Berichten

GEMEENTERAADSNOTULEN (7). DE ´VERPLAATSING´ VAN HET GEMEENTEHUIS, 1848

Sinds lange tijd fungeerde de Witte Zwaan als Rechthuis. Door een ruzie tussen burgemeester van Rosse en logementhouder Rotteveel in 1848 kwam in de gemeenteraad aan de orde of het Rechthuis verplaats zou moeten worden.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad  Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Inleiding
In een vorig deel uit de serie politierapporten vernamen we al dat de burgemeester van Lisse, J.C. van Rosse, en de logementhouder van de Witte Zwaan, J.P. Rotteveel, niet zo goed met elkaar door één deur konden. Zo was de burgemeester op een kwade dag met twee personen op weg naar het station, dat in die tijd ver buiten het dorp was gelegen, nabij de buitenplaats Veenenburg, aan het einde van de Zwartelaan (zo genoemd vanwege het vele aanwezige geboomte aldaar). De burgemeester was met ze meegegaan om ze de weg te wijzen. Plotseling hoorden ze achter zich een luid rumoer: de logementhouder van de Witte Zwaan bracht per koets een paar aangeschoten gasten naar het station. Even later waren ze in conflict met de burgemeester, die ze bij de kraag vatten en overlaadden met gevloek en getier. En de logementhouder stond erbij en keek ernaar. Dat zette kwaad bloed bij de burgervader, maar ook bij het Gemeentebestuur.
Ook in dit deel zal de wanverhouding tussen de burgemeester en J.P. Rotteveel een belangrijke rol spelen. Dus blijft u aandachtig lezen.

Een ‘vreemde en onhebbelijke’ houding
De situatie werd er niet beter op. De ‘vreemde en onhebbelijke’ houding van Rotteveel tegenover burgemeester en assessoren was aanleiding voor nog een tweetal voorvallen, waarbij de logementhouder zich niet ontzag ‘zich tegen hem (de burgemeester) en het bestuur in tegenwoordigheid van anderen beleedigend uittelaten’.

Er moet een besluit genomen worden
Sinds zeer lange tijd fungeerde de Witte Zwaan als ‘rechthuis’, ofwel in hedendaagse termen als gemeentehuis. Er werd dus met regelmaat vergaderd en recht gesproken. Zolang de verhouding tussen de kastelein en dorpsbestuurders goed te noemen was, was er natuurlijk geen vuiltje aan de lucht. In 1848 waren er echter inmiddels al een paar aanvaringen geweest en de burgemeester begon zich nu af te vragen of niet naar een andere locatie moest worden uitgezien waar men kon vergaderen en recht spreken. Hij besloot het in te brengen bij de Gemeenteraadsvergadering van 26 september 1848. Het zag er naar uit dat er een belangrijk besluit genomen moest worden.

Het Oude Raadhuis komt in beeld
Het voorstel van burgemeester J.C. van Rosse aan de gemeenteraad luidde om “bij provisie”, dus voorlopig, het zogenaamde Oude Raadhuis te gebruiken als gemeentehuis. Het Oude Raadhuis bevond zich aan het Vierkant ter plaatse van de latere Algemene Bank Nederland, dus waar nu Oud Raadwijk in aanbouw is. Het was sedert 1765 van het Baljuwschap van Noordwijkerhout, Voorhout, Hillegom en Lisse. Baljuw en welgeboren mannen vergaderden hier en er was ook een gevangenis. Mogelijk was het vanwege de vergaderingen van genoemde raad van de baljuw en welgeboren mannen dat men het gebouw later Het Oude Raadhuis is gaan noemen. In ieder geval fungeerde het vóór 1848 zeker niet als gemeentehuis, wat de naam wél doet vermoeden. In 1848 was er echter allang geen baljuw meer. We lezen dan ook dat “reeds sedert bijna eene halve eeuw” de gemeente belast was met het onderhoud van het bewuste gebouw aan het Vierkant. Ook wist men niet beter of de gemeente Lisse trad als eigenaar op. Toch besloot men in de gemeenteraadsvergadering van 27 oktober 1848 om “af te wachten wat door gemelde ambachten of gemeenten wegens mede eigendom mogt gepretendeerd worden”, maar er kwamen geen reacties binnen.

Hoe zal de logementhouder reageren…?
Inmiddels had men het “afkondigingskastje” waaraan huwelijksafkondigingen e.d. op aangeplakt werden, overgebracht van De Witte Zwaan naar Het Oude Raadhuis. Ook was men overgegaan tot aankoop van meubilair “en het verder laten repareren en in orde brengen” van het gebouw. Verder ging men niet. Men was namelijk benieuwd hoe de logementhouder, J.P. Rotteveel, zou reageren! Een beetje kat en muis spel spelen dus. Aangezien het logement De Witte Zwaan altijd al als raadhuis had gefungeerd, verwachtte men dat de logementhouder een genoegdoening zou eisen voor de inkomsten die hij nu mis zou gaan lopen. Maar het bleef akelig stil aan deze zijde van het Vierkant. Rotteveel gaf geen kik! Hij vond het kennelijk best dat de gemeenteraad, waarmee hij immers slecht door één deur kon, nu elders vergaderde.
Reden temeer dus om verder te gaan op de ingeslagen weg. Er moest nog veel gebeuren aan het nieuwe Oude Raadhuis voordat het in gebruik kon worden genomen, waaronder “het aanbrengen van licht in de benedenvertrekken”, de reeds aanwezige tafel “appropriëren” (verbeteren/herstellen) – want in deze zorgelijke tijd was men zéér zuinig! (zie ook het kader) – en het aanbrengen van “eene balie”.

Conclusie
Zo was er dus in 1848 een einde gemaakt aan een lange traditie, waarbij De Witte Zwaan fungeerde als rechthuis. En dat alleen, omdat logementhouder en gemeentebestuur niet met elkaar konden samenwerken. Het gebouw met de opvallend voorspellende naam Het Oude Raadhuis ging nu fungeren als gemeentehuis. Dat is zo gebleven tot in het jaar 1905, toen er een nieuw raadhuis in gebruik werd genomen. Dit werd te klein, zodat, ondanks hevige protesten (“hou heel, geen houweel!”), het gebouw begin jaren tachtig werd gesloopt. Er kwam een nieuw gebouw, wat in 1983 in gebruik werd genomen: het huidige gemeentehuis. Veel Lissers zullen zich wellicht het oude raadhuis uit 1905 nog wel herinneren. Dat zal anders zijn met de voorganger aan het Vierkant, waarvan de lezer de geschiedenis nu vernomen heeft.

“Oude en nietswaardige archieven”
In de vergadering van de gemeenteraad van 26 september 1848 waarbij de burgemeester de raad voorstelde om maar elders te gaan vergaderen, kwam ook nog een ander punt ter sprake. Het ging om de archieven van de gemeente. Men had deze nog maar pas weggehaald uit het leegstaande huis Dever, want het gebouw stond zo langzamerhand op instorten. Met toestemming van de baron Heereman van Zuydtwijck werden deze papieren naar het logement De Witte Zwaan overgebracht. (Dit was namelijk nog juist voordat men van gemeentewege besloot hier niet meer samen te komen). Maar hoe moesten deze documenten nu opgeborgen worden? De aldaar aanwezige kast bood namelijk niet genoeg ruimte. Men wilde geen excessieve kosten maken. Dat kon in deze schrale tijd niet! Aanvankelijk vatte men het plan op om van de restanten van wat ooit verschillende kasten waren geweest in de Kapelzaal van het Huis Dever een nieuwe kast te maken. Zuinigheid troef! Maar voordat men dat plan kon uitvoeren waren de planken al weggehaald… Op genoemde datum van 26 september bracht de burgervader ter tafel “eene tekening van eene archieve kast door den Timmerman AvdZaal gemaakt, met de daartoe betrekkelijke opgave van kosten”. Die kosten bedroegen de somma van 65 gulden. Dit vond de raad een veel te hoog bedrag! Dan moest er maar besloten worden “tot opruiming van oude en nietswaardige (!!!) archieven, des noods bij verkoop”. Wel ja! En indien er dan nóg geen ruimte was, nou ja, dan moest er maar een kast gekocht worden. Maar dan wel “eene zoodanige oude kast”! Anders kon men net zo goed de plaatselijke timmerman Van der Zaal inschakelen.

Het leegstaande Huis Dever, ca. 1845. Steendruk naar een tekening van P.J. Lutgers in Gezigten in de omstreken van ‘s-Gravenhage en Leijden (1855). A.M. Hulkenberg, ’t Huys Dever (Alphen aan den Rijn 1981), p. 51.

 

De Witte Zwaan gezien vanuit het zuiden. Voor de fraaie serre staan nog bomen, alsook een houten fietsenrek met het opschrift ‘M. Bruynen, Lisse’. De ansicht dateert van ca. 1905. Coll. schrijver.

