Berichten

Interview met Kraak, hoofd van het verzet in Lisse

Sporen van vroeger  (LisserNieuw)                                                

19 mei 2020

 door Nico Groen

Dierenarts J. Kraak was het hoofd van het verzet in Lisse en tevens het Lisser hoofd van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten). Kraak werd vlak na de bevrijding geïnterviewd. In het boek ‘Een Bollendorp bezet’, uitgegeven in 1990, van Herman van Amsterdam en Peter van der Voort, over de oorlogsjaren in Lisse staat dit interview vermeld. Het is een interessant boek vol verhalen over de oorlog met prachtige foto’s. Hieronder staat een weergave van dit interview.

Tot nu toe zijn er zo’n 50 à 60 NSB’ers en andere landverraderlijke mensen in Lisse in arrest genomen. Zij worden vast gehouden totdat bevelen van hoger hand afkomen wat er verder met hen moet gebeuren. De arrestaties hebben een vlot verloop gehad. Niemand heeft zich verzet. Ondergedoken NSB’ers komen tevoorschijn en melden zich vaak in andere gemeenten. Zo kwamen er gisteren 2 NSB’ers, een vader en dochter uit Wieringen zich in onze gemeente melden.

Moffenmeiden

Enkele kwajongens die aanleiding gaven voor een onrustige stemming in de gemeente werden eveneens vast gezet.  Deze hadden zich namelijk schuldig gemaakt aan het afknippen van het haar van meisjes, die contact met de vijand hadden gehad. De gevallen van haarknippen, die zijn voorgekomen zijn dan ook buiten verantwoordelijkheid van de BS. De leiding van de BS wil dat absoluut correct maar streng zal worden opgetreden. En dat we ons niet verlagen tot het peil van de mensen, die we hier gehad hebben.

Het ligt wel in de bedoeling om de ‘moffenmeiden’ vast te zetten, al was het slechts uit hygiënisch oogpunt. Zij hebben zich ernstig misdragen en onze diepste gevoelens grof beledigd. Een bepaalde categorie meisjes die omgang met de vijand hadden zal niet worden opgehaald. Dit betreft meisjes, die aan het begin van de oorlog in hun overmoed contact hadden met de vijand. Echter daarna van dergelijk onbesproken gedrag waren zodat zij zich volkomen hebben gerehabiliteerd.

Zwarthandel in tabak en alcohol is niet erg daar het hier immers een genotmiddel betreft en deze in de hand gewerkt werd door degenen, die hun eigen lusten niet meester zijn.

Aanmeldingen over personen die zich onvaderlandslievend gedragen hebben, moeten als volgt geschieden: schriftelijk en ondertekend. Later moet de verklaring onder ede kunnen worden bevestigd. Vanzelfsprekend wordt niet afgegaan op geklets, waarbij persoonlijke vetes vaak een niet onbelangrijke rol spelen.

Kroniek van de week

Dierenarts J. Kraak woonde aan de Achterweg. Foto uit het boek ‘Een Bollendorp bezet’,

In de ‘Kroniek van de week’ van 29 mei 1945 werd melding gemaakt van een bijeenkomst van 28 mei in Rehoboth van oud-illegale werkers uit Lisse. De moeilijkheid was  om na 5 jaren weer ‘uit de illegale huid te kruipen’. Er moest een vertrouwensraad komen, die de gemeente kon adviseren. De namen van de personen, die het vertrouwen bleken te bezitten van de gehele illegaliteit van Lisse werden voorgelezen: J. Kraak, J. J. Bos, J. Wevers, W. Montagne, L. van Rooijen, M. Vermeer, J. G. Snel, Kapelaan Schoonebeek, K. Hoes en H. D. Landwehr Johann.

 

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (3)

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

 5 mei 2020

door Nico Groen 

In de vorige columns werd het dagboek van Henk van Ruiten tot 1 mei 1945 weergegeven. Hieronder volgt het derde deel van zijn dagboek. Het is getranscribeerd door Erwin de Mooij. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders. Hierna leest u een aantal stukjes uit het dagboek na 1 mei 1945.

“1 Mei: Hitler is dood (Een groot vuiltje uit de tuin is opgeruimd).

Op 4 mei was ik thuis. Het werd negen uur. Een rumoer op straat! Ik zeg: Ik geloof vast dat wij vrij zijn. Ik ging de weg op en, jawel, het was om kwart voor negen doorgekomen dat Nederland vrij is. HOERA! HOERA!

De andere morgen vroeg naar de Kerk om God  te danken voor het behoud van ons Vaderland en voor mijn eigen leven. De Kerk was om half zeven stampvol. Alle mensen zijn zo blij! Vandaag werd ik geroepen door een van de meisjes bij wie mijn zus dient. Of ik zo goed wilde zijn om de fietsen in orde te maken. Had ik me daar 4 fietsen op te knappen! Henk aan het werk, dat begrijp je. Ik had het best van eten en drinken en roken en toen ik klaar was, kreeg ik een worstje en een klein roggebroodje en een paar kilo erwten. Ik was de prins te rijk en ik was blij dat ik voor thuis wat mee kon brengen. Moeder was groos, toen ik het haar gaf . We hebben die avond pannekoek gegeten en een vooroorlogse wijn gedronken. Daar kun je beter op slapen. Ik heb vandaag mijn nieuwe fiets weer gebruikt. Hij glimt nog schitterend: je kwijlt ervan!

De Lissese burgemeester en de ambtenaren zijn vandaag ook weer boven water gekomen.
Verder vlagt heel Nederland (Rood-Wit-Blauw) en mag in Duitsland de vlag halfstok.

De ondergrondse staat hier op wacht. De Duitsers zijn gisteravond om 10 uur weggegaan. Ze waren erg kalm, maar vanmorgen (6 mei) zijn er auto’s voorbij gekomen met furieuze Duitsers erin en maar schieten in het wilde weg.

NSB’ers en moffenmeiden

De NSB’ers van Lisse zijn vandaag (7 mei) opgehaald, vrouwen en kinderen ook. En de moffenmeiden hebben ook een baard gehad. Die zijn kaal geknipt. Laat ie goed zijn!!!

s ’Avonds  8 mei was er muziek door het dorp en iedereen liep mee. Wij hadden de grootste lol, dat begrijp je. Wij liepen door elke straat en als wij bij een huis kwamen waar een moffenmeid woonde, dan riepen wij allemaal: ‘Kaal, kaal, kaal!’ En bij het huis van een NSB’er: ‘Hooi, hooi, hooi!’ Het was prachtig weer. Leve de vrijheid. Leve de Koningin!

Op 12 mei was er een gekostumeerde optocht door het dorp met vreugdevuren en vuurpijlen. Het krioelde van de mensen in Lisse. Vandaag hebben we voor het eerst wat gehad van de vliegtuigen: margarine, wat eigeel, wat echte chocoladetabletten en een blik met spek. Het was heerlijk!

Vandaag, 20 mei, is het Pinksterfeest  met prachtig weer. Ik ben erg nieuwsgierig hoe jullie in Weert het maken. Hier eindigt mijn dagboek. Het offer heb ik volbracht. Ik hoop dat jullie kunt begrijpen wat wij in Lisse meegemaakt hebben.”

