Berichten

Erepenning 2012 voor de Tuinbouwschool

De jaarlijkse erepenning voor een goed gerestaureerd of gerenoveerd gebouw is dit jaar voor de voormalige tuinbouwschool. Het is nu een bedrijfsverzamelgebouw. Er zijn prachtige details aan het gebouw bewaard gebleven.

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 2, april 2012

Nieuwsflitsen

Op de jaarvergadering, die gehouden werd op 21 februari 2012, werd bekendgemaakt aan welk gebouw de erepenning van de Vereniging Oud Lisse werd toegekend.
Het prachtige gebouw van de voormalige tuinbouwschool viel die eer te beurt. Het gebouw is nu een bedrijfsverzamelgebouw onder de naam Crown Business Center Lisse.
Het gebouw kreeg gelukkig een nieuwe bestemming nadat het de functie van school had verloren. In opdracht van De Raad Vastgoed uit Katwijk werd het gebouw gerestaureerd en gerenoveerd onder leiding van GVB Architecten uit Warmond.
Enkele dia’s, zowel van de oude situatie als van het huidige gebouw werden getoond. Bestuurslid Frits Treffers reikte de erepenning uit aan de heer Kralt van De Raad Vastgoed. In zijn toespraak wees de heer Treffers op de vele prachtige details aan het gebouw. De heer Kralt voegde hier nog aan toe dat het fraaie wapen boven de toegangsdeur, met de blauwe leeuw van Lisse, met echt bladgoud was verguld.
Het gebouw werd gerestaureerd met respect voor het oude ontwerp van de architecten Nes en Tol, namen die nog te zien zijn op een gevelsteen.
Prachtig dat bedrijven zich inzetten om Lisser erfgoed op zo’n fraaie manier te behouden en volkomen terecht dat De Raad Vastgoed de erepenning kreeg voor haar inzet en realisatie van dit culturele erfgoed.

Copyright © 2012 Vereniging Oud Lisse

Tuinbouwschool

De pontificale entree

Jan Pieter molenaar van de Lageveense molen deel 2

De Lageveense molen heeft een vlucht van 18.40 meter. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd  door molenmakersbedrijf Melman uit Warmond. Dit artikel en het artikel in het vorige Nieuwsblad met veel informatie is gebaseerd op Molenwereld 2000-9-192. 

door Andries Veloo

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

JP in de Lageveense molen (foto Andries Veloo,21 maart2011

Zijn molen

De molen heeft een vlucht van 18,40 meter, de diameter van het scheprad is 4,02 meter en de schoepbreedte is 32 cm. Na de brand in 1890 is de molen herbouwd door molenmakersbedrijf wed. J.A. Melman te Warmond. Dezelfde molenmaker bouwde tegelijkertijd de Munnikenmolen te Leiderdorp. Het was kennelijk een groot molenmakersbedrijf, want ze bouwden twee nieuwe wipmolens in een jaar en hadden daarnaast ook nog het normale onderhoudswerk aan de bij hun in onderhoud zijnde molens. Bijzonder aan de Lageveense molen is het veelvuldig gebruik van Amerikaans grenenhout. Het tafelement is gedeeltelijk beton. Merkwaardig is, dat de beide schijfl open helemaal uitgevoerd zijn met schietstaven, dus in het bovenblad met ronde konische gaten, waarover een gesmede ring is geplaatst die aangeklemd wordt met gesmede vleugelmoerbouten. De staven kunnen dus gedraaid worden zonder het schijf uit elkaar te nemen. In het Zuid-Hollands Molenboek van 1961 is te zien dat de wieken nog stroomlijnneuzen volgens het systeem van A.J. Dekker heeft. In 1961 is er een nieuwe stalen buitenroede gestoken. Die kreeg toen fokken, waarschijnlijk zijn alle stroomlijnneuzen toen vervangen voor fokken. Toen in 1978 het molenmakersbedrijf De Gelder vanuit Valkenburg/Oegstgeest verhuisde naar Arkel in de Alblasserwaard, kwam de molen bij de fi rma Verbij in onderhoud. Bij de polderconcentratie van 1979 kwam de Lageveense molen in eigendom van het Hoogheemraadschap van Rijnland, district Middengeest. Voor de concentratie kreeg fi rma Verbij de eerste onderhoudsklus: het vernieuwen van de schepradkast en betonnen vloeren storten op de bestaande houten waterloop vloeren. Alle materialen en gereedschappen moesten over de trekvaart geroeid worden, daarna over het spoor gesjouwd (toen al zeer druk bereden) en daarna weer over de bermsloot geroeid worden, waarlijk niet ongevaarlijk.

Molenaars

De molenaars Leo Cozijn en zijn zoon Bart hebben zo jaren naar de molen gevaren, ze hadden dus gewoon twee roeiboten nodig. In het Keukenhofbos werd begin 1950 een gemetseld vijzelgemaaltje neergezet, dat alleen in noodgevallen werd gebruikt. In 1990 werd het gemaaltje gerenoveerd en er kwam een pomp in. De molen kwam toen buiten gebruik, waarna de molen werd overgedragen aan de Rijnlandse Molenstichting. De vergunning van de spoorwegen om over het spoor naar de molen te lopen werd toen ook opgeheven. Vader Leo Cozijn en zoon Bart zagen ervan af om als vrijwillig molenaar nog langer de Lageveense te malen. In 1995 vond een forse restauratie plaats. Dat betrof bijna het gehele bovenhuis. Jan Hoogenboom heeft er veel aan gewerkt. De molen stond uit zijn werk en als JP met de molen draaide kon hij vanuit het nieuw voor de molenaar getimmerde kamertje het onderschijf zien draaien door een rookglazen ruitje. Jan dacht: Ik zal JP eens ‘verrassen’, en plakte over de staven kalenderplaten van schaars geklede dames, een grap die door JP wel gewaardeerd werd. De molen staat op een hele mooie plek in de Lageveense polder. Er bevindt zich wel een bos op het ZW, maar verder is de biotoop redelijk. De vorige (beroeps)molenaar was Leo Cozijn uit een zeer oud molenaarsgeslacht. Deze Leo kwam begin jaren ‘30 als machinist op de schuin tegenover de Lageveense molen gelegen Hoogeveense molen. In deze molen dreef een motor het scheprad aan. De dorpstimmerman had de molen in onderhoud, ook de gaande werken. Volgens Leo, die een gezellige prater was, stond er geen kam op steek en viel er met de molen niet te malen. Leo zou Leo niet zijn, als hij bij het polderbestuur niet zou aandringen op herstel van de gaande werken om weer op wind te kunnen malen. De fi rma De Gelder kreeg opdracht de molen weer maalvaardig te maken, zodat Leo kon kiezen tussen op de motor, of op de wind te malen. Het werd dus overwegend windbemaling. Leo viste graag, had een tuinderij en een bloemkwekerij tussen de Leidsevaart en de spoorlijn. Door dreigend brandstoftekort tijdens de tweede wereldoorlog besloot het polderbestuur om de Hoogeveense molen in 1939 te voorzien van Dekkerwieken. Leo vond dat er niets ging boven Dekkerwieken. Ze kunnen best 160 enden gaan en zijn dan nog goed stil te zetten, met fokken lukt dat niet, vond hij. Leo kreeg steun van zoon Bart, die zich meer ging ontfermen over de Lageveense. Op 94-jarige leeftijd overleed Leo Cozijn op 30 januari 2000 (Zie Molenwereld 20009-192). Zoon Bart volgde zijn vader op als molenaarmachinist van de Hoogeveense polder. Zo maalt de molen voort.

