Berichten

Cultuurhistorische waarde vaak groter dan monumentale belang

Wethouder Mesman geeft een uitgebreid interview over zijn ideeën over een groot aantal oude gebouwen en situaties

door Sjaak Smakman.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Wethouder Guus Mesman over het monumentenbeleid

Guus Mesman (PvdA) is bijna een jaar wethouder met monumentenbeleid in zijn portefeuille. Met onze verslaggever praat hij vrijuit over het Hofje, het oude Schooltje op het Vierkant, het CNBgebouw en het behoud van een evenementenhal. Of is het wellicht meer haalbaar het parkeerterrein bij Hoogvliet te overkappen?

Niet alleen Ruimtelijke ordening is zijn werkterrein. Hij doet ook het monumentenbeleid. ‘Persoonlijk vind ik het heel jammer dat ik als monumentenwethouder gelijk wat moest laten slopen. Kanaalstraat 44! Dat was niet wat deze wethouder voor ogen stond’.

Wat trof je aan bij je aantreden?
‘We hebben een beleid in verandering. Naar aanleiding van Kanaalstraat 44 hebben we geconstateerd dat de redengevende beschrijvingen niet in orde zijn. Op dat moment is gezegd: die moet voor alle monumenten opnieuw gemaakt worden. Tegelijkertijd hebben we gezegd: we gaan opnieuw door heel Lisse: wat hebben we aan monumenten geregistreerd, zijn er panden die er bij moeten en zijn er nog die er ook af zouden kunnen?’

Hoe ver is het daar nu mee?
‘Daar is de Stichtingt Dorp, stad en land mee bezig. Van de hofjeswoningen is nu net een redengevende omschrijving binnen waarin staat dat het Hofje monumentwaardig is. Oók als het op zichzelf staat en geen onderdeel is van een ensemble.’

En de rest van de monumenten?
‘De rest moet ik nog krijgen. De monumentencommissie kan daarna advies uitbrengen. Ik verwacht dat we dit jaar nog een nieuwe monumentenlijst kunnen vaststellen. En bij alles komt ook een goede redengevende beschrijving.’

Zodat de ellende zoals met Kanaalstraat 44 wordt voorkomen?
‘Ja. Wij hadden beweerd dat sigarenmagazijn Juliana zo’n bijzonder interieur had, terwijl dat er niet meer in zat. Dat kwam doordat er niemand echt langs was gegaan! Nu zal elk pand echt bezocht worden en van binnen en van buiten bekeken.’

Monumentenbeleid en geld staan vaak op gespannen voet met elkaar. Kanaalstraat 44 bezweek onder dreiging van een claim van de projectontwikkelaar, de openbare school aan de Heereweg en de CNB-hallen sneuvelen waarschijnlijk om de zelfde reden?
“Van Kanaalstraat 44 hebben we als politiek geoordeeld dat we het ons niet konden veroorloven voor één pand een exorbitant bedrag neer te leggen. Er zijn meer zaken die voor de gemeenschap belangrijk zijn. Een belangenafweging dus.
De reden dat we ons zo hebben ingezet voor de CNB-hallen, is niet zozeer de monumentale waarde, maar de cultuurhistorische waarde. En dan niet van het geveltje, maar van wat zich daar achter allemaal heeft afgespeeld. Bij de CNB is gezegd: van het hoofdgebouw willen we een cultureel centrum maken. Dan blijft de gevel behouden en als je achter die gevel kijkt: daar is niets monumentaals aan.”

En bij de veilingzaal geldt: die bankjes die zo bijzonder zijn, die gaan er uit.
‘Daar is discussie over. De een zegt: je moet ze laten staan. De ander zegt: met een andere indeling is wel wat mogelijk.’

Achter de gevel blijft er dus niets over.
‘Van die zaal moeten we nog maar eens bekijken of dat wel zo handig is. Er zit bijvoorbeeld ook nog geen lift in dat gebouw. Als je de voorste bankjes weg haalt, dan krijg je wel ruimte om het podium te vergroten. Maar ja, je hebt ook nog coulissen nodig.’

Een oude veilinghal zou toch wel in te passen in het monumentenbeleid?
‘Daar heb je gelijk in. We zouden kunnen zeggen: we laten zo’n veilinghal staan en daar kun je ook wat zinnigs mee doen.’

Wil Veldhoven, Fred Broersen en Proper Stok zijn met een plan gekomen. Is dit niet het moment voor hen om de grote woorden waar te maken?
‘Dat kan, maar dan heb je toch nog het probleem van het parkeren, dat ze in hun oorspronkelijke plan hebben laten liggen. We hebben ze gevraagd: hoe los je dat parkeren op? Henri Stol heeft later voor ons nog een studie gemaakt en hij kwam toen met het idee om in de hal die evenementenhal zou moeten worden, een vloer aan te brengen waaronder geparkeerd kan worden en waarop de evenementen dan plaats vinden. Dat was de goedkoopste manier, maar dat kost wel 1,8 miljoen euro meer voor 84 parkeerplaatsen. Dat is relatief goedkoop, maar als je die evenementenhal na drie jaar moet afbreken omdat het niet blijkt te lopen, ben je wel 1,8 miljoen kwijt!
Dat zou zonde zijn. Het verhaal was ook: dat parkeren is nu ook geen probleem, de gemeenschap accepteert op zo’n dag dat er wat parkeeroverlast is. Dat is wel zo als het gaat om een handjevol evenementen. Maar als je een evenementenhal gaat exploiteren, dan moet je wel proberen elk weekend een evenement te hebben anders hoef je daar geen hal voor te laten staan. En je kunt niet elk weekend zeggen: de gemeenschap vindt het wel goed.’

EVENEMENTENHAL
ONHAALBAAR?
OPLOSSING:
PARKEERPLEIN
HOOGVLIET
OVERKAPPEN

Het viel niet op te lossen in de Hobaho?
‘Wel als je daar extra parkeerplaatsen gaat maken. Maar die moeten ook betaald worden. Provast zegt ook: wij kunnen alles best onder de grond stoppen, maar er moet wel betaald worden. Je kunt niet alles op het bordje van Provast of Joop Zwetsloot schuiven. Dat gaat gewoon niet.’

Heeft het je niet verbaasd dat het CDA daar zo makkelijk mee akkoord ging?
‘Dat ging niet makkelijk, hoor, het was een heel groot pijnpunt. Fred Broersen is natuurlijk een prominente CDA’er en die heeft zich het vuur ervoor uit de sloffen gelopen. Tot op het einde toe hebben we als college ook gezegd: we nemen de uitdaging op ons. We kijken hoeveel evenementen er worden gehouden en we kijken waar we die onder kunnen brengen. Keukenhof heeft ook al eens aangeboden om een grote tent neer te zetten bij het kasteel. Maar voor de eerste de beste rommelmarkt die nu niet in de CNB werd gehouden, werd meteen een andere plaats gevonden. Dus voor kleinschaliger evenementen zijn best oplossingen te vinden. Als we straks de doorsteek maken, krijg je op het parkeerterrein achter de Hoogvliet een soort binnenplaatsje. Voor het zelfde geld zeg je: we zetten daar een kapconstructie overheen waar je wat kleinschaliger dingen kunt onderbrengen. Dat vind ik ook een belangrijk signaal naar de Lissese gemeenschap.’

Het schooltje tegenover het Gemeentehuis. Dat is nog uit 1885 en dus nog monumentaler dan de CNB-hallen.
‘Maar het ligt wel heel onhandig. Vandaar dat we ook wel speculeren op de creativiteit van projectontwikkelaars. Daarom is het ook handig dat we er een prijsvraag van maken, dan kunnen we zeggen: jullie kunnen extra punten verdienen door het schooltje in het plan op te nemen of in elk geval een deel van het schooltje. Alleen de gevel bijvoorbeeld als onderdeel van een groter geheel. Er zijn landelijk voorbeelden genoeg waaruit blijkt dat dat heel mooi mogelijk is. Maar daar zit natuurlijk weer een prijskaartje aan.
In feite vind ik dat van het CNB gebouw ook. We zeggen: het gaat om de cultuurhistorische waarde van het gebouw! Wat gebeurde daar? Dan heb ik ook zoiets van: dat zou een gevel kunnen zijn die je heel fraai in zou kunnen pakken. Dan maak je er toch iets moderns van. Als je in Haarlem kijkt naar de schouwburg, met die glazen wanden waardoor je iets ouds ziet schemeren, dat is schitterend!’

