Berichten

HET KAN VRIEZEN EN HET KAN DOOIEN

Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal strenge winters in de eerste helft van de twintigste eeuw.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Al winterkriebels? Een gezegde luidt: Is oktober warm en fijn, het zal een scherpe winter zijn, maar is het nat en koel, ’t is van een zachte winter een voorgevoel. Dat belooft wat! Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal van die strenge winters.

Koos Groen in ‘t Woud

Wie was Koos Groen in ’t Woud

Koos groeide op aan de Lisserdijk. Het huis staat er nog, onderaan de dijk bij restaurant Puck. Drie broers had hij, bonken van kerels en daarom geschikt voor het zware veenwerk. Zelf was hij een klein ventje, ongeschikt voor dat werk, dus maar naar de ulo voor een kantoorbaan. Zo begon hij, als 18-jarige in 1922 bij de Hobaho en na 4 jaar bij de H.B.G. aan de Gracht. Tegen hetzelfde salaris als bij de concurrent, nl. 960 gulden per jaar. Bij de H.B.G. werkte hij tot zijn vroege dood in 1950. Zijn dagboek en zijn fotoalbums worden gekoesterd door dochter Ina van Leeuwen, zelf inmiddels op de leeftijd der zeer sterken. Koos beschrijft strenge winters in de eerste helft van de 20e eeuw. Daar worden stukken van weergegeven. Om het tijdsbeeld een beetje extra te duiden zijn wat inleidende teksten toegevoegd. De liefde voor schaatsen had Koos niet van een vreemde. Zijn vader, ook Koos, was in 1914 een van de oprichters van de ijsclub “Kagermeer”. Koos jr. kwam na zijn huwelijk in 1930 op de Broekweg in Lisse te wonen.

De winter van 1916/1917

Op internet is een leuke film “Holland in ijs – 1917” te zien. Houten schaatsen, kinderen op klompen, priksleeën, klederdrachten, hoeden, petten, wollen kousen, nog veel scheepvaart. De film geeft een mooi sfeerbeeld van ijsplezier 100 jaar geleden. Ook in onze omgeving heerst ijskoorts. Een ijsbaan wordt sneeuwvrij gemaakt bij de Hellegatsmolen. Een groentekist met blokjes om de afstanden uit te zetten staat klaar. Maar wanneer dat aan de beurt is blijkt de kist verdwenen. Opgestookt in een kachel. Nederland was dan wel neutraal, maar de Grote Oorlog bracht ook hier brandstof- en voedseltekorten en armoede met zich mee.

Uit het dagboek

Op 16 januari werd onze grootmoeder begraven en toen was het al zeer koud met bovenwind. Alle vaarten en meren zijn toen sterk geworden. Zoo reden er auto’s, wagens links en rechts over het Kagermeer. De winter duurde toen wekenlang en wel ongeveer de geheele maand februari uit. Op een nacht vroor het 23o wat wel de strengsten vorst was in dien winter. Dooi kwam eindelijk en zonder regen of wind is het ijs vergaan.

De winter van 1921-1922

De schoolkinderen uit de Buitenkaag gingen in deze tijd meestal naar school in Sassenheim, door weer en wind, over de Sassemerpont en dan lopend over de 3e Poellaan verder naar school. Ook onze dagboekschrijver ging in Sassenheim naar school. Mensen waren indertijd veel meer met het weer bezig. De Enkhuizer Almanak wordt vaak geraadpleegd. Nov. ‘21 stond in het Leidsch Dagblad een stuk met allerlei weerwijsheden. Zoals “Wanneer Kerstmis op Zondag valt, dan volgt er een zwakke winter, wanneer Kerstmis op Maandag valt enz. enz”. In 1921 viel Kerstmis op zondag. Het dagboek laat van de voorspelling weinig heel. In 2018 valt Kerst op dinsdag en volgens het krantenbericht is het “Valt Kerstmis op Dinsdag dan is de winter zeer koud” . Daarentegen voorspelt de Enkhuizer Almanak geen strenge winter. We zullen zien. Terug in de tijd een deel uit het dagboek .

Uit het dagboek

De winter van 1921-1922 was ook streng te noemen en kwam verschillende malen in een periode terug. Begin Nov. begon het te vriezen. Den 28en November hebben we toen al schaatsen gereden. 4 Dec. waren er al 2 arren op het ijs achter de Binnen-Kaag. Ik kan mij nog heel goed herinneren hoe mooi toen het ijs was. Ik ben toen over de geheele Kagerplassen gereden en op sommige plaatsen was het ijs zoo zwart en doorschijnend dat men de visschen zag zwemmen en ook andere waterbewoners zooals torren enz. Op ondiepe plaatsen zag men den bodem. Het was een eng rijden, want het geleek alsof er geen ijs lag, zoo glad en hard was het. 2 Febr. was het ijs bijna weg. Den geheelen dag regende het zeer hard met een binnen wind. Langs deze kant van het Faljerel hadden nog geen booten gevaren. Toen zeilde een schipper met zijn schuit er het eerst door want er zat nog maar een dun laagje ijs. ‘s Middags draaide de wind en ’s avonds vroor het weer. Dien nacht jachtsneeuwde het en den volgenden morgen vroor het ontzettend. Woensdag 15 Febr. dooide het en ’s avonds kladsneeuwde het uit het Zuiden. Op 5 April sneeuwde het den heelen middag. ’s Morgens alles onder 1d.M. sneeuw. Op goeden Vrijdag 14 April was de eerste zoele dag. Boomen en gras, alles was nog kaal.

De winter van 1928/1929

Begin maart 1929. Tussen de wedstrijden door is er tijd voor koek en zopie, tijdens de nationale ringrijders wedstrijden. De man in het midden met hoed is Koos Groen in ‘t Woud.

Het waren goede tijden voor de bollenteelt. De H.B.G. bood in oktober een diner aan omdat een recordomzet van 1.500.000 gulden was bereikt. Het seizoen bood volop werk, maar voor wie in de wintermaanden geen werk had werd het sappelen. IJspret is heerlijk, maar zo’n lange winter is eendrama voor wie thuis kwam te zitten. Bijverdienen als baanveger was zeer welkom. Er waren ook speciale wedstrijden voor behoeftigen. De ijsclub organiseerde in Lisse 2 wedstrijden voor hen, goed voor 700 gulden aan levensmiddelen en kleren als prijzengeld.

Uit het dagboek

 

De 180 meter hardrijden was spannend tot aan de meet bij het Leeghwater gemaal.

Dit is de winter die alle records van de laatste jaren heeft geslagen. In deze periode zijn alle koudste temperaturen overtroffen en is de veelbesproken winter van 1891 verslagen. Op Nieuwjaarsdag is het begonnen met vriezen, zoodat op 6 Januari voor het eerst op slooten en tochten werd gereden. Het was in het eerste begin erg kwakkelig. Als het ijs goed was begon het weer te dooien en dan weer te vriezen. Op 8 Jan. was het mistig, vriezend weer. ’s Nachts kwamen wij van de soirée bij v. Eerden (de Nachtegaal) en toen was alles dik onder den ijzel. 10 Jan. ben ik op Keukenhof geweest om naar de ijzel te zien. Het was een onvergetelijk gezicht als men hier vanaf den Achterweg naar Keukenhof ging. Alles was zoo zeldzaam mooi.

Zwieren en zwaaien of liever schoonrijden bij de Hellegatsmolen. Onder de armen door is de Grote Poelmolen te zien. De wedstrijden waren zo een beetje daar waar wel vijf gemeenten hun grenzen kruisten. Lisse, Warmond, Sassenheim, Binnen/Buiten Kaag en Abbenes, een soort vijf landen punt.