 

GEMEENTERAADSNOTULEN VAN LISSE(4). MONUMENTENBELEID IN LISSE IN 1851

Jan Guldemond is geboren in 1827. Hij kocht in 1851 het huis op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat, waar nu Tibboel woont. Hij wilde dit huis slopen, maar kreeg geen toestemming van de gemeenteraad. Volgens een reglement van Provincie mochten gebouwen binnen de bebouwde kom niet worden gesloopt.Door R.J. Pex

door Rob Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 3, juli 2010

Inleiding
In dit verhaal wordt de rol van hoofdpersoon vertolkt door Jan Jacob Guldemond. Hij zag in 1827 in Sassenheim het levenslicht, als zoon van de ‘bloemist’ (bloembollenkweker) Jan Guldemond en Maria de Bruin. Ook zoonlief voelde wat voor de nog prille bloembollencultuur en trad in de voetsporen van zijn vader. Op zijn drieëntwinigste jaar (dus in 1840) trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Jacoba van Ingen. Een aantal jaren later vinden we Jan terug in haar geboortedorp, waar hij in de beginmaanden van 1851 ‘een huis met erve’ aankocht van Sara Maria Bedloo, weduwe van Gerardus A. Entinck. En daar begint eigenlijk ons ‘verhaal’

Kapelstraat met links het huis van Tibboel

Het ‘rekest’ aan de gemeenteraad
Het huis dat Guldemond in 1851 aankocht blijkt identiek te zijn met het huidige pand van Tibboel, op de hoek van de Kapelstraat en de Grachtweg. De Gemeenteraad was de mening toegedaan dat het huis ‘het sieraad van de Gracht of haven’ was. Maar Guldemond had daar geen of weinig oren naar. Nog in hetzelfde jaar schreef hij een brief (zonder datum en handtekening) aan de Raad, waarin hij meldde dat het door hem aangekochte huis ‘tot zijn leedwezen’ in slechte staat verkeerde en dus ‘zware reparatien behoeft’, ofwel (in huidige termen) aan een restauratie onderworpen moest worden. Het daaraan belendende koetshuis en paardenstal verkeerden echter ‘in den besten staat’. Guldemond stelde dan ook voor om het oude huis aan de Gracht af te breken en de paardenstal annex koetshuis te doen verbouwen tot herenhuis.

We lezen verder in de notulen van de Gemeenteraad van 11 maart 1851: ‘De voorzitter (burgemeester J.C. van Rosse) verklaart de zaak in het belang der gemeente van voldoende gewigt te achten om, alvorens die ter competente beslissing van Burgemeester en Assessoren (het huidige College van B&W) te brengen, vooraf het gevoelen der raad daarover te hooren’. Enige souplesse was burgemeester Van Rosse niet vreemd, want ondanks dat het rekest van Guldemond ‘noch datum, noch handtekening draagt’ stelde hij voor om maar verder te gaan, aangezien ‘dit gebrek alleen maar aanleiding tot oponthoud zou kunnen geven’. Anno 2010 ligt dat wel heel anders in gemeenteland!

Tegenstand in de Gemeenteraad
Inmiddels vroegen diverse leden van de Gemeenteraad zich openlijk af, waarom Guldemond niet eerder bekend was met de gebreken aan het pand op het moment dat hij het aankocht. Daarnaast was het de vraag of de paardenstal en het koetshuis wel geschikt waren ‘om hetzelve in Heeren Huizing te veranderen’. Het belangrijkste argument dat een aantal Gemeenteraadsleden te berde bracht, was evenwel dat, in tegenspraak tot wat Guldemond beweerde, het muurwerk van het te slopen pand ‘in den besten en stevigsten staat’ verkeerde!

Het reglement
Bovendien was in 1843 door de Provincie Zuid-Holland een reglement uitgevaardigd op het slopen van gebouwen die zich bevonden binnen de provinciegrenzen. We lezen daarin dat men vrij was om die gebouwen die buiten de bebouwde kom van een dorp of stad lagen, af te breken. Daarbinnen was het echter verboden. Dat was slecht nieuws voor Guldemond, want de bebouwing aan de Gracht ‘volgde in onafgebroken rei (rij) aan de overige gedeelten van het dorp’ en lag dus duidelijk binnen de bebouwde kom! Dit gold echter alleen voor die huizen waarvan de muren ‘verheeld’ waren met de muren van belendende panden. Anders kon aan deze huizen immers schade ontstaan in geval van sloop. En wat bleek nu? De muren van het huis dat Guldemond in 1851 had aangekocht waren niet verheeld met de naastgelegen panden. En dus kon er naar hartelust gesloopt worden! Aldus Guldemond, die nu dacht een goed punt naar voren te hebben gebracht.

De Raad heeft moeite met het reglement
De Gemeenteraad had daar echter wat problemen mee, want dit kon gemakkelijk inhouden dat men ‘op enkele uitzonderingen na het geheele dorp zoude kunnen sloopen’. Vervolgens werd toch een beroep gedaan op een aantal meer esthetische argumenten, die erg veel weg hebben van huidige discussies omtrent monumentenbeleid. Zo lezen we dat de gevraagde vergunning ‘een belangrijk deel der gemeente zoude ontsieren en in geenen deele te verhelpen of te vergoeden valt met het op de tekening voorgestelde hek of rasterwerk’. In plaats van het monumentale pand zou dus een eenvoudig hek worden aangebracht. Ontsiering van het dorp, zo vond dus menig raadslid in die tijd.