Laten we nog even kijken naar Kanaalstraat 44 en het Hofje. De diakonie wil nu een op een of andere manier schadeloos worden gesteld als het Hofje moet blijven staan. Hebben ze daar geen gelijk in?
‘Dat weet ik niet.’

Laten we zeggen dat ze redelijke argumenten hebben.
‘Dat ben ik met je eens, maar dat is wat anders. Ik geef onmiddellijk toe dat de directe omgeving de monumentwaardigheid van het Hofje aantast. Het wordt er ook niet leuker op om daar in een huisje te zitten, maar dat geldt ook voor elk ander plan dat de Diakonie daar zou willen ontwikkelen. En verder hebben we net een redengevende omschrijving binnen die zegt dat het Hofje nog altijd monumentwaardig is.’

Maar hebben ze dan geen recht op een schadevergoeding?
‘Het is niet zo dat de Diakonie het Hofje heeft gekocht en dat wij er een monument van hebben gemaakt. Het was al heel lang het bezit van de Diakonie en toen het een monument werd, hebben ze geen bezwaar gemaakt. Nu willen ze het slopen. Maar ze hadden toch niet in alle redelijkheid kunnen verwachten dat er een sloopvergunning gegeven zou worden?

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Molen vijftig jaar op Keukenhof

De molen op Keukenhof is 50 jaar. Het is sinds 2004 een rijksmonument. Het is in 1892 gebouwd in Groningen. In 1957 in het geheel ontmanteld en op keukenhof weer opgebouwd.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Nieuwsflitsen

Eén van de jongste monumenten op het landgoed Keukenhof is de molen die zich op het terrein van de bloemententoonstelling bevindt. Het is niet zozeer het jongste monument in jaren, maar wel wat het predikaat ‘monumentaal’ betreft, want pas sinds 2004 is de molen opgenomen op de Rijks Monumentenlijst. Het is ook een zeer bekende molen en wellicht het meest gefotografeerde exemplaar ter wereld, want vanaf het moment dat de molen op Keukenhof verrees, hebben honderdduizenden mensen het monument bezichtigd en beklommen, om vanaf de omloop de omliggende bloembollenvelden en Keukenhof te bekijken. Het betreft een zogenoemde Stellingmolen, die in 1892 werd gebouwd en oorspronkelijk dienst deed als watermolen in de Rozenburgpolder in Groningen. De molen werd aan Keukenhof geschonken door de Holland Amerika Lijn, in 1957 geheel ontmanteld en op het tentoonstellingsterrein opnieuw opgebouwd, waar hij op 4 april in gebruik werd genomen. Dat is dus op 4 april van dit jaar precies vijftig jaar geleden! Een reden voor Keukenhof om daar bij stil te staan, niet in het minst omdat dit ‘jubileum’ valt in het Jaar van de molen, 2007.

Monumentale bollenschuren

Vijftig eigenaren van waardevolle bollenschuren hebben van de projectgroep ‘Behoud en Herbestemming Bollenschuren’ een schildje ontvangen om op hun schuur te schroeven.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 1, januari 2007

Nieuwsflitsen

Vijftig eigenaren van waardevolle bollenschuren hebben van de projectgroep ‘Behoud en Herbestemming Bollenschuren’ een schildje ontvangen om op hun schuur te schroeven. Met dat blauw-witte bordje waarop in grote letters de woorden ‘Monumentale Bollenschuur’ staan, hoopt men meer aandacht te krijgen voor het behoud van deze in het bollenlandschap beeldbepalende elementen. De vijftig maken deel uit van de Regionale Collectie Bollenschuren, in totaal honderd stuks die bouwkundig en cultuurhistorisch waardevol zijn.

Nieuwe R.K. scholen voor jongens en meisjes, een gesticht voor de ouden van dagen

Het Sint Agatha Gesticht, het Piusgesticht en diverse RK scholen werden begin 1900 gebouwd na de bouw van de kerk zelf

COÖPERATIE ONDERLING BELANG SLUIT DE DEUREN, MAAR HET WERK GAAT DOOR

De Coöperatie Onderling Belang sluit de deuren, maar het werk gaat door. De huuropbrengsten van de winkels komt ten bate van de Lissese gemeenschap. De historie begon in 1918.

door S. Smakman

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

.

Huuropbrengst winkels ten bate van Lissese gemeenschap

Coöp Cooking op de hoek van de Kapelstraat en de Kanaalstraat. Dit gemeentelijk monument is reeds verhuurd aan een Lissese ondernemer

Om maar meteen het grootste misverstand uit de wereld te helpen: met de sluiting op 1 juni van dit jaar is de Coöperatie Onderling Belang géén verleden tijd. Maar, beaamt secretaris René Elfering meteen, in de beleving van de Lissers komt op die dag wel degelijk een einde aan een historie die begon op 27 september 1918. ‘Met het vermogen van de meubelzaak en de luxe kookwinkel, kunnen we nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.’

Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog – ‘Waarschijnlijk in de kermisweek,’ grapt voorzitter Kees van der Zwet – kreeg Lisse zijn Rooms-Katholieke UA (die letters staan voor uitgesloten aansprakelijkheid) Onderling Belang. De plaats van vestiging was een klein winkeltje in de Kapelstraat. Die plaats heeft de coöperatie nooit meer verlaten, ook al beschikt de winkel daar sinds jaar en dag over 1200 vierkante meter.
De coöperatie, zegt Van der Zwet, kwam niet zozeer voort uit de angst van de confessionele zuilen voor het socialisme, waartegen via het opbouwen van eigen zuilen een solide tegenmacht moest worden geschapen, maar kwam eerder overgewaaid uit Engeland. Daar bloeiden de verbruikscoöperaties op waarmee de arbeiders een einde wilden en konden maken aan de gedwongen winkelnering. De arbeiders werden daar door hun werkgevers niet zelden verplicht om hun salaris bij bepaalde winkels te besteden.
Van der Zwet: ‘Die coöperaties zorgden ervoor dat de arbeiders zich vrij konden bewegen. En je moet het zien in de tijd: in die tijd paste het coöperatieve denken. Dat zie je aan bijvoorbeeld de kredietcoöperaties, wat de enige manier was om geld bij elkaar bij te krijgen. En in de agrarische wereld zie je de coöperatieve veilingen opkomen.’

‘In Nederland,’ zegt Henk Elfering – zoon van oprichter Hein Elfering en 39 jaar actief geweest in het bestuur van Onderling Belang – ‘was het idee achter de verbruikscoöperaties vooral: een tegenwicht te vormen tegen het grootwinkelbedrijf dat langzaam maar zeker opkwam: Albert Heijn, De Gruijter en de Spar.’
Voor een paar gulden kon je lid worden. Dat was niet voor iedereen direct te betalen in een tijd waarin een volwassen man met 6 of 7 gulden in de week thuis kwam en daarvan een groot gezin van moest onderhouden. Daarom was er mogelijkheid om in termijnen te betalen. Langzaam maar zeker kwam dat geld terug, herinnert Henk zich: ‘Er stond een grote kast op kantoor en daar werden alle bonnen van de kassa ingedaan. Aan het einde van het jaar werden de bonnen opgeteld en ieder lid kreeg dan een dividend van 1, 2 of 3 procent over het geld dat hij in de winkel had besteed. Iedereen kon kopen, maar alleen de leden kregen dat dividend uitgekeerd.’
Maar er gebeurde meer. Op een gegeven moment deed het bestuur het voorstel aan de leden om de Agathakerk een beeld cadeau te doen van Sint Nicolaas. Een paar leden waren daarop tegen: de kerk was al mooi genoeg en bovendien ging dat ten koste van de winst en daarmee van het dividend. Uiteindelijk is het beeld er ook nooit gekomen: de toenmalige pastoor wilde het beeld alleen aannemen als de leden daar met algemene stemmen achter stonden. Ondanks de oorlog ging de coöperatie door. Henk: ‘Ik herinner me nog hoe er een juffrouw de hele dag niets anders deed dan bonnen plakken. Met de volgeplakte vellen gingen we dan naar de distributie om nieuwe voorraad te halen. Ik weet nog wat een feest het was toen aan het einde van de oorlog het Zweedse wittebrood werd uitgedeeld.’