Vooral de Spekkelaan was mooi. En ook in het bosch de diverse groepen boomen en dennen en hagen enz. 12 Jan. was er hardrijden op de Gracht. Na afloop reden de drie beste Sassenheimers tegen de beste Lissers. De Sassenheimers wonnen alle drie. 18 Jan. is er hardgereden in de Binnen-Kaag. De baan was van Bart Loogman naar Lombok (eilandje). Het ijs was met een dikke laag sneeuw bedekt. Het was nog zoo dun dat als er 5 á 6 personen bij elkaar stonden, het begon te kraken van nog eens zoo. De gevolgen bleven dan ook niet uit. De geheele ijsbaan liep onder water. 31 Jan. ben ik naar een uitvoering in de Binnen-Kaag geweest. Het zat daar zo vol drijfijs dat Verhoog zijn pont naar Tromp gesleept had en probeerde de menschen zonder draad over te zetten. Maar het ging niet. ’s Nachts waren wij bij de eerste pontlading. Wij zaten midden op het Kanaal en ik dacht dat wij nooit meer aan den kant zouden komen, maar wij kwamen toch aan wal. Nu krijgen wij de befaamde koudegolf van Zondag 10 Febr. tot Zaterdag 16 Febr. 10 Feb. den geheelen dag vriezend. s’Nachts harder dan in de laatste 35 jaar. Men sprak dat er 7 cM. ijs gevormd was. In dezen nacht is de groote Bloemententoonstelling bevroren. Deze werd gehouden bij gelegenheid van het 50 j. bestaan der Alg. ver.v.Bl. Cult. in H.B.G. Alle bloemen hingen slap. Vele konden het nog ophalen maar veel moest vernieuwd worden. Alle palmen welke de zaal opsierden waren weg en dit was een waarde van 4 á 5000 gulden. 11/12 Febr. is het Leidsche stadhuis afgebrand. De brandweerlieden werden levende ijspoppen. Alles bevriest binnenshuis. De lucht blijft helder en sterken boven wind. Woensdag 13 Febr. geraakte nog een 7 tal personen in een open slob bij de Binnen-Kaag. Alle werden gered. Dat dit slob nog open was kwam omdat daar Zondags een busboot gedraaid was en dat gat ging door den sterken wind niet dicht al vroor het nog zoo hard. Donderdag begint het uit het Zuiden fijn te sneeuwen. De sneeuw was zoo fijn als stof en schitterend. Vrijdag 15 febr. sneeuwstorm. Geen weer om schaatsen te rijden. 18 Febr. was het hardrijden voor de armen. 20 Febr. ging ik ’s avonds om 8 uur in de lichte sneeuw naar Warmond. Daar was het gecostumeerd ijsfeest op de Leede. Er was veel volk op het ijs. Onderweg reden de auto’s en fietsen met licht op, op het ijs voorbij. Het was helder vriezend weer. Op ons kantoor uit den wind, in de zon en de kachel full speed brandend, bleven de bloemen op de ramen staan tot 12 uur. ’s Avonds als de zon zakte kwamen ze er weer op. Alle huizen hadden de dikste bloemen op de ramen, den geheelen dag. Verschillende malen werd men wakker van de kou. Toch sliep ik onder 6 dekens, plus jassen enz. ’s Morgens naar Lisse op de fiets had ik mijn geheele gezicht in een wollen sjaal waar steeds een plakkaat ijs op zat. Soms moest ik van de fiets om mijn handen te beuken, bang dat ik was dat de vingers bevroren. De lucht was zoo ijl dat men op de fiets naar zijn adem hijgde. De tranen die uit de oogen vielen bleven als ijs op het gezicht zitten. In verschillende steden in Holland zetten de gemeentebesturen kachels en stookplaatsen in de openlucht. Ook werden op verschillende plaatsen groote hoeveelheden warme maaltijden verschaft aan arme menschen, zoo b.v. door de Vincentius ver. welke groote ketels erwtensoep kookte en groote hoeveelheden grauwe erwten met spek. Verschillende bloemisten hielden hardrijderijen voor hun personeel en stelden daarvoor geld beschikbaar. De dooi is langzaam ingetreden, zonder wind of regen. 7 Maart gingen de eerste booten er door en ruim een week later zag je geen ijs meer. We hadden dezen winter 2 maal lichte maan, en met de 3e maan zat er nog van het oude ijs, hier en daar. 19 Maart waren de boomen om elf uur nog wit van den ijzel. 17 April eerste mooie dag. Zondag 28 April ben ik in de Roversbroek wezen kijken naar de bevroren bollen. Verschillende hoeken narcissen zijn geheel weg. Bij de een alles, bij de ander zoo goed als niets. Crocussen ook veel geleden, vooral gele. Tulpen minder last. Het kweekersblad verzameld opgaven van de schade om een overzicht samen te stellen.

Winter 1938/1939

Vrouw en dochters van Koos, in de sneeuw. Waar? 23-12-1938

Nog steeds veel werkloosheid in Nederland. Het is een onzekere tijd. De spanningen in de wereld lopen op. Duitsland beleeft in november de Kristallnacht. Vanwege de Sudetenkwestie was er in Nederland al een gedeeltelijke mobilisatie, maar Nederland hoopte neutraal te kunnen blijven.

Uit het dagboek

Op Vrijdag 16 Dec. begon het met sterken wind te vriezen. 21 dec. begon het te sneeuwen. Volgens de krant is de koude periode bijna even streng geweest als in 1929.

Er is ontzaglijk veel bevroren omdat de vorst onverwacht kwam en ook omdat er door strenge wind niets tegen te doen was. Bijna overal was de waterleiding en wc bevroren. 1e Kerstdag prachtig winterweer, alles wit en zonnig. 2e kerstdag is het ’s avonds gaan dooien met natte sneeuw. Nadien heeft het niet meer gewinterd.

Winter 1939/1940 Oorlogsdreiging.

Januari 1940 auto gestrand bij het Kager viaduct

Veel economische problemen door de crisis. In Lisse zijn vanwege de mobilisatie soldaten gelegerd.

Uit het dagboek

De vorstperiode is thans begonnen op 15 Dec. Zondag 17 Dec. met sterken vorst, was precies dezelfde datum als de koude Zondag van vorig jaar. Heden zijn de sloten reeds sterk en wordt geschaatst. Zaterdag 23 Dec. koud weer en hardrijden voor de armen. De soldaten uit de Noord winnen gemakkelijk van de Lissers. 1 en 2 Jan helder vriezend zoodat de Gracht en de ringsloten sterk zijn en de ijsbaan de 2e maal geopend werd. Zondag 28 Jan. ben ik naar de Kaag gewandeld. De Lisserdijk was buiten de huizen onbegaanbaar van de sneeuw. Op sommige plaatsen 1M. hoog. Deze sneeuw is uit de Meer opgewaaid en de dijk is totaal onbegaanbaar voor alle verkeer. Er wordt nu in bijten veel paling en visch gevangen. Deze zijn geheel versuft.Bij de Sassemerpont vangt men wel 20 pond paling achter elkaar. 1 Febr. wind N.O. Het ijzelt den geheelen dag bij 8o vorst, zoodat de wegen totaal onbegaanbaar zijn. Op 4 Feb. stonden bij de dooi alle straten blank omdat de rioolputten bevroren waren en vol met sneeuw. Sloten en vaarten waren allen met de kanten gelijk vol met sneeuw. Onder die dikke sneeuw was het ijs soms verraderlijk zwak, zoodat er slechts enkele cm. ijs over was geschoten. Dit kwam veel door het spuien en omdat het onder die dikke sneeuw weg dooide. Alle menschen probeerden om zoo goed mogelijk de sneeuw voor hun huis op te ruimen en de putten open te steken. Want van rijkswege mochten geen werkloozen aan de sneeuwopruiming gezet worden. 21 Febr. valt een sterken dooi in. Thans worden alle daken en landerijen weer zwart. Het is een buitengewoon lange en strenge winter geweest die alle records sloeg. Toch was er weinig pleizier voor de schaatsenrijders. De soldaten welke in Lisse lagen hadden een kwaden winter met hun wachtloopen ’s nachts en in hun slaapkwartieren.

Winter 1940/1941

Nederland was bezet, maar die eerste oorlogsperiode voerde de bezetter nog een voorzichtig beleid. Het leven ging nog min of meer zijn oude gang.

Uit het dagboek

Deze winter heeft ook veel ijs en sneeuw gebracht, doch was afwisselend vorst en dooi. De Lisser ijsbaan werd 4 keer geopend. Op 10 Jan. heb ik op het Kagermeer gereden en was alles prachtig onder de rijp. Geregeld kwam nog nachtvorst voor in Maart en sterke nachtvorst op 8 en 9 April. Op 15 en 16 Mei hagelbuien en veel sterke nachtvorst. Na half Mei is het weer geleidelijk zachter geworden. Met Pinksteren op 1 en 2 Juni de kachel gestookt.

Jan. feb. maart 1942

Opnieuw een oorlogsjaar. De Duitse maatregelen worden steeds strenger, het leven steeds moeilijker.

Uit het dagboek

Deze winter heeft de kroon gespannen van de laatste jaren en was in koude en sneeuw van langen duur de ergste van de laatste jaren. Zondag nacht 25 Jan. weer veel jachtsneeuw gevallen. Maandagnacht en overdag geheelen dag sneeuwjacht met een vorst van – 14o. Het is boosaardig koud en bijna ondoenlijk om de deur uit te gaan. De sneeuw ligt op plaatsen 1 M. hoog. Alle wegen zijn versperd, geen tram geen auto rijdt meer en melk is niet meer te bekomen, tenzij bij de boeren die thans uit de deur mogen verkoopen. De geheele week zijn werkloozen aan het sneeuwruimen hetgeen geschiedt door de heide maatschapij. Het heeft onafgebroken gevroren van 9 Jan. tot 13 Mrt. Op 23 maart is op de Braasemermeer met een ijsschuit gezeild. In deze schuit was de datum 21/3-1890 gegrift, welke nu met 2 dagen werd geslagen. Het vroor door het geheele huis, in de gang vroor de wasch stijf, in de keuken vroor het ’s morgens 7 graden. Het ijs zat in de slaapkamer aan de muren. De Gracht in Lisse werd 23 Mrt opengebroken. Nog 10 c.M. dik. In de poorten van de H.B.G. gebouwen lag de sneeuw in de schaduw tot en met Paschen op 5 april. Bieten en wortelenpetten benevens de meeste aardappelpetten waren bevroren.

Recordwinter 1946-1947

Nederland is bevrijd, er wordt begonnen met de opbouw, maar er is nog gebrek aan van alles. Veel is nog op de bon.