 

Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.   Foto: Oud Lisse

75 JAAR VRIJHEID: Yad Vashem – Familie Potman-Hageman, Lisserdijk

De familie Potman-Hageman van de Lisserdijk heeft tijdens de Tweede Wereldoolog veel Joodse onderduikers in huis genomen en verder geholpen. Daarvoor kregen zij in 2019 postuuum de YadVashm onderscheiding.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 1, 2020

Met het vieren van onze 75 jaar vrijheid gedenken we ook de jaren van onvrijheid die daaraan vooraf gingen. De opvang van Joodse medeburgers was een riskante zaak maar toch maakten de heer en mevrouw Potman-Hageman deze keuze. Vorig jaar werden zij daarvoor postuum geëerd met de Yad Vashem onderscheiding.

Auschwitzherdenking

Nieuw Levenslicht in museum de Zwarte Tulp

Op 27 januari 1945 werd vernietigingskamp Auschwitz door het Rode leger ontzet. In Polen was er dit jaar een indrukwekkende herdenking. Ieder jaar wordt ook in Nederland stilgestaan bij de Holocaustslachtoffers. Omdat het dit jaar 75 jaar geleden was is er op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een tijdelijk lichtmonument ontworpen door kunstenaar Daan Roosegaarde: LEVENSLICHT. Lisse was een van de gemeentes die het lichtmonument toonden om daarmee extra aandacht te creëren voor dit dramatische deel van onze geschiedenis. De generatie die de oorlogstijd bewust heeft meegemaakt is inmiddels hoogbejaard. Het is daarom heel belangrijk om de herinnering aan die donkere periode, waarin grote offers zijn gebracht om ons de vrijheid terug te geven, levend te houden. Bij het kunstwerk was een speciale kinderherdenking.

Jodenvervolging
In de oorlog werd langzamerhand duidelijk hoe penibel de situatie van de Joden was. Joden kregen een J in hun papieren en vanaf april 1942 moest de davidster gedragen worden. In hetzelfde jaar moesten Joden uit de kleinere plaatsen naar Amsterdam verhuizen. Spoedig daarna volgden de oproepen om in Duitsland “te gaan werken”. Wij weten nu wat de opzet van de nazi’s was, maar toen was dat nog niet duidelijk. Veel Joodse families besloten echter om niet langer te wachten op nog meer repressie en besloten onder te duiken. Het vinden van onderduikadressen was problematisch. Gelukkig ontstonden allerlei netwerken van mensen die Joodse families wilden helpen. Daarbij liepen de helpers ook een groot risico.

Louise Stein
In het Rotterdamse gezin Stein werd in 1929 een tweede dochter geboren, Louise. Haar Joodse vader had Wenen verlaten vanwege de beroerde economische omstandigheden. Haar moeder kwam uit een Joodse familie die al ruim 2 eeuwen in Nederland woonde. In Rotterdam had vader Stein een bontmantelfabriek, die in 1936 naar Amsterdam werd verplaatst. De familie ging toen in Naarden wonen. Het dreigende gevaar van de nazi’s was duidelijk. Een visumaanvraag voor de VS werd echter in 1939 afgewezen waarna het plan ontstond om naar Curaçao te gaan. Er waren meer Joodse families die de ontsnappingsroute naar Curaçao volgden. Ze wilden vertrekken met het schip de Simon Bolivar, maar het schip was vol. Met de Simon Bolivar liep het slecht af, het liep op mijnen en zonk voor de Engelse kust. Ruim 80 opvarenden verdronken. Nederland was nog neutraal, maar daarmee waren er toch al oorlogsslachtoffers. Het vertrekplan werd een tijdje uitgesteld omdat de Rotterdamse oma terminale kanker kreeg. Zij overleed begin 1940. Het vertrek uit Nederland werd daarop gepland voor 25 mei. Helaas werd dat onmogelijk omdat de Duitser op 10 mei Nederland binnenvielen. De familie kreeg te maken met de steeds strengere repressiemaatregelen; niet meer naar de bibliotheek of zwembad mogen, niet meer naar de school, de gedwongen verhuizing naar Amsterdam. Er werd naarstig gezocht naar de mogelijkheid om onder te duiken.

Het gezin Potman
Johan Potman werd in 1873 in Leiden geboren, maar hij groeide op in de Haarlemmermeer. Zijn vader was aannemer. Ze lieten een huis bouwen aan de Lisserdijk (nr. 263). De bewoners van de Lisserdijk waren op Lisse georiënteerd. Johan ging er naar school en naar de hervormde kerk. Hij werd actief in de
kerk als kerkvoogd en was bijvoorbeeld ook betrokken bij het beheer van begraafplaats Duinhof. Johan
trouwde, maar het huwelijk bleef kinderloos. Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met Helena
(Lena) Hageman (geb. 1905). Zij was de dochter van de loodgieter uit de Kanaalstraat in Lisse. Het gezin Hageman hoorde kerkelijk tot de christelijk gereformeerde kerk, maar vanwege haar huwelijk ging Lena
over naar de hervormde kerk. In dit huwelijk werd een dochter geboren, Riet. Zij was zo vriendelijk om haar herinneringen met ons te delen. Natuurlijk was het leeftijdsverschil bijzonder, maar verder was het een heel gewoon gezin. Met de buren gingen ze goed om. Aan de ene kant woonde de familie Bras. Ze hadden een klein boerenbedrijf. Mogelik herinneren oudere Lissers zich nog dat zoon Cor Bras en soms ook vader Leen met paard en wagen in Lisse de schillen kwamen ophalen. Aan de andere kant woonde het gezin van boer Roos. Gewoon mensen die hun werk deden. In Lisse werden de boodschappen gedaan en ging Riet Potman naar de christelijke kleuterschool. Bij het begin van de oorlog was niet te voorzien dat al deze mensen helden zouden zijn. Maar dat werden ze wel.

Onderduikers
Het werd steeds duidelijker dat de Joden bedreigd werden. Onderduiken bood een mogelijke ontsnapping. Er ontstonden allerlei groepen die probeerden onderdakadressen voor Joodse families te krijgen. In Lisse zette ook ds. Ponstein van de christelijk gereformeerde kerk zich actief in. Via deze dominee kregen veel onderduikers een adres. Hij was duidelijk een spil in een goed lopende organisatie. Zo kon ook een tijdelijk adres worden gevonden voor Loes (Louise) Stein. De familie Hageman uit de
Kanaalstraat kerkte bij ds. Ponstein. Lena kerkte daar voor haar huwelijk ook, dus de dominee kende ook de familie Potman van de Lisserdijk. Zo kwam Loes Stein een periode naar de Haarlemmermeer. Ze was een angstig meisje, zich er zeer van bewust dat ze haar werkelijke achtergrond geheim moest houden. Ze was maar al te goed op de hoogte van de kwade bedoelingen van de nazi’s. Ze hield zich echt schuil. Riet Potman herinnert zich alleen een tochtje met de roeiboot met een van haar neven. Zelf schrijft Loes zich te herinneren dat er tarwe geoogst was en ze muizenkeutels uit de tarweoogst
moest halen. Ze vond het prima, had ze wat te doen. Heel lang is ze niet bij de familie Potman geweest. Ze ging weer naar een volgend onderduikadres. Zelf schrijft ze “de eerste 6 maanden werd ik van adres naar adres gestuurd”. Dan krijgt ze een onderkomen in de buurt van Apeldoorn waar ze kan blijven. Dankzij weer iemand van de christelijk gereformeerde ondergrondse. Ook haar vader en moeder kwamen naar dit onderduikadres. In totaal waren ze bijna twee en een half jaar ondergedoken. Het hele gezin Stein overleefde de Holocaust dankzij de mensen die hen onderdak gaven of die voor de contacten zorgden. Veel van hun familieleden overleefden de oorlog niet.