Jaren vijftig en zestig: bloeiperiode

De echte bloeiperiode van de coöperatie ligt in de jaren vijftig en zestig. In die tijd van de wederopbouw leefde het coöperatieve denken nog volop en waren de zuilen nog volledig intact. De protestanten hadden bijvoorbeeld hun eigen coöperatie Ons Belang aan de Heereweg. Na de manufacturenhandel en de kruidenierswaren had Onderling Belang een bakkerij, een steenkolenhandel en uiteindelijk de tot op de dag van vandaag bestaande meubelhande. Dat laatste was overigens geen bewuste keuze, vertelt Henk: ‘In die tijd hadden de chef van de manufacturenwinkel en de tweede man een probleem met elkaar en daar moest een oplossing voor komen. Toen zijn ze met meubelen begonnen. In een weekeinde werden een paar wanden in het pand getimmerd en vervolgens verkocht de coöperatie meubelen.’
In die hoogtijdagen telde Onderling Belang 1900 leden: vrijwel alle katholieke arbeiders in Lisse waren lid. Maar toen braken de jaren zestig aan. Het streng gereguleerde Nederland ging op de schop. Het coöperatieve denken maakte plaats voor meer individualisme, de welvaart nam toe en een paar loongolven overspoelden Nederland. Mijnders begon een zelfbedieningszaak in de Kanaalstraat (‘Wat van Mijnders komt is goed.’) en een paar jaar later werd de aardgasbel bij Slochteren werd ontdekt. De steenkolenhandel verdween en de opkomst van de supermarkten werd onderschat.
Van der Zwet: ,,We hebben heel laat ingeschoven op de zelfbediening en daarmee hebben we de slag gemist. Maar los daarvan: de winkel was er ook niet geschikt voor.’’
René, de derde generatie Elfering in Onderling Belang die zes jaar geleden aantrad in het bestuur, toen er alleen nog meubelen werden verkocht: ‘Het punt is dat we zijn begonnen met een aantal klanten en dat we met die klanten zijn meegegaan. Een van de eerste vragen die ik stelde bij mijn aantreden was: wat is de doelgroep van de coöperatie? Ik kreeg te horen: 40 procent van onze klanten zit in Berkhout. Dan moet er een bel gaan rinkelen en moet je je afvragen: ben ik wel goed bezig? Een van de eerste dingen waar ik ook achter kwam: de klant had al besloten om te gaan kopen voor dat hij bij de coöperatie binnenstapte. Dat is wel leuk, alleen: hoeveel klanten komen op die manier binnen?’

Mondigheid van de klant

Henk: ‘Ik woon in Vorstenhove. Als je ziet hoeveel meubel- en andere leveranciers daar komen en waar die vandaan komen…. niet uit Lisse in ieder geval. Paul Windt heeft er een showappartement ingericht. Als hij twee of drie appartementen heeft geïnstalleerd, dan is het op.’
René: ‘De mondigheid van de klant is ook toegenomen. Vroeger ging je naar de coöp, je kocht daar je hele interieur en twintig jaar later kocht je er een nieuw interieur. Je ouders deden dat, dus jij deed dat ook. Dat was normaal.’’
De coöp moest dus veranderen, vond het bestuur. De etalage van het bedrijf, het pand op de hoek Kanaalstraat-Kapelstraat, moest de entree worden van de grote winkel. René: ‘We hebben daar wel veel aan gedaan door verbouwingen en interieur-aanpassingen. Cooking had puur als doel om meer klanten te trekken. Het zou de entree worden van de grote winkel, ooit. Maar hoever moet je gaan als je vier, vijf jaar geen zwarte cijfers draait? Dan moet je de beslissing nemen om door te gaan met de lijn die je eigenlijk al vele jaren had: activiteiten afstoten. Waarbij het schrijnende in dit geval is dat het de laatste zichtbare activiteit is. En het is natuurlijk heel schrijnend voor de mensen die er werken. We hebben voor negen mensen ontslag moeten aanvragen, maar gelukkig heeft een aantal van hen al weer een andere baan gevonden.’

Coöperatie blijft actief

Maar het einde van de meubelzaak en de cooking-afdeling, benadrukt hij, is níet het einde van de coöperatie zelf. ‘We kunnen nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.We hebben nu vastgelegd dat het vermogen in de winkelpanden niet verder wordt aangetast en dat we met die winkeloppervlakte weer geld kunnen generen en dat weer ter beschikking kunnen stellen aan de gemeenschap voor bepaalde doelen.’
Niet aan de leden, zoals weleer, zegt Van der Zwet: ‘Waar alle coöperaties mee zitten, ook bijvoorbeeld de Rabobank, is dat je het contact met je leden langzaam bent kwijtgeraakt. Al jarenlang is er geen uitkering meer geweest aan de leden en vanaf dat moment is de band ook steeds losser geworden. Ook als je kijkt naar de ledenvergaderingen: het is voornamelijk personeel dat er zit. Officieel zijn er 200 leden, maar ook van een grote groep weten we niet weten of ze nog leven. Het lidmaatschap vererft wel naar de partner, maar niet naar de kinderen.’

Bijdrage aan de gemeenschap

Hoe het geld teruggaat naar de gemeenschap, is volgens Elfering en Van der Zwet iets waar het bestuur zich de komende tijd over zal gaan buigen. Van der Zwet: ‘Daarbij moeten we denken: wat is in de geest van de oprichters? Dat kan iets wezen op het gebied van ouderen of van de jeugd. Maar het kan ook best zijn dat je ergens een bijdrage kunt leveren aan het dorp. Maar laten we eerst maar eens zorgen dat de zaak gezond is.’

 

DE ENEVERENDE GESCHIEDENIS VAN CNB IN LISSE: VAN VEILEN TOT BEMIDDELEN

De hele geschiedenis vanaf 1918 van CNB, eerder HBG genaamd, wordt beschreven. Van Bovenkarspel via de Witte Zwaan in Lisse naar de gebouwen aan de Grachtweg.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 2 april 2006

 

Dankzij de ‘loze beloftes’ der notarissen

De bloembollenveiling en bemiddelingsbureau CNB met vestigingen in Lisse en Bovenkarspel staat voor een nieuw hoofdstuk in zijn geschiedenis. De Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale verlaat de Grachtweg en bouwt een nieuw pand aan de Heereweg. Op grond met een geschiedenis. Dat geldt in feite ook voor de grond die CNB aan de Grachtweg achterlaat.

Het begon allemaal op een koude februari-avond in 1918 toen secretaris Jan Buishand van de afdeling Andijk van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur een brief op de post deed waarin aan zusterafdeling Bovenkarspel het voorstel werd gedaan om ”gezaamelijk ene of meerdere veilingen te houden”. Indirecte aanleidingen vormden de ”loze beloften der notarissen”. Die werden zo genoemd nadat in 1914 duidelijk was geworden, dat een prompte betaling van de kooppenningen niet gegarandeerd kon worden. Bovendien werd men in die overtuiging gesterkt door de misstanden die toen heersten in de groentehandel. De brief van Jan Buishand resulteerde op 16 januar 1919 in de officiële oprichting van Bloembollenveilingsvereniging West-Friesland door de KAVB-afdelingen Andijk, Bovenkarspel en Enkhuizen. In de zomer van 1919 werd de daad bij het woord gevoegd en vonden de eerste veilingen plaats. Omdat West-Friesland nog geen eigen gebouw had, werden de veilingen gehouden op de kolfbanen (een soort kegelen) van de diverse café ‘s in Bovenkarspel, waarbij een speciale plaats werd ingenomen door restaurant ”Het Roode Hert”.