 

De Witte Zwaan gezien vanuit het noorden, ca. 1900-1905. Ook hier valt het vele geboomte in het oog. Aan de laatste boom langs de weg in het midden van de ansicht is een bordje aangebracht met waarschijnlijk de tekst: ‘INRIJ voor RIJWIELEN’. Daaronder hangt een vaandel van – waarschijnlijk – de ANWB met als tekst: Vereeniging voor auto’s.

 

Eén van de weinige ansichten waarop Het Oude Raadhuis goed in beeld is gebracht. Het betreft het tweede huis van rechts. Zo te zien was de omvang van het pand niet echt bijzonder te noemen. Dat was dan ook de reden waarom het gemeentebestuur nog in hetzelfde jaar waarin deze foto vermoedelijk genomen is – het jaar 1905 – een ander, iets ruimer, gebouw betrok, naast de Hervormde Kerk. Ansicht uit coll. auteur.

 

Het voormalige Oude Raadhuis werd gesloopt in 1921. Ter plaatse verrees de Algemene Bank Nederland, op deze ansicht het tweede pand van rechts. Geheel links zien we het huis van Petrus Coenraad van Vrijberghe de Coningh, vóór die tijd bewoond door Dr. Van Dieren. Ansicht uit coll. auteur.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse inv.nr. 513 (notulen van de gemeenteraad) en 552 (notulen van het College van B en W).
Website van de Vereniging Oud Lisse, www.oudlisse.nl, “Ordehandhaving en brandbestrijding in de achttiende eeuw, deel 2”, door Maarten van Bourgondiën. Hierin informatie over het Oude Raadhuis.

 

GEMEENTERAADSNOTULEN (6). NOGMAALS OVER DE ZWERVER JUDE J. LANDMAN, ca. 1850

In de notulen van het gemeentebestuur van Lisse komt Landman, geboren in 1790, regelmatig aan de orde. De armenwet komt aan de orde. Landman werd verpleegd in Arnhem . De kosten zouden daarom voor de gemeente Lisse zijn. Zij maakte echter bezwaar. Echter zonder resultaat.

Door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 10 nummer 4, oktober 2011

Inleiding
IIn de notulen van het gemeentebestuur van rond 1850 valt nogal vaak de naam Landman. Het gaat om Jude Jacob Landman (1790-?). Een oude bekende, want in de politierapporten van 1847 kwamen we hem ook al eens tegen. Geen wonder, want hij zou zijn echtgenote hebben vermoord middels verdrinking in de Gracht. Daarna zou hij naar Leiden zijn vertrokken, waarna niemand meer iets van hem vernam.

Hij duikt weer op.
Totdat hij in 1849 weer opduikt in Arnhem! Het armbestuur aldaar had hem gedurende enige tijd onder haar hoede gehad en nu vroegen ze aan het gemeentebestuur van Lisse of die voor de kosten konden opdraaien voor gedane verpleging, het verstrekken van een hemd, etc.

De Armenwet van 1818
Maar hoe kon het zo zijn dat een zwerver die in een ander deel van het land verbleef, toch ‘onderstand’ kon genieten van, in dit geval, het Burgerlijk Armbestuur of de Heilige Geestarmen van Lisse? Dat had alles te maken met de Armenwet van 1818. Deze bepaalde namelijk dat de geboorteplaats van de betreffende behoeftige ook de plaats was die verantwoordelijk was voor de alimentatie. Ongeacht dus waar hij/zij zich bevond op dat moment! Zo kon het dus gebeuren dat het armbestuur van een bepaalde plaats gedurende het hele leven van zo’n zwerver verantwoordelijk was voor zijn/haar onderhoud. Dat kostte de gemeenschap dus heel wat geld. Bovendien was manipulatie van de kant van de armlastige mogelijk! Hij/zij kon bijvoorbeeld als geboorteplaats een stad of dorp opgeven die over een goed gevulde armenkas beschikte.
Vandaar ook dat Landman diverse verkeerde woonplaatsen had opgegeven. Uiteindelijk had hij nu dus maar voor Lisse gekozen. Maar zo rijk waren de instellingen van liefdadigheid niet in ons dorp.

Zwervers zijn er in Lisse e.o. altijd geweest. Wat te denken bijvoorbeeld van Josie en Dulcinea? Deze ansicht uit ca. 1905 brengt hen in beeld. Coll. auteur.

Amsterdam
De burgervader had helemaal niet zoveel zin om de armenkas prijs te geven aan de willekeur van een zwerver, die nog had gelogen ook! Vandaar dat hij bij andere gemeenten waar Landman zich had opgehouden, te rade ging. Van Rosse (de burgemeester) ontdekte dat Landman ooit in Amsterdam had gewoond. Hij was er zelfs in 1790 geboren! Het was dus wel duidelijk dat Amsterdam voor de kosten moest opdraaien. Maar het Burgerlijk Armbestuur van Amsterdam was in deze net zo min over de brug te halen als Lisse. Ze schreven dan ook een brief terug (een ‘missieve’) aan Van Rosse met de mededeling dat ze niet zeker wisten of Landman inderdaad wel in 1790 in Amsterdam was geboren! Het lijkt haast iets weg te hebben van een slecht bedachte smoes. Landman was echter een lidmaat van de Joodse Gemeente, waardoor hij bijgevolg ook niet voorkwam in de doopregisters van Protestantse of Rooms-katholieke gezindte. Hield de Joodse Gemeente de dopen zelf bij? Nee, nog sterker: er werd in het geheel niet gedoopt bij de Joden! Dit zal de reden zijn geweest dat de Amsterdamse magistraten niet met zekerheid konden vaststellen dat hij aldaar in 1790 het levenslicht had gezien. De bal werd dus weer teruggespeeld naar Lisse.

Signalement voor J.J. Landman, in alimentatie bij het Nederlands Israëlitisch Armbestuur te Arnhem, 1849. GA Lisse

Bemoeienis van de Provincie
Inmiddels was Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zich met de zaak gaan bemoeien. Die moesten nu dus een uitspraak doen welke plaats gold als het zogenaamde ‘domicilie van onderstand’ voor J.J. Landman. De burgemeester voelde de bui al hangen. Er was namelijk nog een ander artikel van de Armenwet dat voorschreef dat indien een armlastige meer dan vijf jaar in een bepaalde gemeente had verbleven, deze de alimentatieplicht moest overnemen van diens geboorteplaats! En dat was het geval met Lisse! Van Rosse schreef dan ook een uitvoerige brief naar de Commissaris des Konings in Zuid-Holland met de mededeling dat een willekeurige zwerver toch niet zomaar de armenkas kon gaan exploiteren van een gemeente die toch al ieder dubbeltje om moest draaien! Het plaatselijke armbestuur, zo schreef de burgemeester, was evenwel bereid om Landman toch te onderhouden in eten, drinken etc als er maar een duidelijk ‘einde’ berekend kon worden in deze zaak. In dat geval viel erover te praten. Tussen de regels door lezen we dat men toch stiekem hoopte dat Landman niet lang meer te leven zou hebben, vanwege zijn leeftijd (zo’n 60 jaar).

Landman blijft rondzwerven, 1849-1851
Inmiddels had Landman de stad Arnhem alweer verlaten en was gaan rondzwerven in de provincie Gelderland. Het gemeentebestuur van Arnhem verspreidde daarop een signalement (zie afb. 1).

Laatste berichten over Landman
Het laatste wat we lezen over Landman werd besproken tijdens een vergadering van burgemeester en wethouders van 17 januari 1851. We lezen het volgende:
‘Nopens (betreffende) het in de vorige vergadering behandelde betrekkelijk Jude Jacob Landman, wordt gelezen een extract uit het verbaal van het verhandelde bij Gedep. Staten van 3 January jl., waaruit blijkt dat dat College van gevoelen is dat het Israëlitisch Bestuur te Leiden niet als armlastig kan worden aangesproken’.
Waarschijnlijk had het Lissese gemeentebestuur dus nog een laatste poging aangewend om de alimentatieplicht voor Landman te ontlopen, door het Israëlitisch Armbestuur te Leiden aan te merken als het lichaam dat hierin moest voorzien. Landman was immers van Joodse afkomst. En inderdaad, zoals we al eerder vernamen, was hij in 1847 vertrokken naar Leiden. Hij had daar echter maar een paar jaar verbleven, want in 1849 komen we hem weer tegen in Arnhem. En een bepaalde gemeente kon slechts de alimentatieplicht overnemen, wanneer de betreffende behoeftige daar meer dan vijf jaar had verbleven.