Lisserdijk
De gezinnen op de Lisserdijk boden daadwerkelijke hulp. Bij de familie Bras woonde Elly Engelsman (geb. 1941). Het meisje leek op de dochter van de familie. Elly was doof, maar de meisjes gingen als zusjes met elkaar om. Bij boer Roos waren ook Joodse onderduikers. Bij de familie Potman kwamen, nadat Loes Stein naar een volgend onderduikadres was gegaan, andere Joodse onderduikers, de familie Bormann (Adolf Bormann, Betsie Spanjer met zoon Loutje). Zij waren eerder uit Duitsland gevluchte Joden en zijn waarschijnlijk ook weer via dominee Ponstein gekomen. Het gezin kreeg een slaapkamer op de begane grond als “hun huis”. Loutje scheelde ongeveer een jaar in leeftijd met Riet Potman. Eigenlijk verbleven alleen moeder en zoon Bormann aan de Lisserdijk en verbleef vader door de week nog in Amsterdam. Mogelijk was het in het weekend te gevaarlijk om in Amsterdam te blijven, het kan zijn dat hij een vrijstelling had, in ieder geval kwam hij in de Lisserdijk. Gewoon met de tram vanaf Haarlem naar het Vierkant en dan lopend naar de Roversbroek. Op de Lisserdijk zagen ze hen al van ver
aankomen en haalden hen met de roeiboot op. De keuken was het gezamenlijke terrein van mevrouw Potman en mevrouw Bormann. Zij werd door Riet Potman gewoon tante genoemd.

Gastvrijheid en de risico’s

Ds. Aalt Ponstein

Over de Jodenhaat waren ook voor de oorlog al discussies. Ds. Ponstein stelde het in 1937 al heel duidelijk in een enquête, zoals blijkt uit het daarover gemaakte verslag “Stemmen van Christenen over Joden en Jodendom”, o.a. met: De ware belijders van den Christus kennen geen Jodenhaat.
De Jood, die objectief deze zaken wil zien moet dit erkennen. Doch ook ieder Christen moet inzien dat Jodenhaat in den diepsten grond Christushaat is. De Gekruisigde is daarom niet de scheiding, maar de vereeniging van Jood en Christen.”
Wat er allemaal dreigde kon men niet voorzien. Ds. Ponstein was zeer actief in het zoeken naar onderdak voor Joodse medemensen en bood zelf een Joods gezin onderdak. Zijn contacten binnen de christelijk gereformeerde kerk waren heel belangrijk. Of men steeds de reikwijdte en het gevaar overzag valt te betwijfelen. We zagen al het reizen met de tram van de heer Bormann en zijn zuster. Nu zouden we zeggen waaghalzerij, maar zo lagen de zaken duidelijk niet. Toen het zoontje van de familie Bormann last van zijn gebit kreeg ging mevrouw Potman met hem naar tandarts Simonis aan de Grachtweg. Het jongetje had “een typisch Joods uiterlijk” zoals men toen zei, wat tandarts Simonis deed besluiten om mevrouw Potman op het hart te drukken vooral niet nog een keer gewoon over straat met de jongen door Lisse te lopen. Je wist maar nooit. Ze zijn zich vast niet echt bewust geweest van het gevaar dat ze met hun gastvrijheid liepen. Er werd een beroep op ze gedaan en daar werd naar gehandeld. Ze deden hun christenplicht. Het wordt steeds gevaarlijker De sfeer in Nederland werd steeds grimmiger. Behalve Joodse onderduikers waren er steeds meer mannen die onderdoken omdat zij zich moesten melden voor tewerkstelling in Duitsland. De Duitsers organiseerden razzia’s. Gelukkig was dat nooit tegelijk in Noord- en Zuid-Holland. Werd in de Haarlemmermeer een razzia verwacht dan kreeg boer Roos, die ook actief was in het verzet, een waarschuwing. Tijd voor actie: de Joodse onderduikers van de buren Roos en Potman werden overgevaren met de roeiboot en ondergebracht in een schuur op bollenland in de Roversbroek (naar Zuid-Holland dus). De schuur was weer van een neef van de fam. Potman, die aan de Hillegommerdijk woonde. Ook de grote radio ging dan mee naar de overkant. Een oude radio was ingeleverd. Radio Oranje hoorde men op dit exemplaar. De uitzendingen begonnen met het Wilhelmus en mevrouw Potman zette dan soms expres de ramen open. Wilde ze benadrukken waar ze voor stond? Bewoners aan de overkant in de Roversbroek hoorden dat ook, en waarschuwden haar, zodat zij dat niet meer deed. Vader Potman raakte ook meer bij het verzet betrokken. Op een gegeven moment kwam zelfs de drukpers waarop het illegale blaadje van de Haarlemmermeer gedrukt werd naar het huis van de familie Potman. Neef Potman zorgde weer voor de verspreiding. Voor de onderduikers werd het uiteindelijk toch te gevaarlijk aan de Lisserdijk. Op de hele dijk waren prikkeldraadversperringen. Regelmatig zag je er Duitse militairen. Om te ontspannen gingen de soldaten ’s nachts vissen. Ze gooiden dan handgranaten in de Ringvaart. Eigenlijk werd het onhoudbaar voor de onderduikers en zij gingen door naar andere adressen. Alleen Elly Engelsman bleef de gehele oorlogsperiode bij de familie Bras.

Overleefd
Na de oorlog werd pas volledig duidelijk wat het voor de Joden betekend had om te worden weggevoerd. De moeder en het eveneens dove zusje van Elly Engelsman waren vermoord. Haar vader had het kamp wonder boven wonder overleefd. Elly Muller-Engelsman (1941-2019) zette zich in voor het uit de vergetelheid halen van het lot van de dove Joodse slachtoffers van de nazi’s. Zij richtte mede de Stichting DovenShoah op. Het gezin Borman overleefde de oorlog. De zoon is na de oorlog nog een keer aan de
Lisserdijk geweest. Hij had toen met een vriend een boot gehuurd. Ze vertelden dat ze in opleiding waren voor diamantbewerker. Verder is er geen contact meer geweest met deze familie. Ook de familie Stein overleefde. Bij het eerste bezoek na de oorlog aan de familie Potman bracht Loes het boek Jelle van Sipke Froukjes van schrijfster Nienke van Hichtum voor Riet mee. Loes Stein trouwde en verhuisde naar
Canada, maar de familie bleef contact houden.

Yad Vashem

De penningen van Yad Vashem

Dit is het officiële monument van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers uit de Holocaust.
Yad Vashem betekent letterlijk ‘hand en naam’. Mensen die zich ingezet hebben om Joden te redden kunnen een Yad Vashem onderscheiding krijgen. Zij horen dan bij de ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’. Vanaf begin zestiger jaren van de vorige eeuw worden deze onderscheidingen toegekend. In die beginjaren werd ook een boom geplant in de Laan der Rechtvaardigen in Jeruzalem. Natuurlijk gaat aan een toekenning voor een onderscheiding een grondig onderzoek vooraf. Iemand moet natuurlijk de onderscheiding aanvragen. De familie Bras kreeg de onderscheiding al veel eerder. In hun huis hing een foto van de boomplant aan de muur. Voor de familie Potman is pas veel later een onderscheiding aangevraagd. Een jaar of vijf geleden was mevr. Loes Sorensen-Stein nog een keer op bezoek in Nederland, bij haar zuster. Riet Lanser-Potman heeft haar toen opgezocht en Loes vertelde toen dat zij bezig was de onderscheiding voor haar ouders aan te vragen. In 2018 werd officieel besloten om de
onderscheiding postuum aan haar ouders toe te kennen. Bomen worden er al lang niet meer geplant, maar de namen worden vermeld in de Tuin der Rechtvaardigen. De ambassadeur van Israël, Naor Gilon, reikte in oktober 2019 de Yad Vashem-onderscheiding, postuum toegekend aan haar ouders, uit aan mevrouw Riet Lanser-Potman. Zij ontving toen de oorkonde en de medaille die bij de toekenning horen. Dat gebeurde tijdens een indrukwekkende bijeenkomst in de Liberaal Joodse Synagoge in Den Haag. De hoogbejaarde zuster van mevr. Louise Sorensen-Stein woonde de plechtigheid, samen met haar dochter, bij. Jammer natuurlijk dat vader en moeder Potman deze erkenning niet meer hebben mogen meemaken. Waarschijnlijk zouden ze wat zij in die oorlogsperiode deden heel vanzelfsprekend gevonden hebben. Maar het was natuurlijk helemaal niet vanzelfsprekend. Mensen zoals het echtpaar Potman hebben hun eigen leven gewaagd om dat van anderen te redden. Zij handelden tegen onvrijheid. Die vrijheid koesteren we nu al 75 jaar.