Het kantoorpand van de CNB toen nog HBG geheten, aan de Grachtweg in Lisse in 1932. Ruimte genoeg voor de aan- en afvoer van bollen en een fraai perkje met jonge boomaanplant voor de deur.

 

Eigen stijl
Het stekje, dat op die koude februari-avond door Jan Buishand werd geplant, bleek aan te slaan en de Westfriezen hadden hun veiling veilig. Een veiling met een eigen stijl, hetgeen onder meer tot uiting kwam in het feit, dat de leden het bestuur kozen. Het bestuur koos vervolgens een voorzitter die met de dagelijkse leiding van de coöperatie belast werd en derhalve een directiefunctie bekleedde. De algemene vergadering had dus over veel zaken het laatste woord en hoewel dat niet altijd en onder alle omstandigheden een voordeel zou blijken te zijn, democratisch was het wel. In 1925 kreeg West-Friesland de beschikking over een eigen veilingzaal die direct gelegen was achter restaurant ”Het Roode Hert”, alsmede een eerste aanvoerhal. Na de bouw van een tweede hal volgde in 1951 de oplevering van een nieuw kantoor. In 1963 maakte de nog steeds groeiende veilingaanvoer de bouw van weer een nieuwe hal noodzakelijk. Achter het bestaande complex verrees een enorme hal van 4400 vierkante meter die tevens onderdak zou bieden aan de jaarlijks terugkerende Westfriese Flora. Die is na de affaire met de uitbraak van legionella inmiddels omgedoopt tot Holland Flowers Festival en vindt nu plaats in het complex van The Greenery in Zwaagdijk.

HBG
Voor het HBG (Hollands Bloembollen Genootschap) in Lisse werd op 13 juni 1906 de basis gelegd toen in de bestuursvergadering van de afdeling Lisse van het Hollandsch Bloembollenkweekers Genootschap (een organisatie die in 1895 werd opgericht om de rechten van kwekers te behartigen) besloten werd niet langer gebruik te maken van de diensten van ”veilingdirecteuren van groene veilingen”, maar als kwekersvereniging zelf…. ”eene gelegenheid te scheppen, waarin de voor verkoop in voorraad zijnde bloembollen van de kweekers kunnen worden aangevoerd en door deskundigen in publieke veiling te koop gepresenteerd kunnen worden, zodat de prijswaarde van dat ogenblik wordt verkregen. Ook mogen de risico’s voor de kweekers voor eventuele wanbetaling bij verkoop door hen uit de hand, niet uit het oog verloren worden”… Op 8 augustus van datzelfde jaar werd op het terrein van het etablissement ”De Witte Zwaan” aan het Vierkant in Lisse in de open lucht de eerste droge bloembollenveiling gehouden onder directie van de heren Rotbard en Reydon. Later in dat seizoen volgden nog drie veilingen en dat beviel de initiatiefnemers kennelijk zo goed, dat op 2 augustus 1907 door het afdelingsbestuur een reglement werd behandeld en goedgekeurd ”regelende de door of vanwege de afdeling Lisse van het HBG te houden droge bloembollenveilingen”. In de jaren nadat het HBG de eerste veilingen organiseerde, ontstonden ook in andere dorpen in de Bollenstreek veilingkringen, zoals in Roelofarendsveen, Beverwijk, Hillegom, Sassenheim, Warmonderhek, Piet Gijzenbrug (Noordwijkerhout) en Wassenaar-Voorschoten. Dat gebeurde ook daar naar aanleiding van de ”loze beloften der notarissen”.

Gewoonste Zaak
Het ontbreken van financiële middelen om loodsen en eigen fust aan te schaffen – de methode van afrekenen met de klanten stond niet toe, dat er winst gemaakt werd of reserves gebouwd werden – deed de een na de andere veilingkring de das om. ”Lisse” had die ruimte wel in de vorm van het gebouw van de R.K. Volksbond aan de Schoolstraat (later het Trefpunt en thans De Gewoonste Zaak) en later een tweetal vaste gebouwen op het aanpalende terrein van de Christelijke Schoolvereniging aan de Schoolstraat en nu ‘De Akker’ geheten. Dat stelde de veiling in staat met succes het hoofd te bieden aan het in 1921 opgerichte Hollands Bloembollenhuis (Hobaho). Een particulier initiatief van de heren Homan, Bader en Hogewoning met tot doel het houden van leverbare veilingen van bloembollen in ”De Witte Zwaan”.

Coöperatie
In 1924 hadden omzet en aanvoer bij HBG zo’n aanzienlijke omvang aangenomen, dat men deze helemaal niet meer vond passen in het kader van de kwekerskringen. Besloten werd toen de activiteiten onder te brengen in een aparte coöperatieve vereniging, waarvan de oprichtingsakte op 27 november 1924 voor notaris A. van Pelt te Lisse werd verleden.Het werd de Coöperatieve Veilingvereeniging voor Bloembollenkweekers van het  “Hollands Bloembollenkweekersgenootschap”. Van de firma Gerrit van Parijs & Zn werd een terrein – de zogenaamde Kapellewei – in eigendom verkregen. Daar verrees in het jaar na de oprichting een veilingloods annex kantoorruimte met een frontbreedte van 60 meter. Dat de kwekers van toen -de eerste leden waren met name afkomstig van de Lisserdijk en de Rooversbroekpolder – het nog niet zo slecht gezien hadden, blijkt wel uit de omzetcijfers. Bedroeg de omzet bij de oprichting in 1924 het lieve sommetje van f. 625.000,-; in 1927 was de omzet reeds verdubbeld en werd besloten een tweede houten veilingloods te bouwen. Op 24 september 1929 werd zelfs de drie miljoen gulden gepasseerd. Reden genoeg om de vlag met dit magische getal erop geschreven in top te hijsen. Kort daarna stortte de wereldeconomie in en kwam een einde aan de stormachtige groei van de veiling. Niettemin slaagde HBG erin de recessie te overleven, want in 1937 werd op ingetogen wijze het 12,5 jarig bestaan gevierd. Die opleving bleek overigens van korte duur te zijn .In 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit en dat had onder meer tot gevolg, dat de veilinggebouwen gevorderd werden voor de inkwartiering van de paarden van het Nederlandse leger en later van de Duitse bezetter. In de daaropvolgende vijf jaar stond het veilen op een bijzonder laag pitje en beperkte het zich hoofdzakelijk groenten en allerlei andere artikelen De gezamenlijke omzet van de bij de Bond van Bloembollenveilingen aangesloten veilingen schommelde in die donkere jaren tussen de 1 en 3 miljoen gulden en ook in het eerste bevrijdingsjaar -1946- spreken de cijfers boekdelen: een gezamenlijke omzet van 4,8 miljoen gulden en er werd voor 24 miljoen gulden aan bloembollen doorgedraaid’!

