuws.

Hoe leerde je het vak nu in de textielwereld? Natuurlijk waren daar cursussen voor. Zo lezen we in 1939 dat onder meer Willem Tissing was geslaagd voor de Haagse Textielcursus. Een groot deel van de kennis deed je echter op in de praktijk. Het zogenaamde ‘leerlingensysteem’ werkte prima: de jongeren leerden het vak ter plaatse en de beste kreeg uiteindelijk een dienstverband aangeboden. Zo was dat vermoedelijk ook gegaan met Dirk Baartse en vele anderen.

Nieuwbouw en uitbreiding, 1938

In 1937 richt architect Leen Tol jr., namens de NV Manufacturenhandel ‘Nederland’ v/h E. Tissing, zich tot het College van B&W om vergunning tot het verbouwen van het winkelpand van Kanaalstraat 33. De vergunning wordt op 8 december verleend. Een jaar later zou Tissing het eigendom verwerven van het belendende pand, dat in handen was van Maria Jacoba van Stijn, waarna sloop zou volgen en uitbreiding op deze plek van de manufacturenhandel van Tissing.
Het nieuwe gebouw werd in Art Decostijl ontworpen. Men was er zeer over te spreken. Ook in de Gemeenteraad uitte men zich in lovende bewoordingen over de nieuwe winkel van de heer Tissing. De officiële opening vond plaats op 17 juni 1938. Ook de etalage mocht er zijn. Een toevallige passant werd er althans zozeer door geboeid dat ze niet op het toekomende verkeer acht sloeg, met alle gevolgen van dien. (Zie advertentie).

Advertentie in de Leidsche Courant van 1 december 1938

Oorlogsjaren

De oorlogsjaren zijn jaren van schaarste. Vooral tegen het einde van deze periode, in 1944/45, vindt er ernstige stagnatie plaats van de aanvoer van grondstoffen. De winkel was dan ook slechts geopend gedurende drie dagen in de week, van 10:00-12:00 uur en van 14:00-16:00 uur. Ep Tissing, geboren in 1941 als zoon van W.J.E. Tissing en M.W.C. Thijssen, weet zich nog goed te herinneren hoe weinig verkoopartikelen de winkel vulde. De verkoopruimten waren soms praktisch leeg… En dan vindt in hetzelfde jaar ook nog een inbraak plaats. Uit de winkel werden in de nacht van 7 op 8 mei 15 herenkostuums ontvreemd en 3 regenjassen. Inmiddels had Willem, geboren in 1905 als zoon van Egbert en Aleida de Liefde, het bedrijf op 1 januari 1941 overgenomen.
Maar dan is de bevrijding eindelijk in zicht…Willem Tissing had nog wat kleurenfilmpjes bewaard om het einde van de oorlog vast te leggen. En dat deed hij dan ook toen het eenmaal zover was. Het resultaat was een prachtig historisch document over het einde van de Tweede Wereldoorlog in Lisse!

Foto genomen vanaf de overzijde van de Kanaalstraat met een zich samendringende mensenmenigte voor de winkel van Tissing, 1947.

Het jaar 1947

Het jaar 1947 wordt in de geschiedenis van Tissing deels gekenmerkt door het overlijden van Aleida de Liefde (op 15 januari), echtgenote van Egbert, en tenslotte ook Egbert zelf (op 3 juli). Op 30 juli overleed bovendien één van de medewerkers in het bedrijf, Dirk Baartse. Hij was in 1908 geboren en reeds op dertienjarige leeftijd bij de zaak komen werken. Bij zijn begrafenis (op Duinhof) werd hij door Willem Tissing een ‘zeer gewaardeerd medewerker’ genoemd. Eén van zijn laatste woorden waren dat hij ‘na grote strijd klein geworden was voor God en kon berusten in Zijn weg’. 1

Het jaar 1947 bracht echter ook goed nieuws. In maart werd het 40-jarig jubileum gevierd. Het werd een feestdag, ook voor de klanten!

Foto ongeveer genomen vanaf sigarenmagazijn Juliana, 1947. Coll. Ep Tissing.

Alles werd in het werk gesteld om hen te helpen aan het nodige textielgoed, want ook dat was na de oorlog (tot ca. 1952) op de bon. De mensen verdrongen zich voor de ingang om een slaatje mee te pikken. Er werden vele gelukwensen in ontvangst genomen. Ook de burgemeester en zijn echtgenote lieten zich hierbij niet onbetuigd. ‘Tal van bloemstukken sierden de zaak’, zo lezen we in de Nieuwe Leidse Courant van 11 maart.

 

Advertentie uit 1947 betreffende het 40-jarig bestaan van Tissing, met een korte historie. Rechtsonder de eerste winkel aan de Van der Veldstraat. Coll. Ep Tissing.

Na de oorlog stond Tissing voor een keerpunt: het bedrijf werd alsmaar groter. Er werd besloten een nieuwe zaak te openen die zich ging specialiseren in woninginrichting. In 1950 werd deze geopend. De winkel bevond zich bij het oude postkantoor dat zich bevond op de hoek Heereweg/Stationsweg (vroeger De Steeg genoemd). Later is het bedrijf aanzienlijk gaan uitbreiden. In de jaren zeventig volgde nieuwbouw.

