Berichten

Herinneringen en belevenissen over de 2e Wereldoorlog van Henk Schalk (1).

Henk Schalk vertelt over zijn belevenissen  in en herinneringen aan de 2e wereldoorlog.

door Henk Schalk

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding.

Wat zou het goed zijn, als er personen zijn die de 2e Wereldoorlog, met name in ons dorp Lisse, heel bewust hebben meegemaakt en daarvan ook nog hun herinneringen en belevenissen op papier willen zetten. Die vraag kwam een poosje geleden bij mij op. Op verjaardagen hoor je vaak de verhalen over de periode die je zelf niet meegemaakt hebt. Ik vroeg het aan mijn zwager, Henk Schalk ( 1929). Geboren en getogen Lisser en zoon van een bakker.
De winkel en daar achter de bakkerij in de Kanaalstraat had als huisnummer 149. Tegenwoordig staat op die plek het bedrijf en winkel van Electrotechnisch Installatie Bureau Jan van der Reijden. Toen de oorlog uitbrak was Henk Schalk 10 jaar oud. Veel kan hij zich nog herinneren van de 5 jaar bezetting. Zie hier zijn verhaal dat hij voor de Vereniging Oud Lisse op papier zette.
Chris Balkenende.

Hier volgt het relaas van Henk Schalk.

10 mei 1940

We worden wakker van het lawaai in de lucht, kijken naar buiten en zien een vliegtuigje brandend naar beneden storten. Hebben de laatste maanden veel oefeningen van de soldaten gezien, maar dit is OORLOG. We gaan wel naar de kerk, want het is 2e Pinksterdag. Mogen dinsdag van vader niet naar school. Die blijkt trouwens gesloten te zijn. We brengen 4 dagen door met beplakken van de ramen met stevig papier/ karton, zodat ze niet in scherven uit elkaar kunnen springen.

15 mei 1940

De Duitsers hebben het hart van Rotterdam weggebombardeerd en dreigen hetzelfde te doen met Utrecht als Nederland niet capituleert. De regering moet het land wel overgeven, tegen criminelen valt niet te vechten. Na een paar dagen komt het bezettingsleger ook in Lisse. Wàt een legerauto`s, zo groot en hoog. Een paar Lissese meiden komen gelijk ook al lol maken met de chauffeurs : de eerste moffenmeiden !

Situatie op de hoek van de Broekweg en de Kanaalstraat na het bombardement

Op een avond in het begin van de oorlog zijn er plotseling laag over razende vliegtuigen en drie enorme explosies. Broer Frans van 14 jaar komt naar binnen hollen : “moeder…..moeder…..”. Het blijkt dat hij met Izak Leemans, de knecht, met een zaklantaarn in de lucht heeft staan schijnen. Ze dachten dat de bommen op het lampje gericht waren…. Een Engelse jachtbommenwerper werd achterna gezeten door een Duitse jager en had, om sneller te kunnen vliegen, zijn bommen afgeworpen ; één op de hoek Kanaalstraat/Broekweg -drie ? doden, één vlak voor de villa “De Driesprong” en één in het weiland daarnaast.
Al gauw start `s avonds vanaf Schiphol een vloot bommenwerpers om Londen te bombarderen. Dat betekent iedere avond/ nacht een paar uur wakker liggen van de vliegtuigherrie. Je komt absoluut niet in slaap. Maar er worden boven Engeland zoveel Duitse vliegtuigen neergeschoten, dat ze er mee moeten stoppen. De Engelsen gaan wraak nemen met nog veel meer en grotere bommenwerpers, die ook nog beschermd worden door snelle jachtvliegtuigen. Dus nog veel langer wakker liggen. Gelukkig namen ze op de terugweg een andere route.
Toen Amerika aan de oorlog ging deelnemen gingen ze helpen om Duitsland te bombarderen, maar: gewoon overdag! Vanuit Engeland. Ze vlogen zo hoog dat de vliegtuigen bijna niet te zien waren, maar wel de bevroren uitlaatstrepen van de viermotorige toestellen. Soms kwam een aangeschoten toestel laag vliegend terug in een poging om Engeland te halen. De Duitsers schoten daar met hun luchtafweergeschut vanuit de duinen als razenden op. Het was beter om dan binnen te blijven, omdat de granaatscherven soms letterlijk in het rond vlogen. Op mijn verjaardag in december 1943 bombardeerden de Amerikanen Schiphol. Overdag. De bovenramen van de klas stonden open. Bij ieder salvo van de Duitse afweerkanonnen kletterden ze vreselijk. Mijnheer Koppenaal wilde ze daarom dicht doen. Maar iedere keer als hij er dichtbij was dreunde er weer een salvo en sprong hij haastig terug. Je zag in de lucht bij ieder salvo een serie zwarte wolkjes komen van de ontploffende granaten, zodat het zonlicht er minder door werd.
Eten, brandstof, kleding, eigenlijk alles werd al gauw gerantsoeneerd en kwam “op de bon”. Zogenaamd om alles eerlijk te verdelen. Maar in werkelijkheid omdat het bezettingsleger een aandeel van onze voorraden eiste, en om zoveel mogelijk naar Duitsland te slepen. Voor de middenstand in de voedselvoorziening was dat een ramp ; bij onze bakkerszaak moest de klant voor ieder broodje distributiebonnen inleveren. Die kregen ze bij het distributiekantoor op de Heereweg, voor een bepaalde periode en dan werd voor de week van de zoveelste tot de zoveelste van de maand in de kranten aangegeven welke bonnen er geldig waren. En zo zat de Familie Schalk de hele zaterdagavond bonnen te plakken op opplakvellen. De volle opplakvellen moesten worden ingeleverd bij het distributiekantoor en daarvoor kreeg je dan coupures waarmee je bij de meelhandel balen meel kon kopen. Al gauw werd de kwaliteit van het meel miserabel, want er werd van alles doorgemengd: erwtenmeel, roggemeel ; er was geen brood van te bakken. De mensen die aan tarwemeel wisten te komen kwamen dat bij ons inleveren en later hun brood afhalen.
In 1944 kregen de kleinere bakkers geen brandstof meer om in hun eigen bakkerij te blijven bakken. Zo moesten wij en bakker Schakenbos bij de Protestantse Coöperatie op “De Gracht” intrekken. Tot dat er bijna niets meer was en de mensen broodblikken kwamen brengen waarin deeg kon zitten, gemaakt van roggemeel, gemalen spinaziezaad, tulpenbollen, pulp van suikerbieten en nog meer ellende. En dat in allerlei formaten zodat de bakker de grootste exemplaren achter in de oven moest schuiven, omdat die het laatst gaar waren en hoe kleiner, hoe meer naar voren en het eerst gaar. We hebben wel meegemaakt dat de klanten een stok op de bodem van het blik gelegd hadden, om te controleren of het echt wel hun deeg was en of er niets was afgehaald. Ook wel dat ze een aantal bonen in het blik gelegd hadden. Met Kerstmis 1944 kwam een Duitse militaire bakker koek bakken bij de Coöperatie, onder begeleiding/controle van een sergeant… Een levensgrote bol koekdeeg lag op de werkbank. Toen de eerste plaat koek uit de oven kwam kreeg de sergeant er één van. “Hmm, schmeckt gut”. Maar de bakker bromde : “Mit Eier wäre`s besser gewesen”. En dat terwijl de bevolking hongeroedeem had. Thomas Gort uit de Beatrixstraat wachtte tot bakker en sergeant even in het magazijn waren, kneep een groot stuk koekdeeg van de berg af, stopte het weer netjes toe en verborg het in zijn tas. Toen de Duitsers klaar en weg waren zei hij tevreden : “Ziezo, nou ga IK koek bakken”. Link genoeg, want dat was stelen van legervoorraden !
De honger was groot, ik meen dat het rantsoen in de hongerwinter (december-maart 1944-1945 ) een roggebrood van 800 gram was voor een hele week en dat terwijl er verder nagenoeg niets was. De mensen die zelf aardappelen hadden waren nog betrekkelijk goed af. Toen in die winter mijn bakkerskar bij iemand voor de deur stond waar ik binnen was, kwamen er een jongen en een meisje aanrijden, haalden allebei een brood uit de kar, wikkelden die in een jutezak en reden weg. Toen ik schreeuwend naar buiten rende lieten ze het gauw op straat vallen en vluchtten weg. Dat waren geen echte dieven, die waren “De Meer” in geweest om een beetje eten proberen te kopen en dat was niet gelukt. Waarschijnlijk Leidenaars. Een andere keer kwamen er twee zwarthandelaars bij mijn kar staan : “Bakker, je hebt nog wel een broodje over ; zestig gulden”….
In de herfst van 1944 was, om de bevolking wat beter te kunnen voeden op de Haven een gaarkeuken ingericht. De bevolking had geen brandstof en kon daar met inlevering van hun distributiebonnen een aanvankelijk nog voedzame maaltijd kopen. Later werd de spoeling heel dun en moesten er ook suikerbieten verwerkt worden. Neef Henk Brussé had daar de administratie van.
Hoe de Duitse militairen aan hun vis kwamen ? Ze vorderden bij brugwachter Wesselius een roeiboot en gingen een eindje het Kanaal op, trokken de slagpin uit een handgranaat en gooiden die weg en als de waterzuil van de ontploffing was uitgebruist kwamen de verdoofde en de dode vissen vanzelf boven drijven…
Een aardig voorval uit 1941. De Duitsers lagen in onze school in de Schoolstraat. Er moest een aanval met rubberboten geoefend worden, juist toen de school bijna aan zou gaan. Het starten was op de plaats waar vroeger expediteur M. van der Linden was, aan de Gracht. Eén rubberboot was al van de kant afgestoken toen er nog een soldaat aan kwam rennen. Hij moest van de commandant toch springen, maar: half er naast en werd op het bootje gehesen. En lachen de schoolkinderen en woest de commandant.
Die soldaten werden `s avonds en `s nachts ingekwartierd bij de burgerij. Het hele dorp was geïnspecteerd en als je een kamertje of ruimte had waar er wel een paar konden slapen, kwam je er niet onder uit om ze te nemen. Wij kregen er twee uit Beieren : de ene was houthakker van beroep, vingers als worsten en een trouwring zo groot als een hoepel ( ietsje overdreven ). Na een paar maanden moesten ze weer weg, ze wisten niet waar naar toe. Een half jaar later stond de troep ineens weer op het Asveld, nu parkeerterrein t.o. onze school. Ook onze August Benedict en Hans Hecker. Ze waren duidelijk blij om ons weer te zien en of we aan onze Vater und Mutter wilden vragen “of ze weer bij ons mochten”. Dan mocht het van de commandant ook. Het waren echt aardige kerels. Ze brachten van de dienst altijd “drups” mee, druivensuikersnoepjes, erg lekker. Wij hadden al snel geleerd om te vragen “Haben sie noch Drups ?” Ze waren toen in Frankrijk geweest bij het bezettingsleger.
De avond voor Kerstmis 1942 kwamen ze in de bakkerij, thuis van een dienstfeestje, Hans half aangeschoten, tenminste : Hans had de klompen van mijn vader aangetrokken en stond op de neus te drukken of ze wel pasten… Dat was wel lachen natuurlijk. Maar toen hij daarna ook de Hitlergroet maakte, met uitgestrekte rechterarm “Heil Hitler” riep, had je moeten zien hoe woedend August op hem werd… Waarschijnlijk meer omdat hij wist hoe de Hollanders over Hitler dachten, dan om zijn eigen gevoel voor Hitler. Want de inwoners van Beieren waren uiterst Rooms Katholiek en ze geloofden heilig wat Hitler altijd propageerde over Rusland, de Communistische Godloochenaars en de strijd daar tegen. Kort daarna moesten ze weer weg, wisten zogenaamd weer niet waar naar toe. Dat ze bang waren dat het naar Rusland zou zijn, durfden ze niet eens hardop te zeggen. Het Duitse leger in Rusland had zware verliezen geleden en moest en zou aangevuld worden, desnoods met tweederangs troepen. Later kwamen van Frau Benedict en Frau Hecker de bidprentjes, “Gefallen für das Vaterland”. En zo ook bij andere mensen die inkwartiering hadden gehad.
Jonge mannen waren al gauw niet meer veilig voor de bezetters en de N.S.B. Die moesten als ze zo`n 18 jaar waren en maar enigszins gemist konden worden, in de Arbeidsdienst, een op militaire leest geschoeide organisatie. Ze moesten in uniform allerlei klussen doen. Met hun als een geweer over de schouder gedragen scheppen, leerden ze exerceren en marcheren, allerlei domme commando`s opvolgen en werk doen in de voedselvoorziening of zelfs ten behoeve van het Duits leger.
In de tweede helft van 1944 was er geen enkele man meer veilig. De Duitsers gingen razzia`s houden en haalden iedere man uit huis of van de straat die ze konden vinden. Waar ze naar toe gingen wisten ze nooit, maar dat kon van alles zijn: werken aan Duitse verdedigingsinstallaties, naar Duitsland enz. Als ze gepakt werden bij een poging om te ontsnappen waren ze heel slecht af.
Werkelijk miserabel en angstig werd het toen in het Keukenhofbos een startbaan van de V-1 was aangelegd; zeg maar zo`n vijftig meter voorbij ( nu ) de van Lyndenweg links, tien of twintig meter van de Stationsweg. Wij wisten van de aanleg niets af, alleen dat de Stationsweg was afgesloten vanaf het “zandpad” tot de Loosterweg. Reken maar uit hoe ver je om moest lopen als je bij Lammetje Groen moest zijn. De eerste keer dat zo`n ding werd gelanceerd lagen we stijf van schrik in bed; een geluid alsof er twintig tractors tegelijk werden gestart vlak voor je deur.

