Berichten

POELEWAY EN ZWANENDRIFT

De bewoners van Poeleway, Zwanendrift, Phoenix en Bloemhof komen aan de orde.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 13 nummer 4, oktober 2014

De Lisser Poelpolder was in 1624 drooggemalen, het nieuwe land werd in elf kavels verdeeld die werden verloot aan de belangstellenden. Op een van de kavels is boerderij Poeleway gebouwd. In 1966 heeft de gemeente deze boerderij gekocht en gesloopt ten behoeve van grootschalige woningbouw in dat gebied. Enkele generaties van de familie Verdegaal hebben op deze boerderij hun bedrijf gehad. Daarvoor was deze van Jacob Huijbertse van der Voort en via zijn dochter kwam de boerderij in de familie Verdegaal.
Ook de historie van Zwanendrift gaat een eind terug in de tijd. Ooit stond deze aan de rand van de Poelpolder met vrij uitzicht over het hele poldergebied en op de Zemelpoldermolen. De oude kastanjebomen staan er nog altijd prachtig bij, de oude vijver voor de boerderij is helaas bij de aanleg van de Laan van Rijckevorsel gedempt. Aan de zwanendrift, ofwel het adellijk recht op het houden van zwanen, dankt deze boerderij zijn naam. Zwanen hadden sierwaarde en het houden ervan duidde op welstand. Willem Verdegaal (geboren in 1837) is de eerste uit zijn familie die intrek neemt op deze boerderij, hij wordt veehouder.
De oude boerderij, in later jaren in bezit van de familie Schrama, is nu verkocht en mag van de Monumentencommissie verbouwd worden. De architect, Diederik van Egmond, heeft zijn plannen in een overtuigende presentatie uiteengezet. De commissie is positief, maar wil ‘de voortgang op detailniveau’ nog wel goed in de gaten houden.

Cornelis Symen Verdeger

De stamvader van de familie Verdegaal is Cornelis Symen Verdeger (Verdega), vermoedelijk circa 1680 geboren in Rijnsburg, daar rond 1715 wonend als bouwman. Dat is het uitgangspunt van de uitgebreide genealogie van Bert Hogervorst over deze familie. Cornelis Symen noemde zichzelf Vertegaal en liet zijn negen kinderen ook met deze achternaam dopen, hoewel de verschillende pastoors ze in wisselende spellingsvarianten in de doopboeken geschreven hebben. Een deel van de nakomelingen heeft daardoor de naam Verdegaal gekregen en gehouden. De zoon van Cornelis Symon is Symon Cornelisz Verdegaal. Deze trouwt en krijgt tien kinderen. Twee ervan spelen een belangrijke rol in dit verhaal, dat zijn Hendrik, geboren in 1737 en zijn jongere broer Jan, geboren in 1744.

Jan Verdegaal en kleindochter Maria Riggel

Jan Verdegaal (1744) trouwt in 1769 in Lisse met Willemijntje Juriaansdr Vreeburg. Hun dochter Maria Verdegaal trouwt met Jacob Maartensz Riggel, bouwman op boerderij Welgelegen aan de Heereweg. Uit dit huwelijk wordt dochter Maria Riggel geboren. Zij trouwt met Carolus Schrama – zie linkeronderhoek van het Lisses Kwartiertje in dit blad – die boerderij de Phoenix aan de Achterweg in Lisse in pacht heeft. Carolus Schrama en Maria Riggel staan samen aan de basis van de vaderlijke kant van de kwartierdrager Wilhelmus Johannes Schrama.

Petrus Verdegaal, geboren in 1809

Foto van boerderij de Poeleway voor de sloop

De oudere broer Hendrik Verdegaal (1737) trouwt met Ermpje, de dochter van Jacob Huijbertse van der Voort van de Poeleway in Lisse, een huismanswoning in de Poelpolder te Lisse met landerijen in de Sasbeeksepolder en de Roversbroekpolder. Hendrik koopt deze boerderij later van de erfgenamen van zijn schoonvader. Hendrik en Ermpje krijgen elf kinderen, een ervan is Willem Verdegaal, geboren in 1778. Uit zijn huwelijk met Maria Bergman wordt Petrus Verdegaal in 1809 geboren. En hij is eveneens een voorouder van dezelfde Wilhelmus Johannes Schrama, uit het Lisses Kwartiertje, maar dan langs moederskant.

Hendriks zoon Willem Verdegaal

Willem Verdegaal (1778) en Marijtje Bergman wonen in Vogelenzang en krijgen zes kinderen. Na het overlijden van zowel Willem als zijn vrouw moet de erfenis worden afgehandeld. Uit de stukken daarover blijkt dat dan alleen Petrus (1809) en Hendrik (1814) nog in leven zijn.

Hendrik (1814 – 1865) erft de ouderlijke woning, de boerderij ’s Gravenweg in Vogelenzang. Hij trouwt maar krijgt geen kinderen. De boerderij is uiteindelijk naar neef Rutgerus (Rutger) Verdegaal (1842) uit Lisse gegaan. Rutger is een zoon van Hendriks broer Petrus.
Petrus (1809-1873) erft boerderij de Poeleway in Lisse en trouwt in 1836 met Geertje Lommerse uit Hillegom. Zij gaan op de boerderij wonen op Grachtweg 145, het adres wordt later gewijzigd in Poel(polder) 145.
Het echtpaar Verdegaal-Lommerse staat bekend als weldoeners van de Agathakerk, de parochie en de armen. Petrus Verdegaal schenkt o.a. een ‘Petrus’ luidklok. Op die klok stond ‘gegeven door W. Verdegaal’ gegraveerd. In 1842 is deze klok geschonken uit de erfenis van zijn vader Willem die in datzelfde jaar overleed. Volgens de heer Hulkenberg wilde Petrus zijn eigen zoon Willem de eer geven de klok – namens zijn opa – te schenken. Tot 1938 heeft de ‘Petrus’ klok dienst gedaan, daarna is de klok verkocht of ingeruild voor een nieuwe klok.
Uit dit huwelijk Verdegaal-Lommerse worden twaalf kinderen geboren. Als de kinderen na het overlijden van Geertje Lommerse in 1885 bij elkaar geroepen worden voor het afhandelen van de nalatenschap, blijken er nog zeven kinderen in leven.

Poeleway na overlijden van Petrus Verdegaal

In een oude akte, na het overlijden van de vader van Petrus Verdegaal, werd boerderij de Poeleway als volgt omschreven: een Huismans of Boerenwoning, met Erf, Werf, Bargen, Schuren, Stalling voor Koebeesten, Karnmolen en verder getimmerte, benevens 26 bunders, 51 roeden en 24 ellen zoo wie Bosch, Hooie en Teellande alles staande en gelegen in de Poelpolder te Lisse en voorts ruim 3 bunders in de Roversbroekpolder te Lisse. Dit bezit was door Notaris Jan Gerard Cramers te Lisse in 1843 gewaardeerd op 5.700 gulden. Na het overlijden van Petrus Verdegaal in 1873 blijft zijn weduwe Geertje op de Poeleway, met zoon Piet (1854) die het bedrijf van zijn vader overneemt. Willem (1837) woont al op Zwanendrift en Rutger gaat naar Vogelenzang, naar de boerderij van zijn oom. Gerrit (1852) trouwt en vertrekt naar Zoeterwoude. In 1885 overlijdt ook moeder Lommerse.

Piet (1854 – 1934)

Berg en Poel aan Heereweg 305

De jongste zoon Piet heeft na het overlijden van zijn vader boerderij de Poeleway voortgezet tot zijn broer Gerrit (1852) rond 1900 uit Zoeterwoude terugkomt en de boerderij in huur overneemt. Piet blijft ongehuwd en het gaat hem fi nancieel goed. Hij heeft voor zichzelf een huis aan de Heereweg gebouwd en verlaat de Poeleway. Het nieuwe huis staat op een ‘hoogje’, tegenwoordig Heereweg 305, maar heet eigenlijk ‘Berg en Poel’. De gevelsteen zit nog hoog in de rechterzijgevel, en verwijst naar de kunstmatig aangelegde ‘berg’ en de vijver of ‘poel’ erachter. De vrijgezel Piet Verdegaal kon vanuit zijn huis uitkijken op de boerderij de Poeleway en zien of daar wel gewerkt werd. Het huis staat vanuit de Heereweg gezien, links van de oude oprijlaan naar Zwanendrift, tegenwoordig de Marconilaan.