Guldemond krijgt geen toestemming
Een ander punt dat naar voren werd gebracht, was de heersende armoede, waardoor veel gezinnen huis en haard verlieten om elders zijn geluk te beproeven. Het gevolg was dat er steeds meer huizen leeg kwamen te staan en dit kon in de nabije toekomst tot gevolg hebben dat er veel sloop binnen het dorp zou plaatsvinden. Ook de drooglegging van het Haarlemmermeer, waar men in 1851 nog druk mee bezig was, kon als gevolg hebben dat er arme gezinnen naar de nieuwe polder zouden verhuizen teneinde daar een iets welvarender bestaan op te bouwen. De gemeenteraad wilde zoveel mogelijk van het oude dorp handhaven en stond wat dat betreft dus niet op het standpunt om al te gemakkelijk tot sloop over te gaan. Men kan het al raden: Guldemond kreeg dus geen toestemming het uit 1754 daterende pand aan de Gracht af te breken. Een gevolg van een stukje vooruitstrevend monumentenbeleid in die tijd!

Naschrift
Waarschijnlijk heeft Guldemond uiteindelijk genoegen genomen met een aantal aanpassingen aan dit klaarblijkelijk voor vele Lissenaren geliefde pand. In hetzelfde jaar waarin hij het huis aankocht (1851) werd namelijk een zoon, Jan Jacob jr., in huisnummer 153 geboren en dat was het huis op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat. Ook een dochter, Jacoba Maria, wordt op 4 juli 1852 aldaar geboren. Kort daarna blijkt het gezin verhuisd te zijn. Ze trokken in een woning dat eveneens aan de Gracht was gelegen, maar iets meer in de richting van de molen, dus meer richting het oosten.

Conclusie
We zijn getuigen geweest van een staaltje plaatselijk monumentenbeleid in 1851. Een tijd waarin de Rijksdienst voor Monumentenzorg nog opgericht moest worden! Toch was er wel iets van provinciale reglementering. Het hield in dat je alles kon slopen, als het maar geen schade teweeg bracht aan naastgelegen panden. Dat dit voorschrift duidelijk te kort schoot, blijkt wel uit bovengenoemde discussies in de gemeenteraad van die dagen. Het kwam er simpelweg op neer dat nagenoeg alle gebouwen die enigszins in bouwvallige staat verkeerden en binnen de gemeentegrenzen van Lisse lagen, voor sloop in aanmerking kwamen. Het meer esthetische element deed er kennelijk niet toe en dat was eigenlijk gelijk het grote verschil met het Monumentenbeleid anno 2010. De gemeenteraad in die dagen komt in al deze discussies echter bijzonder vooruitstrevend naar voren. Daardoor zijn waarschijnlijk meerdere panden voor sloop behoedt. In ieder geval geldt dat zeer zeker voor ‘het sieraad van de Gracht of haven’: het tegenwoordige pand van Tibboel!

bronnen: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513. Idem, bevolkingsregister 1850-1860.

 

Erepenning 2010

Het pand Heereweg 225 van gebroeders Augustinus is gerestaureerd door architectenbureau Marco Bruijnes. Het gemeentelijk monument werd in 2005 in vervallen staat aangekocht van Museum de Zwarte Tulp, maar later verkocht aan Augustinus.

Erepenning 2010 uitgereikt

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 2, april 2010

De Vereniging Oud Lisse heeft op 16 maart haar Jaarvergadering gehouden in het Cultuur Historisch Centrum “De Vergulde Zwaan”. Na afloop van de vergadering werd de jaarlijkse erepenning “MOOISTE MONUMENT VAN LISSE” van de Vereniging Oud Lisse door Frits Treffers uitgereikt aan de directie van Alma Vastgoed, de gebr. Augustinus.
Alma Vastgoed heeft deze penning gekregen voor het in ere herstellen van het pand aan de Heereweg 225 (beter bekend als het oude pand van familie Van der Zaal gelegen aan het Vierkant).
Dit gemeentelijk monument is in 2005 in enigszins vervallen staat aangekocht van Museum de Zwarte Tulp. Oorspronkelijk was het de bedoeling om het voormalige woonhuis bij Museum de Zwarte Tulp te trekken en zo de museumruimte te vergroten. Het aanpassen voor een museumfunctie bleek echter geen haalbare kaart. Een deel van de tuin werd benut voor de museumuitbreiding. Het gebouw en de rest van de tuin werd verkocht aan Alma Vastgoed. Alma Vastgoed is een bedrijf dat investeert in verhuurd onroerend goed zoals woningen, winkels, bedrijfsgebouwen welke gelegen zijn in de regio Rijnmond en de Duin en Bollenstreek. Alma is eigendom van de broers Paul, Bart en Ton Augustinus.
In samenwerking met o.a., het Architecten bureau Marco Bruijnes te Nieuwkoop, aannemer van Kampen Bouwbedrijf uit Voorhout, Styliste Natascha van der Salm uit Lisse en Soul Design uit Noordwijk, is het pand gerestaureerd en getransformeerd van woonhuis naar een kantoor. De opdracht is geweest om het oude in ere te houden maar een moderne werkplek te creëren en dat is volgens de Vereniging Oud Lisse goed gelukt en beloond met de erepenning “MOOISTE MONUMENT VAN LISSE”. De gebr. Augustinus vonden het een prachtig gebaar en een mooi compliment voor alle geleverde inspanningen van de mensen die aan deze renovatie hebben meegewerkt gedurende 1,5 jaar. Kortom een aanwinst voor Lisse!

Een ansichtkaart van het gebouw

Zo zag de voorkant er vroeger uit

 

De huidige situatie

Binnen zijn de glas-in-lood raampjes gerastaureerd.

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Leidsevaart: Grenspaal is gemeentelijk monument geworden

Het kan verkeren! De gemeente Noordwijkerhout heeft de grenspaal bij de Leidse trekvaart aangemerkt als gemeentelijk monument.  De VOL is blij met de aanwijzing als gemeentelijk monument. De geschiedenis van de paal bij Halfweg wordt beschreven.