Dat was de eerste keer dat ik begon te

Boerderij uit 1942 van de boerderij van familie de Wit, boerderij ‘de Phoenix’wanhopen of de Duitsers de oorlog wel echt zouden verliezen. Eén is er toen nog dicht bij de boerderij van de Wit neergestort en ontploft. Geen ruit meer heel en geen pan meer op het dak.

Wij hebben toen voor de mensen die alles kwamen repareren nog met meel van de Wit brood gebakken en geleverd. Gebracht op een handkar. Toen ik met onze geëvacueerde knecht uit Bruinisse vlak bij de boerderij was kwam er een aanval met Spitfires op de spoorlijn, vlak bij het station, je zag de bommen vallen, zo dichtbij, alsof ze op je hoofd zouden komen. Vreselijk angstig.

Als de Duitse Abteiling ging marcheren liep voorop een Feldwebel. Die had een paar oorlogsonderscheidingstekens en een ( gemeen ) gezicht, verminkt door een enorm litteken. Die gaf het tempo aan en brulde zo nu en dan: “Ein_Lied_ _ _zwei_vier_ _ _” en dan zong de hele troep gehoorzaam zo`n Heimatliedje mee. Dat was bij de Duitsers gebruikelijk, om bij iedere afdeling minstens één echte NAZI te zetten. Broers en neven van een schoolkameraadje waren op de Tuinbouwschool op de Heereweg en hadden daar met scheikunde een explosief mengsel leren maken. Zij noemden dat Calium/Magnesium en haalden dat gewoon bij de drogist. Ze hadden daar een leuk spelletje mee verzonnen. Ze deden dat in pakjes en legden die op de tramrails vóór de Rooms Katholieke school op de Heereweg. Zelf kropen ze ( en wij..) achter de struiken in de tuin van de Bollenkwekers Gebr. Segers.

Als de tram er overheen reed hoorde je een stel daverende knallen, werd de schildwacht die voor de bezette school stond héél erg zenuwachtig en ging staan zwaaien en dreigen met z’n geweer; een niet ongevaarlijk spelletje!
Toen de voedselvoorziening onvoldoende werd – al in 1943 – kon je van de Gemeente Lisse gratis een volkstuintje krijgen. Er was een braakliggend terrein, begrensd door de Broekweg-( nu ) Hyacintenstraat- Gladiolenstraat en ( nu ) Irissenstraat, waar je dan een stukje van mocht bebouwen. Tabak was er al gauw helemaal niet meer. In het begin van de oorlog waren er nog “Blazertjes” te koop, een soort sigaretten van Joost-mag-weten wat voor soort van gedroogde bladeren. Een gruwelijke smaak en stank… Wie een beetje tuinruimte had ging zelf tabak verbouwen en dat groeide hier eigenlijk best aardig. Als de bladeren groot genoeg waren werden ze geoogst, de nerven er uit gehaald en gedroogd. Dan in heel smalle reepjes gesneden en gefermenteerd. Dat was dan de “Eigen Teelt”. Als de shag helemaal klaar was kwam het probleem van de vloeitjes die niet meer te koop waren. Krantenpapier was wel een heel slechte vervanger. Het is bekend dat er menig dun papierig bijbeltje en psalmboekje voor misbruikt is.
De Duitse bezettingsmacht bestond aanvankelijk uit parate troepen. Toen die allemaal naar Rusland verdwenen waren, kwam er “tweede keus” voor in de plaats, ouderen en minder validen. Die bleken op den duur niet mobiel genoeg en gingen fi etsen vorderen. Ik stond een keer in de Kanaalstraat, voor de brug rechtsaf dus, aan deze kant van het Kanaal. Net over de brug stond zo`n Duitser en daar kwam van de kant van De Kaag een mij bekende Lisserbroeker aan fi etsen op een fi ets met luchtbanden. Die werd aangehouden en daar stonden ze allebei aan de fi ets te trekken. “Mot je mijn Fahrrad hebbe ?” de één, en: “Ja Mensch, das ist beständigt für die Wehrmacht” de andere. Maar omdat de Duitser in z`n ene hand dat zware geweer had, wist de Dijker z`n fi ets toch los te rukken, er op te stappen en terug te rijden richting huis. Nageschreeuwd en gedreigd door de soldaat en die had toch niet het lef om te schieten.
Er is nog een gelegenheid geweest dat de Zweden, met toestemming van de Duitsers, schepen met balen bloem mochten lossen in Delfzijl. Hoe dat bij ons terecht kwam weet ik niet meer, wel dat het als een groot geschenk werd gezien. Toen kon er weer even echt goed brood worden gebakken. Later, maart of april mochten Engelsen en Amerikanen voedselpakketten droppen in de buurt van de steden: Rotterdam, Den Haag, Leiden, Haarlem, Vogelenzang. Dat werd een grote uitkomst. Mensen stonden met lappen en vlaggetjes te zwaaien naar de laagvliegende voedselbommenwerpers. Je kon soms echt de bemanning zien zitten, vooral de Amerikanen waarvan de Vliegende Forten veel meer glas in de voorkant hadden. Bij de Protestantse Coöperatie stond Koos van Leeuwen op het dak van het magazijn naar ze te zwaaien. In zijn enthousiasme deed hij een stapje achteruit, nog een stapje en nog één en viel achterover naar beneden waar Horsman zijn broodkar stond te laden en Koos werd ongedeerd door hem opgevangen.
Eén of twee weken voor het einde van de oorlog op 5 mei konden de Duitsers geen V-1 ‘s meer bij de startbaan krijgen. De spoorlijn was verwoest en misschien hadden ze er ook niet meer. De gigantische dreun van het opblazen klonk ons als muziek in de oren, want je begreep: “nou duurt het echt niet lang meer”. En de enorme rookwolk die langzaam naar het Noorden dreef werd zo lang mogelijk nagekeken. Toen je na het einde van de oorlog op 5 mei 1945 weer in het bos mocht komen, kon je zien wat voor een onding het eigenlijk was: een betonnen baan waarop een stalen buis van 30 of 40 meter lang, met aan de bovenkant een gleuf. Daar werd een soort overmaatse ijzeren bot doorheen geschoten. Aan dat bot zat aan de bovenkant een haak die boven de gleuf uitstak en het projectiel/vliegtuigje meenam, waarvan de primitieve reactie-motor van tevoren was gestart. Alles maakte een heidens kabaal en het heette dat er zoveel vuur uit de gleuf en de motor kwam dat ze daar hun soldaten niet aan waagden, maar er krijgsgevangenen voor gebruikten.
Maar op 5 mei capituleerde het Duitse leger onvoorwaardelijk en braken er betere tijden aan.

Dynastie Lefeber

Joseph Willem Lefeber, geboren in 1860, werkte bij Gebroeders Segers. Omstreeks 1885 begint hij een bloembollenkwekerij met Van Kampen. Later ging hij alleen verder. Zijn oudste zoon J.W.A. Lefeber begon een eigen kwekerij. Hij ging hyacinten en narcissen veredelen. De belevenissen van de zoons van J.W.A.  worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

De bollenteelt in de omgeving van Lisse is betrekkelijk nieuw. Zij ontstond hier zo’n 1 á 1 ½ eeuw geleden. Soms hadden kwekers een agrarische achtergrond, bijv. van boer of groenteteler. Maar hoe zat dat met de familie Lefeber? In dit artikel willen we ingaan op het gezin Lefeber. D.W. Lefeber, de bekende veredelaar aan wie ons nieuwsblad een viertal artikelen wijdde, is telg van deze familie. De geschiedenis geeft een mooi tijdsbeeld weer. We gaan terug naar 1809. Naar Den Haag. Daar trouwt J.M. Lefeber, die bakker is, met de weduwe van een bakker. Een economisch huwelijk, want zo worden twee bakkerswijken samengevoegd.
Korenmolenaars en bakkers zijn in die tijd hechte groepen (soort kartels) met een sterke sociale controle. Zij beschermen elkaar tegen tegenslagen, de gevolgen van ziekte en de zorgen van ouderdom. De kartels beperken de concurrentie, onderling en van buitenstaanders. Brood is tot ongeveer het midden van de negentiende eeuw uitsluitend gebakken door bakkers in kleine bedrijven. Een meester-bakker met één of meer leerling-gezellen (soms zoon des huizes) doen het werk. Er zijn afspraken over de verdiensten en over de prijzen. Dat heeft tot gevolg dat de broodprijzen in de steden en daarmee ook de kosten van levensonderhoud hoog zijn. Sinds de tweede helft van de 18e eeuw is de industriële bereiding van meel en brood bekend. Dat zou de kosten voor een brood aanzienlijk kunnen drukken. In Nederland staat echter de ’wet op het gemaal’ het ontstaan van meel- en broodfabrieken in de weg. De strenge ’wet op het gemaal’ is afgestemd op het traditionele kleinbedrijf. Zo belast de wet de eerste levensbehoeften van de bevolking. Brood behoort immers, met aardappelen, tot het hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding. Dat wordt ook erkend door regering en parlement. Maar hoewel de wet regelmatig onder vuur ligt, komt het maar niet tot een afschaffing ervan.
Bakker Lefeber wacht de concurrentie van fabrieken niet af. Het bakkersechtpaar besluit uit te zien naar een dorp waar plaats is voor een bakker. Dat wordt Lisse, waar zij zich in 1826 vestigen aan de Heereweg 195.

J.W. Lefeber (1813- 1898) J.W. Lefeber (1860- 1952)

Dat J.M. Lefeber een vooruitziende blik heeft blijkt uit het feit dat Den Haag de stad wordt met de meeste en de meest geavanceerde broodbedrijven. Zoon J.W. Lefeber (geb. 1813) is dan leerling-bakker en zet later de bakkerij van zijn vader in Lisse voort. In die tijd hebben de mensen nog niet zo’n hoge levensverwachting. J.W. Lefeber trouwt zelfs 3 keer. Zijn eerste twee echtgenotes sterven op jonge leeftijd. Uit alle huwelijken worden kinderen geboren, 14 in totaal. Een zoon uit het laatste huwelijk, met Maria van Loon, wordt de stamvader van een echte bollendynastie. Deze zoon, Joseph Willem (geb.1860), gaat niet in de bakkerij van zijn vader werken, maar hij toont interesse voor het bloembollenvak. Hij gaat in de leer bij de firma Gebroeders Segers en na een aantal jaren besluit hij voor zichzelf te beginnen. Omstreeks 1885 begint hij met compagnon Van Kampen een bloembollenkwekerij. Van de firma Segers ontvangt hij bij zijn vertrek een horloge met inscriptie voor bewezen diensten. De samenwerking met Van Kampen duurt niet zo lang en Lefeber zet de kwekerij alleen voort. Niet onverdienstelijk overigens. In 1888 wordt een stuk land van ruim 7 hectaren gekocht voor een prijs van 7100 gulden. Ook in 1888 treedt hij in het huwelijk met Jacoba van Ruiten (geb.1863) en komen zij te wonen aan de Achterweg 14.