Gerrit (1852-1930)

Rond 1900 is Gerrit als weduwnaar met negen – van de veertien – kinderen weer in Lisse teruggekomen en vestigt zich op de Poeleway als huurder van zijn broer Piet, die naar ‘het hoogje’ gaat. Gerrit blijft op de boerderij tot zijn jongste zoon Jan (1887) het bedrijf overneemt. Vader Gerrit en drie van zijn dochters verhuizen dan naar een huis op de Heereweg vlak bij de huidige Nassaustraat.

Boerderij Poeleway tijdens de sloop

Jan blijft ook na het overlijden van zijn oom Piet (in 1934) en de schenking van de Poeleway uit diens nalatenschap aan de Agathaparochie, op de boerderij, nu dus als huurder van de kerk. Als het kerkbestuur in de Tweede Wereldoorlog de boerderij wil verkopen, komt deze in bezit van Jan. Na het overlijden van Jan is zijn zoon Gerrit (1915) de volgende op deze boerderij. Maar in de jaren zestig van de vorige eeuw worden grootschalige plannen voor woningbouw voor de Poelpolder ontwikkeld en moet de boerderij in 1966 aan de gemeente Lisse verkocht worden. Daarna is de Poeleway helaas gesloopt en Gerrit is naar een boerderij in Noord-Holland vertrokken.

Willem (1837-1901) op Zwanendrift

Dirkje Verdegaal-Smeelen voor Zwanendrift

Willem Verdegaal, veehouder, trouwt in 1863 met Dirkje Smeelen uit Rijpwetering. Ze trekken naar Zwanendrift, dan Huis nummer 3 op de Heereweg. Uit dit huwelijk worden tien kinderen geboren. Willem overlijdt in 1901, zijn weduwe Dirkje Smeelen in 1921. Het adres wordt via C130 en H62 uiteindelijk Heereweg 309, want de Laan van Rijckevorsel bestond toen nog niet. De boerderij was te bereiken via de oprijlaan vanuit de Heereweg.
De broers Jan (1868) en Willem (1881) blijven op Zwanendrift met hun zus Geertje (1864). Broer Hein (1875) gaat naar een nieuw huis op de Heereweg, nu nummer 311, aan de rechterkant van de oprijlaan naar Zwanendrift. Hij wordt uiteindelijk bloembollenkweker. In 1933 overlijdt Jan (1868) en blijven Geertje (1864) en Willem (1881) over. Als Willem de boerderij aan neef Schrama overdoet, bouwt hij een nieuw huis aan de Heereweg 319 voor zichzelf en zijn zus Geertje. Willem overlijdt in 1954, zus Geertje al in 1950.

Schrama: Phoenix, Bloemhof en Zwanendrift

Even een heel eind terug in de tijd: Carolus Schrama en Maria Riggel wonen op boerderij de Phoenix aan de Achterweg en in 1829 wordt daar hun zoon Jacobus geboren. Margaretha Meijer woont een klein stukje verderop aan de Achterweg op boerderij Bloemhof. Vader Hendrik Meijer overlijdt in april 1862 en een half jaar later trouwt dochter Margaretha met Jacobus Schrama, die naar Bloemhof gaat. Maar Jacobus sterft heel jong en laat zijn weduwe achter met vier jonge kinderen. Margaretha hertrouwt met Hendrik van Schie, er komen nog vier kinderen in het gezin bij. Maar dan overlijdt Margaretha in 1877 zelf ook. Haar zoon Carolus Schrama is dan pas tien jaar. Op de Phoenix zijn oma Riggel en opa Schrama overleden en alle ooms en tantes zijn er vertrokken. Stiefvader Hendrik van Schie hertrouwt in 1880 met Adriana Langeveld uit Voorhout en alle kinderen Schrama en Van Schie trekken met hun nieuwe gezin naar de Phoenix, waar nog weer enkele kinderen geboren worden.

Carolus Schrama trouwt in april 1899 met Maria Ermina Verdegaal, dochter van Willem Verdegaal en Dirkje Smeelen en ze vertrekken naar Diemen. Carolus wordt daar veehouder op een pachtboerderij. De vijf kinderen van dit echtpaar worden allemaal ook in Diemen geboren.
Zoon Wilhelmus Johannes Schrama is in 1906 in Diemen geboren, maar brengt volgens zijn dochter vooral veel van zijn lagere schooltijd met zijn familie Verdegaal in Lisse door. Hij trouwt in 1937 met Helena Maria Sloothaak en neemt de boerderij Zwanendrift van zijn oom Willem Verdegaal over. De twaalf kinderen Schrama worden allemaal in Lisse op Zwanendrift geboren.
Bronnen o.a: Ach Lieve Tijd 1000 jaar Duin- en Bollenstreek – Deel 11: Water – Wanders Uitgeverij; Wandel/Fietsroute Monumenten Lisse – VOL; Registratie waardevolle panden in Lisse – VOL; Familieboek mevrouw M.Th. Van GravenSchrama; Van Verdeger tot Verdegaal/Van Verdeger tot Vertegaal – Bert Hogervorst; ’t Roemwaard Lisse, Lisse in Oude Ansichten (1) en De Aagtenkerk van Lisse – A.M. Hulkenberg; Wassergeest te Lisse – Rob Pex; ProGen bestand VOL; Bevolkingsregisters Gemeente Lisse; Kwartierstaat V.d. Hulst – Hogenda; Nationaal Archief; WieWasWie.

DE WINKEL VAN TISSING EN ZIJN VOORGANGERS Deel II: De komst van Tissing, 1905-1938

Tissing begon zijn zaak in een woning aan de Van der Veldstraat, al gauw kon hij een ruimer pand betrekken op de hoek Kanaalstraat/Van der Veldstraat. En daarmee legde hij de basis voor een winkelketen van redelijke omvang die uiteindelijk vijf winkels telde in West-Nederland.

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 3, juli 2014
Door R.J. Pex

Inleiding

In het vorige deel zijn we geëindigd bij de familie Hassing die geruime tijd heeft gewoond in een arbeiderswoning die gelegen was op de plek waar later de winkel van Tissing zou komen. Cornelis Hassing heeft er niet alleen gewoond, maar heeft ook het eigendom verworven van deze woning in 1867. Dat bleef zo tot in het jaar 1905, toen zijn erfgenamen het verkochten aan Mattheüs van der Veld.

Afb. 1. De Van der Veldstraat in beeld, ca. 1911-1920. A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten (Lisse, derde druk 1987), p. 39

Sloop, 1911

Erg lang is deze Mattheüs van der Veld niet in het bezit gebleven van de negentiende-eeuwse voorganger van de winkel van Tissing; in 1910 verkoopt hij het weer door aan de Gebr. Albertus en Abraham Moolenaar. De gebroeders Moolenaar hadden een aannemersbedrijf aan de Kanaalstraat ter hoogte van de huidige Molenstraat. Het was een goed lopend bedrijf dat dan ook haar sporen nagelaten heeft in het Lisse van rond 1900. Zo hebben de gebroeders omstreeks 1898 een rijtje huizen gebouwd aan de Kanaalstraat, ongeveer tegenover het vroegere aannemersbedrijf (deze hebben later plaats moeten maken voor modernere bebouwing en een weg). Maar waar gebouwd werd, moest ook weleens wat gesloopt worden! Inderdaad is de oude arbeiderswoning uit 1860 na de aankoop door Moolenaar in 1910 geen lang leven meer beschoren geweest: er werd een nieuw pand gebouwd, waarin een zekere Egbert Tissing een winkel in manufacturen begon. Ze opende haar deuren reeds in 1911. Maar wie is nu die Egbert Tissing die hier zomaar opeens lijkt op te duiken?