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 3, juli 2009

Het kan verkeren!” Door een verkeerde verplaatsing van de bekende grenspaal te Halfweg wordt deze paal nu door de Gemeente Noordwijkerhout als Gemeentelijk Monument aangewezen!

(Halfscheidspaal gemaakt in 1820. Monumentnummer o575/5, bij Leidsevaart 29, opmerking Webmaster)

Uit betrouwbare bron (lid van de Monumentencommissie van Noordwijkerhout), heeft de Vereniging Oud Lisse onlangs (mei 2009) vernomen, dat de bekende grenspaal te Halfweg op de grens van Noordwijkerhout en Lisse door de Gemeente Noordwijkerhout voorgedragen wordt als gemeentelijke monument, hoewel de Gemeente Lisse deze paal in 2007 (waarvan men toen aannam dat deze op het grondgebied van Lisse stond), niet wilde waarderen als gemeentelijk monument! Deze grenspaal is een fraai versierde steen aan de Leidsevaart, welke in 2007 in verband met de 350 jarige herdenking al meer in het nieuws is gekomen.
Deze grenspaal of beter “Halfscheydtpaal” staat aan de Leidse Trekvaart bij Halfweg en dateert van 1820 toen bleek dat de eertijds speciaal daarvoor in 1656 geslagen elzenhoutenpaal was verrot. De paal is versierd met de wapens van de steden Haarlem en Leiden en de naam Halfweg. Het stuk vaart vandaar naar Leiden was eigendom van Leiden en moest door die stad onderhouden worden. Haarlem was eigenaar van de vaart naar het noorden. Vandaar de prachtige wapens op de paal. In het nabij gelegen huize Halfweg kwamen de commissarissen der steden bijeen en werden o.a. de trekpaarden gewisseld.
De heer Lieverse, voorheen belast met de archiefzorg bij de gemeente Lisse, vertelde dat de paal in de jaren tachtig van de vorige eeuw bij wegwerkzaamheden gebroken in de berm terecht was gekomen. Na een telefoontje van Fons Hulkenberg heeft hij toen actie ondernomen en werden de stukken door Gemeentewerken Lisse afgevoerd en door de Fa.Boot weer gerestaureerd. Om verdere ongelukken te voorkomen met passerende auto’s werd de steen, mede op advies van Hulkenberg iets verder van zijn oorspronkelijke plaats naar achteren gezet. Dhr. Lieverse heeft hierover een rapportje geschreven, dat natuurlijk nog wel in het gemeentearchief terug te vinden is. Iedereen, de gemeente Lisse en ook Fons Hulkenberg gingen er van uit dat de paal op het grondgebied van de Gemeente Lisse stond zoals op diverse oude kaarten ook aangegeven is. Bv. de oude kaart van de aanleg van de Trekvaart uit 1656 geeft duidelijk aan dat de paal oorspronkelijk in het grondgebied van Lisse geslagen werd. Ook een gemeenten kaart van 1850 geeft dit nog duidelijk weer.
Het blijkt dus dat de paal waarschijnlijk op de verkeerde plek is teruggezet, net op het grondgebied van Noordwijkerhout, die deze fraaie paal nu terecht als een gemeentelijk monument wil aanwijzen.
Dr. A.J.Kölker van de Vereniging Oud Lisse heeft in 2007 een inventaris van alle grenspalen in de gemeente Lisse gemaakt, inclusief deze paal en de Monumentencommissie toen voorgedragen deze als gemeentelijk monument aan te wijzen! De Gemeente Lisse had geen interesse daarin en heeft hier helaas van afgezien.
De Vereniging Oud Lisse is daarom verheugd dat de stille verhuizing van deze paal naar het grondgebied van de Gemeente Noordwijkerhout toch als positief resultaat heeft opgeleverd, dat de grenspaal nu als gemeentelijk monument wordt aangewezen en daardoor beschermd wordt voor ons nageslacht!! Waarvan acte!

 

Huidige plaats van de grenspaal bij Halfweg.

Het wapen van de sleutels van de gemeente Leiden staat op de ene kant. die van Haarlem op de andere kant.

Anno 2019 is de info is niet meer te lezen.

Erepenning 2009 voor Achterweg-Zuid 51

De erepenning 2009 is uitgereikt aan de heer Romijn van Achterweg Zuid. Het gebouw uit 1909 is zeer goed onderhouden.

Nieuwsblad Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Nieuwsflitsen

Na het algemene gedeelte van de jaarvergadering maakt Frits Treffers bekend wie op een buitengewone manier een pand hebben opgeknapt en daardoor een bijdrage leveren aan het behoud van historisch waardevolle panden in Lisse. Op zijn welbekende enthousiaste manier vertelde Frits Treffers hoe dit keer gekozen is voor een pand in het buitengebied. De spanning werd opgevoerd doordat eerst de top van het pand werd getoond.

Te zien was fraai metselwerk en een raam met aan weerszijden het bouwjaar: 1909. Een pand van precies een eeuw oud. Het is een complex van woonhuis met bollenschuur. In de loop der tijd zijn er aanpassingen geweest, maar de beelden tonen hoe zorgvuldig dat gedaan is. Bij een dia van de dakgoot op klossen verzucht Frits Treffers dat zo’n staaltje van vakmanschap in de huidige tijd veel te duur zou worden. Dan wordt het tijd om namen te noemen. De heer Romijn wordt naar voren geroepen om voor zijn pand, Achterweg Zuid 51, de erepenning 2009 in ontvangst te nemen. Het pand is al lang in de familie en puntgaaf onderhouden, wat een oude foto nog eens duidelijk maakt. De oude foto laat echter ook een oud detail zien wat de tand des tijds niet overleefd heeft, nl. het houten ornament in de top. Al met al een terechte toekenning van de penning aan een fraai voorbeeld van bloembollenerfgoed in Lisse.