Achterweg 5. De villa werd in 1975 afgebroken t.b.v. de uitbreiding van de huishoudschool

In dit gezin worden 8 jongens en 1 meisje geboren. In 1902 verhuist de familie naar de overkant, naar Achterweg 5. Bij het huis is ook een grote boomgaard met alle mogelijke soorten fruitbomen en achter het huis loopt een menagerie van eenden, pauwen, duiven en zwanen. J.W. Lefeber is een kweker die zich met hart en ziel inzet voor zijn vak. In die tijd is er nog geen sprake van een voorlichtingsdienst of vaktechnisch onderwijs. De kwekers komen bij elkaar om over het vak te spreken. Ziektebestrijding, behandeling van plantgoed, bemesting, waterhuishouding, allemaal onderwerpen die ter sprake komen. De Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur ter behartiging van de algemene vakbelangen bestaat al en er wordt door deze vereniging gepleit voor het oprichten van een tuinbouwschool. Haarlem maakt grote kans de school te krijgen. Lisser kwekers ijveren voor een school in Lisse. Ook J.W. Lefeber speelt daarbij een rol en uiteindelijk wint Lisse de strijd van Haarlem.
In die tijd is meester Ch. De Meulder hoofd van de R.K. jongensschool, de Josephschool.

Ingekleurde kaart van de fi rma J.W. Lefeber uit 1913 voor de Russische markt

Meester De Meulder (vader van Frederique, de oprichter van de ruim 100-jarige bloembollenfi rma De Meulder) is een natuurliefhebber en hij leert zijn leerlingen, waaronder de zonen Lefeber, het hybridiseren, het winnen van zaad, het kruisen van bolbloemen. Meester Beumer, hoofd van de lagere school in Sassenheim speelt ook een speciale rol. J.W.A. Lefeber(geb. 1890) heeft dat in 1962 beschreven in een artikel voor Kwekerij en Handel. Meester Beumer maakt in 1906 een aantal kwekers attent op een betere methode om nieuwe hyacinten te winnen. Tot die tijd werd bij een bed gemengde bloeiende hyacinten een bijenkorf geplaatst en de bijen zorgden voor de bestuiving. Gevarieerde kleuren waren het resultaat. Meester Beumer leerde de kwekers een gerichtere methode. Enkele voor de bestuiving geschikte cultivars werden onder een kooi van vliegengaas geplaatst zodat ze elkaar konden bestuiven. “Dit voorstel werd graag aanvaard en de heer Beumer liet zien hoe de bestuiving moest worden volbracht”, schrijft J.W.A. Lefeber.
Vader Lefeber is een strenge leermeester voor zijn zonen. Na de lagere school moet er worden aangepakt. Met avondcursussen worden de vakkennis en de talen bijgeleerd. Dat hij trots kan zijn op al zijn kinderen wordt hieronder wel duidelijk.

Gezin Lefeber 1908 Vlnr. Arie, Dirk, Annie, Marinus, mevr. Lefeber-van Ruiten, Willem, Koos, hr. J.W. Lefeber, Toon, Paul, Theo

Joseph Willem Antonius (J.W.A. 1890-1973)

Oudste zoon Willem is voorbestemd om thuis op de kwekerij te komen. Maar in 1912 begint hij een eigen kwekerij. Hij legt zich ook toe op kruisen en is vooral bezig met zaadwinning van hyacinten en narcissen. In januari 1922 is er een bloembollenbeurs in Haarlem en kan hij vol trots een potje Pink Pearl tonen. Pink Pearl is sindsdien een heel belangrijke handelssoort waaruit diverse mutaties zijn ontstaan met goede broei-eigenschappen zoals White Pearl, Violet Pearl en Blue Pearl. De Pink Pearl is nu nog de hyacint met de grootste opgeplante oppervlakte. In 1944 volgt weer een belangrijke aanwinst voor de hyacintencultuur. Met de naam Delfts Blauw.
Het winnen van nieuwe soorten narcissen is een grote hobby. Nieuw gewonnen soorten, ook nu nog aanwezig in het handelsassortiment, zijn Barret Browning, Professor Einstein en Johan Strauss. Maatschappelijk maakt Willem zich zeer verdienstelijk, zowel in zijn vakgebied als in de politiek. In 1932, tijdens de crisisjaren, moet er bijvoorbeeld een oplossing gevonden worden voor de overproductie. Het kost nogal wat moeite de kwekers er van te overtuigen dat het noodzakelijk is om maatregelen te treffen. Het Bloembollen Surplusfonds komt van de grond. Als wethouder is Willem betrokken bij de oprichting van de bloemententoonstelling Keukenhof in 1949.

Antonius (1892-1980)

In 1911 wordt zoon Toon naar de Duits-Russische grens gestuurd om de beide talen te leren. In 1913 gaat hij naar Rusland om daar bloembollen te verkopen. Met nomaden trekt hij ook de bergen van Turkistan in. Gevonden bijzondere bolgewassen worden naar Nederland gestuurd om daar uit te planten en verder mee te kruisen. Op zijn verkoopreizen komt hij regelmatig in St. Petersburg. Hij bezoekt daar, met zijn Friese doorlopers, een ijsbaan en oogst veel bekijkt met deze, voor de Russen, vreemde schaatsen. Zo maakt hij kennis met zijn toekomstige bruid.en schoonfamilie. Midden in de revolutie trouwen zij in St. Petersburg en ontvluchten Rusland. Na maanden reizen via Finland, Zweden en Noorwegen komen ze aan in Lisse waar ze het oude huis op Achterweg 14 kunnen betrekken. De handel met het communistische Rusland is daarna afgelopen. Vader Lefeber verliest daarbij heel veel geld want de openstaande rekeningen voor geleverde bollen worden natuurlijk nooit meer betaald. Ook Antoon wint een belangrijke nieuwe hyacintensoort. De witte Carnegie (1935). In 1948 emigreert het gezin van Antoon naar de Verenigde Staten. Daar wordt met succes een gladiolenfarm gesticht.

Marinus (1893-1982)

De derde zoon van vader J.W. beproeft al snel zijn geluk in Amerika. In 1923 start hij aan de westkust, in Mount Vernon, een bloembollenbedrijf. In deze omgeving zitten meerdere Nederlandse bollenkwekers. De geschiedenis herhaalt zich: in Mount Vernon is ook een kwekerij van de gebroeders Segers. Kreeg vader J.W. zijn eerste lessen in het bollenvak bij deze fi rma, nu is het zoon Marinus die gebruik kan maken van hun goede kennis. Na het einde van de tweede wereldoorlog komen er bij de familie in Holland, dank zij de Amerikaanse oom en tante, heel wat pakketen aan met kleding, levensmiddelen en schoeisel. Een feest in het net bevrijde Holland! Bij gebrek aan opvolging wordt het bedrijf Lefeber Bulb Company in 1997 opgeheven.

Dirk Willem Lefeber (D.W. 1894-1979)

Over D.W. zijn in het nieuwsblad een viertal artikelen verschenen. Nadat hij Rusland tijdens de revolutie veilig heeft verlaten keert hij weer naar het ouderlijk huis terug. Daar is het een gezellige boel op de zaterdagavonden. Broer Toon speelt de balalaika, broer Theo de viool en er wordt volop gezongen. In 1923 trouwt hij Jet Nijman en belooft ook dat hij niet meer zal reizen. Samen met een Haarlemse kweker koopt D.W. een partij bolgewassen uit het Oosten. Beide vinden ze een mooie rode tulp. D.W. noemt haar Madame Lefeber, maar de Haarlemse kweker geeft de naam Red Emperor. Deze tulp heeft ook nu nog twee namen.

Theodorus Augustinus (1896-1987)

Deze zoon blijft tot op hoge leeftijd (hij is dan bijna 60) bij zijn vader. In 1956 komt een eind aan zijn vrijgezellenbestaan en trouwt hij Rie van Grieken. Hij is een der eersten die eindexamen doet aan de Rijkstuinbouwschool. Hij is een betrouwbaar bollenkweker en exporteert naar de Scandinavische landen.

Adrianus Hendricus (1897-1982)

Zoon Arie trekt als 18 jarige al naar Engeland en werkt daar bij een Londense hofl everancier. Zo spreekt hij zelfs met Queen Mary bij het arrangeren van bloemstukken in het koninklijk paleis. Tijdens de oorlog verbouwt hij tabak. Tabak is schaars en dus is hij bang voor dieven. De tabak ligt in de schuur te drogen. Arie besluit om het zekere voor het onzekere te nemen en zelf ook in de schuur te overnachten. Wanneer het een aantal nachten gewoon rustig blijft denkt Arie dat hij wel weer in zijn eigen bed kan gaan slapen. Helaas, de volgende ochtend blijkt de hele oogst spoorloos te zijn verdwenen. Arie is een echte bollenhandelaar. Hij maakt vele reizen met de Holland Amerika Lijn en ontmoet tijdens deze reizen de meest interessante personen. Hij heeft er zelfs met president Roosevelt gebridged.

Anna Maria (1898-1981)

Het enige meisje in een gezin met 8 jongens. En dan trouwt ze nog niet eens met een bollenman! In de hongerwinter van ‘44-‘45 gaat ze meerdere keren op de fi ets (met daarachter een slee gebonden) naar Lisse om eten te halen. O.a. bloembollen. Op de terugweg wordt ze een keer bij Leidschendam door de Duitsers aangehouden en moet ze alle etenswaren afstaan. Wat een drama na zo’n zware tocht.

Jacobus (1900-1995)

Zoon Koos heeft ook avonturiersbloed in de aderen. Hij trekt naar vele landen om er bollen te verkopen. In 1939 verkoopt hij bollen in Amerika. Het gaat voortreffelijk, tot de mobilisatie voor WO II uitbreekt. Hij kan niet terug naar huis en gaat noodgedwongen werken bij een bloemenzaak in New York. Van daaruit reist hij naar broer Marinus om in diens bedrijf te werken. In 1941 lukt het hem om via Spanje weer naar Lisse te komen. Na de oorlog wordt de bollenverkoop in Amerika weer hersteld. Al snel wordt besloten om de definitieve overstap naar de States te maken. In 1949 is het zo ver. Het begin is moeilijk. Praktisch de hele bollenkraam gaat het eerste jaar verloren omdat het bollenland onder water loopt. Maar Koos is vindingrijk, zoals ook blijkt uit het volgende: Koos staat met zijn bollenkraam langs de weg, maar helaas, er stopt niemand. Dan krijgt hij een idee. Koos haalt de vlag oplaag en hangt die op zijn kop bij de kraam. En jawel: er stopt iemand om te vertellen dat de ’stars and stripes’ op z’n kop hangt. Er volgt een praatje, bloemen worden verkocht en een bollenordertje is binnen. En opnieuw: de vlag op z’n kop! Ook Koos veredelt bolgewassen. De bekende narcis Flower Record is een van zijn succesvolle zaailingen.

Paulus (1901-1989)

De beide jongste zonen Paul en Koos trekken veel met elkaar op. Samen zorgen ze wel eens voor consternatie. Zoals die keer dat ze bij boer Warmerdam zakken vol mussen vangen. En die in de volière loslaten om een nieuwe soort vogeltjes te kweken. Het kweken zit er al vroeg in. Het bloembollenvak leert hij vroeg. Hij mag vader naar de bollenbeurs (Krelagehuis) in Haarlem brengen. Paul heeft eerst samen met broer Koos een bedrijf en gaat later alleen als kweker door. De kwekerij ligt achter de steenfabriek. In het huis waar zijn vader in 1888 begon is hij tot het einde van zijn leven blijven wonen.
Echte bollenmensen, die Lefebers. Met zorg voor het product en gevoel voor de markt. Ook van de daaropvolgende generaties hebben velen het bollenvak uitgeoefend.

1922 De zoons Lefeber, vlnr. Willem, Antoon, Marinus, Dirk, Theo, Arie, Koos en Paul, in de bollen. Op de achtergrond de villa aan de Achterweg.

 

Aanvulling artikel Lefeber

Naar aanleiding van het artikel in het vorige nieuwsblad over de familie Lefeber ontvingen we van de heer Ignus Maes nog wat aanvullende informatie. Deze gegevens sluiten ook prima aan bij het hierna volgende artikel van Henk Schalk. In het stuk over de familie Lefeber vermeldden we de villa aan de Achterweg 5. In oktober/november 1943 moeten de Keukenhofbewoners, Graaf Carel met dochter Irene en zijn moeder, het kasteel Keukenhof verlaten De reden hiervoor is de annexatie door de Duitsers. De Duitse bezetter gebruikt het huis om Duitse soldaten onder te brengen en op het landgoed wordt een V1 installatie geplaatst. (in het bos langs de stationsweg, tussen de toegang naar het kasteel en de huidige van Lyndenweg). De grafelijke familie vindt onderdak in het woonhuis van J.W.Lefeber, Achterweg 5. De heer Lefeber en zijn huishoudster verhuizen voor de rest van de oorlogsperiode naar het huis van zijn oudste zoon aan de overkant op Achterweg nr. 15. Het verkeer werd in die tijd omgeleid via de Zwartelaan. Dat was voor de kinderen uit Halfweg een heel eindje om naar school!! (info:vrijwilligersblad Kasteel-Nieuws van maart 2008).