Conclusie
Dit is tevens het laatste dat we over onze veelbesproken zwerver in de Lissese archieven tegen komen. Hoe de zaak toch nog tot een einde is gekomen, is onduidelijk. Is Landman inderdaad al vrij spoedig overleden? We weten het niet. Wel bepaalde de nieuwe Armenwet van 1854 dat armenzorg voornamelijk een kwestie was voor de diaconieën in een bepaalde gemeente. Voortaan zou het Burgerlijk Armbestuur (een overheidsinstelling) pas worden ingeschakeld als de diaconieën in gebreke bleven. Op deze manier kon dus de gemeentelijke armenkas gespaard blijven. En inderdaad was dit ook de bedoeling geweest in de kwestie Landman vóórdat deze wet tot stand kwam.
Het lijkt haast ongelooflijk dat het gemeentebestuur van Lisse zich in alle mogelijke bochten wrong, teneinde de alimentatieplicht voor Landman te ontlopen. Overal klopte ze aan (onder meer in Amsterdam), maar zonder resultaat. Op een gegeven ogenblik hoopten ze zelfs dat Landman, vanwege zijn ouderdom, niet lang meer te leven zou hebben. Het was echter een bijzonder schrale tijd, hetgeen kan verklaren waarom het Burgerlijk Armbestuur maar heel krap bij kas was.
Kennelijk werd er ook misbruik gemaakt van de armenkas. Soms wist men toch de mazen in de wetgeving te vinden. Bijvoorbeeld door verkeerde geboorteplaatsen op te geven. Maar is dat niet van alle tijden?

GEMEENTERAADSNOTULEN (5). DE LISSESE SPOORWEGKWESTIE

De reeks gemeenteraadsnotulen in de 19e eeuw gaat het nu over de spoorwegkwestie. Eigenaar van Veenenburg, de heer Leembruggen was in 1842 tegen het doortrekken van de spoorlijn richting Leiden. Hij ging akkoord, mits er een station bij het landgoed zou komen. Daar kwam dus een station, maar niet bij de Delfweg. Na veel discussies werd In 1896 het station Veenenburg gesloten en de Delfweg geopend.

Door R.J.Pex

INHOUD Jaargang 10 nummer 1, januari 2011

Inleiding
In de reeks notulen bespreken we diverse kwesties die zich in het Lisse van de negentiende eeuw afspeelden. Eén daarvan is de Lissese spoorwegkwestie. Wat was de aanleiding en hoe heeft het gemeentebestuur in deze gehandeld?
Problemen met de heer Leembruggen, 1842
Nadat in 1839 de eerste trein was gaan rijden, vatte de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij al gauw het plan op om naar Rotterdam eveneens een spoorwegverbinding aan te leggen. In Lisse zou deze over een drietal landgoederen gaan lopen, te weten van noord naar zuid Veenenburg, Keukenhof en Wassergeest. Met de eigenaren van Wassergeest en Keukenhof viel over de verkoop van de benodigde percelen wel te praten. Anders was dat met de heer Leembruggen, eigenaar van het buiten Veenenburg. Hij wilde best meewerken, maar dan moest daar een tegenprestatie tegenover staan. Dat hield in dat de trein regelmatig stopte op zijn eigen landgoed, waar de HIJSM dan een station moest onderhouden. Die eis hield de Spoorwegmaatschappij voor onredelijk.

De buitenplaats Veenenburg op een ansicht uit circa 1900-1910. Coll. R.J. Pex.

Het station Veenenburg, 1842
Bij het aanleggen van het spoor moest echter een brug aangelegd worden over de Hillegommerbeek, waarvoor men de toestemming nodig had van niemand minder dan…de heer Leembruggen! En natuurlijk kwam deze onmiddelijk weer op de proppen met de reeds eerder gestelde voorwaarden: er moest een halteplaats komen op het landgoed Veenenburg. En zo geschiedde…

Geen stations te Halfweg en Lisse
De trein stopte één keer per dag op het station Veenenburg. Men zag er vanaf om op zo’n korte afstand nog een ander station op te richten op Lissese en/of Hillegomse bodem. Dat had echter als gevolg dat inwoners van Lisse die van de diensten van de trein gebruik wilden maken eerst van het dorp naar de Zwartelaan moesten lopen en vandaar naar het station Veenenburg. Een mooie wandeling in die tijd, dat wel. Maar het deed afbreuk aan het algemeen belang van de Lissese ingezetenen; slechts de heer Leembruggen profiteerde van de nieuwe situatie.

Het verzoekschrift van de gemeente Lisse
Een tijdlang legde de besturen van Hillegom en Lisse zich neer bij dit ‘fait accompli’, maar niet voor lang. In de notulen van de Gemeenteraad van 29 oktober 1850 lezen we dat de gemeente Hillegom een verzoekschrift had ingediend ‘ter bekoming van een station aan de Hillegommerbeek’. Het gemeentebestuur van Lisse besloot in deze zaak niet achter te blijven en besloot eveneens een ‘adres’ aan de Minister van Binnenlandse Zaken te richten. In de betreffende brief legt de burgemeester nogmaals het algemeen belang uit van een halteplaats ter hoogte van Lisse in de buurtschap Halfweg. Afschriften van de brief werden gezonden naar de Gouverneur van Zuid-Holland en de directie van de HIJSM met de vraag om het genoemde verzoek aan de Minister kracht bij te zetten.
In de brief aan de HIJSM wordt onder meer ook vermeld dat de burgemeester overleg heeft gevoerd met de eigenares van Keukenhof, mevrouw Cecilia Maria barones Steengracht. Zij is genegen de benodigde gronden voor de bouw van een station bij Halfweg in gebruik af te staan.
Maar dan komt op 5 december het antwoord binnen. Het is verpletterend. Mede namens de HIJSM wordt medegedeeld dat men aan het verzoek van de besturen wil tegemoet komen, mits deze ook de kosten van vergoeding aan de eigenaar van Veenenburg, te weten een bedrag van f 5000,–, alsmede de kosten van verplaatsing van het station, op zich willen nemen. Er volgt onderling overleg tussen de betrokken gemeentebesturen. Men vindt het voorstel onbestaanbaar en men besluit nogmaals op deze zaak bij de minister aan te dringen, aangezien men de kwestie van voldoende belang acht.

Het verzoek van de brievengaarder
De Lissese brievengaarder gooide er nog een schepje bovenop. Deze fungeerde rond 1850 als een soort postbode: hij bracht de brieven en andere post van Lisse naar het station (Veenenburg) en vice versa. Gezien de grote afstand tussen dorp en station vond de betreffende brievengaarder het onredelijk dat hij wat salaris betreft werd achtergesteld met naburige gemeenten. Het gevolg is dat hij een brief opstelt met verzoek tot gelijkstelling en deze overhandigt aan de burgemeester. Deze stuurt de brief op zijn beurt door, maar maakt van de gelegenheid gebruik om deze te doen vergezellen van zijn eigen commentaar (gedagtekend 28 december 1850).
Het eerste punt wat hij aanvoert is dat de wegen in de winter moeilijk begaanbaar zijn en dat indien de brievengaarder ook nog eens een relatief grote afstand moet afleggen om bij het station te geraken en zo ook weer terug naar Lisse ‘de moed zal laten zinken’.
In het laatste punt maakt burgemeester Van Rosse opmerkzaam dat de gemeentebesturen van Lisse, Hillegom en Noordwijkerhout verzoekschriften hadden gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken met het verzoek om het station Veenenburg op te heffen en in plaats daarvan stations op te richten in het Lissese Halfweg en bij de Hillegommerbeek in Hillegom. ‘Door deze maatregel zoude de afstand voor den Brievengaarder zoo wel te Hillegom als te Lisse op althans de helft minder worden gesteld’, zo beëindigd Van Rosse zijn begeleidende brief. De uitkomst met betrekking tot dit laatste punt hebben we in het voorgaande reeds vernomen en dat impliceerde dat er niets veranderde…

Het einde van de spoorwegkwestie, 1896
Nog jarenlang bleef het station Veenenburg in functie, totdat de HIJSM van het station af wilde. Het kwam aan op een proces met de familie Leembruggen, die aanspraak bleef maken op de oorspronkelijke overeenkomst van 1842. Laatstgenoemden werden in 1895 in het gelijk gesteld.
Maar de Spoorwegmaatschappij gaf zich niet gewonnen. Ze kwam met het slimme plan om te Hillegom en Halfweg hulpstations te bouwen. Op deze manier zou de trein op een traject van elf kilometer zes maal halt moeten houden. De Minister van Waterstaat, die de dienstregelingen moest goedkeuren, verleende hiervoor niet zijn accoord en veranderde mede op advies van de directie van de HIJSM het ontwerp. Dat hield in dat het station Veenenburg kwam te vervallen. De familie Leembruggen kwam in actie en sleepte de Spoorwegmaatschappij voor de rechtbank. Deze beriep zich echter op de Staat. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam aanvaardde het beroep op overmacht van de Maatschappij en veroordeelde de eiser in de kosten. Zo kwamen er in Hillegom en Halfweg nieuwe stations.