Uit het dagboek

Zus Cora op de Lisserdijk vlakbij het huis van haar opa en oma. Ongeveer daar waar nu restaurant Puck is

We moeten volgens de gegevens teruggaan tot 1789 om de winter te vinden welke dezen in langen duur en hevigheid overtrof. Er zijn dezen winter geen uitzonderlijk lage temperaturen voorgekomen zodat de strenge vorsten van 1940 en 1942 niet geëvenaard zijn. Maar de duur van den winter is bijzonder lang geweest. Begonnen op 14 Dec. tot heden 16 Mrt. De kolennood is groot geweest. Tot heden is verstrekt op de bonnen 10 H.L. brandstof waar velen al te spoedig door waren. Honger is er niet geleden, want er is brood en eten genoeg. Op de feestavond van Canite Tuba op 29 Jan. was het zeer koud. De uitvoering van de zangver. de operette De Klokken van Corneville werden in de Hobaho gehouden bij strenge koude. De menschen gingen op klompen en pantoffels en namen warme voetenkruiken en dekens mee.

Eindelijk de dooi, minder mooi die zooi, daar op de Broekweg . We kijken vanaf het huis van de familie Groen in ‘t Woud richting de Greveling, rechts zie je de Zemelpoldermolen.

Mijn aardappelpet heb ik op 11 maart opengebroken, de piepers waren niet bevroren. De pet was goed afgedekt en buiten een flinke laag riet en stengels van mais en tabak.

Dit is de laatste winter die in het dagboek, waaruit we steeds gedeeltes hebben overgenomen, is beschreven. Wat zou ons de komende winter te wachten staan? We moeten 22 december in de gaten houden. Dan is het volle maan en een volkswijsheid zegt “Noordenwind met volle maan kondigt een strenge winter aan.” Mocht het streng worden, wij hebben thermo ondergoed in plaats van lange Jaeger onderbroeken en borstrokken, we hebben geïsoleerde huizen en bloemen op de ramen zijn verleden tijd. Door de supermarkt deert een bevroren petgat niet meer. Wat zou het leuk zijn om weer eens te genieten van zwart doorschijnend ijs en een zo zeldzaam mooi beijzelde Spekkelaan! ‘t Kan vriezen en ‘t kan dooien. Bronvermelding: We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ‘t Woud lang geleden heeft gemaakt. De introfoto komt uit het archief van VOL.

Het handigste vervoersmiddel was bij uitstek de slee, daar kwam je ook overal mee.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief). Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer. ■

Bronvermelding

We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ‘t Woud lang geleden heeft gemaakt.

De introfoto komt uit het archief van VOL.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief).

Ook de rolbrug over de ring vaart lag zo vast als het maar kon. Gerrit Wesselius de brugwachter had voorlopig even niets te doen.

Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer.

Over het vrachtvervoer regeerde een heel strenge vorst die alles vast legde!

 

 

De Beekbrugschool tijdens de oorlog

De Beekbrugschool stopt zijn activiteiten. Het wel en wee tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

3 juli 2018

 Nico Groen

Aan het einde van het schooljaar 2017-2018 sluit de school Beekbrug zijn poorten. Het aantal leerlingen is te laag voor het voortbestaan van de school. In vorige columns van Sporen van vroeger hebben we de geschiedenis van de school en het gebouw als monument beschreven. Omdat er over de periode rond de Tweede Wereldoorlog veel te melden is, komen we nogmaals terug op de Beekbrugschool.

De gymzaal was al in 1931, een jaar na de nieuwbouw, omgebouwd tot bewaarschool. De leerlingen konden dus geen gymles meer volgen. Dat vonden de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog niet goed: de kinderen moesten wel gymles krijgen. De bezetters vonden namelijk dat kinderen sportief en gezond moesten zijn. De oude bewaarschool werd daarom weer ingericht als tot gymzaal. De bewaarschool werd overgebracht naar het Verenigingsgebouw dat vóór de bouw van de H.H. Engelbewaarderskerk dienst had gedaan als noodkerk. Nu is in dat gebouw zalencomplex De Kleine Engel gevestigd. Tijdens het laatste gedeelte van de oorlog barstten de scholen uit hun voegen. Na de oorlog werd de gymzaal maar weer omgetoverd tot klaslokaal.

Tot 1941 hadden de leerlingen op woensdag- en zaterdagmiddag vrij. De schaarste aan steenkolen en andere brandstoffen leidde ertoe dat de kinderen op woensdagmiddag naar school moesten. Op zaterdag kregen ze dan de hele dag vrij. Bovendien was er al die jaren een lange wintervakantie van half december tot twintig januari in verband met de brandstofschaarste.

Bezet door de Duitsers

Begin december 1944 worden het Verenigingsgebouw en de beide scholen bezet door de Duitsers. Zij hebben daar nog geen maand doorgebracht, maar het had wel grote gevolgen. Om het warm te krijgen hebben ze in die tijd alle stoelen en banken opgestookt. Ook de radiatoren waren vernield. Volgens pastoor J.C. de Groot waren de radiatoren uit baldadigheid door de Duitsers stukgeschoten. Het gevolg was, dat de kinderen die winter niet meer naar school konden. “We leven in de catacombentijd. Slechts het allernoodzakelijkste kan doorgaan” somberde de pastoor.

Burgemeester duikt er onder

De jongens kregen  les van de broeders van Saint Louis uit Oudenbosch, die in De Engel in het broederhuis woonden. In de laatste oorlogswinter kwam er een ‘broeder’ bij. De burgemeester van Lisse, Jhr. Mr. F.J.C.M. van Rijckevorsel, was er toen ondergedoken. Hij vreesde namelijk opgepakt te worden door de bezetters. Hij was ondergedoken onder de naam broeder Seraphinus.

Bovenstaande gegevens en die van de vorige 2 columns van Sporen van vroeger zijn voor een deel ontleend aan de herdenkingsboekjes ter gelegenheid van het 50- en 75-jarig bestaan van de Engelbewaarderskerk.

Een luchtfoto van de school, gemaakt na de bouw in 1930. Foto: Beeldbank Lisse.nl

 

OUD NIEUWS: WAARDE PAPIEREN DROGEN OP TER SPECKE

In tijd van oorlog een plunderingen werden munten en waardepapieren voor de veiligheid begraven. Zo was een koffer met waardepapieren begraven van de erfgenamen van Gerard van der Laen in 1567. Na opgraving van de koffer bleken de paieren voor een deel erg nat e zijn. Zij werden op Landgoed Ter Specke gedroogd.

Door Dirk Flo0rijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Zo nu en dan verschijnt het in het nieuws, iemand met een metaaldetector vindt een schat aan gouden en zilveren munten. Misschien dat je bij het lezen van zo’n bericht je afvraagt hoe het komt dat die munten daar zijn begraven. Waarom begraaft iemand zijn bezit?

Vroeger werd alles contant, met voornamelijk muntgeld en waardepapieren zoals obligaties, betaald. Kocht je bijvoorbeeld een huis van 500 gulden dan werd 250 gulden contant betaald en 250 gulden met een custingbrief (schuldbrief). Dit zorgde ervoor dat er regelmatig met veel geld en waardepapieren heen en weer werd gesleept. Daarnaast waren het in 1567 roerige tijden tussen Den Haag, Leiden en Haarlem. Moorden, plunderingen en brandstichting door rondtrekkende soldaten waren aan de orde van de dag. Menige hofstede rond Lisse moest het ontgelden en lag in de as. Maar hoe stel je dan, in dit soort tijden, je bezit veilig? Je kocht onroerend goed en het geld wat je contant had werd, zodra er onraad in de buurt was, begraven. Overleefde je de plunderingen niet dan wist verder niemand iets af van je begraven bezit. Zo komt het soms voor dat zo’n schat wordt gevonden. In de transportacten van het rechtelijk archief kwam ik een mooi verhaal tegen: “een iegelijk alhier in Den Hage deed zijn goed herwaerts en derwaerts versondt daer zij meende best bewaert te zijn”.

De welgestelde familie Van der Laen van Ter Specke die het landgoed Ter Specke in 1535 aangekocht had was bang voor een aanval op Den Haag. De voorname familie die al honderd jaar deel uitmaakte van het stadsbestuur van Haarlem, zat met de erfenis van wijlen mr. Gerard van der Laen. Zo vraagt de zoon Nicolaes van der Laen namens zijn broers en zusters aan curator mr. Anthonius Hoffplach, advocaat bij de hove van Holland in Den Haag het volgende;
“omme der waarheid en getuijgenisse te geven, dat deposant voorstaat dat ingeval de vrees van een invasie van de knechten van de heeren van Bredenvoorde en rapallie die tot Vianen lagen en subiet naar Amsterdam getogen waren en gezonden”

De erfgenamen van Gerard van der Laen hadden in Den Haag waardepapieren bij curator mr. Hoffplach in beheer gegeven; “Een coffer met platte kanten”. De curator werd verzocht om deze zo spoedig mogelijk naar Voorhout te brengen en daar te begraven in een boomgaard. Zodra de kust veilig was en de Bredevoortse knechten omtrent Medemblik uit Holland waren vertrokken, kon de koffer weer worden opgegraven. Er staat te lezen:
“en dat zij aldoende in Voorhout gekomen waren dat zij deselfde coffer voor hem naar t huijs gebracht op ter Specke”.
“De coffer werd open gemaakt ende de bevondende diezelfde brieven waren door nattigheid bedorven en aangetast”. Er is grote moeite gedaan om de coffer met brieven en waardepapieren te drogen. De helft van de koffer had in de grond van de boomgaard in het water gelegen. De onderste helft in de koffer was nat geworden. In de acte is niet terug te vinden of er veel van de nat geworden waardepapieren verloren zijn gegaan en of de waarde van de koffer het zelfde is gebleven als voor het begraven. Dat familie Van der Laen bezit had in Voorhout is tot op heden niet bekend en ook over de locatie van de boomgaard wordt met geen woord gerept. ■