Intrede der In-en verkoopbureaus
Met het herrijzen uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog kroop ook het bedrijfsleven uit het diepe dal omhoog. Zo ook de HBG. En een nieuw fenomeen kreeg de kans zich te ontwikkelen. De in- en verkoop van bloembollen via bemiddelaars werd namelijk geïntroduceerd. Deze verkoopmethode houdt in, dat de bollen niet voor de veilingklok verschenen, maar los van het oogsttijdstip via tussenkomst van de veiling(vertegenwoordigers) rechtstreeks van de kweker aan de handelaar/exporteur werden verkocht. Daarmee werd ingespeeld op de wensen van kwekerij en handel die hun risico’s wensten te spreiden en niet langer afhankelijk wilden zijn van het veilingseizoen met al z’n prijsschommelingen. De overeenkomst werd in het vervolg vastgelegd op een koopbriefje en voor de verdere (financiële) afwikkeling werd zorggedragen door de veiling. Wat HBG betreft kwam het systeem in 1936 als een eenmanszaakje van de grond. In het Kerstnummer van het door HBG uitgegeven Kweekersblad van 22 december 1938 is een officiële aankondiging te vinden van de oprichting van een ”In- en Verkoopbureau voor de betere soorten”. Dat ging kennelijk niet helemaal van harte want het bestuur liet weten daarmee …”noodgedwongen gevolg te geven aan de aandrang van enigen aanvoerders die meenen dat den handel in nieuwigheden daarmee beter gediend zou zijn dan via den vrijen handel”. …
Het enthousiasme droop er dus niet bepaald vanaf, maar het bureau voorzag kennelijk toch in een behoefte want tien jaar later – in het seizoen 1948/49 -volgde er een grote reorganisatie en werd de basis gelegd voor de In- en Verkoopbureaus zoals die vandaag de dag functioneren. Wat het HBG (nu dus CNB) betreft kan worden gesteld dat op dit moment een aanzienlijk deel van de omzet door dit bureau wordt gegenereerd. En het is vooral aan dit verkoopkanaal te danken geweest, dat de veilingen zo’n belangrijke positie zijn gaan innemen als schakel tussen kwekerij en handel. De Lissese coöperatieve veiling HBG mocht zich althans in een constante groei verheugen, om in het jaar van de fusie een voorlopig hoogtepunt te behalen met een omzet van 140 miljoen gulden.
Een laatste bouwactiviteit die onder HBG-vlag werd uitgevoerd voordat de veiling in 1976 door de fusie met West-Friesland opging in de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale (CNB), was de realisatie in dat jaar van een modern Handelscentrum aan de Grachtweg in Lisse.

Heden
De start van de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale werd gevormd door een periode die duidelijk maakte, dat het coöperatieve karakter van beide fusiepartners wezenlijk verschilde. West-Friesland was een echte kwekersveiling met een sterke ledenbinding, HBG een veiling die meer het bemiddelend optreden tussen koper en verkoper voor ogen stond. Er waren talloze besprekingen nodig om op dezelfde lijn te komen, maar de doelstellingen die de fusiepartners voor ogen hadden, werden gehaald. In de jaren die volgden bereikte de omzet regelmatig nieuwe recordhoogten. Vandaag de dag zijn de cijfers minder rooskleurig, hetgeen mede is toe te schrijven aan de economische ontwikkelingen en het feit dat er op dit moment wereldwijd kennelijk minder aandacht is voor bloembollen en er ook minder voor wordt betaald. Desalniettemin is het omzetcijfer toch nog respectabel en heeft men er alle hoop op dat de markt weer zal aantrekken en de situatie verbetert. Om zelf het nodige aan die situatie te verbeteren hebben de bemiddelaars reorganisaties en kostenbesparingen ingang gezet. Een van de gevolgen daarvan is dat de veiling, de basisactiviteit waarmee het indertijd allemaal is begonnen, inmiddels is afgestoten. Er zullen geen bloembollen meer via de veilingklok worden geveild en daarmee is een uniek fenomeen (op de hele wereld waren er maar twee bloembollenveilingen) naar de geschiedenisboeken verwezen. Daarmee is echter nog geen einde gekomen aan de veranderingen. Nadat vorig jaar Hobaho het domein aan de Haven heeft verlaten en zich aan de overkant daarvan vestigde heeft ook CNB sinds kort voor het laatst bloembollen geveild en maakt zich op om te verkassen. Inmiddels is gestart me de nieuwbouw op het voormalige laboratoriumterrein. Na de ingebruikname daarvan breekt de tijd aan voor geheel nieuwe ontwikkelingen in het centrum van Lisse. De tijd zal leren in hoeverre men in staat is en de wil heeft om voor het nageslacht iets van de geschiedenis te bewaren.

 

DE GESCHIEDENIS VAN HET OUDE KONINGSHUYS

door R.J.Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

 

HUYS TER NIEUWBURG BEWOOND DOOR TWEE PRINSESSEN WERD HET PRINSESSENHUYS

Binnen niet al te lange tijd zal de geschiedenis van het Oude Koningshuys in Sassenheim, dat thans bewoond wordt door de Lissese makelaar Bas Romeyn, in boekvorm gepubliceerd worden. Het laat onder meer de eigenaren de revue passeren tussen 1543 en heden. Onder deze eigenaren waren ook Elisabeth Maria en Emilia Louisa, “beijde gebooren Princessen van Portugael”. Ze waren in 1677 in het bezit gekomen van het Oude Koningshuys, oftewel het Huys ter Nieuwburg, zoals het toen nog heette.

De prinsessen hebben het huis met tuinen en landerijen zo’n drie jaar in bezit gehad. Toch was het aan die relatief korte periode te danken dat de buitenplaats later ook wel de naam het Prinsessenhuys werd toegedicht. In 1680 erfde het geheel over op stadhouder Willem III, sedert 1689 koning van Engeland. Dit laatste verklaart de huidige naam: Het Oude Koningshuys.

Wie waren deze Elisabeth Maria en Emilia Louisa? Hun overgrootvader, Don Antonio van Crato, was een onechte zoon van Lodewijk, hertog van Beja, derde zoon van Emanuel de Grote. Toen de troon van Portugal in 1580 vrijkwam, dong hij naar de troonsopvolging. Daar hij echter niet kon bewijzen een wettige zoon te zijn van genoemde Lodewijk gingen deze plannen dus niet door. Zijn aanhangers riepen hem in 1580 te Santarem evenwel tot koning uit, maar werden door Alva verdreven, waarna Antonio vluchtte naar Calais.

Gheen consideratie
Zijn twee zonen, Emanuel I en Christoffel, vestigden zich in 1597 in de Nederlanden. In ‘s-Gravenhage leerde Emanuel Emilia van Nassau kennen, een zuster van prins Maurits. Ze wensten in het huwelijk te treden maar Maurits wees dat af met de woorden: “Dat hij op sulcken sake gheen consideratie en konde nemen, voor en al eer Don Emanuel sijn Moeder soude hebben genoemt ende bewesen dat sijn Vader de selve hadde getrout, al eer hij daer van was geboren”. Bovendien was, volgens haar grote broer, prins Emanuel een verdreven heer “die gheen middelen ter werelt en hadde, dat hij Roomsch Catholijck was: daer tegen sij professie dede van de Ghereformeerde Religie, sulcks dat hij hier niet en soude konnen tot advancement komen ofte geemploijeert worden. Dat oock gheseijt was dies actie daerom tot het Rijk van Portugael weijnich geestimeert werde. Datse daerom soude willen dencken op (aan) de digniteijt van haar Huys daer uyt sij gecomen was en sulcke imaginatien (verzinsels) uyt haer sinnen stellen ende laten varen”.

Secretelijck getrout
Prins Emanuel en Emilia van Nassau trouwden echter toch (7 november 1597). Maurits kwam juist in Den Haag aan toen hij het nieuws vernam. We lezen: “so heeft hij hem tegen alle haer vrienden danck ende weten secretelijck getrout voor ghetuyghen (…) ende alsoo Prince Mauritz uyt het legher in den Hage quam, heeft men se beijde, sonder dat hij sijn Suster heeft willen sien ofte spreecken, uyt den Lande ghesonden, hen daerna onthoudende te Wesel: alsoo werden Prince Maurits victorien ghetempert met huyselijck verdriet”.
Het pas getrouwde paar vestigde zich in de Duitse grensvesting Wesel. De financiële situatie van het verbannen echtpaar bleef echter verre van rooskleurig. Ze werden in deze gelukkig ondersteund door de aanvankelijk vergramde prins Maurits: een gedeelte van de gebouwen van het voormalige St. Agathaklooster in Delft werd ter bewoning aan de prins en prinses van Portugal afgestaan. Ze konden dus weer terugkeren naar de Nederlanden! Bovendien liet Maurits bij zijn dood in 1625 aan Emilia een jaargeld na van f 7.500, aan elk van haar zonen f 2.000 en aan iedere dochter f 1.000 per jaar. Het huwelijk heeft zo’n 29 jaar stand gehouden; in 1626 scheidden Don Emanuel en prinses Emilia.