Naschrift
De politiek is en blijft echter een uiterst veranderlijk fenomeen. Zo werd in augustus 1896 een openbare vergadering gehouden van het Lissese gemeentebestuur. Er was hun medegedeeld dat het station Veenenburg zou worden opgeheven en in plaats daarvan te Hillegom en Lisse nieuwe halteplaatsen zouden komen. Men zou verwachten dat deze nieuwe situatie hartelijk bij het gemeentebestuur zou worden verwelkomd. Maar niets is minder waar. De vergadering nam een motie aan, waarin men zijn ongenoegen te kennen gaf. De opheffing van station Veenenburg zou een ramp wezen voor de gemeente Lisse, die daardoor in haar handelsverkeer gevoelig werd getroffen. Er werd dus een commissie in het leven geroepen die met betrekking tot dit punt in onderhandeling moest gaan treden met de betrokken autoriteiten. Het haalde echter niets uit en zo geschiedde het dat op 1 oktober 1896 de treinen geen halt meer hielden op station Veenenburg, maar – voor het eerst in 54 jaar – doorreden. En dat was tevens het einde van een langslepende kwestie.

Dienstregeling van de Hollandsche IJzeren Spoorweg, 1846. Uit: Hulkenberg (1989), p. 82.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse inv.nrs. 513, 655.
‘De Lissese spoorwegkwestie’, in: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), pp. 77-83.
A.M. Hulkenberg, ‘Keukenhof’, Hollandse Studiën 7 (Dordrecht 1975), pp. 157-159.

 

GEMEENTERAADSNOTULEN VAN LISSE(4). MONUMENTENBELEID IN LISSE IN 1851

Jan Guldemond is geboren in 1827. Hij kocht in 1851 het huis op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat, waar nu Tibboel woont. Hij wilde dit huis slopen, maar kreeg geen toestemming van de gemeenteraad. Volgens een reglement van Provincie mochten gebouwen binnen de bebouwde kom niet worden gesloopt.Door R.J. Pex

door Rob Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 3, juli 2010

Inleiding
In dit verhaal wordt de rol van hoofdpersoon vertolkt door Jan Jacob Guldemond. Hij zag in 1827 in Sassenheim het levenslicht, als zoon van de ‘bloemist’ (bloembollenkweker) Jan Guldemond en Maria de Bruin. Ook zoonlief voelde wat voor de nog prille bloembollencultuur en trad in de voetsporen van zijn vader. Op zijn drieëntwinigste jaar (dus in 1840) trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Jacoba van Ingen. Een aantal jaren later vinden we Jan terug in haar geboortedorp, waar hij in de beginmaanden van 1851 ‘een huis met erve’ aankocht van Sara Maria Bedloo, weduwe van Gerardus A. Entinck. En daar begint eigenlijk ons ‘verhaal’

Kapelstraat met links het huis van Tibboel

Het ‘rekest’ aan de gemeenteraad
Het huis dat Guldemond in 1851 aankocht blijkt identiek te zijn met het huidige pand van Tibboel, op de hoek van de Kapelstraat en de Grachtweg. De Gemeenteraad was de mening toegedaan dat het huis ‘het sieraad van de Gracht of haven’ was. Maar Guldemond had daar geen of weinig oren naar. Nog in hetzelfde jaar schreef hij een brief (zonder datum en handtekening) aan de Raad, waarin hij meldde dat het door hem aangekochte huis ‘tot zijn leedwezen’ in slechte staat verkeerde en dus ‘zware reparatien behoeft’, ofwel (in huidige termen) aan een restauratie onderworpen moest worden. Het daaraan belendende koetshuis en paardenstal verkeerden echter ‘in den besten staat’. Guldemond stelde dan ook voor om het oude huis aan de Gracht af te breken en de paardenstal annex koetshuis te doen verbouwen tot herenhuis.

We lezen verder in de notulen van de Gemeenteraad van 11 maart 1851: ‘De voorzitter (burgemeester J.C. van Rosse) verklaart de zaak in het belang der gemeente van voldoende gewigt te achten om, alvorens die ter competente beslissing van Burgemeester en Assessoren (het huidige College van B&W) te brengen, vooraf het gevoelen der raad daarover te hooren’. Enige souplesse was burgemeester Van Rosse niet vreemd, want ondanks dat het rekest van Guldemond ‘noch datum, noch handtekening draagt’ stelde hij voor om maar verder te gaan, aangezien ‘dit gebrek alleen maar aanleiding tot oponthoud zou kunnen geven’. Anno 2010 ligt dat wel heel anders in gemeenteland!

Tegenstand in de Gemeenteraad
Inmiddels vroegen diverse leden van de Gemeenteraad zich openlijk af, waarom Guldemond niet eerder bekend was met de gebreken aan het pand op het moment dat hij het aankocht. Daarnaast was het de vraag of de paardenstal en het koetshuis wel geschikt waren ‘om hetzelve in Heeren Huizing te veranderen’. Het belangrijkste argument dat een aantal Gemeenteraadsleden te berde bracht, was evenwel dat, in tegenspraak tot wat Guldemond beweerde, het muurwerk van het te slopen pand ‘in den besten en stevigsten staat’ verkeerde!

Het reglement
Bovendien was in 1843 door de Provincie Zuid-Holland een reglement uitgevaardigd op het slopen van gebouwen die zich bevonden binnen de provinciegrenzen. We lezen daarin dat men vrij was om die gebouwen die buiten de bebouwde kom van een dorp of stad lagen, af te breken. Daarbinnen was het echter verboden. Dat was slecht nieuws voor Guldemond, want de bebouwing aan de Gracht ‘volgde in onafgebroken rei (rij) aan de overige gedeelten van het dorp’ en lag dus duidelijk binnen de bebouwde kom! Dit gold echter alleen voor die huizen waarvan de muren ‘verheeld’ waren met de muren van belendende panden. Anders kon aan deze huizen immers schade ontstaan in geval van sloop. En wat bleek nu? De muren van het huis dat Guldemond in 1851 had aangekocht waren niet verheeld met de naastgelegen panden. En dus kon er naar hartelust gesloopt worden! Aldus Guldemond, die nu dacht een goed punt naar voren te hebben gebracht.

De Raad heeft moeite met het reglement
De Gemeenteraad had daar echter wat problemen mee, want dit kon gemakkelijk inhouden dat men ‘op enkele uitzonderingen na het geheele dorp zoude kunnen sloopen’. Vervolgens werd toch een beroep gedaan op een aantal meer esthetische argumenten, die erg veel weg hebben van huidige discussies omtrent monumentenbeleid. Zo lezen we dat de gevraagde vergunning ‘een belangrijk deel der gemeente zoude ontsieren en in geenen deele te verhelpen of te vergoeden valt met het op de tekening voorgestelde hek of rasterwerk’. In plaats van het monumentale pand zou dus een eenvoudig hek worden aangebracht. Ontsiering van het dorp, zo vond dus menig raadslid in die tijd.

Guldemond krijgt geen toestemming
Een ander punt dat naar voren werd gebracht, was de heersende armoede, waardoor veel gezinnen huis en haard verlieten om elders zijn geluk te beproeven. Het gevolg was dat er steeds meer huizen leeg kwamen te staan en dit kon in de nabije toekomst tot gevolg hebben dat er veel sloop binnen het dorp zou plaatsvinden. Ook de drooglegging van het Haarlemmermeer, waar men in 1851 nog druk mee bezig was, kon als gevolg hebben dat er arme gezinnen naar de nieuwe polder zouden verhuizen teneinde daar een iets welvarender bestaan op te bouwen. De gemeenteraad wilde zoveel mogelijk van het oude dorp handhaven en stond wat dat betreft dus niet op het standpunt om al te gemakkelijk tot sloop over te gaan. Men kan het al raden: Guldemond kreeg dus geen toestemming het uit 1754 daterende pand aan de Gracht af te breken. Een gevolg van een stukje vooruitstrevend monumentenbeleid in die tijd!

Naschrift
Waarschijnlijk heeft Guldemond uiteindelijk genoegen genomen met een aantal aanpassingen aan dit klaarblijkelijk voor vele Lissenaren geliefde pand. In hetzelfde jaar waarin hij het huis aankocht (1851) werd namelijk een zoon, Jan Jacob jr., in huisnummer 153 geboren en dat was het huis op de hoek van de Grachtweg en de Kapelstraat. Ook een dochter, Jacoba Maria, wordt op 4 juli 1852 aldaar geboren. Kort daarna blijkt het gezin verhuisd te zijn. Ze trokken in een woning dat eveneens aan de Gracht was gelegen, maar iets meer in de richting van de molen, dus meer richting het oosten.

