Berichten

PROTESTMARS IN LISSE 1968

In 1968 werd er door twee muloleerlingen een heuse protestmars georganiseerd. Aanleiding was de inval van de Sovjetunie in Tjechoslowakije. Ze zijn een beetje hardleers die Russen, gezien de situatie van vandaag de dag.

door Gerard van der Zwan

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

In het karakteristieke pand aan de Heereweg 343-345 dat iedereen in de Bollenstreek kent, was in de jaren zestig de Tuinbouwschool gevestigd. Officieel heette de school de ‘Rijks Middelbare Tuinbouwschool’ (RMTS), maar iedereen kende het als ‘de Tuinbouwschool’. Deze school had in die jaren, doordat de school zich geheel op de opleiding van de bollenteelt concentreerde, al veel internationale contacten. Ik herinner mij dat begin jaren zestig bijvoorbeeld een groep Israëlische studenten een cursus volgde. De staat Israël bestond op dat moment amper vijftien jaar, maar wilde in het woestijnachtige gebied, dat een groot deel van het land beslaat, ook de teelt van bloembollen ter hand nemen. De Israëlische studenten zijn niet de enige die ik me herinner. Ook uit andere, niet voor de hand liggende landen, kwamen studenten die zich middels een cursus wilden bekwamen in de teelt van bloembollen. Bijvoorbeeld uit het toenmalige Tsjechoslowakije. In de lente van 1968 vindt er in dat land een wisseling plaats in de top van de communistische dictatuur. Na korte tijd blijkt dat de nieuwe leider Dubček een frisse wind door het land laat waaien; een communisme met een menselijk gezicht. De bevolking in Tsjechoslowakije krijgt de vrijheid terug waarvan ze jarenlang verstoken is geweest. Eén van die vrijheden is de mogelijkheid te reizen naar het Westen. En ze maken er dat jaar massaal gebruik van. Zo kom ik in contact met een groep studenten uit Tsjechië die op de Tuinbouwschool een cursus volgt. Mijn vader werkt als amanuensis op de Tuinbouwschool en via hem kom ik met hen in contact. Mijn vader rijdt op dat moment in een Skoda, een auto afkomstig uit Tsjechoslowakije. De studenten zijn er zichtbaar trots op dat een product uit hun land ook in de westerse landen blijkbaar wordt gewaardeerd. Met een paar van de studenten rijden we in het mooie voorjaar van 1968 door Lisse en omgeving om ze de bollenteelt te laten zien. Ik spreek ook veel met ze over de nieuwe vrijheid in hun land, waar ze uiterst tevreden mee zijn.

Vanaf het pein voor de HBG (nu het parkeerterrein van Floralis) trok een stoet van wel 500 over het algemeen jonge mensen richting de plek waar men normaliter de oorlogsslachtoffers herdenkt. Zijn ze hardleers, die Russen ?

Dan, in de vroege morgen van 21 augustus 1968, rollen de tanks door de straten van Praag en maken een einde aan de Praagse Lente. Via de televisie ben ik er getuige van hoe de bevolking van de pas verworven vrijheid wordt beroofd en  Tsjechoslowakije achter het, weer gesloten, IJzeren Gordijn verdwijnt. Nu nog voel ik de verbolgenheid die ik daarover toen ervoer, wellicht te meer ingegeven door het feit dat ik een aantal studenten uit het land had leren kennen en met sommigen ook nog een briefwisseling onderhield. Die avond van woensdag de 21ste augustus pak ik mijn fiets en rijd naar Bert de Weerd, die in de Barentszstraat woont, op nummer 60. Bert en ik zitten in de vierde klas van de mulo aan de Hyacinthenstraat, waar in die jaren Johan Segers directeur is. Samen met Bert bespreek ik vaak de wereldpolitiek en ook op die avond vinden we bij elkaar een gewillig oor om onze verontwaardiging te uiten. Maar we willen ook iets doen. Een daad stellen! Maar ja, wat doe je als twee zeventienjarigen in de Bollenstreek in Lisse, wanneer je het niet eens bent met wat er duizend kilometer verder door een grootmacht in Europa gebeurt? Al pratend komen we op een idee dat aansluit op wat in die jaren zestig als fenomeen in Europa niet ongebruikelijk is geworden: het houden van een demonstratie. We zijn het eens om een protestdemonstratie te houden. Maar hoe doe je dat? Je kan moeilijk met z’n tweeën door het dorp gaan lopen, onder de noemer ‘als alles meeloopt hebben we een demonstratie’.

Dat lopen door het dorp deden we wel vaker, maar dat had nooit de vorm van een demonstratie aangenomen. We besluiten het groots aan te pakken en de leerlingen van onze school te mobiliseren. Maar we moeten natuurlijk ook de gemeente erbij betrekken. En zo rijden we vijf minuten later op de fiets naar de Von Bönninghausenlaan, waar in het witte huis op de hoek de burgemeester woont. We bellen aan. Na een krappe minuut doet een mevrouw open, waarvan wij vermoeden dat zij de vrouw van de burgemeester is. Nadat we haar uiteen hebben gezet dat we in Lisse een protestmars tegen de inval van de Sovjet-Unie in Tsjechoslowakije willen organiseren en dat we daarvoor de gemeente toestemming willen vragen, zegt ze dat haar man niet thuis is en dat wij ons het beste de volgende dag op het gemeentehuis kunnen vervoegen. De volgende dag – donderdag – gaan we eerst naar school om ons idee met directeur Johan Segers en een paar leerkrachten te bespreken. Ons plan valt in goede aarde. Ook de schoolleiding is dermate verbolgen over wat zich in Midden-Europa de vorige dagen heeft afgespeeld, dat we voor het volgen van lessen worden vrijgesteld om onze demonstratie voor te bereiden.

En daarmee beginnen twee zeer hectische dagen. Wij verlaten de school en spoeden ons op de fiets naar het gemeentehuis. Eenmaal in het gemeentehuis merken we dat onze wens tot het houden van een demonstratie – de avond ervoor geuit tegen de vrouw van de burgemeester – reeds als een lopend vuurtje door het gebouw is gegaan en ook, zo blijkt later, het politiebureau een kilometer verder langs de Heereweg al heeft bereikt. De ambtenaren en politiemensen vinden een demonstratie gezien  de aard van het protest geoorloofd, maar zien bij zo’n nieuw verschijnsel in de gemeente wel wat – logistieke – problemen en zijn er een beetje nerveus onder; je weet tenslotte maar nooit of het niet uit de hand zal lopen. Lisse is dan wel een rustig dorp in de Bollenstreek en geen Amsterdam, laat staan een Parijs, waar in mei dat jaar een studentenopstand bijna tot het einde van de Franse Republiek had geleid, maar toch.

Vervolgens moet het grote organiseren beginnen. Bert en ik rijden die middag van de 22ste augustus alle scholen in Lisse af, waar we met de verschillende schoolleidingen ons plan bespreken en vragen om hun leerlingen op te roepen aan de protestdemonstratie mee te doen. Het valt ons, misschien tegen onze verwachting in, op dat er niemand van de schoolleidingen is die zo zijn of haar twijfels heeft bij het houden van een protestmars in Lisse. Nee, allen spreken zich er direct positief over uit en zeggen hun steun toe. Het bemoedigt ons om door te gaan. Na de schoolleidingen gaan we naar het politiebureau, om met de politie te overleggen. We komen overeen dat de demonstratie
de volgende dag – vrijdag – in de avond zal plaatsvinden. Ook de route wordt afgesproken. Overeengekomen wordt dat de demonstratie begint bij de HBG aan de Haven, daarna door de Tulpenstraat, Kanaalstraat, de Van der Veldstraat, Nassaustraat en de Heereweg. Afgesproken wordt dat de demonstratie zal eindigen bij ‘Blote Bertus’, het standbeeld aan de kop van de Oranjelaan. Na het overleg met de politie fietsen we terug naar het gemeentehuis. Daar ligt inmiddels de vergunning klaar voor de protestmars. En zo krijgen we, tegen betaling van fl. 2,50 aan leges, de vergunning. Vervolgens spoeden we ons naar de AKO – een firma voor elektronische apparatuur – in de Kanaalstraat, die beschikt over een geluidswagen. Ook bij de firma AKO ontmoeten we alle medewerking, zodat we bij de protestmars kunnen beschikken over een geluidswagen, die de tocht zal begeleiden en waarmee we de menigte bij het standbeeld kunnen toespreken. De volgende dag, de vrijdag waarop de demonstratie aan het einde van de dag gaat plaatsvinden, zetten Bert en ik ons aan het schrijven van de speech die Bert bij het monument zal uitspreken. Ondertussen zijn leerlingen op scholen in Lisse begonnen met het schilderen van de spandoeken, met teksten als: “Russen dit vragen wij: laat de Tsjechen vrij”, “Tsjechen houdt moed” en “Russen tem uw communisme”. In de middag stopt voor ons huis in de Anemonenstraat het blauwe busje van de politie. Twee agenten bellen aan. Ze zijn wat nerveus nu over enige uren de demonstratie zal gaan plaatsvinden en vragen zich af of het niet uit de hand gaat lopen. Wellicht heeft de politie zich inmiddels gerealiseerd dat Bert en ik – de organisatoren – beiden zeventien jaar oud zijn en dus minderjarig. En wie is dan verantwoordelijk wanneer het fout dreigt te gaan. Het is om die reden dat de agenten, in een overigens coulant gesprek, mijn ouders duidelijk maken dat zij, omdat ik minderjarig ben, verantwoordelijk zijn voor mijn handelen. Gelukkig vatten mijn ouders het niet al te zwaar op en zijn ze er ook van overtuigd dat ik geen gekke dingen van plan ben en gaan ze akkoord met het op zich nemen van de verantwoordelijkheid.

Op het moment dat de demonstratie van start gaat, blijken 500, vooral jonge, mensen mee te lopen van het HBG-plein naar het bevrijdingsbeeld aan de kop van de Oranjelaan. Bert spreekt de menigte toe en maakt een vergelijking met de inval van Duitsland in Tsjechoslowakije in 1938, op dat moment dertig jaar geleden. In de plaatselijke en regionale pers wordt van de protestdemonstratie melding gemaakt en wordt de waardige wijze waarop zij verliep alsook de goede organisatie geprezen. Na afloop van de demonstratie versturen Bert en ik op zaterdag om 11 uur een telegram naar de Tsjechoslowaakse ambassade. Dat is nog even puzzelen. Een lang telegram brengt nogal wat kosten met zich, dus willen we de tekst zo kort mogelijk houden, immers het telegram moet van ons zakgeld worden betaald. En zo wordt het volgende telegram verstuurd: “Lisse demonstreert: – 500 man – houdt moed!” Er zullen ongetwijfeld in Lisse nog oud-scholieren leven die als één van de 500 deel hebben genomen aan die gedenkwaardige protestmars op vrijdag 23 augustus in 1968, nu meer dan een halve eeuw geleden, die de eerste en zo ver ik weet tot nu toe ook de laatste protestdemonstratie is in de geschiedenis van Lisse.

NIEUW LICHT OP LIQUIDATIES IN 1944 (3)

Over WOII raken we ook niet uitgepraat. Nieuwe feiten over executies zonder medeweten van het verzet worden aan het licht gebracht. Ed Olivier schrijft dit keer over Heinrich Anton Tiben. Was hij een dubbelspion?

door Ed Olivier

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

‘Lissese politieman gaf opdracht om Waasdorp en Tiben uit de weg te ruimen’.

Heinrich Anton Tiben, dubbelspion in een web van leugens en bedrog.

Na de liquidatie van Jaap Waasdorp (Nieuwsblad 2024/1 en 2) gaf de Lissese politieman Piet B. zijn handlanger Heinz Hartung in december 1944 opdracht om Heinrich Anton Tiben dood te schieten. Ook deze executie werd verricht zonder toestemming of medeweten van de leiding van het verzet.