Plattegrond van het huis Ter Specke

 

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 2)

 

We vervolgen het verhaal in 1944. Vader Rudz is inmiddels tankschutter bij het Poolse 2e korps en via allerlei omzwervingen in Italië beland. Hoe Polen een speelbal werd tussen de grootmachten en gewone mensen daar de dupe van werden en ontbering op ontbering moesten doorstaan. Na de oorlog kwamen vader en moeder naar Lisse.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

De strijd in Italië

De strijd van de geallieerden tegen naziDuitsland was al geruime tijd gaande maar ze ondervonden enorme problemen om Monte Cassino te nemen. Dit was een bijna onneembare vesting, die overwonnen moest worden wilde men vanuit het zuiden de Italiaanse hoofdstad Rome kunnen bereiken. Vanaf mei’44 voegden de Poolse strijdkrachten zich actief bij de strijdende geallieerden. Zodra de Duitsers in de gaten kregen dat er Polen meestreden volgden er via luidsprekers oproepen in het Pools om de Polen over te halen om over te lopen naar het Duitse kamp met de belofte naar Polen terug te kunnen. Dat had geen enkel effect, hoewel het voor de Polen wel langzamerhand duidelijk werd dat de geallieerden het acceptabel vonden dat het oostelijk deel van Polen in Russische handen zou blijven. Maar de hoop op een vrij Polen bleef. Dankzij de Polen kwam er een doorbraak bij Monte Cassino. De enige weg naar Rome voerde onderlangs het bergmassief waar de abdij van Monte Cassino op ligt. Daar lagen de Duitsers en de geallieerden hadden de vijand in het kloostergebied niet kunnen bereiken en overmeesteren doordat het er steil omhoog gaat. Tanks omhoog krijgen zou mogelijk een doorbraak forceren. De tan
keenheid, waarbij vader Rudz tankschutter was, paste een soort truc toe. Zelfstandig konden de tanks niet omhoog komen. Een vrachtauto ging een stuk omhoog, een lier werd gebruikt en zo werd de tank omhoog getrokken. Vervolgens op dezelfde manier weer een stuk omhoog. Zo kwamen de tanks omhoog en konden zij de infanterie ondersteunen. De abdij was door voorafgaande bombardementen al volledig verwoest. Wat vader Rudz altijd vertelde was dat, terwijl er van de abdij nauwelijks iets over was, het altaar ongeschonden was gebleven. De strijd was zeer hevig. Onder de Duitsers deed het gerucht de ronde dat de Polen geen krijgsgevangenen zouden maken. Onzin natuurlijk, maar door deze propaganda was het voor de Duitsers nog meer een wanhoopgevecht geworden. Op 18 mei veroverden de Poolse troepen de abdij en werd de Poolse vlag op de ruïnes van de abdij gezet. Dat duurde maar een paar dagen want de Engelse vlag moest in top. De Poolse vlag werd er wel bij geplaatst. De strijd had veel slachtoffers gekost. Ongeveer 4.000 Poolse soldaten sneuvelden bij deze verovering.

Rode klaprozen

Het was mei, de klaprozen bloeiden volop op de hellingen waar deze heroïsche, maar bloedige strijd zich voltrok. Zo ontstond het lied waarvan het refrein hierboven staat. Op de helling van de Monte Cassino is een enorm Pools ereveld. Dit veld en het monument werd op 10-sept.’45 de 6e gedenkdag van de Duitse inval in Polen, geopend. De gewonnen slag was de opmaat naar de overgave van Rome, waar de hiërarchie van de winnende eenheden duidelijk werd bij het binnentrekken: eerst de Amerikanen, daarna Engelsen, dan de Polen en dan volgden nog andere eenheden die meegevochten hadden zoals de Gurkha’s. Het Poolse leger was onderdeel van de geallieerde strijdkrachten die de Duitsers verder noordwaarts dwongen. Ancona werd veroverd. Voor de Poolse strijdkrachten was de zegening door Paus Pius XII heel belangrijk. In de herfst van 1944 was de taak voor de Polen in Italië volbracht. Vader Rudz was nog even in de Alpen, in een kazerne van de Franse bergjagers, om wat aan te sterken. Daar kocht hij een Zwitsers horloge waar hij heel trots op was. Op politiek gebied liep het voor de Polen heel slecht. Het werd steeds duidelijker dat Rusland met een eigen programma met de geallieerden meedeed en dat een vrij Polen er niet zou komen. Terwijl de nazi’s uit Polen waren verdreven, werd over het lot van het land beslist aan de onderhandelingstafel, op 4 februari 1945 op de Krim. Er werd besloten tot het vaststellen van nieuwe grenzen (oost- en westgrens). Bovendien zou een groot gebied van Polen aan de Russen toevallen.

De strijd is over

De Poolse troepen bleven hun taak doen, hoe wrang de afloop ook zou zijn. Er volgden nog verscheidene veldslagen. Het werd geen V-day voor de Polen. Toen de capitulatie een feit was werden de Poolse troepen bijna genegeerd. Er was alleen het “Russische” Polen. Het was zelfs zo dat toen in Londen in juni 1946 een overwinningsparade werd georganiseerd, waaraan troepen van alle landen die mee hadden geholpen aan de overwinning mochten deelnemen, de Poolse troepen niet werden uitgenodigd. De toekomst voor de Poolse strijdkrachten was zeer onzeker. Ze konden naar Polen terugkeren, maar dat zou betekenen terug naar het gehate Rusland of naar het deel van Polen dat onder direct regime van Rusland viel. Het grootste gedeelte gaf hier geen gehoor aan. Ook gevluchte burgers die niet meer terug konden naar Polen meldden zich bij de Poolse legereenheden toen ze nog in Italië waren. Het Poolse leger zou worden gedemobiliseerd en naar Engeland worden overgebracht. In ’45 kwam vader Rudz in Engeland aan en heeft daar nog 2 jaar op het hoofdkwartier gediend. Ze kregen voedsel, onderdak en zakgeld, geen salaris. In september 1946 startte men met de demobilisatie. In 1947 werd het Poolse legercorps opgeheven. Maar hoe ging het nu met al die Polen. Er waren behalve de Poolse militairen nog veel andere groepen “displaced persons”, van allerlei nationaliteiten, waarvoor een oplossing bedacht moest worden. Er werd besloten dat de Poolse militairen konden emigreren naar een van de westerse landen en zo kwam vader Rudz in Lisse in Nederland terecht.

Moeder Rudz in Polen De moeder van Jozef Rudz werd geboren in zuid Polen. Daar hadden haar ouders een boerderij. Ze trouwde en verhuisde door haar huwelijk naar Lemberg, wat in die tijd Lwów heette. Deze stad heet nu Lviv en ligt in de Oekraïne. Misschien herinnert u zich die naam omdat er het EK voetballen 2012 werd georganiseerd. Lemberg was voor de oorlog een kosmopolitische stad. Zeer welvarend en de verschillende bevolkingsgroepen als Galiciërs, Polen, Joden, Duitsers, Russen, Armeniërs en Oekrainers leefden naast elkaar. Wel met eigen scholen en culturele instellingen. Lemberg had het oudste Joodse gebedshuis van Europa. Door de oorlog met Rusland in 1939 werd deze samenleving totaal anders. De stad werd Russisch. Veel Duitse joden vluchtten zelfs naar Lemberg toe om aan het nazibewind te ontkomen. Maar met de Duitse aanval op Rusland in 1941 veranderde de situatie weer helemaal. De echtgenoot van moeder Rudz werd waarschijnlijk in het begin van de Poolse oorlog met Rusland al krijgsgevangen gemaakt en naar Rusland afgevoerd. Zijn vrouw wist niet of hij nog leefde en waar hij zou kunnen zijn. Voor haar was het overleven onder zeer moeilijke omstandigheden. Het drama sloeg helemaal toe toen zij in 1942 verraden werd omdat zij 2 joodse kinderen hielp onderduiken. Dat werd bestraft met gevangenschap in Dachau.

Dachau

Concentratiekamp Dachau ligt zo’n 20 km. van München. Oorspronkelijk was het voornamelijk een kamp voor politieke tegenstanders. De gevangenen werden later veelal gedwongen ingezet voor de oorlogsindustrie. De Poolse vrouwen moesten een P op hun kleding dragen. Ook moeder Ludz werd ingezet als dwangarbeidster. Ze werd tewerkgesteld bij een afdeling van Siemens waar ze isolatoren maakten. Het leven in het kamp was heel slecht. Weinig voedsel en dan moesten ze te voet naar de fabriek op zo’n 15 km afstand. Van Duitse vrouwen die ook in de fabriek werkten kregen ze soms een stukje brood, er waren ook nog goede mensen. Op appel werden de vrouwen geteld en wanneer er een probleem was moesten ze blijven staan, soms wel 15 uur in de vrieskou. In april 1945 bevrijdden de Amerikanen het kamp. Pal voor de bevrijding kwamen in Dachau nog transporten aan uit andere kampen. De gevangenen van Dachau, waaronder Jozef’s moeder, mochten niet kijken toen de Amerikanen de deuren van de wagons eindelijk konden openen. Het mensonterende wat te zien was is niet te beschrijven. Jozef’s moeder kreeg er ondanks het verbod toch heel veel van mee.

