Berichten

Anton L. Koster - Blauwe hyacinten - Gemeentemuseum Den Haag

Nog een maand naar schilder Koster in museum De Zwarte Tulp

Anton L. Koster nog te zien tot 29 april 2018. Deze wisseltentoonstelling heet officieel ‘Naar de bollen. Anton L. Koster, schilder van bollenvelden’.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

27 maart 2018 

door Nico Groen 

In het Museum De Zwarte Tulp zijn schilderijen over de bloembollenvelden van Anton L. Koster nog te zien tot 29 april 2018. U heeft dus nog een maand de tijd om te genieten van deze expositie. Deze wisseltentoonstelling heet officieel ‘Naar de bollen. Anton L. Koster, schilder van bollenvelden’.

Wie was Anton L. Koster?

Anton L. Koster was een kunstschilder, die in 1858 in Terneuzen werd geboren. Hij is overleden in Haarlem in 1937. Vanaf 1880 volgde Koster de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar Breitner, Verster en Isaac Israëls studiegenoten waren. Hij werd daar gevormd door Mesdag. Daar maakte hij naam door stadstekeningen van het oude Den Haag te maken. Koster woonde na zijn huwelijk in 1890 in Haarlem, later in Heemstede.  Dicht bij het centrum van Haarlem, dat toen nog een stuk kleiner was dan de huidige stad, waren vele bollenvelden. Koster was zeer onder de indruk hiervan Hij was vóór 1890 al kunstschilder, maar vanaf die tijd legde hij zich toe op het schilderen van bloemen van bollen en bollenvelden. Het werd zijn specialiteit. Er zijn meer dan 150 schilderijen over bollenvelden van zijn hand bekend. Ieder voorjaar ging Koster met zijn schildersspullen op pad om schetsen van bloeiende bollen en bollenvelden te maken. Later werkte hij  deze schetsen uit tot grotere schilderijen. Bollenkwekers kochten de werken van Koster als relatiegeschenk voor hun klanten, waardoor de schilderijen en krijttekeningen verspreid raakten over de gehele wereld, van Rusland tot de Verenigde Staten.

Anton L. Koster - Blauwe hyacinten - Gemeentemuseum Den Haag

Foto: Museum De Zwarte Tulp is te vinden op ’t Vierkant in Lisse met als adres Heereweg 219.

TENTOONSTELLING ‘BOLLENSCHUREN, ICONEN VAN DE BOLLENSSTREEK’

De ontwikkelingen in techniek en logistiek in het bollenvak zijn bepalend geweest voor de architectuur van bollenschuren. Het boek “De Bollenstreek, Landschap & Erfgoed van de Bloembollencultuur” is uitgebracht. 

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

27 december 2016

door Nico Groen 

In museum De Zwarte Tulp in Lisse is de tentoonstelling: ‘Bollenschuren, Iconen van de Bollenstreek’ te te zien. Daarin staan de architectuur, de betekenis voor het landschap en het hergebruik van bollenschuren centraal.
Bollenschuren zijn sinds het eind van de 19de  eeuw gebouwd voor de opslag en verwerking van bloembollen. De ontwikkelingen in techniek en logistiek in het bollenvak zijn bepalend geweest voor de architectuur van bollenschuren.
Dit erfgoed vertelt het verhaal van de bloembollencultuur. Daarom heeft museum De Zwarte Tulp, dat zelf ook gevestigd is in een voormalige bollenschuur, besloten hieraan een wisseltentoonstelling te wijden.
 
Iconen van de Bollenstreek
Bollenschuren zijn zo karakteristiek voor de Bollenstreek dat ze als iconen van het landschap worden beschouwd. Daarom staan steeds meer bollenschuren op de monumentenlijst en krijgen ze ook steeds vaker een nieuwe functie. De tentoonstelling laat ook zien hoe bijzonder het is om in een bollenschuur te wonen en te werken. De  samenwerking tussen het museum en de werkgroep Bollenerfgoed van het CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG) heeft een verrassende tentoonstelling opgeleverd. Er zijn niet alleen foto’s van bollenschuren gebruikt, maar er zijn zelfs twee types bollenschuren in het museum nagebouwd. Daardoor kun je de bollenschuur niet alleen zien, maar ook voelen, horen en zelfs ruiken!

Interieur van bollenschuren
Bollenschuren zijn gebouwd als opslag- en werkruimte voor de bollenkwekers. In de schuur werden de bloembollen gedroogd op houten stellingen. Het grootste deel van de schuur werd daardoor in beslag genomen. Daarnaast was er een werkruimte om de bollen te pellen, te sorteren en te verpakken en tevens een kantoor voor de directie en administratie.
De houten stellingen in de schuren vormen tevens de dragende constructie van de bollenschuur. Soms zijn deze stellingen nog intact, vaak zijn ze al vervangen door een staalconstructie, vooral als de bollenschuur een niet-agrarische bestemming heeft gehad.

Bescherming en herbestemming
De Werkgroep heeft veel onderzoek gedaan naar bollenschuren en geeft advies aan eigenaren en overheden. Door middel van boeken, fietsroutes, lezingen en de jaarlijkse Zwarte Tulp prijs wordt het karakteristieke bollenerfgoed onder de aandacht gebracht.
Zo is onlangs een prachtig lijvig boek “De Bollenstreek, Landschap & Erfgoed van de Bloembollencultuur” uitgebracht door de werkgroep. Het boek laat een samenhang zien tussen de sociale, geografische en economische aspecten van de bloembollencultuur met een belangrijk hoofdstuk over het bollenerfgoed. De focus ligt op herbestemming van bollenschuren, woonhuizen en villa’s. Inmiddels zijn 94 bollenschuren een monument geworden.
 
Te zien tot 19 februari 2017
De tentoonstelling ‘Bollenschuren, Iconen van de Bollenstreek’ is nog te zien tot en met 19 februari 2017. Museum De Zwarte Tulp is gelegen aan ‘t Vierkant, Heereweg 219, 2161 BG in Lisse.
Veel van wat hierboven beschreven staat is ontleend aan de website www:bollenschuren.nl, waar nog veel meer info over bollenschuren is te vinden. Dit is een website van de werkgroep Bollenerfgoed van het CHG Duin- en Bollenstreek. Dit is de overkoepelende organisatie van alle historische verenigingen in de Duin- en Bollenstreek, waaronder de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”.