Egbert Tissing (1875-1947)

Deze volbloed ondernemer was in 1875 geboren in het plaatsje Zijdewind. Later staat hij genoteerd als magazijnbediende en reiziger. In die hoedanigheid heeft hij waarschijnlijk ‘de liefde’ van zijn leven ontmoet: Alijda Carolina Augustina de Liefde, die ook handelreizigster was en bovendien bij hetzelfde bedrijf werkzaam was als Egbert. In 1900 traden ze in het huwelijk. Egbert was toen 25 jaar en zijn kersverse echtgenote zeven jaar ouder. Alijda wilde een eigen onderneming starten. Nu was haar broer, Lodewijk, geen onbekende in Lisse. Hij was namelijk werkzaam als stationschef bij het toen nog nieuwe Lissese station aan het einde van de Stationsweg. Hij wist dat er een dorpsuitbreiding op het punt stond om te worden gerealiseerd aan de Kanaalstraat. Inderdaad werd hier in 1905 de Van der Veldstraat aangelegd. Het echtpaar Tissing-De Liefde, dat inmiddels naar Amsterdam was verhuisd, toog nu naar de Van der Veldstraat in Lisse, waar ze een zaak in manufacturen begonnen. Op 8 maart 1907 werd deze geopend. De winkel liep goed en al na een paar jaar werden er plannen gemaakt om een groter winkelpand te betrekken op de hoek Van der Veldstraat/ Kanaalstraat. En zo kwam hier dus in 1911 Tissing in zicht!

Magazijn ‘De Zon’, 1911-1929

Op talloze ansichten is dit gebouw te zien of op zijn minst het bekende ‘torentje van Tissing’. Het werd, zoals eerder opgemerkt, gebouwd ter plaatse van de arbeiderswoning die timmerman Karel Lindaard hier in 1860 had gebouwd voor, waarschijnlijk, zijn personeel. Daarnaast bevond zich een gelijksoortig gebouw dat in 1911 gevrijwaard bleef van sloop. Voorlopig, want toen Tissing opnieuw wilde gaan uitbreiden in 1938, is deze woning toch onder de slopershamer gekomen. Tissing noemde zijn nieuwe winkel ‘Magazijn De Zon’. Was hij daarin uniek? Niet bepaald, want er verrezen in de periode 1900-1910 nog veel meer manufacturenwinkels in den lande met precies dezelfde naam! De warenhuisketen Vroom&Dreesmann is hiervoor de opdrachtgever geweest. Al deze winkels werden gebouwd in de destijds populaire bouwstijl die Art Nouveau werd genoemd, of – in het Duits – Jugendstil. Een stijl waarin bij voorkeur elementen uit de natuur werden verwerkt. Daardoor kwam uiteindelijk ook het voor de warenhuizen typische zonnetje in beeld. Dit werd al gauw overgenomen door andere winkels in manufacturen, omdat ‘De Zon’ inmiddels symbool stond voor de betere warenhuizen en daar wilde men natuurlijk graag mee vereenzelvigd worden! Waarschijnlijk is dit de reden waarom Egbert Tissing in 1911 besloot zijn nieuwe manufacturenwinkel zo te noemen, ondanks het gegeven dat aan het nieuwe gebouw geen enkel zonnetje te bespeuren viel!

In het eerste decennium van de twintigste eeuw verrezen er meerdere panden met de naam ‘Magazijn De Zon’. Een fraai pand is bijvoorbeeld De Brink 100 in Deventer. De gevel is in 1905 gebouwd in Jugendstil naar een ontwerp van F.M.J. Caron. Hij was samen met J. Kuyt één van de vaste ontwerpers van de warenhuisketen Vroom&Dreesmann. Het (gestyleerde) zonnetje, met daaronder de naam ‘Magazijn De Zon’ is te zien op de zwarte plaat die is aangebracht in het midden van het gebouw boven de toegang Een ander V&D-gebouw die dezelfde naam voerde, vindt men nog altijd in het centrum van Gouda. In 1904 had zich hier een tweetal ondernemers gevestigd met een winkel in manufacturen. Het werd al gauw een fi liaal van V&D, waarna er een nieuw Jugendstilpand verrees onder de architectuur van Piet Buskens. Het kenmerkende zonnetje bevond zich hier in het midden van het gebouw op het hoogste punt (boven de gootlijst): een plek die iets meer voor de hand ligt. Ook in Eindhoven was een fi liaal van V&D gevestigd dat de naam ‘Magazijn De Zon’ droeg. Niet iedereen was gediend van deze ‘nieuwe stijl’ (Art Nouveau). Zo merkte mr. Adriaan Loosjes in het weekblad ‘Buiten’ op over het kersverse gebouw van V&D in Gouda: ‘Is het niet treurig dat men straffeloos voor tientallen jaren een stad op dergelijke manier kan verontreinigen?’ Vanuit dit licht bezien, kan men zich goed voorstellen dat Tissing bij zijn keuze voor een nieuw winkelpand niet een gebouw voor ogen had zoals in de genoemde steden Deventer of Gouda. Dat is het dan ook uiteindelijk niet geworden. Al zijn er bepaalde elementen te herkennen die duidelijk zijn aangebracht met een knipoog naar deze stijl, zoals bijvoorbeeld de geglaasde of geglazuurde stenen ter weerszijden van de grote winkelramen. In vergelijking echter met de genoemde warenhuizen is het in het Lissese geval niet tot een heel uitgesproken Jugendstil gekomen.

1929 voert de winkel van Tissing niet langer meer de oude benaming (Magazijn De Zon), maar is het omgedoopt in Manufacturenhandel Nederland v/h E. Tissing. De reden was het toetreden van de zoon van Egbert, W.J.E. Tissing, in het bedrijf, waardoor het van een eenmanszaak een V.O.F. werd. Egbert Tissing mocht zich toen inmiddels (vanaf 1920) eigenaar noemen van zijn winkel. Daarvoor – van 1911 tot 1920 – heeft hij het dus gehuurd.

Magazijn De Zon in beeld, ca. 1911-1925

Op afb.1 is de Van der Veldstraat in beeld gebracht. De weg werd in 1905 aangelegd. Toen Egbert Tissing voor het eerst naar Lisse kwam, moest hij hier nog over hopen stenen en zand klauteren. Hij vestigde zich, op aanraden van zijn schoonvader, in het hoge pand aan de linkerzijde van de straat. Als deze foto wordt geschoten is dat inmiddels verleden tijd geworden, want het nieuwe pand van Tissing is dan – aan de rechterzijde van de foto – reeds gerealiseerd. We schrijven dan 1911 of iets later. In het achterste gedeelte was het winkeltje van Piet Slobbe gevestigd. De meeste mensen die hier op de foto poseren, kunnen we niet meer thuisbrengen. Alleen dan Egbert Tissing! Volgens Hulkenberg zou dat de vierde man van rechts zijn. Dit is niet juist, indien de man met de bolhoed op afb. 3 met hem te vereenzelvigen is, die op zijn beurt grote gelijkenis vertoont met de negende persoon van rechts (met de fi ets aan zijn hand) op foto afb. 1.

Op de foto van afb. 3 hebben we aan de linkerkant zicht op Magazijn De Zon. De winkelramen zijn fraai vormgegeven in – waarschijnlijk – gietijzer. De stijlen links en rechts daarvan zijn vervaardigd van geglaasde of geglazuurde stenen. De hoofdingang is bescheiden vormgegeven, met daarboven een balkon. Nog hoger bevindt zich de eerste verdieping en daarboven het bekende ‘torentje van Tissing’, maar dat valt in dit geval buiten beeld. Rechts van de winkel bevindt zich een pand dat qua vormgeving iets weg heeft van de arbeiderswoning die zich voorheen bevond ter plaatse van de winkel van Tissing. Het was gebouwd in 1883 door Martinus of Maarten Romijn. In 1926 wordt de manufacturenwinkel van Tissing uitgebreid, zo lezen we in de Kadastrale leggers met betrekking tot dit perceel. Onduidelijk is echter of deze uitbreiding plaatsvond richting het daarnaast gelegen huis van Romijn. Dit pand wordt namelijk pas in 1938 daadwerkelijk gesloopt. In de plaats daarvan verrees het nieuwe winkelpand van Tissing. Iets meer richting de Kapelstraat zien we links het in 1895 gebouwde huis van mandenmaker Aangeenbrug. Ter plaatse van het tuintje is later – in 1926 – de huidige kaaswinkel van Romijn gebouwd. De foto van afb. 4 is genomen vóór 1926, aangezien de kaaswinkel van Romijn nog niet bestaat. Wél zien we nog – achter de kapokbalen – de woning uit 1883. De kapok kwam helemaal uit Nederlands-Indië en werd gebruikt voor het vervaardigen van matrassen. De fraaie gietijzeren winkelramen zijn hier goed zichtbaar, met ter weerszijden de al genoemde stijlen/pilasters. De ansicht van afb. 6 brengt het hele gebouw in beeld. Het heet dan nog Magazijn De Zon’. De kaart heeft waarschijnlijk gediend als reclame, al moet opgemerkt worden dat de oplage bijzonder gering moet zijn geweest, gezien de grote zeldzaamheid van deze kaart. Tenslotte brengt afb. 7 het interieur in beeld. Iets wat waarschijnlijk zelden is gebeurd in de (vroegere) geschiedenis van Tissing. We kijken naar de hoofdingang. Rechts bevinden zich, keurig opgerold en opgeborgen in vakken, allerlei katoenen/linnen stoffen, waarvan kleding kon worden gemaakt. Pas vanaf de jaren dertig is men er ook toe overgegaan confectiekleding te koop aan te bieden. Een bijzondere foto!