Carrière als spion

Heinrich Anton Tiben
Portretfoto collectie
NIOD/37800

Het zag er naar uit dat de in Lisse wonende Heinrich Anton Tiben (36) droomde van een carrière als spion voor de Engelse òf de Duitse geheime dienst. Maar op 5 december 1944 maakte een pistoolschot op de Lisserweg in de Haarlemmermeer een einde aan zijn leven. Dader: de ondergedoken Duitse deserteur Heinz Hartung. Opdrachtgever: opperwachtmeester Piet B. van de Lissese politie. Heinrich Anton Tiben verhuisde met zijn vrouw en twee dochters in 1941 van Rauwenhoffstraat 14a in Rotterdam naar Veldhorststraat 37 in Lisse. Na de bevrijding verklaarde politieman Piet B. in zijn verhoor door de Leidse recherche dat verzetsman graaf van Lynden hem in december 1944 gevraagd had Heinrich Anton Tiben uit de weg te ruimen, maar Van Lynden ontkende dat. Tiben woonde met vrouw en drie kinderen in de Lissese Veldhorststraat en was geregeld in het gezelschap van de Duitse Ortscommandant gezien. ,,Hij stond bekend als Gestapo-agent en was zeer gevaarlijk, want hij had gezegd de burgemeester van Lisse te zullen doodschieten, zodra hij de kans had”, zo motiveerde opperwachtmeester Piet B. de liquidatie. Een reconstructie achteraf levert het beeld op dat Tiben misschien wel een charlatan was die het slachtoffer is geworden van zijn eigen praatjes. Tiben droeg bij voorbeeld altijd een NSB-lidmaatschapskaart bij zich, maar was helemaal geen lid van deze organisatie. In het dossier van de Leidse recherche zit een brief van het NSB-hoofdkantoor in Utrecht: ,,H.A. Tiben, geboren 8 -11-1908, wonende te Lisse, heeft zich in oktober 1941 opgegeven als lid bij de NSB in Utrecht, maar het lidmaatschap is hem en zijn vrouw geweigerd op basis van informatie van de Rotterdamse politie.” NSB-medewerker Anton Peters somt de bezwaren tegen Tiben op: ‘onbetrouwbaar, fantast; heeft zich uitgegeven als schrijver; heeft zich uitgegeven als  Gestapo-agent; verdacht van flessentrekkerij; in Duitsland gearresteerd wegens spionage en uitgezet naar Nederland’.

‘Short storyschrijver’

Heinrich Anton Tiben verhuisde met zijn vrouw en kinderen in 1941 naar Veldhorststraat 37 in Lisse.

Heinrich Anton – roepnaam Heini of Anton – Tiben is op 8 november 1908 in het Duitse Gelsenkirchen geboren. Hij heeft een Nederlandse vader en een Duitse moeder. In 1929 verhuist Anton naar Rotterdam; hij trouwt in 1936 met Barbara Klaartje (Bets) Dedert. Het echtpaar krijgt drie dochters, de jongste wordt in Lisse geboren. Tiben bezoekt geregeld zijn ouders die dichtbij de grens in Münster wonen. Hij werkt in Rotterdam onder andere in delicatessenwinkels, als journalist en reclamemaker en vaart als lichtmatroos ook op de scheepslijn
Bremerhaven-New York.

Nederlandse kranten maken in 1938 melding van de arrestatie in Duitsland door de Gestapo in Münster van de Nederlander Heinrich Tiben, ‘short storyschrijver’ van beroep. Hij wordt verdacht van communistische sympathieën en zou in 1936 door de Nederlandse dubbelspion Anton Helmes in Café Centraal aan de Rotterdamse Coolsingel in contact zijn gebracht met de Engelse geheim agent A. G. J. Vrinten, zo is terug te lezen in Gestapo-documenten. Tiben heeft de aandacht van de Duitse geheime politie getrokken met een sollicitatie op een vacature, waarin wordt gezocht naar een ‘Duitsch-schrijvende’ medewerker van een tijdschrift op luchtvaartgebied. Uit het verhoor na de bevrijding door de Leidse recherche van Anton Helmes blijkt dat Tiben inderdaad informatie uit Duitsland heeft verstrekt aan Vrinten: ,,Hij komt nu herhaaldelijk met foto’s van vliegvelden, kazematten, fabrieken en dergelijke. Verschillende hiervan zijn echt, andere blijken later afkomstig te zijn uit tijdschriften.” Vrinten zou hem hiervoor in de periode 1936-1938 ook geregeld hebben betaald. ,,Maar de Engelsen vertrouwen Tiben niet”, aldus Helmes. ,,Later blijkt dat Tiben een belangrijke schakel is geweest in de Duitse spionage, hoewel hij ook de Engelsen wel originele inlichtingen heeft verschaft. Hij heeft als SS-man dienst gedaan en is in die functie gestorven of geliquideerd.”

Uitgewezen

Het voormalige kantoor van de Gestapo in Münster (Gutenbergstraße 17 – 18) is tot 2015 in gebruik gebleven als politiebureau en daarna verbouwd tot opvangcentrum voor vluchtelingen.
Foto Wikimedia / bewerkt met AI

Tiben is echter geen Duitse spion en hij staat ook niet bij de SS op de loonlijst. In mei 1941  verhuist de familie naar de Lissese Veldhorststraat. In de vijf jaar daarvoor heeft het gezin in Rotterdam op maar liefst elf adressen gewoond, zo blijkt uit de Rotterdamse bevolkingsadministratie 4). Tiben staat in de Maasstad ingeschreven als constructietekenaar, maar het grote aantal verhuizingen doet geen stabiele inkomenssituatie vermoeden. Kort na de Duitse bezetting heeft Tiben zich bij de Sicherheitspolizei in Den Haag gemeld met het verhaal dat hij als Nederlands soldaat uit krijgsgevangenschap is ontslagen, maar dat hij voor de oorlog gewerkt heeft voor de Staatspolizeileitstelle in Münster 5). Einsatzkommando 3 van de Sicherheitspolizei vraagt vanuit Amsterdam op 19 juni 1940 informatie over Tiben bij de collega’s van de Gestapo in Münster.

‘V-mann’
De Gestapo schrijft terug dat Tiben in 1936 heeft aangeboden inlichtingen over de Engelse en Franse veiligheidsdienst te verstrekken. Hij biedt zich aan als Vertrouwensman (‘V-mann’) en is in 1937 ook daadwerkelijk enkele maanden als contraspion ingezet vanuit Hamburg. ,,De inlichtingen waren echter waardeloos. Een aan hem uitgereikt fototoestel ‘versetzte er im Pfandhaus’.” Na zijn ontslag als V-mann in Hamburg biedt Tiben zijn diensten aan bij de Gestapo in Berlijn. Zijn vriend Anton Helmes probeert hetzelfde in Düsseldorf. Bij een derde poging van Tiben in juli 1939 in het Duitse Oldenburg wordt hij direct gearresteerd en op 18 november 1939 ‘nach Holland abgeschoben’.

Het EL DE-haus, hoofdkantoor van de Geheime Staatspolizei Köln van 1935 tot 1945, thans het Documentatiecentrum Nationaalsocialisme.
Foto Wikimedia Commons/ Raimond Spekking.

Daarna zou hij gehoor hebben gegeven aan de mobilisatie-oproep van de Nederlandse regering en als boordschutter weer zijn ingedeeld bij de Nederlandse luchtmacht. Dat Tiben na de capitulatie op 15 mei 1940 behoorde tot de krijgsgevangenen is volgens de Duitse geheime dienst ook direct het enige dat klopt aan zijn verhaal: ,,Seine Angaben, dass er sich in deutscher Kriegsgefangenschaft befand, sind  zutreffend. Bei Tiben handelt es sich um einen äussert raffinierten Burschen, vor dem gewarnt wird.” (Zijn verklaring dat hij een Duitse krijgsgevangene was klopt. Tiben is een uiterst geraffineerde man, voor wie gewaarschuwd wordt).

Landverraad
Tijdens de bezetting komen de Gestapo-agenten in hun zoektocht naar de Engelse spion Vrinten op 13 februari 1942 in Amsterdam Heinrich Tiben weer tegen. Hij wordt gearresteerd op verdenking van landverraad en een dag later overgedragen aan de Gestapo in Keulen. Hij blijft bij zijn verklaring dat hij tijdens een bezoek aan zijn ouders in 1936 is benaderd door een Duitse geheim agent met het voorstel om voor de
nazi’s te spioneren in Rotterdam. Allemaal onbekend, schrijft Kriminalsekretär Lynen van de Gestapo in Münster. Tibens contactpersoon Anton Helmes is overigens wel bekend als V-mann. Hij heeft van november 1937 tot maart 1938 gewerkt ‘für einen Deutschen Militärdienststelle’ en van april 1938 tot mei 1940 voor de Staatspolitie in Hamburg. Er wordt een strafzaak wegens spionage voorbereid voor de Oberreichsanwalt in Berlijn, maar na veertien maanden voorarrest komt Tiben op 21 april 1943 weer vrij. Na zijn vrijlating biedt Tiben
zijn diensten aan bij de Duitse Ortscommandant in Lisse.

Niet vertrouwd
,,Tiben werd niet vertrouwd. Hij zat altijd bij de Duitsers”, herinnert oud-politieman D. Pater zich na de oorlog.6) ,,Na een schietpartij in de Kanaalstraat kwam hij ’s nachts met tien Duitse soldaten naar het politiebureau om te zeggen dat het voltallige politiepersoneel zich de volgende dag om zeven uur ’s morgens in De Witte Zwaan bij de Ortscommandant moest melden. We waren op van de zenuwen, maar uiteindelijk liep dat met een sisser af; de Duitsers wilden alleen een praatje met ons maken. Voordat we er naartoe gingen hebben we met een paar collega’s de wapenkast op het politiebureau opengebroken. We hadden afgesproken onze huid duur te verkopen.”

Sollicitatie kamp Zeist
In de zomer van 1943 heeft Tiben gesolliciteerd bij de Wachtabteilung van het kamp Zeist, thuisbasis van de Landwirtschaft, een paramilitaire organisatie die voor het Duitse leger agrarische activiteiten verricht. Voor die sollicitatie heeft Tiben een bewijs van goed gedrag nodig, maar burgemeester Van Rijckevorsel weigert dit te verstrekken: ,,Het is mij van verschillende kanten ontraden u een dergelijk bewijs te verstrekken”, schrijft de burgemeester op 30 augustus 1943 aan Tiben. Twee weken later doet Ortsgruppenleiter Becker van de NSDAP te Leiden een vergeefse interventiepoging. Van Rijckevorsel houdt echter voet bij stuk en de baan gaat niet door .

Liquidatie
De Lissese opperwachtmeester Piet B. geeft Heinz Hartung op 2 december 1944 opdracht Tiben te liquideren. Het moet – om onbekende redenen – vóór 6 december gebeuren en bij voorkeur buiten Lisse. Op de avond van 5 december lokt Hartung in Duits uniform gestoken de ‘zeer gevaarlijke SD agent’ per fiets mee naar de Haarlemmermeerpolder. Op de Lisserweg schiet hij zijn slachtoffer dood, waarna het stoffelijk overschot met hulp van de vaste handlangers van B. met stenen verzwaard in de Ringvaart wordt gedumpt. B. betaalt Hartung 100 gulden voor zijn diensten en de onderduiker mag de sigarettenaansteker van Tiben houden. B. neemt zelf de rest van de persoonlijke bezittingen van het slachtoffer mee, waaronder de vervalste lidmaatschapskaart van de NSB. Drie maanden later – op 28 maart 1945 – wordt het stoffelijk overschot van Tiben door spelende kinderen in het water van de Ringvaart ontdekt. Hij wordt begraven in Nieuw-Vennep. 8)

Uit de weg

Arrestatie van Lissese NSB’ers na de bevrijding. De arrestanten worden verzameld in het schoolgebouw van De Akker aan de Schoolstraat en overgebracht naar de Doelenkazerne in Leiden.
Foto Collectie Van Woerden, Documentatie 10, Erfgoedhuis Leiden

Het blijft de vraag waarom Heinrich Anton Tiben uit de weg moest worden geruimd. De Britse en Duitse geheime diensten zullen daar de Lissese opperwachtmeester en zijn ondergedoken metgezel niet voor nodig gehad hebben. Het is ook niet erg waarschijnlijk dat hij serieuze plannen had om de burgemeester van Lisse iets aan te doen. Net als zijn lotgenoot Waasdorp heeft Tiben vermoedelijk de Lissese politieman
Piet B. in de weg gelopen bij diens illegale handeltjes en heeft hem dat het leven gekost. Het feit dat de regionale en lokale verzetsleiding niets blijken te weten van de liquidatie wijst ook in die richting.