Huis annex bollenschuur Heereweg 289/Zwanendreef 2A is een rijksmonument. Foto van de homepage van website www:bollenschuren.nl

Heereweg 219 – Museum De Zwarte Tulp

Hier was vroeger de werkplaats van timmerman en molenmaker van de Zaal gevestigd.

Kadaster: D-7117, D-5545 en D-7123. Bouwjaar: 1903.

De huidige tuin

Heereweg 219 – Timmermanswerkplaats, nu museum De Zwarte Tulp

De vroegere tuin

Zo zag het er vroeger vanuit de lucht uit

 

Museum de Zwarte Tulp 25 jaar

Op 31 augustus 1985 werd het Museum de Zwarte Tulp geopend. Alle wetenswaardigheden van de afgelopen 25 jaar worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Dit jaar is het 25 jaar geleden dat Museum de Zwarte Tulp werd opgericht. Of liever gezegd de Stichting Museum voor de Bloembollenstreek werd 25 jaar geleden opgericht. Het idee voor een museum sproot voort uit bezorgdheid. In het Lisse van de tachtiger jaren was heel wat veranderd. Van een agrarisch dorp was Lisse, zeker met de bebouwing van de Poelpolder, deels een forensendorp geworden. Er werd afgebroken en gebouwd. De bevolking van Lisse was al massaal in opstand gekomen tegen de afbraak van het oude gemeentehuis. Hou Heel/Geen Houweel was de kreet die gebruikt werd om dit karakteristieke gebouw voor de toekomst te behouden en in het dorp hingen oproepen met deze kreet. De strijd werd echter verloren met als gevolg de nieuwbouw van het huidige raadhuis.

Deze strijd voor behoud had wel tot gevolg gehad dat een groep mensen elkaar gevonden had. Zij maakten zich zorgen. Want was er al niet veel meer verdwenen in de streek. Het bloembollenvak, de streekbepalende economische activiteit, was aan een totale metamorfose bezig: mechanisering, specialisatie en schaalvergroting. Alle handenarbeid was nu verleden tijd geworden. Alles werd vernieuwd en oude spullen werden in rap tempo weggegooid. Was het niet de hoogste tijd om te zorgen dat er ook aan het nageslacht nog uitgelegd en getoond zou kunnen worden hoe er in deze sector vroeger gewerkt werd?

Uit de beginperiode dateert deze foto met v.l.n.r. Wim Ouwehand, Jan Willem Plug en Henk Bosma (toenmalig burgemeester van Noordwijkerhout), 3 leden van Lionsclub Bollenstreek en rechts de drie oprichters Henk Kasbergen, Ben Ragas, en Joop Zwetloot. De reden van de bijeenkomst laat zich raden: geld! (Coll. Arie in ’t Veld)

De aandacht werd verlegd van “hou heel/geen houweel” naar een actie om objecten te verzamelen uit de bloembollensector met de bedoeling die ten toon te stellen. Zo werd de Stichting Museum voor de Bloembollenstreek opgericht. Het driemanschap dat tekende bij de oprichting bestond uit: Henk Kasbergen, Ben Ragas, en Joop Zwetsloot. Zij gingen voortvarend te werk. Joop Zwetsloot werd voorzitter van de stichting. Met de collectie moest gestart worden. Bij bollenbedrijven stonden op zolders natuurlijk allerhande gereedschappen en machines. Ook andere oude en antieke voorwerpen uit de streek zouden nog wel her en der te vinden zijn. Dus werd de pers ingeschakeld en gingen brieven uit naar kwekers in de regio met de oproep om hun oude spullen niet zo maar weg te doen, maar een schenking aan het museum te overwegen. Intussen moest natuurlijk ook een locatie voor het museum gevonden worden. In het centrum van het dorp Lisse stond het oude bloembollenbedrijf, voorheen timmerfabriek met werkplaats van de Gebroeders v.d. Zaal leeg. Beelen Verpakkingen had nog een poosje in het pand gezeten, maar de leegstand daarna deed het pand geen goed. Het was als een bouwval, rijp om gesloopt te worden. De gemeente Lisse was eigenaar, maar na een verzoek van de Stichting kreeg zij de beschikking over het pand. Natuurlijk moest er wel het een en ander aan het gebouw aangepast worden voordat het geschikt was om bezoekers te ontvangen. Maar de locatie zo midden in het centrum van Lisse was natuurlijk prachtig. Inmiddels werkten enkele enthousiaste mensen aan het opbouwen van een museumcollectie. Een gigantisch moeilijke klus die nooit ophoudt. Een klus ook die keuzes vraagt. De kunst van het bewaren is ook de kunst van het weggooien. Moet je de zoveelste aangeboden truffel aannemen? Moet je een voorwerp dat niet typisch is voor de Bollenstreek aanvaarden? Dit vraagt om een collectieplan en dan nog is het verre van simpel. Maar zo ver was het in 1985 beslist nog niet. Praktisch alles werd nog in dank aanvaard. En men was er blij mee, want tenslotte moest met de voorwerpen die men had het verhaal verteld worden.

Het poortgebouw werd bij het museum getrokken en afsluitbaar gemaakt.