Met zes dochters
Emanuel vertrok met zijn twee zonen naar Brussel en liep over naar de Spaanse vijand, terwijl Emilia naar Genève vertrok met haar zes dochters. Ze trok daar in een groot huis, dat later nog Le Château Royal werd genoemd en overleed daar in 1629. Prins Emanuel stierf in Brussel in 1638.

Vervallen in groote miserie
Zijn zoon, Emanuel II, was eerder, in 1619, door Maurits aangesteld tot gouverneur van het prinsdom Oranje, maar moest die functie naast zich neer leggen in 1623. Vijf jaar later trad hij in het klooster in als “broeder Felix”. Hij trad echter weer uit in 1633, waarna hij een jaar later zelfs overging tot de Hervormde leer! In 1646 huwde hij Johanna gravin van Hanau. Uit dit huwelijk werden vier dochters geboren, waaronder Emilia Louise en Elisabeth Maria, die in 1677 het Oude Koningshuys zouden kopen.
Schulden bleven de familie echter achtervolgen, zodanig dat Johanna in 1651 aan de voogden van prins Willem III schreef dat zij “vervallen is in groote miserie ende armoede, ende dienvolgens verscheijden schulden alhier gemaeckt, over sulcx van hier niet en can vertrecken sonder Uwe Hoocheden uyt medogentheijt gelieven goedertieren haer te begenadigen met de somme van een duysent Carolus guldens”. Johanna kreeg het gevraagde bedrag, mits echter “dat naer desen Hare Hoocheden niet meer over soodanige versoecken sullen mogen werden gemolesteert”. Ook in 1663 lezen we van een aanzienlijk geldbedrag dat door Willem III aan Johanna ter beschikking werd gesteld “tot eene assistentie in haren becommerlijcken staet off jegenwoordige ongelegenheijt”. We vernemen hierna niet veel meer over Emanuel II en Johanna van Hanau. Eerstgenoemde stierf in 1666, terwijl Johanna in 1673 kwam te overlijden. Van de vier dochters overleefden alleen de welbekende Emilia Louise en Elisabeth Maria hun ouders. Zij zijn het geweest die in 1677 voor 23.626 gulden het Huys ter Nieuwburg in Sassenheim gekocht hebben.

Geen statusobject
Later, in 1680, is het Huys ter Nieuwburg gelegateerd aan Willem III. Hij heeft zich slechts weinig bemoeid met huis en landerijen. Was hij niet geïnteresseerd in het Sassenheimse bezit? Inderdaad vormde het toenmalige bezit geen groot statusobject voor zo’n belangrijke figuur als Willem III. In ieder geval is hij twintig jaar later tot verkoop overgegaan: het einde van een bijzondere periode in de geschiedenis van het Oude Koningshuys.

Bronnen:
A.M. Hulkenberg, Het Oude Koningshuys 1628/1978 (Leiden 1978)
H.W.M. van Os, “Het Oude Koningshuys”, in: Leids Jaarboek 1945

Het Oude Koninghuys in Sassenheim heeft een rijke historie

 

STOLPBOERDERIJ VAN LANGEVELD IN OUDE GLORIE HERSTELD

De stolpboerderij van Langeveld in de Poelpolder is in 1642 bebouwd. Bij de restauratie aan het einde van de twintigste eeuw komen veel originele objecten voor in de erg vervallen boerderij.

door Ine Eizinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Dankzij het feit dat de 17e-eeuwse stolpboerderij aan ‘t Lange Rack 2 (vroeger aan de Ruishornlaan) op de rijksmonumenten-lijst is geplaatst, is zij voor de verre toekomst behouden. De restauratie van het vervallen pand was een immens project, dat dankzij de volharding van eigenaar Cees Horsman in samenwerking met de restauratiearchitect Bob C. van Beek is gerealiseerd. Op het terras achter de voormalige schuur van het complex, met uitzicht op de appelboom, vertelt hij graag over hoe een en ander tot stand is gekomen.

In de jaren negentig koopt de gemeente Lisse de als Rijksmonument aangewezen stolpboerderij met het bijbehorende terrein van krap vijf duizend vierkante meter van de heer Langeveld. De stolpboerderij moet gerestaureerd worden en een openbare bestemming krijgen. Het architectenbureau Bob C. van Beek wordt in de arm genomen om te bekijken wat de mogelijkheden zijn. Wanneer hij zijn rapport presenteert, schrikt het gemeentehuis. De boerderij en een aantal omliggende schuren die hoewel geen rijksmonument, maar wel het bewaren waard zijn, verkeren in een zeer slechte staat. Restauratie zal veel geld vragen, wat voor een gemeente niet is op te brengen. In september 1997 biedt de gemeente Lisse de stolpboerderij te koop aan en legt in een brochure uit wat de aankoop inhoudt. De nieuwe koper is verplicht de boerderij te restaureren, naar de normen van het rapport van Van Beek. In samenwerking met hem moet deze zoveel mogelijk in authentieke staat worden teruggebracht, inclusief de tuin. Vlakbij de boerderij staan immers de oudste bomen van de Poelpolder.

Doodschrik

Gemeente Lisse belegt vervolgens een bijeenkomst waarin belangstellenden de boerderij kunnen bezichtigen. Horsman: ‘We, ik denk vijftien personen, kregen een rondleiding door de gebouwen. Het zag er echt heel slecht uit en ik stak dat niet onder stoelen of banken. Toenmalig burgemeester Van der Kroft meende dat ik expres met mijn opmerkingen de andere gegadigden had weggejaagd, maar ik meende echt wat ik zei.Horsman aarzelt en vraagt zijn broer een oordeel te geven: ‘Mijn broer zei helemaal niets tijdens de bezichtiging. In de auto vroeg ik hem ‘Wat vind je ervan’ en hij zei dat hij zich dood-geschrokken was van de staat van de gebouwen. Hij vroeg zich af wat ik ermee wilde.’ Cees Horsman wil er gewoon wonen en zijn broer meent: ‘Als je dat echt wilt, dan is alles mogelijk.’ Uiteindelijk blijkt Cees Horsman de enige bieder: ‘Later hoorde ik dat het in 1800 al onbewoonbaar is verklaard. Mijn vrouw Ineke is van mening dat het sindsdien onverklaar­baar bewoond is geweest.’ De boerderij heeft weliswaar elektriciteit, maar is niet aangesloten op leidingwater, noch op de riolering. Horsman: ‘De vorige eigenaar heeft zijn water altijd uit een wel bij de boerderij betrokken.’ 

Tekeningen

De muren van het woon- en slaapgedeelte zijn in de oorspronkelijke stijl gebouwd. Je ziet dan ook duidelijk dat de gevel niet loodrecht is, maar van onder naar boven naar rechts afwijkt.