Advertentie in het Leidsch Dagblad van 21 november 1975, in het kader van het 25-jarig bestaan van Tissing Woninginrichting aan de Heereweg

Eind jaren zeventig komt het meubelbedrijf aan de Heereweg terecht in een recessie. De winkel van Tissing Europa Meubel in Valkenburg gaat in 1980 dicht. Zo ook de vestiging in Lisse. Uiteindelijk krijgt Levensmiddelenconcern Albrecht (Aldimarkt) het groene licht van makelaar Mens om zich in het voormalige pand van Tissing te vestigen. Inmiddels bevindt zich hier de nieuwbouw van De Madelief.

Verhuizing naar Blokhuis, 1979

Tissing Europa Meubel was even een ‘uitstapje’ in ons verhaal. Keren wij nu weer terug naar Kanaalstraat 33. Ook daar doen zich de nodige ontwikkelingen voor. Het bedrijf gaat zich opnieuw specialiseren: dameskleding. De dameskleding vestigt zich in 1979 in Blokhuis, terwijl de herenspeciaalzaak, die op het oude adres aan de Kanaalstraat achterblijft, wordt verkocht aan Ruud Slot. Zo kwam er dan na 68 jaar een einde aan de activiteiten van Tissing op dit adres. De damesmodetak ontwikkelde zich voorspoedig: al in 1972 was een tweede winkel geopend in Alphen aan den Rijn en in 1981 volgden een derde en een vierde winkel in

Woerden en Baarn. In 1989 opende Tissing Mode, zoals het bedrijf zich inmiddels noemde, zijn vijfde filiaal in Hoofddorp. Het hoofdkantoor van Tissing Mode bleef echter in Lisse gevestigd, in het achterste gedeelte van het pand aan de Kanaalstraat.

Op 1 februari 2000 gaat Tissing Mode over in andere handen: Be One wordt de nieuwe eigenaar.

Conclusie

In 1979 kwam er een einde aan de activiteiten van Tissing aan de Kanaalstraat. Maar het pand uit 1938 staat nog fi er overeind! Het pand waarvan de etalages zo mooi waren ingericht dat een voorbijrijdende fi etser alleen daar nog aandacht voor had en zo in botsing kwam met het overige verkeer… Dan moet de winkel wel heel smaakvol en met toewijding ingericht zijn geweest! Ja, toewijding! Dat is misschien wel het beste woord dat we kunnen vinden voor de activiteiten van Egbert, zoon Willem en tenslotte kleinzoon Ep Tissing. Succes komt niemand aanwaaien; je moet er wat voor doen. Dat heeft de familie Tissing zeker gedaan. Het resultaat kon niet uitblijven. Nu Tissing een naam uit het verleden is, hopen we dat hun voornaamste Lissese creatie op de hoek Kanaalstraat/Van der Veldstraat nog een mooie toekomst tegemoet gaat! Wellicht met een andere bestemming, maar als het markante Art Decogebouw daardoor gehandhaafd kan blijven, mogen we daar in Lisse waarschijnlijk heel content mee zijn. Kanaalstraat 33: het ga je goed!

Noot 1. De vele overlijdensgevallen doen ons vermoeden dat er wellicht een epidemie heeft gewoed. Evenals in de jaren 1858 en 1859 dus; zie deel I van deze serie.

Bronnen – Bouwdossiers van gesloopte en nog bestaande panden in Lisse in het gemeentearchief. – Doop-, trouw- en begrafenisgegevens ontleend aan www.wiewaswie.nl – Krantendatabank van het Regionaal Erfgoed Leiden v/h Regionaal Archief Leiden.

Met dank aan Ep Tissing en Frans Mooyekind.

Maatschappelijke betrokkenheid

In 1976 werd de geheel vernieuwde woninginrichting speciaalzaak geopend. Er werd een wedstrijd georganiseerd: Bij deelname droeg men bij in een project dat beoogde om een stuk duin dat door de warme zomer van dat jaar geheel kaal was geworden, opnieuw te beplanten. Het was één van de blijken van maatschappelijke betrokkenheid van de Tissing-Holding. Zo woedde er in 1949 een grote brand in Sassenheim, waardoor zes gezinnen dakloos werden. Tissing hielp de nood te verzachten door een gift in natura in de vorm van dekens. Daarnaast stond Willem aan het hoofd van een comité dat autotochten organiseerde voor ouden van dagen. Men kon zich onder meer melden in de winkel van Tissing aan de Kanaalstraat. Ook bij de Watersnoodramp van 1953 liet Tissing zich niet onbetuigd. In 1975 besloten de heren Tissing, Paardekooper en Hulkenberg een soort comité te vormen, waarin men ging praten over de planologische vormgeving van Lisse. Het was een tijd waarin er veel veranderde op dit gebied. Het driemanschap wilde hier een positieve bijdrage aan leveren. Het vond echter weinig gehoor bij de burgemeester. Hulkenberg schrijft jaren later: ‘Je werd gewoon het gemeentehuis uit gejaagd. Dat was waardeloos’.

 

 

De geschiedenis van de boerderij De Phoenix te Lisse.