Amerikaanse leger

Het Amerikaanse leger zorgde er voor dat ze weer een betere conditie kregen. Voedsel werd uitgedeeld en daar moesten ze voorzichtig mee zijn, want ze waren behoorlijk ondervoed. Langzamerhand wordt men weer ‘mens’. Voor het eerst van haar leven ziet moeder Rudz een neger, een Amerikaanse militair die meegevochten heeft met de bevrijding. Moeder Rudz is een van de vele vrouwen die eigenlijk niet terug kunnen naar hun vaderland. Het is Russisch gebied en ze weet over het lot van haar man niks. Zij kan gelukkig aan het werk als serveerster in de officiersmess in Ingolstadt. In deze stad was een “displaced persons” kamp ingericht. In 1947 kwam er een eind aan haar werk bij het Amerikaanse leger; zij kreeg een nieuwe taak in Nederland.

Naar de Mariastichting

Waarom het voor moeder Rudz Nederland en de Mariastichting werd is niet helemaal duidelijk. Wellicht speelde een rol dat het RK. ziekenhuis in Haarlem geleid werd door een Duitse orde van de Franciscanessen en het ziekenhuis in de oorlog een prominente rol had gespeeld in de opvang van onderduikers en joden. Het probleem van de duizenden ontheemden was gigantisch. Mei 1947 kopt een krantenbericht: “Verplaatste personen in bedrijf of huishouding”. We lezen verder dat er een onderzoek is ingesteld bij de arbeidsbureaus. Het Haarlemse bureau meldt dat er 50 meisjes uit de Baltische staten worden verdeeld over de Amsterdamse ziekenhuizen en dat daarna de inrichtingen in Haarlem aan de beurt zijn. Ook in de Bollenstreek is men dan al bezig, We lezen: “In Hillegom en ook elders heeft al een lijst gecirculeerd, waarop de ‘dienstbodeloze’ huisvrouwen hun verlangens over Godsdienst e.d. van de buitenlandse hulp kenbaar kunnen maken”. Nederland helpt. We zaten midden in de opbouwperiode na de ellende van de oorlog, maar dat bracht ook met zich mee dat er veel arbeidskrachten nodig waren. Dus werd er een beroep gedaan op bedrijven om ontheemde mensen op te vangen. Wat vaak lastig was omdat het mensen waren zonder opleiding, een andere taal spraken (soms wat Duits of Engels) en flink beschadigd door alles wat ze hadden meegemaakt. Bovendien is er het probleem van de huisvesting. Er zijn al onvoldoende woningen! Daarom gaat men proberen ze als kostgangers onder te brengen. Haarlems Dagblad meldt in een bericht van 12 augustus 1947 dat ambtenaren van arbeidsbureaus verschillende kampen voor ontheemden in Duitsland zullen bezoeken en dat er 8000 zullen worden uitgekozen voor werk in de Nederlandse industrieën. Dezelfde krant meldt op 19 sept. de komst van de eerste trein met D.P.’s (Displaced persons) in Venlo, 230 mannen en vrouwen die 36 uur reizen achter de rug hadden, nauwelijks hadden gegeten en niet geslapen. De meesten bezaten alleen de kleren die ze aanhadden. Het Rode Kruis van Venlo verzorgde een buffet op het stationsplein en er waren mensen van de arbeidsbureaus en van diverse bedrijven aanwezig ter verwelkoming. 107 mensen gingen naar de mijnstreek. De rest
ging verder naar Amsterdam, Haarlem, Leiden en Twente. Er werden ook nog wat verstekelingen ontdekt, maar die werden weer over de grens gezet. De Nederlandse selectiecommissie was streng. Het Parool schrijft in 1947: “Nederland is ook kieskeurig. Kandidaten worden grondig ondervraagd naar hun morele en politieke gezindheid, maar vooral ook naar vakbekwaamheid. Ons land wil uitsluitend vakarbeiders gastvrijheid bieden.” Na die eerste trein met ontheemden volgden er meer. Bij welke groep de moeder van Jozef naar Nederland kwam weten we niet. Er waren in ieder geval nog 3 Poolse vrouwen die in de Mariastichting als schoonmaakster aan de slag gingen.

Vader Rudz naar Lisse

Of vader Rudz ook door een selectiecommissie is ondervraagd is niet bekend. Hij kwam in de kost bij mevr. van der Doe-Dijkman aan de Heereweg op nr. 106. Daar had al een andere Pool onderdak gevonden, nl. Cas Hoek die in de Bollenstreek bekend zou worden als keeper van Hillegom. Hij werkte bij garagebedrijf Jan Mens in Lisse. Er kwam nog een derde Pool in de kost, Jan Pazola die bij bollenbedrijf De Graaff aan het werk kwam. Ook Jan Pazola had gediend in het Poolse 2e legerkorps en had ook bij Monte Cassino gevochten. Hij was bij de infanterie. Zij waren niet de eerste Polen die in Lisse of in Nederland kwamen wonen. Al voor de 2e wereldoorlog was Frans Godilla in Lisse neergestreken. Hij was schoenmaker in de Kanaalstraat en had later een dumpzaak. Ook in Limburg werkten voor de oorlog een heleboel Polen. Dat waren een soort gastarbeiders. En dan was er nog die Pool die noodgedwongen in het Duitse leger diende, bij de Ruigenhoek deserteerde, een meisje uit De Engel trouwde en in onze streek bleef.

 

Vader Rudz kwam bij Sikkens (nu Akzo-Nobel) in Sassenheim te werken. Hij was bij het onderhoudsteam. Dat zal wel te maken hebben gehad met de ervaring die hij had opgedaan als tankschutter. In het proces van verf maken werden verschillende zeven gebruikt, klontjes tijdens het proces zijn uit den boze. Vader Rudz stond bekend om het fijne soldeerwerk dat hij afleverde. Blijkbaar beviel het werk, van beide kanten, prima. Met de bus ging hij naar zijn werk, fietsen heeft hij nooit geleerd. Zijn werk was wel zijn houvast. Het gebeurde een keer dat het zo glad was dat de bus zelfs niet reed. Maar wie was er als eerste van zijn ploeg op het werk: vader Rudz. Komen lopen vanuit Lisse, zo hoorde het gewoon! Hij heeft er tot zijn pensionering, 27 jaar later, gewerkt. Die pensionering was niet goed voor hem, hij viel echt in een zwart gat. Gelukkig kon hij wel erg genieten van de kleinkinderen die hij zou krijgen.

Getrouwd

Er waren dus nogal wat Poolse ontheemden in deze regio opgenomen. Hoewel, in Haarlems Dagblad van maart ’48 werd opgemerkt “dat er in Haarlem 30 mannen en vrouwen waren opgenomen, een mager aantal”. Maar met de regio er bij geteld zijn het er toch heel wat. Er waren ook Poolse priesters in de regio. Die zorgden voor het geestelijk welzijn. Een van hen, kanunnik Kowalski, droeg in de Mariastichting een Heilige Mis op. Ook Rudz uit Lisse woonde de mis bij. En zo is het gekomen, vader en moeder Rudz ontmoeten elkaar daar en besluiten al snel samen verder te gaan. Door al die oorlogsellende zijn er al veel jaren voorbij gegaan. Ze worden in 1949 in de Agathakerk getrouwd door kapelaan J. Keet. Mevrouw Rudz werkt nog tot 1950 in de Mariastichting en ze werkt ook nog in de huishouding in Heemstede. Maar wanneer zoon Jozef in 1950 wordt geboren wordt ze huisvrouw.

Huis

De Blauwe druif Heereweg behorende bij 131 gesloopt ca.1951.Hier woonde de familie Rutz met nog 4 gezinnen

Er was een gigantische woningnood in die tijd. In veel woningen had men verplicht inwoning en ook panden, die eigenlijk slooprijk waren, werden bewoond. Familie Rudz gaat wonen in “De Blauwe Druif”, bij Heereweg 131. Dat was eerder een café geweest, maar op dat moment woonden er in het pand wel 5 gezinnen. (in 1950 kocht de gemeente het pand en voor 1954 was het gesloopt). De familie Rudz huurde van Johannes Nicolaas van der Splinter, de vroegere uitbater en woonde beneden. Er stonden steunpalen in de kamer omdat de zaak anders wel eens in kon storten. Op een gegeven moment kraakte het zo vervaarlijk dat mevr. Rudz niet meer durfde te gaan slapen. De maatschappelijk werkster van Sikkens kwam poolshoogte nemen en constateerde dat wonen niet verantwoord was. Ze toog naar burgemeester De Graaf. Die vond het nog niet zo schrikbarend. Bovendien waren er geen huizen. Maar de maatschappelijk werkster was vasthoudend en De Graaf moest bakzeil halen.

De Irenestraat

In de Irenestraat kwamen woningen beschikbaar. Deze waren al toegezegd aan woningzoekenden. Maar vanwege de urgentie moest de familie Rudz een woning toegewezen worden. Het werd nr. 51. Er was weinig begrip voor de tragische achtergrond van de familie Rudz. Van oorlogstrauma’s had niemand nog gehoord en psychologische hulp bestond niet. Gewoon doorgaan en werken, dat was de norm. Dat er later een Duitse buurvrouw in de Irenestraat kwam wonen maakte heel wat los bij moeder Rudz. De haat tegen de Duitsers zat heel diep.►

Wordt vervolgd in het herfstnummer. 