Conclusie

We eindigen dit deel in het voor de winkel van Tissing belangrijke jaar 1938. Dan zal het pand van 1911 plaats moeten maken voor een moderner gebouw. Inmiddels had Tissing goede zaken gedaan, hoogstwaarschijnlijk in samenwerking met zijn echtgenote, die ook wel wat handelsbloed door haar lichaam had stromen. Begon hij zijn zaak in een woning aan de Van der Veldstraat, al gauw kon hij een ruimer pand betrekken op de hoek Kanaalstraat/Van der Veldstraat. En daarmee legde hij de basis voor een winkelketen van redelijke omvang die uiteindelijk vijf winkels telde in West-Nederland. In het volgende deel richten we onze aandacht op de periode 1938-heden.

Bronnen

Coll. E. Tissing te Lisse, aangevuld met herinneringen en anekdotes. A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten II (Lisse, derde druk 1987). E. Vergunst, Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden (Schoonhoven, 2007).

Erepenning 2013 voor gebr. Driehuizen

De erepenning 2013 werd uitgereikt aan de heren Paff en van der Klauw, bewoners van kantoorgebouw van Driehuizen. Er zijn nog originele details overgebleven. Een fraai staaltje van hergebruik van kantoor naar woonfunctie.

Nieuwsblad Jaargang 12 nummer 2, april 2013
Nieuwsflitsen

Tijdens de jaarvergadering op 19 februari 2013 werd zoals gebruikelijk de erepenning als waardering voor het behoud van waardevolle panden uitgereikt. Frits Treffers reikte de penning uit aan de heren Paff en Van der Klauw. Zij bewonen het kantoorpand van de voormalige bloembollenfirma gebr. Driehuizen. Het gebouw aan de Heereweg uit 1930 is van de hand van de bekende architect Leen Tol.
De woonhuizen van de gebroeders Driehuizen, Somalo en Rutsbo, stonden indertijd aan weerszijden van het oude woonhuis met bedrijfsgebouwen. De oude ansichtkaart laat die situatie zien. Op de ontwerptekening van Leen Tol staan de oude gebouwen ingetekend als “te amoveeren gebouwen”
Er zijn nog heel veel originele details uit de bouwperiode bewaard gebleven. Het glas- in-lood plafond zorgt voor een heel bijzondere lichttoetreding in de hal. Het tegelwerk van vloer en muren is fantastisch.

 

Een fraai staaltje van hergebruik: van kantoorfunctie naar woonfunctie.

 

 

 

 

Copyright © 2012 Vereniging Oud Lisse

Erepenning 2012 voor de Tuinbouwschool

De jaarlijkse erepenning voor een goed gerestaureerd of gerenoveerd gebouw is dit jaar voor de voormalige tuinbouwschool. Het is nu een bedrijfsverzamelgebouw. Er zijn prachtige details aan het gebouw bewaard gebleven.

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 2, april 2012

Nieuwsflitsen

Op de jaarvergadering, die gehouden werd op 21 februari 2012, werd bekendgemaakt aan welk gebouw de erepenning van de Vereniging Oud Lisse werd toegekend.
Het prachtige gebouw van de voormalige tuinbouwschool viel die eer te beurt. Het gebouw is nu een bedrijfsverzamelgebouw onder de naam Crown Business Center Lisse.
Het gebouw kreeg gelukkig een nieuwe bestemming nadat het de functie van school had verloren. In opdracht van De Raad Vastgoed uit Katwijk werd het gebouw gerestaureerd en gerenoveerd onder leiding van GVB Architecten uit Warmond.
Enkele dia’s, zowel van de oude situatie als van het huidige gebouw werden getoond. Bestuurslid Frits Treffers reikte de erepenning uit aan de heer Kralt van De Raad Vastgoed. In zijn toespraak wees de heer Treffers op de vele prachtige details aan het gebouw. De heer Kralt voegde hier nog aan toe dat het fraaie wapen boven de toegangsdeur, met de blauwe leeuw van Lisse, met echt bladgoud was verguld.
Het gebouw werd gerestaureerd met respect voor het oude ontwerp van de architecten Nes en Tol, namen die nog te zien zijn op een gevelsteen.
Prachtig dat bedrijven zich inzetten om Lisser erfgoed op zo’n fraaie manier te behouden en volkomen terecht dat De Raad Vastgoed de erepenning kreeg voor haar inzet en realisatie van dit culturele erfgoed.

Copyright © 2012 Vereniging Oud Lisse

Tuinbouwschool

De pontificale entree

Jan Pieter molenaar van de Lageveense molen deel 2

De Lageveense molen heeft een vlucht van 18.40 meter. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd  door molenmakersbedrijf Melman uit Warmond. Dit artikel en het artikel in het vorige Nieuwsblad met veel informatie is gebaseerd op Molenwereld 2000-9-192. 

door Andries Veloo

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

JP in de Lageveense molen (foto Andries Veloo,21 maart2011

Zijn molen

De molen heeft een vlucht van 18,40 meter, de diameter van het scheprad is 4,02 meter en de schoepbreedte is 32 cm. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd door molenmakersbedrijf wed. J.A. Melman te Warmond. Dezelfde molenmaker bouwde tegelijkertijd de Munnikenmolen te Leiderdorp. Het was kennelijk een groot molenmakersbedrijf, want ze bouwden twee nieuwe wipmolens in een jaar en hadden daarnaast ook nog het normale onderhoudswerk aan de bij hun in onderhoud zijnde molens. Bijzonder aan de Lageveense molen is het veelvuldig gebruik van Amerikaans grenenhout. Het tafelement is gedeeltelijk beton. Merkwaardig is, dat de beide schijfl open helemaal uitgevoerd zijn met schietstaven, dus in het bovenblad met ronde konische gaten, waarover een gesmede ring is geplaatst die aangeklemd wordt met gesmede vleugelmoerbouten. De staven kunnen dus gedraaid worden zonder het schijf uit elkaar te nemen. In het Zuid-Hollands Molenboek van 1961 is te zien dat de wieken nog stroomlijnneuzen volgens het systeem van A.J. Dekker heeft. In 1961 is er een nieuwe stalen buitenroede gestoken. Die kreeg toen fokken, waarschijnlijk zijn alle stroomlijnneuzen toen vervangen voor fokken. Toen in 1978 het molenmakersbedrijf De Gelder vanuit Valkenburg/Oegstgeest verhuisde naar Arkel in de Alblasserwaard, kwam de molen bij de fi rma Verbij in onderhoud. Bij de polderconcentratie van 1979 kwam de Lageveense molen in eigendom van het Hoogheemraadschap van Rijnland, district Middengeest. Voor de concentratie kreeg fi rma Verbij de eerste onderhoudsklus: het vernieuwen van de schepradkast en betonnen vloeren storten op de bestaande houten waterloop vloeren. Alle materialen en gereedschappen moesten over de trekvaart geroeid worden, daarna over het spoor gesjouwd (toen al zeer druk bereden) en daarna weer over de bermsloot geroeid worden, waarlijk niet ongevaarlijk.