De relatie met de buitenplaatsen Wassergeest en de Grotenhof (Knappenhof) in Lisse en de bewoners van de boerderij.

Door G. Schrama

Een samenvatting staat in het Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

Tijdens mijn stamboomonderzoek kwam ik een roman tegen genaamd ”In de schaduw der molenwieken, een Lisser familieroman uit de Patriottentijd (1774-1796)” door Joh. Dekker. Ter afwisseling van het jarenlang zoeken in archieven, Internet, literatuur e.d. heb ik dit boek gelezen. Maar zelfs in dit boek kwam ik een Schrama tegen en wel Karel Schrama. De auteur omschrijft in zijn boek Karel als volgt : “Hij was de kromme, maar olijke pachter van de grote boerderij genaamd ”de Phoenix” welke beschut gelegen was tussen de uitlopers van het Reigersbos aan de (oude) Es(ch)laan.” In eerste instantie kon ik nergens iets vinden over een Karel die boer was op De Phoenix in de Patriottentijd (1774-1796). Ik had wel een Karel in mijn stamboom, maar die was geboren in 1799, na de Patriottentijd. Ik ga ervan uit dat het over dezelfde Karel ging en het “een dichterlijke vrijheid” was van Joh. Dekker in zijn boek. Ook kwam er iets totaal onverwachts “boven water”. Verderop in deze publicatie is dat te lezen in de paragraaf “De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)”

Algemeen

In deze publicatie wordt de geschiedenis van de boerderij De Phoenix gevolgd middels de eigenaren van de boerderij, die meestal niet zelf op de boerderij woonden, en middels hun pachters met als belangrijkste pachter uiteraard Karel Schrama. De eigenaren van de buitenplaats Grotenhof (tot circa 1765 Knappenhof genaamd) en van de buitenplaats Wassergeest waren in de loop der eeuwen tot 1959 vaak ook eigenaar van de boerderij De Phoenix.
Op de eerste regel van de hierna volgende hoofdstukken staat tussen haakjes de periode waarop het hoofdstuk betrekking heeft.
Jonkheer Adriaen van der Laen / Adriaen Maertensz. Block (1630-1662)
Het begon met Jonkheer Adriaen van der Laen, hij kwam uit een Haarlems geslacht, was stadhouder 1) der lenen van Dever en rentmeester van Rijnland. De Jonkheer koopt in 1630 van Jacob van Bouxtel een duinmeierswoning 2) gelegen aan de rand van het Keukenduin tussen de huidige Es(sen)laan 3) en de Spekkelaan 4). Deze duinmeierswoning werd later De Phoenix genoemd.

Wassergeest

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex. Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Deze woning werd toen (in 1630) bewoond door Dirk Gerritsz de Monninck. Voor die tijd woonde er in 1603 de duinmeier Jan Gerritsz de Monninck, zij waren waarschijnlijk broers. Van der Laen geraakte echter in financiële moeilijkheden en in 1644 werd zijn zwager Adriaen Maertensz. Block eigenaar van de duinmeierswoning. Block was niet van adel, maar had geluk gehad “op zee”. Hij had zich zo een belangrijke positie verworven, was eigenaar van het Huis Ter Specke en stichter van de buitenplaats Keukenhof. Adriaen van der Laen was in 1660 de stichter van de buitenplaats Wassergeest. De nieuw gebouwde woning op de buitenplaats zag er uit als een herenboerderij. Blijkbaar verwisselen beide heren weer qua eigenaarschap van de duinmeierswoning want van der Laen was in 1662 weer verkoper van de duinmeierswoning. De verwisseling van eigenaar is (nog) niet onderbouwd door gegevens uit bronnen, maar is gebaseerd op de hierna volgende verkoop aan Pieter Six.
Pieter Six / Pieter Six Pietersz. / Pieter Six Pietersz. Jr. (1662-1763)
Pieter Six erfde in 1654 de Lissese goederen (waaronder Knappenhof) van zijn moeder Anna Wijmer en heeft het bezit aanzienlijk uitgebreid. Hij slaat in 1662 een grote slag en koopt onder andere van Adriaen van der Laen de duinmeierswoning aan de rand van het Keukenduin. Dit was het begin van drie generaties Six als eigenaar van de buitenplaats Knappenhof en de duinmeierswoning. Achtereenvolgens waren dat :
Pieter Six van 1662 tot zijn overlijden in 1680 en daarna zijn weduwe tot haar dood in 1689
hun zoon Pieter Six Pietersz. van 1689 tot zijn dood in 1703
Pieter Six Pietersz. Jr. was in 1703 nog minderjarig, maar in 1712 nam hij de erfenis dankbaar in ontvangst. Hij trouwde in 1716 met Geertruid van der Lijn, hij overleed in 1755 en zijn weduwe in 1763.

De buitenplaats Knappenhof.
Bron : het boek “Rhynlands fraaiste gezichten” door Abraham Rademaker, uitgegeven in 1732, maar gebaseerd op oudere prenten o.a. van 1630.