Er was wel wat professionele steun maar het geheel draaide toch op de inzet van vele vrijwilligers. Zo was het in 1985 en zo is het anno 2010 nog steeds. Er is in die 25 jaar natuurlijk veel veranderd, maar nog steeds zijn het de vrijwilligers die het museum draaiende houden. Een ander steeds terugkerend fenomeen is het geld. In 1985 werd er flink gelobbyd om pecunia en ook daar is nooit een einde aan gekomen. Op 31 augustus 1985 gingen de poorten van het Museum open. De vrijwilligers waren er klaar voor om het publiek te ontvangen. Er waren cursussen gevolgd. Mevr. Simone Heikens werd secretaris van de stichting. Zij bleef dit lange tijd en nam gelijk met Joop Zwetsloot afscheid van het museum in 2005. Het museum had toen al een hele geschiedenis opgebouwd. Ook veel andere vrijwilligers blijven heel lang trouw hun activiteiten verrichten. Dat mensen zo’n lange tijd aan het museum verbonden zijn als vrijwilliger zegt ook iets over de sfeer. Je bouwt samen iets op en uit de reacties van het publiek ervaar je dat het enthousiasme overkomt. In de eerste jaren was er een vaste expositie die de ontwikkeling tot de Bollenstreek weergaf en het handwerk in de bloembollensector toonde aan de hand van gereedschappen en schuuronderdelen. Het was nog enigszins zoeken naar de juiste opzet. In het begin waren de openingstijden nogal ruim. In het seizoen was men ook in de ochtenden open. In 1988 was er een eerste wisselexpositie over bloemenpostzegels. Vanaf dat jaar worden er ieder jaar een of meerdere wisseltentoonstellingen ingericht. In 1991 werd het museum anders ingericht. De eerste ruimte die de bezoekers betreden werd aangewezen als ruimte voor de wisselexposities. In het jaar daarna volgde een zeer fraaie expositie die de tulp centraal stelde. In de daaropvolgende jaren stonden andere bolgewassen als hyacint, narcis, zomerbloeiers, centraal. Prachtige posters van exposities sierden en sieren in het dorp de winkelruiten. Het museum heeft veel goodwill onder de bevolking. Bij de tentoonstellingen werd dikwijls een boekje uitgegeven, boekjes die een schat van in formatie bevatten. Die boekjes worden verkocht in het museumwinkeltje wat ook steeds fraaier is geworden en waar ook nog een keur van andere artikelen gekocht kan worden die iets met bolbloemen te maken hebben. In 1995 werd het museum verbouwd en werd meer ruimte gecreëerd voor de expositie. Helaas ontstond in de nieuwjaarsnacht 1995/1996 brand in het poortgebouw van het museum. Het poortgebouw was toen nog een open poort. Het museum zelf had rookschade maar bleef gelukkig gespaard. Er moest echter weer gebouwd worden. Het poortgebouw werd bij het museum getrokken. Van de nood werd een deugd gemaakt en men greep de gelegenheid aan om te vernieuwen. In mei 1997 vond de heropening plaats, compleet met nieuwe naam Museum de Zwarte Tulp en met een nieuw logo. Waarom werd de naam “de Zwarte Tulp” gekozen? Aan de zwarte tulp zijn altijd mystieke elementen toegedicht. Ze maakt nieuwsgierig, ze prikkelt. Het bezoek aan het museum wordt ook nieuwsgierig gemaakt en kan op zoek naar de mysteries die achter die mooie bolbloemen schuilen. Het kweken van een zwarte tulp is een obsessie voor kwekers. Sinds de introductie in Nederland proberen bloembollenkwekers speciale variëteiten te ontwikkelen. Eén van de doelen was om een echte zwarte tulp te kweken, maar ondanks alle inspanningen is het product geen echt zwarte tulp. De kleur blijft steeds donker paars of heel donker bruin. De Zwarte Tulp is ook de titel van een boek van Alexandre Dumas. In dit boek looft het tuinbouwkundig genootschap van Haarlem in 1672 een prijs uit van 100.000 gulden voor de eerste zwarte tulp. Het lukt een rijke tuinliefhebber om een zwarte tulp te kweken, maar door list en bedrog verliest hij zijn kansen. Onze vaderlandse geschiedenis speelt ook nog een rol want de kweker is familie van de gebroeders De Witt, die in den Haag gelyncht worden. Hij belandt zelfs in gevangenis Loevestein, wordt daar verliefd op de dochter van de cipier en dank zij haar loopt het toch nog goed af. Dit boek is meermalen verfilmd en heeft zo ook bijgedragen aan het mysterie dat rond de zwarte tulp hangt. De zwarte tulp was ook een inspiratie voor de schilderkunst. Het museum kreeg een litho en een ets van een zwarte tulp en stelt die ten toon. Want ook het bedrijfsleven draagt het museum een goed hart toe. Voor dit doel is het Gilde van de Zwarte Tulp opgericht wat bestaat uit een groep bedrijven/instellingen uit de Bloembollenstreek die jaarlijks een belangrijke bijdrage leveren voor het museum. Naast het Gilde is er nog een belangrijke groep die het museum steunt zodat de financiële eindjes aan elkaar geknoopt kunnen worden. Dat zijn de Vrienden van Museum de Zwarte Tulp. Op de keukenhof wordt heel vaak de vraag gesteld: “waar staat de zwarte tulp”. Publicitair gezien dus een slimme zet om die naam voor het museum te kiezen. Over keukenhof gesproken: al sinds jaar en dag is het museum present in de Keukenhof. Er is sprake van een wisselwerking. Voor het museum wordt naamsbekendheid bereikt en de vrijwilligers van het museum geven informatie over het bloembollengebeuren en over de streek. Maar niet alleen daarover. De plattegrond van de Keukenhof wordt veelvuldig tevoorschijn gehaald omdat bezoekers de weg kwijt zijn en de vraag “ waar zijn de toiletten” is met stip nummer één. In 1998 werd door de vrijwilligers van het museum echt een krachttour geleverd. We vieren dan “Lisse 800”, het feit dat de naam Lis 800 jaar eerder voor het eerst vermeld is. Dit krijgt in het museum ook volop aandacht. Allereerst is er de speciale wisseltentoonstelling “de Heereweg 800 jaar lang”. Weer een hele kluif voor de mensen die de exposities verzorgen. Maar er gebeurt dat jaar nog iets heel speciaals. Alle schoolklassen uit Lisse, van de 4-jarige kleuters tot de bijna brugklassers, komen in het museum op bezoek en krijgen een rondleiding. Om dat te organiseren werden de openingstijden flink aangepast, werden extra rondleiders ingezet en werden vele bezoekjes op momenten gepland waarop het museum normaliter gesloten is. In 2000 vind er een uiterst belangrijke gebeurtenis plaats. Op 11 oktober van dat jaar werd het interieur van de voormalige directiekamers van kalkzandsteenfabriek van Herwaarden overgedragen aan het museum. Directeur L.Mulder, in aanwezigheid van wethouders M.Witteman van Hillegom en J. Schuijt van Lisse, verwoordde dit tegenover museumvoorzitter Joop Zwetsloot. Achter de schermen was hiervoor al veel lobbywerk verricht door leden van de Vrienden van Oud Hillegom. De steenfabriek heette bij de oprichting in 1904 nog kunstzandsteenfabriek “Arnoud”. Het zand voor de fabricage van dit kunstzandsteen werd gewonnen door de Maatschappij tot Exploitatie van Gronden “Veenenburg-Elsbroek”. Zandgronden werden daartoe afgegraven of omgezogen, waardoor gronden ontstonden die voor de bloembollenteelt in cultuur gebracht konden worden. Het interieur van de fabriek die het aanzien van de streek zo compleet heeft doen veranderen past natuurlijk perfect bij het museum. En bij het uitgangspunt dat indertijd voorafging aan de stichting van het museum: hou heel/geen houweel. Bij de overdracht waren de kamers nog in tact en moest nog begonnen worden met het demonteren van betimmeringen en overige interieurdelen. Er was zelfs nog geen bouwplan. Dus alles moest plankje voor plankje uitgenomen worden. En genummerd op zowel de onderdelen als op de tekening. Want zonder die hulpmiddelen zou de puzzel om het later weer op te bouwen niet te klaren zijn. Een groep vrijwilligers heeft dit monnikenwerk verricht en daarna werden alle onderdelen opgeslagen, wachtend op het moment van herrijzenis. Ook hierbij was de geboden menskracht van de Vrienden van Oud Hillegom weer van enorme betekenis.