Molenaars

De molenaars Leo Cozijn en zijn zoon Bart hebben zo jaren naar de molen gevaren, ze hadden dus gewoon twee roeiboten nodig. In het Keukenhofbos werd begin 1950 een gemetseld vijzelgemaaltje neergezet, dat alleen in noodgevallen werd gebruikt. In 1990 werd het gemaaltje gerenoveerd en er kwam een pomp in. De molen kwam toen buiten gebruik, waarna de molen werd overgedragen aan de Rijnlandse Molenstichting. De vergunning van de spoorwegen om over het spoor naar de molen te lopen werd toen ook opgeheven. Vader Leo Cozijn en zoon Bart zagen ervan af om als vrijwillig molenaar nog langer de Lageveense te malen. In 1995 vond een forse restauratie plaats. Dat betrof bijna het gehele bovenhuis. Jan Hoogenboom heeft er veel aan gewerkt. De molen stond uit zijn werk en als JP met de molen draaide kon hij vanuit het nieuw voor de molenaar getimmerde kamertje het onderschijf zien draaien door een rookglazen ruitje. Jan dacht: Ik zal JP eens ‘verrassen’, en plakte over de staven kalenderplaten van schaars geklede dames, een grap die door JP wel gewaardeerd werd. De molen staat op een hele mooie plek in de Lageveense polder. Er bevindt zich wel een bos op het ZW, maar verder is de biotoop redelijk. De vorige (beroeps)molenaar was Leo Cozijn uit een zeer oud molenaarsgeslacht. Deze Leo kwam begin jaren ‘30 als machinist op de schuin tegenover de Lageveense molen gelegen Hoogeveense molen. In deze molen dreef een motor het scheprad aan. De dorpstimmerman had de molen in onderhoud, ook de gaande werken. Volgens Leo, die een gezellige prater was, stond er geen kam op steek en viel er met de molen niet te malen. Leo zou Leo niet zijn, als hij bij het polderbestuur niet zou aandringen op herstel van de gaande werken om weer op wind te kunnen malen. De fi rma De Gelder kreeg opdracht de molen weer maalvaardig te maken, zodat Leo kon kiezen tussen op de motor, of op de wind te malen. Het werd dus overwegend windbemaling. Leo viste graag, had een tuinderij en een bloemkwekerij tussen de Leidsevaart en de spoorlijn. Door dreigend brandstoftekort tijdens de tweede wereldoorlog besloot het polderbestuur om de Hoogeveense molen in 1939 te voorzien van Dekkerwieken. Leo vond dat er niets ging boven Dekkerwieken. Ze kunnen best 160 enden gaan en zijn dan nog goed stil te zetten, met fokken lukt dat niet, vond hij. Leo kreeg steun van zoon Bart, die zich meer ging ontfermen over de Lageveense. Op 94-jarige leeftijd overleed Leo Cozijn op 30 januari 2000 (Zie Molenwereld 20009-192). Zoon Bart volgde zijn vader op als molenaarmachinist van de Hoogeveense polder. Zo maalt de molen voort.

 

GEMEENTERAADSNOTULEN VAN LISSE(4). MONUMENTENBELEID IN LISSE IN 1851

Jan Guldemond is geboren in 1827. Hij kocht in 1851 het huis op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat, waar nu Tibboel woont. Hij wilde dit huis slopen, maar kreeg geen toestemming van de gemeenteraad. Volgens een reglement van Provincie mochten gebouwen binnen de bebouwde kom niet worden gesloopt.Door R.J. Pex

door Rob Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 3, juli 2010

Inleiding
In dit verhaal wordt de rol van hoofdpersoon vertolkt door Jan Jacob Guldemond. Hij zag in 1827 in Sassenheim het levenslicht, als zoon van de ‘bloemist’ (bloembollenkweker) Jan Guldemond en Maria de Bruin. Ook zoonlief voelde wat voor de nog prille bloembollencultuur en trad in de voetsporen van zijn vader. Op zijn drieëntwinigste jaar (dus in 1840) trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Jacoba van Ingen. Een aantal jaren later vinden we Jan terug in haar geboortedorp, waar hij in de beginmaanden van 1851 ‘een huis met erve’ aankocht van Sara Maria Bedloo, weduwe van Gerardus A. Entinck. En daar begint eigenlijk ons ‘verhaal’

Kapelstraat met links het huis van Tibboel

Het ‘rekest’ aan de gemeenteraad
Het huis dat Guldemond in 1851 aankocht blijkt identiek te zijn met het huidige pand van Tibboel, op de hoek van de Kapelstraat en de Grachtweg. De Gemeenteraad was de mening toegedaan dat het huis ‘het sieraad van de Gracht of haven’ was. Maar Guldemond had daar geen of weinig oren naar. Nog in hetzelfde jaar schreef hij een brief (zonder datum en handtekening) aan de Raad, waarin hij meldde dat het door hem aangekochte huis ‘tot zijn leedwezen’ in slechte staat verkeerde en dus ‘zware reparatien behoeft’, ofwel (in huidige termen) aan een restauratie onderworpen moest worden. Het daaraan belendende koetshuis en paardenstal verkeerden echter ‘in den besten staat’. Guldemond stelde dan ook voor om het oude huis aan de Gracht af te breken en de paardenstal annex koetshuis te doen verbouwen tot herenhuis.

We lezen verder in de notulen van de Gemeenteraad van 11 maart 1851: ‘De voorzitter (burgemeester J.C. van Rosse) verklaart de zaak in het belang der gemeente van voldoende gewigt te achten om, alvorens die ter competente beslissing van Burgemeester en Assessoren (het huidige College van B&W) te brengen, vooraf het gevoelen der raad daarover te hooren’. Enige souplesse was burgemeester Van Rosse niet vreemd, want ondanks dat het rekest van Guldemond ‘noch datum, noch handtekening draagt’ stelde hij voor om maar verder te gaan, aangezien ‘dit gebrek alleen maar aanleiding tot oponthoud zou kunnen geven’. Anno 2010 ligt dat wel heel anders in gemeenteland!

Tegenstand in de Gemeenteraad
Inmiddels vroegen diverse leden van de Gemeenteraad zich openlijk af, waarom Guldemond niet eerder bekend was met de gebreken aan het pand op het moment dat hij het aankocht. Daarnaast was het de vraag of de paardenstal en het koetshuis wel geschikt waren ‘om hetzelve in Heeren Huizing te veranderen’. Het belangrijkste argument dat een aantal Gemeenteraadsleden te berde bracht, was evenwel dat, in tegenspraak tot wat Guldemond beweerde, het muurwerk van het te slopen pand ‘in den besten en stevigsten staat’ verkeerde!

Het reglement
Bovendien was in 1843 door de Provincie Zuid-Holland een reglement uitgevaardigd op het slopen van gebouwen die zich bevonden binnen de provinciegrenzen. We lezen daarin dat men vrij was om die gebouwen die buiten de bebouwde kom van een dorp of stad lagen, af te breken. Daarbinnen was het echter verboden. Dat was slecht nieuws voor Guldemond, want de bebouwing aan de Gracht ‘volgde in onafgebroken rei (rij) aan de overige gedeelten van het dorp’ en lag dus duidelijk binnen de bebouwde kom! Dit gold echter alleen voor die huizen waarvan de muren ‘verheeld’ waren met de muren van belendende panden. Anders kon aan deze huizen immers schade ontstaan in geval van sloop. En wat bleek nu? De muren van het huis dat Guldemond in 1851 had aangekocht waren niet verheeld met de naastgelegen panden. En dus kon er naar hartelust gesloopt worden! Aldus Guldemond, die nu dacht een goed punt naar voren te hebben gebracht.

De Raad heeft moeite met het reglement
De Gemeenteraad had daar echter wat problemen mee, want dit kon gemakkelijk inhouden dat men ‘op enkele uitzonderingen na het geheele dorp zoude kunnen sloopen’. Vervolgens werd toch een beroep gedaan op een aantal meer esthetische argumenten, die erg veel weg hebben van huidige discussies omtrent monumentenbeleid. Zo lezen we dat de gevraagde vergunning ‘een belangrijk deel der gemeente zoude ontsieren en in geenen deele te verhelpen of te vergoeden valt met het op de tekening voorgestelde hek of rasterwerk’. In plaats van het monumentale pand zou dus een eenvoudig hek worden aangebracht. Ontsiering van het dorp, zo vond dus menig raadslid in die tijd.