Pieter Six Pietersz. Jr. heeft diverse hoge posten bekleed zoals schepen en burgemeester van Amsterdam, kapitein der Burgerij, Commissaris van de Artillerie en Fortificatie, ambachtsheer van Amsterdam, Sloten en Sloterdijk, bewindhebber van de VOC, heemraad, schepen en hoofdingeland 5) van de Watersgraafmeer.
Achtereenvolgens waren de volgende personen van 1693 tot 1730 bewoners van de duinmeierswoning : Floris Cornelisz. de Vlieger, Engel Jansz. Koster en Crijs Arisz. van Breedloosbergen (of Brelofsbergen).
Floris Cornelisz. de Vlieger was vanaf 1693 de pachter en van beroep was hij duinmeier. In die functie moest hij het Keukenduin, voor zover dat in handen was van de heer Six, beheren. En daar hoorde uiteraard bij dat hij regelmatig de nodige konijnen op de Knappenhof moest bezorgen. Maar Floris zal zelf ook wel van dat kostelijke wild genoten hebben. Floris huurde ook loosters 6) ter grootte van circa vijf morgen. Hij verbouwde dus ook een en ander of had misschien koeien. Na onenigheid met de Heer Six over het betalen van de huur is Floris in 1697 vertrokken.
Floris werd opgevolgd door Engel Jansz. Koster, die in 1698 alweer was vertrokken, naar Haarlem.
Van 1698 tot circa 1730 was Crijs Arisz. Van Breedloosbergen de pachter. Hij moest vanaf 1699 tien jaar lang 330 gulden per jaar betalen voor de huur van een stuk Keukenduin en de duinmeierswoning.
Vrouwe Geertruid van der Lijn / Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria (1763-1784)
Vrouwe Geertruid van der Lijn , de weduwe van Pieter Six Pietersz. Jr, was een tante van Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria. Na het overlijden van tante Geertruid erfde in 1765 Cornelis Jacob onder andere het huis Knappenhof en Anna Maria onder andere de duinmeierswoning. In 1764 werd de buitenplaats nog “Knappenhoeff” genoemd maar in 1765 wordt het buiten van Cornelis Jacob de naam “Grootenhoff” toegedicht. In 1776 is Anna Maria van der Lijn overleden en komt haar bezit, conform het testament van Vrouwe Geertruid Six – van der Lijn, in handen van haar broer Cornelis Jacob. Door schulden moest Cornelis Jacob van der Lijn in 1782 Grotenhof verkopen en in 1784 de duinmeierswoning.
Cornelis Jacob was een zoon van een belangrijk ambtenaar in Alkmaar en als kind vallen hem al ereambten ten deel. Hij was kerkmeester van de Nieuwe kerk, later regent van het Burgerweeshuis, koopman, assuradeur en Kapitein van de Amsterdamse Burgerij. Meer informatie over het geslacht van der Lijn is te vinden op de site van de gemeente Alkmaar.

Appolonius Jan Cornelis Lampsins (1784-1796)
In 1784 kocht Appolonius Jan Cornelis Lampsins de duinmeierswoning met de bijbehorende 26 morgen grond. Hij was zowel eigenaar van de buitenplaats Grotenhof (1782) als van de buitenplaats Wassergeest (1783). Gerrit Pietersz. Langeveld was in 1784 en ook nog in 1786 de pachter van de duinmeierswoning. De naam De Phoenix komen we voor het eerst tegen in 1789 als de boerderij door Appolonius Jan Cornelis Lampsins te koop wordt aangeboden. In een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 2 mei 1789 staat “Een capitale BOERENGEBRUIKER, genaamd DE PHOENIX (…)”. In de jaren daarna leest men ook wel eens “De Phenix” of “De Phaenix”. “Phoenix” betekent zoveel als “uit de as herrezen”. Blijkbaar is de boerderij, ergens tussen 1786 en 1789, afgebrand en daarna weer opgebouwd. De boerderij is later nog een keer afgebrand toen Karel Schrama de pachter was.
Appolonius Jan Cornelis Lampsins moest, wegens schulden, in 1790 zowel Grotenhof als Wassergeest verkopen. In de verkoop van Grotenhof is begrepen ‘Een kapitale BOERENBRUIKER (pachthoeve), genaamd DE PHOENIX, met deszelfs Huismans Wooninge, Stallinge, Schuur, Bergen, etc’.! De Grotenhof wordt echter zonder De Phoenix verkocht. De Phoenix blijft in het bezit van Lampsins tot hij het in 1796 verkoopt aan het tweetal Willem Walman en Cornelis Heemskerk, beide afkomstig uit de Vogelenzang. 7)
Appolonius Jan Cornelis Lampsins was kerkmeester van de Oosterkerk, Kapitein van de Burgerij, Bewindhebber van de West-Indische Compagnie, directeur van de kolonie Suriname en lid van de Raad van de Vroedschap van Amsterdam. Daarna was hij Baljuw van Vlissingen.
Willem Walman en Cornelis Heemskerk / zijn zoon Cornelis (1796-1805)
In 1800 en 1801 staat het tweetal hun aandeel in De Phoenix af aan Cornelis Heemskerk junior, de zoon van Cornelis Heemskerk. 8) In het begin gaat het heel goed met het boerenbedrijf van Cornelis Jr., maar op 18 juli 1805 is hij genoodzaakt zijn gehele bezit af te staan aan Daniel Pompejus Johannes van der Staal van Piershil.