Arrestatie Bets Tiben
Na de bevrijding wordt de weduwe van Tiben gearresteerd wegens haar vermeende lidmaatschap van de NSB en drie maanden later, op 25 augustus 1945 weer vrijgelaten. Lissenaar Ben Ragas (85) kan zich de familie Tiben uit zijn jeugd in de Veldhorstraat nog goed herinneren: ,,We waren buren. Zij woonden op nr. 37; wij op nr. 39. Aan de andere kant – op nr. 41 zaten ook Duitsers. Mevrouw Tiben was een strenge, bazige moeder. Als haar kinderen buiten op straat niet met ons mochten meespelen, dan stond ze boven uit het slaapkamerraam op ons te schelden. Verderop woonde nog een ander NSB-gezin. Aan onze kant waren in het najaar van 1944 de rest van de huizen – tot en met de hoek bij dokter Holl – gevorderd door de Duitsers. Het was met de komst van een V1-installatie in het Keukenhofbos bepaald geen rustig straatje. Tegenover ons woonde een gezin met joodse onderduikers in huis. Het is een wonder dat dat allemaal goed is afgelopen.”

Verhuizing
Op 24 januari 1946 verhuist de weduwe Tiben uit Lisse en trekt met haar drie kinderen in bij haar zus aan de Rotterdamse Tidemanstraat 33b. Ze wordt in de gaten gehouden door de Rotterdamse Inlichtingendienst: ,,De vrouw staat bekend als onbetrouwbaar en leugenachtig, maar houdt veel van haar kinderen en zou goed voor ze gezorgd hebben. Het zijn trouwe kerkgangers. Ze was het voor de oorlog wel eens met haar echtgenoot, maar heeft nu geen interesse meer voor politiek. De vrouw is reeds enige jaren ziek, vertoefde de laatste jaren verscheidene malen in een ziekenhuis en wordt momenteel verpleegd in het Academisch Ziekenhuis te Leiden. De kinderen zijn met financiële steun van de Hervormde Diaconie ter verzorging opgenomen in Huize Bloesem, Persijnstraat 8, alhier”, aldus een brief aan het hoofd van de Centrale Veiligheidsdienst, gevestigd aan de Javastraat 68 in Den Haag. Kort nadat de Rotterdamse politie haar uit het oog verliest moet de weduwe Tiben weer zijn opgeknapt. Uit een berichtje van de burgerlijke stand in de Leeuwarder Courant blijkt dat zij naar Friesland is verhuisd en in juni 1950 op 40-jarige leeftijd is hertrouwd met de 36-jarige A. Dusselaar.Barbara Klaartje (Bets) Dedert is op 6 juni 1999 op 89-jarige leeftijd in Dordrecht overleden.

Voetnoten
1 Nationaal Archief: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, CABR (toegang 2.09.09) – inventarisnummer 109435
2 Nationaal Archief: Ministerie van Binnenlandse Zaken-Binnenlandse veiligheidsdienst Persoonsdossiers 1946-1998-inv.nr. 26361
3 Leidse Courant 10 mei 1941
4 Bevolkingsregister van Rotterdam, boek Gezinskaarten, met dank aan Ria Grimbergen
5 Nationaal Archief: Documenten van US Army Regional Support Group US Mission Berlin 23 juni 1958
6 ‘Wat toch een tijd’ (2005) p.69
7 ‘Wat toch een tijd’ (2005) p.98
8 ‘Wat toch een tijd’ (2005) p.68 en de overlijdensakte van de gemeente Haarlemmermeer d.d. 25 november 1945.

NIEUW LICHT OP LIQUIDATIES IN 1944 (2)

Met Ted Cobelens doet Ed Olivier nog een boekje open over de oorlogsjaren. Een stel rovers die de boel in onze buurt nogal onveilig maakte. Geheimzinnige toestanden bij het Leeghwater-gemaal aan De Kaag.

Ted Cobelens en Ed Olivier

Nieuwsblad 23 nummer 2  2024

‘Lissese politieman gaf opdracht om Waasdorp en Tiben uit de weg te ruimen’
Deel 2: Een groep roovers die Lisse in de oorlog onveilig maakte

Met de opdracht voor de liquidatie van Waasdorp en Tiben handelde opperwachtmeester Pieter B. van de Lissese politie in 1944 op eigen gezag (zie: VOL-Nieuwsblad 1/2024). Na de bevrijding ontdekte de politieke recherche van de Leidse politie ook de nodige diefstallen en berovingen, waarbij zelfs burgemeester Van Rijckevorsel en graaf Van Lynden betrokken leken.

Pieter B.

Bij de Kalkzandsteenfabriek tussen Lisse en Hillegom werden vaten olie buitgemaakt. (Detail uit RAF verkenningsfoto maart 1944)

Burgemeester jhr. mr. F.J.C.M. van Rijckevorsel is blij als hij in 1943 Pieter B. – een niet-NSB’er – kan opnemen in het Lissese politiekorps. De burgemeester wordt namelijk onder druk gezet om ‘Schalkhaarders’ aan te nemen, NSB’ers die in het Overijsselse Schalkhaar een spoedopleiding tot hulpagent hebben gekregen. Piet B. komt uit een vooroorlogs politienest. Hij is de zoon van een bekende adjunct groepscommandant van de Rotterdamse politie. De 31-jarige B. – geboren in Hillegom – heeft na de lagere school privé-avondlessen gevolgd en achtereenvolgens bij een kruidenier, een slager en een houthandel gewerkt. In 1934 krijgt hij een aanstelling als volontair agent van politie in Naaldwijk. Vanaf 1938 werkt hij bij de politie in Nieuw-Vennep; bij zijn aanstelling in Lisse wordt hij gepromoveerd tot opperwachtmeester.

Zwarte handel
Cor van Stam, verzetsleider in de Haarlemmermeer, maakt Piet B. mee in Nieuw-Vennep, maar verklaart na de oorlog dat hij vrij snel ontdekte dat de politieman sjoemelde met de bonkaarten die hij via het verzet in handen kreeg. Het verzet merkt ook dat B. tarwe voor onderduikers ophaalt bij de Haarlemmermeerse boeren, maar achteraf niet kan verantwoorden wat hij daarmee heeft gedaan. ,,B.’s activiteiten op het gebied van den zwarten handel namen toe”, schrijft verzetsman en plaatsvervangend commandant Eddy van Vollenhoven
in een rapport van het Gewest Haarlemmermeer. ,,Hij breidde zijn arbeidsveld uit van motorvoertuigen alleen, tot zaken in tarwe, peulvruchten, kaas, benzine en oliën.” Het Haarlemmermeerse verzet besluit Piet B. links te laten liggen, maar ziet dat hij gevaarlijk is, omdat hij zoveel weet en zoveel mensen kent. ,,Met zijn vriend S., een autohandelaar te Lisse, maakt hij ook deel uit van de GDN¹ , zodat hij ‘ondergronds’ van twee wallen tracht te eten. Met deze man heeft B. menig zwart zaakje ondernomen, steeds onder het voorwendsel, dat de goederen noodig waren voor ondergedokenen of illegale werkers.”

‘Een groep roovers’
Uit de processtukken van het Bijzonder Gerechtshof uit 1948 blijkt dat de opperwachtmeester ‘de leider was van een groep roovers die Lisse en omgeving onveilig maakte’. Met een aan tal handlangers die dachten dat ze verzetswerk deden, pleegtde politieman een nachtelijke overval op de kalkzandsteenfabriek tussen Hillegom en Lisse. Nadat de bewaker is overmeesterd en gekneveld nemen de mannen 10 vaten olie mee, ongeveer 1.700 liter in totaal.

Verzet in Lisse

Jan Carel Elias graaf van Lynden

Er is in Lisse wel getwijfeld over de vraag of Jan Carel Elias vgraaf van Lynden deel uitmaakte van het Lissese verzet, maar districtscommandant Cor van Stam van het verzet in de Haarlemmermeer sprak wel degelijk met hem als contactpersoon van Lisse. De moeder van de graaf, Aurelia Elisabethb gravin van Lynden-van Limburg Stirum heeft in de oorlog als koerierster wapens en springstoffen naar Haarlem gebracht. De familie Van Lynden onderhield contact met de familie De Clercqbvan De Olmenhorst, destijdsbhoofdkwartier van het regionalevverzet. Toen het daar te gevaarlijk werd voor kinderen, werd de vier jaar oude Steven de Clercq ondergebracht bij de familievVan Lynden aan de Lissese Achterweg. Graaf van Lynden woonde daar met zijn moeder en dochter, nadat de Duitsers kasteel Keukenhofbhadden gevorderd.

Overval op de Kaag
Half december 1944 vraagt de politieman aan graaf Carel van Lynden of hij diens boot kan lenen. Op De Kaag bij Warmond kent B. namelijk een zwarthandelaar die 300 tot 400 liter jenever verstopt heeft. Hij wil de jenever gaan ‘ophalen’. Van Lynden en Van Rijckevorsel voelen er wel wat voor.bNiet alleen voor eigen gebruik; jenever is ook een belangrijk ruilmiddel in de onderhandelingen met de Duitse nOrtscommandant. Om herkenning te voorkomen – op de boot van de graaf staat met koeienletters de naam van zijn dochter Irene – geeft Van Lynden zijn huisknecht opdracht op de afgesproken avond voor twee roeiboten te zorgen bij het Leeghwater-gemaal aan De Kaag.

Het Leeghwater-gemaal bij de Buitenkaag

De medewerker roeit B., de Duitse deserteur Heinz Hartung en twee andere Lissenaren – allemaal in Duits uniform gestoken – naar de bewuste handelaar in Warmond. Onderweg wordt een boerengezin beroofd van 17 kazen, enkele lappen stof, flessen stroop, een baangebroken fles jenever en enkele sierraden. Bij de vermeendebzwarthandelaar steelt de bende een keur aan voor die tijd luxe goederen, zoals zeep, suiker, thee en sigaretten. Maar de voorraad jenever wordt niet aangetroffen; wèl negen flessenbbwijn, waaronder drie flessen zoete Spaanse wijn.

Complot
De betrokken inwoners van Lisse zijn na de oorlog voor hun brutale rooftocht bestraft, met uitzondering van de medewerker van graaf Van Lynden, die er min of meer met de haren bijgesleept was. Of burgemeester Van Rijckevorsel en de graaf ook in het complot zaten is achteraf niet vast komen staan. De twee notabelen stonden wél op de verdachtenlijst van de politieke recherche en zijn na de bevrijding ook verhoord. Van Rijckevorsel had twee flessen wijn en een portiebkaas van de politieman aangepakt, maar zegt niet geweten te hebben waar het vandaan kwam. ,,Ik wist niet dat het een particulier rooverijtje was”, staat in het proces-verbaal. Graaf Van Lynden heeft volgens de opperwachtmeester vriendelijk bedankt voor de aangeboden wijn. Hij had liever jenever willen hebben.

Illegaliteit

Burgemeester Van Rijckevorsel en dierenarts Jan Kraak op het bordes van het gemeentehuis na de bevrijding

Uit de processen-verbaal van de Politieke Recherche blijkt dat dierenarts Jan Kraak, leider van het Lissese verzet, en burgemeester Van Rijckevorsel met de eigengereide politieman in hun maag zitten. Ze willen aan het eind van de oorlog van hem af, maar zijn ook bang dat hij hen en veel andere verzetsmensen zal verraden. Kraak: ,,Ik kwam tot de conclusie dat B. niet in de illegaliteit paste, maar in dien tijd was hij een der leidende figuren.” Van Lynden wil B. het liefste ook ‘langzamerhand laten afvloeien’. ,,Vanwege zijn handelingen was B. buiten de Binnenlandse Strijdkrachten gesloten”, aldus Cor van Stam. De Haarlemmermeerse districtscommandant zegt dat de Lissese verzetsleiding hem heeft gevraagd of Piet B. uit de weg kan worden geruimd. Maar graaf Van Lynden ontkent dit: ,,Ik heb nooit gevraagd om hem uit de weg te ruimen. Indien Stam zulks verklaart, vergist hij zich. Wel is erover gesproken Heinz Hartung uit den weg te ruimen, daar die ook teveel van de illegaliteit wist.”