Guldemond krijgt geen toestemming
Een ander punt dat naar voren werd gebracht, was de heersende armoede, waardoor veel gezinnen huis en haard verlieten om elders zijn geluk te beproeven. Het gevolg was dat er steeds meer huizen leeg kwamen te staan en dit kon in de nabije toekomst tot gevolg hebben dat er veel sloop binnen het dorp zou plaatsvinden. Ook de drooglegging van het Haarlemmermeer, waar men in 1851 nog druk mee bezig was, kon als gevolg hebben dat er arme gezinnen naar de nieuwe polder zouden verhuizen teneinde daar een iets welvarender bestaan op te bouwen. De gemeenteraad wilde zoveel mogelijk van het oude dorp handhaven en stond wat dat betreft dus niet op het standpunt om al te gemakkelijk tot sloop over te gaan. Men kan het al raden: Guldemond kreeg dus geen toestemming het uit 1754 daterende pand aan de Gracht af te breken. Een gevolg van een stukje vooruitstrevend monumentenbeleid in die tijd!

Naschrift
Waarschijnlijk heeft Guldemond uiteindelijk genoegen genomen met een aantal aanpassingen aan dit klaarblijkelijk voor vele Lissenaren geliefde pand. In hetzelfde jaar waarin hij het huis aankocht (1851) werd namelijk een zoon, Jan Jacob jr., in huisnummer 153 geboren en dat was het huis op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat. Ook een dochter, Jacoba Maria, wordt op 4 juli 1852 aldaar geboren. Kort daarna blijkt het gezin verhuisd te zijn. Ze trokken in een woning dat eveneens aan de Gracht was gelegen, maar iets meer in de richting van de molen, dus meer richting het oosten.

Conclusie
We zijn getuigen geweest van een staaltje plaatselijk monumentenbeleid in 1851. Een tijd waarin de Rijksdienst voor Monumentenzorg nog opgericht moest worden! Toch was er wel iets van provinciale reglementering. Het hield in dat je alles kon slopen, als het maar geen schade teweeg bracht aan naastgelegen panden. Dat dit voorschrift duidelijk te kort schoot, blijkt wel uit bovengenoemde discussies in de gemeenteraad van die dagen. Het kwam er simpelweg op neer dat nagenoeg alle gebouwen die enigszins in bouwvallige staat verkeerden en binnen de gemeentegrenzen van Lisse lagen, voor sloop in aanmerking kwamen. Het meer esthetische element deed er kennelijk niet toe en dat was eigenlijk gelijk het grote verschil met het Monumentenbeleid anno 2010. De gemeenteraad in die dagen komt in al deze discussies echter bijzonder vooruitstrevend naar voren. Daardoor zijn waarschijnlijk meerdere panden voor sloop behoedt. In ieder geval geldt dat zeer zeker voor ‘het sieraad van de Gracht of haven’: het tegenwoordige pand van Tibboel!

bronnen: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513. Idem, bevolkingsregister 1850-1860.

 

Erepenning 2010

Het pand Heereweg 225 van gebroeders Augustinus is gerestaureerd door architectenbureau Marco Bruijnes. Het gemeentelijk monument werd in 2005 in vervallen staat aangekocht van Museum de Zwarte Tulp, maar later verkocht aan Augustinus.

Erepenning 2010 uitgereikt

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 2, april 2010

De Vereniging Oud Lisse heeft op 16 maart haar Jaarvergadering gehouden in het Cultuur Historisch Centrum “De Vergulde Zwaan”. Na afloop van de vergadering werd de jaarlijkse erepenning “MOOISTE MONUMENT VAN LISSE” van de Vereniging Oud Lisse door Frits Treffers uitgereikt aan de directie van Alma Vastgoed, de gebr. Augustinus.
Alma Vastgoed heeft deze penning gekregen voor het in ere herstellen van het pand aan de Heereweg 225 (beter bekend als het oude pand van familie Van der Zaal gelegen aan het Vierkant).
Dit gemeentelijk monument is in 2005 in enigszins vervallen staat aangekocht van Museum de Zwarte Tulp. Oorspronkelijk was het de bedoeling om het voormalige woonhuis bij Museum de Zwarte Tulp te trekken en zo de museumruimte te vergroten. Het aanpassen voor een museumfunctie bleek echter geen haalbare kaart. Een deel van de tuin werd benut voor de museumuitbreiding. Het gebouw en de rest van de tuin werd verkocht aan Alma Vastgoed. Alma Vastgoed is een bedrijf dat investeert in verhuurd onroerend goed zoals woningen, winkels, bedrijfsgebouwen welke gelegen zijn in de regio Rijnmond en de Duin en Bollenstreek. Alma is eigendom van de broers Paul, Bart en Ton Augustinus.
In samenwerking met o.a., het Architecten bureau Marco Bruijnes te Nieuwkoop, aannemer van Kampen Bouwbedrijf uit Voorhout, Styliste Natascha van der Salm uit Lisse en Soul Design uit Noordwijk, is het pand gerestaureerd en getransformeerd van woonhuis naar een kantoor. De opdracht is geweest om het oude in ere te houden maar een moderne werkplek te creëren en dat is volgens de Vereniging Oud Lisse goed gelukt en beloond met de erepenning “MOOISTE MONUMENT VAN LISSE”. De gebr. Augustinus vonden het een prachtig gebaar en een mooi compliment voor alle geleverde inspanningen van de mensen die aan deze renovatie hebben meegewerkt gedurende 1,5 jaar. Kortom een aanwinst voor Lisse!

Een ansichtkaart van het gebouw

Zo zag de voorkant er vroeger uit

 

De huidige situatie

Binnen zijn de glas-in-lood raampjes gerastaureerd.

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Leidsevaart: Grenspaal is gemeentelijk monument geworden

Het kan verkeren! De gemeente Noordwijkerhout heeft de grenspaal bij de Leidse trekvaart aangemerkt als gemeentelijk monument.  De VOL is blij met de aanwijzing als gemeentelijk monument. De geschiedenis van de paal bij Halfweg wordt beschreven.

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 3, juli 2009

Het kan verkeren!” Door een verkeerde verplaatsing van de bekende grenspaal te Halfweg wordt deze paal nu door de Gemeente Noordwijkerhout als Gemeentelijk Monument aangewezen!

(Halfscheidspaal gemaakt in 1820. Monumentnummer o575/5, bij Leidsevaart 29, opmerking Webmaster)

Uit betrouwbare bron (lid van de Monumentencommissie van Noordwijkerhout), heeft de Vereniging Oud Lisse onlangs (mei 2009) vernomen, dat de bekende grenspaal te Halfweg op de grens van Noordwijkerhout en Lisse door de Gemeente Noordwijkerhout voorgedragen wordt als gemeentelijke monument, hoewel de Gemeente Lisse deze paal in 2007 (waarvan men toen aannam dat deze op het grondgebied van Lisse stond), niet wilde waarderen als gemeentelijk monument! Deze grenspaal is een fraai versierde steen aan de Leidsevaart, welke in 2007 in verband met de 350 jarige herdenking al meer in het nieuws is gekomen.
Deze grenspaal of beter “Halfscheydtpaal” staat aan de Leidse Trekvaart bij Halfweg en dateert van 1820 toen bleek dat de eertijds speciaal daarvoor in 1656 geslagen elzenhoutenpaal was verrot. De paal is versierd met de wapens van de steden Haarlem en Leiden en de naam Halfweg. Het stuk vaart vandaar naar Leiden was eigendom van Leiden en moest door die stad onderhouden worden. Haarlem was eigenaar van de vaart naar het noorden. Vandaar de prachtige wapens op de paal. In het nabij gelegen huize Halfweg kwamen de commissarissen der steden bijeen en werden o.a. de trekpaarden gewisseld.
De heer Lieverse, voorheen belast met de archiefzorg bij de gemeente Lisse, vertelde dat de paal in de jaren tachtig van de vorige eeuw bij wegwerkzaamheden gebroken in de berm terecht was gekomen. Na een telefoontje van Fons Hulkenberg heeft hij toen actie ondernomen en werden de stukken door Gemeentewerken Lisse afgevoerd en door de Fa.Boot weer gerestaureerd. Om verdere ongelukken te voorkomen met passerende auto’s werd de steen, mede op advies van Hulkenberg iets verder van zijn oorspronkelijke plaats naar achteren gezet. Dhr. Lieverse heeft hierover een rapportje geschreven, dat natuurlijk nog wel in het gemeentearchief terug te vinden is. Iedereen, de gemeente Lisse en ook Fons Hulkenberg gingen er van uit dat de paal op het grondgebied van de Gemeente Lisse stond zoals op diverse oude kaarten ook aangegeven is. Bv. de oude kaart van de aanleg van de Trekvaart uit 1656 geeft duidelijk aan dat de paal oorspronkelijk in het grondgebied van Lisse geslagen werd. Ook een gemeenten kaart van 1850 geeft dit nog duidelijk weer.
Het blijkt dus dat de paal waarschijnlijk op de verkeerde plek is teruggezet, net op het grondgebied van Noordwijkerhout, die deze fraaie paal nu terecht als een gemeentelijk monument wil aanwijzen.
Dr. A.J.Kölker van de Vereniging Oud Lisse heeft in 2007 een inventaris van alle grenspalen in de gemeente Lisse gemaakt, inclusief deze paal en de Monumentencommissie toen voorgedragen deze als gemeentelijk monument aan te wijzen! De Gemeente Lisse had geen interesse daarin en heeft hier helaas van afgezien.
De Vereniging Oud Lisse is daarom verheugd dat de stille verhuizing van deze paal naar het grondgebied van de Gemeente Noordwijkerhout toch als positief resultaat heeft opgeleverd, dat de grenspaal nu als gemeentelijk monument wordt aangewezen en daardoor beschermd wordt voor ons nageslacht!! Waarvan acte!