Door allerlei perikelen duurde het tot 1 oktober 2003 eer met de bouw gestart kon worden. Een semi-permanente bouw werd gerealiseerd achter het pand van der Zaal (Heereweg 225, zie rubriek uitreiking erepenning hiervoor), dat inmiddels eigendom van het museum was. Gekozen werd om de naast het museum gelegen tuin over de gehele breedte te benutten voor de nieuwbouw. Er werd een grote binnenruimte gecreëerd waarin de interieurs van de beide directiekamers precies passen. Eind 2003 is de ruwbouw klaar, en dan begint de enorme klus van het opnieuw opbouwen van de interieurs! Weer door die ploeg enthousiaste vrijwilligers van de Vrienden van Oud Hillegom en van het museum. Op 15 april 2004 werd de nieuwbouw in gebruik genomen. Onvoorstelbaar wat een groep vrijwilligers in zo´n korte tijd presteert. Sinds die tijd wordt er koffie op stand gedronken want wat eens de directiekamer van de steenfabriek was is nu koffiekamer geworden. Hier is ook de bibliotheek van het museum waar eenieder op verzoek de uitgebreide collectie boeken van het museum kan inkijken. Deze collectie is opgeborgen achter de mooie blauwe glazen van de boekenkast uit de fabriek. In 2005 werd het fraaie wandkleed dat door het personeel bij het 50jarig bestaan van de steenfabriek was geschonken na een restauratie opnieuw onthuld. Op het kleed staat Mercurius, god van de handel, die vanuit de duinen kijkt naar de steenfabriek. De fabriek staat tussen de bollenvelden. Een waar stukje cultureel erfgoed van de Bollenstreek. De kamers kregen ook een nieuwe naam: De Comparitie. De naam comparitie is een verwijzing naar de bloembollengeschiedenis. De bollenhandel heeft vanaf eind 16e eeuw een roerige geschiedenis beleefd. In het begin van de 17e eeuw was sprake van windhandel, de “tulpomanie”. Overeenkomsten in de bollenhandel werden dikwijls onder notarieel toezicht gesloten. Een bijeenkomst van floristen, waarin de afspraken voor de bloembollenhandel werden overeengekomen en vastgelegd, werd wel een comparitie genoemd. In 1637 kwam een einde aan de woekerprijzen die in de bloembollenhandel werden behaald en klapten de prijzen in enkele dagen als een kaartenhuis in elkaar. Toch bleef de bloembollenhandel door de eeuwen heen uiterst belangrijk voor Nederland. Het museum werd steeds professioneler. Dat moest ook wel want er was een Nederlands Museumregister ingesteld. Musea die in dit register opgenomen willen worden moeten aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Bijvoorbeeld een eigen collectie met een sluitend registratiesysteem, een behuizing waar de nodige eisen aan gesteld worden zoals een goede klimaatbeheersing, diverse andere kwaliteitseisen. Er kwam een beleidsplan en er moest worden aangetoond dat er voldoende interne deskundigheid was om de museale taken naar behoren te kunnen vervullen. Geen sinecure, want dat betekent dat de vrijwilligers steeds bijgeschoold moeten zijn, dat de collectieregistratie op een bepaalde manier gebeurt en ga zo maar door. Maar het museum doorstaat de toets en mag sinds 1 december 2004 officieel naar buiten treden als ‘gecertificeerd museum’ en daarbij het bijbehorende logo gebruiken. Het fraaie uiterlijk van de comparitie biedt ook mogelijkheden aan het museum om contanten te genereren. De zalen kunnen worden gehuurd. Ook kan er worden getrouwd. Museum de Zwarte Tulp wordt dan huis der gemeente. In de herfst van 2005 vindt de eerste huwelijks-voltrekking plaats. De ontwikkelingen op museaal gebied staan natuurlijk ook niet stil. Uit een erfenis is een prachtige collectie hyacintenglazen (collectie Wyler) ontvangen die in een speciale wisselexpositie getoond wordt en daarna deels permanent in de expositie wordt opgenomen.