Ziekteverlof
Van Rijckevorsel heeft B. beloofd dat hij hem na de bevrijding zal benoemen tot politiecommandant, na het ontslag van de NSB-chef van de politie. Maar de burgemeester ziet daar tot woede van de opperwachtmeester van af. Van Rijckevorsel vraagt de lokale BS-commandant stappen te ondernemen tegen de omstreden politieman, maar die weigert dat. Hierop wordt B. door het gemeentebestuur met ziekteverlof gestuurd. Van Rijckevorsel: ,,Kort daarop (op 15 augustus 1945-red.) heeft hij ontslag genomen als politieman te Lisse om in dienst
te treden bij de Rijksverkeersinspectie.” Een half jaar later, op 27 november 1945 om 18.45 uur,vwordt B. alsnog door de Leidse recherche gearresteerd in zijnvwoning aan de Lissese Wagenstraat op basis van artikel 27vvan het Besluit Buitengewoon Strafrecht . ,,Ondanks het feit
dat hij lid was van de verzetsbeweging pleegde B. overvallenvzonder bevel van zijn superieuren en gebruikte het geroofde ten eigen bate”, schrijft de Leidse rechercheur F. J. Teunissen in zijn proces-verbaal.

Heinz Hartung
Heinz Hartung heet in werkelijkheid Boris Petrovski, geboren uit Duits-Russische ouders op 3 november 1922 in het Duitse bKoningsbergen. De jonge Boris is op z’n 12e al wees en brengt een flink deel van zijn jeugd door in opvoedingsgestichten. Met de papieren van de gesneuvelde Duitse soldaat Heinz Bob Karl Hartung treedt hij in 1942 in dienst van de Luftwaffe en via het Oostfront komt hij uiteindelijk in Nederland terecht, ook nog verdacht van sabotage en hoogverraad. Opperwachtmeester Piet B. leert de Duitse deserteur kennen op diens onderduikadres in de Lissese Prinsessestraat. ,,Hartung was zeer anti-nazi”, zei B. in zijn verhoor. ,,Iemand die door den K.P. (knokploeg-red.) behoorlijk te gebruiken zou zijn.” Hartung zelf ziet de politieagent als zijn opstapje naar het Nederlandse verzet en wil graag klusjes voor hem doen. Via B. komt Hartung ook in contact met verzetsman J.C. van Woerden, die hem aan een bonkaart helpt en een ander onderduikadres. Als de gastvrouw van Hartung hoort dat haar onderduiker Jaap Waasdorp heeft doodgeschoten wil zij de deserteur namelijk niet langer in huis hebben. Van Woerden regelt een nieuw onderduikadres in de Lissese Prins Hendrikstraat.

Niet vervolgd
Pieter B. en Heinz Hartung zijn na de oorlog niet berecht voor de moord op Jaap Waasdorp en Heinrich Tiben. De politieke recherche van de Leidse politie spant zich vooral in om beide mannen en hun Lissese handlangers veroordeeld te krijgen voor de diefstallen. In de processen-verbaal voor het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag worden de twee liquidaties genoemd als verzetsactiviteit, hoewel de noodzaak van
die executies allesbehalve vaststaat. ,,De weduwe Waasdorp uiteraard dat haar echtvriend een goed Nederlander was en nimmer zaken deed met moffen”, schrijft een betrokkene, ,,maar zij deelt ook mede dat haar man geruimen tijd vrijwillig voor de Wehrmacht gewerkt heeft, zoodat er aan Waasdorp heusch wel een steekje los geweest zal zijn.” Een zitting van het Hof zou uitsluitsel hebben kunnen geven over de rechtmatigheid van deze daden, maar tot een rechtszaak tegen beide mannen is het nooit gekomen. B. is door de procureur-fiscaal bij het Gerechtshof op 19 februari 1948 ‘voorwaardelijk buiten vervolging’ gesteld. Hartung is dan hoogstwaarschijnlijk al vrijgelaten en het land uitgezet. Op 28 oktober 1947 informeert de minister van buitenlandse zaken al bij het Bijzonder Gerechtshof of er bezwaar is om Hartung
als ongewenste vreemdeling uit te zetten.

Vrijlating
Voorafgaand aan zijn vrijlating in januari 1947 brengt Piet B. 14 maanden door in detentie. Daarna werkt hij bij een expeditiebedrijf. In september 1948 wordt het besluit waardoor hij gedurende vijf jaar niet bij de politie of als militair mag werken in hoger beroep door het Gerechtshof vernietigd. Kennelijk lukt het hem ook om weer een baan bij de politie te krijgen. In een krantenverslag van de Nieuwe
Leidsche Courant op 28 oktober 1954 wordt B. genoemd als politieadjudant bij de oefening van de reservepolitie in Noordwijkerhout en Voorhout. Piet B. is op 21 oktober 1975 op 63-jarige leeftijd overleden in Delft.

In het volgende VOL Nieuwsblad: Heinrich Anton Tiben, dubbelspion in een web van leugens en bedrog.

Voetnoten
1 Geheime Dienst Nederland, een groep verzetsmensen die militaire gegevens verzamelde en die via Zwitserland en Spanje of via geheime radioverbindingen doorgaf aan de Nederlandse regering in Londen.
2 Art.27 B.B.S. geldend vanaf 4 september 1944: Hij, die gedurende den tijd van den huidigen oorlog opzettelijk gebruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid of middel, hem door den vijand of door het feit der vijandelijke bezetting geboden, om een ander in zijn vermogen wederrechtelijk te benadeelen of om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Hongerwinter in Lisse

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

29 april 2025

 door Peter Vink

Dit jaar vieren we 80 jaar vrijheid en herdenken we de slachtoffers van de oorlog.

Vrijheid is echter geen vanzelfsprekendheid en is nooit af. Kijk maar naar de wereld om ons heen waar tot op de dag van vandaag oorlog wordt gevoerd en mensen met dood, vernietiging en honger worden geconfronteerd. Daarom is het goed om de herinnering aan de oorlog in ons eigen land levend te houden en stil te staan bij de ellende van toen, zoals de hongerwinter van 1944-1945.

 Al vóór de bezetting van Nederland door de Duitsers in 1940 was er schaarste aan voedsel, brandstof, levensmiddelen en kleding. Daarom werd een bonnendistributiesysteem ingevoerd om de schaarse artikelen eerlijk te kunnen verdelen. Tijdens de oorlogsjaren nam de schaarste echter snel toe en in 1942 was vrijwel alle voedsel al volledig op de bon. Toch probeerde men zoveel mogelijk door te leven en werd men vindingrijk om met weinig toch te kunnen overleven. De treinstaking in september 1944 veranderde alles in het westen van Nederland. Men hoopte met deze staking de opmars van de geallieerden en dus de bevrijding te versnellen. Het pakte totaal anders uit doordat de Duitse bezettingsmacht als vergelding alle voedseltransporten naar het Westen van Nederland blokkeerde. Daardoor ontstond snel een groot tekort aan voedsel. Ook in Lisse was al snel geen voedsel meer te krijgen. Bovendien werd de levering van brandstoffen gestaakt zodat gezinnen in Lisse vaak zelf ook geen voedsel meer konden bereiden.

Gaarkeuken

Men ging daarom in Lisse een centrale keuken oftewel een gaarkeuken inrichten in een bollenschuur van de firma G. van Parijs aan de Grachtweg. In de grote ketels waarin normaal bloembollen werden behandeld werden nu maaltijden bereid en vanaf 4 oktober 1944 uitgedeeld aan de hongerende bevolking. Het waren sobere maaltijden van afwisselend stamppot, soep of pap. Ongeveer 2500 Lissers melden zich direct voor verstrekking van voedsel uit de gaarkeuken. In mei 1945 was dit opgelopen tot 6000 personen. Dus 60% van de Lissese bevolking deed een beroep op de gaarkeuken. Voor zover men nog wel zelf voedsel kon bereiden op een kacheltje (gestookt met illegaal gekapt hout) werden ook tulpenbollen gebruikt als aanvulling op het weinige wat er aan normaal voedsel te krijgen was. Men gebruikte niet alleen tulpenbollen maar ook voederbieten, aardappelschillen en krokusknollen. Brood werd gemaakt van spinazie, bieten en tulpenbollen. Het Voedingsbureau van den Voedselraad gaf voorlichting hoe tulpenbollen te gebruiken in bijv. stamppot, zuurkool, soep, hartige (pannen)koekjes of brood.

Gelukkig werden in maart 1945 Zweedse voedselpakketten uitgedeeld en volgden snel droppings met voedsel door de geallieerden.

Na de bevrijding in mei 1945 kwam de toevoer van voedsel weer langzaam op gang en was de hongerwinter voorbij. Toch bleven veel producten nog geruime tijd schaars en bleef het bonnendistributiesysteem nog lang bestaan. Pas in 1952 was koffie weer vrij te koop.

Receptenboekje in oorlogstijd

Distributiebonnen

Foto: Ruimte van de gaarkeuken bij Van Parijs tijdens de hongerwinter
Foto’s: OudLisse

DE BELGISCHE VLUCHTELINGEN; De rommeling. (102)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Aan dit onderwerp heeft dagbladcorres­pondent A. Raaphorst Hzn. vele bladzijden gewijd, waarvan er hier maar enkele kunnen volgen.

“Tijdens het bombardement en de inname van Antwerpen van 28 september tot 9 oktober 1914 stroomden de Belgische vluchtelingen ons land binnen. In het steuncomité dat al gauw in Lisse was opgericht zaten de volgende personen: “D. Blok, arts, voorzitter, F.K. Dankelman, Hoofd RK School, secr., J. Tuijmelaar, notaris, penningmeester, Mej. W. van Ruiten-Reckers, M. van Vrijberghe de Coningh, J.W. Lefeber, J.M. Veldhuyzen van Zan­ten, K. Volkersz, H. Pitloo, G. Tromp en A. Raaphorst Hzn.” zelf. Dan was er nog een R K Huisvestingscomité: “Jhr. Von Bönninghausen tot Herinckhave, burge­meester, voorzitter, Eerw. Nolet, kapelaan, Dr. F.G.M. Haase, H. van Beek, J. Pijnacker en S. van der Vlugt.” Pastoor Klekamp meende, dat hiervoor alleen katho­lieken in aanmerking kwamen, omdat de Belgen ook katholiek waren.

Zeer tot on­genoegen van Raaphorst; de protestanten wilden ook hun gastvrijheid betonen! “Nadat eerst de steden van deze Belgische gasten waren voorzien, kwamen de dorpen aan de beurt, tenminste de dorpen die aan de comité’s in het zuiden des lands de wensch te kennen hadden gegeven om ook een zeker aantal te kunnen en te willen herbergen. Zo kreeg Lisse op zaterdag 10 october ’s avonds te half elf eene extra trein met 468 Belgische vluchtelingen te gast, zoodat onze gemeente, met het aan­tal wat reeds bij familie was ingekwartierd een kleine 500 vluchtelingen te eten had. Het waren mannen, vrouwen en kinderen, zoowel als jonglieden en jongedochters”. “De stoet had een betreurenswaardige aan­blik, want behalve wat zij aan het lijf had­den, waren ze van alles beroofd.

Alles had­den zij achter moeten laten. Er waren wel verschillende personen die hun honden had­den meegebracht. Eene vrouw was er die zelfs twee stuks papegaaien had medege­bracht en nog een vrouw met eene pape­gaai. Voorts was er een gezin die haar poesje had meegebracht, die echter niet meer naar België is teruggekeerd, maar bij menschen hier ter plaatse is gebleven. Een jon­gen had in een kistje zijn drie konijntjes op de vlucht meegebracht en nog een gezin de kooi met kanarie, enz. Zelf zag ik op de Zondagmorgen na de aankomst der vluchtelingen een jongen van een jaar of twaalf, die met zijn moeder en grootmoe­der de nacht doorgebracht hadden bij de stationschef; zijn vader was per automo­biel in zieke toestand van de trein naar een der scholen vervoerd, naar de kerk gaan, met een klein smoushondje in zijn armen, hoogstwaarschijnlijk zijn hondje, dat hij ook tot elke prijs had willen meenemen.”