Daniel Pompejus Johannes (D.P.J.) van der Staal van Piershil en zijn zoon Guillaume Charles (1805-1852)
D.P.J. van der Staal van Piershil was sinds 1804 eigenaar van Wassergeest en toen hij in 1805 het boerenbedrijf kocht, wordt dat omschreven als “De Huismanswooninge genaemt de Phoenix met desselvs bargen, Schuuren, Zomerhuis, Stalling voor dertig à veertig Koebeesten, Kaarnhuys, Item Erven, Boomgaard met en benevens de nombre van vijff en Twintig Morgen zoo weij, hooy, als teelland”. 9)
Daar Heemskerk junior van D.P.J. van der Staal van Piershil de garantie wilde hebben dat hij op De Phoenix kon blijven wonen is er tegelijk met de verkoop op 18 juli 1805 een uurcontract afgesloten met een huurprijs van 1100 gulden per jaar. 10) In de lijst van de personele quotisatie uit 1808 11) 12) komen we de naam van boer Heemskerk nog tegen evenals in het volkstellingsregister uit 1809. 13) In 1812 blijkt hij echter vertrokken te zijn en in 1814 treffen we hier een zekere Pieter Dirkse Langeveld als pachter aan. 14)
Op 20 april 1839 heeft D.P.J. van der Staal van Piershil de boerderij De Phoenix en omliggende landerijen (in totaal zo’n 25 morgen) overgedragen aan zijn zoon Guillaume Charles. Het geheel wordt in de acte, opgesteld door de Lissese notaris Jan Gerard Cramers, omschreven als “Den Bouwmanswooning genaamd De Phoenix met verdere getimmertens, Erven, Tuyn, Boomgaard en eenig boschhakhout (…) met alle na te melden partijen lands”. 15)

 

In augustus 1852 heeft Guillaume de latere Vennesloot er nog bijgekregen. Deze strekte zich uit vanaf boerderij De Phoenix , onder de Jannetjesbrug door, tot in de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Hij kreeg deze sloot erbij daar de bewoners van De Phoenix hiervan altijd gebruik hadden gemaakt “volgens vroegere Titels en bescheiden”. 16) Hier heeft Karel ook vast wel gebruik van gemaakt voor transport van zijn produkten en / of voor het ophalen van hooi als hij grond had in de Lisserpoelpolder.
D.P.J. van der Staal van Piershil moest wegens schulden zijn deel van het landgoed Wassergeest op 16 september 1852 verkopen. 17) Ook het aandeel in het landgoed van Guillaume Charles, zijn zoon, werd verkocht. Het omvatte onder andere de “Bouwmanswoning genaamd De Phoenix”. Karel Schrama kocht toen een perceel land dat niet nabij het huis Wassergeest lag. Dit zou heel goed land in de Lisserpoelpolder geweest kunnen zijn.
Van der Staal sr. was ambachtsheer, hoogheemraad 18) van het Hoogheemraadschap van Rijnland en burgemeester van Lisse. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Meer informatie over de famiie van der Staal van Piershil is te vinden op de site gahetna.nl (van het Nationaal Archief) onder toegang 3.20.54.

Karel Schrama (1824-1876)

Boerderij De Phoenix vanuit het zuidoosten gezien (Achterweg-zijde), schilderij door W. Schouten 1942, collectie P. de Wit, fotograaf F. v.d. Veen

In de eerste decennia van de 19e eeuw blijkt het met de boerenstand op De Phoenix niet zo voorspoedig te gaan. Er was een hele reeks van pachters geweest die steeds gedurende korte tijd het hoofd boven water hadden weten te houden. Karel Schrama 19) was vanaf 1824 pachtboer op De Phoenix en het zou hem beter vergaan. 20) Gedurende enige tijd liep het boerenbedrijf van Karel en zijn vrouw Marytje Riggel zeer voorspoedig totdat de gehele boerderij in 1830 in de as werd gelegd. In de memoires die Johannes Rotteveel, boer bij Dever, tussen 1830 en 1878 heeft opgetekend, lezen we dat op “den 6 september” van eerstgenoemd jaar ” (1830) de wooning van de Heer van der Staal, bewoond door Karel Schrama, (is) verbrand door het broeien van het hooi “. 21) In een kroniek opgesteld door Cornelis van der Zaal, de zeer bekende Lisser timmerman en molenmaker, schrijft hij dat in de nacht van 11 op 12 september 1830 het woonhuis en de stal van de boerderij De Venne, waar Carel Schrama woonde, in volle vlam stond. Opvallend is dat de boerderij niet De Phoenix maar De Venne genoemd werd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat er een sloot genaamd de “Vennesloot” vanaf de Phoenix in de richting van de Haarlemmermeer liep. Ook is opvallend dat in de memoires van Rotteveel een andere datum van de brand genoemd wordt dan in de kroniek van Van der Zaal. Na opdracht van de heer Van der Staal senior is door de heer van der Zaal binnen 10 weken de schade aan de boerderij hersteld en kon boer Schrama zijn boerenbedrijf hervatten. 22) In de jaren 1844 tot 1867 kwamen er uitbraken van veepest voor en boer Karel deed dan ook diverse malen aangifte van gestorven vee. 23) Onder andere kwam Karel in 1849 op een dag melding maken van liefst vijftien koeien die bij hem aan longziekte waren overleden. De schade was echter niet van dien aard dat hij zijn boerenbedrijf moest beëindigen en Karel heeft zichzelf redelijk door deze moeilijke periode heen kunnen slepen. In ieder geval heeft hij tot zijn dood (in 1876) op De Phoenix het boerenbedrijf uitgeoefend. 24) 25)

Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht (1852-1899)
Nieuwe eigenaar van Wassergeest en De Phoenix werd op 16 september 1852 de Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht als curator van zijn (geestelijk gestoorde) broer Johan Frederik. Bij de verkoop werd bepaald dat bij de gronden van de tuinmanswoning “ten behoeve van de bouwmanswooningen de Hoogewerf en De Phoenix (….) voor den duur van den tegenwoordigen verhuring (wordt) voorbehouden een overpad ten dienste van melkers”. 26) Nicolaas Johan en zijn broer Johan Frederik kwamen uit een heel rijke Zeeuwse “regenten-familie”.

Hun vader had in 1809 Keukenhof gekocht. Nicolaas Johan kocht Wassergeest kennelijk niet voor zijn broer. Het werd namelijk in 1853 verhuurd aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt gehuwd met Jonkvrouw Cecilia Maria Steengracht (zuster van beide broers en eigenaresse van Keukenhof). Toen echter Jonkheer Johan Frederik Steengracht in 1862 overleed, kreeg de jonkvrouw in 1863 ook Wassergeest in eigendom toebedeeld. De Jonkvrouw was de laatste van de vier eigenaren van de Phoenix waar Karel als pachter mee te maken had. Eerst had hij te maken met vader en zoon van der Staal van Piershil en daarna met broer en zus Steengracht.

De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)
Karel Schrama is overleden op 7 mei 1876. 27) Zijn vrouw was al eerder overleden in1871.
Op 23 mei 1876 heeft notaris van Stockum uit Lisse zich naar “het huis gemerkt met nr. 71” (De Phoenix) begeven om een inventaris op te maken van de door Karel nagelaten roerende goederen. 28) “In den Paardenstal” bevindt zich wat stro, paardentuigen en gereedschap niet veel. “In de Wagenloods” twee wagens, en een tilbury, naast nog “een partij aardappelen”, tonnen, een ladder etc. In een andere wagenloods is nog een “kapwagen” aanwezig. Verder is er nog een schuur met zolder, waarin zich een wagen bevindt, kruiwagens, turf en een rattenval. Zelfs in de “Barg” (hooiberg) bevindt zich nog een en ander. Er is ook een afzonderlijk karnhuis, alsmede een zomerhuis, waarin de boer ’s zomers met zijn gezin trok. In de boerenwoning zelf bevond zich ook de kelder, waarin zich nog voorraden melk, boter en room bevonden. Troffen we op Grotenhof in de 18e eeuw nog ledikanten aan voor de welgestelde heren en dames, Karel en zijn gezin moesten het doen met bedsteden “met stroozakken”. Op de zolder bevinden zich onder meer turfmanden, “een partij rogge en gerst”, een muizenval, een partijtje “stamboonen”, een “gemakje” (verplaatsbaar toilet), kazen en nog veel meer. In de keuken vinden we een elftal schoorsteenborden en “ornamenten” (kleine beeldjes en andere siervoorwerpen) en natuurlijk is er veel aardewerk. Tegen een wand hangen een spiegeltje en diverse schilderijtjes en in de open haard vinden we een haardijzer en een tang. Ook in de opkamer hangen enige schilderijen. Verder bevinden zich er een tafel, een bureau en een kastje met glas en aardewerk, porselein en een crucifix. Ook hier is er een bedstede aanwezig. Kennelijk had Karel schulden nagelaten want reeds op 24 augustus 1876 worden diverse partijen wei- en hooiland, die Karel in de loop der jaren verworven had, verkocht. 29) En op 18 april van het volgende jaar heeft notaris van Stockum zich nogmaals naar de “Bouwmanswooning De Phoenix te Lisse” begeven om daar een aantal roerende goederen van Karel te veilen. 30) Tenslotte werd op 19 september 1877 de boedel van wijlen Karel gescheiden. 31) De schulden van Karel hadden misschien te maken met het goedkoop lenen van gelden aan de Aagtenkerk en ook deed hij een gift / verleende hij een legaat aan de kerk. Misschien stond hij daarom bij zijn dood “in het rood”, maar hij is vast naar de hemel gegaan.32)
Toen ik Karel zocht in het bevolkingsregister over de periode 1870-1880 ontdekte ik totaal onverwacht iets verrassends. Bij huis 71 (De Phoenix ) staat allereerst Karel met twee dochters vermeld en vervolgens staan (ingaande 1876) Antonius Schrama en Cornelia van der Reep vermeld. Karel was een oom van Antonius. Antonius is mijn overgrootvader. Mijn overgrootouders verhuisden van de Haarlemmermeer naar de Phoenix. En op 14 mei (één week na het overlijden van Karel) gaan zij in ondertrouw en zij trouwen op 1 juni in Lisse. Waarom hadden zij ineens zo’n haast ? Op 26-1-1877 wordt hun eerste kind geboren op de Phoenix. Negen maanden terug geeft april ! Cornelis, hun tweede kind, was mijn grootvader. Totaal werden er drie kinderen geboren op de Phoenix (in 1877, 1878 en eind 1879). Antonius heeft tijdens zijn leven op diverse plaatsen gewerkt als boerenknecht, arbeider en ten slotte was hij vrachtrijder. Ook zijn oudste zoon (Cornelis, mijn Opa) werd vrachtrijder en later grossier in levensmiddelen. Aan het einde van 1879 verhuisde het gezin van Antonius naar het Oosteinde in Lisse en kort daarna naar een huis dichtbij Het Vierkant. 33) Mijn overgrootouders kregen totaal vijftien kinderen waarvan er twee levenloos waren en negen kinderen binnen 150 dagen na de geboorte zijn overleden. Dat kwam in vroegere tijden wel vaker voor.