In samenwerking met andere cultuurhistorische organisaties worden ook wisselexposities gemaakt. De week van de geschiedenis nodigt soms uit tot zo´n samenwerking. Zo werd in 2006 in samenwerking met de VOL en met de medewerking van de kerken van Lisse de expositie “Geloof en Bijgeloof” ingericht. Ook bij de herdenking van het feit dat de Haarlemmer Trekvaart 350 jaar bestond was er weer een brede opzet die resulteerde in de expositie “blauwe ader van de Bollenstreek”. En hetzelfde gold voor de tentoonstelling “van Wildernisse tot Bollenstreek” die in 2008 plaatsvond.
Het 150 jarig bestaan van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur mocht natuurlijk niet ontbreken in de expositiereeks van het museum en was daarmee het begin van de activiteiten rond het 25jarig bestaan van het museum. In dit feestjaar wordt daarna, in de serie ‘Zonen en dochters van de Bollenstreek’, vervolgd met een expositie rond de in Lisse geboren emeritus-kardinaal Simonis(4 juni t/m 15 aug). Door de vrijwilligers wordt in verschillende groepen gewerkt. De registratie, de inrichting, de winkel, de keukenhof zijn al genoemd. Rondleiders en de mensen die de schoolbezoeken coördineren vormen weer een aparte groep. Het bijzondere van het museum is dat al die mensen bij elkaar, die toch allemaal vrijwilliger zijn, samen een goedlopende organisatie vormen. Waar zich ook weer nieuwe ideeën vormen. Museum de Zwarte Tulp is na 25 jaar nog springlevend. Hoe de toekomst van het museum er uit zal zien? In de pers is er al veel over geschreven. Voorzitter Arie Breure wordt herhaaldelijk geciteerd. Allerlei opties worden bekeken, maar die moeten natuurlijk wel haalbaar zijn. Geld was ook in de afgelopen 25 jaar altijd al een beslissende factor. Het museum kan en zal niet op haar lauweren gaan rusten want stilstand is achteruitgang en deze tijd vraagt weer een andere aanpak, maar biedt ook nieuwe kansen. Zeker op het gebied van informatiemogelijkheden door middel van multimediale museumtechnieken zullen stappen vooruit gezet worden. Het goud van het museum is toch het vrijwilligersteam, samen met de ondersteuning die er voor het museum is onder de inwoners en bij de bedrijven in de Bollenstreek. Dat moet toch een goede basis zijn voor een fleurige toekomst. Komend najaar wordt een feestelijke kroon gezet op het werk wat de afgelopen 25 jaar verricht is. Met een expositie getiteld “Bloemrijk in ‘t zilver” (3 sept. t/m 12 dec). Daarnaast zullen er nog allerlei specifieke evenementen georganiseerd worden ter ere van dit jubileum. Lisse, de Bollenstreek, mag trots zijn op wat er bereikt is. Oud Lisse feliciteert het museum met deze mijlpaal en wenst de Zwarte Tulp een inspirerende, verrassende en vooral bloeiende toekomst toe.

 

De steenfabriek ‘De Arnoud’ in de oorlog

door Hans Smulders

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

TRAGISCHE SPLIJTZWAM IN DE ADELLIJKE FAMILIE VAN HARDENBROEK VAN AMMERSTOL: VOOR ÉN TEGEN DE DUITSE BEZETTERS

Het is opmerkelijk dat in de boeken over de oorlogsjaren ’40-’45 in de dorpen Lisse en Hillegom geen woord gewijd is aan de kalkzandsteenfabriek ‘Arnoud’. Die fabriek produceerde tussen 1940 en 1944 125 miljoen stenen voor de Luftwaffe, die er op de militaire vliegvelden Schiphol, Ypenburg, De Kooy, Venlo, Eindhoven, Twente, Leeuwarden en Loosdrecht scherfmuren mee bouwde, kantines, onderkomens en schuilplaatsen voor Duitse soldaten.

De directeur van de fabriek, Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol (1875), en de commercieel directeur, dr. Hendrik Arend Marcus (1898), werden respectievelijk op 9 oktober 1945 en op 25 januari 1946 gearresteerd en in oktober 1946 berecht door het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam. Ze werden veroordeeld wegens hulp aan de vijand in oorlogstijd, Van Hardenbroek tot een jaar met aftrek en Marcus tot twee en een half jaar met aftrek. Dat de oorlogsboeken hierover niets melden is des te merkwaardiger omdat in de fabriek zowel Hillegommers als Lissenaren werkten en het – als je oudere bewoners mag geloven – algemeen bekend was dat de fabriek in hoofdzaak voor de Duitsers produceerde en dat de directeur sterk pro-Duits was.

Hillegomse fabriek
Herman van Amsterdam die het boek ‘Een bollendorp bezet’ (over Lisse in ’40-’45) schreef, meldt alleen een actie van de ondergrondse die op een nacht acht vaten met smeerolie, die op het terrein van de kalkzandsteenfabriek onder een hoop zand waren verborgen, heeft weggehaald. Van Amsterdam denkt dat het oorlogsverleden van de fabriek niet in zijn boek wordt genoemd te wijten is aan het feit dat de fabriek in Hillegom stond.
Ook in het boek van de Hillegomse bakkerszoon Frans Out ‘Hillegom ’40-’45’ komt het ‘foute’ aspect van de fabriek niet aan de orde. Frans Out is inmiddels overleden, maar Marca Bultink die hem indertijd hielp met schrijven, weet ook de reden niet. Ze veronderstelt dat er in het archief van de gemeente niets over te vinden was en ze wijst er op dat Van Hardenbroek weliswaar in Hillegom werkte, maar in Haarlem woonde, in ‘Uyt den Bosch’ aan de Spanjaardslaan, een reusachtig woonhuis dat hij in 1914 had laten bouwen. Daar werd hij gearresteerd en hij werd vastgezet in de Ripperda-kazerne in Haarlem. In het boek van Out worden enkele aanvallen van geallieerde vliegtuigen vermeld, een op een tram die op 16 september 1944 over de Leidsestraat in Hillegom reed in de buurt van de steenfabriek, waarbij een man dodelijk werd getroffen. En een op dinsdag 3 april 1945 op een vrachtwagen die ook over de Leidsestraat reed, waarbij drie mensen om het leven kwamen, onder anderen Sikke Willem Naber, de bedrijfsleider van de steenfabriek.