Conclusie
We zijn getuigen geweest van een staaltje plaatselijk monumentenbeleid in 1851. Een tijd waarin de Rijksdienst voor Monumentenzorg nog opgericht moest worden! Toch was er wel iets van provinciale reglementering. Het hield in dat je alles kon slopen, als het maar geen schade teweeg bracht aan naastgelegen panden. Dat dit voorschrift duidelijk te kort schoot, blijkt wel uit bovengenoemde discussies in de gemeenteraad van die dagen. Het kwam er simpelweg op neer dat nagenoeg alle gebouwen die enigszins in bouwvallige staat verkeerden en binnen de gemeentegrenzen van Lisse lagen, voor sloop in aanmerking kwamen. Het meer esthetische element deed er kennelijk niet toe en dat was eigenlijk gelijk het grote verschil met het Monumentenbeleid anno 2010. De gemeenteraad in die dagen komt in al deze discussies echter bijzonder vooruitstrevend naar voren. Daardoor zijn waarschijnlijk meerdere panden voor sloop behoedt. In ieder geval geldt dat zeer zeker voor ‘het sieraad van de Gracht of haven’: het tegenwoordige pand van Tibboel!

bronnen: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513. Idem, bevolkingsregister 1850-1860.

 

GEMEENTERAADSNOTULEN VAN LISSE (3). DE LISSESE KERMIS (1845-1853)

Diverse wetenswaardigheden uit de notulen van de gemeenteraad worden verteld. Bijvoorbeeld de aanvraag voor een poffertjeskraam door een weduwe, de vraag om de kermis niet te laten doorgaan vanwege de aardappelziekte in 1845, een vraag om afschaffing van de kermis vanuit religieus standpunt, een vraag over een verbod van de kermis vanwege een cholera epidemie in 1849 en 1853.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Inleiding
De kermis is altijd een bron van vermaak geweest voor zowel jong als oud. Dat geldt zeker voor vroeger eeuwen.
In Lisse werd de kermis meestal in de maand oktober gehouden, zodat er dus wat dat betreft wel enig verschil is met de huidige praktijk. Hij duurde vanaf ‘den eersten zondag na St. Bavo’ (St. Bavo viel op 1 oktober) tot de zondag daaropvolgend. Ongeveer een week dus. Aldus de ‘verordening betreffende de kermis en andere openbare vermakelijkheden’ die door de raad werd vastgesteld in 1856. Soms duurde dit evenement (onbedoeld) langer dan de vastgestelde termijn van acht dagen. Dat gaf nog weleens problemen (openbare dronkenschap e.d.). In 1833 maakte Hermanus de Graaf in de gemeenteraadsvergadering daar bezwaar tegen. Hij pleitte er dan ook voor om de gebruikelijke termijn bij toekomstige kermissen strenger te hanteren. De kermis bestond uit tenten of stallen. De tent van een toneeldressuurder was al gauw zo’n 30 voet lang (ongeveer 8,5 meter). Voor het innemen van een plek op de kermis moest toestemming worden gevraagd bij het gemeentebestuur. Deze vroeg daarvoor een bepaald bedrag, het zogenaamde plaatsengeld. De aanvraag werd meestal schriftelijk gedaan.
In het gemeentearchief zijn meerdere brieven bewaard met zulk een verzoek om toestemming/vergunning, vaak in een ietwat onhandig Nederlands geschreven. In 1849 richt een zekere weduwe Van der Plas zich tot de burgemeester met de volgende woorden (punten en komma’s zijn van de schrijver, zie afbeelding ernaast):

Mijn heer burgemeester,

Mij verzoek is of ik bij u op het dorp zout kunne staan met de broedekraam (poffertjeskraam), daar wij nu geslagen (teleurgesteld) zijn dat er geen kermisze zijn. Nu staan wij met de kraam in noorwijk. Daar maggen wij voor (van) de burgemeester een dag of tien bakken. Mijnheer als gij nu zo goede wilde zijn en ons verzoek ook toe te staan, dat wij bij u ook een dag of tien zout maggen bakken. Dit zou ons een groot genoegen zijn voor ons en het volk. Nu, Mijn [heer], houd het in u gedachte en zent ons een maandag of dingsdag een bootschap met de looper. Nu, Mijnheer, ik blijf u in allen achting. De Wed Van der Plas.
Wij staan met de kraam bij de kastelijn krijneburg op de werf te noortwijk’.

Het was kennelijk de bedoeling van de brievenschrijfster om alsnog een kraam op te mogen richten in Lisse, ondanks dat de kermis in dit jaar van gemeentewege werd verboden. Het was niet de eerste keer dat een kermis werd afgelast of voorstellen in die richting werden gedaan.

De aardappelziekte, 1845
In 1845 was er in Zuid-Holland een ernstige aardappelziekte geconstateerd. Hele oogsten mislukten in dat jaar. De provincie had al de nodige middelen beraamd voor de aanstaande nood. Reden waarom de burgemeester, Van Rosse, voorstelde in dat jaar geen kermis te houden, omdat hij de noodsituatie niet kon verenigen met het organiseren van feestelijkheden. In de gemeenteraadsvergadering van 19 september 1845 werd het voorstel besproken, maar verworpen. De kermis zou toch doorgang vinden ‘om den wille der neringdoende in deze gemeente en de Logement en Tapperijhouders’. Aan het economisch belang werd dus in dit geval een grotere waarde gehecht. Als het hele gebeuren maar niet langer zou duren dan de tijd die ervoor stond (ongeveer een week dus) en de kermis ‘daags na den laatsten Zondag door alle kramers geene uitgezonderd zal worden geruimd’.


Een voorstel van de ‘Heeren Geestelijken’ tot afschaffing, 1846
Er was nog geen jaar voorbij of het wel of niet houden van kermis werd opnieuw ter discussie gesteld. Maar dit keer ging het wat verder. In een ‘adres’ van de ‘Heeren Geestelijken alhier aan het Plaatselijk Bestuur ingediend’ betogen deze een volledige afschaffing van de kermis ‘of althans tot uitzondering der Zondagen’. Inderdaad leek de kermis nogal eens averechts te werken op de gebruikelijke normen- en waardenstandaard van de gewone man. Zo was openbare dronkenschap geen uitzondering. Wellicht was het dus allemaal niet zo kwaad bedoeld van kerkelijke zijde, maar de predikant en de pastoor hadden ‘de algemeene geest der Ingezetenen’ helaas tegen. Volgens de raad zouden vele neringdoenden ‘voor een aanmerkelijk deel in hunne broodwinningen (…) worden benadeeld’. Bovendien was het bij een dergelijk verbod te verwachten dat men toch kermis zou houden, maar op afzonderlijke plaatsen en buiten de gemeentegrenzen, zodat direct politietoezicht werd bemoeilijkt. Men besloot dus afwijzend te beschikken op het verzoekschrift van de heren geestelijken.

Cholera, 1849
Bakker Rotteveel (1804-1880) schrijft in zijn memoires dat in augustus 1832 de cholera uitbrak in Lisse. In 1849 was dit wederom het geval. Voor degenen die aan de ziekte mochten komen te lijden waren het jaar ervoor al de benedenvertrekken van het raadhuis op het Vierkant op orde gebracht. In september was de situatie zodanig dat men opnieuw het wel of niet doorgaan van de kermis in de gemeenteraadsvergadering ter sprake bracht. Aangezien inmiddels andere gemeenten hadden besloten dat jaar geen kermis te houden, vormde dit voor de raad een goede reden om voor wat betreft Lisse hetzelfde te besluiten en op die wijze deelneming te betuigen in de ‘treurige omstandigheden van andere gemeenten’. Bovendien zou bij een dergelijk evenement, waar doorgaans veel volk op de been was, de kans op besmetting ook groter zijn. Tevens werd besloten ook andere ‘openbare vermakelijkheden in of buiten Logement of Tapperijen bij dag of bij nacht’ geen doorgang te laten vinden. Vandaar dus dat onze bakkersvrouw aan het begin van dit artikel zo ‘bezwaard’ (teleurgesteld) was en vroeg of de burgemeester niet alsnog genegen was haar toestemming te verlenen een poffertjeskraam op te richten in Lisse.
Het spreekt vanzelf dat het gemeentebestuur alle medewerking verkreeg van de plaatselijke geestelijkheid. Per brief van 21 september werd hiervan dan ook mededeling gedaan aan de burgemeester.

Nogmaals een dreigende cholera-epidemie, 1853
Vier jaar later openbaarde de gevreesde ‘Cholera-ziekte’ zich nogmaals in de nabijheid van Lisse. Een aantal ingezetenen, waaronder Jan Raimond Affourtit, hadden daarop een ‘adres’ gericht aan het gemeentebestuur met het verzoek de kermis niet door te laten gaan. Het had nogal wat onrust veroorzaakt ‘zoo wel bij de neringdoende ingezetenen (…) als bij de vele voorstanders der kermis die vermeenen dat men hunne ontspanning en vermaken niet zoude gunnen’. In de raadsvergadering van 22 september 1853 werd het verzoekschrift ter sprake gebracht, maar buiten behandeling gelaten, vanwege een nogal ambtelijk aandoend excuus, namelijk omdat ‘het adres niet van een zegel voorzien is’. Maar om toch verder oplopende spanning en ontevredenheid te voorkomen, werd besloten de kermis gewoon door te laten gaan. Een verbod op de kermis zou niet alleen velen schaden in hun inkomsten, maar ‘nog meerdere in het nemen van hunne vermaken’, wat grote sociale onrust ten gevolge kon hebben, zoals de ondervinding inmiddels meermalen aangetoond had.