Artikel Lefeber, Rectificatie
Van de familie Lefeber kwam een reactie op ons stukje over het verblijf van de graaf van Lynden gedurende de laatste oorlogsjaren. In het vorige nieuwsblad meldden we dat J.W. Lefeber zijn huis afstond aan de grafelijke familie en zelf introk bij zijn oudste zoon. De familie Lefeber meldt: Het zit zo: de Duitsers hebben dat huis van opa Lefeber gevorderd en zijn daar eerst zelf in getrokken. Toen de V 1 installatie in het Keukenhof bos werd geplaatst, moest Graaf van Lynden het kasteel verlaten en is de graaf met zijn moeder en dochter in het huis van Opa Lefeber gaan wonen, tot het einde van de oorlog. Opa Lefeber trok niet in bij zijn oudste zoon, maar bij zijn jongste zoon Paul,
Achterweg 14. (Het huis wat hij in 1888 bouwde en er introk na zijn huwelijk in november 1888.)

Tachtigjarige oorlog richtte veel schade aan in Lisse

door Arie in ’t Veld

Uit De Lisser van 27 augustus 2008

Toen en nu: Nederlands hervormde kerk

LISSE – Het kerkgebouw van de Nederlands Hervormde kerk aan het Vierkant is eeuwenoud. Met name de toren heeft al heel wat jaren doorstaan en dateert vermoedelijk uit de periode van rond 1500. Het kerkgebouw zelf is minder oud, maar toch ook niet meer zo piep. De geschiedenis van de kerk is overigens enigszins anders dan protestants, als wordt bedacht dat de kerk oorspronkelijk een rooms katholieke kerk was. Het hoe en het wat waardoor de kerk op een gegeven moment in protestantse handen overging is nog altijd niet echt duidelijk, doch het vermoeden bestaat dat de roerige periode van de Beeldenstorm daar wellicht het nodige mee had te maken.

Het kerkgebouw had in de Spaanse tijd veel te lijden gekregen, waardoor het bedenkelijk veel op een ruïne begon te gelijken. Zo lag het koor geruime tijd er verwoest bij, maar later heeft men alles weer hersteld en ongeveer in de staat gebracht van voor de tachtigjarige oorlog. Het zal de ware Lisser niet zo leuk in de oren klinken, maar toch is het waarschijnlijk zo dat Sassenheim in de vijftiende eeuw kerkelijk blijkbaar meer te betekenen had dan Lisse. In ieder geval had Lisse tot 1460 niet eens een kerk, maar een kapel, die door Willem, Graaf van Holland, was gebouwd, maar onder de parochiekerk van Sassenheim behoorde. Door een “bulle” van Paus Pius de Tweede is Rome op de achtste November 1462 gegeven, werd deze kapel van Sassenheim afgescheiden en tot een parochiekerk verhoogd, die aan St. Agatha was gewijd.
Overigens moet dit alles los worden gezien van de huidige Agathakerk, want die is weliswaar monumentaal, maar dateert toch altijd nog van de vorige eeuw. Na de hervorming was de rk-gemeente verenigd met die van Warmond, Voorhout en Sassenheim. In de laatste plaats hield de pastoor verblijf. In 1667 “verlangde” Lisse echter een eigen pastoor en kwam de eerste in de persoon van Johan van de Werve. Op 1 juli 1697 overleed deze, en werd opgevolgd door Lambert Schaap. Op 10 April 1709 verwisselde ook deze het tijdelijke met het eeuwige en toen kwam hier als pastoor Arnoud de Leeuw.

Veranderingen
Dat er in de loop der jaren aan de Ned. Herv. kerk het een en ander veranderd is blijkt uit de beschrijving, die in het laatst der achttiende eeuw uit een ganzenveer vloeide: “Van binnen is dezelve in alle opzichten zeer wel ingericht en van een goede preekstoel, doophek, de benodigden gestoeltens en verdere zitplaatsen vrijwel voorzien. Sieraden vindt men echter niet anders dan tegen de binnenzijde der toren. Daar is een oud bord geplaatst waarop de Wet des Heeren en het volmaaktst gebed met een goede letter staat geschreven. In het koor, hetwelk van een latere bouwing als de kerk is, vindt men een aanzienlijke begraafplaats van de familie van de heer Van der Stel, voorheen Gouverneur zijnde geweest van de Kaap de Goede Hoop. De toren is zwaar vierkant en trots gebouwd, met een lage kap gedekt op welke men een windwijzer vindt; van binnen in dezelve een uurwerk en klok en van buiten met de nodige uurwijzers voorzien. Het kerkhof is rondom met een muur omvangen en aan de ene zijde met bomen beplant”. Tot zover een deel van het geschrift van de 18e-eeuwse geschiedschrijver.
En dan de toren in. Een stenen trapje van enkele treden brengt de klauteraar naar een smal en laag poortje. En als men zich daar doorheen wurmt blijkt dat de muur ruim negentig centimeter dik is! De zolders kraken griezelig als er overheen wordt gelopen. Het nog aanwezige, maarniet meer gebruikte oorspronkelijke uurwerk is destijds gemaakt bij A.H. van Bergen in Heiligerlee. Op de volgende etage bevindt zich de luidklok. De antieke klok is in 1943 door de Duitsers weggehaald en vermoedelijk tot een of ander oorlogstuig omgesmolten. In ieder geval is de klok, die nu in de stoel hangt nog niet zo oud.
Het volgende gedicht staat er op te lezen: “De oude klok, in ‘d oorlog meegenomen vervulde eeuwenlang haar grootste taak. De nieuwe, voor haar in de plaats gekomen. Roept nu weer luid: gij die nog slaapt: ontwaakt!” 1949. Hier vindt men ook de grote ijzeren hamer, die door het uurwerk van de klok in actie wordt gebracht, wanneer de klok moet slaan. Tegen het Westelijk gedeelte der toren zit nog een zonnewijzer, die het uiteraard nog “doet”. Vermoed wordt, dat deze er in 1600 of

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

100 jaar van der Putten

In 1908 werd stalhouderij P. van der Putten ingeschreven bij de KvK. In 1930 is een contract gemaakt voor het vervoer van  alle lyken per lykkoetst. Alle wetenswaardigheden passeren de revue.

Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Tegenwoordig is Van der Putten een begrip in Lisse. Regelmatig sieren de fraaie Amerikaanse sleeën het dorpsbeeld. Bij feestelijke gebeurtenissen, maar ook onder treurige omstandigheden. Rond 1905 startte stamvader Piet van der Putten op Heereweg nr. 60 met de eerste vervoersdiensten. Hij had een paar muilezels op de kop getikt. Die werden voor de kar gespannen en op woensdagmiddag werd gereden voor de firma Schrama, grossier in kruidenierswaren aan de Kanaalstraat. Daarnaast was er de bodedienst op Haarlem en Leiden. Een klein gedoetje, maar door hard te werken zat er een boterham in. In april 1908 werd Stalhouderij P. van der Putten ingeschreven in het bedrijvenregister en daarmee startte de roerige bedrijfsgeschiedenis van de Van der Puttens.

Klandizie

Er kwamen steeds meer bloemisten (bollenkwekers) als klant. Overigens was er een strenge scheiding der geesten: de protestantse bloemisten lieten hun zaken vervoeren door firma’s als Eigenbrood en Scheepmaker, de katholieken waren klant bij Van der Putten. Dat het, zeker in de crisistijd, niet altijd een vetpot was zal duidelijk zijn. Het bollenwerk gaf seizoendrukte, maar afgerekend werd er alleen in maart en november. En dan nog werd een betaling soms noodgedwongen uitgesteld. Ook de andere klanten waren wel eens te laat met betalen. Dan was de trouwerij bijvoorbeeld prachtig geweest, maar wel duur en er kondigde zich meteen een baby aan. Van der Putten moest maar even wachten op de betaling. Bij Van der Putten moesten ze maar zien of ze het geld op afbetaling konden innen. ‘Briefjes lopen’. En eerst moest het personeel betaald worden. Daarna was er pas huishoudgeld voor mevrouw Van der Putten (of juffrouw zoals vroeger wel gezegd werd.)

Begraven

Vanaf 1930 was er een contract met begrafenisvereniging St. Barbara voor het vervoer van “alle lyken per lykkoets”. Daarbij werden wel strenge afspraken gemaakt. Dus “de koetsier in passend costuum gekleed, en voorzien van steek, zoals het behoort.” Een zwarte jas en een steek was een passende dracht bij een eersteklas begrafenis. De paarden waren afgedekt met zwarte kleden. Dat uiterlijke rouwvertoon paste in het tijdsbeeld. In de hele straat gingen de gordijnen dicht en werden de bloemen voor de ramen weggehaald. En men stond stil bij het voorbijkomen van een rouwstoet. Het uitvaartbedrijf is nog steeds een belangrijke pijler in het bedrijf. In 1975 werd een eigen uitvaartonderneming gestart. De stijl was natuurlijk anders dan in de tijd van de lijkkoetsen, maar de persoonlijke aandacht en zorg staan hoog in het vaandel. Sinds 1998 is er het eigen “Uitvaarthuis”. Dat ze bij Van der Putten trots zijn op dit werk bleek tijdens ‘De mensen van…’, een documentaireserie op televisie. In deze 4-delige serie werd via Van der Putten een beeld gegeven van het reilen en zeilen binnen het uitvaartbedrijf.

De oorlogstijd

3 mei 1944 huwelijk van G.J.Mijnders en B.Mijnders-Visser Men rijdt in de Tulpenstraat met op de achtergrond de Lisbloemstraat

Net als overal was deze periode moeilijk. Weinig werk en dan werd er ook nog van alles door de Duitsers gevorderd zoals auto’s, karren en paarden. Dat laatste kon Maarten sr. niet verkroppen en dus ging hij er ’s nachts op uit om ze terug te pikken uit het weiland bij de HBG. Daar stonden alle in beslag genomen dieren. De paarden werden elders in Lisse veilig ondergebracht. Maar een stalhouderij had in die barre tijd ook zijn voordelen. Er moest in de hongerwinter onder begeleiding van soldaten voedsel gehaald worden uit Leiden. Dit voedsel was. bestemd voor de Duitsers. Natuurlijk was het opletten dat ze het niet zagen, maar onder je jas konden wel enkele worsten verborgen worden. Aan graan was groot gebrek dus reed de lijkwagen naar boeren in de Haarlemmermeer. Op de terugweg zat er graan de lijkkist. Veilig opgeborgen, geen Duitser die zo’n kist durfde te openen. Na de oorlog moest het wagenpark weer aangevuld worden en wist men een paar oude legertrucks te bemachtigen.

Paarden

Werken met paarden is een apart vak. En rijden met een koets of brik (platte kar) voor het bollenvervoer helemaal. Tegenwoordig heeft iedere koets een rempedaal, maar vroeger zette de koetsier zich met de voet tegen de kont van het paard af. Achter het bedrijf aan de Heereweg was bollenland, dus daar konden de paarden niet in de wei. In Bennebroek had men weiland en daar werden paarden die niet direct nodig waren ’s avonds heengebracht, rijdend met twee of drie andere paarden aan de hand. De stalhouderij bracht altijd veel werk met zich mee. Voeren en verzorgen. Uitmesten. Stallen en erf schoonmaken. Ook de paarden moesten er pico bello uitzien wanneer ze voor een plechtigheid weg moesten. Tot aan de hoeven werden ze opgepoetst. Al die paarden hadden hun eigen karakter wat het werken met de Jans, de Annie, de Churchill, de Zalm of hoe ze allemaal ook heetten alleen maar mooier maakte.