Mijn overgrootvader Antonius Schrama, mijn overgrootmoeder Cornelia v.d. Reep en mijn Opa Cornelis Schrama. Bron : eigen archief.

Jacobus Schrama was een zoon van Karel. 34) 35)Hij huwde met Grietje Meyer. Laatstgenoemde was een dochter van Hendrik Meyer, veehouder op de boerderij Bloemhof aan het Mallegat. In 1862 kwam boer Meyer te overlijden waarna zijn dochter Margaretha (Grietje) het boerenbedrijf (Bloemhof) overnam. 36) Het was een “klein wereldje” waarin men vaak trouwde met “de buurjongen om de hoek” of met “de dochter van die rijke boer”. Op slechts 41-jarige leeftijd overleed Jacobus op 7 maart 1870.37) 38) Niet lang daarna, op 27 augustus 1872, hertrouwde de weduwe (Grietje) met Hendrik van Schie. 39) Grietje Meyer overleed in 1877. Aan het einde van 1879 kwam veehouder Hendrik van Schie als weduwnaar naar De Phoenix. 40) In april 1880 hertrouwde hij met Adriana Langeveld.

Van Pallandt / van Lynden / van Rechteren Limpurg (1899-1925)

Naam in muur Foto G. Schrama 2014

Na het overlijden van de baronesse Cecilia Maria Van Pallandt-Steengracht erfde in 1899 haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt (gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden) de Keukenhof en Wassergeest. De barones verkocht in de jaren 1900 tot 1902 De Phoenix met bijbehorende gronden aan haar twee zoons (Jan Maurits Dideric van Lynden en Carel Anne Adriaan Willem van Lynden). 41) In 1914 hebben de broers dit bezit onder elkaar verdeeld. “De Boerderij genaamd De Phoenix met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” ging naar Carel Anne Adriaan Willem. 42) Hij was in 1898 getrouwd met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Na het overlijden van Carel Anne in 1923 kwam De Phoenix in 1925 in het bezit van zijn dochter Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Zij trouwde in 1937 met Adolph Reinhard Zeyger graaf van Rechteren Limpurg en kregen in 1938 een dochter genaamd Elisabeth Marguérite Carole. Het oud-adellijke geslacht Van Pallandt stamt uit het Gulikse, oostelijk van de provincie Limburg.

Vervolg van de opvolgers van Karel als pachter / eigenaar van De Phoenix (1892-1991)
Hendrik van Schie is in 1892 overleden en zijn tweede vrouw in 1907. Bij zijn tweede vrouw had hij een zoon genaamd Adrianus. Adrianus volgde zijn moeder op in het boerenbedrijf. Hij had nog lang op De Phoenix kunnen blijven wonen en boeren, ware het niet, dat het op een kwade dag uitkwam dat hij zand uit het Reigersbos had gehaald ! Dit kwam barones Carola Elisabeth Aurelia Anna ter ore en kort daarna (in 1926) kon van Schie vertrekken.43) In hetzelfde jaar volgde Willem de Wit Adrianus op als pachtboer op De Phoenix.

Phoenix, bron Chris Balkenende

In 1959 werd De Phoenix door de baronesse Elisabeth Marguérite Carole van Rechteren Limpurg van de hand gedaan. De koper was Willem de Wit of zijn zoon Pieter. Pieter de Wit woonde samen met zijn vader Willem de Wit op De Phoenix tot vader Willem overleed.
Bron : Chris Balkenende / Facebook

In 1991 droeg Pieter De Phoenix over aan de apotheker R.E. van der Vliet.44) Hij heeft erg veel verbouwd aan de hoeve wat ten koste ging van de authenticiteit. Momenteel (2014) is de heer A. Peterse eigenaar van de Phoenix. 45)

Foto G. Schrama 2014

 

Nawoord
Allereerst wil ik Rob Pex hartelijk danken voor al zijn hulp bij het tot standkomen van deze publicatie. Veel van de informatie in deze publicatie heb ik mogen putten uit twee boeken van R.J. (Rob) Pex over twee buitenplaatsen in Lisse namelijk :
“Knappenhof of Grotenhof te Lisse”, in 1999 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse.
“Wassergeest te Lisse”, in 2004 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse en de Stichting Historische reeks Duin – en Bollenstreek.
Meer informatie over de buitenplaatsen Wassergeest en Knappenhof (of Grotenhof) is te vinden op de site home.tiscali.nl/~kastelenzuidholland.
Tevens wil ik (in willekeurige volgorde) Maarten van Bourgondiën, Laura Bemelman, Janny de Wit en niet met name genoemde medewerkenden danken voor hun bijdrage.
Ik heb niet alles in deze publicatie kunnen verifiëren. Graag verneem ik Uw commentaar en / of aanvulling(en) op deze publicatie.