Honderdjarig bestaan
In de afgelopen maanden is het gebrek aan informatie over de oorlogstijd enigszins opgevuld door Jaap Kroon uit Lisse, die van 1933 tot 1945 op het kantoor van de fabriek werkte, en door Arie den Hoed uit Lisse, die in zijn jeugd bij de fabriek heeft gewoond omdat zijn vader er werkte.
Arie den Hoed schreef voor het blad ‘Hangkouserieën’ van de Stichting Vrienden van Oud Hillegom een tweedelig verhaal over de geschiedenis van de fabriek in verband met het honderdjarig bestaan in augustus van dit jaar. Het eerste deel verscheen in het juli-nummer en het tweede deel, waarin het oorlogsverleden van Van Hardenbroek wordt behandeld, wordt gepubliceerd in het nummer van oktober. Daarin meldt Den Hoed afstandelijk de feiten zoals hij ze aantrof in het uitgebreide strafdossier, dat hij samen met Jaap Kroon in het Rijksarchief in Den Haag heeft ingezien en bestudeerd.
Hij tekent wel aan dat Van Hardenbroek nimmer lid is geweest van de NSB en ook: ‘Ir. Gijsbert van Hardenbroek (de oudste zoon) was nu alleen directeur, maar dat werd door het Beheersinstituut niet als een bezwaar geoordeeld, gezien de relatie tussen vader en zoon. Hiermede werd het publieke geheim aan de fabriek, dat het niet boterde tussen vader en zoon, toch bevestigd.’

Pietje en Jonkie
Jaap Kroon schreef eind 2000 een klein boekje, bestemd voor de eigen familiekring, in een oplage van ongeveer vijftig stuks, getiteld ‘Arnoud, de baron en de fabriek’. Dankzij de bekende streek-historicus Fons Hulkenberg kwam een exemplaar terecht in het gemeente-archief van Lisse. Jaap Kroon werkte vanaf 1933 als jongste bediende op de administratie van de fabriek. Hij zat op het kantoor vlakbij juffrouw Corrie Slinger, de typiste. Van Hardenbroek noemde juffrouw Slinger Pietje en Jaap Kroon Jonkie. Het moge duidelijk zijn dat het jonkie in al die jaren wel het een en ander zag en hoorde. Hij doet dan ook een behoorlijk boekje open over de verhouding tussen Arnoud Hendrik en zijn zoon Gijsbert naar aanleiding van de arrestatie van Van Hardenbroek bijna een half jaar na de bevrijding. Ik citeer het daaraan gewijde hoofdstukje:

Het bittere einde

Maar toen gebeurden er vreemde dingen. Er werd een inval gedaan in het kantoor door de P.0.D., de instantie die na de bevrijding de oorlogsmisdadigers oppakte. Tegen het eind van de bezetting had Markus uit voorzorg al wat materiaal opgeruimd, wat belastend zou kunnen zijn voor de directie of waaruit al te veel medewerking met de Duitsers zou blijken. Uit de kopieboeken waren ettelijke brieven gescheurd met uitlatingen van Van Hardenbroek, die verre van vleiend waren voor de Nederlandse regering of voor de Engelsen. Die bladen waren opgeborgen achter een luik, waar nooit een sterveling ze zou zoeken. Maar de heren van de opsporingsdienst liepen er regelrecht naartoe. Bleken niet alleen op de hoogte te zijn van de betreffende boeken, maar zelfs van de nummers van de uitgescheurde bladen. Het kon niet anders of er was verraad in het spel geweest en wel van iemand uit eigen kring, die al die brieven gelezen had. Het lag voor de hand, dat daarbij aan mij werd gedacht, want waarom was ik zo snel vertrokken? Op een dag stopte er dan ook een auto voor onze deur met een van de vertegenwoordigers, die een verzoek van Van Hardenbroek overbracht of ik nog een keer op het kantoor wilde komen. Onbewust van wat mij boven het hoofd hing, ging ik mee. Werd zelfs vriendelijk ontvangen en ik, die ruim 12 jaar bij dat enorme bureau van de grote baas gestaan had als mijn diensten nodig waren, mocht deze keer zitten. Er werd mij verteld wat er gebeurd was. “Jaap, jij kunt het gedaan hebben, want jij kende elke brief, die de deur uitging.” Bij deze woorden werd ik scherp opgenomen, maar er volgde al gauw: “Nee, toch verdenk ik je niet. Mijn vraag is, wil jij me zeggen wie het dan wel gedaan heeft?” Ik stond perplex, moest even nadenken en gaf als antwoord: “Meneer, ik zeg het liever niet en ik hoop dat u mij dat niet kwalijk neemt.” Hij had er begrip voor en na een lange poos van zwijgen barstte hij los: “Ik zal het je zeggen” en wijzend naar de ingenieurskamer, waar zijn intussen vertrokken zoon vroeger zat: “Hij daar!” Hoe bitter moet deze uitspraak voor hem als vader geweest zijn. Toen hij wat bedaard was, informeerde hij naar mijn nieuwe omstandigheden en drukte me vriendelijk de hand ten afscheid. Dat was mijn laatste contact met hem.

Voor uitleg van dit verhaal moet ik terug in de geschiedenis. Uit zijn eerste huwelijk had Van Hardenbroek een zoon die Gijs heette en voor ingenieur gestudeerd had. Hij was nogal doof en door die handicap en mogelijk ook door zijn zwakke karakter had hij er in de praktijk nog niet veel van terechtgebracht. Dat zal er ook wel de oorzaak van zijn geweest, dat vader en zoon elkaar niet lagen. Maar Gijs had een vrouw met meer pit en zij kreeg bij schoonvader gedaan, dat manlief een baan op de fabriek kreeg. Bij de laatste verbouwing van het kantoor was er al een ruime kamer ingericht voor een mogelijk toekomstige kracht met de ingenieurstitel. Zijn bed leek dus gespreid. Maar al gauw kwam uit dat het een fiasco zou worden. Willem Naber, de fabriekschef, toch al een man die niemand naast zich duldde, liet hem links liggen. Ook van zijn vader kreeg hij geen medewerking, zodat er voor hem geen schijn van kans was om zich te bewijzen. Hij sjouwde veel door de fabriek, maar had in feite niets te doen. En als hij al eens een idee had werd het door zijn vader afgekraakt. Het gebeurde, onder de middag, als het overige personeel naar huis was, dat ik gesprekken tussen die twee moest aanhoren, waarbij de zoon zo volledig gekleineerd werd, dat je de tranen in je ogen zou krijgen. En Gijs liet dat alles over zich komen. Wel kwam hij trouw het kopieboek bij me halen, om zich op de hoogte te houden van de gevoerde correspondentie. Op zich een begrijpelijke handeling, die geen enkele argwaan wekte. Toch gebeurde het in de laatste tijd van de oorlog, dat als ik het bewuste boek weer nodig had en het bij hem ging halen, dat hij een lichte schrik niet kon verbergen. Ik zocht er niets achter, weet het aan zijn doofheid, waardoor hij niet hoorde dat je er aankwam. Eerst achteraf werd me alles duidelijk. Hij was door z’n vader zodanig vernederd, dat hij zon op wraak. Alles wat maar enigszins belastend was had hij genoteerd, tot de nummers van de bladen aan toe. Zelfs het feit dat de uitgescheurde pagina’s op een geheime plaats waren weggestopt, had hij doorgegeven. En het werkte!