Woning met aangebouwde bollenschuur

Deze woning is uit 1909

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand en zijn vroegere bewoners wordt beschreven

 door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Inleiding

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand “Dubbelhoven” aan de Achterweg dateert in zijn huidige vorm uit de negentiende eeuw. Onlangs is het door de familie Boers fraai opgeknapt. Tijdens de verbouwing werden diverse houtblokjes gevonden met daarop de namen van werklieden die tijdens eerdere verbouwingen in het pand hadden gewerkt. Zo was in 1881 de Lissese timmerman Dirk Schrama bij bouwwerkzaamheden betrokken. Zou hij geweten hebben dat hij toen werkte op exact dezelfde locatie waar eeuwen eerder zijn voorouders woonden? Dirk stamde namelijk af van Quirijn Klaaszn. Schrama, wiens boerderij in de zeventiende eeuw gelegen was op dezelfde plek als het tegenwoordige “Dubbelhoven”. In een serie artikelen wil ik kort stilstaan bij de geschiedenis van de oude boerderij van Schrama en de bouw van het huidige pand Dubbelhoven. Het vormt een onderdeel van het onderzoek naar de buitenplaats Dubbelhoven, waar ik samen met Rob Pex mee bezig ben. Dat doen wij op verzoek van Richard Boers, de eigenaar van Dubbelhoven, die zeer geïnteresseerd is in de geschiedenis van zijn pand (en de directe omgeving). Het onderzoek is nog in volle gang, en bij dezen zou ik graag willen vragen of er mensen zijn die meer kunnen vertellen over de woning Dubbelhoven aan de Achterweg. Zij kunnen daartoe contact opnemen met ondergetekende (maartenvanbourgondien@hotmail.com) of Rob Pex (robpex@planet.nl). Langskomen tijdens één van de inloopavonden of –ochtenden is natuurlijk ook mogelijk. In de door mij bestudeerde bronnen worden de volgende oude maten gebruikt: morgen, hond en roede. Eén morgen was gelijk aan zes hond of 600 roeden. Eén Rijnlandse morgen komt overeen met 0,8516 hectare.

Cornelis Corstiaanszn.

In 1544 was de grond waarop het huidige Dubbelhoven werd gebouwd nog eigendom van Cornelis Corstiaanszn. Vermoedelijk stond er toen nog geen boerderij. Cornelis Corstiaanszn. was de stamvader van de rooms-katholieke Lissese familie Corsteman. Hij trouwde met Geertruida Klaasdr. en trad in de jaren vijftig van de zestiende eeuw onder andere op als kerkmeester van de Agathaparochie. Daarnaast speelde Cornelis in diezelfde tijd als gezworene een rol in het dorpsbestuur van Lisse. De vroegste vermelding dateert van 6 juni 1542, toen Cornelis Corstiaanszn. werd beleend met drie morgen land uit een grafelijk leengoed nabij Ter Spekke (niet ver van het huidige Dubbelhoven aan de Achterweg), dat omstreeks 1500 was afgesplitst van een groter leengoed van in totaal negen morgen land. [1] Later zal dit leengoed van drie morgen land door Adriaan Adriaanszn. Corsteman junior in twee delen worden overgedragen aan zijn oom Quirijn Klaaszn. Schrama. In 1544 was Cornelis Corstiaanszn. eigenaar van een woning met in totaal tien morgen en 292 roeden land aan weerszijden van de Achterweg (in de bronnen ook wel “Lijtwech” of “Buurwech” genoemd). [2] Op een deel van de landerijen aan de westkant van de Achterweg verrees in later tijd de boerderij van de familie Schrama. De woning van Cornelis Corstiaanszn. lag aan de oostkant van de Achterweg, niet ver van de tegenwoordige Vuursteeglaan. Dat gold eveneens voor de 374 roeden, die in 1544 door Cornelis werden gepacht (=gehuurd) van “Maritje Cornelis weduwe”. Op dit kleine stukje land werd in de zeventiende eeuw de buitenplaats Dubbelhoven gebouwd.

De familie Schrama

Boerderij De Wolff, die in de 17e eeuw eigendom was van de familie Corsteman.

De voorouders van Quirijn (Crijn) Klaaszn. Schrama komen oorspronkelijk uit Bennebroek. Zij hebben hun familienaam ontleend aan de ’s-Gravenmade, oftewel het weiland van de graaf. Dit land was gelegen tussen de Rijksstraatweg en de Haarlemmertrekvaart (bij het huidige restaurant Patrick’s – voorheen De Geleerde Man), en werd al in 1464 genoemd. [3] Aanvankelijk was het alleen weiland, maar later werd er ook een hofstede op gebouwd. Deze hofstede – met in totaal 25 morgen land – was in 1557 eigendom van Agatha Jansdr. uit Amsterdam, en werd bewoond door Cornelis Klaaszn. Scravemade. Waarschijnlijk was hij een zoon van Klaas Floriszn., die in de jaren dertig van de zestiende eeuw de hofstede ’s-Gravenmade met bijbehorende landerijen pachtte. [4] Het genealogisch onderzoek is nog in volle gang. Het lijkt er echter sterk op dat Gerrit Klaaszn. Scramaede (die in 1557 in de ambachtsheerlijkheid Heemstede woonde), en Maarten Klaaszn. eveneens zonen waren van de bovengenoemde Klaas Floriszn. In 1553 woonde Maarten Klaaszn. in Bennebroek. Hij pachtte toen van mr. Pieter Isaacs uit Amsterdam een hofstede met 21 morgen land. In 1555 blijkt Maarten Klaaszn. in Hillegom te wonen, alwaar hij van de Dominicanen uit Haarlem een woning huurde met ongeveer zeventien morgen land in Hillegom en drie morgen land in Bennebroek. In Hillegom wist Maarten Klaaszn. na verloop van tijd een uitgebreid landbouwareaal op te bouwen. In 1564 was hij namelijk gebruiker van maar liefst 51 morgen land. [5] Het overgrote deel van dit land werd door hem gepacht. Maarten Klaaszn. had slechts twee morgen en 350 roeden in eigendom. Het is niet bekend wat hij jaarlijks aan pacht betaalde, maar gezien de totale hoeveelheid grond die hij in gebruik had moet dit een aanzienlijk bedrag zijn geweest. Vier jaar later gebruikte Maarten Klaaszn. nog maar 25 morgen en 50 roeden. Hoewel dat nog altijd behoorlijk veel is, was zijn fi nanciële situatie blijkbaar dusdanig verslechterd dat hij de helft van het door hem gebruikte land moest afstoten. De tweede helft van de jaren zestig van de zestiende eeuw werd gekenmerkt door economische achteruitgang. Zo veroorzaakte het slechte weer omstreeks 1565 bijvoorbeeld diverse misoogsten in het graafschap Holland. [6] Vermoedelijk hadden hoge pachtsommen en een lage opbrengst Maarten Klaaszn. tussen 1564 en 1568 in fi nanciële problemen gebracht. Maarten Klaaszn. was de stamvader van een Hillegomse tak van de familie ‘s-Gravenmade, of Schrama. Zijn zoon Klaas Maartenszn. Schrama was getrouwd met Machteld Adriaan Jorisdr. Dit echtpaar bewoonde in 1591 een boerderij in De Zilk. [7] Eén van hun kinderen was Quirijn Klaaszn. Schrama, die later naar Lisse verhuisde.