Opvallend is het aantal faillissementen bij de “hoge heren”, wegens schulden moesten zij hun bezittingen verkopen. Hadden zij het te “hoog in de bol” of was het toen ook “crisis” en moesten zij verkopen wegens de economische omstandigheden.
G. Schrama

1. Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten tijdelijk het gezag uitoefende. Bron : Wikipedia

2. Vroeger liet de adel de jacht op konijen in de duinen over aan een “duinmeier” (of duinmeijer, duinmeyer en duinmaaijer) die er zijn broodwinning van maakte. De duinmeiers waren pachters van de duinen van de toen rechtmatige eigenaren. Het gebied dat aan een duinmeier werd verpacht heette een “warande”. Elk dood konijn leverde vlees , maar ook een konijnenvel voor de bontjas. Bron : het boek Perikelen in de duinen, H.J. Min.
Claes Maertensz van ’s Gravenmade (een van de voorvaders van de Schrama’s), geboren in 1533, was een duinmeier in de Zilker duinen

3. De vroegere Es(sen)laan is niet de tegenwoordige Es(sen)laan, maar lag meer noordelijk. Het was een zeer landelijke weg die liep van De Phoenix naar de Loosterweg. In 1755 schijnt het gedeelte Trijnelaan (Catharijnelaan) dat liep van de Achterweg tot aan het Keukenduin een ander naam te hebben gekregen : de “Neslaen”. In de latere jaren is de naam verbasterd tot Eslaan of Essenlaan.

4. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 74, fol. 333.

5. Hoofdingeland = lid van het algemeen bestuur van een waterschap.

6. De stroken zandgrond langs de duinen waarover het water afvloeide werden “loosters” genoemd.

7. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 26, fol. 273 d.d. 31 augustus 1796, zie ook het huisarchief Keukenhof, inv.nr. 56

8. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d. 16 juli 1800 en 24 juni 1801

9. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

10. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

11. Bron : GA Lisse inv.nr. 225

12. Bij een wet van 30 maart 1808 is een belasting op het inkomen , de zogenaamde Quotisatie, ingesteld.

13. Bron : GA Lisse inv.nr. 10

14. Bron : .GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1814).

15. Bron : Huisarchief Keukenhof, inv.nr.56.

16. Bron : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10 d.d. 19 augustus 1852

17. Bron : NA, Notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 120

18. Lid van het dagelijks bestuur van een waterschap

19. Carolus (Karel) Schrama is op 17 juni 1799 gedoopt in Hillegom en op 7 mei 1876 overleden in Lisse. Hij trouwde in Lisse op 29 februari 1824 met Maria Riggel. Maria was gedoopt in Lisse op 12 november 1797 en is overleden in Lisse op 21 december 1871. Een van hun zoons was Jacobus, geboren op 6 september 1829 op de Phoenix en op 7 maart 1870 in Lisse overleden. Bron : www.genealogie-stamboom-schrama-gravenmade-bollenstreek.nl

20. Bron : GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1824).

21. Bron : Boek met perkamenten omslag uit de 18e eeuw , in het bezit van de heer J.Rotteveel (1981), veehouder bij Dever, waarin diens betovergrootvader J.Rotteveel (1804-1880) enige memoires heeft genoteerd.

22. Bron : “Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762-1839”, dr. A.J. Kölker

23. Bron : GA Lisse inv.nr. 1126

24. Bron : idem

25. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

26. Bron : Veilingakte d.d. 2 september 1852 in : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 124.

27. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

28. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 23 mei 1876

29. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 24 augustus 1876

30. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 18 april 1877

31. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 19 september 1877

32. Bron : boek van Hulkenberg over de Aagtenkerk (blz. 133 en blz. 145)

33. Bron : Laura Bemelman

34. Zie noot 19

35. Bron : GA Lisse, geboorteregister, geboren 6 september 1829 in huisnummer 45 (De Phoenix) als zoon van Karel Schrama en Maria Riggel.       terug

36. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister, 1860-1870

37. Zie noot 19

38. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 38, d.d. 1 juni 1870, hierin de inventaris van de gemeenschappelijke boedel van wijlen Jacobus Schrama en zijn weduwe Grietje Meyer.

39. Bron : GA Lisse, huwelijksregisters

40. Bron : Laura Bemelman

41. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

42. Bron : NA,notarieel Lisse 1909-1915, inv.nr.7

43. Bron : de heren A. en W. de Wit (1995) te Lisse

44. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

45. Bron : Janny de Wit