Conclusie
Het is duidelijk dat de gewone man rond het midden van de negentiende eeuw een groot belang hechtte aan een middel tot vermaak als de kermis. Wie hem dat ontnam, kwam in een bijzonder slecht blaadje te staan. Men moet ook goed bedenken dat het dagelijks leven van de gemiddelde dorpsbewoner in die tijd veel te wensen over liet. Een hoge kindersterfte, gebrek en ziekte speelden er een belangrijke rol in. Verder komt uit de stukken ook een duidelijk economisch motief naar voren: de kermis vormde een belangrijke inkomstenbron voor de middenstand.
Zo kon het dan gebeuren dat toen in 1833 eveneens een verbod op het houden van de kermis was afgekondigd door het Lissese gemeentebestuur, de vrouw van de plaatselijke herbergier zeer geïrriteerd raakte tegenover de veldwachter. Meer daarover in een artikel van de hand van Maarten van Bourgondiën in dit zelfde nieuwsblad.

Gebruikte bronnen: Gemeentearchief Lisse inv.nrs. 513, 598.

Pieter Bruegel de Jonge (toegeschr.), Dorpskermis, ca. 1600. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel (detail). www.dbnl.org. Te zien is onder meer dat er zojuist een toneelstuk wordt opgevoerd.

 

GEMEENTERAADSNOTULEN VAN LISSE(2). PROBLEMEN MET DE KLAPWAKER (1845)

Klapwaker Snaar vroeg in februari 1845 aan burgemeester Van Rosse of hij zijn zoon mocht laten klaplopen. Dat mocht niet. Zijn zoon deed het toch. Snaar kreeg een reprimande. In november gebeurde dit nog een keer. Hij werd toen nog niet geschorst, maar moest voor de vergadering verschijnen.

Door R.J. Pex

‘Burgemeester, schaam je wat!’

Inleiding

In Lisse was vanouds een zogenaamde nachtwacht ingesteld, ook wel klapwaker genoemd. In instructies en in zogenaamde keuren werden zijn rechten en plichten nauwkeurig vastgelegd. In een instructie van 1815 lezen we dat hij bij ‘ieder Uur de Klap Twee maal (moest) slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen’. Verder moest hij gedurende de nacht, dat wil zeggen van tien of elf uur ’s avonds tot vier of vijf uur ’s morgens (afhankelijk van de tijd van het jaar), toezicht houden op de eigendommen van de ingezetenen en op de openbare orde en tijdig bepaalde calamiteiten (zoals brand) melden. Ter voorkoming van inbraak e.d. had hij tevens de bevoegdheid om verdachte personen aan te houden. Lieden die midden in de nacht met een ‘Ladder den Dorpe’ in gingen waren bijvoorbeeld verdacht, maar ook mensen die in het nachtelijk uur met ‘Meubilen’ (meubels) e.d. aan de sjouw waren. Hij droeg gedurende zijn ronde dan ook een sabel bij zich of een speer.
De klapwaker deed zijn ronde binnen de toenmalige bebouwde kom, dat wil zeggen van boerderij Welgelegen (bij het voormalige politiebureau) in het zuiden tot het laatste huis in het noorden, richting Hillegom (huisnummer 200 in 1815) en van de korenmolen aan de Gracht tot het laatste woonhuis aan de Halfwegse Steeg, ofwel de huidige Berkhoutlaan.
Er bestond rond 1844 niet erg veel toezicht op het functioneren van de klapwaker. In laatstgenoemd jaar kreeg Lisse echter een nieuwe burgervader, namelijk J.C. van Rosse (1801-1875). Hij vergrootte het toezicht en waarschijnlijk is dat dan ook één van de redenen waarom we in de notulen van het gemeentebestuur in het jaar daarop (1845) zoveel over de nachtwacht tegenkomen.

Eerste ‘correctie’, februari 1845
Op 21 februari had de dienstdoende nachtwacht, een zekere Snaar, aan de burgemeester gevraagd of hij zijn zoon mocht laten waken, maar Van Rosse had daar niet mee ingestemd. De klapwaker moest de volgende nacht gewoon weer op zijn post verschijnen. Omdat de burgemeester het niet vertrouwde ging hij ’s avonds een oogje in het zeil nemen. Het bleek hem dat Snaar ‘zich (…) afwezig had gemaakt en zijn zoon weder zijn wapen had afgegeven’. Gedurende die nacht had Snaar gewerkt bij kastelein Veldhorst in de Witte Zwaan om op die manier nog wat bij te verdienen. Aangezien zijn zoon zijn taak als klapwaker inmiddels waarnam, genoot hij dus op deze wijze extra inkomsten. Van Rosse was mild: Snaar kreeg de volgende dag alleen ‘een duchtige correctie’ en kon toen weer gaan. Hij begreep de behoefte van Snaar om in extra inkomsten te voorzien (blijkbaar was hij armlastig) en vorige ‘besturen’ waren erg slap en toegeeflijk geweest. De klapwaker moest echter beloven ‘dat hij voortaan zoude zorgen van in de vervulling zijner pligten buiten gegronde aanmerkingen te blijven’.

 

Hier genoot de nachtwacht Snaar neveninkomsten door kastelein Veldhorst bij te staan in diens werkzaamheden. Rechts tegen de zijgevel is een bord aangebracht ten behoeve van het aanbrengen van publicaties. Er is juist een wagen vol met mensen gearriveerd. De Zwaan was bij de Leidse studenten erg in trek, maar deze veroorzaakten ook de nodige overlast in het dorp, zoals we uit de notulen van de vergaderingen van B&W van 10 december 1845 vernemen.


Het logement de Zwaan te Lisse’, 1834. Steendruk van L. Springer naar W. van Groenewoud. Regionaal Archief Leiden LPV 77714. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), p. 59

Opnieuw problemen, november 1845
Een hele tijd bleef het goed gaan, doch in de vergadering van de gemeenteraad van 25 november constateert Van Rosse opnieuw onregelmatigheden: ‘De voorzitter deelt mede dat hij eenige dagen geleden alwederom den nachtwacht niet op zijn post heeft gevonden’. ’s Avonds om kwart voor tien was hij hem echter wel in Sassenheim tegengekomen! Hij besloot in het dorp zijn komst af te wachten. En inderdaad: om half elf hoorde hij weer geklepper. De burgemeester ging op het geluid af en trof Snaar aan. Hij wees hem op strenge toon terecht, doch Snaar begon met ‘ontkennen en tegenspreken op schreeuwende toon’. Al dat kwaad gerucht midden in de nacht kon natuurlijk niet en dus pakte de burgemeester Snaar bij de arm met de woorden: “Kom, houdt op met dat liegen en schreeuwen en ga voort met uwe ronde te doen!”. Maar daarop begon hij juist nóg harder te schreeuwen: “Burgemeester, gij moet mij niet slaan!”. Van Rosse trachtte hem ervan te overtuigen dat hij hem niet sloeg, maar hem alleen terecht wilde wijzen. Tenslotte had hij geen enkele andere keuze dan zich te verwijderen. Hij zou hem later wel ‘tot beteren pligt brengen’. Van Rosse liep dus weg, terwijl de klapwaker hem ettelijke malen naschreeuwde: “Burgemeester, schaam je wat!”. Heel wat rumoer dus zo midden in de avond/nacht!

Wat nu te doen?
In de gemeenteraadsvergadering doet de voorzitter (Van Rosse) ‘opmerken dat het schijnt dat den nachtwacht het meerdere toezigt dan vroeger moede is en een einde aan die gedurige terugkomende correctien willende maken door de ontkentenis van alle pligtsverzuim waarop dien hem zoude willen achterhalen. En door straatgerucht te maken zich heeft voorgenomen den Burgemeester van alle verdere surveillance of correctie af te schrikken.
En dat hij inderdaad zich aan dergelijke ontmoetingen met den Nachtwacht niet verder kan blootstellen, terwijl maar al te dikwijls hij zich op pligtverzuim laat betrappen en doorgaans het allerminst een ondergeschikt karakter aan de dag legt, het welk op beter zoude kunnen doen hoopen’. Een patstelling dus: de klapwaker moest tot betere plichtsbetrachting gedwongen worden, maar aan de andere kant vormde het uitoefenen van direct toezicht een probleem.