Buitengewone verkoping

In de vijftiger jaren nam de vraag naar paarden met koetsen af. Voor rouw­en trouwvervoer werd steeds vaker de voorkeur gegeven aan auto’s. De brik met het paard was bij het bollentransport al eerder ingeruild voor de vrachtwagen. Waren er in de toptijd 24 paarden, nu werd het tijd de stalhouderij te beëindigen. Notaris Pinxter zag er 2 mei 1956 op toe dat de verkoop van o.a. 10 paarden, 3 trouwcoupés, 6 landauers, een le klas lijkkoets en 4 zwarte staatsiekoetsen, 2 platte wagens en de nodige tuigen, jassen en kleden correct verliep. Helaas was men niet de enige stalhouderij die de pijp aan Maarten gaf en was de opbrengst van deze bijzondere verkoping nogal mager. Bijna genoeg voor één nieuwe vrachtwagen of bijna voor twee nieuwe taxi’s!

Wagenpark

Het vervoer groeide gestaag en zo breidde het wagenpark zich ook uit. In 1957 werd de eerste Amerikaanse Cadillac gekocht. Tweedehands, maar wel een koninklijk tweedehandsje! In 1965 bestond het wagenpark uit 20 luxe auto’s, 2 lijkwagens en 10 vrachtwagens. Cadillacs spelen in het bedrijf een heel speciale rol. De import van deze auto’s werd een bedrijfsactiviteit en men levert ook nu nog Cadillacs, al dan niet omgebouwd tot rouwauto, aan collega-bedrijven. Bij de koninklijke begrafenissen uit de laatste jaren waren rouwauto’s in gebruik die oorspronkelijk via Van der Putten werden geïmporteerd. Vrachtwagens speelden nog lang een belangrijke rol in het bedrijf. Drijvende kracht daarachter was Tinus van der Putten. Toen hij in 1980 plotseling overleed werd besloten zich alleen nog op personenvervoer toe te leggen. Geen openbare verkoping dit keer. Klanten en vrachtwagens werden overgenomen door Van der Kwaak in Hillegom.

Terug naar de oorsprong

Het wegvallen van het vrachtvervoer werd ruimschoots gecompenseerd door de groei in de andere sectoren. In 1998 waren er zelfs 20 busjes voor het groepsvervoer. Met daarbij de 30 taxi’s en de sleeën voor het rouw- en trouwvervoer een gigantisch wagenpark. Helaas kwamen er moeilijke tijden aan. Het leerlingenvervoer viel weg terwijl gelijktijdig ook andere opdrachtengevers moesten bezuinigen of wegvielen. Zwaar weer voor de firma. Maar eigenlijk is het kringetje hiermee ook weer rond. Met hard werken hadden de voorvaderen altijd een goede boterham verdiend. Daarbij werd van alles aangepakt. Bijvoorbeeld verhuizen, zand en pekel strooien voor Rijkswaterstaat en wat te denken van de handel in hyacintennagels. Tegenwoordig worden hyacinten bespoten waarbij de bloemen verdrogen en er geen rot optreedt. Het is nu al moeilijk genoeg om voor het corso voldoende hyacintennagels te krijgen. Heel vroeger werden de hyacintennagels van de bloemtrossen geritst en bleef de steel staan. Eind vijftiger jaren werd nog veel geritst. En laat er nu een parfumfabriekje zijn in Amersfoort dat een kwartje per kilo voor de nagels wilde betalen. Een nieuwe activiteit voor Van der Putten was geboren. Erg lang zal deze activiteit niet geduurd hebben. Maar het laat wel de instelling zien. Op tijd ergens inspringen maar ook harde maatregelen durven nemen wanneer de tijd er om vraagt. Een paar jaar geleden is het bedrijf noodzakelijkerwijs aanzienlijk afgeslankt. Nu ligt de basis weer bij personenvervoer. Dienstbaarheid in het rouw-, trouw- en taxivervoer. Daarmee is de eerbiedwaardige 100-jarige vitaal genoeg om een volgend decennium in te gaan. Namens de Vereniging Oud Lisse wensen wij de mensen van Van der Putten daarbij een goede tijd toe.

D.W. LEFEBER EEN LEGENDE IN HET BLOEMBOLLENVAK. DEEL 1

De geschiedenis van veredelaar Lefeber tot 1917 wordt besproken. Hij is in 1894 geboren.

Door Arie in ’t Veld

De jonge Dirk W. Lefeber

Nieuwsblad 7 nummer 1, januari 2008

Alhoewel we ons in Lisse niet zo erg druk maken als het erom gaat om bepaalde personen in de vorm van een beeld te eren als dank en herinnering aan hun bewezen diensten, zijn er natuurlijk wel namen te noemen van personen die daarvoor in aanmerking zouden komen. Nicolaas Dames bijvoorbeeld, waarover we het in het blad van de VOL al uitgebreid hebben gehad en waarvan dan een buste staat aan de voorzijde van het PPO gebouw aan de Heereweg. En, sprekend over het bollenvak, zijn de verdiensten van Dirk W. Lefeber ook bepaald niet onbelangrijk. Enige jaren geleden werd op bescheiden wijze aan hem herinnerd toen Jan Willem Plug namens de Stichting D.W. Lefeber’s Memory een prachtige aquarel van een zwarte tulp aan het Museum de Zwarte Tulp schonk. Wie was die Dirk Lefeber en wat betekende hij voor het bollenvak? In enkele afleveringen gaan we daar op in.

D.W. Lefeber werd op 25 augustus 1894 in Lisse geboren. Over zijn jongensjaren is niet veel in de openbaarheid gebracht, maar bekend is wel dat hij al in een vroeg stadium door Europa reisde om bloembollen te verkopen. In 1910 was dat het geval in Engeland, in 1911 in Duitsland en in 1913 trok Lefeber naar Rusland. Dat klinkt tegenwoordig redelijk simpel, maar bedacht moet wel worden dat de bollenreizigers in die tijd ware avonturiers waren die op alle mogelijke manieren trachtten hun bestemmingen te bereiken. Een vreemde taal werd nauwelijks beheerst en de manieren van vervoer waren bepaald niet om over naar huis te schrijven. Althans niet als je dat met de huidige tijd vergelijkt. Maar ze gingen. Naar alle windsteken om te proberen de bloembollen aan de man/vrouw te brengen. In 1914 werd door Lefeber de wapenrok aangetrokken en na die ervaring vertrok hij in 1915 naar de Verenigde Staten waar hij vertegenwoordiger werd van ,The America Farm Company’ in Tucson Arizona en speciaal was belast met irrigatie-projecten. Op zichzelf heeft dat niet zo veel uit te staan met bloembollen, maar wel met het tegenwoordig zo geliefde “netwerken”. De jeugdige Lefeber had dus al spoedig voet aan de grond in de USA en werkte ook nog bij het grote zaadhuis W.W. Johnson & Son in Boston. De bollenman heeft op jeugdige leeftijd dus al het nodige van de wereld gezien.

In de herfst van 1917 vertrok Dirk naar Rusland en belandde daar in een uiterst moeilijke periode. De revolutie sluimerde en barstte uiteindelijk los met tot gevolg dat Lefeber middenin het strijdgewoel belandde en pas na zeven maanden kans zag Rusland te verlaten zonder een bol verkocht te hebben. Lefeber reisde daarna diverse keren als diplomatiek koerier van Petrograd (Leningrad) naar Moskou en tijdens een van die gelegenheden ontmoette hij de Sovjet minister van buitenlandse zaken Tschitserin. Toen hij zijn kans schoon zag vertrok hij met de eerste militaire gelegenheid dwars door het front als diplomatiek koerier van de Nederlandse ambassade naar Duitsland en belandde uiteindelijk weer op vaderlandse bodem waar de dingen van de dag weer werden opgepakt.

Enkele jaren na dit avontuur startte Lefeber met het hybridiseren (winnen van nieuwe soorten) van bloembollen. Gladiolen, narcissen en hyacinten, maar vooral tulpen. In 1932 werd hij benoemd tot lid van de regeringscommissie tot regulering van de productie en export van bloembollen en gedurende een jaar of tien had hij zitting in diverse commissies. De genomen maatregelen maakten het mogelijk dat er een goede basis werd gelegd voor een gezonde bloembollencultuur die ook de crisisjaren overleefde. Na de tweede wereldoorlog vloog Lefeber naar Rusland met in zijn bagage dertigduizend bloembollen die hij namens de Hollandse kwekers aan het Sovjet volk aanbood. De banden werden versterkt en er ontstond een behoorlijke handel op Rusland. Lefeber werd om zijn inzet en kennis van zaken zowel nationaal als internationaal geëerd en ontving vele onderscheidingen, waaronder ,The Lindley Medal’ van de Royal Horticultural Society in Londen voor het vinden van nieuwe tulpenrassen.

Vooral op het gebied van de tulpenkruisingen werd Lefeber vermaard. Omdat vele in cultuur gebrachte tulpen gedegenereerd waren zocht hij zijn heil in originele, wilde Russische tulpen. Na vijftig jaar ervaring en het introduceren van vele nieuwe en spraakmakende soorten zei Lefeber indertijd dat hij daarover wel een boek zou kunnen schrijven onder de titel ,Humor en Drama’.
“Maar vijftig jaar ervaring op dit gebied heeft me één ding duidelijk gemaakt: ik weet zeker dat ik er niets vanaf weet. De vraag die me zo vaak is gesteld of dit werk enig geheim in zich bergt is dan ook snel beantwoord. Zonder enige twijfel zijn er veel geheimen, maar Moeder Natuur houdt ze voor zichzelf. Zij speelt de eerste viool, zodat de resultaten van mijn werk altijd en verrassing waren. Ik weet alleen dat de kans om een werkelijke verbetering te realiseren heel klein is. Daarom denk ik, dat het nodig is veel pogingen te ondernemen.
Dat betekent veel werk en geduld en in het algemeen zou ik willen zeggen:
Na zoveel jaren ervaring heb ik nog steeds de sleutel van het geheim niet gevonden.” aldus Lefeber die stelde dat de verbetering van de handelsvariëteiten uitermate belangrijk was maar dat het kweken van nieuwe bollen al gauw zo’n zes jaar in beslag neemt. “Om duizend bollen te kweken duurt tien jaar en om een miljoen bollen te kweken duurt nog eens tien jaar en dan is het pas een handelsvariëteit,’ aldus Lefeber die daarmee aangaf dat het winnen van nieuwe bloembollen-variëteiten de ene kant van de zaak is, maar dat het een weg van de lange adem is voordat zo’n nieuweling massaal in de markt ‘gezet’ kan worden. Vandaag de dag verloopt dat voor veel bolsoorten iets minder moeizaam door de nieuwe vermeerderingstechnieken zoals de weefselkweek, maar toch duurt het altijd nog een hele tijd voordat een nieuw soort handelsrijp is.

Klik hier voor het volgende deel

Apeldoorn is de belangrijkste aanwinst voor Lefeber

 

 

‘Ze hadden onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis’

 

DOOR WILMA VAN VELZEN

Deel 6 – Hart voor Historie: Grachtweg 1a
Uit het Witte Weekblad van 22 augustus 2007

De Grachtweg in 1885, gezien vanuit het oosten. Links Grachtweg 1a. (Foto: archief VOL)

LISSE – Grachtweg la is te typeren als een pand dat er dankzij particulier initiatief nog staat. De huidige bewoners, Erik Plantenberg en zijn gezin, zijn erin geslaagd het voormalige kaaspakhuis van bouwval te redden. De geschiedenis van Grachtweg la gaat terug tot de zestiende eeuw. Het pand is waarschijnlijk rond 1743 gebouwd door ene Warbout Jurriaanse Vreeburg, ter vervanging van een tot woonhuis omgebouwde schuur.
Plantenberg vertelt, dat zijn woning veel bewoners heeft gekend: ‘Een van hen was Pieter Hendrik Koppenschaar, die hier met zijn gezin leefde. In de gemeentelijke archieven heeft de Lisser historicus Rob Pex kunnen achterhalen, dat deze man in 1838 door burgemeester en wethouders werd aangesteld als bode, aanplakker en omroeper. Een fragment van een affiche uit die periode heb ik tussen de balken aangetroffen. Mogelijk was dit door Koppenschaar in een kier gestopt om de tocht te weren. Uiteraard heb ik het bewaard.’