“Er was echter, zooals met alles, kaf in het koren. Er waren er namelijk onder, die zich geen denkbeeld konden vormen van de belanglooze hulpvaardigheid, die men hier zo goed als overal aan hen betoonde en zich dan ook op verschillende manieren ondankbaar aanstelden. Een dezer manieren was, dat een troepje van die menschen, op de eerste Zondag de beste, in een der café’s alhier, te keer gingen, of men dui­zenden had te verteeren en zij hier nu ei­genlijk waren voor hun plezier in plaats van uit nood. Het gevolg hiervan was, dat op maandagavond 12 october 42 dezer vluchtelingen werden doorgezonden naar Hillegom, welke gemeente behalve dit getal geen enkele vluchteling binnen hare grenzen had. Bij deze 42 waren de grootste druktemakers, zoodat wij die met eere kwijt wa­ren! Bovendien werd door de Burgemeester bepaald, dat tijdens de aanwezigheid der Belgische vluchtelingen alle café’s ’s avonds te 9 uur gesloten moesten worden.”

Na enige tijd was de toestand in België weer zo gestabiliseerd dat de vluchtelingen naar hun haardsteden konden terugkeren. Niemand hoefde zijn Belgische gasten weg te sturen als men dat niet wenste, “maar de vergoeding van het Rijk zou in het ver­volg niet meer verstrekt worden. Het gevolg hiervan was, dat verschillende particulie­ren de in hunne huizen vertoevende vluch­telingen aanzegden, dat zij moesten ver­trekken, omdat hun onderhoud in deze dure tijden boven hunne krachten zou gaan. Dientengevolge vertrokken er op za­terdag 9 januari 1915 met een extra trein 94 vluchtelingen naar Gouda, waar ver­schillende gebouwen voor hen in gereed­heid waren gebracht.” Na enige tijd was de toestand in België weer zo gestabiliseerd dat de vluchtelingen naar hun haardsteden konden terugkeren. Niemand hoefde zijn Belgische gasten weg te sturen als men dat niet wenste, “maar de vergoeding van het Rijk zou in het ver­volg niet meer verstrekt worden. Het gevolg hiervan was, dat verschillende particulie­ren de in hunne huizen vertoevende vluch­telingen aanzegden, dat zij moesten ver­trekken, omdat hun onderhoud in deze dure tijden boven hunne krachten zou gaan. Dientengevolge vertrokken er op za­terdag 9 januari 1915 met een extra trein 94 vluchtelingen naar Gouda, waar ver­schillende gebouwen voor hen in gereed­heid waren gebracht.” “Wat wij hierbij nog willen opmerken is dit, dat de meeste Belgen onder stromen van tranen afscheid namen van de plaats waar zij bijna drie maanden waren ver­zorgd en gevoed geworden. Zij gingen na­tuurlijk, omdat zij moesten, maar niet één had uit eigen beweging gegaan, omdat zij hier op rust waren en nu weer verder moesten.” “Arme, arme menseden! Het nageslacht dat dit zal lezen zal zelfs in de verste verte niet kunnen beseffen wat het is, om ver van zijn geboortegrond, waar woeste wilde hor­den, die de naam van menschen niet meer waardig zijn, alles verbrand en geplunderd hebben in een vreemd land, onder vreemde menschen als ballingen moeten leven en dan hier en dan daar gestuurd te worden.” “Op Woensdag 13 januari zijn de laatste Belgische vluchtelingen die door het steuncomité werden gevoed, naar elders vertrokken.”

HET DAGBOEK VAN VAN DER ZAAL UIT 1913; De rommeling. (43)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Op twee oude, vergeelde kranteknipsels van voor de herdenkingsfeesten 1813-1913 vinden we het navolgende, hoogst interessante relaas. (Men vergelijke “De Aagtenkerk van Lisse, blz. 107, en “Het Huis Dever te Lisse”, blz. 146/47.) Ter in­formatie nog iets over enige der genoemde personen. G.A. Entink was van 1798 tot 1811 schout van Lisse. Jacob van Ingen was een zoon van de korenmolenaar aan de Gracht. Hij was een neef van Cornelis van der Zaal, de schrijver van het verhaal. De Van der Zaals hadden eeuwen lang een timmerbedrijf in het Vierkant, waar nu een der fraaiste huizen van Lisse staat, dat nog steeds door een Van der Zaal be­woond wordt. (Jhr.) J. Steengracht van Oostcapelle was de eigenaar van Keuken­hof. Hendrik Meijer, de “tollenaar” (!), was de gaarder aan de tol in de Heereweg bij het huidige huis “De Tol”. “Mijnheer Bieland” is hoogstwaarschijnlijk Otto Anne graaf van Bylandt, de eigenaar van Berg en Daal onder Voorhout. Verder komt nog ter sprake (Jhr.) Mr. Dirk Cornelis Gevers, Heer van Endegeest te Oegstgeest. Hendrik Nieuwenhuis, oorspronkelijk tuinbaas op Keukenhof, kocht in 1812 voor de sloop het huis Meer en Duin. In die omgeving zijn nog steeds veel Nieuwenhuisen woon­achtig. De boerderij van Vreeburg stond tegenover het rechthuis “De Witte Zwaan”. Cornelis de Graaft had zijn kwekerij ter hoogte van het huidige Plan de Graaft. (Zie “Plan de Graaft”, inleiding.) Een “Oranjeboom”, een soort sinaasappelen­boom, werd door De Graaft voor de bui­tenplaatsen in kuipen gekweekt en ’s win­ters ook wel in bewaring genomen. Het is opvallend, dat patriottische figuren als Steengracht, Entink e.a., die aanvanke­lijk met de Fransen hadden medegewerkt, na de bevrijding weer dadelijk een rol spe­len. Maar in de proclamatie van 1813 stond ook    zeer    duidelijk:    “Alle    partijschap heeft opgehouden. Al het geledene is vergeeten en vergeeven” …… wel heel anders dan in 1945.

De heer Bert. van der Zaal te Lisse was zoo vriendelijk ons een uittreksel van het dagboek 1780-1838 van Cornelis van der Zaal te Lisse, van 10 November 1813-Juni 1814, af te staan. Dit uittreksel druk­ken wij hier af. Ter wille van de histori­sche waarde van dat geschrift brachten wij er geen veranderingen in aan, slechts werden enkele zinnen omgezet om het aangenaam leesbaar te maken. Het navol­gende is weinig bekort; het maakt dus aanspraak op trouwe weergave van het dagboek wat betreft de verklaring van Neerland’s Onafhankelijkheid en wat in verband daarmee in dien tijd te Lisse voor­viel. Men houde er rekening mee, dat een ingezetene van Lisse steeds aan het woord is.

(De Redactie)

In het jaar 1813 hebben wij een omwenteling beleefd, wij zijn toen van het Franschejuk verlost door de wonderlijke bestiering Gods. In   de   maand   November,   den   10e  van die maand, kwam er een gerucht, dat ons land gecapituleerd had, met wien of hoe wist  niemand.   Donderdag den   11e werd bevestigd,   dat   men   vrede   had   gesloten want de Maire (het hoofd van het gemeentebestuur)  was Woensdag bij den Prefect (bestuurder van het departement) ontboden, waar hem werd aanbevolen de goed rust te  handhaven, want er stonden eei daags vreemde troepen te komen, waaror de   Maire,   hier  te   Lisse  bij  alle  burger rondging om te verzoeken de rust te be waren. Vrijdag waren er weer andere g< ruchten en dat ging tot Maandag den 15< toen kreeg de Maire een brief, dat het al! valsche geruchten waren en dat de Keiz< weer  in orde was gesteld. Ondertussche gingen  de douanen weg en zag men ee hoop   Fransche   heeren   vertrekken.   Die dag begon het in Amsterdam, omdat da; de Douanen optrokken, en ’s avonds o 7 uur begon het gemeen daar “Oranje” te roepen; om 10 uur begon men de huizen van de Douanen te verbranden enz. Maar Woensdag zag men een en ander, met Oranje, hier komen doorrijden van den Haag naar Amsterdam en toen ’s avonds, brak het hier ook uit en hoorde men “Oranje” roepen; Donderdag zag men den geheelen dag weer eenigen tezamen met Oranje, de adjunct-maire vlugte en ’s avonds om 9 uur ging de heer van den Upweg naar Haarlem. De heer van der Staal, die maire was, had ’s morgens een man naar Leiden gezonden om te zien of daar de vlag op den toren stond, maar neen; daar was mede alles met Oranje versierd, terwijl ’s middags de vlag op den toren zou komen, gelijk toen ook hier geschiedde.