De aardappelziekte en de kwestie met de klapwaker
Het Reglement voor het Bestuur ten Plattelande gaf evenwel de burgemeester het recht om plaatselijke bedienden en ambtenaren die zich aan plichtsverzuim schuldig maakten, te schorsen voor de tijd van zes weken, maar in het licht ‘van de tegenwoordige tijdsomstandigheden’ vond Van Rosse het nogal bezwaarlijk dit artikel in toepassing te brengen. Met die omstandigheden doelde hij op de aardappelziekte die juist in 1845 was uitgebroken en waardoor met name de armere lagen van de bevolking werden getroffen. De prijzen van aardappels, maar ook van andere voedingswaren waren immers door het mislukken van diverse aardappeloogsten gestegen en het was met name de aardappel die in die dagen het voedsel voor de armen vormde. Als daar voor het gezin Snaar dan ook nog werkloosheid en dus vermindering van inkomsten bijkwam, kon dat heel vervelende consequenties hebben.

Er wordt een oplossing gevonden
Van Rosse was zich daarvan bewust en dus werd besloten ‘den Nachtwacht voor den vergadering te laten roepen, hem te corrigeren en aan te zeggen dat hij zijne klep en sabel tot nader orde aan de secretarie zal hebben te brengen, teneinde alzoo gedwongen te zijn om op zijne tijd de ronde te beginnen. Zullende in geval hij niet voor of juist ten tien uren aan de secretarie zou verschijnen om zijn klep en sabel te komen halen, dezelve door den burgemeester aan een ander worden gezonden met last om ten koste van den Nachtwacht voor dien nacht deszelfs post waar te doen nemen’.

De nachtwacht of klapwaker moest ‘ieder Uur de Klap Twee maal slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen’, aldus de instructie voor de klapwaker van 1815. Op deze prent zien we hoe de klapwaker duidelijk zo’n klap of klep in de hand draagt. Tevens kon hij verdachte personen aanhouden. De afgebeelde klapwaker draagt dan ook een speer bij zich in de andere hand. Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), p. 51

De brief van de gouverneur
Wellicht speelde hierbij ook een brief, gedateerd 23 september, van de gouverneur van Zuid-Holland een rol, waarin hij het instellen van nachtwachten als maatregel voor orde en rust aanprijst. Dit in verband met ‘de tegenwoordige tijdsomstandigheden bij het mislukken van de aardappelen oogst’. Juist in deze tijd was het hebben van een nachtwacht belangrijk en dat kan Van Rosse er toe hebben bewogen de nachtwacht Snaar niet zomaar te ontslaan of te schorsen.

Na 1845 lezen we in de notulen niets meer over onregelmatigheden in de taakuitvoering van de klapwaker. Was er inmiddels iemand anders aangesteld? Of deed Snaar beter zijn best in de uitvoering van zijn plicht?

‘Ongeregeldheden met studenten’
De notulen van de vergaderingen van B&W maken in december 1845 melding van ongeregeldheden met studenten uit Leiden. Inderdaad deden deze het dorp Lisse graag aan en dat gold zeker voor het logement de Witte Zwaan, waar ‘Vadertje Veldhorst’ achter de tapkast stond, zoals hij door de studenten genoemd werd. Ook het leegstaande huis Dever werd door hen bezocht. Ten aanzien van de plaatsgehad hebbende gebeurtenissen wordt besloten bij voorkomende herhalingen een speciale nachtwacht aan te stellen en die te belasten met het toezicht op ‘de plannen en gangen’ van de heren studenten. Deze zal bestaan uit drie personen, te weten M. Verhagen, Floor Kerkvliet en Toon Kulk. Men wil echter het oordeel afwachten van de gemeenteraad met betrekking tot de instelling van een keur voor de ‘buitengewonen winter nachtwachter’. Of de ongeregeldheden met de studenten zich hebben herhaald is niet duidelijk en we kunnen dus ook niets zeggen over deze ‘studenten nachtwacht’. De keur op de winternachtwacht werd afgekondigd en aangeplakt op 27 december 1845. Het stuk bevindt zich in het gemeentearchief Lisse, inv.nr. 756.

Conclusie
Het lijkt erop dat Lisse in 1845 een burgemeester had die niet alleen streng was maar ook veel medelevendheid aan de dag kon leggen. Dat lijkt althans de manier waarop de kwestie met de nachtwacht werd afgehandeld aan te tonen.
De gevolgen van de aardappelziekte waren kennelijk ook in Lisse voelbaar, althans onder de lagere klassen van de samenleving, met name de arbeiders. Dit ondanks hetgeen we lezen in de notulen van de gemeenteraad van 19 september, waarin het provinciaal blad wordt voorgelezen ‘houdende uitnodiging tot het beramen van middelen der voorziening in den aanstaande nood der arbeidende klasse door den mislukten aardappelen oogst en de duurte der overige levensmiddelen’. Men besloot echter voorlopig nog geen maatregelen te nemen vanuit de overweging dat de mindere klasse nog geen gebrek aan werk had en vaak voorzien was ‘van een eigen geteeld voorraadje’. Bovendien was men bang dat ‘vooruitlopende zorgen en maatregelen weleens een verkeerde uitslag zouden kunnen hebben’. Uit latere notulen blijkt niet dat men alsnog tot maatregelen is overgegaan. Uit de milde houding echter van de burgemeester ten opzichte van het voorgevallene met de klapwaker (met name dus de vermelding dat hij niet tot schorsing wilde overgaan vanwege de ‘tegenwoordige tijdsomstandigheden’) kunnen we opmaken dat de gevolgen van de aardappelziekte zich ook onder de lagere klassen lieten gevoelen.
Hoe dan ook, de nieuwe burgemeester heeft het nogal eens zwaar te stellen gehad met zijn onderdanen. Zo ontmoette hij het volgende jaar (1846) een uitermate lastig persoon op de Delfweg (huidige Stationsweg), die hem zowaar bij de kraag vatte! ‘Ik ben tot alles in staat!’, zo zou hij hebben uitgeroepen. Deze ongelukkige ontmoeting is beschreven in een eerdere uitgave van ons nieuwsblad (Politierapporten deel II).

Gebruikte bronnen:
A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling (Lisse, tweede druk 1989), p. 50.
Gemeentearchief Lisse inv.nr. 513, 552.

Gemeenteraadsnotulen van Lisse. (I): de armencollecte (1845)

In de gemeenteraadsnotulen van 1845 wordt een collecte behandeld onder de Lissese ingezetenen en voor de allerarmsten in Lisse. Er waren nogal wat mensen, die er tegen waren. De protestanten waren tegen en hielpen niet mee. De armen van de kerk kregen dan ook niets.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding

Wellicht dat menigeen bij het lezen van “gemeenteraadsnotulen” in de ondertitel van dit artikel het beeld van een nogal saai verslag van het besprokene in de gemeenteraad van toen voor ogen krijgt. Dat is echter maar zeer ten dele het geval. Er werden inderdaad in de raad (zoals nog steeds) ook wat meer routinematige zaken besproken (het vaststellen van de personele belasting over een bepaald jaar, begroting, gemeenterekening etc.), maar ook kwamen met de regelmaat van de klok zaken aan bod die een heel aardig tijdsbeeld geven (zoals allerlei debatten over de klapwaker), of gewoon te aardig zijn om verzwegen te worden. Dit eerste deel uit de gemeenteraadsnotulen behandelt een collecte die in 1845 onder de Lissese ingezetenen werd gehouden, teneinde de nood onder de allerarmsten te lenigen.

Het voorstel van de voorzitter
Op 5 maart 1845 werd de gemeenteraad door de voorzitter bijeen geroepen. Iedereen was present: de burgemeester J.C. van Rosse, H. de Graaff, G. van Bourgonje, Dirk Kroon, J.G. Geertsema en W. van der Mey. De voorzitter opende de vergadering en gaf te kennen dat hij deze vergadering speciaal had bijeengeroepen “om daarin het voorstel te doen of niet door eene algemeene buitengewone collecte behoorde voorzien te worden in de behoefte van zoo veele dezer gemeente die door den (killen?) en aanhoudende Winter (…) niet meer bij magte zijn om in het noodige voor hun levensonderhoud te voorzien”. De voedselvoorraden die men had aangelegd waren reeds verbruikt, de “spaarpenningen” waren op en er was een “voortdurend gebrek aan werk en verdiensten”. Het voorstel werd dan ook met algemene stemmen aangenomen.

Omdat het hier om de arme ingezetenen van Lisse ging, had de voorzitter de leden van de plaatselijke armbesturen uitgenodigd de vergadering bij te wonen, “ten einde hun het gevoelen van de raad te dezen mee te deelen en met dezelve de middelen te willen beramen en hunne adsistentie te willen verleenen tot het welgelukken van het voorgestelde plan”. De armbestuurders, bestaande uit de heren A. van der Zaal, G. Hulsbosch, H. Meyer, P.H. Koppeschaar en P. Verdegaal, traden binnen en verklaarden zich akkoord met de voorgestelde plannen.