Van De Zilk naar Lisse

Fragmentgenealogie van de families Corsteman en Schrama

Het is onduidelijk wanneer Quirijn Klaaszn. Schrama naar Lisse is verhuisd. De vroegste vermelding dateert vooralsnog uit 1619, toen Quirijn werd vermeld op de lijst van welgeboren mannen van Lisse. Zijn zus Katharina Klaasdr. Schrama was getrouwd met Adriaan Adriaanszn. Corsteman senior, kleinzoon van de bovengenoemde Cornelis Corstiaanszn. Waarschijnlijk speelden deze familiebanden een rol bij het besluit van Quirijn om in Lisse te gaan wonen. De boerderij van Schrama stond namelijk op land dat in de zestiende eeuw eigendom was van Cornelis Corstiaanszn. Quirijn legde met zijn komst naar Lisse de basis voor een langdurige band tussen dit dorp en de familie Schrama. Een groot deel van de Schrama’s die de afgelopen eeuwen in Lisse hebben gewoond, stamt namelijk van hem af. Tegenwoordig wonen er nog altijd nakomelingen van Quirijn in Lisse. De familie Schrama kan dan ook zeker tot de groep der oude Lissese geslachten worden gerekend. Quirijn Klaaszn. Schrama was getrouwd met Maria Cornelisdr. Op 2 november 1622 hadden zij vijf kinderen: Gerrit, Maria, Alfertje, Joris en Klaas. [8] Later kwam daar ook nog een dochter Katharina bij. Het huishouden werd gecompleteerd door twee inwonende dienstboden, die Quirijn hielpen met alle werkzaamheden op de boerderij. Het betreft Willem Adriaanszn. uit De Zilk en Geertje Jansdr. Het is niet bekend of Willem Adriaanszn. direct met Quirijn Klaaszn. Schrama vanuit De Zilk naar Lisse is verhuisd, of dat hij pas later in dienst is getreden.

De boerderij van Schrama in de Oude Mosveense Buurt

Het gebied waarin de boerderij van Schrama gelegen was, wordt vanouds de “Oude Mosveensche Gebuyerte” genoemd (oftewel de Oude Mosveense Buurt). Dit werd ook wel afgekort tot “de Oude Veen”. In een ver verleden had zich in de laaggelegen strandvlaktes tussen de Oude en Jonge Duinen een veengebied gevormd. Hier en daar bereikte het veen op den duur ook de hoger gelegen duingrond. [9] Blijkbaar gold dat eveneens voor de Oude Mosveense Buurt, waarvan de exacte begrenzing helaas niet bekend is. Vanaf de middeleeuwen werden dergelijke veengebieden ontgonnen en geschikt gemaakt voor agrarische exploitatie. Lisse kent meer van dit soort plekken: het gebied rond de boerderij Middelburg aan de Loosterweg Noord (tegenwoordig bewoont door de familie Van Graven) werd bijvoorbeeld “de Hooge Moschveen” genoemd. [10] Een ander voorbeeld is de Lageveense polder langs de Loosterweg Zuid.
Het is nog onduidelijk wanneer de boerderij van Schrama precies werd gebouwd. In 1544 lagen er langs dit deel van de Achterweg en Spekkelaan alleen enkele landerijen. De boerderij verschijnt voor het eerst op een oude kaart uit ca. 1615. Op het kruispunt van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan lagen toen in totaal vier woningen. Met de klok mee gaat het om: de buitenplaats Ter Spekke, de boerderij van Schrama (op de plek van het huidige Dubbelhoven), de boerderij van Cornelis Maartenszn. Verdel (= de woning van Cornelis Corstiaanszn.) en de Gasthuiswoning (eigendom van het Sint Elisabethgasthuis uit Haarlem). Naast het ontbreken van een exact bouwjaar, is het op dit moment ook nog niet bekend wie de boerderij van Schrama heeft laten bouwen. Verder onderzoek zal aan moeten tonen of Quirijn Klaaszn. Schrama opdracht tot de bouw heeft gegeven, of dat hij verhuisde naar een reeds bestaande woning. In ieder geval waren de Schrama’s nauw verbonden met deze boerderij aan de Achterweg, aangezien zij er in totaal bijna 100 jaar hebben gewoond en gewerkt.

wordt vervolgd

Noten

[1] Ons Voorgeslacht 43e jaargang no. 385 (juli/augustus 1988) 335.

[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 305, fol. 126v.

[3] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, ‘De geschiedenis van Bennebroek’, in: Dr. Tj.W.R. de Haan (red.) Bennebroek-Vogelenzang. Bijdragen tot geschiedenis en volkskunde van een voormalig blekersdorp (Meppel 1965) 7-39, aldaar 26-27.

[4] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, beeld van een dorpsgemeenschap (Zutphen 1982) 53, Nationaal Archief, Archief van de Staten van Holland vóór 1572, inv. nr. 960 (fi lmnummer 1319), Kohier van de Tiende Penning van Heemstede 1557, fol. 1 en 8 en Noord-Hollands Archief, Oud Recht Heemstede, inv. nr. 536, fol. 28v.

[5] Oud Archief van het Hoogheemraadschap Rijnland, Morgenboeken van Hillegom uit 1564 en 1568, inv. nr. 4649.

[6] Leendert Noordegraaf, Hollands welvaren? Levensstandaard in Holland 14501650 (Bergen 1985) 41 en 86-87.

[7] A.M. van Kampen, ‘Behoorde De Zilk vroeger tot Hillegom?’, in: Hangkouserieën (februari 2003) 15-25, aldaar 21.

[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 41, fol. 10v. [9] K. van der Meer, De bloembollenstreek. Resultaten van een veldbodemkundig onderzoek in het bloembollengebied tussen Leiden en het Noordzeekanaal (Den Haag 1952) 90.