 

Huidige plaats van de grenspaal bij Halfweg.

Het wapen van de sleutels van de gemeente Leiden staat op de ene kant. die van Haarlem op de andere kant.

Anno 2019 is de info is niet meer te lezen.

Erepenning 2009 voor Achterweg-Zuid 51

De erepenning 2009 is uitgereikt aan de heer Romijn van Achterweg Zuid. Het gebouw uit 1909 is zeer goed onderhouden.

Nieuwsblad Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Nieuwsflitsen

Na het algemene gedeelte van de jaarvergadering maakt Frits Treffers bekend wie op een buitengewone manier een pand hebben opgeknapt en daardoor een bijdrage leveren aan het behoud van historisch waardevolle panden in Lisse. Op zijn welbekende enthousiaste manier vertelde Frits Treffers hoe dit keer gekozen is voor een pand in het buitengebied. De spanning werd opgevoerd doordat eerst de top van het pand werd getoond.

Te zien was fraai metselwerk en een raam met aan weerszijden het bouwjaar: 1909. Een pand van precies een eeuw oud. Het is een complex van woonhuis met bollenschuur. In de loop der tijd zijn er aanpassingen geweest, maar de beelden tonen hoe zorgvuldig dat gedaan is. Bij een dia van de dakgoot op klossen verzucht Frits Treffers dat zo’n staaltje van vakmanschap in de huidige tijd veel te duur zou worden. Dan wordt het tijd om namen te noemen. De heer Romijn wordt naar voren geroepen om voor zijn pand, Achterweg Zuid 51, de erepenning 2009 in ontvangst te nemen. Het pand is al lang in de familie en puntgaaf onderhouden, wat een oude foto nog eens duidelijk maakt. De oude foto laat echter ook een oud detail zien wat de tand des tijds niet overleefd heeft, nl. het houten ornament in de top. Al met al een terechte toekenning van de penning aan een fraai voorbeeld van bloembollenerfgoed in Lisse.

Woning met aangebouwde bollenschuur

Deze woning is uit 1909

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand en zijn vroegere bewoners wordt beschreven

 door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Inleiding

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand “Dubbelhoven” aan de Achterweg dateert in zijn huidige vorm uit de negentiende eeuw. Onlangs is het door de familie Boers fraai opgeknapt. Tijdens de verbouwing werden diverse houtblokjes gevonden met daarop de namen van werklieden die tijdens eerdere verbouwingen in het pand hadden gewerkt. Zo was in 1881 de Lissese timmerman Dirk Schrama bij bouwwerkzaamheden betrokken. Zou hij geweten hebben dat hij toen werkte op exact dezelfde locatie waar eeuwen eerder zijn voorouders woonden? Dirk stamde namelijk af van Quirijn Klaaszn. Schrama, wiens boerderij in de zeventiende eeuw gelegen was op dezelfde plek als het tegenwoordige “Dubbelhoven”. In een serie artikelen wil ik kort stilstaan bij de geschiedenis van de oude boerderij van Schrama en de bouw van het huidige pand Dubbelhoven. Het vormt een onderdeel van het onderzoek naar de buitenplaats Dubbelhoven, waar ik samen met Rob Pex mee bezig ben. Dat doen wij op verzoek van Richard Boers, de eigenaar van Dubbelhoven, die zeer geïnteresseerd is in de geschiedenis van zijn pand (en de directe omgeving). Het onderzoek is nog in volle gang, en bij dezen zou ik graag willen vragen of er mensen zijn die meer kunnen vertellen over de woning Dubbelhoven aan de Achterweg. Zij kunnen daartoe contact opnemen met ondergetekende (maartenvanbourgondien@hotmail.com) of Rob Pex (robpex@planet.nl). Langskomen tijdens één van de inloopavonden of –ochtenden is natuurlijk ook mogelijk. In de door mij bestudeerde bronnen worden de volgende oude maten gebruikt: morgen, hond en roede. Eén morgen was gelijk aan zes hond of 600 roeden. Eén Rijnlandse morgen komt overeen met 0,8516 hectare.

Cornelis Corstiaanszn.

In 1544 was de grond waarop het huidige Dubbelhoven werd gebouwd nog eigendom van Cornelis Corstiaanszn. Vermoedelijk stond er toen nog geen boerderij. Cornelis Corstiaanszn. was de stamvader van de rooms-katholieke Lissese familie Corsteman. Hij trouwde met Geertruida Klaasdr. en trad in de jaren vijftig van de zestiende eeuw onder andere op als kerkmeester van de Agathaparochie. Daarnaast speelde Cornelis in diezelfde tijd als gezworene een rol in het dorpsbestuur van Lisse. De vroegste vermelding dateert van 6 juni 1542, toen Cornelis Corstiaanszn. werd beleend met drie morgen land uit een grafelijk leengoed nabij Ter Spekke (niet ver van het huidige Dubbelhoven aan de Achterweg), dat omstreeks 1500 was afgesplitst van een groter leengoed van in totaal negen morgen land. [1] Later zal dit leengoed van drie morgen land door Adriaan Adriaanszn. Corsteman junior in twee delen worden overgedragen aan zijn oom Quirijn Klaaszn. Schrama. In 1544 was Cornelis Corstiaanszn. eigenaar van een woning met in totaal tien morgen en 292 roeden land aan weerszijden van de Achterweg (in de bronnen ook wel “Lijtwech” of “Buurwech” genoemd). [2] Op een deel van de landerijen aan de westkant van de Achterweg verrees in later tijd de boerderij van de familie Schrama. De woning van Cornelis Corstiaanszn. lag aan de oostkant van de Achterweg, niet ver van de tegenwoordige Vuursteeglaan. Dat gold eveneens voor de 374 roeden, die in 1544 door Cornelis werden gepacht (=gehuurd) van “Maritje Cornelis weduwe”. Op dit kleine stukje land werd in de zeventiende eeuw de buitenplaats Dubbelhoven gebouwd.

De familie Schrama

Boerderij De Wolff, die in de 17e eeuw eigendom was van de familie Corsteman.