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (2)

Sporen van vroeger (Lissernieuws)                                                           

21 april 2020  

 door Nico Groen

In de vorige column werd het dagboek van Henk van Ruiten tot 31 december 1944 weergegeven. Hieronder volgt het tweede deel van zijn dagboek. Het is getranscribeerd door Erwin de Mooij. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders. Hierna leest u een aantal stukjes uit het dagboek tussen 1 januari en 1 mei 1945.

 

“Begin januari hangen er bulletins aan de muren: mannen tussen 16 en 40 jaar moeten zich komen melden. De volgende morgen hangt er een blaadje onder van de verzetsbeweging, dat je je niet moet melden. Op weg naar mijn werk hoorde ik, dat de burgemeester en de ambtenaren met de burgerpapieren ondergedoken zijn.

Op 12 januari was het een rustige dag, met angst. De burgers mogen niet meer in het Keukenhofbos bomen omhakken. De SS houdt de wacht. Je mag ook geen bomen omzagen in de straten. Als de Duitsers het zien, krijg je zonder pardon de kogel.

 

Wij hebben bloembollentaart gegeten. Het viel mij honderd procent mee. Het is machtig, en voedzaam. De taart is op zijn lekkerst als hij koud is. Het is hier winterweer met sneeuw. Ik ben nu en dan op de weg, dan weer thuis aan het zagen en als het me te koud is, heb ik schrijfwerk of leeswerk of bollen schoonmaken voor de bollentaart. Die smaakt beter dan pulppannekoek of pulpbrood. Die heb ik vandaag ook gegeten, maar dat is geen eten. Ik word niet goed van binnen en ik moet er ’s nachts mijn bed voor uit om naar nummer 100 te lopen. Geef mij maar een Weerter Vlaaitje!

Vandaag 8 februari ben ik  thuis aan het delven in de grond. Dat valt niet mee op de 900 gram brood per week. ’s Avonds ga je naar bed met een waterbuik van de aardappelen. Je moet er 3 a 4 keer uit bed. Je wordt er beroerd van.

 

7 Maart. Er is razzia in Lisse. Ik was om 7 uur de deur uitgegaan, naar de Kerk, want het was Sint Jozefdag. In de Kerk werd gewaarschuwd. Ik bleef tot het einde van de mis en toen ging ik er uit. Maar het was niet gunstig, ze hadden al wat jongens te pakken! Ik ging de Kerk weer in en toen kwam er een kapelaan naar mij toe en die zei: Ga naar de toren! Ik ging naar de toren en daar waren meer jongens. Op het eind zaten wij met zijn zessen in de toren. Een prachtig uitzicht. Je zag de floeperts op de straat lopen, maar zij zagen ons niet. Thuis wisten ze dat ik in de Kerk zat. Ik heb van 8 uur tot 5 uur in de toren gezeten! De Duitsers hebben een heleboel fietsen, frames, banden en onderdelen meegenomen. De buit was groot.

Wij  hebben  vandaag, 10 maart, van het Zweedse Roode Kruis ons cadeau gehad en dat was per persoon 8 ons wittebrood en 125 gram margarine. Het smaakte heerlijk. Je zou er je tong bij inslikken! Wij zijn er uiterst zuinig mee, elke dag nemen wij er twee sneetjes van.

De NSB burgemeester heeft vandaag 30 maart, de benen genomen.

28 april. De Duitsers zijn het hier zat. Ze rammelen van de honger. Ze vragen aan de burgers: Hoe staat de toestand? En als de burger zeg: Berlijn is omsingeld, dan wrijven de Duitsers in hun handen. Het gaat goed, zegt de Duitser dan.”

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.
Foto: Oud Lisse

 

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.

Foto: Oud Lisse

Bij de voorplaat: herdenking bevrijding

De voorplaat laat net even wat meer vlagvertoon zien dan anders vanwege het feit dat we dit hele jaar 75  jaar bevrijding vieren en herdenken. Oranje bovenaan, dat is logisch, dan onze nationale driekleur, vonder onze Lissese kleuren.
De vier nummers van 2020 zullen deze feestelijke kleuren dragen. Het wordt een jaargang met een vrijheidstintje. In elk nummer komt een verhaal dat iets vertelt over die nare vijf jaar bezetting in ons dorp. Gelukkig ging dit ook voorbij. Wat een vreugde gaf dat in de harten van onze dorpsgenoten van toen. Sommigen van onze lezers hebben nog meegemaakt dat bijna alle inwoners van Lisse langs de Heereweg uitgelaten stonden te zwaaien naar de bevrijders. Vlaggen kwamen weer te voorschijn uit de mottenballen en wapperden weer vrij en vrolijk in een lentebriesje. Eindelijk weer luchtigheid, vrijheid om te zeggen wat je denkt. Ook de stilte van herdenken hoort hierbij.

Bevrijding

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (1)

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

7 april 2020

door Nico Groen 

Henk van Ruiten was aan het begin van de hongerwinter (1944) een jongeman van 25 jaar. Hij woonde nog bij zijn ouders en zijn halfbroer Koos in de Wagendwarsstraat, tegenover De Taveerne. Vanaf november 1944 tot aan de bevrijding in mei 1945 hield Henk een dagboek bij.

Hij verhuisde in 1977 naar Nederweert bij Weert in Midden-Limburg. Daar had hij in 1939 zijn mobilisatie doorgebracht en in die tijd veel vrienden opgedaan. Hij woonde er tot aan zijn overlijden in 1998. Zijn executeur testamentair stuurde het dagboek naar het Gemeente Archief van Lisse. Een medewerker van dit archief, Erwin de Mooij, maakte een transcriptie van de oorspronkelijke tekst. Die was sterk fonetisch  geschreven omdat Henk niet had doorgeleerd. Het Nieuwsblad van de VOL van april 2005 publiceerde dit dagboek dat Van Ruiten schreef voor zijn Limburgse vrienden. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders en Hier onder leest u een samenvatting van het gedeelte vanaf het begin van het dagboek tot 31 december 1944.

Geen stroom meer

Op 21 november 1944 heeft heel  Zuid- en Noord-Holland en Utrecht al dagen geen licht meer. Ook wij hebben geen licht meer. Je zit te turen en te gluren bij een klein petrolie-lampje. Een gezellige tijd voor de jongelui, die er een vrijer op na houden. Die kunnen nu scharrelen in het duister. Ik heb wat gepraktiseerd en op mijn slaapkamer een jampotje vol gedaan met water en op het water heb ik fietsenolie gegoten met een drijvertje erop. Dat gaat best. Het rookt wel wat, maar dat mag hem niet hinderen.