 

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Teun Kulk, oorlogsslachtoffer van WOII

Teun Kulk ligt begraven op Duinhof. Hij overleed als militair bij een bombardement.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

8 mei 2018

Door: Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de kranslegging bij het ´Monument voor de Gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Het is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.
Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vier oorlogsslachtoffers. Er is ook nog een tweede graf. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Begraven op Duinhof

Een van die twee is van Teun Kulk, geboren op 22 juni 1915. Teun overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940. Hij was toen 24 jaar oud. Hij werd daarna begraven bij de kerk in Valkenburg. Op 11 juni 1940, een maand na zijn overlijden, krijgt zijn familie aan de Achterweg pas bericht dat hij is overleden. Al die tijd hebben zij zich afgevraagd of hij dood was of toch nog in leven. Teun kon worden begraven op de militaire begraafplaats in Katwijk, maar de familie wilde liever dat hij in Lisse zou worden begraven. Er was echter geen geld om dit te realiseren. Vader Kulk besloot om het geld van het spaarbankboekje van zijn zoon hiervoor te besteden. Het rouwtransport vond uiteindelijk plaats op 18 juli 1940. De Hervormde Kerkvoogdij gaf een bijdrage, overwegende: “dat hij het hoogste dat hij bezat, namelijk zijn leven, heeft geofferd voor zijn vaderland, dus ook voor allen, zouden wij het zeer op prijs stellen zijn nagedachtenis te mogen eren, door een bijzonder mooie plaats beschikbaar te stellen op begraafplaats Duinhof. Zodat zijn heldendood ook tot het nageslacht moge spreken”.
In de kerk kwam een inzamelingsactie op gang voor een bijzonder grafmonument. Op 19 april 1941 werd dat monumentale grafmonument op het graf van Teun Kulk onthuld door ds. J.Th. van Veen. Wethouder P. Warmerdam heeft de vader, de moeder en de verloofde Bep Boon en overige familie en vrienden toegesproken. Het toeval wil dat wethouder Warmerdam’s geadopteerde zoon Rinus, die ook in dienst was, op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, ernstig gewond raakte en op 12 mei was overleden.
Vermeldingswaardig is nog dat aan Teun Kulk op 1 oktober 1948 het Oorlogsherinneringskruis werd toegekend voor bijzondere krijgsverrichtingen.

‘Wat toch een tijd’

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Lisse en omstandigheden waaronder zij zijn omgekomen.
Het boek is te leen bij de bibliotheek van Lisse.

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Foto: Het monumentale grafmonument van Teun Kulk op begraafplaats Duinhof. Foto: Nico Groen

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 1)

De Poolse roots van Jozef Ruds worden beschreven. Hij heeft 40 jaar bij openbare werken in Lisse gewerkt. Zijn vader was voor zijn geboorte naar Nederland gekomen. Het wel en wee van zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog komt aan de orde. 

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Het Nieuwsblad laat verhalen horen van Lissers met een niet Nederlandse achtergrond. Het verhaal van de Lisser Jozef Rudz mag daar niet aan ontbreken. In Nederland zijn we wel gewend aan personen van buitenlandse afkomst. In een rapportage uit 2016 bleek dat van iedere 14 Lissers er 1 in het buitenland was geboren. Een deel van hen is buitenlander en de grootste groep vormen de mensen met een Poolse achtergrond. De meesten van hen kwamen hier met het idee om geld te verdienen en dan terug te gaan naar hun geboorteland, als arbeidsmigrant.

Jozef met collega aan het straten.

Jozef Rudz is een geboren en getogen Lisser. Veel Lissers zullen hem kennen, want hij werkte 40 jaar bij openbare werken in Lisse. Hij kent Lisse op zijn duimpje. Met het wagentje om Lisse schoon te houden leer je de straten wel kennen. En niet te vergeten de jaren met de vuilniswagen door het dorp: eerst nog met zinken emmers, toen plastic zakken en vervolgens de containers. Openbare werken zat oorspronkelijk in de Kanaalstraat aan de Ringvaart, later werd het de milieustraat aan de Venneweg waar Rudz de laatste 12 jaar van zijn werkzame leven te vinden was. Daarnaast was hij actief bij de vrijwillige brandweer. Een echte Lisser die veel verhalen over Lisse kent en al weer een tijd als vrijwilliger bij Oud Lisse is betrokken. Maar in het kader van deze serie gaat het over zijn wel heel bijzondere familiegeschiedenis.
De naam Rudz Aan de naam Rudz kun je al zien dat die geen Nederlandse oorsprong heeft. Bij een telling van 1947 werd die naam nog niet in Nederland gevonden. Je vindt die naam in Polen, maar ook in Wit-Rusland en Litouwen. Een gebied waar de landsgrenzen nogal eens verschoven zijn. De ouders van Jozef Rudz groeien op in de republiek Polen, een land dat na de 1e wereldoorlog weer een zelfstandige staat is geworden (Eind 18e eeuw was het gebied van Polen verdeeld over Rusland, Oostenrijk en Pruisen). Moeder Bronislawa Osobka werd vlak na de verzelfstandiging van Polen geboren in Borek Stary, een plaats in het zuiden. Vader Wladyslaw werd geboren in 1909 in het dorp Kazarzy bij Wilna in het noorden van Polen. De zelfstandigheid van de jonge Poolse staat werd echter steeds bedreigd. De buurlanden waren het niet eens met de bij het verdrag van Versailles vastgestelde landsgrenzen voor Polen. In 1919 ontstond strijd met de Russen, een strijd die de Polen in hun voordeel wisten te beslissen. De Polen verwachtten in 1938, na de bezetting van Tsjecho-Slowakije door Duitsland, problemen met Duitsland. Gelukkig had Engeland met Polen een bijstandspact afgesloten waarvan men hoopte dat het een bescherming zou bieden voor een Duitse aanval. Polen had een leger en intussen was het Poolse leger versterkt met dienstplichtigen, want vanwege de dreiging was er een mobilisatie. Ook vader Rudz moest zijn land verdedigen. Tot die tijd had hij bij zijn ouders gewoond. Hij werkte in de houtkap op het groot landgoed, in dienst van een baron. Daar zat hij in de bosbouw. In dienst kwam hij als ordonnans terecht bij een motorbrigade. De troepen waren geconcentreerd aan de westgrens, daar kwam de dreiging vandaan. Duitsland en Rusland sloten echter in augustus 1939 een niet-aanvalsverdrag, het Molotov-Ribbentroppact. Later kwam uit dat in dat pact een geheime afspraak was gemaakt om Polen tussen deze beide landen te verdelen. De aanval van Duitsland op Polen volgde op 1 september 1939 en begon met luchtaanvallen, maar ook over land werd aangevallen. Er werd zwaar gevochten. Hoewel de Polen dappere strijders waren hadden ze geen schijn van kans tegen de militaire overmacht van Duitsland. De Polen hoopten dat ze door de strijd te rekken nog een kans hadden wanneer Engeland en Frankrijk zich aan de westkant van Duitsland in de strijd zouden mengen. Tenslotte was er dat pact tussen Polen en Engeland. Helaas, er kwamen wel oorlogsverklaringen, maar militaire acties bleven uit. Toen gebeurde het drama van het oostfront. Op 17 september trokken de Russen Polen binnen, iets waar het Poolse leger niet op gerekend had. De Poolse strijdkrachten waren min of meer ingesloten en dachten nog een ontsnapping te kunnen forceren door naar het zuiden terug te trekken en zich via die route weer bij de geallieerden aan te sluiten. Een deel van het Poolse leger ontkomt zo ook via Roemenië naar Frankrijk en ook Poolse vliegers ontkomen naar Engeland wanneer de strijd verloren is. Zij vechten tot het einde van de oorlog met de geallieerden tegen nazi-Duitsland. Het overgrote deel van de Poolse strijdmacht heeft die kans niet. Op 28 september valt Warschau in handen van de Wehrmacht en was Polen verslagen en letterlijk vernietigd. Oostelijk Polen werd Russisch. Naar schatting werd een miljoen Polen verbannen naar Rusland. Tienduizenden Poolse krijgsgevangenen werden direct gedeporteerd naar de werkkampen van de Goelag. Bij deze groep hoorde ook vader Rudz. Ook burgers, met vrouwen en kinderen, werden wel naar de kampen gestuurd. Goedkope arbeidskrachten en bovendien, ze vormden geen gevaar meer in het verzet tegen de Russen.

Siberië

Eind september 1939 werd vader Rudz krijgsgevangen gemaakt, er volgde deportatie naar Siberië. De reis er heen was een verschrikking, maar het verblijf in de Goelag tart alle beschrijving. Hij werd tewerkgesteld in de bossen, waardoor hij misschien een beetje in het voordeel was omdat hij gewend was aan bosbouw. Maar werken bij -30 C0 is nog wel wat anders. De huid van je gezicht bevriest en gaat ontsteken, de etter druipt wanneer je binnen komt van je gezicht. Eten is zwaar op rantsoen. Een homp(je) brood ’s ochtends, een soort thee van ontdooide sneeuw en dan was er nog een waterige massa die wel afwaswater leek, maar voor soep moest doorgaan. Gelukkig had je dan nog eten gehad, want het kwam ook voor dat er 3 dagen geen eten werd uitgedeeld. Het was een feest wanneer er een paard dood ging, dan konden ze het vlees verdelen. Er heerst een beestachtig regime dat velen niet overleefden. Deze ellende duurde zo’n anderhalf jaar. Politiek was er inmiddels veel gebeurd. Al in 1939 was een Poolse regering in ballingschap ontstaan. Medio ’41 lanceerde Duitsland operatie ‘Barbarossa’: Rusland werd aangevallen. Daarmee werd Rusland min of meer in de westerse gelederen getrokken en dat opende ook de mogelijkheid om iets voor de vele krijgsgevangenen in Rusland te doen. Sikorski, Pools premier in ballingschap die inmiddels in Londen zetelde, bereikte met de Russische ambassadeur in Londen een overeenstemming. Stalin ontbond alle oude afspraken tussen Duitsland en Rusland en stemde er ook mee in dat Poolse staatsburgers, inclusief de krijgsgevangenen, een leger, het 2e Poolse korps, konden vormen dat aan de zijde van de geallieerden kon meevechten, onder bevel van de Poolse regering in ballingschap. Als bevelhebber werd generaal Anders aangewezen, een generaal die in 1939, bij de strijd tegen de Russen gewond was geraakt, krijgsgevangen was gemaakt en al die tijd onder barre omstandigheden in Rusland gevangen zat.