De voorouders van Quirijn (Crijn) Klaaszn. Schrama komen oorspronkelijk uit Bennebroek. Zij hebben hun familienaam ontleend aan de ’s-Gravenmade, oftewel het weiland van de graaf. Dit land was gelegen tussen de Rijksstraatweg en de Haarlemmertrekvaart (bij het huidige restaurant Patrick’s – voorheen De Geleerde Man), en werd al in 1464 genoemd. [3] Aanvankelijk was het alleen weiland, maar later werd er ook een hofstede op gebouwd. Deze hofstede – met in totaal 25 morgen land – was in 1557 eigendom van Agatha Jansdr. uit Amsterdam, en werd bewoond door Cornelis Klaaszn. Scravemade. Waarschijnlijk was hij een zoon van Klaas Floriszn., die in de jaren dertig van de zestiende eeuw de hofstede ’s-Gravenmade met bijbehorende landerijen pachtte. [4] Het genealogisch onderzoek is nog in volle gang. Het lijkt er echter sterk op dat Gerrit Klaaszn. Scramaede (die in 1557 in de ambachtsheerlijkheid Heemstede woonde), en Maarten Klaaszn. eveneens zonen waren van de bovengenoemde Klaas Floriszn. In 1553 woonde Maarten Klaaszn. in Bennebroek. Hij pachtte toen van mr. Pieter Isaacs uit Amsterdam een hofstede met 21 morgen land. In 1555 blijkt Maarten Klaaszn. in Hillegom te wonen, alwaar hij van de Dominicanen uit Haarlem een woning huurde met ongeveer zeventien morgen land in Hillegom en drie morgen land in Bennebroek. In Hillegom wist Maarten Klaaszn. na verloop van tijd een uitgebreid landbouwareaal op te bouwen. In 1564 was hij namelijk gebruiker van maar liefst 51 morgen land. [5] Het overgrote deel van dit land werd door hem gepacht. Maarten Klaaszn. had slechts twee morgen en 350 roeden in eigendom. Het is niet bekend wat hij jaarlijks aan pacht betaalde, maar gezien de totale hoeveelheid grond die hij in gebruik had moet dit een aanzienlijk bedrag zijn geweest. Vier jaar later gebruikte Maarten Klaaszn. nog maar 25 morgen en 50 roeden. Hoewel dat nog altijd behoorlijk veel is, was zijn fi nanciële situatie blijkbaar dusdanig verslechterd dat hij de helft van het door hem gebruikte land moest afstoten. De tweede helft van de jaren zestig van de zestiende eeuw werd gekenmerkt door economische achteruitgang. Zo veroorzaakte het slechte weer omstreeks 1565 bijvoorbeeld diverse misoogsten in het graafschap Holland. [6] Vermoedelijk hadden hoge pachtsommen en een lage opbrengst Maarten Klaaszn. tussen 1564 en 1568 in fi nanciële problemen gebracht. Maarten Klaaszn. was de stamvader van een Hillegomse tak van de familie ‘s-Gravenmade, of Schrama. Zijn zoon Klaas Maartenszn. Schrama was getrouwd met Machteld Adriaan Jorisdr. Dit echtpaar bewoonde in 1591 een boerderij in De Zilk. [7] Eén van hun kinderen was Quirijn Klaaszn. Schrama, die later naar Lisse verhuisde.

Van De Zilk naar Lisse

Fragmentgenealogie van de families Corsteman en Schrama

Het is onduidelijk wanneer Quirijn Klaaszn. Schrama naar Lisse is verhuisd. De vroegste vermelding dateert vooralsnog uit 1619, toen Quirijn werd vermeld op de lijst van welgeboren mannen van Lisse. Zijn zus Katharina Klaasdr. Schrama was getrouwd met Adriaan Adriaanszn. Corsteman senior, kleinzoon van de bovengenoemde Cornelis Corstiaanszn. Waarschijnlijk speelden deze familiebanden een rol bij het besluit van Quirijn om in Lisse te gaan wonen. De boerderij van Schrama stond namelijk op land dat in de zestiende eeuw eigendom was van Cornelis Corstiaanszn. Quirijn legde met zijn komst naar Lisse de basis voor een langdurige band tussen dit dorp en de familie Schrama. Een groot deel van de Schrama’s die de afgelopen eeuwen in Lisse hebben gewoond, stamt namelijk van hem af. Tegenwoordig wonen er nog altijd nakomelingen van Quirijn in Lisse. De familie Schrama kan dan ook zeker tot de groep der oude Lissese geslachten worden gerekend. Quirijn Klaaszn. Schrama was getrouwd met Maria Cornelisdr. Op 2 november 1622 hadden zij vijf kinderen: Gerrit, Maria, Alfertje, Joris en Klaas. [8] Later kwam daar ook nog een dochter Katharina bij. Het huishouden werd gecompleteerd door twee inwonende dienstboden, die Quirijn hielpen met alle werkzaamheden op de boerderij. Het betreft Willem Adriaanszn. uit De Zilk en Geertje Jansdr. Het is niet bekend of Willem Adriaanszn. direct met Quirijn Klaaszn. Schrama vanuit De Zilk naar Lisse is verhuisd, of dat hij pas later in dienst is getreden.

De boerderij van Schrama in de Oude Mosveense Buurt

Het gebied waarin de boerderij van Schrama gelegen was, wordt vanouds de “Oude Mosveensche Gebuyerte” genoemd (oftewel de Oude Mosveense Buurt). Dit werd ook wel afgekort tot “de Oude Veen”. In een ver verleden had zich in de laaggelegen strandvlaktes tussen de Oude en Jonge Duinen een veengebied gevormd. Hier en daar bereikte het veen op den duur ook de hoger gelegen duingrond. [9] Blijkbaar gold dat eveneens voor de Oude Mosveense Buurt, waarvan de exacte begrenzing helaas niet bekend is. Vanaf de middeleeuwen werden dergelijke veengebieden ontgonnen en geschikt gemaakt voor agrarische exploitatie. Lisse kent meer van dit soort plekken: het gebied rond de boerderij Middelburg aan de Loosterweg Noord (tegenwoordig bewoont door de familie Van Graven) werd bijvoorbeeld “de Hooge Moschveen” genoemd. [10] Een ander voorbeeld is de Lageveense polder langs de Loosterweg Zuid.
Het is nog onduidelijk wanneer de boerderij van Schrama precies werd gebouwd. In 1544 lagen er langs dit deel van de Achterweg en Spekkelaan alleen enkele landerijen. De boerderij verschijnt voor het eerst op een oude kaart uit ca. 1615. Op het kruispunt van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan lagen toen in totaal vier woningen. Met de klok mee gaat het om: de buitenplaats Ter Spekke, de boerderij van Schrama (op de plek van het huidige Dubbelhoven), de boerderij van Cornelis Maartenszn. Verdel (= de woning van Cornelis Corstiaanszn.) en de Gasthuiswoning (eigendom van het Sint Elisabethgasthuis uit Haarlem). Naast het ontbreken van een exact bouwjaar, is het op dit moment ook nog niet bekend wie de boerderij van Schrama heeft laten bouwen. Verder onderzoek zal aan moeten tonen of Quirijn Klaaszn. Schrama opdracht tot de bouw heeft gegeven, of dat hij verhuisde naar een reeds bestaande woning. In ieder geval waren de Schrama’s nauw verbonden met deze boerderij aan de Achterweg, aangezien zij er in totaal bijna 100 jaar hebben gewoond en gewerkt.

wordt vervolgd

Noten

[1] Ons Voorgeslacht 43e jaargang no. 385 (juli/augustus 1988) 335.

[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 305, fol. 126v.

[3] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, ‘De geschiedenis van Bennebroek’, in: Dr. Tj.W.R. de Haan (red.) Bennebroek-Vogelenzang. Bijdragen tot geschiedenis en volkskunde van een voormalig blekersdorp (Meppel 1965) 7-39, aldaar 26-27.

[4] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, beeld van een dorpsgemeenschap (Zutphen 1982) 53, Nationaal Archief, Archief van de Staten van Holland vóór 1572, inv. nr. 960 (fi lmnummer 1319), Kohier van de Tiende Penning van Heemstede 1557, fol. 1 en 8 en Noord-Hollands Archief, Oud Recht Heemstede, inv. nr. 536, fol. 28v.

[5] Oud Archief van het Hoogheemraadschap Rijnland, Morgenboeken van Hillegom uit 1564 en 1568, inv. nr. 4649.

[6] Leendert Noordegraaf, Hollands welvaren? Levensstandaard in Holland 14501650 (Bergen 1985) 41 en 86-87.

[7] A.M. van Kampen, ‘Behoorde De Zilk vroeger tot Hillegom?’, in: Hangkouserieën (februari 2003) 15-25, aldaar 21.

[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 41, fol. 10v. [9] K. van der Meer, De bloembollenstreek. Resultaten van een veldbodemkundig onderzoek in het bloembollengebied tussen Leiden en het Noordzeekanaal (Den Haag 1952) 90.

[10] A.M. Hulkenberg, ‘”Middelburg” te Lisse’, in: Leids Jaarboekje nr. 63 (1971) 143-172, aldaar 146.

De boerderij van Schrama omstreeks 17e eeuw