Vandaag 25 november heeft het bij ons in de buurt gespookt. Een paar dagen eerder wisten wij dat er in de Bollenstreek een razzia gehouden zou worden. ’s Morgens om 5 uur hoor ik een leven op de straat! Het ritselde van de Duitsers. Ik uit bed en iedereen wakker gemaakt. Gauw aangekleed. Ik had de avond tevoren de schuur achter in de tuin opengemaakt. Daar kon ik nog in komen. Ik deed de deur achter mijn hielen op slot. Naar mij konden ze fluiten.

Geen eten meer te koop

Vandaag op 4 december waren de Duitsers ’s avonds weer bezig. Ze hadden gefuifd en je begrijpt een heel beetje teveel gedronken. Ze schoten op een dame in een hoedenwinkel dwars door de winkelruit en op het Vierkant op een elektrische klok, enzovoort. Ze moesten de andere dag toch naar het front. De volgende dag zijn ze uit Lisse en omstreken vertrokken. God zij dank! Het was me een roversbende! Tot nu toe heb ik mijn fietsen nog. Allebei!

Wat is er toch een armoe en een hongersnood! De mensen uit de stad lopen de deur plat om eten. Ze hebben van alles bij zich om te ruilen voor voedsel, maar bij ons is het hopeloos, je kunt niets kopen, maar dan ook niets!

Op 31 december werd in alle Kerken een brief voorgelezen over hongersnood in de steden en over de zwarthandelaren. Onmenselijk. Het oude en het nieuwjaar hebben wij niet gevierd. Er is tegenwoordig toch niets aan, de moed raakt uit de mensen.

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.
Foto: Oud Lisse

SCHOOLTIJD: WAT NU ALS DE SCHOOL DICHT IS?

Tijdens een bijeenkomst van de verhalentafel kwam de schooltijd tijdens de oorlog aan de orde. Diverse scholen werden gevorderd.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 2, 2020

Je eerste schooldag is een mijlpaal. Het oude versje spreekt voor zich. Na die eerste schooldag wordt school heel gewoon. Maar sinds half maart blijkt dat toch niet gewoon. De scholen gingen dicht. Dit jaar vieren we 75 jaar vrijheid. Schoolplicht was er 75 jaar geleden ook. Maar naar school gaan was toen niet
altijd even vanzelfsprekend.

HOBAHO les in de mijnzaal
tijdens de mobilisatie 1939.

Augustus 1939 begint de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger. In de maanden erna plaatst vhet Nederlandse leger militairen door het hele land. Waar moet je die mannen allemaal onderbrengen? Ze worden ingekwartierd, in leegstaande gebouwen, maar vaak ook in scholen. Scholen zijn prima onderkomens, groot genoeg om een eenheid onder te brengen, inclusief de keuken. Het liedje “Rats, kuch en bonen” stamt uit deze tijd. Ook de burgers voelen de oorlogsdreiging. Hamsterwoede zoals we zagen met ons wc-papier was er toen ook.

Ook de veilingzaal van de HBG was tijdens de mobilisatie een leslokaal.

Niet om closetrollen (het stukje krantenpapier was toen nog gewoon), maar gewone levensmiddelen werden gehamsterd. Snip en Snap maakten er een cabaretliedje over: ‘Holderdebolder, we hebben een koe op zolder’. Ook in Lisse worden militairen ondergebracht bij de scholen. Bijvoorbeeld in de Ned. Herv. school in de Lisbloemstraat. En de kinderen dan? De meesters en juffen moesten flink improviseren op allerlei locaties. Lesgeven was hun drijfveer, maar ook hun zorg.

School Vuursteeg

Op de verjaardag van prinses Juliana werd in 1940 voor de jeugd nog een tocht per schuit door de bollenvelden georganiseerd. Op 1 mei was er nog een défilé langs het gemeentehuis ter gelegenheid van de 64e verjaardag van het regiment veldartillerie dat hier gelegerd was. Dreiging was er zeker, maar men hoopte neutraal te blijven.

De kinderkrant
Op school zullen de kinderen wel de “nieuwe spelling” geleerd hebben. Die was eind dertiger-jaren ingevoerd. Het Leidsch Dagblad gaf een kinderkrant uit met verhaaltjes, gedichtjes, raadseltjes van de raadseltante, grapjes, verjaardagen en heel veel reacties op briefjes van kinderen. In juni 1939 stond er in de kinderkrant dat ze vanaf die tijd de nieuwe spelling zouden hanteren. De krant werd ook door veel kinderen uit Lisse gelezen. Volgens de kinderkrant van begin 1940 heeft Lisse dan 9792 inwoners.

Zomaar wat namen van kinderen uit Lisse die we in de kinderkrant van 1940 terugvinden: Geertje Borst,
Anna Schakenbos, Gretha vd Lans, Piet vd Aart, Truus Kleijhorst, Nico Kors, Bertie vd Berk, Gerrit vd Aart, Jootje van Dijk, Leo Meijer. De aanval van de Duitsers zette natuurlijk alles op zijn kop. In de kinderkrant van 25 mei stond: ……Er is een hoop gebeurd na onze vorige briefwisseling. Heel veel droevigs…. In de Nieuwe Leidsche Courant van 25 mei stond bij de kinderkrant: ….Hollanders zijn altijd taaie lui geweest, vol wilskracht en uithoudingsvermogen. Tonen we als jongens en meisjes dat die kostelijke goederen ook ons eigendom zijn…. Het Leidsch Dagblad van 1 juni: …….Wij zijn nog onder de indruk van de oorlogsdagen, dat sprak ook uit jullie brieven…………De meesten van jullie zijn weer naar school en flink aan het werk getogen. Zo moet het ook!….

Begintijd oorlog
De Nederlandse strijdkrachten hebben geen enkele kans tegen de Duitse overmacht. Overgave volgt en de Nederlandse militairen worden gedemobiliseerd. De meesten gaan weer naar huis. Het gewone leven wordt min of meer hervat. Dat geldt ook voor de scholen. Hoewel, na een paar maanden neemt de Duitse bezetter de eerste maatregelen, die het Nederla ndseonderwijs betreffen. Er komt een lijst van verboden boeken en liederen. Op de zwarte lijst staan zo’n 150 titels die in het lager onderwijs gebruikt worden. Ook het veelgebruikte voorleesboek “Er op of er onder” van W.G. van der Hulst werd verboden. Het verbod wordt op grote schaal ontdoken. In het eerste oorlogsjaar volgt ook de verplichte Ariërverklaring voor het onderwijspersoneel. Sluipenderwijs wordt lesgeven en les krijgen lastiger.

Verdere oorlogsjaren
Eerst leek het leven nog enigszins normaal door te gaan, maar naarmate vrede langer uitbleef werden de gevolgen van de oorlog steeds meer voelbaarder. Er kwamen tekorten op allerlei gebied, ook op papier moest men zuinig zijn. Op 18 januari 1941 stond in de Kinderkrant: ….Je mag wel een klein of een half velletje papier nemen (dit met het oog op de papierbezuinigingen)… Op 24 mei: …dat door papierschaarste het aantal bladen van elke krant ingekrompen moet worden… voor de Kinderkrant minder ruimte beschikbaar, zodat deze voorlopig slechts om de veertien dagen zal kunnen verschijnen……

Op 18 oktober: …..ONZE KINDERKRANT KAN VOORLOPIG NIET MEER VERSCHIJNEN…Het is noodzakelijk geworden door de papierschaarste……Ook op de scholen ontstonden tekorten. Pennen en schriften werden schaars, ondanks de eerdere hamsterwoede van onderwijzers. Door brandstofschaarste werden de schooltijden officieel aangepast: woensdagmiddag geen vrij meer maar naar school en dan zaterdag de hele dag vrij.