De vorming van een leger

Op 4 augustus 1941 hoort Anders wat er van hem verwacht wordt. Het is een volkomen verrassing voor hem. Hij komt uit de gevangenis in zijn gevangenisbroek en zonder sokken en wordt met een limousine van de geheime dienst naar een flat gebracht van waaruit hij met de organisatie kan beginnen. Hij is nog zo zwak dat hij zelfs gewoon voedsel niet kan verdragen. Hij moest dus een leger zien te vormen, maar over hoeveel Polen het zou gaan en waar ze verbleven was onduidelijk. In ’39 was er een getal van 300.000 man Poolse troepen gemeld dat gevangen was genomen, maar hoeveel waren er niet in gevangenschap omgekomen? En dan waren er nog de Poolse burgers die naar Rusland gedeporteerd werden. De Polen waren verdeeld over diverse gevangenissen en kampen. Het was schier onmogelijk om een leger te formeren. Er werd echter wel een datum genoemd waarop de formaties gevechtsklaar moesten zijn: 1 oktober 41. Volkomen onhaalbaar natuurlijk. Het leger zou samengesteld worden in Buzuluk. Dat ligt in Zuid Rusland, aan de zuidkant van het Oeralgebergte. Uit allerlei uithoeken van Rusland kwamen Polen die zich bij het leger wilden aansluiten. Lopend, met veewagens, per spoor. Vanuit Siberië ging ook vader Rudz op pad om zich aan te melden. Veel mensen hadden nauwelijks kleding of schoeisel. Maar in hun lompen waren ze zeer gemotiveerd om zich bij het leger te voegen. Voor kleding en voedsel zouden de Russen zorgen. Maar dat was meteen al een probleem. Mondjesmaat werd er voor kleding gezorgd, maar de afgesproken hoeveel
heid voedsel werd niet geleverd. Dat was nog extra moeilijk omdat er zich ook vrouwen en kinderen meldden die hiermee de kans wilden grijpen om uit Rusland weg te komen. Zij werden door de Russische organisatoren niet meegeteld voor de voedselrantsoenen. Ze kwamen uit de ellende en het bleef bijna hetzelfde: het povere wat er was moest gedeeld. De ellende was natuurlijk veel beter te dragen want er was uitzicht op het verlaten van het gehate Rusland en men zou de strijd aangaan tegen nazi-Duitsland. Generaal Anders neemt op 14 sept. een eerste defilé af: 17.000 soldaten, in lompen gehuld, vaak in resten van Poolse uniformen, uitgemergeld en met zweren overdekt vanwege de geleden honger, maar wel allemaal netjes geschoren en met een fiere militaire houding. Toen was er de eerste mis die ze konden bijwonen, waarbij ook gezongen werd: “oh heer, geef ons vrije land aan ons weerom”. Diepe ontroering was er en de beloning, terug naar een vrij Polen, leek in zicht. Ondertussen bleven zich nog steeds Polen aanmelden. De eerste militaire oefeningen begonnen, er kwam langzamerhand lijn in de organisatie. Maar van de kant van de Russen werd duidelijk getraineerd. De kwestie van wat nu de grens tussen Polen en Rusland moest worden ging weer meespelen. Het begon er op te lijken dat Ruslands eigenlijke doel was de hoogste macht in Polen te bereiken. Geen vrij Polen dus. Gelukkig voegde Amerika zich in dec. ‘41 in de strijd. Dat gaf de Poolse strijders weer moed.

Eerst Perzië, dan via Palestina en Egypte naar Italië

Begin ‘42 werd besloten dat de Poolse eenheid verplaatst zou worden naar het zuiden, van Buzuluk naar Yangi-Yul bij Tasjkent. Ook de burgers zouden meegaan. De militairen kregen Engelse uniformen. Maar de gezondheidstoestand was nog abominabel. Er kwam overeenstemming over verplaatsen van de Polen naar Teheran in Perzië (heet nu Iran). In het late voorjaar tot in de laatste weken van augustus ’42 werden de troepen en burgers verplaatst. Een hele onderneming, deels per trein en per boot over de Kaspische zee. Door bombardementen werd dat later noodgedwongen een langere route over land per trein. Er werden meer dan 100.000 personen gerepatrieerd. Het Anders’ leger telde toen zo’n 74.000 militairen en werd samengevoegd met Poolse eenheden die al in het westen waren. In Perzië werd het Poolse leger omgevormd tot een echt leger. De conditie van de soldaten was verbeterd, men had Engelse uniformen en was bewapend en getraind. Het Poolse leger was gevechtsklaar en werd verplaatst naar Gaza. Vader Rudz kreeg hier zijn training als tankschutter. Daar werden ook oefeningen gehouden (kerst werd gevierd in Bethlehem).

Een verhaal dat vader Rudz vaak vertelde ging over de zandstorm. Er was een troepentransport. Ze hadden zich er tijdens het transport over verwonderd dat ze nergens tegenstand ondervonden van Duitse troepen. Het transport vond plaats tijdens een woestijnstorm. Zo’n storm is heel heftig, je wordt door het zand gegeseld en ziet geen hand voor ogen. Daar trokken ze dus doorheen. Toen de storm eindelijk ging liggen en ze weer wat zicht kregen bleek dat de vijand ook door de zandstorm was getrokken. Alleen in de andere richting. Ze hadden elkaar ongemerkt gepasseerd. Van Gaza ging het leger via Egypte naar Italië. Afrika was toen inmiddels totaal in geallieerde handen en via Italië moest nazi-Duitsland bedwongen worden. ▶

Wordt vervolgd in het zomernummer.

Lisse in de eerste wereldoorlog in de winter van 1917/1918

Nederland was in de Eerste Wereldoorlog neutraal. We zijn dus toen niet in oorlog geweest. Dat wil niet zeggen dat er geen gevolgen in Nederland en speciaal in Lisse zijn geweest.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

10 april 2018

door: Nico Groen

Vooral in de laatste winter van de oorlog (1917/1918) was er een gebrek aan heel veel basisbehoeften vanwege de stagnerende im- en export. Veel etenswaren en onder andere zeep gingen op de bon. Door deze situatie verzwakten de mensen tot een bedenkelijk niveau. Daardoor kon de Spaanse griep ernstig toeslaan en stierven in Nederland tienduizenden mensen aan deze griep.

Situatie in Lisse
Zo erg als in de steden, zal het in Lisse tijdens die laatste oorlogswinter niet zijn geweest.
We hebben echter bij een oppervlakkige verkenning erg weinig archiefmateriaal over Lisse kunnen vinden. Om meer te weten te komen over die periode van 100 jaar geleden is serieus onderzoek nodig.  Wel is er veel informatie over het eerste jaar van de oorlog, toen er in 1914 in Lisse veel Belgische vluchtelingen onderdak vonden. Over deze vluchtelingen is een artikel in het Nieuwsblad van januari 2015 van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”  verschenen.

Krant uit 1918
Volgens de krant ‘De Volksvriend’ was er in Lisse vooral sprake van prijsopdrijvingen.
‘De Volksvriend’ was een Nederlandstalige krant uit Orange City in Iowa. Orange City is gesticht door Nederlandse immigranten in de 19e eeuw. De naam verwijst naar Prins Willem III, geboren in 1650. Vanaf 1672 was hij stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Later werd dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1689 werd Willem ook koning van Engeland en Ierland.
Orange City bestaat nog steeds. Er zijn bijna 6000 inwoners. Ongeveer de helft  is van Nederlandse komaf.

Onderstaande stond in ‘De Volksvriend’ van 21 maart 1918:  “Volgens een brief uit Lisse, Nederland, die ons ter hand gesteld werd door bakker Kluis, moet het er daar tamelijk krap beginnen bij te staan. Koek wordt voor anderhalve gulden het pond verkocht ‘en dan weet je nog niet wat je krijgt’. Melk is 27c, boter f 1.75, rundvet f 1.25 of f 1.50 per pond. Gewoon geel katoen, dat vroeger 10 of 12c kostte, kost nu 59ct. Gewone schoolkousen, f 2.50; andere kousen tot 6 gulden; sajet tot f 2.25 per knot. De kousen worden dan ook al wat ingekort. Schoenen zijn ook zeer duur. ‘En kon men dan alles nog maar krijgen, maar het heugt me niet dat ik rijst geproefd heb, of havermout, of meel, niets is er te krijgen’.
Eenmaal per dag kan men slechts brood krijgen en dan maar weinig, zoodat tweemaal warm eten gekookt moet worden. Dit gaat met nieuwe moeite gepaard, daar er zoo weinig vet is, een half ons per persoon per week, 40c ‘t pond. Vleesch is 75 of 90 cent per pond. Spek niet te krijgen. Brandstof is er ook niet ruim; steenkool zoo goed als heel niet. Klompen kosten f 1.50 en f 1.75 per paar. Toch is er nog geen honger volgens den schrijver en kan men, al is het dan ook duur, de nodigste levensmiddelen nog bekomen”.