[10] A.M. Hulkenberg, ‘”Middelburg” te Lisse’, in: Leids Jaarboekje nr. 63 (1971) 143-172, aldaar 146.

De boerderij van Schrama omstreeks 17e eeuw

Driehuizenpark

De geschiedenis van het voormalig bollenbedrijf van Gebroeders Driehuizen wordt besproken. Omstreeks 1930 is de bollenschuur met kantoren aan de voorkant gebouwd. Architect was Leen Tol.

door: F.Treffers

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Momenteel naderen de bouwplannen van het voormalige bollenbedrijf Driehuizen, wat is omgevormd in een plan van nieuwbouw en renovatie, zijn einde. Toen ca. 30 jaar geleden mijn vrouw en ik met onze drie kinderen in de naastliggende woning kwamen wonen was het bollenbedrijf er nog. Het werd geleid door de twee neven Driehuizen, Zij waren de zonen van de oprichters: de Gebroeders Driehuizen. Elke broer woonde in een villa, links en rechts van het bollenbedrijf. Deze villa’s hadden de namen “Rutsbo” en “Somalo”. De namen hadden betrekking op de echtgenotes.
Op een oude foto van ongeveer 1925 ziet men tussen de villa’s nog een boerderijachtige woning met daarnaast een hal. Omstreeks 1930 verdween dit en werd de huidige hal met kantoor aan de voorzijde gebouwd door architect Leen Tol, die ook de villa’s eerder had ontworpen.
Als je nu deze gebouwen nader bestudeert herken je de hand van “de meester”. Zo ziet men in de villa’s hetzelfde soort glas-in-lood op enkele plaatsen. Het kantoor van de bollenhal heeft een prachtig plafondraam van glas-in-lood.

De tweede eigenaar werd antiekhandelaar Chris van Damme, die al eerder in Lisse Zuid een bedrijf aan de Heereweg had. Hij woonde toen in villa “Riesenbeck”, op nr. 331. Daarachter lag het bedrijf. Deze villa is intussen gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Zelf woonde hij met zijn vrouw de laatste jaren in het kantoor van de bollenhal. Deze hal stond vol met antiek. Zo was daar een speciale ruimte met antiek zilver. Een andere ruimte was gevuld met antiek porselein. Hij had antiekvaklui in dienst die beschadigd antiek konden restaureren. De hal diende als een soort museum. Achter de hal waren modernere hallen gevuld met nog te restaureren antiek. Hij heeft me verteld dat hij veel antiek kocht in Duitsland. Hij exporteerde ook veel naar Amerika. Een aantal jaren geleden is hij aan kanker overleden. Zijn zoon heeft het bedrijf niet voortgezet.
In het begin heb ik samen met een ontwikkelaar diverse plannen opgezet met als uitgangspunt de hal te beschermen. Uiteindelijk wisten wij Hillgate Properties te interesseren voor dit plan. Daartoe is een project tot stand gekomen waarbij de bollenhal is omgevormd tot zo’n 27 appartementen. Daarbij komen zo’n 58 woningen gebouwd in de dertiger jaren stijl. Aan de voorzijde blijft de sfeer van vroeger zo veel mogelijk in tact. De renovatie van de bollenhal was geen eenvoudige zaak. De berekeningen van de constructie waren er niet. Dit moest via een herberekening tot stand worden gebracht. Aan de bovenhal zijn alleen aan de zijgevels aanpassingen gedaan. De ramen zijn i.v.m. de lichttoelaatbaarheid vergroot. Ook zijn balkons aangebracht. Binnen zijn de overlopen rondom de vide verkleind.
Na het schoonmaken van de buitengevel is een fraai stuk metselwerk zichtbaar geworden. Binnen zijn er verschillende appartementen gemaakt.

Nieuwbouw twee-onder-eenkapwoningen met op de achtergrond Rutsbo met daarachter de Heereweg,. Rechts is het Van der Vlugtpark. Foto Hillgate Properties

De nieuwbouw bestaat uit twee losstaande kleinschalige appartementengebouwen waar in elk 12 woningen zijn ondergebracht.  Verder zijn er vier vrijstaande woningen gebrouwd aan de achterzijde die aan een waterplas zijn gelegen. Achter de bollenhal zijn 12 eengezinswoningen gebouwd. Aan de linker zijde liggen twee-onder-een-kapwoningen die deels aan een sloot liggen (zuidzijde). Het betreft hier 18 woningen van twee verschillende typen. De bereikbaarheid geschiedt door twee in- en uitritten. Op het terrein is tegen de waterplas een speeltuintje aangelegd. Kortom een prachtig project met de nodige uitstraling. Aan dit project is meegewerkt door Hildate Properties als ontwikkelaar, Jorissen Simonetti als architect bollenschuur, PBV Architecten voor de nieuwbouw, F.N.D. voor de constructies, Fa. Bakker voor de bouw. De verkoop is door Romeyn gedaan.

Van boerderij met koeien via melkhandel naar restaurants

DOOR WILMA VAN VELZEN

Deel 7 – Hart voor Historie: Kanaalstraat 22 en 22a
Uit het Witte Weekblad van 29 augustus 2007

Grootmoeder Hulsbosch op de melkkar. Op de achtergrond is te zien de wagenschuur, die in de nabije toekomst uit het Lisser straatbeeld verdwijnt. (Foto: familiearchief – Theo Hulsbosch)

LISSE – Beeldbepalend dorpsgezicht in het centrum is de combinatie van de adressen Kanaalstraat 22 en 22a. De karakteristieke boerderij ter hoogte van de Wagenstraat was vele jaren het woonhuis annex bedrijfspand van melkboer Hulsbosch. Thans zijn hierin de restaurants Vrouw Holle en La Fontana gevestigd. Ondanks meerdere grote verbouwingen zijn beide restauranthouders erin geslaagd de authentieke sfeer te behouden.

Samen met zijn compagnon Mickey Yazide runt Eric Braspenning het Italiaans restaurant La Fontana. Hij weet zich nog goed het moment te herinneren dat zij de winterboerderij in gebruik wilden nemen: ‘Aanvankelijk zou een ander bedrijf zich op deze locatie vestigen. Met de verbouwingswerkzaamheden was al begonnen, maar die zijn uiteindelijk niet doorgegaan. Vervolgens was het aan ons de voormalige koeienstal met woongedeelte tot restaurant om te turnen.’