Neemt zoon wraak?
Het is zonneklaar: zoon Gijsbert wordt er in het boekje van Jaap Kroon van beschuldigd uit wraak zijn vader te hebben aangegeven bij de Politieke Opsporings Dienst P.O.D. Zijn vader wordt gearresteerd en berecht en overlijdt een jaar later, 72 jaren oud. Een dramatisch einde van een lid van een oud adellijk geslacht. Hieraan is natuurlijk wel het een en ander voorafgegaan.
Baron Arnoud, wiens vader burgemeester was van Leusden en Stoutenberg, trouwde in januari 1899 met Cecilia Leembruggen (1877). De schatrijke familie Leembruggen bewoonde het buiten Veenenburg op de grens van Lisse en Hillegom. Nog in hetzelfde jaar werd hij mede-eigenaar van Veenenburg, omdat Cecilia’s vader kwam te overlijden.
Samen met de buren van het buiten Elsbroek werd een ‘Maatschappij tot exploitatie van gronden Veenenburg-Elsbroek’opgericht. Het bedrijf groef op de uitgestrekte eigen landerijen zand af voor de aanleg van dijken, wegen, spoorbanen, ophoging van bouwterreinen en dergelijke. (Daardoor kwam geestgrond vrij die uitstekend geschikt bleek voor de teelt van bollen.)
Van Hardenbroek slaagde er terzelfder tijd in de hand te leggen op een nieuw Duits procédé voor de vervaardiging van kunstzandsteen. Hij richtte dan ook de n.v. Kunstzandsteenfabriek ‘Arnoud’ op en trok uit adellijke kringen investeerders aan. Het moest welhaast een profijtelijk bedrijf worden, omdat immers de grondstof op de eigen landerijen voor het opscheppen lag.
Inmiddels was Van Hardenbroek vader geworden van Maria (1901) en van Gijsbert (1903). Maar in de loop der volgende jaren groeiden de ouders uit elkaar. Van Hardenbroek liet een groot en prachtig woonhuis bouwen in Heemstede, Uyt den Bosch (nu in Haarlem) en ging daar in 1914 met zijn gezin wonen. Het buiten Veenenburg werd afgebroken. Nauwelijks een jaar later, in januari 1915, scheidde hij (bij arrest van de Hoge Raad der Nederlanden) van zijn vrouw Cecilia en in hetzelfde jaar trouwde hij met haar zus Cornelia (1882). Uit dat huwelijk kreeg hij drie kinderen: Alfer (1916), Mechteld (1918) en Aleid Ingeborg(1921), die Inge als roepnaam had.

Tweespalt in de familie
De scheiding van zijn eerste vrouw, waarbij Gijsbert voor zijn moeder koos, én de oorlog met Duitsland, waarbij een deel van de familie sterk pro-Duits was en een ander deel van de familie fanatiek anti-Duits, veroorzaakten een dramatische en tragische breuk in de familie die nooit meer geheeld zou worden.

Hierover laat ik een kleinzoon van Van Hardenbroek aan het woord, Gerrit Arnoud (1940), roepnaam Geert. Zijn vader was Gijsbert, die eind 1935 trouwde met Sophia Stolte en van haar drie zoons en drie dochters kreeg. Geert is de tweede zoon en de enige die nog in Nederland woont; zijn broers en zussen zijn geëmigreerd. Hij zegt: ‘Bij de scheiding koos mijn vader, een jongetje van elf jaar, voor honderd procent de kant van zijn moeder en dat heeft hij geweten, want zijn vader draaide de geldkraan dicht en droeg geen cent bij aan zijn opvoeding en studie. Dat kwam de verhouding tussen vader en zoon natuurlijk niet ten goede. Bovendien overleed zijn moeder al in 1927, vijftig jaar oud. Niettemin beëindigde hij zijn studie voor ingenieur met succes. Hij ging met plezier werken bij een internationaal georiënteerd aannemingsbedrijf in Ierland.’