Ik wier gehaald van Hillegom om onze vlag op den toren te zetten, gelijk ik deed. Die had ik Woensdagavond om 9 uur nog voor den dag moeten halen en dien nacht in orde laten maken, want het was een Fransche vlag; het rood werd er afgeno­men en een Oranjestrook en boven gezet, dat was maar voor noodhulp. Ze hadden geen andere vlag kunnen krijgen omdat Woensdagavond de poorten te Leiden ge­sloten waren. Het ging heel wel (met die vlag) voor behulp, en het ging toen den heelen nacht door “Oranje boven” onder het gemeen, evenzoo Vrijdag en Zaterdag, zij gingen rond bij alle burgers en boeren om een drinkpenning of om getracteerd te worden. Maar Zondag en Maandag kwa­men er weer andere geruchten; wij zagen een     menigte    deserteurs    en     anderen, die bedankt waren, vreemde troepen kwa­men echter niet, zoodat wij moesten zeg­gen:   het   is   wonderlijk   in   onze   oogen, wij   zien  het,  maar  doorgronden   ’t  niet, zoodat ons land in een akelige omstandig­heid  was.  Zaterdag den  20ste  ‘s  avonds resolveerde ik om te zien of ik mijn zoon Arie,   die   in   de   rekwesitie  gevallen  was en den 29 September te voren was uitge­trokken en die door behulp van den heer Entink onder Gods zegen op den scheeps­werf   te  Antwerpen  gekomen  was  onder het   werkbatteljon   ……;   waarop   ik  mijn neef Jacob van Ingen verzocht daar na toe te gaan om te zien of er mogelijkheid was om hem daar in stilte vandaan te krijgen. Hij vertrok ook den eigensten nacht. Dinsdag ging er een menigte van de dor­pen en Haarlem naar den Haag om dienst te nemen om de Franschen het land ver­der uit te drijven en gingen de geruchten dat de Engelschen geland waren zoo hier als daar. Maar Woensdagmorgen kwam er tijding, dat de Franschen Uitert (Utrecht) verlaten hadden en dat de Engelschen te Scheveling (Scheveningen) uitgescheept werden en dat de Coesakken te Amster­dam gekomen waren, zoodat er toen een groote vreugde was, en dit duurde tot den avond, toen wij in de kerk waren en den trompetter hoorden, zoodat een en ander uit de kerk liepen en niet wisten wat er gaande was. Men hoorde, dat het de Commedant en Captijn van de Nationale Garde was en die kwamen om haar manschap­pen en weer anderen die wilden, (om uit­te trekken) tegen een stroopbende Fran­schen, die van Uitert was gekomen en, zoo men zeide, langs de Rijn plunderde en op Leiden afkwam; zoodat hier nog 17 personen meegingen en toen naar Hillegom, alwaar nog eenigen, ja zelfs groote Meeren (zich er bij voegden). Toen werd er overlegd om hier een wacht te houden waartoe ook ik, en nog elf andere burgers werden opgeroepen, ja zelfs mijnheer Steengracht en mijnheer Entink en meer anderen bij ons kwamen in de herberg en den heelen nacht bij ons bleven. Wij werden 2 aan 2 aan weersende uitgezon­den, maar hoorden niets. Om twaalf uur kwamen lieden van Hillegom met een wagen of zes vol volk weer door Lis om naar Noordwijk te gaan ver­nachten en mijnheer Bijland had zijn twee knechts ook mede gegeven, waaronder en een was met een trompet, die maar blaasde, zoodat het allerakeligst was om het aan te hooren. In dien nacht hoorde men, dat het weer leugentaal was, dat er geen Engelschen waren aangekomen, want mijn­heer Van der Staal was er om naar den Haag gereden; en men hoorde ook, dat de Franschen niet verder waren als Woer­den, zoodat de lieden, die naar Noordwijk getrokken waren, Donderdagmorgen een Coerier naar Leiden zonden om te hoo­ren of ze op moesten komen. Maar neen, zij werden bedankt tot nader orde. Wij zagen dien dag nog geen vreemde troepen, maar (hoorden) veel andere en door elkander loopende praat. Dat duurde eenige  dagen,  doch  Maandag  den  29ste Ne vember  kwamen  er bij Scheveling Engesche schepen  aan, zoodat daar 250 man ontscheept werden en naar den Haag gingen. Die brachten ook de tijding mede, de de erfprins van Oranje volgde, gelijk op gebeurd is. Dinsdagmiddag om 5 uur is hij te Scheveling aan land gekomen en naar den    Haag gereden in een Vergon (onlees baar)   en   daar   gebleven   tot   Donderdagmorgen, 2 December, toen Zijn Hoogheid naar Amsterdam is gereden en hier door is gekomen en hier op Lis versche paarden moest hebben, zooals ook gebeurd is. Zijne Hoogheid en de andere Heeren, die hem verzelden, stapten hier uit de Koetsen en gingen in de herberg op de recht Kamer, terwijl mijnheer Gevers, onderprefect  van   Leiden,  hier gekomen  was als mede  mijnheer Staal en andere regeering op   het   Rechthuis   bijeen   waren.   Gevers sprak Zijne Hoogheid aan met een gepaste aanspraak,   die   Z.H.   beantwoordde,   alsmede mijnheer Entink en onze predicant en mijnheer Staal, dien dezelve vriendelijk beantwoordde en gelijk meer andere bugers en  burgeressen  die allen in menigte op de Kamer waren en ons ook vertelde dat  Z.H.  van  den  morgen  de  heugelijke tijding had gekregen, dat den Briel van Franschen   verlaten  was  ……   Zoodat, Heer zij geloofd, wij hier het grootste genoegen hebben gehad, Z.H. op deze plaate hebben gezien en gesproken, terwijl van onze predicant wel ten hoogste werd verzocht aan Z.H., dat hij het niet kwa­lijk moest nemen, dat er geen toestel was gemaakt van Eerepoort en andere dingen, om hem in te halen, omdat de tijd zoo kort was geweest. Zijne Hoogheid antwoordde, daar niet op gesteld te zijn, maar dat het zijn grootste genoegen was de goede gezindheid van de gemeente te zien, want dat ging niet zonder eenig geroep van “Oranje boven” en “Lang leve Zijne Hoogheid”. Ondertusschen kwamen er eenige flesschen met wijn op tafel, wat Z.H. werd aangebo­den, maar niet van gebruikte, maar wel die andere heeren. Na vertoeven van meer dan een half uur vertrok Z.H. naar Am­sterdam, zoodat die dag weder met algemeene vreugde werd door gebracht. In den schemeravond om half vijf uur kwamen hier 3 koezakken doorrijden naar Leiden toe; de een hield men aan en gaf hem een glas jenever of twee. Hij was zeer vrindelijk, zoodat er toen ook een menigte menschen op de been was en wij leiden denzelve tot buiten het dorp. Vrijdag daaraan hoorde men door een expresse op den middag, dat er eenige coe-zakken zouden komen en dat Z.H. de Prins weerom van Amsterdam kwam, om­dat aan Scheveling de Engelschen geland waren. Daar moesten weer paarden klaar wezen, gelijk ook alles gebeurde. Om één a twee uur kwamen eenige rijtuigen van den Prins door en daarna de coezakken, 32 in getal. Zij hielden halt en vroegen hooi en haver voor de paarden, en vleesch en brood en drank voor zichzelf. Zij bon­ den de paarden aan de boomen en daar voor hooi gelegd en haver in de voerzakken; toen vleesch bij den slager gehaald, ruim 50 Pd., en dat moesten ze koken, wat een disperate boel was, want eer zij in orde waren, gingen zij bij den een en den ander in de huizen en bij menigeen moesten zij vleesch of spek koken. In de herberg kookten zij een ketel vleesch en bij Warbout Vreeburg en bij Maarten van Dalen, maar zij moesten dat zelf koken, en dan moesten zij wijn en kool en aard­appelen hebben, en azijn en zout, en dat kookten zij een uur of twee. Ik bragt bij Vreeburg schragen en plan­ken voor een tafel en toen dat klaar was hebben zij gegeten met bier en jenever er bij. Het ergste was, dat men ze niet kon verstaan, maar gelukkig was er een heer die door kwam rijden van Amsterdam en met hen kon spreken. Hij hielp de regee­ring daarin voort. Toen zij klaar waren om heen te gaan, kwam de Prins, die versche paarden moest hebben. Hij bleef in de koets zitten, met zijn glas open, zoodat mijnheer Entink en de Maire den­ zelve aanspraken, alsook eenige anderen, die een heele redevoering met hem hiel­den en het belang van ons dorp vertelden van de zware inkwartiering, die hier al­toos was. Toen de paarden ingespannen waren reden ze weg onder het geroep “Oranje boven”, van de coezakken bleven er 4 hier liggen om ordannans te rijden De regeering wou ze bij Jan Lemmers gehad hebben, maar zij wilden bij Vree­burg niet vandaan en moesten weer brood en vleesch hebben. Het was een aardige middag, er geschiedde geen mensch eenig leed, zoodat de Heer ons voor alle on­heilen bewaarde. God zij ook daarvoor gedankt! Zaterdagmorgen om 9 a 10 uur trokken al eenige coezakken en ook andere volken door en na den middag nog een heele hoop coezakken benevens een menigte Russen-infanterie, waar wij geen hinder van gehad hebben; zij trokken door naar Leiden. Zondag kreeg men ook weer eenige coe­zakken, die stil doorgingen, zoodat wij in het dorp daar geen hinder van hadden wel enkele boeren buiten het dorp, als ook wel des nachts van de ordonnansrij­ders, die moesten echter dien avond nog weg, zoodat wij Maandag daar ook van verlost waren, God zij dank! Maandagmorgen hoorde men eenige klok­ken luiden en kanonnen lossen, waardoor er weer verschillende geruchten in om­loop kwamen, maar ’s middags om 2 uur werd ons door het Bestuur bekend ge­maakt, dat wij moesten limmeneeren; dat gaf dien middag een heele drukte, want een ieder moest latten en permieten heb­ben. Alles kwam zoo goed als ’t kon klaar, er werd heel goed gelimmeneerd. Een menigte had bij Corn. de Graaf een Oran­jeboom gehaald en in een kruiwagen ge­zet; men maakte er een soort poort van, met groen, blommen en papier. Verder werd de boom verlicht en zoo door het dorp gereden, met een menigte menschen en kinderen er omheen, die van vreugde juichten. Het was toen de verjaardag van prins de 7e , die nog in Spanje was maar, naar Holland zou komen. Zoo zijn die dag en nacht geëindigd. De Dinsdag is heel stil afgeloopen, al­leen ’s namiddags kwamen er zoo wat 1500 Spanjaarden door, van den Helder, die krijgsgevangen waren gemaakt en al­daar hadden moeten werken en nu vrij­gelaten waren. Zij namen allen dienst te­gen de Franschen. De regeering hier gaf ze voor het grootste gedeelte een slok jenever, opdat ze maar zouden doortrek­ken, gelijk ook gebeurde. Vrijdag 10 December is afgelezen, dat de Prins tot Koning, Souverein Vorst, was afgeroepen; toen bleef het heel stil en kwam er geen volk meer door dan eenige ordonnancen en officieren van de troepen, waarvoor hier ook altoos paarden en wa­gens moesten klaar staan. Het kwam zoo ver, dat er allen dag 10 wagens en 20 paarden moesten zijn, die moesten van 5 dorpen komen. Den 24en December kwam er een pu­blicatie van een landstorm, dat alle man­nen van 17 tot 50 jaar in de wapenen moesten en de ongehuwden van 17 tot 45 jaar moesten loten. Voor den 1e Janu­ari 1814 moest 20.000 man in actieven dienst zijn. In al dien tijd had ik geen tijding van mijn zoon Arie noch van mijn neef Ja­cob van Ingen, ik wist niet waar zij wa­ren, want er kon geen brief daar vandaan komen, maar er was een man te Hillegom van Antwerpen thuis gekomen. Daar ging ik den 27en December heen om eens te hooren. De man vertelde mij, dat al de Hollanders daar uit de omstreken (Ant­werpen) waren opgevoerd als gevangenen naar Frankrijk op den 25en November. Hij moest ook mee maar was ontvlucht, en had zich al dien tijd in Antwerpen verscholen gehouden. Met levensgevaar was de man thuisgekomen, zoodat wij daaruit moesten gaan begrijpen, dat mijn zoon en Jacob ook waren weggevoerd. In dien nacht om 2 uur werd er aan mijn huis geklopt; wij deden open en dachten, daar zijn zij, maar het was Jacob van Ingen alleen en mijn zoon niet, zoodat men wel kan denken in welke omstandig­heid wij waren.

In die dagen werd er hier een Eerepoort gemaakt door eenige jongelieden en ook door Hendrik Meijer den Tollenaar; dat was een zeskant, iedere hoek 16 voet lang, zoodat het een heel groot lichaam was. Zij werkten er wel drie weken aan en de tollenaar moest op het laatst het werk alleen doen, want er werd geen geld aan verdiend, zoodat men wel kan denken dat het over het geheel niet genoegelijk ging, nog te meer omdat de loting toen op handen was. Den 4en December ge­schiedde dat; mijn zoon Simon trok het lot 969, er waren 1808 loten. Er moesten uit dit canton maar 107 man opkomen; zij zijn bij den raad van recraleering te Leiden maar tot 528 opgeroepen, zoodat mijn zoon door Godes zegen is vrijgebleven. Toen kwam de wapenstilstand, Bo­naparte lei zijn kroon af en werd ver­voerd naar een eiland. Daarna werden alle militairen naar hun vaderland teruggezon­den, zoodat wij alle dagen tijding van mijn zoon wachten. Die kregen wij den 3en Juni, tot onze groote blijdschap; hij schreef ons toen uit Avignon er was al weer 27 uur op zijn terugreis naar huis. Van Tolon af, waar zij heen waren ge­marcheerd en waarover zij 60 dagen ge­daan hadden, schreef hij ons, dat wij hem niet eerder thuis moesten wachten dan in Juli, maar, heel onverwachts, door de wijze Voorzienigheid, kregen wij de tij­ding op Donderdagavond, van Hendrik Nieuwenhuis, dM hij te Leiden was. Ik kon het niet wel gelooven, maar Vrijdag­morgen om 3 uur gingen mijn twee zoons Simon en Cornelis naar Leiden en om 7 uur kregen wij een brief van mijn zwa­ger, dat mijn zoon daags te voren daar aangekomen was, zoodat hij om elf uur, door des Heeren goedheid, in gezondheid tot ons naderde in zijn volle monteering. Het was een blijde dag voor ons en de heele gemeente om hem weer te mogen aanschouwen. Ik verzocht toen aan on­zen Predicant om op den volgenden Zon­dag een dankzegging te doen voor hun gelijk hij ook een dankpredicatie deed uit de woorden van Genesis 46 vers 29 en 30 met de woorden: “En als hij zich aan hem vertoonde, zoo viel hij hem aan de hals en weende lang aan zijn hals, en Is­raël zeide tot Joseph: dat ik sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb dat gij nog leeft.” En dit geschiedde niet dan met veel aandoening tot Godes lof en eer.

 

Monument voor de gevallenen

Monument voor de gevallenen

 

Sporen van vroeger (LisserNieuw)                                                 

30 april 2024

 Nico Groen

Elk jaar is er op 4 mei ook in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze dodenherdenking wordt afgesloten met de kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´.

Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg. De jaarlijkse aandacht voor de oorlog en zijn slachtoffers is heel belangrijk om de gruwelen van een oorlog niet te vergeten. Daardoor komt er hopelijk nooit meer oorlog in West-Europa en proberen we met zijn allen wereldwijd zoveel mogelijk oorlogen te voorkomen. Het standbeeld werd onthuld op 4 mei 1951 door jhr. F.J.C.M. van Rijckevorsel, burgemeester van Lisse tijdens de oorlogsjaren.