Verhalen van leerlingen
In het vorige Nieuwsblad werd verteld over het bestaan van de Verhalentafel. Vanwege corona werden de bijeenkomsten voorlopig gestaakt. Door de deelnemers was al wat gepraat over hun jeugdjaren waardoor toch iets van hun verhalen in dit stuk is verwerkt. Telefonisch contact was zelfs extra waardevol. Mevrouw Puck de Vroomen zit op de St. Agathaschool. In 1939 worden deze school en de naastgelegen St. Josephschool gevorderd voor de mobilisatie. Toen begon al het geschuif met leerlingen en schooltijden. Sommige leerlingen vertrokken naar de Beekbrugschool. Er werd op diverse plaatsen lesgegeven. In de filmzaal van de bioscoop achter de Witte Zwaan (waar nu de Digros is) maar ook in de school in de Schoolstraat (nu De Akker). Ook in de HoBaHo werd les gegeven. Puck herinnert zich het zitten in een soort amfitheater. Dat was de veilingzaal. Ze hadden een soort klepkastjes en tot grote ergernis van de juf drukten ze met z’n allen op de knoppen van de veilingklok. Ze vertelt dat thuis in een grote wasketel suikerbieten gekookt werden. Daar werden bietenkoekjes van gemaakt. Dan spijbelde ze, want dat was een lekker karweitje. Omdat er zo onregelmatig les was viel het haar ouders niet eens op. Een broer van haar was op het Triniteitslyceum in Haarlem, wat op een gegeven moment ook niet meer mogelijk was. Maar op een dag in het laatste oorlogsjaar kwam iemand, een man gekleed in vrouwenkleren, op de fiets met houten banden bij de familie Beelen. Het bleek een leraar van het lyceum. In het kantoortje werd omgekleed. Hij at natuurlijk mee, verkleedde zich weer in de vrouwenkleren en ging weer op weg naar Overveen, met o.a. bruine bonen. Toen Puck in de oorlog van de lagere school kwam ging ze naar de rk.mulo. Les kreeg ze in een soort huiskamer in het patronaatsgebouw (nu Welkom). Ze waren met 5 meisjes en een paar jongens. Het examen moest gedaan worden in 1945, maar net als nu met de eindexamens, kon dat niet op de gebruikelijke manier doorgaan. Ze kregen wel hun diploma. Wat doe je dan na de oorlog. Alles is nog erg onzeker. Dan maar naar de huishoudschool aan het Galgewater in Leiden voor de opleiding in huishoudkunde. Nog een hele onderneming. Aan het eind van de oorlog was de brug bij het Groene Kerkje in Oegstgeest, waar de blauwe tram over reed, opgeblazen. Daar was dus de laatste tramhalte vanuit Lisse en daar moest overgestapt worden op kleinere Leidse stadstrammetjes. Er was altijd wel een goed excuus om te laat te komen. Mevrouw Ina van Leeuwen-Groen in ’t Woud is iets jonger dan Puck de Vroomen maar gaat naar dezelfde school. Ze was op de kleuterschool aan de Achterweg geweest. Het schooljaar begon op 1 april. Ze herinnert zich dat ze in de oorlogstijd ook veel thuis was omdat er geen school was. Ook waren er in het hele dorp evacués waarvan ook kinderen naar school moesten. Dat startte al met gezinnen uit Rotterdam. Er kwam gebrek aan van alles. Ze droeg naar school geen schoenen, maar een soort houten zolen met riemen. Dat klepperde enorm. Ze noemt de naam van de klompenmaker: van den Berk. Ina’s man, Aad van Leeuwen, vult aan dat zijn vader ook wel klompen maakte. Hij woonde in De Engel en er waren veel grote gezinnen die natuurlijk allemaal schoeisel nodig hadden. De scholen waren na de oorlog natuurlijk uitgewoond na al die militairen die er gehuisvest waren geweest. De kinderen waren
sterk ondervoed. Er werd gekeken of ze bijvoeding nodig hadden. Zelf kon Ina er net mee door, maar
haar oudere zus en ook haar man Aad kregen extra voeding. In de HoBaHo kregen ze schoolpap. Sommige kinderen waren er nog slechter aan toe. Die werden soms zelfs een tijdje naar Denemarken gestuurd.
Mevrouw Daudeij woonde in de Schoolstraat.Ze vertelde eerder in de verhalentafel: En toen kwam Dolle Dinsdag. Wat een feest. Mijn twee oudste zusjes mochten mee naar het dorp maar ze kwamen alweer snel terug. Vanwege het onder water zetten van Walcheren werden veel evacués in Lissese gezinnen opgenomen. De school tegenover ons huis werd ook door de geëvacueerde kinderen bezocht. Op zekere dag was de school dicht en werd er geen les gegeven. Eén van de meisjes wist dat kennelijk niet. Toen
één van haar zusjes die bij ons woonde haar zag lopen rende ze naar buiten en riep: ‘Jaantje, Jaantje….oans heb vrie.’ Dat is in ons gezin jarenlang een gevleugelde uitdrukking gebleven.

Verder uit de verhalentafel
Aan de verhalentafel schuiven niet alleen geboren Lissers aan. Heiltje Koning–van Vuuren, oorspronkelijk uit de Biesbosch, vertelde: Jullie weten vast wel dat in de oorlog de Biesbosch een plek was waar veel onderduikers een veilige plek zochten. In de kreken lagen overal kleine arkjes waarin ze overnachtten. In 1943 kwamen de Duitsers met grote groene overvalwagens om die onderduikers op te sporen. Als ze gepakt werden, werden ze in de Duitse fabrieken tewerkgesteld. In die tijd werden wij met paard en wagen naar school in Werkendam gebracht. Ik was toen acht jaar. Op een ochtend moest Albert, een van de arbeiders van de polder, ons naar school brengen. We waren nog maar net op weg toen een van ons zei: ‘Kijk . . . daar komt een Duitse wagen aan. Er is vast een razzia’. We vroegen Albert om te draaien. Maar hij antwoordde: ‘Ik moet jullie naar school brengen en dat doe ik ook.’ We kwamen de auto tegen en kregen het bevel om te stoppen. Een Duitse officier kwam naar ons toe met een geweer
aan zijn schouder. Hij vroeg of mijn broer kon rijden. Maar hij zei dat hij dat niet kon en naar school toe moest. Ook de andere jongens konden niet met paard en wagen omgaan. Daarom moest onze Albert toch omdraaien en de officier kwam naast hem zitten. Wij weer terug naar huis. Thuisgekomen moest Albert wat kleding ophalen en afscheid nemen van zijn vrouw en zoontje. Toen moest hij mee in de overvalwagen om in Duitsland te gaan werken. Ik hoor nog de schreeuw van dat kleine ventje. Gelukkig kwam Albert in 1945 weer terug, brood- en broodmager.

Bevrijding
Eindelijk volgt dan de bevrijding. Met overal feesten en optochten, soms nog veel verwarring en onzekerheid. Maar vooral tijd om weer aan de opbouw te beginnen. Voor de scholen was er veel in te halen. Bijvoorbeeld bij de Beekbrugschool. Die was in december 1944 zo’n maand bezet door Duitsers. Zij stookten alle stoelen en banken op om het warm te krijgen en uit balorigheid(?) werden ook de radiatoren vernield. Die winter konden de kinderen niet meer naar school. Op 16 febr. 1946 was er in het Leidsch Dagblad weer een rubriek voor de jeugd. Nog maar klein, want er was nog een papiertekort. Heel veel zaken waren nog steeds op de bon.