Kaasstellingen
Rond 1907 komt het pand in bezit van Cornelis Langeveld. Deze richt het woonhuis in als kaaspakhuis. Plantenberg weet nog goed dat, toen hij het pand in 1986 kocht, de kaasstellingen nog aanwezig waren. ‘In het souterrain, waar onze keuken een plekje heeft gevonden, werden de kazen geschraapt. Daarachter bevond zich een geisoleerde ruimte voor het koel houden van de boter. Het naastgelegen pand, waarin thans makelaar Chantal Lefeber is gevestigd, bood ruimte aan een kaaswinkel. Tot het eind van de negentiende eeuw werd het kaasbedrijf voortgezet door Jaap en Theo Langeveld, de jongere generatie. Dit waren overigens twee heldhaftige heren. In de oorlog hadden ze onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis. Nota bene direct onder de neus van de Duitsers, die zich een hoofdkwartier hadden verschaft in de tegenover gelegen oude pastorie!’
Maar Grachtweg la kent meer geheimen. Voor het creëren van meer ruimte besloot Plantenberg, nadat hij bet bestaande gedeelte had gerestaureerd, in dezelfde bouwstijl achter het woonhuis een deel bij te bouwen van oude bouwmaterialen, die hijzelf bijeen had gescharreld. Bij het graven, dat eraan vooraf ging, stuitte hij op de oude beerput. Hierin trof de huidige eigenaar diverse pijpen en scherven van aardewerk en glas aan. Archeologisch onderzoek wees later uit, dat het merendeel van de vondsten afkomstig was uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Sluikbegraving
Korte tijd daarna deed Plantenberg opnieuw een vondst, maar deze was luguber. Hij stuitte op een skelet. Als voormalig fysiotherapeut herkende hij hierin menselijke resten. Nader onderzoek wees uit, dat het hier een zogenaamde sluikbegraving betrof van nog voor de Wet op de lijkbezorging. In de zestiende eeuw was het niet ongebruikelijk dat mensen die geen geld hadden op eigen erf werden begraven. Een kerkelijke begraving was dan te duur. Evengoed kan het een zelfmoord of een niet-christen betreffen, omdat deze doden niet mochten werden begraven in ‘gewijde’ grond. Hoewel Plantenberg het graag had gewild, hebben onderzoekers het ware verhaal achter de sluikbegraving niet kunnen achterhalen.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Tentoonstelling over de Bevrijding van Lisse

De fototentoonstelling ‘De bevrijding van Lisse’ die de Vereniging in de bibliotheek organiseerde, is een groot succes. Er was muziek uit de jaren veertig. Er waren 2 oorlogsvoertuigen naar Lisse gekomen. In de expositie werd het feit herdacht, dat zestig jaar geleden de bevrijding was. Ook werd een bevrijdingsfilm van Willem Tissing getoond.

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

Nieuwsflitsen

De fototentoonstelling ‘De Bevrijding van Lisse’, die uw Vereniging Oud Lisse begin mei organiseerde in de Openbare Bibliotheek, is een groot succes geworden. Vele tientallen mensen keken elke dag hun ogen uit en gingen in gedachten nostalgisch terug in de tijd. Het begin was al specta­culair. De bekende band ‘The Band of Liberation’ uit Leiden gaf een spet­terende muziekshow van bekende stukken uit de jaren veertig, na twee toegiften eindigend met de Vera Lynn-hit We meet again. Van de organisa­tie Keep Them Rolling, die WOII-oorlogsvoertuigen rijdend houdt, was Johan van Rijn uit Noordwijk met twee wagens naar Lisse gekomen voor een kleine parade. In de bibliotheek opende hierna de bekende CDA-poli­tica Riet van Graven-Schrama, die in Lisse geboren en getogen is, de expositie, waarmee herdacht werd dat we zestig jaar geleden werden bevrijd van de Duitse bezetting.

Spanning en angst

Riet van Graven

Riet van Graven-Schrama, die in het begin van de oorlog werd geboren, zei in haar toespraak dat ze het had aangedurfd de officiële opening van de expositie te verrichten, omdat haar man, Herman van Graven, haar en later hun kinderen altijd heel indringend over de oorlog heeft weten te vertellen. ‘Herman beleefde de oorlogsjaren tussen zijn tiende en vijftiende jaar en op de boerderij aan de Loosterweg, waar hij opgroeide, heeft hij heel bewust de spanningen en angst die de tweede Wereldoorlog met zich meebracht, gevoeld. Net als bij ons thuis is er, levend op een boerderij, geen honger geleden. Wel was er de niet ophoudende stroom van mensen die wel gebrek aan voedsel hadden. Er was gebrek aan de meest eenvoudige zaken die bepalend zijn voor de kwaliteit van leven. Er waren onderduikers, de school was gevorderd door de Duitsers. Dichtbij, in het Keukenhofbos, stond de V l-installatie, een doelwit voor bommenwerpers net als de spoorbaan achter de boerderij. Alles werd voorgeschreven en gecontro­leerd. Alles moest gebeuren volgens de voorschriften door de bezetter opgesteld. Kortom je was niet vrij.’

Feest van herkenning

Dat het thema bevrijding door de Vereniging Oud Lisse 60 jaar na dato duidelijk in beeld gebracht wordt, is voor menige Lisser een feest van herkenning. Nog belangrijker is het de jonge men­sen van nu op deze manier wéér duide­lijk te maken: die vijf oorlogsjaren waren zo gruwelijk, laat zoiets verschrikkelijks nooit weer gebeuren! Kijkend naar de foto’s zal hopelijk het besef doordringen wat de betekenis is van “vrij zijn'”.

Hierna opende mevrouw Van Graven- Schrama de expositie door een cd te starten waarop een unieke film stond van de bevrijdingsfeesten in Lisse in mei 1945. Een document dat na afloop hartelijk applaus kreeg!

Unieke film

De bevrijdingsfilm is indertijd gemaakt door Willem Tissing, die een meubelzaak had in Lisse. Hij woonde in de Veldhorststraat. In de loop der tijd is de film op video gezet. Ben Ragas uit Lisse stelde zijn videoband ter beschikking en dankzij Johan van Stijn van het B&O Audiocenter in de Kanaalstraat werd de film van fraaie achtergrondmuziek voorzien, gedigitaliseerd en op cd gezet. Johan van Stijn stelde een groot breedbeeld televisie­apparaat ter beschikking met een dvd-speler, zodat de film naar wens kon worden afgespeeld.

Verzetsheld

De tentoonstelling bestond uit drie delen. Het foto-album van Cor van Woerden dat in zijn geheel digitaal was opgenomen en op A3-formaat was afgedrukt door Multicopy in Sassenheim. Cor van Woerden maakte in de oorlogsjaren deel uit van de KnokPloeg van Lisse onder leiding van veerarts Jan Kraak en kreeg daarvoor het Verzetsherdenkingskruis. Het tweede deel bestond uit foto’s die Lissenaren ter beschikking hadden gesteld uit hun eigen album of uit dat van hun ouders en/of grootouders. Die kiekjes waren gescand en vervolgens op A4-formaat afge­drukt. Het derde deel van de expositie bestond uit modellen van geallieerde vliegtuigen die de bevrijding mogelijk maakten, te leen gegeven door de Stichting Crash, vliegtuig- en oorlogsmu­seum in Lisserbroek.

Reacties op expositie

Bezoekers van de expositie konden in een dik schrift hun op- en aanmer­kingen opschrijven. Een selectie:

* Heel interessant. Te kort tijd om alles te zien. Veel herinneringen. Mevr. v. d. Veek

* Vonden het geweldig interessant. Fam. B.C.v.d. Wetering

* Heel herkenbaar nog voor ons, we hebben met veel belangstelling geke­ken. A. en L van Leeuwen.

* Genoten van de tentoonstelling. Kees van Rooden, Hillegom

* Ik vind het geweldig interessant. Mevr. De Groot

* Een mooie fotoreportage. Een opmerking heb ik wel. Waarom moet nou die ene mevrouw zo goed in beeld (betreft moffenmeiden), terwijl er toch heel wat waren! Naam onleesbaar.

* Komt allemaal weer wat naar boven, vooral vandaag 4 mei 2005. T. Beelen

* Het blijft altijd weer spannend en emotioneel de foto’s over de oorlogs­tijd te zien. Hartelijk dank voor al de moeite. Ria Beelen

* Geweldig dat zoveel mooi materiaal bewaard gebleven is en met liefde is tentoongesteld. Ik ben zeer onder de indruk van alle foto’s en verhalen, besefte meer hoe mensen gevochten hebben voor onze vrijheid. Toontje van ’t Pad Bosch-de Bekker

* Wat een mooie weergave van de bevrijding van Lisse. Vooral de foto’s uit de diverse fotoalbums zijn een leuke aanvulling. Mijn complimenten. Bart Smulders, De Zilk

* Een mooie weergave van oorlog en bevrijding. Om nooit te vergeten. A. den Hoed, Stichting Oud Hillegom

* Interessant, zelfs voor een geboren en getogen Haarlemmer! J.Dijkkamp, Crash

* Interessante expositie. Geweldig dat er nog zoveel materiaal is. Leren niet te vergeten en niet vergeten te leren! Lydia Lücke, Crash

* De bevrijding zeer goed in beeld gebracht. H.Rebel, Crash Luchtoorlog-en Verzetsmuseum, Lisserbroek

Situatie op de hoek van de Broekweg en de Kanaalstraat na het bombardement

 

Oorlogsdoden herdacht in nieuw boek van Ed Olivier

 

Onder de titel ‘Wat toch een tijd!’ verschijnt medio april een nieuw boek van Ed Olivier, journalist. Een verzameling van dertig opmerkelijke levensverhalen van Lissenaren die in de oorlog omkwamen.

Redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 2, april 2005

Het kostte de schrijver weinig moeite om te achterhalen dat Lisse niet minder dan zestig oorlogsslachtoffers telt. Maar alle nabestaanden vinden en interviewen was een stuk lastiger. Niettemin is het gelukt om zestig jaar na dato toch nog dertig opmerkelijke levensverhalen te reconstrueren. Olivier sprak o.a. met de weduwe van assistent-kassier Piet van Egmond van de toenmalige Boerenleenbank en de weduwe van politieagent Bastiaan Romeijn. Van Egmond sneuvelde tijdens de meidagen van 1940.

Romeijn werd verdacht van medeplichtigheid aan de overval op het bevolkingsregister in februari 1944. Hij is in november 1944 omgekomen in het concentratiekamp Neuengamme.

Naast de interviews leverde ook archiefonderzoek opmerkelijke feiten op. Het boek bevat veel achtergrondinformatie, omdat er nu eenmaal veel uit te leggen valt aan de jongere generaties. Maar ‘Wat toch een tijd!’ (de laatste woorden van Willem Heemskerk uit De Engel die op 8 mei (!) 1945 door dronken Duitse soldaten werd doodgeschoten) is in de eerste plaats geschreven om de herinnering aan de slachtoffers levend te houden en de lotgevallen van hun nabestaanden vast te leggen. Een fragment uit het interview met Maria Reijerkerk – weduwe van Piet van Egmond – waarin ze vertelt dat ze huurders in de kost moest nemen om haar huis niet te worden uitgezet: “De Duitse soldaat die bij me ingekwartierd zat, was geen kwaaie. Hij kwam alleen naar huis om te slapen, ’s Avonds zat hij in de kroeg bier te zuipen. Dan zei ik wel eens: ‘Ach jongen, als je het maar niet in je bed doet’, ’s Morgens kreeg hij een kopje thee van me. ‘U komt vast in de hemel’, zei hij dan.” De prijs van het boek is € 9,95.

Een de bom boven op huizen aan de Broekweg in Lisse kostte op l november 1940 aan vier mensen het leven. (Foto: Ed Olivier)

OORLOGSDAGBOEK VAN LISSENAAR HENK VAN RUITEN

Bewerking: Hans Smulders

Nieuwsblad  Vereniging Oud Lisse.