Horsman weet bij de aankoop min of meer waar hij aan toe is. Van Beek heeft de gebouwen nauwgezet opgemeten. De nieuwe eigenaar bezit de tekeningen waarop alle zijden van de te behouden gebouwen staan, zelfs de scheuren staan ingetekend. Van de stolpboerderij staat alles per centimeter op papier, alle balken, maar ook de vroegere voergoot en mestgoot van de koeienstal. Horsman: ‘De stolpboerderij dateert uit 1642, de schuren zijn in 1848 gebouwd en vallen niet onder het Rijksmonument, net zo min als de hooiberg. Vroeger bewaarde men het hooi immers onder de stolp. De hooiberg is veel later gebouwd, met een dak wat in hoogte verstelbaar was, afhankelijk van de hoeveelheid hooi. Van Beek vond het belangrijk het ‘ensemble’ te bewaren, dus ook een deel van de ontwikkelingsgeschiedenis rond de boerderij.Horsman vertelt enthousiast: ‘Wist je trouwens dat een drietal kerkorganisaties uit Leiden ooit een claim legden op het water van deze polders? Zij hebben toen de polders droog laten leggen en verkochten vervolgens de gronden. Daarmee werden de kerkgenootschappen min of meer indirect gesubsidieerd. Uit die tijd stamt ook deze boerderij.’  Met de tekeningen in de hand wordt een plan van aanpak opgesteld. Het zal drie jaar duren voordat Horsman opgelucht en trots kan zijn op zijn stolpboerderij.

Verrassingen

‘We konden niet direct aan de slag. Voor de vorige eigenaar moest eerst een nieuwe woning worden gebouwd en dat duurde langer dan gehoopt.’ Het plan ligt in grote lijnen klaar, maar het is onduidelijk hoeveel verrassingen de boerderij nog in petto heeft. Eerst zullen de schuren worden afgebroken, de grond aldaar opgehoogd en twee ervan opnieuw opgebouwd. Van Beek heeft tekeningen gemaakt over een mogelijke indeling:

‘De eerste tekeningen waren nogal uitgebreid, zoveel ruimte hadden we niet nodig. We hebben een lijstje gemaakt: woonruimte, keuken, een grote en twee kleinere slaapkamers, bad en doucheruimte en een werkkamer. Over de deel, de vroegere koeienstal, was nog geen besluit genomen. Als

woonruimte was dat veel te groot Wel overwoog ik de mogelijkheid er een expositieruimte van te maken. Ik kende een aantal Poolse kunstenaars voor wie ik op die manier misschien iets kon betekenen. En dat zou passen binnen het idee van ‘openbare bestemming’ wat de gemeente ooit had.’

Schuiframen

In augustus 1999 is het zover, de schuren kunnen worden af­gebroken en weer opgebouwd aan de hand van de gemaakte tekeningen in oorspronkelijke stijl. Deze bijgebouwen krijgen als bestemming het slaap- en woongedeelte. ‘In mei 2000 konden we die gebouwen betrekken. In de kozijnen zijn weer schuiframen gezet, maar nu met veren in plaats van het altijd zo onhandige brok ijzer, om de ramen open te houden. De keuken zou een plek krijgen in de stolpboerderij, we hebben tijdelijk een keukenblok in de slaapschuur geplaatst.’

Oude plavuizen

De stolpboerderij zelf is nu aan de beurt. Uit onderzoek is gebleken dat het pand opnieuw onderheid moet worden. ‘De muren van de boerderij stonden op een gemetselde fundering. We hebben binnen de grond tot tachtig centimeter uitgegraven. Bij het verwijderen van de houten vloer kwamen we nog plavuizen tegen die bewaard zijn en later opnieuw gelegd. Er bleken er niet voldoende te zijn, vandaar dat we een rand van andere, overigens ook oude, plavuizen hebben gemaakt. We ontdekten ook restanten van de fundering van een open haard die midden in de keukenruimte moet hebben gestaan. Omdat we er niet achter konden komen hoe die er ooit heeft uitgezien, hebben we daar verder niets mee gedaan. Ook rond het gebouw is een een meter brede strook van tachtig centimeter diep weggehaald. Dat was een heel spannend moment. Er zat beweging in het gehele pand, er bestond een reëel risico dat het zou instorten. En een ingestort gebouw is geen monument meer.

We moesten ondersteuning aanbrengen op allerlei plekken en op regelmatige afstanden gaten maken in de gemetselde fundering, zodat de dertig centimeter dikke laag beton die we zouden storten naar buiten door die gaten kon lopen. Overal is bekisting aangebracht zodat het beton niet verder kon dan waar we het wilden hebben’.

Bekisting

Maar behalve de betonnen vloer is heien noodzakelijk. Voordat het beton wordt gestort, is er op maar liefst tachtig plaatsen een houten bekisting aangebracht als uitsparing voor de heipalen. Ook dat heien is een klus op zich. Ouderwets heien is uiteraard niet mogelijk vanwege het trillingsgevaar en het feit dat een hei-installatie niet binnen in een gebouw zijn werk kan doen: ‘Holle buizen met een lengte van anderhalve meter werden de grond ingebracht, door deze te verzwaren. Wanneer ze nog een randje boven de grond uitstaken, werd er een nieuw stuk aangetast en vervolgens ook weer de grond ingebracht’. En dat tachtig maal tot een lengte van ongeveer veertien meter per buis! De monumentale stolpboerderij heeft nu een degelijk basis. Een nieuwe fase in de werkzaamheden breekt aan.

Rotte sporen

Driekwart van het metsel werk wordt hersteld, een tijdrovend werk: ‘Alle kozijnen gingen eruit en opnieuw erin. Alle scheu­ren zijn hersteld’. Het houtwerk wordt grotendeels vervangen. Horsman: ‘Toen het rieten dak, of wat daar nog van over was, eraf ging, bleken ook alle sporen verrot (sporen zijn de balken die het rieten dak dragen). Dat was wel te verwachten, het rieten dak was zo slecht dat het binnen vrijwel net zo hard regende als buiten. Bovendien hebben deze balken altijd veel last van vocht gehad, een koeienstal is nu eenmaal vochtig’.  De zware houtconstructie blijkt erg aangetast door ondermeer boktorren en alles wat graag in hout zetelt, maar nog wel bruikbaar: ‘Het was gatenkaas. Maar de torren tasten de randen aan en komen nooit in de harde kern van het hout. Omdat die grenen balken zo dik waren, was er geen risico. We hebben die balkenconstructie kunnen behouden, behandeld en hersteld. Er is een nieuw geïmpregneerd rieten dak opgelegd volgens de huidige normen van het bouwbesluit. En de muren zijn voorzien van een vochtwerend middel’.

 

De zuid- en de noordkant na de renovatie van de boerderij

Opkamer

En dan volgt de ‘inrichting’. De binnenmuren worden hersteld, het houtwerk in de verf gezet. De prachtige gewelven van de kelder missen een gedeelte, ooit ingestort. Ook dat ontsnapt niet aan de aandacht en wordt hersteld, drie van de treden naar beneden zijn authentiek. De opkamer, huidige werkkamer van Cees Horsman, heeft nog steeds zijn voor de Nederlander van tegenwoordig te lage deur, maar wel de echte, die uit liefde een extra laagje verf heeft gekregen. De hard stenen drinkbakken in de paardenstal hebben voor het huishouden van Horsman geen functie meer, maar worden wel in ere gehouden. Ineke Horsman verzorgt de maaltijden op de plek waar dat eeuwenlang is gedaan. Er wordt echter geen kaas meer gemaakt en de bak waar de melkbussen stonden, ontbreekt. Ook de tuin doet denken aan vroeger, de moestuin bijvoorbeeld, het weitje. Horsman: ‘Wat kon, is gebleven. We zijn hier ontzettend blij mee, dit is een geweldige plek’.

EIGENAAR CEES HORSMAN RESTAUREERDE SEDERT 1800 ONBEWOONBAAR VERKLAARDE BOERDERIJ DIE AL DIE TIJD ONVERKLAARBAAR BEWOOND IS GEWEEST

DE WILLEMSHOEVE, EEN PARADIJS

De boerderij van Heemskerk, Heereweg 443, heette vroeger De Willemshoeve. Op een kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat reeds een gebouw getekend. De familiegeschiedenis wordt besproken.

door Ine Elzinga

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Op tweehonderd meter vanaf de Heereweg ligt één van Lisses oudste boerderijen, de ‘Willemshoeve’. Op de kaart van Floris Balthasarsz uit 1615 staat hij reeds aangegeven. Er is een tijd geweest dat de bewoners het vrije uitzicht hadden op ‘t Huys Dever, maar die tijd kan de huidige bewoner Jos Heemskerk zich niet herinneren. Tegenwoordig spreekt de familie over boerderij ‘Heemskerk’, gelegen aan Heereweg 443. Jos Heemskerk: ‘De boerderij valt onder monumentenzorg. De buitenkant is nog goed intact Ik vind het prachtig dat er nu eens aandacht wordt besteed aan één van de oudste panden van Lisse.’