Op de website 4en5mei.nl staat waarom dit standbeeld is opgericht: ´Het Monument voor de gevallenen in Lisse is opgericht ter nagedachtenis aan alle medeburgers die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen. Tevens herinnert het aan twee Nederlandse militairen uit Lisse die tijdens de politionele acties in het voormalige Nederlands-Indië zijn gesneuveld. De twee omgekomen militairen zijn J.J. Kortekaas en N.P. Obdam’. Volgens het boek `Wat toch een tijd` uit 2005 van Ed Olivier waren er in Lisse tijdens de bezetting 60 oorlogsslachtoffers. De omstandigheden waaronder deze Lissers omkwamen worden in het boek beschreven met vele interviews van nabestaanden en andere bekenden van de slachtoffers. Dit boek kan in de bibliotheek van de VOL op dinsdagmorgen worden gelezen of geleend.
Op bovengenoemde website staat ook een beschrijving van het beeld: ´Het Monument voor de gevallenen in Lisse is een bronzen beeld van een zich oprichtende, naakte mannenfiguur die zijn armen in een afwerende houding boven zijn hoofd houdt. Het beeld is geplaatst op een natuurstenen voetstuk. Het beeld is 1,90 meter hoog, 77 centimeter breed en 73 centimeter diep. Vóór de sculptuur is in 2002 een natuurstenen gedenksteen geplaatst op een schuin oplopend voetstuk. Het monument staat symbool voor de wederopstanding en voor de overgang van droefheid naar vreugde. Na jaren van onderdrukking en ellende hervindt Nederland zijn vrijheid en soevereiniteit. Het beeld symboliseert tevens het levende besef van een voortdurende worsteling. Om de democratie in stand te houden is waakzaamheid geboden.´
De tekst op het voetstuk van het beeld luidt: ‘MET STEUN VAN DE ALMACHTIGE 1940-1945’. De tekst op de gedenksteen luidt:  ‘TER HERDENKING GEVALLENEN IN NEDERLANDS-INDIË 1945-1950’.

Ontwerper Cephas S. Stauthammer

De ontwerper van dit standbeeld is Cephas S. Stauthammer (1899-1983).
Hij was leraar beeldhouwen aan de academie voor beeldende kunst ‘Kunstoefening’ in Arnhem. Rond 1954 kreeg hij meer bekendheid. Hij was ook enige tijd voorzitter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en in 1964 was hij een van de beeldende kunstenaars die een reisbeurs kreeg van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Hij had het standbeeld in Lisse al gemaakt voordat hij een bekende beeldhouwer werd.

 

Foto: Monument voor de gevallenen in 1951 onthuld door oud-burgemeester van Rijckevorsel.
Foto: Nico Groen

Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”

Info@oudlisse.nl

 

LIQUIDATIES IN OORLOGSTIJD: Lissese politieman gaf opdracht om Waasdorp en Tiben uit de weg te ruimen (1)

Ted Cobelens, kleindochter van Jaap Waasdorp, dook samen met journalist Ed Olivier in de dossiers van het Nationaal Archief en het Erfgoed Leiden. Om helder te krijgen wie de opdracht gaf om de liquidaties uit te voeren.

Door Ed Olivier

Nieuwsblad 23 nummer 1 2024

Jaap Waasdorp had samen met zijn zwager Huub Molkenboer een bodedienst op Leiden en Haarlem.( Onder).

Gevallen voor het vaderland’, staat er op het oorlogsgraf van Jaap Waasdorp in De Engel. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw wordt echter aangenomen dat hij door het verzet is geliquideerd in verband met zijn werk voor de Duitse bezetter. Een tweede ‘foute Lisser’, Anton Tiben, werd in december 1944 meegelokt naar de Haarlemmermeer en daar doodgeschoten. De leiding van het regionale en plaatselijke verzet wist echter niets af van de liquidaties.

Eigen gezag
Opperwachtmeester Piet B. van de Lissese politie handelde op eigen gezag toen hij in de laatste maanden van 1944 opdracht gaf Jaap Waasdorp en Heinrich Tiben dood te schieten. De leiding van het verzet wist niets van zijn opdracht aan de ondergedoken deserteur Heinz Hartung om de liquidaties uit te voeren. Dit blijkt uit naoorlogse processtukken van de politie recherche in Leiden die terecht zijn gekomen in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) in het Nationaal Archief in Den Haag1. Jaap Waasdorp werd door Hartung in oktober 1944 neergeschoten in de gang van zijn woning, met vrouw en kinderen als getuigen.

Twee maanden later lokte de ex-soldaat Tiben mee naar de Haarlemmermeerpolder en schoot hem daar dood. Waasdorp werkte als burgerpersoneelslid voor de Duitse Wehrmacht in Valkenburg. Tiben stond de Duitse Ortscommandant in Lisse als tolk/vertaler terzijde. Of de twee mannen ooit iemand hebben verraden of in gevaar hebben gebracht is niet bekend. Wel is zeker dat Waasdorp de politieman in de weg liep bij zijn eigen clandestiene handel in olie en benzine. In het onderzoek na de oorlog kon de Leidse recherche niemand anders dan Piet B. ontdekken die de liquidatie had bevolen.  Regionaal Verzetsleider Ch. van Kammen en lokaal commandant Jan Kraak bleken er niets van af te weten, evenmin als ondercommandant van het verzet in Lisse, graaf Carel van Lynden. Tip garagehouder Uit het meer dan 100 pagina’s tellende proces-verbaal van de Leidse politie blijkt dat de aanslag op het leven van Waasdorp werd gepleegd naar aanleiding van een tip van een plaatselijke garagehouder. ,,Waasdorp heeft petroleum, benzine en antraciet voor zwarte prijzen verkocht aan de moffen”, zei Piet B. hierover tijdens zijn verhoor na de oorlog en bovendien: ,,Er was sprake van dat Waasdorp aan het onderhandelen was met de Duitschers over een partij van 15.000 liter benzine.” De
Duitse deserteur Hartung die tijdens de laatste oorlogsjaren veel klusjes opknapte voor de politieman kreeg de opdracht Waasdorp ,,tijdelijk onschadelijk te maken, desnoods met verpleging van enkele maanden in een ziekenhuis”.

Dader in Duits uniform

De kinderen van Jaap en Anna Waasdorp waren getuige van de aanslag op hun vader. V.l.n.r. Bep, Ans en Jaap jr. Foto en bidprentje in de aanhef uit privécollectie.

 

Het liep echter anders. De Duitser die sinds 1943 een onderduikadres had in de Prinsessestraat fietste met een neutrale overjas over zijn legeruniform op 12 oktober 1944 naar het buurtschap De Engel. Hartung zette zijn fiets tegen een hek, deed z’n jas uit en vroeg her en der naar het huisadres van Waasdorp. Dat adres aan de Heereweg kende hij uit z’n hoofd. Maar het was de bedoeling dat getuigen achteraf zouden verklaren dat er een Duitse soldaat informatie had ingewonnen. Wanneer Hartung zich op het huisadres aan de voordeur in het Duits aanmeldt, zegt Waasdorp: ,,Kom binnen kameraad; loop maar door naar de kamer.” Hij was in de veronderstelling dat de soldaat geld kwam
brengen voor zijn werkzaamheden op de vliegbasis Teuge. In de gang schoot Hartung zijn slachtoffer  in de linkerschouder (‘tenminste, daar mikte ik op’) en een been en maakte zich uit de voeten. ,,We waren met acht kinderen thuis”, vertelde dochter Bep Waasdorp in oktober 2004
in een interview 2). ,,M’n vader bloedde vreselijk. We hebben hem de huiskamer ingesleept en de dokter gewaarschuwd. Hij moest natuurlijk naar het ziekenhuis. Maar de ziekenwagen reed op houtskool. Dus het duurde heel lang voordat ze er waren.

Bloedverlies
Jacobus Waasdorp overleed ’s nachts of ’s morgens vroeg door bloedverlies en uitputting – op twee dagen na 44 jaar oud – in de Haarlemse Mariastichting. Zijn vrouw en acht kinderen hoorden dat pas toen ze ergens in het dorp naar het ziekenhuis belden. ’s Nachts was de Lissese politie nog vanuit het ziekenhuis gewaarschuwd, maar dit bericht heeft de familie nooit bereikt. De weduwe en haar kinderen bleven ontredderd achter. Op het bidprentje van Jacobus Waasdorp, geboren te Hillegom op 15 oktober 1900 staat: ‘Waarom werd dit offer gevraagd? We kunnen slechts het hoofd buigen en zeggen: Het is Gods Wil’. Na de oorlog werd aangenomen dat Jaap Waasdorp was omgebracht door de Duitse bezetter. Op het officiële oorlogsgraf achter de Engelbewaarderskerk aan de Lissese Heereweg staat dan ook: ‘Gevallen voor het vaderland’. Degenen die de waarheid wisten deden er het zwijgen toe. Het gerucht dat Waasdorp wegens zwarte handel in opdracht van het verzet zou zijn geliquideerd dateert van 1990. 3). Dochter Bep bevestigde in 2004 dat haar vader voor het Duitse leger werkte.

Machinedrijver

Het oorlogsgraf op de begraafplaats van de Engelbewaarderskerk. Foto: Oorlogsgravenstichting

 

Foto:

Weduwe Anna Waasdorp-Molkenboer verklaarde na de oorlog tegen de Leidse recherche dat haar man tot eind 1942 als expediteur had gewerkt. Omdat er geen werk meer was ging hij aan de slag als ‘machinedrijver’ bij de Wehrmacht op vliegveld Valkenburg. In augustus 1944 werd hij in die functie overgeplaatst naar de vliegbasis Teuge. Na Dolle Dinsdag4 – een maand later – is hij thuisgebleven en heeft hij niet meer voor de Wehrmacht gewerkt. ,,Hij voorzag verder in het onderhoud voor het gezin door wat handel te drijven. Voor zover mij bekend heeft hij nooit handel gedreven met de Duitsche Wehrmacht”, aldus de weduwe. Of Jaap Waasdorp ooit iets heeft verdiend met de vermeende zwarte handel is onzeker. Feit is dat het gezin Waasdorp in diepe armoede achterbleef. Oudste dochter Bep werd van school gehaald en ging werken als huishoudelijke hulp. ,,Ik had vier werkhuizen: dat verdiende vijftien gulden in de week”, zegt ze. ,,Alles thuis afgeven natuurlijk. M’n moeder is niet hertrouwd. Ze heeft geen makkelijk leven gehad; altijd maar sappelen.”

Onderzoek kleindochter
Waasdorps kleindochter Ted Cobelens deed in 2023 onderzoek naar de lotgevallen van haar grootvader. Via de beperkt openbare archieven van het CentraalArchief Bijzondere Rechtspleging (CABR) ontdekte zij dat het in 1944 niet de bedoeling was om haar opa om het leven te brengen. Afgesproken was dat Hartung Waasdorp zou verwonden om hem ‘voorloopig van het tooneel te laten verdwijnen’. Nu blijkt ook dat Piet B. en Heinz Hartung op eigen houtje handelden. ,,Mijn moeder Ans is als 11-jarig meisje getuige geweest van de aanslag op haar vader”, zegt Cobelens. ,,Ze wilde er later zelfs aan haar man en kinderen weinig over kwijt, maar de traumatische ervaring heeft haar het hele leven achtervolgd. Elk jaar als we op 4 mei thuis twee minuten stilte in acht namen hing er een zwaarmoedige sfeer in huis. Eind jaren ’90 hoorde mijn moeder van haar jongere broer het gerucht dat opa Waasdorp in de oorlog fout zou zijn geweest. Dat heeft haar alleen maar in dieper stilzwijgen gehuld.” Na het overlijden van haar moeder ging Cobelens op onderzoek uit. ,,Ik kreeg de behoefte om dit postuum voor mijn moeder uit te zoeken. Ik wilde de ware toedracht boven tafel krijgen; was mijn opa fout in de oorlog? En zo ja, welke verkeerde dingen heeft hij dan gedaan?” Haar zoektocht bracht Cobelens in contact met de Stichting Oorlogsslachtoffers, de Oorlogsgravenstichting, de gemeente Lisse, het Leids archief, Leiden 4045, Erfgoed Leiden en het Centrum voor Familiegeschiedenis. ,,Maar geen van deze instellingen heeft informatie over de dood van mijn grootvader. Ook het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en het Nationaal Archief in Den Haag hebben geen dossier over hem, maar zijn naam komt wel voor in dossiers van anderen in de archieven over de zuiveringsprocedures van ambtenaren en politieagenten in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging.” In het dossier van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging vond Cobelens een verklaring uit 1945 van regionaal verzetsleider Ch. van Kammen5 (schuilnaam De Vries) dat hij in zijn functie van commandant aan Piet B. ,,nimmer opdracht heeft gegeven tot het doen van overvallen; dat B. geen deel uitmaakte van het verzet en dat hij nimmer opdracht heeft gegeven tot het dooden van Waasdorp te Sassenheim of Tiben te Lisse.’’
Ook de Lissese leiding bleek niet op de hoogte, evenmin als districtscommandant Cor van Stam van het Haarlemmermeers verzet. ,,Ik heb B. nimmer opdracht gegeven iemand van het leven te berooven of te doen berooven’’, zegt ondercommandant graaf Carel van Lynden. Verzetsleider Jan Kraak,  dierenarts in Lisse, bevestigt dit: ,,B. heeft van de leiding der illegaliteit geen enkele opdracht tot het plegen van roofovervallen of tot onschadelijk maken van personen of iemand het leven te benemen ontvangen.”