Jaargang 4 nummer 2, april 2005

“MIJN TANTE IS IN LEVEN, VERDER HOUDT HET NIET OVER”

Henk van Ruiten was aan het begin van de hongerwinter (1944) een jongeman van 25 jaar. Hij woonde nog bij zijn ouders en zijn halfbroer Koos in de Wagendwarsstraat, tegenover De Taveerne. Zoals dat toen de gewoonte was, was hij onmiddellijk na de lagere school, de katholieke St.Jozefschool, aan het werk gegaan bij zijn vader, een bollenkweker die anderhalve bunder beste bollengrond bezat aan de Oranjelaan. Er stond een bollenschuur op en een schaftschuur. Vanaf november 1944 tot aan de Bevrijding in mei 1945 hield Henk een dagboek bij. Hij gebruikte kleine blocnotevelletjes die hij aan twee zijden met groene inkt dicht beschreef. Voor de laatste twee velletjes gebruikte hij vuurrode inkt, omdat de groene kennelijk op was. Henk van Ruiten trouwde in 1952 met Lies Jany en verhuisde in 1977, nadat het bollenland aan de gemeente Lisse was verkocht voor de bouw van de nieuwe woonwijk Meerenburgh, naar Nederweert bij Weert in Limburg. Daar had hij in 1939 zijn mobilisatie doorgebracht en in die tijd veel vrienden opgedaan. Hij woonde er tot aan zijn dood in 1998. Zijn executeur testamentair stuurde het dagboek naar het Gemeente Archief van Lisse. Een medewerker van dit archief, Erwin de Mooy, maakte een transcript van de tekst die sterk fonetisch is geschreven, omdat Henk van Ruiten niet had doorgeleerd. Uw Nieuwsblad publiceert exclusief dit dagboek, dat Van Ruiten schreef voor zijn Limburgse vrienden. Het is ingekort en bewerkt.

21 Nov. 1944 Heel Zuid- en Noord-Holland en Utrecht hebben geen licht meer. 22 Nov. Ook wij hebben geen licht meer. Je zit te turen en te gluren bij een klein petrolie-lampje. Een gezellige tijd voor de jongelui, die er een vrijer op na houden. Die kunnen nu scharrelen in het duister. Ik heb wat geprakkizeeerd en op mijn slaapkamer een jampotje vol gedaan met water en op het water heb ik fietsenolie gegoten met een drijvertje er op. Dat gaat best. Het rookt wel wat, maar dat mag hem niet hinderen. De Duitsers stelen en roven wat af! In Lisse is het verschrikkelijk. Je bloed kookt. Ik vertrouw maar op God. Die heeft het stuur in handen. 21-22 Nov. De Duitsers hebben weer razzia’s gehouden. In Den Haag haalde de Hollandsche SS de jongens uit de huizen. Ze schieten door de vloeren. 23 Nov. Ik weet dat Weert bevrijd is, ik heb het gelezen! Wat is het alledag slecht weer ! De menschen in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht krijgen geen boter meer, maar in plaats daarvan olie. Er gaat geen dag om of ik denk aan jullie allemaal. Op zaterdag 25 Nov. heeft het bij ons in de buurt gespookt. Een paar dagen eerder wisten wij, dat er in de Bollenstreek een razzia gehouden zou worden. ’s Morgens om 5 uur hoor ik een leven op de straat! Het ritselde van de Duitsers. Ik uit bed en iedereen wakker gemaakt. Gauw aangekleed. Ik had de avond tevoren de schuur achter in de tuin opengemaakt. Daar kon ik nog in komen. Ik deed de deur achter mijn hielen op slot. Naar mij konden ze fluiten. De Duitsers rammelden aan de deur en ik liet ze maar rammelen. Ik was nog geen tien minuten de deur uit of er werd hard gebeld, ze trokken de bel er zowat uit. Ze waren in enkele seconden boven, maar ze konden niet zien of er iemand in het bed had geslapen. ’s Morgens om tien uur was het afgelopen. Toen kwamen wij weer te voorschijn. Wij hebben een paar dagen bij andere menschen geslapen. Mijn broer (Koos – red.) was er een week ziek van. Hij trekt het zich teveel aan. En hij heeft ook kou gevat. Zondag 3 Dec. waren de Duitsers ’s avonds weer bezig. Ze hadden gefuifd en je begrijpt een heel beetje teveel gedronken. Ze schoten op een dame in een hoedenwinkel, dwars door de winkelruit. En op het Vierkant op een elektrische klok enzovoort. Ze moesten de andere dag toch naar het front. Op 4 Dec. zijn ze uit Lisse en omstreken vertrokken. God zij dank! Het was me een roversbende! Tot nu toe heb ik mijn fietsen nog. Allebei! ’s Middags kwamen er drie Tommies over en die gooiden bommen af. Een hoop ruiten kapot, menschen gewond en 4 doden. Wat is er toch een armoe en een hongersnood! De menschen uit de stad lopen de deur plat om eten. Ze hebben van alles bij zich om te ruilen voor voedsel. Het is al zover, dat de stadsmenschen uit Leiden, Den Haag, Voorburg met een handkar of een bakfiets naar de Wieringermeer lopen. Bij ons is het hopeloos, je kunt niets kopen, maar dan ook niets! Op 6 Dec. hebben de Duitsers razzia’s gehouden in Haarlem en Aerdenhout. Ze hebben 1400 menschen gegrepen. Van 7 tot 12 Dec. zijn er weer Duitsers in Lisse gekomen. Maar liefst 1200 man valschermtroepen.

Henk van Ruiten

Boot ondergedoken
Bij ons in Lisse is een groot bosch en dat word leeggehaald door de burgers, omdat ze geen kolen en hout meer hebben. De Duitsers zagen daar ook hout, want zij hebben zelf ook geen brandstof meer. Wij vrezen voor de bomen in onze tuin, want die ligt zo vrij, dat je ’s morgens blij bent als er niets weggehaald is of opengebroken. Onze boot heb ik laten onderduiken, want er ging geen nacht voorbij of ze waren er mee naar het bosch om hout te halen. Op 19 Dec. waren er in Lisse en omstreken weer razzia’s op fietsen. Ik was op het land aan het werk en wij hoorden het en ik heb dus mijn fiets in de schuur op het land laten staan. Lopend naar huis. God zij dank, tot op heden heb ik mijn twee fietsen nog. Je leeft elke dag in het onzekere. Het is nu zo ver, dat er voerbieten worden gegeten en aardappelenschillen. In Den Haag geven de menschen 40 cent voor één kilo aardappelschillen. 23 Dec. De Duitsers zijn in Lisse volop aan het slepen om enkele zalen te versieren waarin ze Weihnacht willen vieren. Bij ons in de straat is een groot café en daar gaan ze ook Weihnacht vieren. Zodoende hebben wij met de kerstdagen ook licht! 24 Dec. De Duitsers hebben de Weihnacht gehouden en om 12 uur ’s nachts was het afgelopen. Ik werd er wakker van. Zij gingen knap te keer. ’s Morgens om 5 uur ging ik naar de nachtmis. Toen ik terug kwam was het licht. Je had de straat eens moeten zien. Vol met braaksel van de Duitsers. Prachtig op 1ste Kerstdag! Het is al een paar dagen prachtig winterweer.

Een rustige dag, met angst
25 Dec. Een rustige dag. 29 Dec. ’s Avonds om kwart over negen een lawaai! Ik lag al op bed. Ik het bed uit. Ineens, pats! een gerinkel in de straat. Ik de straat op. Was er een V2 in Lisse op open bollenland gevallen, zo’n 1½ k.m. van ons dorp af. In het dorp een hoop winkelruiten kapot. De menschen kunnen geen ruitje meer kopen, want het is er niet. Ze zetten er een plankje voor of een schut. 31 Dec. In alle Kerken werd een brief voorgelezen over hongersnood in de steden en over de zwarthandelaren. Onmenschelijk. Het oude en het nieuwjaar hebben wij niet gevierd. Er is tegenwoordig toch niets aan, de moed raakt uit de menschen. 1 Jan. Een rustige dag. 2 Jan. Een rustige dag, met angst. 3 Jan. Een rustige dag, met angst. 4 Jan. Een rustige dag, met angst. 5 Jan. De bulletins aan de muren: mannen tussen 16 en 40 jaar moeten zich komen melden. 6 Jan. ’s Morgens hangt er blaadje onder van de verzetbeweging, dat je je niet moet melden. Op weg naar mijn werk hoorde ik, dat de burgemeester en de ambtenaren met de burgerpapieren ondergedoken zijn!!! 7 Jan. Een rustige dag met angst. Ik ben vandaag naar Voorburg geweest met de fiets, naar mijn tante , wat eten brengen. Ik ben weer goed thuisgekomen. Mijn Ouders hebben er een hekel aan, maar ik ben niet zoo bang. Ik vertrouw altijd op de H. Maria. In de stad breken de menschen het asfalt uit de straat, omdat er niets geen brandstof meer is. De bomen langs de weg zijn allang omgezaagd! Wij hadden op het land nog 16 wilgebomen staan en die hebben wij ook om moeten zagen voor de kachel. 8 Jan. een rustige dag met angst. 9, 10 en 11 Jan. Een rustige dag, met angst. In de stad willen de menschen f 2,00 geven voor 1 kg hout. Er zijn huisgezinnen die de deuren en de planken uit hun huis breken om het eten te kunnen koken en nog wat warmte te krijgen. In de centrale keukens worden al bloembollen gebruikt voor het voedsel, zelfs suikerbieten. Ze doen ook al suikerbieten door het brood en crocussen.

Zonder pardon de kogel
12 Jan. Een rustige dag, met angst. De burgers mogen niet meer in het bosch bomen omhakken. De SS houd de wacht. Je mag ook geen bomen omzagen in de straten. Als de Duitsers het zien, krijg je zonder pardon de kogel. 13 Jan. Een rustige dag. De angst der bevolking zakt. Vandaag hebben wij bloembollentaart gegeten. Het viel mij honderd procent mee. Het ruikt niet naar marsepein en het is machtig, en voedzaam. De taart is op zijn lekkerst, als hij koud is. Het is hier winterweer met sneeuw. Ik ben nu en dan op de weg, dan weer thuis aan het zagen en als het me te koud is, heb ik schrijfwerk of leeswerk of bollen schoonmaken voor de bollentaart. Die smaakt beter dan pulppannekoek of pulpbrood. Die heb ik vandaag ook gegeten, maar dat is geen eten. Ik word onjens van binnen en ik moet er ’s nachts mijn bed voor uit om naar nummer 100 te lopen. Geef mij maar een Weerter Vlaatje! 26 Jan. Een rustige dag. Erg koud. 27 Jan. De honger en de kou zijn een grote ramp. Ik kwam bij de groenteboer om aardappelen en zij hadden niets, de hele winkel was leeg. Ik zie er moord en doodslag van komen. Je kunt geen korreltje tarwe kopen. Ze vragen ijskoud f.1300 tot f.1600 gulden, maar het liefst ruilen ze voor kolen die geen mensch meer heeft. 28 Jan. Vandaag Zondag. Zij vroegen in de kerk of er menschen zijn die nog kinderen kunnen opnemen. Het gaat erom ze in leven te houden. Waar het naar toe moet, ik weet het niet. Eén ding weet ik wel, het gaat aan het front best. Dat geeft de mensch moed. 3 Febr. Alles rustig. Een zomerse dag. Er word dagelijks gestolen, hier een geit, daar een koe, daar konijnen. 4 Febr. Alles rustig. 5 Febr. Alles rustig. 6 Febr. Alles rustig. 7 Febr. Alles rustig. De Duitsers en de groenjakken gaan Lisse uit naar de zeeduinen. 8 Febr. Alles heel rustig. Je kunt op straat zien, dat de Duitsers weg zijn. Er zijn veel menschen op straat. Je ziet fietsen met luchtbanden, maar ook fietsen zonder banden rijden. Je ziet meisjes met een jongens plusfour aan! Je kunt tegenwoordig geen verschil meer zien tussen een meisje en een jongen! De Engelsen bombarderen IJmuiden. Ik ben thuis aan het delven in de grond. Dat valt niet mee op de 900 gram brood per week. ’s Avonds ga je naar bed met een waterbuik van de aardappelen. Je moet er 3 a 4 keer uit bed, je word er beroerd van.