Het bedelaarsduo Josie en Dulcinea op een ansicht uit de beginjaren van de twintigste eeuw. Ongetwijfeld liepen er in 1845 ook bedelaars in de streek rond die door hun gedrag een bepaalde reputatie hadden gekregen. Helaas zijn ze ons, in tegenstelling tot de hier afgebeelde personen, niet bekend. (Coll. A. in’t Veld).

Er werd besloten de collecte op 11 maart te houden “vanaf des morgens ten half tien uren”. De raadsleden en de heren armstuurders zouden zich splitsen in vijf afdelingen die ieder een deel van het dorp voor hun rekening zouden nemen.

‘s Avonds zouden de gecollecteerde gelden verzameld worden en de verdeling daarvan onder de armen geregeld worden. Ook diegenen die liever een bijdrage in natura deden, zoals in de vorm van brandstoffen of levensmiddelen, konden terecht en wel bij de heren Van der Mey en Hulsbosch. Door middel van affiches zou de collecte aangekondigd worden. Er zou een exemplaar daarvan worden opgestuurd naar de “Eerw. Heeren geestelijken dezer gemeente, met vriendelijke uitnoodiging daarvan zoodanig gebruik te maken als zij het best geschikt zullen oordelen en in allen geval hun invloed zoo ’t kon door toespraak van den kansel te bezigen tot het welslagen van het daarbij voorgestelde doel”. Veel hoop was gericht op de “Heeren Eigenaars der Buitenplaatsen in deze gemeente gelegen”, zoals de heer Temminck (Wildlust) en C.A.A. baron van Pallandt (Keukenhof). Het plan kon niet meer stuk gaan!

 

Kerk gesigt tot Lisse”. Dit was ongeveer het beeld dat men had wanneer men omstreeks 1735 vanuit het Vierkant door het dorp Lisse reed. Het zal in 1845 niet heel veel anders geweest zijn. Men ziet de oude dorpskerk, waar van 1844 tot 1868 ds. Kooy stond. Zoals men ziet hield, nadat men de kerk rechts passeerde via de Achterweg, de bebouwing van het dorp al op om over te gaan in weiland. Kopergravure No 6 van Abrah. Rademaker, in 1731 gepubliceerd in Rhynlands Fraaiste Gezichten.

Tegenwerking van de predikant
Eén persoon was minder tevreden met de plannen en dat was de “Eerwaarde Heer Predikant”. Zijn naam wordt in de notulen niet vermeld, maar het is wel duidelijk dat het hier om ds. Kooy ging. Die stond namelijk van 1844 tot 1868 in Lisse. Even na ontvangst van de bovengenoemde publicatie had hij zich begeven naar de burgemeester, J.C. van Rosse, om hem te kennen te geven dat de collecte geen doorgang kon vinden. De redenen hiervoor waren allereerst dat zijn diakens in de vergadering waarin een en ander was besloten, geen zitting hadden gehad. De heren armbestuurders, die in de notulen van 5 maart genoemd worden, maakten dus waarschijnlijk deel uit van de Heilige Geestarmen, de katholieke variant van de protestantse diakonie, en/of van het Burgerlijk Armbestuur. Dit laatste was een college dat door de plaatselijke overheid in het leven was geroepen. Verder zou de collecte worden gehouden voor de armen “in het algemeen”, dus ook voor de leden van de Nederlands-hervormde kerk. Dat vormde voor de dominee een bezwaar, daar “zijne diakonie geene behoefte had, in tegendeel een batig saldo in kas had”. “In allen geval dat hij zich bezwaard achtte om in de gegeven omstandigheden de publicatie af te kondigen of de collecte door eenigen toespraak van den kansel aan te beveelen. Verklaarende hij voorts dat indien in de publicatie voor het woord in het algemeen in de plaats wierd gesteld voor de Roomsche Catholieken of Buiten armen, (…) dat hij alsdan in zoude kunnen overgaan”. De burgervader had daar niet op gerekend en stelde dan ook alles in het werk om de dominee te bewegen om te voldoen aan het verlangen van de raad. Bij het afscheid had hij aanvankelijk goede moed, maar de volgende morgen ontving hij een brief van ds. Kooy “in den zelfden onveranderden geest”. Burgemeester Van Rosse vond de zaak “gewichtig” genoeg om deze te bespreken in het college van Burgemeester en Assessoren, het tegenwoordige college van B&W. Het besluit daarvan was dat ds. Kooy nogmaals, maar dan namens het hele college, zou worden uitgenodigd aan het verzoek van de raad te voldoen “en dat er geene bevoegdheid was om het geen in den raad was besloten, daar buiten te veranderen”. In antwoord daarop ontving Van Rosse “op zondag 9 maart na middagkerktijd” een brief van de dominee. Er werd daarin mededeling gedaan van het besluit genomen door de kerkeraadsvergadering “dat door de diaconen geen adsistentie mogt en zou verleend worden tot het doen van een collecte voor de Algemeene armen, dat de diaconie der Hervormden vriendelijk bedankte voor het aandeel dat haar zou competeeren en dat om reeds opgegeven redenen geene annonceering noch aanbeveeling van den kansel heeft plaats gehad”. De dominee hield al met al stug vol! Het begon er dus op te lijken dat de collecte wel doorgang zou kunnen vinden, maar dan zonder medewerking van de protestanten.

“Geest van ontevredenheid”
Op de daaropvolgende gemeenteraadsvergadering van 11 maart waren dan ook de diakens afwezig. De voorzitter licht toe: “Hebbende de H H diakenen der Hervormde gemeente zich geexcuseerd om hunne adsistentie in deeze te verleenen, uit hoofde hun zulks door den kerkenraad was ontzegd geworden”. Vrijwel onmiddelijk ontstond er rumoer onder de ingezetenen die de raadsvergadering bijwoonden, want we lezen: “De voorzitter stelt het lezen der notulen van de vorige vergadering uit om het vergevorderde avonduur, evenzeer het hiernavolgende verslag, om den geest van ontevredenheid die wegens de zichtbaar geworden tegenkanting van den Ed Heer Predikant en kerkenraad onder de ingezetenen is ontstaan, niet verder op te trekken”. Op diezelfde elfde maart werd ook mededeling gedaan van de ingezamelde gelden. Per brief had de burgemeester f 50,- ontvangen van de heer Temminck, eigenaar van de buitenplaats Wildlust. Een gelijk bedrag was ontvangen van de baron Van Pallandt (van Keukenhof).

De baron had bovendien toegezegd nog eens f 50,- te zullen bijdragen. Samen met de gecollecteerde gelden die door de verschillende afdelingen bijeengebracht waren kwam het college uit op een totaalbedrag van f 358,47. Verder waren er takkenbossen beloofd door de heer Leembruggen, aardappelen door Selis van Graven en de armmeester Hendrik Meyer en Piet Verdegaal had nog toegezegd 300 lange turven te zullen leveren. Men besluit met de woorden: “Zoo dat de collecte mag gerekend worden allergelukkigst en zonder voorbeeld in deze gemeente te zijn geslaagd”

Carel A.A. baron van Pallandt (1810-1883). Hij was één van de donateurs bij de actie voor de allerarmsten in de winter van 1845. In 1837 huwde Van Pallandt met jkvr. Cecilia M. Steengracht, dochter van de eigenaar van Keukenhof, Johan Steengracht. Zij werd volledig eigenares van zowel huis als landgoed na de dood van haar vader in 1846. In 1858 liet het echtpaar Van Pallandt-Steengracht de tuinen rondom Keukenhof verfraaien door de heren Zocher. In 1861/62 werd bovendien het huis opgesierd met torens, waardoor we vanaf dat moment van het kasteel Keukenhof praten. Uit: A.M. Hulkenberg, Keukenhof (Dordrecht 1975), afb. 22.

Besluit
De uitdeling van de gecollecteerde gelden en brandstoffen vond plaats op 18 en 19 maart 1845. Heel wat minder bedeelde lieden zullen blij en opgetogen naar huis zijn gegaan. Waarschijnlijk gold dat echter alleen voor het rooms-katholieke deel van de bevolking, daar immers ds. Kooy klip en klaar te kennen had gegeven, namens het protestantse deel van de gemeenschap, niet aan de actie mee te zullen doen en er ook geen ruchtbaarheid aan te geven. De armenkas van de hervormden was zodanig dat een collecte niet nodig werd geacht, aldus Kooy. Hield dat in dat de noodlijdenden zich dus vooral bevonden onder de rooms-katholieken, ofwel de “Buiten-armen”? Of trof die strenge winter van 1845 eigenlijk alle arme ingezetenen van Lisse, ongeacht de religieuze gezindheid? Dit laatste lijkt het meest aannemelijk, daar men immers voornemens was een “algemeene collecte” te organiseren. Helaas lijken de behoeftige ledematen van de hervormde kerk hierbij dus buiten de boot te zijn gevallen, hetgeen ook niet voor niets zo’n verontwaardiging teweeg bracht bij degenen die de gemeenteraadsvergadering van 11 maart bijwoonden.

Bronvermelding: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513.