Twee vergissingen
‘Hierna,’ zegt Geert van Hardenbroek, ‘heeft mijn vader zich – denk ik – een paar keer vergist. Na lang aandringen van zijn vader heeft mijn vader zijn baan opgezegd en is bij zijn vader op de steenfabriek gaan werken. Al spoedig bleek dat hij en zijn vader te ver uit elkaar gegroeid waren. Samenwerken was niet mogelijk. Hij verliet dus de fabriek en vond een goede baan bij Rijkswaterstaat in Zwolle. Helaas maakte hij toen voor de tweede maal een vergissing: hij ging – nadat zijn vader hem opnieuw nadrukkelijk had verzocht weer op de fabriek te komen werken – wederom bij zijn vader aan de slag. Dat was aan het einde van 1940. Waarom weer? Het zou kunnen dat er aan de kant van grootvader een zekere mate van wroeging was ontstaan jegens zijn oudste zoon en dat er van de kant van Gijsbert de wens bestond op betere voet te komen met zijn vader. We weten het niet, maar dit zijn logische gissingen. Feit is dat het samenwerken met zijn vader opnieuw mislukte, maar Gijsbert kon in verband met de oorlog niet meer weg.’ Al in de eerste oorlogsjaren bleek bovendien dat er in de familie Van Hardenbroek grote tweespalt heerste ten aanzien van de Duitsers. Van Hardenbroek stond samen met zijn zoon Alfer (‘zijn oogappel’) fel aan de kant van de Duitsers en was ronduit anti-Brits, maar zijn zoon Gijsbert en zijn dochters Mechteld en Inge waren fel anti-Duits. Mechteld – zo staat te lezen in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van dr. L. de Jong – ‘was een jeugdige relatie van Wil Sandberg’, die conservator van de Amsterdamse musea was. Samen met Gerrit van der Veen, Willem Arondeus en Johan Brouwer bereidde hij een overval voor op het Amsterdamse bevolkingsregister om de joden te beschermen tegen deportatie. De groep had de beschikking over springstof uit een oude legervoorraad, maar freule Mechteld Cornelia van Hardenbroek van Ammerstol zorgde, aldus De Jong, voor een tweede hoeveelheid, afkomstig uit de buurt van Gorinchem. Beide meisjes studeerden in Utrecht. Ook dochter Inge zat daar in het verzet. Zij had een tekentalent en werd ingezet bij het vervalsen van paspoorten en andere documenten. Bij een inval van de Duitsers op hun verzetsadres in Utrecht werd zij in 1944 gearresteerd en later bij een vluchtpoging zwaar gewond. Zij overleed op 23 februari 1945 in het concentratiekamp Ravensbrück. Haar zus Mechteld slaagde er bij die overval in via een raam te ontkomen. Ook Alfer,de oogapppel van Van Hardenbroek, de eerstgeborene uit zijn tweede huwelijk, stierf in de oorlog. Hij kwam om bij een bombardement in Berlijn op 9 april 1945.
Geert van Hardenbroek zegt: ‘Je hebt er weinig fantasie voor nodig om te begrijpen dat er een splijtzwam in de familie was en hoe tragisch de gebeurtenissen waren. Maar dat mijn vader na de bevrijding zijn vader bij de P.O.D. zou hebben aangegeven is belachelijk.’
‘Ik heb er na uw telefoontje over gesproken met mijn broers en ook die zijn van mening dat het onzin is. Er waren destijds wel derden die belangstelling hadden voor ‘De Arnoud’ en deze graag voor een prikkie hadden willen overnemen. Wellicht heeft de aangever zich in die kringen bevonden. Strikt genomen moet dat nog na te trekken zijn. Mijn vader heeft me ooit verteld dat mijn grootvader, zijn vader dus, in de gevangenis in Haarlem indertijd heel naar behandeld werd. Hij is daar tegen opgetreden en heeft er een stokje voor gestoken.’ (Het voorarrest werd omgezet in huisarrest.)

Tragische einde
Geert van Hardenbroek: ‘Voor de familie eindigde het drama ook nog financieel in een tragedie. Grootvader heeft namelijk een week voor zijn dood zijn aandelen in de steenfabriek verkocht. Bovendien had hij zijn zoon Gijsbert onterfd. Dat had tot gevolg dat mijn vader, die na de arrestatie van mijn grootvader en van commercieel directeur Marcus, de leiding van de Arnoud had en druk doende was de productie weer op gang te brengen, er eigenlijk niets meer te zoeken had. Hij heeft toen gelukkig weer een goede baan gevonden bij een groot ingenieursbureau. Vele jaren later is hij teruggekeerd op zijn oude stek: bij de Rijkswaterstaat te Zwolle.’
Later bleek dat de aandelen via een tussenpersoon in handen waren gekomen van J. van Herwaarden. Die was een tijdje vertegenwoordiger geweest van de steenfabriek De Arnoud , maar was weggegaan en had in 1924 zelf een steenfabriek in Katwijk opgericht.
Dat er tussen Van Herwaarden en Van Hardenbroek animositeit bestond moge blijken uit het feit dat directeur Marcus in de hongerwinter, voorzien van een Duits vorderingsbevel naar de steenfabriek in Katwijk ging, zich daar met behulp van de Katwijkse politie toegang verschafte en er een hoeveelheid kolen in beslag nam. Een feit dat hem tijdens de rechtszitting voor het Bijzonder Gerechtshof in het bijzonder kwalijk werd genomen, zo staat in het vonnis.

Directiekamers een probleem?
De vraag is nu: Wat vindt Geert van Hardenbroek van het feit dat de directiekamers waarin zijn grootvader en zijn vader hebben gewerkt, nu opnieuw zijn opgebouwd in het museum de Zwarte Tulp in Lisse? Vindt hij dat een probleem omdat de oude Van Hardenbroek fout was in de oorlog?
Zijn antwoord is helder: ‘Als de directiekamers van de steenfabriek beschouwd worden als een fraai voorbeeld van binnenhuisarchitectuur in de Mechelse stijl uit het begin van de twintigste eeuw, dan kan ik daar best mee leven. De gedachte dat daar ook het portret van mijn grootvader in de vorm van het schilderij van H. Lugt uit 1929 zou worden opgehangen, leek me aanvankelijk niet erg “fijntjes”. Is dat niet teveel eer voor een man die fout was in de oorlog? Maar na overleg met mijn broers ben ik met hen minder afwijzend en genuanceerder. Grootvader was immers de oprichter van de fabriek en daarom hing zijn geschilderd portret in de directiekamer. Het is dan ook vanuit dat perspectief dat het zeer wel past om het schilderij in het museum in de directiekamer op te hangen. Dit staat los van zijn houding tijdens de oorlog. Als dat een zwaarwegend argument zou zijn, zouden de directiekamers in hun geheel niet in het museum moeten worden opgenomen.’

Bronnen:
* Een Bollendorp bezet door Herman van Amsterdam * Hillegom ’40-’45 door Frans Out
* Hangkouserieën juli en oktober 2004 ‘Van Arnoud tot Silka’ door Arie den Hoed
* Gemeente-archief Lisse: Arnoud, de baron en de fabriek door Jaap Kroon
* Vonnis van 30 oktober 1946 van het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam over Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol en Hendrik Arend Marcus
* Nederlands Adelsboek 1995
* Interviews met Arie den Hoed, Jaap Kroon, Geert van Hardenbroek en anderen.

Steenfabriek Arnoud  vóór de sloop van de woningen aan de voorkant vanuit de lucht