Uit het voorouderonderzoek van de familie Heemskerk blijkt dat de streek waarschijnlijk al sinds 1053 door families Heemskerk is bewoond, maar de eersten die op schrift staan, dateren uit 1570. De naam Heemskerk wordt voor de eerste maal in verband gebracht met de Willemshoeve in 1840. In het bevolkingsregister van de gemeente Lisse staat vermeld dat Johannes Verdegaal na de dood van zijn vader op Willemshoeve blijft wonen en in 1840 trouwt met Agnes Heemskerk. Het echtpaar laat alleen dochters na, waarmee de naam Heemskerk de boerderij weer verlaat. In 1894 koopt Willem Heemskerk boerderij Willemshoeve, hij blijft kinderloos en de boerderij wordt in 1920 verpacht aan neef Willem, de grootvader van Jos Heemskerk. Grootvader wordt eigenaar van de boerderij in 1941. Jos Heemskerk heeft de boerderij acht jaar geleden van zijn vader Wim, oorspronkelijk veehouder, gekocht die het beslist in familiehanden wil houden. Jos zowel als vader Wim zijn er geboren en getogen, en ook de kinderen van Jos en zijn vrouw Petra zullen er hun jeugd doorbrengen: Wij gaan hier nooit meer weg en ik hoop dat een van onze kinderen hier later zal blijven wonen.’ De boerderij die dertig meter lang is, heeft in de loop der eeuwen aan velen onderdak geboden. Begin 1900 is het ook de gewoonte dat het personeel inwoont op de stal- of voorzolder. Na de Tweede Wereldoorlog wordt er veel aan de boerderij verbouwd om onderdak te bieden aan verschillende gezinnen. Maar de buitenkant blijft grotendeels intact. Hoewel de kenner bouwsporen kan vinden van veranderingen die gevolgen hadden voor de buitenkant. De voorgevel staat gericht naar de Heereweg, met links de opkamer met T-venster en daaronder gelegen het kelderraam met diefijzers en luik. Het middelste raam was ooit een deur met bovenlicht gezien de bouwsporen achter de luiken. Deze deur zou toegang hebben gegeven tot de kaaskamer. Het rechter venster was oorspronkelijk kleiner. Het metselwerk van de tuitgevel is in kruisverband gemetseld. De linkerzijgevel heeft twee vensters in de opkamer, waarvan het linker venster in de jaren 1938-1940 is toegevoegd. Verschillende verticale bouwnaden laten zien dat er ook in de jaren daarna regelmatig is verbouwd of uitgebreid.

Bewoonbaar

Als Jos Heemskerk de woning van zijn vader koopt is er ook voor hem werk aan de winkel om het huis naar de eisen van deze tijd bewoonbaar te maken. Zo zijn ondermeer alle elektriciteitsleidingen vervangen. De buitenkant houdt hij zoveel mogelijk in tact: ‘Binnen hebben mijn vrouw en ik wel verbouwd, om er een bewoonbaar huis van te maken. Binnen waaide het nog harder dan buiten.’ Hij wijst op de glas in lood bovenramen: ‘Hef glas in lood zit er nog, maar we hebben er wel dubbelglas achter geplaatst’. Hij loopt door de huidige woonkamer: ‘Vroeger was dit gedeelte de zondagse kamer, daar mocht je doordeweeks echt niet komen. Hier halverwege stond een steunmuur, de zondagse kamer was eigenlijk maar klein’. De steunmuur is met behulp van een aannemer verwij­derd: ‘Daar zag ik zelf geen kans toe, er moest in het plafond een stalen ‘balk worden gemaakt. De rest hebben we allemaal zelf gedaan’. Een half jaar lang zijn hij en zijn vrouw elke avond en elk weekend bezig met de verbouwing, die ondermeer resulteert in een grotere leefruimte met open keuken. Hij wijst op een zijraam: ‘Dit raam is niet oorspronkelijk. Hier was vroeger een kamertje, waar mijn grootmoeder nog een tijd heeft gewoond. Wij hebben er een keuken aangelegd. Het parket heb ik ook zelf gelegd’. Hij stampt op de vloer: ‘Je kunt horen waar de zondagse kamer was, daar ligt een houten vloer onder, de rest is beton.1 Een aantal deuren verdween, of moest worden vervangen: ‘De deur van de wc is nog een authentieke deur, ik heb hem natuurlijk wel geverfd, maar je kunt wel zien dat hij erg oud is, deze deur gaat er dan ook nooit uit. Vroeger gaf hij toegang tot de drankkast, nu dus naar het toilet’.

Rieten zadeldak

De boerderij heeft een rieten zadeldak, aan de zuidkant is het dak bedekt met Oestgeester dakpannen: ‘Vroeger stond hier namelijk een enorme boom, die is begin 1900 omgewaaid. Om een huis met een rieten dak mogen nooit bomen staan, dat is heel slecht voor het riet, riet moet zon hebben. Naast de boerderij staat het zogeheten zomerhuis ook met een tuitgevel, waarvan de voorgevel in de oorlogsjaren is vernieuwd. Jos Heemskerk: ‘Ik weet eigenlijk niet waarom het een zomerhuis wordt genoemd. Wij verhuren het nu aan jong stelletje’. Daarnaast staat een koeienstal, ook hoogbejaard, momenteel in gebruik als hobbyruimte. Jos Heemskerk boert niet, hoewel er wel een paardje staat in een stal van recentere datum en een flink kippenhok. De leilinden voor de boerderij zijn Jos Heemskerk heilig, zoals hij zelf zegt: ‘Ik denk dat ze rond 1750 zijn geplant. Een paar jaar terug maakte ik mij zorgen over een van die bomen, ik heb er Van der Kaaden (hoofd plantsoenendienst gemeente Lisse. red.) bijgehaald. Ik ben hovenier van mijn vak, maar ik weet ook niet alles. Gelukkig viel het mee. De fruitbomen zijn door mijn grootvader geplant, in 1928, vooral moesappelen’.Heemskerk is bijzonder gesteld op zijn boerderij. In zijn woon­kamer vallen twee schilderijtjes van Mustert op, boerderij Heemskerk vanuit twee verschillende gezichtshoeken geschil­derd. Het terrein voor de boerderij heeft hij aangelegd in de stijl van een Engelse formele tuin. Een volkomen symmetrische tuin, met lage ‘heggetjes’, grindpaden en een fontein in het midden: ‘Dat is mijn vak. Maar ook mijn hobby. Ik vind deze echt bij de boerderij passen. En hij is het hele jaar mooi’. Hij troont trots foto’s van de tuin in de sneeuw en volop in bloei: ‘Ik geniet enorm van mijn boerderij en de tuin.’

 

Legpenning VOL voor Heereweg 304

De erepenning 2002 was voor de eigenaren van Heereweg 304

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Tijdens de Jaarvergadering 2002 is wederom door de Bouwkundige Commissie van de Vereniging Oud Lisse de traditionele legpenning uitgereikt als beloning voor het fraai restaureren van een beeldbepalend pand in Lisse. De prijs ging dit jaar naar Arno en Sandra Jurgens, die het voormalige politiebureau aan de Heereweg 304 ‘perfect hebben gerestaureerd’. Zij hebben er het interieurbedrijf Hestia in onderge­bracht. Frits Treffers,VOL-bestuurs-lid Bouwzaken, die de penning uit­reikte, roemde het feit dat zelfs de politiecel in de oude staat is terugge­bracht.

Het voormalige politiebureau ontving de ereprijs 2002