Berichten

Lisse 825 jaar en de invloed van Napoleon in Lisse

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

7 november 2023

 door Nico Groen

Rond 1800 overheerste Frankrijk Nederland. Deze overheersing zorgde in bestuurlijk opzicht voor veel veranderingen in Nederland en dus ook in Lisse. Veel veranderingen van Napoleon bleken verbeteringen en bleven ook nadat het Huis van Oranje de Nederlandse troon besteeg van waarde. Deze grote veranderingen zijn tegenwoordig nog in veel praktische zaken aan de orde zonder dat men dit beseft. Daarom hoort deze periode thuis in deze serie over 825 jaar Lisse.

De modernisering van het bestuur en de rechtspraak in de door Napoleon bezette gebieden waren van grote betekenis. Hij wilde in alle landen dezelfde eenheden en maten hanteren, en zo komt Nederland aan het metrische stelsel met de meter en de kilo. Napoleon zorgde ook voor de invoering van verplicht en voor iedereen toegankelijk onderwijs. Ook moet iedereen rechts rijden en werd de gelijkheid van alle godsdiensten ingesteld. Ook werden er in die tijd veel instellingen gebouwd, zoals het Rijksmuseum, de Koninklijke bibliotheek in Den Haag en het Nationaal Archief in Den Haag. Ondank deze positieve veranderingen komt er steeds meer weerstand tegen de keizer.

De alsmaar oplopende belastingen, nodig voor het Franse leger, zijn hiervoor de belangrijkste reden. Ook de invoering van de dienstplicht roept weerstand op, zeker als de vraag naar soldaten almaar toeneemt. Aan de Franse overheersing komt een einde als Napoleon in 1813 de aftocht moet blazen.

Gevolgen in Lisse

Als iemand vraagt waar bijvoorbeeld het gemeentehuis of het Keukenhof is, kun jij dat makkelijk vertellen door te zeggen door welke straten diegene moet lopen. Dat komt door Napoleon. De Fransman vond het verwarrend dat er op veel plekken geen straatnamen en huisnummers waren. Hij verplichtte gemeenten om deze in te voeren. Hij introduceerde de burgerlijke stand, waarvoor iedereen een vaste achternaam moest aannemen. Zo kan je bijvoorbeeld vragen: “Waar woont Jan van der Voet” (De nieuwe voorzitter van de VOL) en niet ‘waar woont Jan Janz’ of een bijnaam.

Ook het kadaster werd ingevoerd. Zo kan iedereen weten wie de eigenaar was of is van een bepaald perceel. Zonder het kadaster zou LisseTijdReis van de VOL met veel gestructureerde informatie uit het verleden niet van de grond zijn gekomen. LisseTijdReis maakt namelijk gebruik van het kadaster.  Deze website ontsluit informatie van het dorp Lisse zoals het was in het jaar 1830 en in het jaar 1880. Daarnaast bevat LisseTijdReis een archief met diverse digitale collecties. Via deze kaarten zijn de perceelindeling, gebouwen, wateren en wegen te ontsluiten. Ook de eigendomsinformatie is te vinden, evenals adressen, gekoppeld aan percelen overeenkomstig de Volkstelling van 1830. Ook informatie van personen afgeleid uit de genealogische database van personen en relaties (16de eeuw tot 1920), is in te zien.

De invoering van de dienstplicht.

Omdat Napoleon veel soldaten nodig had voor de oorlog werd de dienstplicht ingesteld en werden alle jongemannen in Lisse opgeroepen. Zij moesten een lot trekken. De mannen met de laagste nummers moesten in dienst. Op 22 maar 1811 werden er bijvoorbeeld 17 Lissers ingeloot. Op 1 mei 1997 is de opkomstplicht voor dienstplichtigen opgeschort, maar niet afgeschaft.

 

Foto: Napoleon Bonaparte in volle glorie geschilderd door Jacques-Louis David in 1801
Foto: Wikipedia

 

 

 

Lisse 825 jaar en het beleg van Haarlem

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                         

12 september 2023

 door Nico Groen 

Het beleg van Haarlem had grote invloed op de bewoners en de woningen in Lisse. Daar gaat het deze keer in het kader van Lisse 825 jaar over. In 1573, 450 jaar geleden, had het beleg van Haarlem veel negatieve gevolgen voor de bewoners van Lisse. Huurlingen namen alles van waarde mee en staken de huizen en de kerk in brand.

In 1573 was het volop oorlog tussen In 1573 was het volop oorlog tussen Prins van Oranje en de koning van Spanje, die tevens heer der Nederlanden was.

Het was de 80-jarige burgeroorlog. Het ging om een breed gedragen opstand tegen de wettige regering van Filips II. Onder Filips II begon er een gure wind op te steken en hij perkte de macht en privileges van de edelen en protestanten sterk in. Ook de meeste steden kwamen in opstand, met name omdat er enorme belastingen werden geheven om het grote leger van de Spanjaarden te kunnen bekostigen. De Prins van Oranje werd de leider van de opstand. Ook Haarlem kwam in opstand. Daarom belegerden de Spanjaarden vanaf  december 1572 de stad.

Willem van Oranje bij Voorhout

Dit deden zij niet door de stad direct aan te vallen. Zij probeerden de Haarlemmers uit te hongeren. Het beleg duurde van december 1572 tot 12 juli 1573. Deze lange periode stelde de Prins van Oranje in de gelegenheid om een grote troepenmacht rond Voorhout op te bouwen. Zo lagen er schansen bij de ruïne van Teylingen en in de buurt van de Bernardus in Sassenheim. Een schans of een verschansing is een militair verdedigingswerk met een aarden wal  eromheen. Op 8 juli 1573 trok een imposante legermacht vanuit Voorhout, Sassenheim en Leiden via de Bollenstreek richting Haarlem. Er heerste namelijk een ernstige hongersnood in Haarlem. Er moest wat gebeuren.

Om de belegerde inwoners en gezaghebbers van Haarlem in te lichten over de op handen zijnde bevrijdingspoging, stuurde Oranje een boodschap via enkele postduiven. De duiven kwamen nooit aan in Haarlem. De boodschap kwam echter via verraad wel terecht bij de Spanjaarden. Deze gingen in hinderlaag liggen bij Heemstede en hakten het leger van Oranje volledig in de pan. De overlevenden vluchtten terug naar het zuiden, achtervolgd door de Spanjaarden. Twee dagen later gaf Haarlem zich over vanwege de ernstige hongersnood. Bovengenoemde gegevens zijn ontleend aan het blad ‘Dwars Op’ van de Historische Kring Voorhout.

Verwoestingen in Lisse

En wat merkten de inwoners van Lisse ervan? Zowel de huurlingen van Orange  als die van de Spanjaarden hadden al een tijd geen soldij meer ontvangen en hadden honger. Zij stroopten tijdens de terugtocht de Bollenstreek en dus ook Lisse af. Plunderingen, verwoesting, verkrachtingen, moord en doodslag waren aan de orde van de dag in 1573. Vele huizen en boerderijen werden geplunderd en in brand gestoken. Ook de grote kerk aan ’t Vierkant werd vrijwel volledig verwoest. Alleen de toren en wat muren van de kerk bleven overeind staan.

Foto: Ook de Grote kerk op ’t Vierkant werd in 1573 verwoest.
Foto: Oud Lisse

Foto: Ook de Grote kerk op ’t Vierkant werd in 1573 verwoest.

Foto: Oud Lisse

 

C

PARELTJE: de Bataafse republiek

Na de omwenteling roepen de patriotten in het hele land het volk bijeen in de kerkgebouwen. Het oude bestuur van de dorpen en steden dient te worden vervangen door een voorlopige patriotsgezinde gemeenteraad, een municipaliteit. Zo ook in Lisse. De locosecretaris van de Municipaliteit van Lisse Lambertus Bicker reageerde op een klacht.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 2, 2022

Aan het eind van de achttiende eeuw was het politiek onrustig in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Kritische burgers verenigden zich in de patriottenbeweging. Zij waren tegen het bewind van stadhouder Willem V en zijn regenten, die het land in verval hadden gebracht. In 1781 verscheen het pamflet ‘Aan het volk van Nederland’, waarin patriot Joan Derk van der Capellen anoniem het stadhouderschap fel aanviel. Hij wilde een democratische staat en riep de bevolking op tot bewapening. In het hele land werden exercitiegezelschappen opgericht, vrijkorpsen die met gebruik van wapens de macht wilden overnemen. In Lisse was al voor 1786 een patriots ‘Genootschap van Wapenhandel’ actief onder de naam ‘Voor land en dorp’. 1 De Pruisische koning Frederik Willem II schoot zijn zwager Willem V te hulp en zijn leger versloeg in 1787 de patriotten. Veel patriotten vluchtten naar Frankrijk. Eind 1794 keerde een deel van hen terug met de Franse legers, die over de bevroren rivieren de Republiek binnendrongen. In januari was het leger van Willem V en een alliantie van Engelse, Hessische en Hannoveraanse troepen verslagen.
19 januari 1795 stichtten de patriotten de Bataafse Republiek onder het motto ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ en nam een voorlopige regering het landsbestuur over. De dag ervoor was stadhouder Willem V naar Engeland gevlucht.

Hoe zou de omwenteling in Lisse zijn verlopen?

Een Extract uit de Resolutie van de Municipaliteit van Lisse met een rekwest en een bijgevoegde ‘Memorie’ gaat over deze machtswisseling. De locosecretaris van de Municipaliteit van Lisse Lambertus Bicker reageerde op de klacht van de rekwestranten. De zaak werd behandeld in een ‘Vergadering van de provisionele representanten van het volk van Holland op woensdag 18 maart 1795’. De oorspronkelijke en uitgebreidere tekst is te raadplegen via Delpher en Google books (zie ook LisseTijdReis).

Allons, de sleutels van de kerk

Na de omwenteling roepen de patriotten in het hele land het volk bijeen in de kerkgebouwen. Het oude bestuur van
de dorpen en steden dient te worden vervangen door een voorlopige patriotsgezinde gemeenteraad, een municipaliteit. Zo ook in Lisse. De Lissers Albertus de Haan, Gijsbert van Parijs, Gerrit van Klaveren en Jacob Marchant dienen later een rekwest in bij de Municipaliteit van Lisse. Het is een bezwaarschrift over de wijze waarop de bestuursverandering in Lisse is verlopen. Onwettig en gewelddadig volgens rekwestranten. De bijgevoegde ‘Memorie’ is op 23 februari 1795, in het eerste jaar van de Bataafse vrijheid, ondertekend door de eerdergenoemden en door Fuijt van Leeuwen, Engel Smit, Barend van der Bron, Hendrik van Schrama. Op de 27ste januari 1795, zo schrijven zij, is in Lisse een briefje aangeplakt. Het is geschreven in een onduidelijke hand en het is niet ondertekend. De burgers worden opgeroepen om om twee uur bijeen te komen in de kerk. Voor het Rechthuis heeft zich tegen die tijd een grote menigte verzameld. Isaac van Buren, eigenaar van Wassergeest en dan nog schout van Zoeterwoude, vordert op onbeschofte wijze de sleutels van de kerk van Fuijt van Leeuwen, klerk van de secretarie van Lisse met de woorden: ‘Allons, de sleutels van de kerk’. Van Leeuwen aarzelt. De sleutels waren aan hem toevertrouwd door de kerkmeesters. Een ingekwartierde Franse soldaat staat voor Van Leeuwen met ontblote sabel en dreigt ‘Allons donnes les clés tout de suite’. Van Leeuwen overhandigt de sleutels van de kerkdeur en het volk stroomt de kerk in. Isaac van Buren, Lambertus Bicker, Jan Verdegaal, Jan van Zoelen, Jacob Vreeburg en Albert Wundel positioneren zich als de nieuwe machthebbers door plaats te nemen in de bank van de Heer van Lisse. Bickers lijfwacht van zes bewapende Fransen en de dronken lijkende huzaar met de sabel zijn in de kerk. Jan van Zoelen roept na een korte toespraak Isaac van Buren en Lambertus Bicker uit tot hun representanten. Het oude bestuur had het vertrouwen van de burgerij verloren en nu zal men een nieuw bestuur aanstellen. Bicker heeft een lijstje met namen van mannen die mogen kiezen. De kiezers trekken zich terug in de consistorie en roepen Bicker uit tot schout. Nieuwe burgemeesters, schepenen en een secretaris worden aangesteld. Onder de schepenen zijn zelfs enkele van de kiezers zelf. Dit verbaast de burgers in de kerk. Zij hadden ook graag gekozen, maar de huzaar dreigt tegenstanders aan zijn sabel te rijgen: ‘Le premier que le rémue je le foureré le sable dans le ventre ou il n’y a point de Dieu pour moy’. De burgers Fuijt van Leeuwen en Jacob Marchant willen onheil voorkomen en vertalen zijn woorden voor de burgerij. Ondertussen roept de huzaar de vergaderde menigte toe ‘Est il bon’. Daarop antwoordt of Van Buren of Bicker ‘Oui, vive la Nation’. De klacht is dat voor de bijeenkomst in de kerk een groep burgers al was bijeengekomen op Wassergeest in het huis van Van Buren en onder hen was Engel Smit. Smit beweert dat alles al was bekonkeld en dat de posten al waren verdeeld.

Bickers verdediging
Lambertus Bicker verdedigt zich in zijn functie van locosecretaris Ter Ordonnantie van de Municipaliteit van Lisse.
Hij verklaart aan de voorlopige regering dat de vervangen personen aanhangers waren van de Oranjes. Hij refereert aan de gebeurtenissen in 1787, toen militaire troepen door het dorp trokken en woningen en bezittingen beschadigden, waarbij zelfs een persoon het leven liet. Tegen deze gewelddadigheden traden zij destijds niet krachtdadig op. Weldenkende en vooraanstaande burgers kunnen nu gebruik maken van de natuurlijke ‘Vrijheid en Rechten van den Mensch’. Edelmoedige Fransen stelden ten koste van goed en bloed hun nu daartoe in staat.
Deze burgers besloten na herhaalde bijeenkomsten de regering te veranderen (het bestuur te vervangen) en de zittende regenten te bedanken. Zij zouden door de stem des volks andere burgers en regenten doen kiezen, die naar oordeel van het volk nuttig en bekwaam zijn om voorlopig het bestuur over te nemen totdat er een vaste vorm van bestuur zou zijn en voldoende personen om de verschillende bestuursfuncties te vervullen, gekozen en aangesteld door het volk. Veertien personen kwamen daarop bij elkaar op Wassergeest bij Isaac van Buren, toen nog schout van Zoeterwoude. Zij kozen uit hun midden Isaac van Buren en Lambertus Bicker tot hun raden en tot kiezers de
zes burgers Pieter Creemer, Frans Willem Enneker, Jan van den Aardweg, Engel Smit, Jan van Beek en Pieter van Dijk. De kiezers kregen een lijstje met namen van geschikte leden voor het voorlopige bestuur. Tot schout Lambertus Bicker, tot burgemeesters Jacob van der Jagt, Jan van Zoelen, Jan Verdegaal en Cornelis van der Jagt. Tot schepenen Pieter Creemer, Frans Willem Enneker, Jan Stellekes, Hendrik Nieuwenhuizen, Albert Wundel, Jan van Beek en Hendrik Lynslag. Tot scriba Fuijt van Leeuwen. De veertien mannen begaven zich vervolgens naar Teunis van Keulen in de herberg de Witte Zwaan op het Vierkant. Pieter Creemer verzocht de zittende burgemeesters een vergadering te beleggen. Die weigerden en Isaac van Buren vorderde de sleutels van de kerk van de toenmalige klerk van schout Pagenstecher, die ze in zijn zak had. De klerk kreeg een ontvangstbewijs.

Het briefje
Een volgend punt dat Bicker behandelt is de zaak van het ongetekende en onduidelijk geschreven briefje dat was aangeplakt. Op het Vierkant bevond zich een menigte die bij elkaar was gekomen door de zeer duidelijk geschreven briefjes van de veertien voornoemde burgers. De tekst van de briefjes was woordelijk overgenomen van de tekst die in Leiden was gebruikt om het volk bijeen te roepen. Ze waren 26 januari aangeplakt bij de gereformeerde en roomse kerken en aan de aanplakborden binnen en buiten Lisse. De dag erna, de 27ste, bleken ze afgescheurd. Ze zijn weer opnieuw aangeplakt. Ten overvloede is het volk de 27ste bij mondelinge aanzegging opgeroepen om twee uur in de middag in de kerk bijeen te komen. Jan van Zoelen hield daar een korte toespraak. Hij deelde mee dat voornoemde twaalf burgers Isaac van Buren en Lambertus Bicker tot hun raden hadden verkozen. Daarop hield burger Lambertus Bicker een toespraak. De zes kiezers werden voorgesteld en door het volk goedgekeurd. Zij gingen naar de consistorie en nomineerden de mensen die de vorige dag op Wassergeest al waren voorgesteld. Een uitzondering was Fuijt van Leeuwen, die geen scriba wenste te zijn en als secretaris werd benoemd. Van Buren lichtte het volk in. Bicker benadrukt nog eens dat het een voorlopig bestuur betreft. Het volk keurde het goed met groot genoegen, ze namen het zelfs aan met het draaien der hoeden. Zonder wanorde en niemand werd gedwongen.
Volkomen vrijheid werd in acht genomen. De bestuurswijziging is zonder ongeregeldheden en tot genoegen van de vergaderde menigte verlopen. De huzaar met het blanke sabel De huzaar, schrijft Bicker, was aanwezig in de kerk, maar op eigen initiatief. Hij woonde de plechtigheid bij. Bicker nam hem later tegen zijn wil mee naar Leiden. Hij bleek zijn regiment verlaten te hebben en stond bekend als een slecht persoon. Nog diezelfde avond werd hij door generaal Du Mercier gevangengenomen. De ondergetekenden vragen de provisionele representanten in overweging te nemen dat de ondertekenaars van het rekwest bestaan uit de oude bedankte regenten en personen die de Oranjepartij aanhingen en hun medeburgers vervolgden bij de omwenteling van 1787. Bicker wijst nog eens op de rol van Fuijt van Leeuwen, die de ‘Memorie’ ondertekende, maar hiervan berouw had en nu tot secretaris is benoemd. Hij laat het aan de Vergadering van de Provisionele Representanten over te oordelen over Van Leeuwens gedrag en zijn geschiktheid voor de post van secretaris. Bicker wordt in het gelijk gesteld. De Vergadering besluit dat de indieners van het rekwest zich voorlopig tevreden moeten stellen met het nieuwe bestuur.

Katholieken in het bestuur
De ondertekenaars van het rekwest en de memorie waren op Engel Smit na nederduits gereformeerd. Zij waren winkelier, landbouwer of herbergier. Onder de veertien patriotten die op Wassergeest bij elkaar kwamen, bevonden  zich drie eigenaren van buitenplaatsen. De arts en wetenschapper Lambertus Bicker woonde op Meer en Duin, Isaac van Buren op Wassergeest en Albert Wundel op Wildlust. Opvallend is dat van de veertien patriotten er zeker acht katholiek zijn. Ook landelijk bevonden zich veel katholieken onder de patriotten. Zij waren voorheen uitgesloten van bestuursfuncties, kerkten in schuilkerken en zagen nu een kans invloed op het bestuur uit te oefenen. Isaac van Buren werd benoemd tot baljuw van Hillegom, Lisse, Voorhout en Noordwijkerhout. Hij liet de jeugd van de vier ambachten op 15 mei 1795 een vrijheidsboom voor Wassergeest oprichten, waarvan B. H. Thier een mooie aquarel maakte. ■

Gezigt van de groote Beuken en Dennenlaan op de hofstede Wassergeest met de vrijheidsboom.” Anno 1795. (G.A.Leiden)

100 jaar Veldhorststraat: mijn geboortehuis

In het kader van 100 jaar Veldhorststraat komen er wat verhalen los. Dit is het verhaal over de familie Holl, wonende op nummer 50. Een verhaal dat ook teruggrijpt naar de oorlogstijd die we in de meimaand gedenken.

door Sake Holl

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 2, 2022

Op 30-03-1945(Goede Vrijdag) hangt er een wolkje boven de Veldhorststraat. Lisse wordt opgeschrikt door geweldige knallen. Citaat uit het dagboek van Anneke Ruys uit VOLnieuwsblad Nr. 1, 2020: “Eind maart blazen de Duitsers de V1-lanceerinstallatie in het bos op en sneuvelen in het huis aan de Heereweg vijf ruiten. Het glas-in-lood in de tussendeuren is door de luchtdruk verwrongen”. Als de schokgolf bij Ruys al zoveel schade gaf dan moet bij de punt van de Veldhorststraat ook schade zijn geweest. In het rode cirkeltjes boven zien we een glimp van waar die V1 lanceerinrichting zou hebben gestaan. Op de luchtfoto kun je niet zien of de lanceerinstallatie er nog is. De slagschaduw van het oplopend gedeelte stopt abrupt, dat zou een aanwijzing kunnen zijn.

Na enige tijd verkering te hebben gehad, besloten mijn ouders te gaan trouwen en een vaste woonplaats te kiezen, waar mijn vader, H. A. Holl (1906), als huisarts werkzaam kon zijn. Eind 1937 was het zo ver. De huisartsenpraktijk van dokter M. de Graaf te Lisse werd overgenomen. Voorlopig konden zij op huis Rosendaal wonen, want de oude dokter zou zijn zoon, die in het buitenland boormeester was bij een voorloper van de Shell, gaan opzoeken. Maar na verloop van tijd vond mijn moeder dat er wel heel veel aan het huis moest gebeuren om er comfortabel te blijven wonen, want als het sneeuwde dan lag er een laag op de zolders. Als enige dochter kreeg zij haar vader, Sake Antonides (1874), zo ver om voor de familie een geschikt huis te bouwen en zijn schoonzoon moest het maar regelen. Op het land van bollenkweker G. van der Mey en zn., werden in de jaren twintig de huizen van de Veldhorststraat gebouwd en tien jaar daarna die van de Von Bönninghausenlaan, met het haakse bredere stuk straat als eerste aanzet tot een omleidingsweg, om de Heereweg te ontlasten. Bij deze twee straten bleven reststukken grond over. Mijn vader zou op het ene stuk bieden en notaris Van Pelt op het andere. Toen de notaris de uitslag had ontvangen, wilde hij niet over de telefoon vertellen. Hij zou de kandidaat wel langs sturen, want de telefoon had oren. Het resultaat was, er zou op de hoek van de Stationsweg en Veldhorststraat worden gebouwd. In 1939 wordt broer Arnold op Rosendaal geboren en kan er ook met de nieuwbouw worden gestart. Kolenboer Slottje heeft na de winter de hoek met zand opgehoogd dat was overgebleven bij het omspuiten van land op De Wolff. Aan de overbuurman, Hein Marseille, wordt gevraagd om het huis te bouwen, maar hij vond de architect te lastig, dus wordt het een andere aannemer. Grootvader Antonides is gedurende de bouw slechts een keer wezen kijken; hij vond het maar een glazen keet worden. Liever liep hij een eindje door over het smalle klinkerweggetje met links een meidoornhaag en aan de andere zijde een slootkantje met een paar rotte bomen, om even verderop op de hoek met de Loosterweg naar het
roodbonte vee te kijken. Het volgende jaar, januari, is het huis bewoond. Mei 1940, vader Holl staat vroeg op, het is een zonnige dag en kijkt naar buiten en denkt bij zichzelf: ‘wat hebben we een mooie vliegtuigen’. Hij zou het een van de volgende dagen nog gewaar worden, boven het huis ontploft een verkeerd afgestelde luchtdoelgranaat. In het huis valt er stucwerk van de schoorsteen en op het dak sneuvelen diverse gebakken leien. De invasie van Duitsland is begonnen. In het najaar van 1944 wordt het huis en ook dat van buren door de Wehrmacht gevorderd, en het huis moet binnen vierentwintig uur leeg worden opgeleverd om militairen van de raketlanceerplaats in het Keukenhofbos onder te brengen. Hoe krijg je het zo vlug leeg en waar laat je de huisraad? De inboedel werd versleept en opgeslagen bij de buren, het gebouw van de Christelijk Gereformeerde Kerk. Buren en ook bewoners van de Stationsweg hebben bij dit karwei geholpen en het is allemaal goed gegaan. Daarna kwamen het huishouden en de praktijk en buren terecht in het huis van burgemeester Van Rijckevorsel. Deze was voor zijn eigen veiligheid ondergedoken in het klooster. Aan het eind van de oorlog kan het huis in de Veldhorststraat weer zonder noemenswaardige schade door de familie worden betrokken. De eerste jaren na de oorlog is er een gebrek aan brandstoffen, de (luxe) centrale verwarming kan niet worden gestookt. In de woonkamer staat een salamanderkacheltje en daar kan je leuk beukennootjes op poffen.

De winter van 1947 is streng en om bevriezing van de waterleiding te voorkomen, wordt deze regelmatig voor de nacht afgetapt. Op de badkamer staat dan een wasketel met water. Tot mijn verbazing lag er een keer een laag ijs op, die mijn vader met zijn elleboog kapot stootte. Van de kou kan ik mij niets herinneren en het zal ook wel bij een kattenwasje en tandenpoetsen zijn gebleven. Trouwens, je werd toen als kind warm gekleed en je kreeg ook een extra
hemd aan. Mozes kriebel, een ‘wolletje’ noemden ze dat. De omleidingsweg en de uitbreiding van Lisse aan de westzijde gingen niet door, want de bollen leverden de nodige vreemde valuta op, na de oorlog. Voor de ontwikkeling
van een betere bollenteelt werden er voor het personeel van de tuinbouwschool en die van het laboratorium voor de bloembollenteelt acht huizen in de braak liggende hoek van de Von Bönninghausenlaan gebouwd.

INBRENG VAN JOKE VERMEER

Op de foto zie je mijn oma en opa Moolenaar (aannemer die de kerk en pastorie heeft gebouwd) en mijn opa Vermeer, ouderling van de Chr. Geref. Kerk. Het aannemersbedrijf Moolenaar heeft de oude huizen, de kerk en de pastorie van de Veldhorststraat gebouwd. Er werden een paar huizen gebouwd, verkocht en dan was er weer geld voor de volgende huizen.
Wat ik weet is dat er in de oorlog onderduikers in de kerk zaten, toendertijd geregeld door ds. Ponstein. Tegenover de kerk woonde een fanatieke SS’er. Zijn naam is wel bekend. Toen hij plannen had voor een actie tegen de ondergrondse heeft zijn vrouw hem verraden. Bij mijn grootouders (de bakkerij Vermeer) was ondergedoken een gedeserteerde Duitser (Hein).
Hij heeft ook nog ergens op de Julianastraat ondergedoken gezeten. Hein heeft zijn Duitse uniform aangetrokken en die SS’er onder voorwendsel van
een bespreking opgehaald, hem bij het kanaal doodgeschoten en op een plank met een steen eraan in het kanaal gegooid. Helaas kwam hij boven drijven en zijn er volgens mij drie mannen als vergelding opgepakt. Op Veldhorststraat 19 (echtpaar Mijnders) was een Joodse man ondergedoken en beide mannen ruilden soms van woonruimte, de een bij de bakkerij de ander op de Veldhorststraat. Beide mannen, de gedeserteerde Hein en de Joodse man hebben de oorlog overleefd

Redactie:

Zijn er mensen die nog wat kunnen aanvullen op het verhaal van Hein de ondergedoken Duitse soldaat, de SS’er of de Joodse man? Dan vernemen wij dat natuurlijk graag. Alle informatie over deze nare tijd is welkom. Het komt altijd van pas als wetenswaardigheden in volgende artikelen.

In de Bocht, het geboortehuis van Sake Holl

 

Oorlogsslachtoffer Willem Döll

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)                                                           

10 mei 2022

 Door Nico Groen

Op 4 mei was in Lisse weer aandacht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze dodenherdenking werd afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg. Wilhelmus Ludovicus Döll was een van de slachtoffers.

Volgens het boek `Wat toch een tijd` uit 2005 van Ed Olivier waren er in Lisse 60 oorlogsslachtoffers. De omstandigheden waaronder deze Lissers omkwamen worden in het boek beschreven met vele interviews van nabestaanden en andere bekenden van de slachtoffers.

Een van hen was Wilhelmus Ludovicus Döll, die geboren was op 9 maart 1910 in Leiden. Op 11 april 1939 werd hij tijdelijk in Lisse tewerkgesteld op de secretarie van de gemeente Lisse bij de afdeling bevolking. Dat beviel zo goed dat hij op 1 augustus 1941 een vaste aanstelling als hoofdklerk kreeg. Hij werd vanaf die tijd belast met het bijhouden van de burgerlijke stand, zoals geboorten en overlijden.

Topvervalser

Al snel begon hij samen met J.C. de Haan mensen, zoals onderduikers, te helpen met het vervalsen van persoonsbewijzen en velen werden clandestien in het bevolkingsregister van de gemeente Lisse opgenomen. Daarnaast knoeiden zij in de papieren om Duitse maatregelen te saboteren of te verijdelen.

Toen in 1943 nieuwe distributie-stamkaarten zouden worden  uitgereikt roken Döll en de Haan hun kans: als het bevolkingsregister zou verdwijnen, zouden er veel mensen aan deze kaarten kunnen worden geholpen door niet bestaande personen in het nieuw te maken register op te nemen.

De overval gebeurde uiteindelijk op 15 februari 1944. Het was Döll, die de overvallers van de groep Johannes Post het gemeentehuis binnenloodste. Uiteindelijk werden er vele niet bestaande personen ingeschreven in het nieuwe bevolkingsregister, maar dat heeft Döll niet meer meegemaakt. Hij werd verraden en op 21 februari 1944 gearresteerd door de SD en overgebracht naar de gevangenis van Scheveningen. Vandaar werd hij overgebracht naar Vught en in september van dat jaar naar Oranienburg in Duitsland. Hij stierf op 31 maart 1945 in concentratiekamp Rathenow door honger en uitputting.

Vrouw en kinderen

Willem was vóór de arrestatie diverse keren gewaarschuwd dat hij met zijn leven speelde. Maar dan zei hij: “Dat heb ik er voor over”. Zijn enige zorg was zijn vrouw en zijn 2 jonge kinderen. Die bleek terecht. Het was na de oorlog in het gezin bittere armoede. Er was niets geregeld. Dat duurde heel lang. Pas in de jaren vijftig kwam de wet op weduwen- en wezenpensioen. Maar dat was ook geen verpot of zoals zoon Jaap Döll het verwoordde in het boek “Wat toch een tijd” : “Maar dat was ook niks. Te weinig om van te leven en te veel om dood te gaan”. Er was ook weinig waardering onder de Lissers voor Willem Döll, want de meesten hadden nog nooit van hem gehoord. Hoewel hem na de oorlog postuum het Verzetsherdenkingskruis is toegekend. Gelukkig is er na veel gelobby van vooral Ed Olivier een paar jaar geleden een straat in De Engel naar hem vernoemd: de W.L. Döllstraat, vlak bij de J.C. de Haanstraat.

 

Foto:  Willem Döll, modelambtenaar en topvervalser.
Foto: uit het boek “wat toch een tijd”

 

Lezing: razzia in maart 1945

Op 16 april hield de heer Anne Louis Cammenga een lezing over de aanhouding en inhechtenisneming van onder andere Lisser Jillert Cammenga, zijn vader. In maart 1945 werden 40 Lissers opgepakt.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 3, juli 2013

Op 16 april hield de heer Anne Louis Cammenga een lezing in De Ver­gulde Zwaan met als titel “De aanhouding en inhechtenisneming van Lisser Jillert Cammenga tijdens de Tweede Wereldoorlog in Lisse !” Bij de razzia in maart ’45, op de valreep van de Duitse capitulatie dus, werden 40 Lissers opgepakt. De vader van Anne Louis Cammenga, Jillert, had pech. Hij had beslist een goede schuilplaats. Maar hij kreeg hoge nood en zal gedacht hebben nog wel even thuis naar het toilet te kunnen gaan. Helaas was net op dat moment zijn ouderlijk huis aan de beurt om onderzocht te worden en was er geen ontsnappen meer mogelijk. Arie van Steensel kon wel ontsnappen. Hij kreeg vrouwenkleding toege­speeld en door zich snel om te kleden, compleet met dameskousen, wist hij te ontkomen. De rest van de opgepakte jongens en mannen werden naar de Ripperdakazerne in Haarlem vervoerd. Jillert Cammenga kwam daarna in kamp Bocholt terecht. Een periode die hem voor zijn leven tekende.

Hij kon niet echt over zijn kampervaringen spreken. Anne Louis Cammenga heeft een vrij compleet beeld kunnen schetsen van wat zijn vader in die periode is overkomen. Uit zijn verhaal blijkt dat veel van de getuigen zich nog in detail allerlei zaken weten te herinneren uit die zwarte periode. We weten niet hoe het de andere opgepakte jongens vergaan is. Misschien heeft u namen of verhalen over de razzia en de periode die daar op volgde. We horen graag hierover om een nog completer beeld te krijgen van deze laatste zware oorlogsmaanden. Dat kan per mail (info@oudlisse.nl). Er kan ook een afspraak gemaakt worden voor een gesprek hierover.

Toen er dan eindelijk vrede kwam was het tijd voor feesten. Ook het oorlogsdagboek van Hans van Ruiten (www.oudlisse.nl/historie/oorlogsdagboek.php) verhaalt over die laatste oorlogsmaanden en de feesten na de bevrijding. Er hebben heel wat bevrijdingsfeesten plaatsgevonden bij Garage Cammenga vertelt één van de getuigen hierover.

Het uitgebreide verhaal van de razzia, aangevuld met veel getuigeverklaringen, kunt u hier vinden.

Foto Ford-garage J. Cammenga & Compagnon op de Heereweg 148 in Lisse (Archief Gemeente Lisse)

Oorlogsheld Bastiaan Romeijn verdient meer aandacht

Sporen van vroeger (Lissernieuws)                                                               

27 april 2021

door Nico Groen

 Op 12 mei 1944 werd Bastiaan Romeijn gearresteerd voor zijn betrokkenheid bij de overval op het Lissese bevolkingsregister in februari van dat jaar. Gemeenteambtenaar W.L. Döll en gemeentesecretaris J.C. de Haan waren al eerder gearresteerd. Alle 3 werden overgebracht naar een concentratiekamp. Zij overleden aan de gevolgen daarvan.  Als eerbewijs kregen Willem Döll en Jan de Haan  een straatnaam toegewezen. Bastiaan Romeijn echter (nog) niet.

 

Het is belangrijk dat Bastiaan Romeijn niet in de vergetelheid raakt en dat er een tastbare herinnering komt. Een straatnaam is niet zo makkelijk omdat er al een straat vernoemd is naar wethouder Romijn,  medeoprichter en  eerste voorzitter van woningbouwvereniging Gezinsbelang. Andere mogelijkheden om Bastiaan Romeijn te eren zijn een plein, park of gebouw naar hem te vernoemen, een monument c.q. plaquette  oprichten of iets dergelijks.

Bastiaan was sinds zijn aanstelling in Lisse in juli 1940 wat werd genoemd een ‘goede’ politieman. Veel Lissese jongeren zijn door hem gewaarschuwd bij komende razzia’s of arrestaties. Hij zou dan geroepen hebben: “Jongens, allemaal opdonderen. Wegwezen, want het gaat mis”. Hij was niet bij het verzet, maar opvallend waren zijn banden daarmee wel. Daarom stond hij op ‘voet van oorlog’ met zijn NSB-chef Warmenhoven.

Overval op het gemeentehuis

Op 15 februari 1944 stonden er in het donker een man of zes van de knokploeg Post uit Rijnsburg naast de muur van het gemeentehuis van Lisse. Op dat moment arriveerde er Willem Döll, die aanklopte. Nadat de deur werd geopend door een burgerwacht, overviel de knokploeg de aanwezige ambtenaren en bewakers. Iedereen werd vastgebonden. Daarna werd het bevolkingsregister gestolen en verbrand in de stookketel van de St. Josephschool naast het gemeentehuis. Al gauw werden Döll en De Haan gearresteerd wegens vermeende medeplichtigheid. De SD vermoedde dat het doorgestoken kaart was, omdat Döll te laat was en precies op dat moment aan de deur klopte. Wachtmeester Bastiaan Romeijn werd volgens afspraak tijdens de overval neergeslagen met een gummistok om zijn medeplichtigheid te maskeren. En dat werd zo grondig gedaan dat hij ernstig gewond aan zijn hoofd was. Hij was maandenlang ziek thuis.

Bastiaan moet ervan overtuigd zijn geweest dat hij de dans kon ontspringen. Hij meldde zich in mei 1944 weer voor actieve dienst. Het staat niet vast wie hem heeft verraden, maar de familie is er altijd van uitgegaan dat dat zijn voormalige chef Warmenhoven moet zijn geweest. Warmenhoven nam hem mee naar Rotterdam. Van daaruit werd hij eerst naar Vught gebracht om op 5 september 1944 op transport te gaan naar Duitsland. Hij werd naar het concentratiekamp Sachsenhausen gebracht en van daaruit te werk gesteld in Hamburg-Hammerbrook. Hij is daar overleden door honger, uitputting en dysenterie.

Bovenstaande verhaal over de overval op het gemeentehuis en de lotgevallen van Bastiaan Romeijn, Willem Döll en Jan de Haan staan in het boekje ‘Wat toch een tijd’ van Ed Olivier. Dit boekje is te leen bij de bibliotheek van Lisse en voor leden bij de Cultuur-Historisch Vereniging “Oud Lisse”. Dit boek hoort eigenlijk iedere Lisser te lezen of in bezit te hebben om de herinneringen aan de tweede wereldoorlog levend te houden.

Foto: Het boekje ‘Wat toch een tijd’ van Ed Olivier met info over alle 60 oorlogsslachtoffers in Lisse.

 

Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”

Info@oudlisse.nl

Brug vernoemd naar Lissenaar Willem Meijwaard

De Brabantse gemeente Oirschot heeft een nieuwe brug o.a. vernoemd naar de Lissese oorlogsstrijder Willem Meijwaard en daar de naam Stönner-Meijwaardbrug aan gegeven. Hij kwam daar om het leven.

Nieuwsflits

Jaargang 20 nummer 2, 2021

De Brabantse gemeente Oirschot heeft een nieuwe brug o.a. vernoemd naar de Lissese oorlogsstrijder Willem Meijwaard en daar de naam Stönner-Meijwaardbrug aan gegeven. De naam Stönner-Meijwaardbrug herinnert aan twee leden van de legendarische Prinses Irene Brigade: Rinus Stönner en Willem Meijwaard, die in oktober 1944 bij de bevrijding van Oirschot om het leven kwamen door Duitse beschietingen. Willem Meijwaard (1918) groeide op in Lisse aan de Stationsweg, in een armzalig huizenblokje dat toen bekend stond als ‘De Steeg’. Hij was de oudste van de negen kinderen van zijn ouders. Volgens zijn broers en zussen was hij een vrolijke jongen op wie de armoedige omstandigheden in die tijd geen vat leken te hebben. Willem wilde gaan werken bij de politie. In 1938 tekende hij voor zes jaar bij het Korps Mariniers in Rotterdam en een jaar later werd hij uitgezonden naar Curaçao. Door de bezetting was er geen contact met Nederland mogelijk. Alleen het overlijdensbericht van zijn vader bereikte Willem Meijwaard via het Rode Kruis in 1942. Met de Prinses Irene Brigade kwam hij in 1944 weer terug naar Europa om samen met de geallieerden mee te vechten tegen de Duitse bezetter. De jonge marinier rukte met de Prinses Irene Brigade via Frankrijk en België op naar het front dat in Nederland kwam te liggen. Bij gevechten rond Eindhoven ging het mis. Willems moeder dacht toen nog dat haar zoon veilig aanwezig was op Curaçao en hoorde pas na de bevrijding in 1945 dat Willem bij de bevrijding van Oirschot op 26-jarige leeftijd was gesneuveld.De Stönner-Meijwaardbrug is een fiets- en wandelbrug over het Wilhelminakanaal in Oirschot, onderdeel van een groene verbinding van 14 kilometer tussen Eindhoven en Oirschot.

Bron:

Artikel van Ed Olivier in het Leidsch Dagblad

Willem Meijwaard

Pareltje met een Surinaamse glans

‘Ik ben ooggetuige geweest van de jammertooneelen door den al vernielende oorlog van 1812 en 1813 veroorzaakt’. Andries van Hasselaar schreef deze regels in zijn huis aan de Lisser Straatweg, nu de Heereweg. Als chirurgijn ging hij mee naar Rusland met het leger van Napoleon, maar wat hij daar aan menselijke ellende zag, was een ‘beuzeling’ bij wat hij aantrof in de leprozenkolonie Batavia in Suriname.

door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Andries van Hasselaar, vroedmeester, chirurgijn en heelmeester in Lisse, werd op 23 december 1782 in Amsterdam geboren als zoon van Jan van Hasselaar en Catharina Sophia Cardoes. Over het beroep van zijn vader tasten we in het duister. Had deze tot de stedelijke elite behoord, dan had Andries aan een universiteit medicijnen gestudeerd. Hij was ‘medisch doctor’ geweest en had de interne geneeskunde beoefend. Nu kreeg hij zijn opleiding van de Amsterdamse stadschirurgijn Hendrik Benraad. Hij was bevoegd breuken te zetten, wonden te verzorgen, operaties uit te voeren en bevallingen te begeleiden. Andries wordt volwassen in de woelige jaren van de Bataafse Republiek. De patriotten hebben de macht en de republiek is een zusterstaat van Frankrijk. In 1804 treedt hij in dienst van de marine als chirurgijn tweede klasse, een baan die hem de officiersrang oplevert. 24 februari 1804 zeilt de 22-jarige weg met de ‘flottielje van Vlissingen’, een konvooi van Bataafse oorlogsschepen dat Napoleon zou helpen bij een invasie van Engeland. (De Fransen zagen later af van dit aanvalsplan en kozen voor een economische blokkade van de Engelsen.)
De flottielje zeilt langs de Franse kust en in Andries’ officiersstamboek staat aangetekend dat hij betrokken was bij
gevechten met de Engelse vloot op 16 mei bij Knokke/Heist en een jaar daarna in juni 1805 bij twee schermutselingen met de Engelse zeemacht. In 1806 maakt hij op de schoener  De Staghouwer een gevecht mee met twee Engelse brikken. In datzelfde jaar kroont Napoleon zijn broer Lodewijk tot koning van Holland. Andries krijgt in 1807 een aanstelling als chirurg derde klasse aan de hospitaal- en velddienst van de Hollandse armee. In 1808 wordt hij bij de kust van Walcheren ingekwartierd.

1805 – E. Hoogerheijden – Flottielje van de Bataafse Republiek in de
haven van Vlissingen – Collectie Scheepvaart Museum, Amsterdam

Hollanders en Fransen verwachten een invasie van de Engelsen bij Walcheren, die via de Scheldemond Antwerpen willen bereiken. De legers van de kleine keizer vechten
tegen de Engelsen in Spanje en Portugal, tegen de Oostenrijkers in Noord-Italië en Oostenrijk. De Engelsen ruiken hun kans de Franse marine in Antwerpen een slag toe te brengen. Ze zetten met een grote vloot meer dan veertigduizend soldaten over op Walcherse bodem. Op 13 augustus 1809 bombarderen de Engelsen Vlissingen. De Fransen slagen erin troepen over te brengen naar de forten langs de Schelde en de Engelsen geven hun plan Antwerpen te bezetten op. Ze trekken zich terug op Walcheren waar 40% van de soldaten wordt getroffen door de Walcherse of Zeeuwse koorts, een soort malaria veroorzaakt door een mug die zich graag in brak water ophoudt. Al verzwakt door de Walcherse koorts sterven vierduizend soldaten aan vlektyfus en dysenterie, terwijl 11.000 mannen na zes maanden nog als ziek te boek staan. Dezelfde ramp treft ook het Hollandse en Franse leger. De zieken worden overgebracht naar de hospitalen in Gent en Brugge en als die de stroom niet meer kunnen verwerken naar andere steden, waaronder Amiens. ‘1809 tegen de Engelschen in Zeeland’ staat er in Andries’ stamboek.
We vinden Andries terug in Amsterdam in 1810. Hij gaat dan in ondertrouw met Maria Roos op 8 juni. De bruid is evenals de bruidegom rooms katholiek. Een paar maanden eerder, op 16 maart 1810, ontbond Napoleon het koninkrijk Holland en lijfde het in bij het eerste Franse keizerrijk.

Daarmee kwam Van Hasselaar door incorporatie als chirurgijn ‘sous aide’ bij het 125ste regiment van de Franse infanterie van linie en was hij overgegaan in dienst van de Fransen. Mogelijk is hij met zijn Maria en hun in 1811 in Leiden geboren dochtertje Maria Catharina naar Amiens vertrokken om daar de vele zieken en gewonden te verzorgen. In Amiens wordt op nieuwjaarsdag 1812 een tweede meisje geboren, Maria Dominique. Op 22 oktober 1812 wordt Andries ingeschreven bij de 31ste divisie 11 corps d’armee als chirurgijn aide majoor en hij zal hier bijna anderhalf jaar dienen. ‘1812 tegen Rusland’ en ‘1813 tegen de geallieerden’ staat in zijn stamboek. De geallieerden zijn de Engelsen, Russen, Pruisen, Zweden en Oostenrijkers die Napoleon bevechten. In hetzelfde jaar 1813 zet de prins van Oranje, de latere koning Willem I, voet op Nederlandse bodem. In januari 1814 wordt in Pruisen de Infanterie van linie nr. 9 opgericht voor Hollandse militairen die in Franse dienst zijn geweest. Uit zijn stamboek weten we dat Andries van Hasselaar een van hen was. Na zijn dienst gedaan te hebben in eerst het Bataafse leger en vervolgens het napoleontische, dient hij vanaf 14 april 1814 Oranje als chirurgijn tweede klasse en is aanwezig bij de blokkade van Delfzijl, de laatste stuiptrekking van het Franse leger in Nederland. Nu staat hij gewonde Nederlandse soldaten bij. 16 december 1814 gaat hij over naar het bataljon West Indische Jagers no. 11. De koloniën in Oost- en West-Indië zijn na jaren aan de Engelsen te zijn geweest, weer aan Nederland toegewezen. Voor de koloniën in de West worden twee bataljons West Indische Jagers opgericht en Andries van Hasselaar meldt zich hiervoor aan. Op 19 februari 1815 bevalt Maria van Hasselaar-Roos in Brielle van een derde dochter, die zeer jong zal zijn overleden, Maria Louisa Henrietta. De vader is dan 31 jaar. Maar voordat het gezin in de West een nieuw leven kan opbouwen, weet Napoleon op 26 februari te ontsnappen van Elba, het eiland waarnaar hij was verbannen.

De ‘Honderd Dagen’ van Napoleon kregen hun apotheose bij de Slag vanWaterloo, waar hij definitief werd verslagen. De militairen van de bataljons West Indische Jagers werden opgeroepen te vechten. Als chirurgijn 2e klasse verzorgt Andries van Hasselaar de gewonden van deze veldslag tussen de geallieerde legers en de Franse Armée. Twee jaar later krijgt hij hiervoor als beloning een geldbedrag uitgekeerd, de Waterloo gratificatie. In zijn geval bedroeg die f 393,95½, de beloning voor subalterne officieren (Stadsarchief Amsterdam, deel 720, periode 1817-1818, nr. 2847).
Tijdens de oorlogen in Europa waren de koloniën in handen gekomen van de Engelsen. Zij voerden van 1799-1802 en van 1804-1816 het bewind over Suriname. In februari 1816 kwam de nieuwe gouverneur-generaal Willem van Panhuys per schip aan in Paramaribo, evenals chirurgijn Andries van Hasselaar. Van Panhuys nam op 26 februari het bestuur over van de Engelsen. Andries’ vrouw Maria Roos geeft op 23 juni 1816 in Paramaribo het leven aan Andries Anthonius van Hasselaar. In Suriname wordt het gezin vervolgens uitgebreid met Wilhelmina Henriëtta (Paramaribo 19-01-1818), kerstkindje Rosalie Ludovica Maria (25-12-1821) en Franciscus Gerardus Wilhelmus (Paramaribo 1-05-1824). Het in Leiden geboren dochtertje, de eerste Maria, overleed in 1823 op twaalfjarige leeftijd.
Het gezin zal zijn intrek hebben genomen in een van de fraaie officierswoningen bij Fort Zeelandia, een voormalig vestingwerk dat toen dienstdeed als kazerne en later als gevangenis. In de ‘Surinaamsche Staatsalmanak van 1816’ staat Van Hasselaar vermeld als een van de twee vroedmeesters in de kolonie en als chirurgijn tweede klasse van het bataljon jagers nr. 11. op het Fort Zeelandia.
(Het is de plek waar de tegenstanders van het regime van Desi Bouterse werden vermoord in december 1982. Nu is in dit oudste gebouw van Paramaribo het Suriname Museum gevestigd.) Gelegen aan de mond van de Suriname Rivier bood het fort de bewoners een panoramisch uitzicht over land en zee.
Op zeker moment zal Van Hasselaar gestopt zijn als chirurgijn bij het bataljon West Indische Jagers, mogelijk naar aanleiding van hevige onlusten tussen de jagers en een burgerwacht van kleurlingen begin november 1820. In de ‘Surinaamsche almanakken’ van 1827 en 1828 staat Van Hasselaar vermeld als Stadschirurgijn en in die van 1828 bovendien nog als lid van het Collegium Medicum, een groep chirurgijns, dokters en apothekers. Het is in deze laatste hoedanigheid dat hij de leprozenkolonie Batavia bezoekt. Tijdens zijn twaalfjarige verblijf in de kolonie had hij in zijn praktijk als ‘visitateur van lepreuzen’ veelvuldig kennis gemaakt met lepra, een toen ongeneeslijke, besmettelijke ziekte die in Europa al eeuwen niet meer voorkwam. Weten we nu dat door de leprabacterie lepra wordt overgebracht door vooral niezen en hoesten, Van Hasselaar legt de oorzaak bij ongeremd seksueel gedrag, ongezonde voeding en erfelijke factoren. Wijdverbreid bijgeloof bij alle bevolkingsgroepen in Suriname verergerde de situatie. Leprozen werden vanaf 1824 gedeporteerd naar de ver van Paramaribo afgelegen plaats Batavia. Een commissie van vier personen, onder wie Andries van Hasselaar, kreeg de opdracht de ongeveer driehonderd bewoners van de afgelegen leprozenkolonie te onderzoeken. Het gerucht ging dat velen van hen gezond waren
en zich zo onttrokken aan hun slavenarbeid. Na de lopende patiënten te hebben onderzocht, werd men gebracht naar de hutten waar de ongelukkige bedlegerigen woonden, ‘voorwerpen van jammer en ellende’. Het is schrijft Van Hasselaar ‘onmogelijk zich een denkbeeld te maken van de monsters die wij daar aantroffen’. Het was ‘de grootste verwoesting in menschelijke lichamen’ die hij ooit zag en de stank was zo afgrijselijk dat commissieleden brakend wegliepen. De mensen die gezond leken, bleken toch aangetast door lepra en de commissie verklaarde tot algemene
opluchting alle bewoners besmet. De terugtocht van Batavia naar Paramaribo werd een helletocht. Na een dag
varen in de brandende zon, miste de commissie het schip dat hen terug zou brengen. ‘Deze nacht werd de angstvolste, die ik in mijn leven heb doorgebragt: ik heb tweemaal schipbreuk geleden, maar niet die aanhoudende angsten en schrikken uitgestaan, die zich hier, als het ware, op elkander hoopten’. Na de verschrikkingen van deze tocht kreeg Van Hasselaar een beroerte, raakte aan zijn rechterzijde verlamd, kon aanvankelijk zitten noch spreken en besloot met zijn gezin naar het moederland terug te keren.

31 januari 1829 koopt hij in Lisse de chirurgijns- en apothekerswinkel van Caspar Hendrik Wolf of Wolff gelegen
aan de Straatweg in het dorp 112, een huis met tuin en boomgaard. Daar wordt op 4 februari 1829 zijn laatste
kind geboren, een dochtertje dat de naam Angelique krijgt. Enigszins bekomen van alle emoties besluit Van
Hasselaar na een paar rustige Lissese jaren de notities over lepra die hij in Suriname had gemaakt, te publiceren. Hij verontschuldigt zich ervoor dat er in zijn boek ‘gevoelige uitdrukkingen’ voorkomen, daarmee doelend op zijn observaties over het intense seksuele leven van de leprozen, de ‘wellustige driften’ en onbegrijpelijke ‘teeldrift’. Hij beroept zich op de vrijheid van drukpers en verklaart dat hij niets heeft te verliezen. Pensioen heeft hij niet en niemand verleent hem bijzondere gunstbewijzen. Hij leeft van de inkomsten uit zijn praktijk.

Deze advertentie leverde naast een praktijkopvolger ook een schoonzoon op.

Andries van Hasselaar overleed in Lisse op 55-jarige leeftijd op 13 maart 1838. 31 maart plaatste zijn weduwe een advertentie in de ‘Opregte Haarlemsche Courant’ voor een opvolger. Thomas Nieuwenhuisen nam de praktijk over en trouwde met de oudste dochter Maria Dominique van Hasselaar. Van Hasselaar dacht destijds dat lepra en elefantiasis verwante ziekten waren. De oorzaak van lepra is echter een bacterie. De ziekteverwekkers van Elefantiasus of olifantsziekte zijn parasitaire wormen, overgebracht door de beet van een mug, die een ontstekingsreactie in de lymfevaten teweeg brengen. Van Hasselaars beschrijving van elefantiasis en lepra in Suriname verscheen in 1835 bij de Amsterdamse uitgever S. de Grebber. Van dit inmiddels zeldzame boekje van 98 pagina’s zijn slechts vier exemplaren aanwezig in Nederlandse bibliotheken. Zijn observaties over de oorzaken van lepra en het verloop van de ziekte werden opgenomen in negentiende-eeuwse geneeskundeboeken .

Dit ‘pareltje’ staat niet in de bibliotheek van de VOL, maar kan digitaal gelezen worden. Klik hier  via de volgende link: https://books.google.nl/books?vid=KBNL:UBA000016884&redir_esc=y.
Mocht u het in uw eigen kast hebben staan, Jos van Bourgondiën voegt het graag toe aan de mooie collectie boeken in de bibliotheek van de VOL.

Google Maps

Kleine kroniek van Lisse, 1940 tot en met 1949

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)                                               

24 november 2020

door Nico Groen

De ‘Kleine kroniek van Lisse’ deel 5 is onlangs uitgekomen. Het is geschreven door Arie in ’t Veld. Het eerste exemplaar is op het gemeentehuis in Lisse persoonlijk uitgereikt aan wethouder Jeanet van der Laan: “Het is mooi dat dit vijfde deel van de reeks van kleine kronieken dit jaar is uitgekomen, nu het 75 jaar geleden is dat Nederland bevrijd werd”. Dit boek is voor € 12,95 te koop bij Grimbergen Boeken. Een leuk sinterklaas- of kerstcadeau.

 

Arie is heel intensief bezig geweest met dit historisch boekje, dat hem dagenlang spitten kostte in de gemeentelijke archieven, waarbij veel informatie over de oorlogsjaren en de jaren daarna naar boven kwam. Redactioneel is meegelezen door Adrie de Roon, Chris Balkenende en Koos van der Zwet. Op de voorkant van het boekje prijkt de afbeelding van de toenmalige burgemeester Van Rijckevorsel, die in de oorlog ondergedoken is geweest bij de katholieke broeders in De Engel. Na de overhandiging aan Van der Laan vertelde de wethouder dat ze zeer blij is dat dit boekje nog op de valreep van 75 jaar bevrijding is uitgekomen. Op haar vraag welke zaken hij het meest opmerkelijk vond in die jaren, antwoordde Arie dat de toenmalige concurrentiestrijd tussen Keukenhof en de Flora tentoonstelling in Heemstede hem intrigeerde en ook de komst van het ondergrondse urinoir op ’t Vierkant, waar alleen maar mannen naar toe konden en vrouwen niet.

 

Tijdsbeeld van de jaren veertig

In dit deel van de ‘Kleine kroniek van Lisse’ is getracht een tijdsdeel te schetsen.

De periode 1940 tot en met 1949 was een enerverende tijd, ook voor Lisse. De eerste vijf jaar werd natuurlijk gedomineerd door de oorlog. In het begin was er in de media, met name in Ons Weekblad weinig te merken van de oorlog, maar meer en meer werd dit blad gebruikt voor Duitse propaganda.

Ook in het dorpse leven ging aanvankelijk alles zoals het altijd ging, maar dan wel met een ‘lading’ Duitsers op diverse plekken in het dorp. Later werd het de bezetter ernst met allerlei maatregelen. De krant mocht niet meer verschijnen en er vonden in latere jaren razzia’s plaats, waardoor veel inwoners naar kampen werden afgevoerd en soms niet meer terugkwamen. Er kwam ook steeds meer verzet onder de bevolking.

 

Na de oorlog

In het boek is te lezen, dat Lisse na de oorlog de draad weer oppakte. De ondernemers gingen er weer vol tegenaan. De politiek vergaderde er weer duchtig op los. Ook de verenigingen trachtten de draad weer op te pakken, zij het moeizaam. In het boek wordt duidelijk dat er hard gewerkt werd aan het opzetten en uitbreiden van alle voorzieningen in een dorp waar het goed wonen was.

In deze editie van de ‘Kleine kroniek van Lisse’ wordt verslag gedaan van al die gebeurtenissen. Een mooi boek om eens rustig de geschiedenis van de jaren veertig te bestuderen.

De kaft van het boek ‘Kleine kroniek van Lisse, 1940 tot en met 1949’