Een band
Ik (Liesbeth Brouwer, red) heb nogal geaarzeld of ik over de schooltijd in Lisse zou kunnen vertellen. Ik ben geen Lisser, maar ik ben er van overtuigd dat veel ouderen met mij in de huidige tijd, waarin de kinderen niet naar school konden, teruggedacht hebben aan hun eigen jeugd. Rien, mijn overleden man, vertelde vaak dat hij, op weg naar de kleuterschool waar hij net op zat, op de brug over het spoor de vliegtuigen aan zag komen. De slag om Arnhem was begonnen. Vluchten richting Apeldoorn. Geen kleuterschool en na de bevrijding ook geen huis meer in Arnhem. Voor mij zat de kleuterschool er ook niet in. Toen ik in 1947 aan de lagere school begon zaten we in het verwoeste Elst in de Over-Betuwe in grote, soms gecombineerde, klassen op diverse locaties. De buurgemeente van Elst, Bemmel, was ook zwaar getroffen door het oorlogsgeweld. Persoonlijke herinneringen uit een ander deel van ons land. Dan blijkt dat er toch een verband is tussen al die herinneringen. Want in het Leidsch Dagblad van juli 1945 lees ik dat Lisse in het kader van Nederlandsch Volks Herstel (NVH) Bemmel zal steunen met de wederopbouw. Op 22 febr. 1946 komt een delegatie van Bemmel naar de Witte Zwaan om voor alle geboden hulp te bedanken. “De oorlog vlocht een band tusschen Kersen- en Bollenland” was de leuze. Hier voel je toch even een parallel met de huidige coronatijd waar Rutte zegt: “we gaan dit samen doen”. Samen kregen we ons land en dus ook het onderwijs er weer bovenop. We vieren 75 jaar vrijheid. Om het vrij te zeggen naar de gevleugelde uitspraak bij familie Daudeij: “oans bin vrie.

INGEZONDEN BRIEF

Hoe een klein jochie de oorlog beleefde

Ben geboren in januari 1938. In het begin van de oorlog had ik geen enkel besef van wat er aan de hand was. Later begon ik langzamerhand te beseffen dat er veel Duitse soldaten in ons land waren die ons land wilden inpikken. Er werd verteld dat als er mensen waren die niet deden wat zij zeiden ze gevangen genomen werden en soms doodgeschoten. Ook dat er jonge mannen die zich niet vrijwillig gemeld hadden opgepakt werden om in Duitsland te werken. Ik kan me goed herinneren dat als er geruchten waren dat er een razzia op komst was in de Engelenbuurt waar ik toen woonde, dat mensen van de bedoelde groep het bollenland in liepen om zich te verstoppen. Ook hadden wij een onderduiker (uitgeweken werkweigeraar) uit Texel in huis. Bang hoefde ik niet te zijn, “kinderen deden ze niets” werd mij verteld. Zo werd ik af en toe naar mijn moeders stiefouders in Nieuw Vennep gestuurd om wat tarwe op te halen, want met kinderfietsjes konden ze de oorlog niet winnen. Verder kan ik nog flarden herinneren, zoals takken kappen met een zeer botte bijl in het Reigersbos. Mijn vijf jaar oudere broer sleepte ze dan daarna naar huis. Daar was ik ook toen het vliegtuig bij Bergman neer stortte in het
land. Het schuilen in de kelderruimte tijdens de beschieting van een tram vanuit vliegtuigen, daar had ik een vreselijke hekel aan. Schuilen was helemaal niet nodig want ons huis hadden ze toch nooit geraakt, zo redeneerde ik. Als het dan weer voorbij was gingen we vliegtuigje spelen in de straat, armen wijd en pang, pang, pang roepen. Het verduisteren van de ramen, een kar van de gaarkeuken, tabaksplanten in de achtertuin en in de winter de stinkende schoorstenen want alles wat warmte kon geven ging de kachel in. En toen; dat opgevouwen witte laken werd uitgevouwen en het bleek dat ze drie kleuren had, rood, wit en blauw. Afmarcherende terugtrekkende moffen, dames die verliefd waren op Duitse soldaten werden kaal geknipt. Boerenkarren beladen met feestvierders en op elk pleintje de ‘okipoki’, ik had er nog nooit van gehoord maar dat was snel geleerd.

Frans Schenk.

Overval op het gemeentehuis

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                           

24 maart 2020

 door Nico Groen                                                          

Vanwege 75 jaar bevrijding komt deze keer de overval op het gemeentehuis van Lisse op 15 februari 1944 aan de orde. Burgemeester Van Rijckevorsel werd steeds meer onder druk gezet door de Duitsers om gegevens uit het bevolkingsregister te overhandigen. Zij hadden namelijk jonge mannen nodig in Duitsland in verband met tekort aan arbeiders daar. Het zou goed zijn om dit register te laten verdwijnen, zoals het verzet op veel plekken in Nederland deed.

De Landelijke Knok Ploeg van Post

De opmerkingen van de burgemeester kwamen via via ter ore van de Landelijke Knok Ploegen (LKP). De Groep van Johannes Post, die vanuit Rijnsburg opereerde, besloot het bevolkingsregister van Lisse te verdonkeremanen. Op 15 februari 1944 stonden er ’s avonds  een man of zes van zijn ploeg tegen de muur van het gemeentehuis in de buurt van de ingang.

Daarbinnen werd zoals gewoonlijk overgewerkt. Twee ambtenaren waren al binnen en een derde moest nog komen. De bewaking van het gemeentehuis was in handen van een burgerwacht, H. Grimbergen, en opperwachtmeester van de gemeentepolitie, Bas Romeijn. De derde ambtenaar, Willem Döll wilde het gemeentehuis binnengaan. De burgerwacht opende de deur voor hem. Vlak achter hem drongen de mannen van Post naar binnen en bedreigden de bewaker en de ambtenaar. Ook de opperwachtmeester Bas Romeijn werd in de bodekamer gevangen genomen en volgens afspraak in elkaar geslagen. Hij had namelijk zijn medewerking gegeven aan de overval. De overvallers gingen nu naar de secretarie, waar de 2 ambtenaren aan het werk waren. Iedereen werd vastgebonden. Het bevolkingsregister werd in zakken gepropt. De zakken werden naar buiten gesleept naar de ruimte van de centrale verwarming van de Josephschool vlak bij het gemeentehuis en daar opgestookt.

Bovenstaand verhaal wordt levendig beschreven in een roman van Anne de Vries, ’De levensroman van Johannes Post’. Post werd na de oorlog postuum geëerd.

De overval op het bevolkingsregister van Lisse heeft vele levens gered door op het nieuw opgezette register vele niet-bestaande ouderen, weduwen en kinderen te zetten, die in aanmerking kwamen voor distributiekaarten en -bonnen. De bonnen werden gebruikt om onderduikers in Lisse, Sassenheim en Hillegom van voedsel te voorzien.

 Dramatische gevolgen

Dezelfde nacht verscheen de Sicherheitsdienst in het dorp. Die vermoedde dat het een doorgestoken kaart was en ambtenaren werden van hun bed gelicht.

Als gevolg van deze overval werden gemeentesecretaris Jan de Haan, politieambtenaar Bas Romeijn en gemeenteambtenaar Willem Döll opgepakt en naar een concentratiekamp overgebracht. Aan de gevolgen daarvan zijn zij overleden.