Boerderijsfeer
‘Besloten werd de authentieke boerderijsfeer te behouden. Dit heeft ons veel waardering opgeleverd.

De uitvoering werd in 1991 zelfs beloond met de erepenning van de Vereniging Oud Lisse.’ De boerderij is nog steeds in bezit van de familie Hulsbosch, die bijna een eeuw op deze locatie woonachtig was. Theo Hulsbosch is een van de vijf kinderen die deel uit maken van de derde generatie die er is opgegroeid. Hoe oud de boerderij precies is, weet hij niet. De Vereniging Oud Lisse achterhaalde in de gemeentelijke archieven wel, dat ene Van der Vlugt het pand in 1812 kocht van weduwe Van Klaveren. Volgens Hulsbosch was er ooit een timmerbedrijf gevestigd. ‘Mijn overgrootvader had een boerderij op de plaats van het oude postkantoor; waar nu De Madelief wordt gebouwd.
Zijn zoon vestigde zich in de Kanaalstraat, het gedeelte dat vroeger Broek Steeg werd genoemd.
Het complex omvat onder meer een zomer- en wintergedeelte, hooiberg, karnruimte en wagenschuur. De koeienstal bevond zich in de winterboerderij, dat aan de voorzijde een woonhuis kende. Tot 1984 woonden hier twee tantes van Hulsbosch. Zelf woonde hij met zijn ouders en de rest van de familie in de zomerboerderij, waar thans Vrouw Holle in is gevestigd.
De melkwinkel bevond zich hier ook; de toegang was rechts aan de zijkant. Een paar oude melkbussen zijn nog stille getuigen. In de karnruimte aan de voorzijde, met rieten dak, duwde een paard de karnstok voort.
Het achtergedeelte, met hooiberg, wagenschuur en opstallen, is onlangs verkocht aan Bouwbedrijf Castien, dat hiervoor bouwplannen heeft.

Verandering
‘Ten tijde van mijn grootvader was de boerderij een melkveebedrijf. Hierin kwam verandering, toen mijn vader, Jaap Hulsbosch, in het kader van saneringswetgeving, een keuze moest maken: veebedrijf of melkhandel. Het feit dat er steeds minder grasland in de directe nabijheid voorhanden was om de koeien te laten grazen, gaf de doorslag om verder te gaan als melkhandel. Tot 1970 heeft mijn vader – aanvankelijk met paard en wagen, later met een elektrische melkwagen – menig Lisser in de wijk van melk en melkproducten voorzien. Zeven dagen in de week, dus ook op zondag, gebeurde het dat iemand achterom nog even wat melk kwam halen.’

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

‘Ze hadden onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis’

 

DOOR WILMA VAN VELZEN

Deel 6 – Hart voor Historie: Grachtweg 1a
Uit het Witte Weekblad van 22 augustus 2007

De Grachtweg in 1885, gezien vanuit het oosten. Links Grachtweg 1a. (Foto: archief VOL)

LISSE – Grachtweg la is te typeren als een pand dat er dankzij particulier initiatief nog staat. De huidige bewoners, Erik Plantenberg en zijn gezin, zijn erin geslaagd het voormalige kaaspakhuis van bouwval te redden. De geschiedenis van Grachtweg la gaat terug tot de zestiende eeuw. Het pand is waarschijnlijk rond 1743 gebouwd door ene Warbout Jurriaanse Vreeburg, ter vervanging van een tot woonhuis omgebouwde schuur.
Plantenberg vertelt, dat zijn woning veel bewoners heeft gekend: ‘Een van hen was Pieter Hendrik Koppenschaar, die hier met zijn gezin leefde. In de gemeentelijke archieven heeft de Lisser historicus Rob Pex kunnen achterhalen, dat deze man in 1838 door burgemeester en wethouders werd aangesteld als bode, aanplakker en omroeper. Een fragment van een affiche uit die periode heb ik tussen de balken aangetroffen. Mogelijk was dit door Koppenschaar in een kier gestopt om de tocht te weren. Uiteraard heb ik het bewaard.’

Kaasstellingen
Rond 1907 komt het pand in bezit van Cornelis Langeveld. Deze richt het woonhuis in als kaaspakhuis. Plantenberg weet nog goed dat, toen hij het pand in 1986 kocht, de kaasstellingen nog aanwezig waren. ‘In het souterrain, waar onze keuken een plekje heeft gevonden, werden de kazen geschraapt. Daarachter bevond zich een geisoleerde ruimte voor het koel houden van de boter. Het naastgelegen pand, waarin thans makelaar Chantal Lefeber is gevestigd, bood ruimte aan een kaaswinkel. Tot het eind van de negentiende eeuw werd het kaasbedrijf voortgezet door Jaap en Theo Langeveld, de jongere generatie. Dit waren overigens twee heldhaftige heren. In de oorlog hadden ze onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis. Nota bene direct onder de neus van de Duitsers, die zich een hoofdkwartier hadden verschaft in de tegenover gelegen oude pastorie!’
Maar Grachtweg la kent meer geheimen. Voor het creëren van meer ruimte besloot Plantenberg, nadat hij bet bestaande gedeelte had gerestaureerd, in dezelfde bouwstijl achter het woonhuis een deel bij te bouwen van oude bouwmaterialen, die hijzelf bijeen had gescharreld. Bij het graven, dat eraan vooraf ging, stuitte hij op de oude beerput. Hierin trof de huidige eigenaar diverse pijpen en scherven van aardewerk en glas aan. Archeologisch onderzoek wees later uit, dat het merendeel van de vondsten afkomstig was uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Sluikbegraving
Korte tijd daarna deed Plantenberg opnieuw een vondst, maar deze was luguber. Hij stuitte op een skelet. Als voormalig fysiotherapeut herkende hij hierin menselijke resten. Nader onderzoek wees uit, dat het hier een zogenaamde sluikbegraving betrof van nog voor de Wet op de lijkbezorging. In de zestiende eeuw was het niet ongebruikelijk dat mensen die geen geld hadden op eigen erf werden begraven. Een kerkelijke begraving was dan te duur. Evengoed kan het een zelfmoord of een niet-christen betreffen, omdat deze doden niet mochten werden begraven in ‘gewijde’ grond. Hoewel Plantenberg het graag had gewild, hebben onderzoekers het ware verhaal achter de sluikbegraving niet kunnen achterhalen.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse