Berichten

Herdenking bemanning van de bommenwerper

In Lisse wordt  op 4 mei ook stilgestaan bij het B-17 monument vóór de H.H. Engelbewaarderskerk. Dit monument is op 15 september 2012 onthuld ter nagedachtenis aan de bemanning van de Amerikaanse B-17 bommenwerper, die 75 jaar geleden neerstortte bij de Engel. Het is de bedoeling dit op grootse wijze te herdenken op zaterdag 7 september 2019.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

7 mei 2019

door Nico Groen

Ieder jaar is op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg. Dit is niet de enige herdenking op 4 mei, die de Stichting Oranje-comité Lisse en de Werkgroep Nationale Herdenking 4 mei Lisse organiseren. Op dezelfde middag is er voor genodigden ook een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse en wordt stilgestaan bij het B-17 monument vóór de H.H. Engelbewaarderskerk.

 

De tekst op het monument is als volgt:
“8TH AIR FORCE, 457TH BOMB GROUP, 749TH BOMB SQUADRON.
OP 26 SEPTEMBER 1944 STORTTE, IN HET LAND ACHTER U, DE AMERIKAANSE B-17 BOMMENWERPER ‘JAYHAWK’ NEER. DE B-17 BOMMENWERPER KEERDE TERUG VAN EEN MISSIE NAAR OSNABRUCK (DUITSLAND) ALS HET NABIJ DE KUST VAN IJMUIDEN TWEEMAAL WORDT GERAAKT DOOR DUITS LUCHTAFWEERGESCHUT. TWEE BEMANNINGSLEDEN OVERLEEFDEN DE CRASH NIET.
MET DIT MONUMENT HERDENKEN WIJ DE DAPPERE BEMANNING VAN DE ‘JAYHAWK’ DIE VOCHT VOOR ONZE VRIJHEID!”

Daarna volgen de namen van de bemanningsleden.

Dit monument is op 15 september 2012 onthuld ter nagedachtenis aan de bemanning van de Amerikaanse B-17 bommenwerper.

Zoals de tekst op het monument al zegt was de bommenwerper geraakt door afweergeschut. Het vliegtuig was zwaar beschadigd. Wanhopig probeerde de bemanning het toestel in de lucht te houden om naar het al bevrijde zuiden te ontkomen. Toen ze nabij Lisse waren, werd de beslissing genomen het toestel te verlaten. Het toestel zou niet langer blijven vliegen en iedereen sprong er uit. De bemanning kwam verspreid neer en probeerde zo goed als het ging bescherming te vinden tegen de Duitsers. Vier bemanningsleden werden geholpen door omstanders. Later werden zij door het verzet geholpen aan onderduikadressen. Twee braken hun rug tijdens de landing met hun parachute en werden krijgsgevangen gemaakt. Een derde wilde zijn helpers niet in gevaar brengen en besloot zich over te geven aan de Duitsers. Eén bemanningslid kwam neer in een meer en verdronk. Zijn lichaam werd weken later teruggevonden. Een ander bemanningslid was al dodelijk getroffen in het toestel.

In 2012 is ook het boek ‘Broken Wings: The True Story of a B-17 Bomber Crew Lost Over Holland in September 1944’ uitgegeven. Daarin is door Harold Jansen en Erwin de Mooy  de geschiedenis van de Bommenwerper Jayhawk en zijn bemanning opgetekend.

Grootse herdenking in september 2019

In september is het dus 75 jaar geleden dat de bommenwerper neerstortte. Het is de bedoeling dit op grootse wijze te herdenken op zaterdag 7 september 2019. Deze herdenking zal plaatsvinden in en nabij de H.H. Engelbewaarderskerk in de Engel. Vlakbij het monument dus. Erwin de Mooy is de aanjager voor deze herdenking, waarbij hopelijk ook nabestaanden van de bemanning aanwezig kunnen zijn. De VOL verleent zijn medewerking. Het programma is nog niet rond, maar te zijner tijd hoort en leest u hier ongetwijfeld meer over.

Dit monument is in 2012 aangeboden door Damo Natuursteen uit Hillegom.
Foto: Nico Groen

Gevolgen van de Eerste Wereldoorlog in Lisse



Ongeveer vijfhonderd Belgische vluchtelingen werden tussen oktober 2014 en januari 2015 ni Lisse opgevangen.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

29 januari 2019

door Nico Groen

In november 1918 werd eindelijk de vrede getekend van de Eerste Wereldoorlog.  Hoewel Nederland neutraal was, had deze oorlog heel veel gevolgen voor Nederland. Wat heeft Lisse van deze oorlog gemerkt? Zoals bekend was er in die tijd veel armoede. Dus ook in Lisse, vooral omdat de bloembollen toen niets waard waren. De werkgroep Genealogie en

Historie van de Cultuur-Historische Vereniging Oud Lisse vroeg zich af welke gevolgen er nog meer waren voor de Lissese gemeenschap. Zij heeft het archiefmateriaal uit het gemeentearchief bestudeerd. Het bleek dat Lisse enige tijd veel Belgische vluchtelingen heeft opgenomen.

Vijfhonderd vluchtelingen in Lisse

Ongeveer vijfhonderd Belgische burgervluchtelingen werden tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 in Lisse opgevangen. De Duitse legers waren op 4 augustus 1914 België binnengevallen met het plan om Frankrijk te veroveren. Daarmee begint in dit deel van Europa de Eerste Wereldoorlog. Als gevolg van de inval zoeken Belgische burgervluchtelingen massaal een veilig heenkomen in zuidelijk Nederland. Voor hun opvang wordt ook al snel een dringend beroep gedaan op andere noordelijke gemeentes. Dus ook op de gemeente Lisse. Op zaterdagavond 10 oktober 1914 staan bijna vijfhonderd mannen, vrouwen, opgeschoten jongens, schoolmeisjes en een heleboel kleine kinderen op het winderige station van Lisse. De Lisser dagbladcorrespondent Arie Raaphorst beschrijft de betreurenswaardige aanblik van de stoet Belgische vluchtelingen die Lisse binnenkomt onder andere met: ”…want behalve wat zij aan het lijf hadden, waren ze van alles beroofd. Alles hadden zij achter moeten laten. Slechts een paar dieren zijn meegekomen, zoals een poesje, drie konijntjes in een kistje, een klein smoushondje in de armen van een van de jongetjes”.

Het Steuncomité Lisse draait op dat moment overuren. De eerste noodopvang is vooral in de katholieke jongensschool aan de Heereweg, maar al binnen enkele dagen worden de meeste vluchtelingen ondergebracht bij Lissers thuis. Zij die gastvrijheid bieden, krijgen hiervoor een vergoeding toegezegd. De bewaard gebleven documenten geven een behoorlijk goed beeld van die tijd.

Kort na de val van Antwerpen worden de burgervluchtelingen door hun stadsbestuur opgeroepen weer terug te keren. Daar zou het inmiddels veilig genoeg zijn. De vluchtelingen  willen graag naar huis, maar durven eigenlijk nog niet. Toch keren eind oktober 1914 al achtentwintig vluchtelingen vanuit Lisse naar Antwerpen terug.

Der overheid stimuleerde  opvang in goedkopere centra in plaats van bij particulieren. Daarom werden de overgebleven vluchtelingen uit Lisse naar Gouda overgebracht. Zij vertrokken op zaterdagmiddag 9 januari 1915 per trein vanaf het station van Lisse. Voor ‘vrijen overtocht’ en ‘overbrenging hunner goederen naar het station’ werd gezorgd. Daarmee kwam er een einde aan een korte maar turbulente periode.

Bovenstaande is ontleend aan een uitvoerig artikel van Laura Bemelman in het tijdschrift voor familiegeschiedenis Gen. Magazine, nummer 4 van december 2014. Dit artikel staat ook op de website van de VOL, te bekijken met de volgende link https://oudlisse.nl/historie/7658/ .

De enige foto die herinnert aan het verblijf van de Belgen in Lisse: vluchtelingen op de trap van het Gemeentehuis. Part. Coll Het is voor zover bekend de enig bewaard gebleven beeldherinnering aan de vluchtelingen die tijdelijk in het dorp hebben gewoond.

De Beekbrugschool tijdens de oorlog

De Beekbrugschool stopt zijn activiteiten. Het wel en wee tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

3 juli 2018

 Nico Groen

Aan het einde van het schooljaar 2017-2018 sluit de school Beekbrug zijn poorten. Het aantal leerlingen is te laag voor het voortbestaan van de school. In vorige columns van Sporen van vroeger hebben we de geschiedenis van de school en het gebouw als monument beschreven. Omdat er over de periode rond de Tweede Wereldoorlog veel te melden is, komen we nogmaals terug op de Beekbrugschool.

De gymzaal was al in 1931, een jaar na de nieuwbouw, omgebouwd tot bewaarschool. De leerlingen konden dus geen gymles meer volgen. Dat vonden de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog niet goed: de kinderen moesten wel gymles krijgen. De bezetters vonden namelijk dat kinderen sportief en gezond moesten zijn. De oude bewaarschool werd daarom weer ingericht als tot gymzaal. De bewaarschool werd overgebracht naar het Verenigingsgebouw dat vóór de bouw van de H.H. Engelbewaarderskerk dienst had gedaan als noodkerk. Nu is in dat gebouw zalencomplex De Kleine Engel gevestigd. Tijdens het laatste gedeelte van de oorlog barstten de scholen uit hun voegen. Na de oorlog werd de gymzaal maar weer omgetoverd tot klaslokaal.

Tot 1941 hadden de leerlingen op woensdag- en zaterdagmiddag vrij. De schaarste aan steenkolen en andere brandstoffen leidde ertoe dat de kinderen op woensdagmiddag naar school moesten. Op zaterdag kregen ze dan de hele dag vrij. Bovendien was er al die jaren een lange wintervakantie van half december tot twintig januari in verband met de brandstofschaarste.

Bezet door de Duitsers

Begin december 1944 worden het Verenigingsgebouw en de beide scholen bezet door de Duitsers. Zij hebben daar nog geen maand doorgebracht, maar het had wel grote gevolgen. Om het warm te krijgen hebben ze in die tijd alle stoelen en banken opgestookt. Ook de radiatoren waren vernield. Volgens pastoor J.C. de Groot waren de radiatoren uit baldadigheid door de Duitsers stukgeschoten. Het gevolg was, dat de kinderen die winter niet meer naar school konden. “We leven in de catacombentijd. Slechts het allernoodzakelijkste kan doorgaan” somberde de pastoor.

Burgemeester duikt er onder

De jongens kregen  les van de broeders van Saint Louis uit Oudenbosch, die in De Engel in het broederhuis woonden. In de laatste oorlogswinter kwam er een ‘broeder’ bij. De burgemeester van Lisse, Jhr. Mr. F.J.C.M. van Rijckevorsel, was er toen ondergedoken. Hij vreesde namelijk opgepakt te worden door de bezetters. Hij was ondergedoken onder de naam broeder Seraphinus.

Bovenstaande gegevens en die van de vorige 2 columns van Sporen van vroeger zijn voor een deel ontleend aan de herdenkingsboekjes ter gelegenheid van het 50- en 75-jarig bestaan van de Engelbewaarderskerk.

Een luchtfoto van de school, gemaakt na de bouw in 1930. Foto: Beeldbank Lisse.nl

 

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Teun Kulk, oorlogsslachtoffer van WOII

Teun Kulk ligt begraven op Duinhof. Hij overleed als militair bij een bombardement.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

8 mei 2018

Door: Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de kranslegging bij het ´Monument voor de Gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Het is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.
Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vier oorlogsslachtoffers. Er is ook nog een tweede graf. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Begraven op Duinhof

Een van die twee is van Teun Kulk, geboren op 22 juni 1915. Teun overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940. Hij was toen 24 jaar oud. Hij werd daarna begraven bij de kerk in Valkenburg. Op 11 juni 1940, een maand na zijn overlijden, krijgt zijn familie aan de Achterweg pas bericht dat hij is overleden. Al die tijd hebben zij zich afgevraagd of hij dood was of toch nog in leven. Teun kon worden begraven op de militaire begraafplaats in Katwijk, maar de familie wilde liever dat hij in Lisse zou worden begraven. Er was echter geen geld om dit te realiseren. Vader Kulk besloot om het geld van het spaarbankboekje van zijn zoon hiervoor te besteden. Het rouwtransport vond uiteindelijk plaats op 18 juli 1940. De Hervormde Kerkvoogdij gaf een bijdrage, overwegende: “dat hij het hoogste dat hij bezat, namelijk zijn leven, heeft geofferd voor zijn vaderland, dus ook voor allen, zouden wij het zeer op prijs stellen zijn nagedachtenis te mogen eren, door een bijzonder mooie plaats beschikbaar te stellen op begraafplaats Duinhof. Zodat zijn heldendood ook tot het nageslacht moge spreken”.
In de kerk kwam een inzamelingsactie op gang voor een bijzonder grafmonument. Op 19 april 1941 werd dat monumentale grafmonument op het graf van Teun Kulk onthuld door ds. J.Th. van Veen. Wethouder P. Warmerdam heeft de vader, de moeder en de verloofde Bep Boon en overige familie en vrienden toegesproken. Het toeval wil dat wethouder Warmerdam’s geadopteerde zoon Rinus, die ook in dienst was, op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, ernstig gewond raakte en op 12 mei was overleden.
Vermeldingswaardig is nog dat aan Teun Kulk op 1 oktober 1948 het Oorlogsherinneringskruis werd toegekend voor bijzondere krijgsverrichtingen.

‘Wat toch een tijd’

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Lisse en omstandigheden waaronder zij zijn omgekomen.
Het boek is te leen bij de bibliotheek van Lisse.

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Foto: Het monumentale grafmonument van Teun Kulk op begraafplaats Duinhof. Foto: Nico Groen

Lisse in de eerste wereldoorlog in de winter van 1917/1918

Nederland was in de Eerste Wereldoorlog neutraal. We zijn dus toen niet in oorlog geweest. Dat wil niet zeggen dat er geen gevolgen in Nederland en speciaal in Lisse zijn geweest.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

10 april 2018

door: Nico Groen

Vooral in de laatste winter van de oorlog (1917/1918) was er een gebrek aan heel veel basisbehoeften vanwege de stagnerende im- en export. Veel etenswaren en onder andere zeep gingen op de bon. Door deze situatie verzwakten de mensen tot een bedenkelijk niveau. Daardoor kon de Spaanse griep ernstig toeslaan en stierven in Nederland tienduizenden mensen aan deze griep.

Situatie in Lisse
Zo erg als in de steden, zal het in Lisse tijdens die laatste oorlogswinter niet zijn geweest.
We hebben echter bij een oppervlakkige verkenning erg weinig archiefmateriaal over Lisse kunnen vinden. Om meer te weten te komen over die periode van 100 jaar geleden is serieus onderzoek nodig.  Wel is er veel informatie over het eerste jaar van de oorlog, toen er in 1914 in Lisse veel Belgische vluchtelingen onderdak vonden. Over deze vluchtelingen is een artikel in het Nieuwsblad van januari 2015 van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”  verschenen.

Krant uit 1918
Volgens de krant ‘De Volksvriend’ was er in Lisse vooral sprake van prijsopdrijvingen.
‘De Volksvriend’ was een Nederlandstalige krant uit Orange City in Iowa. Orange City is gesticht door Nederlandse immigranten in de 19e eeuw. De naam verwijst naar Prins Willem III, geboren in 1650. Vanaf 1672 was hij stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Later werd dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1689 werd Willem ook koning van Engeland en Ierland.
Orange City bestaat nog steeds. Er zijn bijna 6000 inwoners. Ongeveer de helft  is van Nederlandse komaf.

Onderstaande stond in ‘De Volksvriend’ van 21 maart 1918:  “Volgens een brief uit Lisse, Nederland, die ons ter hand gesteld werd door bakker Kluis, moet het er daar tamelijk krap beginnen bij te staan. Koek wordt voor anderhalve gulden het pond verkocht ‘en dan weet je nog niet wat je krijgt’. Melk is 27c, boter f 1.75, rundvet f 1.25 of f 1.50 per pond. Gewoon geel katoen, dat vroeger 10 of 12c kostte, kost nu 59ct. Gewone schoolkousen, f 2.50; andere kousen tot 6 gulden; sajet tot f 2.25 per knot. De kousen worden dan ook al wat ingekort. Schoenen zijn ook zeer duur. ‘En kon men dan alles nog maar krijgen, maar het heugt me niet dat ik rijst geproefd heb, of havermout, of meel, niets is er te krijgen’.
Eenmaal per dag kan men slechts brood krijgen en dan maar weinig, zoodat tweemaal warm eten gekookt moet worden. Dit gaat met nieuwe moeite gepaard, daar er zoo weinig vet is, een half ons per persoon per week, 40c ’t pond. Vleesch is 75 of 90 cent per pond. Spek niet te krijgen. Brandstof is er ook niet ruim; steenkool zoo goed als heel niet. Klompen kosten f 1.50 en f 1.75 per paar. Toch is er nog geen honger volgens den schrijver en kan men, al is het dan ook duur, de nodigste levensmiddelen nog bekomen”.

Al met al was er in die winter een zorgelijke situatie in Lisse.

In Orange City in Iowa wordt nog ieder jaar een tulpenfestival gehouden. Foto: VVV Orange City

GEVOLGEN VAN DE REFORMATIE IN LISSE

De katholieken moesten uit de grote kerk. De schuilkerk aan de Achterweg wordt beschreven. Wat zijn Klopjes? 

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

24 oktober 2017

door Nico Groen 

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg in Duitsland. Dit is het symbolisch begin van de Reformatie. Dat is dus precies 500 jaar geleden. De Reformatie is de afscheiding van de protestanten van de R.K. Kerk. Er heerste grote armoede en er was veel onvrede binnen de R.K. Kerk, onder andere door de vervolging en verbranding van ketters. Voeg hieraan toe het mislukken van de oogst in 1565 en de daarop volgende voedseltekorten dan zijn alle ingrediënten aanwezig voor een volkswoede. Dit ontaardde in 1566  in de Beeldenstorm. Het gevolg was de tachtigjarige opstand tegen Spanje, die in 1568 begon. Onder andere Leiden (1573/74) en Haarlem (1572/73) werden belegerd door de Spanjaarden.  Dat had tot gevolg dat ook in Lisse de kerk, boerderijen en woningen werden vernield.
 
Schuilkerk bij de Engel
De katholieken in Lisse kerkten in de Dorpskerk op ‘t Vierkant. Tijdens de Beeldenstorm werden de beelden van de heilige Agatha en van Maria vernield en verwijderd. De sieraden, zoals rozenkransen werden gestolen en later verkocht. In 1579 werd bepaald, dat de Nederduitse Gereformeerde Kerk in de Noordelijk Nederlanden voortaan de publieke kerk moest zijn. De R.K. Kerk werd verboden. De protestanten namen de kerk in bezit evenals de pastorie op ’t Vierkant.
De katholieken kwamen in het geheim bij elkaar. Zo was er op landgoed Meerenburgh een kapel, waar een kapelaan de mis deed. Ook werden daar monniken opgevangen.
Na een aantal jaren werden de verhoudingen tussen de twee geloofsgemeenschappen gestabiliseerd. Omstreeks 1630 werd oogluikend toegestaan, dat ten westen van de Achterweg, net ten noorden van het Mallegat, bij de Engel een schuurkerk of schuilkerk werd gebouwd. Dit tegen een jaarlijkse betaling van zogenaamde recognitiegelden voor een officiële vergunning. Van deze kerk is geen afbeelding bekend, maar in 1710 wordt op dezelfde plaats een nieuwe kerk met een fraaie pastorie gebouwd. De nieuwe kerk werd bijna 10 meter diep en twintig meter breed aan de voorkant. De kerk werd gebruikt tot 1843 en later gesloopt. Op de tekening hiernaast is rechts de kerk en links het pastoorshuis te zien, met linksvoor een bijkeuken of iets dergelijks. De tekenaar stond ten westen van de kerk, omdat aan de kant van Achterweg niets te zien mocht zijn wegens mogelijke aanstoot. Daar waren bosschages, boomgaarden en een schutting. Op het binnenplaatsje voor de pastorie is een muur te zien met een soort tuinhuisje en daarnaast een poortje, waar  mogelijk een geestelijke dochter, een zogenaamd Klopje, staat. Er waren daar meerdere Klopjes. Klopjes zijn alleenstaande vrouwen, die een kuisheidsgelofte hebben afgelegd. De Klopjesbrug ter plaatse over het Mallegat is naar hen vernoemd, evenals boerderij Klopjeshoven, die aan de overkant van het Mallegat stond.
In Lisse was veel corruptie, waarbij ambtenaren en bestuurders tegen betaling een oogje dichtknepen. In Lisse was de eigenaardige situatie ontstaan dat de katholieke ambachtsheer van Lisse de protestante dominees moest aanstellen. Dit gaf vele onverkwikkelijke situaties.

Het meeste van bovenstaande is ontleend aan het boekje ‘De Aagtenkerk van Lisse’ van A.M. Hulkenberg uit 1960.

Rechts de achterkant van de schuurkerk aan de Achterweg bij het Mallegat Foto: Beeldbank Lisse

OORLOGSGRAVEN IN LISSE

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)                             3 mei 2016

door Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Dit is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.

Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Deze erebegraafplaats bestaat sinds 1992. Toen werden stoffelijke resten van vier gevallenen  herbegraven. Daarvóór lagen de gesneuvelden her en der verspreid over de begraafplaats en bij de Engelenkerk. Het kerkbestuur reageerde daarmee op een voorstel van de Stichting Oorlogsgraven. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Een van hen is Teun Kulk, geboren op 11 mei 1915. Teun Kulk overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940.

Bert Kroon stierf op 1 februari 1944, nog geen 21 jaar oud, in een barakkenkamp voor militairen in Amersfoort. Hij had een gevaarlijke vorm van difterie. Hij was na verraad van NSB’ers in het Groningse Doezum opgepakt door de Duitsers. Hij is ook op Duinhof begraven.

Rinus Warmerdam, is geboren op 25 januari 1918. Op 10 mei 1940, de eerste oorlogsdag, is hij ernstig gewond geraakt. Als militaire koerier is hij van zijn motor geschoten. Hij overleed op 12 mei 1940 in Wassenaar, waar hij eerst is begraven. Op 22 januari 1944 is hij herbegraven op de begraafplaats van de Agathakerk.

Aart van Dijk is geboren op 2 januari 1914 en overleden op 19 januari 1945 Tijdens een razzia in Hillegom werd hij door de SD doodgeschoten.

Jan de Haan was gemeentesecretaris van Lisse. In de oorlog hielp hij vele mensen. Op 19 februari 1944 werd hij gearresteerd en naar het beruchte kamp Vught gebracht. In september 1944 is hij onverwacht vrijgelaten. Hij was volkomen uitgeput en is daar niet meer overheen gekomen. Hij overleed op 9 oktober 1946.

Willem Heemskerk is in de nacht van 2 op 3 mei 1945, net voor de bevrijding, neergeschoten door dronken, gedeserteerde Duitse soldaten bij zijn huis in de Engel. De Duitsers waren op strooptocht. Hij was 55 jaar.

Als laatste staat op de gedenksteen van het eregraf de naam van Frans Snaar. Zijn naam staat ook op het familiegraf van Snaar. Hij is geboren op 20 april 1924 en overleden op 10 november 1943 in Rudisleben, Landkreis Arnstadt. Hij was tewerkgesteld in Duitsland.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over de omstandigheden waaronder bovenstaande en andere oorlogsslachtoffers zijn omgekomen.

Rechts ligt het eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Foto: Nico Groen

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

De Conscriptie

Napoleon voerde in 1810 de algemene dienstplicht in om tegen de russen te vechten. Alle  jongemannen geboren in 1788 in oa Lisse moesten zich melden. Er waren uitzonderingen. Lisse moest 17 manschappen leveren. Zij moesten zich in de Witte Zwaan inschrijven. Namen en omstandigheden van de Lissese rekruten worden beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Als in 1810 Napoleon zich, ondanks alle gesloten verdragen, bedreigd voelt door de Russische tsaar Alexander en zijn legers, besluit hij de tsaar voor te zijn en met een enorme legermacht Rusland binnen te trekken en Rusland aan zich te onderwerpen. Hiervoor waren soldaten nodig, heel veel soldaten. In het diepste geheim begon hij troepen en materialen samen te trekken in Oost Pruissen om van daar uit Rusland binnen te trekken. Alle door hem veroverde landen, welke toen deel uit maakten van het Franse Keizerrijk, kregen bij Keizerlijk decreet de order soldaten te leveren. Zo ook in Nederland. Hiervoor werd de “Conscriptie” ingevoerd, wat vertaald betekent “Loteling”.
Hiermee werd de invoering van de algemene dienstplicht een feit, ook in Lisse. Heel Nederland was ingedeeld in Arrondissementen, naar Frans voorbeeld, en deze waren weer opgedeeld in Kantons, kleinere bestuurlijke eenheden. Lisse lag in het Arrondissement ” Département des Bouches de la Meuse”, ofwel Departement van de Monden van de Maas, en was begin 1811 de Hoofdplaats van het 11e Kanton Lisse.
Verplicht dienst nemen in Leger of Marine was altijd een niet te bespreken issue geweest in de Republiek en ook nu verwachtte men massaal verzet hier tegen. Maar buiten enige schermutselingen in met name de Zaanstreek werd de invoering van de dienstplicht gelaten geaccepteerd. Zo verscheen op de voorpagina van de Leydse Courant, ofwel “ Gazette de Leide” van 20 maart 1811, in zowel het Frans als in het Nederlands, de oproep te verschijnen door het navolgende, door de Prefect, Baron de Stassart, geplaatste bericht:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect der Monden van den Maas, heeft door eene Circulaire, geadresseerd aan den Heeren Maires van het Eerste Arrondissement (die van den Haag) de dagen en uuren van de Loting van de Conscriptie bepaald.”

G. de Stassart

De Prefect, Baron G. de Stassart

Voor het 11e Kanton, Lisse, gold dat de opgeroepen jongelieden zich op 22 maart 1811 om acht uur ’s morgens moesten melden in Lisse, om vervolgens in het Rechthuis van Lisse, “Logement de Witte Zwaan”, een lot te trekken uit de grote schaal met nummers. Alle jonge mannen welke in 1788 waren geboren uit de dorpen Warmond, Oegst- en Poelgeest, Rijnsburg, Voorhout, Noordwijkerhout, Noordwijk, Noordwijk aan Zee, Sassenheim, Lisse en Hillegom, de Lichting 1808, werden met terug werkende kracht aan loting en keuring onderworpen. Om onder de dienstplicht uit te komen waren wat regels opgesteld. Was een Loteling voor februari 1811 gehuwd, werd hij vrijgesteld. Was hij de enige of oudste zoon van een weduwe, werd ook vrijstelling verleend. Ook kon men gebruik maken van een vervanger, de z.g. Remplaçant. Dat was iemand die zich voor veel geld bereid verklaarde om de plaats van de dienstplichtige over te nemen, meestal arme sloebers welke de koopsom heel goed konden gebruiken. Maar ook hier aan waren regels verbonden. Zo lezen we verder in de bovengemelde Courant:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect van het Departement der Monden van de Maas. Vermeend zyne onderhorigen te moeten waarschouwen, dat Myn Heer den Staatsraad, Directeur-Generaal der Conscriptie, beslist hebbende, dat de klassen voor gaande aan die van 1808, vrijgesteld zyn, zullende de opgeschrevenen, die zich willen doen vervangen,hunne plaatsvervangeners moeten nemen , onder de Mannen, die voor 1 January 1788 geboren zyn en het 30e jaar nog niet bereikt hebben. Zy moeten de lengte van 1 meter 649 millimeter ten minste hebben, van een sterke gesteldheid zyn, hoegenaamd geene gebreken hebben, in dit Departement geboren zyn. Zy moeten bovendien niet alleen tot geen schande of straffe ten lyve verwezen geweest zyn,maar nog een goede naam genietenen te dien einde een Certificaat van den Maire van hun verblyf inleveren, bewijzende hun zedelyk gedrag. De slegte keus der Plaatsvervangers,steld de vervangenen bloot dezelven ten hunne kosten van de Regimenten te zien terug gezonden en er anderen te moeten leveren. Zy waarborgen dezelven gedurende twee jaren.

Den Haag den 17 maart 1811.

G. de Stassart”

Een Remplaçant kopen was maar voor zeer weinigen weggelegd gezien de enorme kosten welke dit met zich meebracht. Was het in vroeger tijden een makkie om de pastoor of dominee om te kopen om een vervalst doopbewijs te verkrijgen, met de invoering der Burgerlijke Stand was dit onmogelijk geworden. Verder wordt in dezelfde Courant vermeld dat de Loting op 22 maart 1811 ten 08.00 uure in het Rechthuis te Lisse zal worden bestierd door de onder-Prefect van het 1e Arrondissement. Ook wordt beschreven dat het 1e Arrondissement in totaal 217 mannen zal moeten leveren waarvan het Kanton Lisse er 17 voor zijn rekening neemt. Het moet een drukte van belang zijn geweest die morgen op het lommerrijke Vierkant. Honderden jongemannen, zenuwachtig, misschien prikkelbaar, maar ook hongerig, zodat vermoedelijk de plaatselijke winkeliers en horeca een flink graantje mee pikten van het Loting gebeuren. In de Witte Zwaan was een lange tafel geplaatst waaraan de sous-Prefect zitting had geflankeerd met enige Griffiers. Ook was in en om de Zwaan een groot aantal Franse Gendarmes aanwezig om ieder teken van opstand of weigerachtigheid de kop in te kunnen drukken. De meesten van deze jongens welke voor de Loting kwamen waren nog nooit buiten hun dorp geweest en wisten nog niets van de wereld, al zullen er ook wel zijn geweest welke verlangden naar de veronderstelde vrijheid welke de militaire dienst met zich mee bracht.

De honger naar soldaten was zo enorm groot dat bij Keizerlijk decreet was bepaald dat alle jongens, ongeacht de leeftijd, welke in Arm- of Weeshuizen werden opgevoed ter beschikking van het Keizerrijk zouden worden gesteld en in Versailles een militaire opvoeding zouden krijgen in de Kazerne-scholen van de pupillen van de Keizerlijke Garde. Zo verdwenen uit Nederland in totaal 1039 kinderen. Niet bekend is of zich hierbij ook kinderen uit Lisse bevonden. Voor zo ver mij bekend is hier naar nooit onderzoek gedaan. Wie waren deze 17 jongelingen uit Kanton Lisse welk het ongeluk hadden een nummer te trekken welke je van het ene op het andere moment van landarbeider tot soldaat veranderde. Er zal veel hartverscheurend afscheid zijn genomen, voor de meesten voorgoed. Zo vertrok een trieste colonne jonge mannen, bewaakt door Franse Gendarmes ten einde desertie te voorkomen, uit Lisse richting Frankrijk om daar een korte militaire opleiding te krijgen en vervolgens ingezet te worden aan een van de vele fronten. Een langdurige zoektocht langs allerlei archieven bracht me op een website van het Franse Ministerie van Defensie waar ik de stamboeken vond van enige militaire eenheden uit die tijd en met verbazing vond ik daar honderden Nederlanders welke ingelijfd waren in de Franse Cohorten. Het is het topje van een enorme ijsberg waarin ik enige jongens uit Kanton Lisse terug vond. Daar voor had ik een overlijdakte van een van hen gevonden, in de overlijdregisters van Lisse. Hierin wordt vermeld dat Guillaume Jacques van der Son, inwoner van Lisse, fuselier bij het 124e Regiment Infanterie Linie, 2e bat. 3e Comp. sinds 17 Junij 1811 ingelijfd bij dit regiment in Abbeville, opgenomen was in het Militair Hospitaal in Leiden en aldaar op den 31 Mei 1812 was overleden. (Lisse.1813.folio.9). Jacob was de ochtend van de loting nog optimistisch en vol vertrouwen geweest. Hij had lot nummer 28 getrokken en dacht ruim veilig te zijn. Tot zijn afgrijzen was hij niet veilig genoeg en ook hij werd op mars gezet naar de stad Abbeville, waar zich de kazerne bevond van het 124e Regiment Infanterie Linie. Hij staat vermeld in de Stamboeken als No: 3269.

 

De waert en zijn gasten

In 1589 zijn ze vertrokken. Jacob Heemskerck is uitbater van de herberg Aan het kerkhof. Later heette de herberg Het wapen van Lisse. Diverse wetenswaardigheden worden besproken.

 door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

We schrijven 1589. De Spanjaarden zijn vertrokken en lieten door plundering en brandstichting in Lisse en omgeving een arme bevolking achter, afgebrande boerderijen en een uitgebrande kerk zoals in alle omringende dorpen het geval was. De oorlog heeft een grote impact gehad, ruim honderd jaar later wordt nog steeds over de afgebrande boerderijen geschreven die zijn “geamoveert”.
Jacob Florisz.Heemskerck, waert aan het kerkhof geboren in 1537 met zijn vrouw Arendje Dirksdr.Duycker, dochter van Dirck Cornelisse Duycker, zijn de uitbaters van de herberg aan het kerkhof. Arendje was dienstbode geweest bij haar oom en tante Jan Cornelisse Duycker en Maritje Willemsdr., de vorige eigenaars van de herberg aan het kerkhof. Uit dankbaarheid voor alle zorg maakte het echtpaar, bij testament van 12 mei 1564 bij Notaris Storm in Leiden, Arendje tot enige erfgenaam. Het echtpaar is kinderloos overleden. De herberg, in de volksmond steeds “herberg aan het kerkhof” genoemd, werd later “het wapen van Lisse”. Het had al een goede naam, schout en burgemeesters vergaderden er lange jaren. Later, na 1600, werd dit overgenomen door “de Swaen”. Was deze herberg er al of was die net gebouwd? Voor 1600 wordt er niet over gesproken en na 1600 komt deze telkens in akten terug. Jacob en Arendje hebben de herberg zo’n dertig jaar gerund. Zij kregen samen 6 kinderen. Na haar overlijden trouwde Jacob opnieuw en kreeg nog een dochter, Annetje. In 1604 was Jacob Florisz.Heemskerck reeds overleden en heeft zijn tweede vrouw, Maertge Engelsdr. Duijndam de herberg voortgezet tot dat haar stiefzoon Engel Heemskerck, geboren in 1586 oud genoeg was om de
Het herberg over te nemen. De schout en schepenen zetelden toen al in “ De Witte Zwaan”, of de “Swaen”. De gasten waren rond die tijd niet altijd betalende gasten. Er trokken vreemde troepen door de streek, een Engels vaendel dat van Beverwijck naar Den Haag passeerde op doorreis, vroeg onderdak, drank en eten. Over betalen werd niet gesproken, daar had men al meer mee te maken gehad. Er staat: ”LXI mannen op ten huysman gelogeert in december 1589”. Eerst dacht ik dat dit een herberg was, maar het ligt anders. Het is een uitdrukking uit de 16e eeuw van soldaten, loopende op den huysman,” afteeren ende doende alderhande quaet “. Of wel leg de kosten maar bij een ander, en wel bij de belastingbetaler. De waard werd er mee opgezadeld. Vandaar diende Jacob Heemskerck zijn rekening van gemaakte kosten in bij de schout, voor het vaendel 5 pond en 13 stuivers, en verder van de nodige vergaderingen van o.a. Item noch bij den voors. Ambtsbewaerders, gesworens, kerckmeesters ende meer ander, tot twee reysen verteert opte examinatie van den nyeuwen schoolmeester, zoe daer een yge faulten waren, tsamen een somma van 23 pond 10 stuyvers en 8 dinars. Het vaendel werd over verschillende herbergen verdeeld en bestond uit 56 man, later kwamen er nog 5 drostenknechten bij. Ook bij Harman de Vryes, Wipkesz. waert in “het Rode Hart” geboren in 1545 en gehuwd met Anna Wybens. Hij komt voor op de lijst van weerbare mannen van 1585 en was uitgerust met hellebaert en ponyaert. Herberg “het Rode Hart” is later omgedoopt naar “ in de Drie Wouldt-vriesen”, naar zijn drie zonen genoemd. Ook Cornelis Pietersz.Backer diende zijn rekening in en berekende dat iedere man van het vaendel verteert hadde acht stuuvers, tsamen XXIIII pond VIII stuivers . Hij was waert in een herberg waarvan we de naam nog niet hebben gevonden. Was het “in de Groene Valck”, of in de deftige herberg “ in de koning van Bohemen” of “De Couden Oven”? Alle gemaakte kosten werden wel vergoed, misschien van hogerhand of wel uit ’s lands kas betaald. Arendje Duycker, dienstbode en herbergierster overleed na de geboorte van haar zesde kind in 1590 en werd bij de kerk begraven.

Bron. G.A.Lisse inv.nr.55