In De Engel zijn twee straten naar hen vernoemd, de J.C. de Haanstraat en de W.L. Döllstraat. De Romijnstraat in het buurtschap is vernoemd naar Piet Romijn, de eerste voorzitter van woningbouwvereniging Gezinsbelang en wethouder en dus niet naar Bas Romeijn. De initiatiefgroep Herinneringsboek Lissese Oorlogsslachtoffers spant zich nog steeds in om in Lisse straatnamen naar Bas Romeijn en andere oorlogsslachtoffers vernoemd te krijgen.

Foto: De gegevens over de overval komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’ van Ed Olivier
Foto: Nico Groen

 

 

 

Fatale razzia op 7 maart 1945

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

door Nico Groen

10 maart 2020

In Lisse werden bij de meeste razzia’s geen mannen opgepakt. Dat was gebaseerd op het succes van het goed lopende waarschuwingssysteem via afgeluisterde telefoongesprekken. Men werd steeds bijtijds gewaarschuwd. Op 7 maart 1945, deze week precies 75 jaar geleden,  was dat echter niet het geval. Er vond toen namelijk een grote razzia plaats met grote gevolgen voor 40 mannen in Lisse.

 

De razzia’s werden georganiseerd omdat Duitsland veel te weinig arbeidskrachten had om de industrie te laten draaien. Veel Duitsers waren namelijk opgeroepen om dienst te doen aan het front, in het oosten en het westen, tegen de geallieerde opmars, waardoor de wapenindustrie stokte.

Op 7 maart 1945 stopte er een grote Duitse legertruck aan de Heereweg  bij de bollenschuur van Segers, waar nu het Agathapark is. Er sprongen zo’n 10 tot de tanden toe bewapende soldaten uit en verspreidden zich over het dorp. Alle jongemannen die zij op straat tegenkwamen, namen zij mee. Ook werden veel huizen doorzocht met als resultaat dat totaal 40 mannen werden opgepakt.

 

Ontsnapt in dameskleding

Zij werden verzameld in een bollenschuur van Van der Vlugt aan de kop van de Kanaalstraat, nabij het postkantoor. Familieleden mochten wat kleding en andere spullen brengen. Daar maakte Arie van Steensel gebruik van door vrouwenkleren aan te trekken. Hij werd gered door Marian van Klink. Zij had extra dameskleren aangetrokken. Zij fietste brutaal door het cordon van Duitse soldaten heen naar de schuur. Zij gaf Arie de extra kleding, die hij snel aantrok. Hij liep daarna de schuur uit met dameskousen en een puntmuts langs de nietsvermoedende wachten. Hij is toen ondergedoken. Marian van Klink kon gelukkig ook veilig wegkomen.

 

Naar Bocholt

De overige mannen werden met een bus naar Haarlem naar de Ripperda-kazerne gebracht. Daar werd de nacht doorgebracht. Later werden zij met veel anderen met de trein via Hengelo naar de omgeving van Bocholt net over de Duitse grens vervoerd. Het doel was waarschijnlijk  kamp Stammlager (Stalag) VI F, dat voorheen een krijgsgevangenkamp was. Rond half maart kwamen de gevangenen uit Lisse daar aan. De stad Bocholt werd een week later op 22 maart volledig verwoest door de geallieerde strijdkrachten. Mogelijk hebben de Duitsers na afloop van dit bombardement een aantal van de Lissese dwangarbeiders gebruikt om puin te ruimen en slachtoffers te bergen.

 

Gelukkig hebben, voor zover wij weten, alle 40 Lissese gevangenen het overleefd, maar natuurlijk wel met ernstige traumatische ervaringen. Soms ondervonden zij zelfs levenslang een trauma en daardoor konden zij hun leven lang niet praten over hun ervaringen tijdens en na hun gevangenschap.

Foto: De razzia begon bij de bollenschuren van gebroeders Segers, nu het Agathapark.
Foto: Oud Lisse

Inkwartiering van Duitse soldaten

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

door Nico Groen

25 februari 2020

In het kader van 75 jaar bevrijding wordt hieronder een gedeelte van de herinneringen  aan de 2e Wereldoorlog van Henk Schalk weergegeven. In de vorige column ging het over de hongerwinter. Toen werd vermeld dat Henk 91 jaar is, maar dat wordt hij pas in december 2020). Deze keer wordt ingegaan op de inkwartiering van Duitse soldaten bij de Lissers thuis.

 

De Duitsers vonden inkwartiering bij de mensen thuis noodzakelijk omdat er bij een inventarisatie in 1942 bij alle scholen, de Witte Zwaan en De Beurs niet genoeg plek was om alle Duitsers onder te brengen. Daarom werd ook gekeken naar 166 andere inkwartieringsadressen in Lisse.

 

Het relaas van Henk Schalk

“Die soldaten werden `s avonds en `s nachts ingekwartierd bij de burgerij. Het hele dorp was geïnspecteerd en als je een kamertje of ruimte had waar er wel een paar konden slapen, kwam je er niet onderuit om ze op te nemen. Wij kregen er twee uit Beieren. Na een paar maanden moesten ze weer weg, maar ze wisten niet waar naar toe. Een half jaar later stond de troep ineens weer op het Asveld, het vroegere parkeerterrein van de HOBAHO op de hoek Schoolstraat/Hobahostraat. Ook onze August Benedict en Hans Hecker. Ze waren toen in Frankrijk geweest bij het bezettingsleger. Ze waren duidelijk blij om ons weer te zien en of we aan onze Vater und Mutter wilden vragen of ze weer bij ons mochten komen, dan mocht het van de commandant ook. Het waren echt aardige kerels. Ze brachten na de dienst altijd ‘drups’ mee, druivensuikersnoepjes, erg lekker. Wij hadden al snel geleerd om te vragen ‘Haben sie noch Drups ‘.

 

De avond voor Kerstmis 1942 kwamen ze in de bakkerij naar huis van een dienstfeestje, Hans half aangeschoten. Hans had de klompen van mijn vader aangetrokken en stond op de neus te drukken of ze wel pasten! Dat was wel lachen natuurlijk. Maar toen hij daarna ook de Hitlergroet maakte en met uitgestrekte rechterarm ‘Heil Hitler’ riep, had je moeten zien hoe woedend August op hem werd. Waarschijnlijk meer omdat hij wist hoe de Hollanders over Hitler dachten, dan om zijn eigen gevoel voor Hitler. Want de inwoners van Beieren waren uiterst Rooms Katholiek en ze geloofden heilig wat Hitler altijd propageerde over Rusland, de Communistische Godloochenaars en de strijd daar tegen. Kort daarna moesten ze weer weg, wisten zogenaamd weer niet waar naar toe. Dat ze bang waren dat het naar Rusland zou zijn, durfden ze niet eens hardop te zeggen. Het Duitse leger in Rusland had zware verliezen geleden en moest en zou aangevuld worden, desnoods met tweederangs troepen.

Later kwamen van Frau Benedict en Frau Hecker de bidprentjes, ‘Gefallen für das Vaterland’.  En zo ook bij andere mensen die inkwartiering hadden gehad”.

 

Website

Het hele verhaal van Henk Schalk over zijn herinneringen aan de 2e Wereldoorlog heeft hij opgeschreven in Het Nieuwsblad van de VOL uit april 2009. Ook staat het artikel op de website van Oudlisse.nl. Met de zoektermen oorlog, Schalk en herinneringen vindt U het artikel. Er staan momenteel meer dan 600 items op deze website.

 

Foto: Duitse soldaten na een kerkdienst op zondag.
Foto: Oud Lisse

 

 

Evenementen

Niets gevonden

Uw zoekopdracht leverde helaas geen artikelen op