Stempel
,,Mijn grootvader Jaap Waasdorp en zijn gezin hebben wel een hele hoge prijs betaald voor de onderhandelingen over het leveren van benzine”, zegt Ted Cobelens. ,,Nergens is komen vast te staan dat hij overige zwarte handel dreef met de moffen of anderen in gevaar heeft gebracht. Ik vind het dan ook niet terecht dat mijn opa door onbewezen geruchten het stempel ‘fout’ opgedrukt heeft gekregen

Voetnoten
1 Nationaal archief Den Haag: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging 109435 (9334/46), Zuivering Ambtenaren (2.04.67) 2256 en Zuivering Politie (2.09.54)
2 ‘Wat toch een tijd’, Ed Olivier (2005) p.67
3 Een bollendorp bezet, Herman van Amsterdam en Peter van der Voort (1990)
4 Een dag na de verovering van Antwerpen door de geallieerden op 4 september 1944 brak in Nederland paniek uit onder Duitse soldaten en hun aanhangers.
5 Ch. van Kammen majoor van het latere Kennemer Bataljon was commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, gewest 12, Haarlem en omstreken.en.”
In het volgende VOL Nieuwsblad: ‘Een groep roovers die Lisse in de oorlog onveilig maakte.

 

300.000 collaborateurs; 500 liquidaties
De harde kern van het Nederlandse verzet bestond tijdens de Duitse bezetting uit de in 1942 opgerichte Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Een jaar later richtte het verzet de Landelijke Knokploegen (LKP) op. De LKP hield zich vooral bezig met sabotage, overvallen op bevolkingsregisters en de liquidatie van collaborateurs die een ‘ernstig risico’ vormden voor het verzet of ondergedoken burgers. Veel van de naar schatting 500 door het verzet gepleegde liquidaties zijn na de bevrijding door de krijgsraad beoordeeld. Sommige verdachten, zoals politieman Piet B. uit Lisse, zijn door de militaire rechtbank doorverwezen naar een gewone rechtbank of de bijzondere rechtspleging. Dat laatste gebeurde als een verdachte in de ogen van de krijgsraad geen deel uitmaakte van het bonafide verzet en dus ook niet van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS)1. Vanwege de represailles van de Duitse bezetter tegen onschuldige burgers keerde de Nederlandse regering in Londen zich in juni 1944 tegen de liquidatie van Duitse soldaten en collaborateurs. ‘Gij zult geen daden van gewelddadig openlijk verzet plegen. Het zou den wreeden vijand slechts gelegenheid bieden represailles te nemen, veel en veel bloediger dan ooit te voren’, schreef minister-president Gerbrandy in een bericht aan de illegale krant Trouw. Daar voegden de samenwerkende illegale organisaties aan toe: ‘Aan alle illegale werkers, die daadwerkelijk verzet willen en zouden kunnen plegen, wordt, op grond van een voorschrift van het geallieerd opperbevel, opgedragen niets te doen zonder opdracht van de leiding hunner organisaties’.

Bijzondere rechtspleging
Na de Tweede Wereldoorlog werden 300.000 Nederlanders verdacht van samenwerking met de Duitse bezetter, verraad, NSB-lidmaatschap of het in dienst treden bij het Duitse leger. Hun dossiers zijn terecht gekomen in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) van het Nationaal Archief in Den Haag en hebben tot 1 januari 2025 de status ‘beperkt openbaar’. Dat betekent dat ze alleen op speciaal verzoek kunnen worden bekeken. Er mag niets worden gefotografeerd of gekopieerd. Voor het dossier van de Binnenlandse Veiligheidsdienst over Heinrich Anton Tiben geldt deze restrictie tot 1 januari 2036.

Voetnoot
1 Nieuw licht op liquidaties – knokploegen in Rotterdam 1944-1945, Albert Oosthoek (2015). De Binnenlandse Strijdkrachten werden op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) gevormd door de samenwerkende verzetsorganisaties.

 

Lisse 825 jaar en de invloed van Napoleon in Lisse

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

7 november 2023

 door Nico Groen

Rond 1800 overheerste Frankrijk Nederland. Deze overheersing zorgde in bestuurlijk opzicht voor veel veranderingen in Nederland en dus ook in Lisse. Veel veranderingen van Napoleon bleken verbeteringen en bleven ook nadat het Huis van Oranje de Nederlandse troon besteeg van waarde. Deze grote veranderingen zijn tegenwoordig nog in veel praktische zaken aan de orde zonder dat men dit beseft. Daarom hoort deze periode thuis in deze serie over 825 jaar Lisse.

De modernisering van het bestuur en de rechtspraak in de door Napoleon bezette gebieden waren van grote betekenis. Hij wilde in alle landen dezelfde eenheden en maten hanteren, en zo komt Nederland aan het metrische stelsel met de meter en de kilo. Napoleon zorgde ook voor de invoering van verplicht en voor iedereen toegankelijk onderwijs. Ook moet iedereen rechts rijden en werd de gelijkheid van alle godsdiensten ingesteld. Ook werden er in die tijd veel instellingen gebouwd, zoals het Rijksmuseum, de Koninklijke bibliotheek in Den Haag en het Nationaal Archief in Den Haag. Ondank deze positieve veranderingen komt er steeds meer weerstand tegen de keizer.

De alsmaar oplopende belastingen, nodig voor het Franse leger, zijn hiervoor de belangrijkste reden. Ook de invoering van de dienstplicht roept weerstand op, zeker als de vraag naar soldaten almaar toeneemt. Aan de Franse overheersing komt een einde als Napoleon in 1813 de aftocht moet blazen.

Gevolgen in Lisse

Als iemand vraagt waar bijvoorbeeld het gemeentehuis of het Keukenhof is, kun jij dat makkelijk vertellen door te zeggen door welke straten diegene moet lopen. Dat komt door Napoleon. De Fransman vond het verwarrend dat er op veel plekken geen straatnamen en huisnummers waren. Hij verplichtte gemeenten om deze in te voeren. Hij introduceerde de burgerlijke stand, waarvoor iedereen een vaste achternaam moest aannemen. Zo kan je bijvoorbeeld vragen: “Waar woont Jan van der Voet” (De nieuwe voorzitter van de VOL) en niet ‘waar woont Jan Janz’ of een bijnaam.

Ook het kadaster werd ingevoerd. Zo kan iedereen weten wie de eigenaar was of is van een bepaald perceel. Zonder het kadaster zou LisseTijdReis van de VOL met veel gestructureerde informatie uit het verleden niet van de grond zijn gekomen. LisseTijdReis maakt namelijk gebruik van het kadaster.  Deze website ontsluit informatie van het dorp Lisse zoals het was in het jaar 1830 en in het jaar 1880. Daarnaast bevat LisseTijdReis een archief met diverse digitale collecties. Via deze kaarten zijn de perceelindeling, gebouwen, wateren en wegen te ontsluiten. Ook de eigendomsinformatie is te vinden, evenals adressen, gekoppeld aan percelen overeenkomstig de Volkstelling van 1830. Ook informatie van personen afgeleid uit de genealogische database van personen en relaties (16de eeuw tot 1920), is in te zien.

De invoering van de dienstplicht.

Omdat Napoleon veel soldaten nodig had voor de oorlog werd de dienstplicht ingesteld en werden alle jongemannen in Lisse opgeroepen. Zij moesten een lot trekken. De mannen met de laagste nummers moesten in dienst. Op 22 maar 1811 werden er bijvoorbeeld 17 Lissers ingeloot. Op 1 mei 1997 is de opkomstplicht voor dienstplichtigen opgeschort, maar niet afgeschaft.

 

Foto: Napoleon Bonaparte in volle glorie geschilderd door Jacques-Louis David in 1801
Foto: Wikipedia

 

 

 

Lisse 825 jaar en het beleg van Haarlem

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                         

12 september 2023

 door Nico Groen 

Het beleg van Haarlem had grote invloed op de bewoners en de woningen in Lisse. Daar gaat het deze keer in het kader van Lisse 825 jaar over. In 1573, 450 jaar geleden, had het beleg van Haarlem veel negatieve gevolgen voor de bewoners van Lisse. Huurlingen namen alles van waarde mee en staken de huizen en de kerk in brand.

In 1573 was het volop oorlog tussen In 1573 was het volop oorlog tussen Prins van Oranje en de koning van Spanje, die tevens heer der Nederlanden was.

Het was de 80-jarige burgeroorlog. Het ging om een breed gedragen opstand tegen de wettige regering van Filips II. Onder Filips II begon er een gure wind op te steken en hij perkte de macht en privileges van de edelen en protestanten sterk in. Ook de meeste steden kwamen in opstand, met name omdat er enorme belastingen werden geheven om het grote leger van de Spanjaarden te kunnen bekostigen. De Prins van Oranje werd de leider van de opstand. Ook Haarlem kwam in opstand. Daarom belegerden de Spanjaarden vanaf  december 1572 de stad.

Willem van Oranje bij Voorhout

Dit deden zij niet door de stad direct aan te vallen. Zij probeerden de Haarlemmers uit te hongeren. Het beleg duurde van december 1572 tot 12 juli 1573. Deze lange periode stelde de Prins van Oranje in de gelegenheid om een grote troepenmacht rond Voorhout op te bouwen. Zo lagen er schansen bij de ruïne van Teylingen en in de buurt van de Bernardus in Sassenheim. Een schans of een verschansing is een militair verdedigingswerk met een aarden wal  eromheen. Op 8 juli 1573 trok een imposante legermacht vanuit Voorhout, Sassenheim en Leiden via de Bollenstreek richting Haarlem. Er heerste namelijk een ernstige hongersnood in Haarlem. Er moest wat gebeuren.

Om de belegerde inwoners en gezaghebbers van Haarlem in te lichten over de op handen zijnde bevrijdingspoging, stuurde Oranje een boodschap via enkele postduiven. De duiven kwamen nooit aan in Haarlem. De boodschap kwam echter via verraad wel terecht bij de Spanjaarden. Deze gingen in hinderlaag liggen bij Heemstede en hakten het leger van Oranje volledig in de pan. De overlevenden vluchtten terug naar het zuiden, achtervolgd door de Spanjaarden. Twee dagen later gaf Haarlem zich over vanwege de ernstige hongersnood. Bovengenoemde gegevens zijn ontleend aan het blad ‘Dwars Op’ van de Historische Kring Voorhout.

Verwoestingen in Lisse

En wat merkten de inwoners van Lisse ervan? Zowel de huurlingen van Orange  als die van de Spanjaarden hadden al een tijd geen soldij meer ontvangen en hadden honger. Zij stroopten tijdens de terugtocht de Bollenstreek en dus ook Lisse af. Plunderingen, verwoesting, verkrachtingen, moord en doodslag waren aan de orde van de dag in 1573. Vele huizen en boerderijen werden geplunderd en in brand gestoken. Ook de grote kerk aan ’t Vierkant werd vrijwel volledig verwoest. Alleen de toren en wat muren van de kerk bleven overeind staan.

Foto: Ook de Grote kerk op ’t Vierkant werd in 1573 verwoest.
Foto: Oud Lisse

Foto: Ook de Grote kerk op ’t Vierkant werd in 1573 verwoest.

Foto: Oud Lisse

 

C