Op 7 maart 1945 was er een razzia in Lisse

In de kerktoren
7 Maart. Er is razzia in Lisse. Ik was om 7 uur de deur uitgegaan, naar de Kerk, want het was Sint Jozefdag. In de Kerk werd gewaarschuwd. Ik bleef tot het einde van de mis en toen ging ik er uit. Maar het was niet gunstig, ze hadden al wat jongens te pakken! Ik de Kerk weer in en toen kwam er een kapelaan naar mij toe en die zei: Ga naar de toren! Ik naar de toren en daar waren meer jongens. Op het eind zaten wij met zijn zessen in de toren. Een prachtig uitzicht. Je zag de vloepers op de straat lopen, maar zij zagen ons niet. Thuis wisten ze dat ik in de Kerk zat. Ik heb van 8 uur tot 5 uur in de toren gezeten! De Duitsers hebben een heleboel fietsen, frames, banden en onderdelen meegenomen, de buit was groot.
8 Maart. 0 ja, nog wat vergeten. Donderdag 8 Maart hebben wij van het Zweedse Roode Kruis ons cadeau gehad en dat was per persoon 8 ons wittebrood en 125 gram margarine. Het smaakte heerlijk. Je zou er je tong bij inslikken! Wij zijn er uiterst zuinig mee, elke dag nemen wij er twee sneetjes van. 10 Maart. Een rustige dag, maar nu krijgen wij een beurt van de Tommies. In het bosch is een startbaan van de V2. De Tommies kwamen vandaag met enkele lichte bommetjes. Het knalt wel erg, maar de uitwerking is klein. 21 Maart. De Tommies zijn niet rustig. De hele dag, hebben zij gebombardeerd met één jagertje dat één bommetje kon meenemen. Vandaag zijn er meer dan dertig bommetje in de bollenstreek afgegooid. Huizen in elkaar en ook doden. Het is vandaag een zeldzaam zomerse dag, Vannacht om half twaalf begon het lawaai buiten. De Duitsers waren het nieuwe wapen in het bosch aan het afschieten, 5 à 6 keer. Er zijn er vier op de grond ontploft. Vandaag hebben wij weer brood gehad van het Zweedse Rode Kruis, per man 400 gram. Het was nu roggebrood, het smaakt heerlijk. 29 Maart. De NSB burgemeester heeft vandaag de benen genomen.

Startbanen de lucht in
30 Maart. De Duiters in het bosch hebben vandaag alles in de lucht laten springen, de startbanen en de wapens die niet afgeschoten waren. Het gebeurde precies om twaalf uur. De eerste klap was geweldig, je schrok best ervan. Er zijn veel ruiten kapot gegaan. In de namiddag zijn de Duitsers het bosch gaan verlaten. De burgers zijn er toen gauw heengegaan om hout te zagen. 31 Maart. Er heeft zich vanmorgen een drama afgespeeld in het bosch. Een boschwachter heeft een burger doodgeschoten. Maar de boschwachter zit nu achter slot en grendel. Ik vermoed dat het een NSB boschwachter is, want geen één boer of boschwachter heft een geweer! De Duitsers gebruiken nu pas hun geheime wapen. Dat is De Witte Vlag! Goed hè!!! 15 April. Een reuze gezellige dag gehad. Mijn zus To was jarig en zij heeft best getracteerd. De koek was vooroorlogs en de gebakjes die zij zelf gemaakt had, waren heerlijk. Het cadeau van haar beminde was schitterend: een slaapkamer ameublement en een huiskamer ameublement, allebei vooroorlogs. To was overgelukkig. Maar het jammere was dat haar wederhelft plat op bed ligt. Hij kon niet komen, maar ’s avonds is To naar hem toe geweest. 23 April. Wat is het toch hopeloos met alles. Als je nu een broodje laat bakken, dan moet je 1 kg hout er bij leveren! 28 April. De Duitsers zijn het hier zat. Ze rammelen van de honger. Ze vragen aan de burgers: Hoe staat de toestand. En als de burger zeg: Berlijn is omsingeld, dan wrijven de Duitsers in hun handen. Het gaat goed, zegt de Duitser dan. Zo moet het ook gaan voor ons. Ik heb vandaag weer in het bosch gewerkt, een stronk rooien en een goeie ook. 29 April. Het gaat reuze best in Duitsland. Berlijn wordt plat geschoten. Hitler ligt op sterven. Himmler neemt de macht over. De Tommies hebben vandaag pakketten uitgeworpen op het vliegveld Valkenburg. Zij vlogen 40 meter van de grond af.

Vuiltje uit de tuin
1 Mei. Dag van de arbeid! Hitler is dood (Een groot vuiltje uit de tuin is opgeruimd). 4 Mei. ’s Avonds was ik thuis. Het werd negen uur. Een rumoer op straat! Ik zeg: Ik geloof vast dat wij vrij zijn. Ik de weg op en, jawel, het was om kwart voor negen doorgekomen, dat Nederland vrij is. HOERA! HOERA!
5 Mei zaterdag. ‘sMorgens vroeg naar de Kerk om God bedanken voor het behoud van ons Vaderland en voor mijn eigen leven. De Kerk was om half zeven stampvol. Alle menschen zijn zo blij! Vandaag werd ik geroepen door een van de meisjes bij wie mijn zus dient. Of ik zo goed wilde zijn om de fietsen in orde te maken. Had ik me daar 4 fietsen op te knappen! Henk aan het werk, dat begrijp je. Ik had het best van eten en drinken en roken en toen ik klaar was, kreeg ik een worstje en een klein roggebroodje en een paar kilo erwten. Ik was de prins te rijk en ik was blij dat ik voor thuis wat mee kon brengen. Moeder was groos, toen ik het haar gaf . We hebben vanavond pannekoek gegeten en een vooroorlogse wijn gedronken. Daar kun je beter op slapen. Ik heb vandaag mijn nieuwe fiets weer gebruikt. Hij glimt nog schitterend, je kwijlt ervan! De Lissese burgemeester en de ambtenaren zijn vandaag ook weer boven water gekomen.
Verder, heel Nederland Vlagt (Rood-Wit-Blauw) en Duitsland mag halfstok vlaggen.
LEVE DE VRIJHEID! LEVE DE KONINGIN!

Schieten in het wilde weg
6 Mei. De Engelsen zouden vandaag Zuid-Holland komen bezetten, maar ik heb ze nog niet gezien. De ondergrondse staat hier op wacht. De Duitsers zijn vanavond om 10 uur weggegaan. Ze waren erg kalm, maar vanmorgen zijn er auto’s voorbij gekomen met furieuze Duitsers erin en maar schieten in het wilde weg. 7 Mei. Vrijheid, Blijheid. De Tommies hebben weer volop gevlogen om voedsel te brengen. De N.S.B.-ers van Lisse zijn vandaag opgehaald, vrouwen en kinderen ook. En de moffenmeiden hebben ook een baard gehad. Die zijn kaal geknipt. Laat ie goed zijn!!! 8 Mei. Vrijheid, Blijheid. De Canadezen heb ik vandaag de gezien! ’s Avonds muziek door het dorp en alles liep mee. Wij hadden de grootste lol, dat begrijp je. Wij liepen door elke straat en als wij bij een huis kwamen waar een moffenmeid woonde, dan riepen wij allemaal: Kaal, kaal, kaal! En bij het huis van een NSB-er: Hooi, hooi, hooi! Het was prachtig weer. Leve de vrijheid. Leve de Koningin! 12 Mei. Gecostumeerde optocht door het dorp, vreugdevuren en vuurpijlen. Het krioelde van de menschen in Lisse. Vandaag hebben we voor het eerst wat gehad van de vliegtuigen: margarine, wat eigeel, wat echte chocoladetabletten en een blik met spek. Het was heerlijk! 13 Mei. Zondag. Vandaag ben ik naar Voorburg geweest naar mijn tante. Onderweg pech gehad: een lekke band in Sassenheim en verder vijf spaken uit het voorwiel van mijn nieuwe fiets. Mijn tante maakt het nog goed en gezond. Erg slecht gehad, zei ze, maar we zijn er gelukkig overheen. Mijn tante heeft ook aardappelschillen gegeten en suikerbieten. Ze is in leven en verder houdt het niet over. 16 Mei. Een heleboel mensen hebben dysenterie. Ik ben vandaag ook helemaal niet goed in mijn buik. En aan de diarree. Ik crepeerde van de pijn. ’s Avonds is het gelukkig een beetje gezakt. 19 Mei. Vandaag per man neen half pond boter gehad. Je voelde je ineens rijk. 20 Mei. Pinksterfeest .Prachtig weer. Ik ben erg nieuwsgierig hoe jullie het maken. Hier eindigt mijn dagboek. Het offer heb ik volbracht. Ik hoop dat jullie kunt begrijpen wat wij meegemaakt hebben.

De Laatste bladzijde: Het offer heb ik volbracht

 

De steenfabriek vóór en in de oorlog

In het artikel in het vorige Nieuwsblad over foto’s van bakker Out uit Hillegom wordt niet gesproken over de steenfabriek omdat Out geen foto’s heeft gemaakt.

Bultink, M.

Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

Kunstschilder H. Lugt vervaarigde in augustus 1929 dit portret van de directeur van de steen-fabriek in Hillegom, baron Arnoud van Hardenbroek van Ammerstol.

Zeer recent stuitte ik op wat notities die ik maakte toen ik mocht rondneu­zen in het in verval geraakte archief van de steenfabriek. In zijn algemeen­heid gold destijds dat Van Hardenbroek (de baron), mede vanwege de ver­dere technische ontwikkeling van het kalkzandsteencomplex, al ver vóór de oorlog nauwe banden onderhield met zijn collega’s in Duitsland. Hij was daar ook meerdere keren op bezoek en er waren in Hillegom ook tegenbezoeken van Duitse kalkzandsteenspecialisten, met wie vooral veel werd gediscussieerd over de verbetering van bet productieproces. Van Hardenbroek was duidelijk onder de indruk van de Duitse ‘Gründlichkeit’ en slagvaardigheid en toen Nederland in de jaren dertig in de crisis werd ondergedompeld, ontstond bij de baron meer en meer een afkeer tegen het economische beleid in ons land en hij stak dat niet onder stoelen of banken.

Zo correspondeerde hij uitgebreid met zijn in Zeist wonende neef, jonk­heer mr. Huydecoper, die zich ook graag afzette tegen ‘de ellendige staats­bemoeiing in het industriële bedrijf’. Zij schreven uitgebreid met elkaar over dit onderwerp. Een paar passages.

Rood-roomsch regime

“De tijden zijn anders geworden ofwel veel slechter dan destijds mocht worden verwacht. Het was beginjaren twintig ondenkbaar dat het rood-roomsche regime, dat ons nationaal vermogen door verpolitiekheid opsoupeerde, zoo lang zoude aanhouden en zelfs thans nog niet van de baan is. (…)Ik zie in Den Haag veel achter de schermen en ik ben wel ged­wongen van alle wetten kennis te nemen en veelal er tegen op te trekken. Mijn conclusie is dat Colijn wel goed wil, maar tegen de rest niet op kan. In een andere brief- gedateerd 3 april 1939- schreef hij: De rede van Romme heb ik ook aangehoord en mij geërgerd aan toon en stem en het zoo duidelijke gebazel voor de balie. Natuurlijk ben ik al lang bezig bij den Premier over mijn geval, doch de premier kan zeer weinig doen om zich niet zelf politiek heelemaal onmogelijk te maken. Hij zit geheel onder (deplak van) zijn roomsche ministers. En wat deze willen?

Onder de claque van de Socialisten den volke duidelijk maken, dat men bij hen kan krijgen wat men bij de nazi’s krijgt. Inmiddels doen zij met het afvlakken naar het mindere alles beroerder dan de nazi ‘s, die – met al hun fouten – toch in elk geval het beste laten werken en de efficiency hoog houden” .

Land verhuurd

En dan nog dit. Van Hardenbroek was weliswaar pro-Duits, maar toch ook wel zo zakelijk dat hij in de tijd van de mobilisatie in de omgeving van Noordwijkerhout land verhuurde waarop Nederlandse troepen hun oefeningen konden houden.

De steenfabriek in de oorlog

In het artikel ‘De steenfabriek De Amoud in de oorlog’ dat in de vorige aflevering van dit blad stond, vroeg auteur Hans Smulders zich af waarom er in het boek Hillegom ’40-45′ van Frans Out niets vermeld is over het oorlogsverleden van de Kalkzandsteenfabriek. De belangrijkste reden is heel simpel: het boek is gebaseerd op het foto­materiaal van bakker Frans Out, dat in 1984 en 1985 op twee exposities te zien was. Frans Out woonde en werkte tijdens de oorlog in de Hillegomse Hoofdstraat. Daar was de bakkerij en daar bezorgde hij brood aan huis. Frans Out kwam met zijn camera niet in de buurt van de Kalkzandsteenfabriek en heeft daar dus ook geen foto’s van gemaakt. Uiteraard is er voor het boek de nodige research gedaan in het Gemeentearchief Hillegom en bij het RIOD. Doel daarbij was om de foto’s met informatie aan te vullen, bijvoorbeeld over oorlogsschade aan panden, beschietingen en bombardementen, de jodenvervolging e.d. Het verleden van de steenfabriek is destijds eenvoudig geen onderwerp van onderzoek geweest, maar ook en passant zijn wij niet op interessante feiten gestuit, anders hadden wij die zeker in het boek vermeld.