Al met al was er in die winter een zorgelijke situatie in Lisse.

In Orange City in Iowa wordt nog ieder jaar een tulpenfestival gehouden. Foto: VVV Orange City

GEVOLGEN VAN DE REFORMATIE IN LISSE

De katholieken moesten uit de grote kerk. De schuilkerk aan de Achterweg wordt beschreven. Wat zijn Klopjes? 

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

24 oktober 2017

door Nico Groen 

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg in Duitsland. Dit is het symbolisch begin van de Reformatie. Dat is dus precies 500 jaar geleden. De Reformatie is de afscheiding van de protestanten van de R.K. Kerk. Er heerste grote armoede en er was veel onvrede binnen de R.K. Kerk, onder andere door de vervolging en verbranding van ketters. Voeg hieraan toe het mislukken van de oogst in 1565 en de daarop volgende voedseltekorten dan zijn alle ingrediënten aanwezig voor een volkswoede. Dit ontaardde in 1566  in de Beeldenstorm. Het gevolg was de tachtigjarige opstand tegen Spanje, die in 1568 begon. Onder andere Leiden (1573/74) en Haarlem (1572/73) werden belegerd door de Spanjaarden.  Dat had tot gevolg dat ook in Lisse de kerk, boerderijen en woningen werden vernield.
 
Schuilkerk bij de Engel
De katholieken in Lisse kerkten in de Dorpskerk op ‘t Vierkant. Tijdens de Beeldenstorm werden de beelden van de heilige Agatha en van Maria vernield en verwijderd. De sieraden, zoals rozenkransen werden gestolen en later verkocht. In 1579 werd bepaald, dat de Nederduitse Gereformeerde Kerk in de Noordelijk Nederlanden voortaan de publieke kerk moest zijn. De R.K. Kerk werd verboden. De protestanten namen de kerk in bezit evenals de pastorie op ’t Vierkant.
De katholieken kwamen in het geheim bij elkaar. Zo was er op landgoed Meerenburgh een kapel, waar een kapelaan de mis deed. Ook werden daar monniken opgevangen.
Na een aantal jaren werden de verhoudingen tussen de twee geloofsgemeenschappen gestabiliseerd. Omstreeks 1630 werd oogluikend toegestaan, dat ten westen van de Achterweg, net ten noorden van het Mallegat, bij de Engel een schuurkerk of schuilkerk werd gebouwd. Dit tegen een jaarlijkse betaling van zogenaamde recognitiegelden voor een officiële vergunning. Van deze kerk is geen afbeelding bekend, maar in 1710 wordt op dezelfde plaats een nieuwe kerk met een fraaie pastorie gebouwd. De nieuwe kerk werd bijna 10 meter diep en twintig meter breed aan de voorkant. De kerk werd gebruikt tot 1843 en later gesloopt. Op de tekening hiernaast is rechts de kerk en links het pastoorshuis te zien, met linksvoor een bijkeuken of iets dergelijks. De tekenaar stond ten westen van de kerk, omdat aan de kant van Achterweg niets te zien mocht zijn wegens mogelijke aanstoot. Daar waren bosschages, boomgaarden en een schutting. Op het binnenplaatsje voor de pastorie is een muur te zien met een soort tuinhuisje en daarnaast een poortje, waar  mogelijk een geestelijke dochter, een zogenaamd Klopje, staat. Er waren daar meerdere Klopjes. Klopjes zijn alleenstaande vrouwen, die een kuisheidsgelofte hebben afgelegd. De Klopjesbrug ter plaatse over het Mallegat is naar hen vernoemd, evenals boerderij Klopjeshoven, die aan de overkant van het Mallegat stond.
In Lisse was veel corruptie, waarbij ambtenaren en bestuurders tegen betaling een oogje dichtknepen. In Lisse was de eigenaardige situatie ontstaan dat de katholieke ambachtsheer van Lisse de protestante dominees moest aanstellen. Dit gaf vele onverkwikkelijke situaties.

Het meeste van bovenstaande is ontleend aan het boekje ‘De Aagtenkerk van Lisse’ van A.M. Hulkenberg uit 1960.

Rechts de achterkant van de schuurkerk aan de Achterweg bij het Mallegat Foto: Beeldbank Lisse

OORLOGSGRAVEN IN LISSE

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)                             3 mei 2016

door Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Dit is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.

Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Deze erebegraafplaats bestaat sinds 1992. Toen werden stoffelijke resten van vier gevallenen  herbegraven. Daarvóór lagen de gesneuvelden her en der verspreid over de begraafplaats en bij de Engelenkerk. Het kerkbestuur reageerde daarmee op een voorstel van de Stichting Oorlogsgraven. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Een van hen is Teun Kulk, geboren op 11 mei 1915. Teun Kulk overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940.

Bert Kroon stierf op 1 februari 1944, nog geen 21 jaar oud, in een barakkenkamp voor militairen in Amersfoort. Hij had een gevaarlijke vorm van difterie. Hij was na verraad van NSB’ers in het Groningse Doezum opgepakt door de Duitsers. Hij is ook op Duinhof begraven.

Rinus Warmerdam, is geboren op 25 januari 1918. Op 10 mei 1940, de eerste oorlogsdag, is hij ernstig gewond geraakt. Als militaire koerier is hij van zijn motor geschoten. Hij overleed op 12 mei 1940 in Wassenaar, waar hij eerst is begraven. Op 22 januari 1944 is hij herbegraven op de begraafplaats van de Agathakerk.

Aart van Dijk is geboren op 2 januari 1914 en overleden op 19 januari 1945 Tijdens een razzia in Hillegom werd hij door de SD doodgeschoten.

Jan de Haan was gemeentesecretaris van Lisse. In de oorlog hielp hij vele mensen. Op 19 februari 1944 werd hij gearresteerd en naar het beruchte kamp Vught gebracht. In september 1944 is hij onverwacht vrijgelaten. Hij was volkomen uitgeput en is daar niet meer overheen gekomen. Hij overleed op 9 oktober 1946.

Willem Heemskerk is in de nacht van 2 op 3 mei 1945, net voor de bevrijding, neergeschoten door dronken, gedeserteerde Duitse soldaten bij zijn huis in de Engel. De Duitsers waren op strooptocht. Hij was 55 jaar.

Als laatste staat op de gedenksteen van het eregraf de naam van Frans Snaar. Zijn naam staat ook op het familiegraf van Snaar. Hij is geboren op 20 april 1924 en overleden op 10 november 1943 in Rudisleben, Landkreis Arnstadt. Hij was tewerkgesteld in Duitsland.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over de omstandigheden waaronder bovenstaande en andere oorlogsslachtoffers zijn omgekomen.

Rechts ligt het eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Foto: Nico Groen

VAN VER GEKOMEN: Guicherit uit Nederlands Indië (deel 1)

Magda Guicherit woont in de van der Veldstraat. Magda is een telg uit een familie, die rond 1950 Indonesië ontvluchtte. De geschiedenis vóór die tijd wordt beschreven.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het verhaal van een familie die door de machtsovername van Soekarno hun vaderland moest verlaten en een plek  vond in een voor hen vreemde maatschappij.Dit is het eerste deel van een serie verhalen over mensen die vanuit een ander land kwamen om in Lisse een nieuw bestaan op te bouwen. Vaak werden zij door omstandigheden gedwongen hun vaderland te verlaten, anderen zochten een beter bestaan.

Op een mooie, zonnige maar koude dag in november ontvangt Magda Guicherit ons met koffie in haar gezellige jaren 20-huis in de Veldhorststraat. Vanuit de kamer kijken we op de speelse tuin met niveauverschillen. Magda is een telg uit de familie Guicherit, een van de families die in de jaren vijftigvan de vorige eeuw Indonesië ontvluchtten en in
Lisse terecht kwamen. Hoe verging het ze hier? Hoe hebben zij hun weg gevonden in de Nederlandse samenleving? Op deze en andere vragen geeft Magda openhartig en uitvoerig antwoord.

Franse en de Sumatraanse roots

Magda Guicherit is in 1950 geboren in Indonesië, het voormalige Nederlands-Indië. Vlak daarna vertrok de familie naar Nederland. Na het overlijden van haar vader besefte Magda dat zij niet zoveel van de geschiedenis van haar familie afwist. Zij vroeg haar moeder die op te schrijven en zij is heel blij dat haar moeder en ook haar moeders zusje dat hebben gedaan. Wij mochten de memoires van Magda’s moeder Irene Daniela Guicherit-Schift gebruiken als inleiding op het interview met Magda. Grootvader Rudolph Theodoor Guicherit stamt uit  een Frans hugenotengeslacht. Magda’s vader Hans Guicherit is in 1914 in Indië geboren, maar zijn lagereschooltijd brengt hij door in Amsterdam. De familie keert terug naar Indië en daar gaat hij naar de HBS. Magda’s grootvader van moederskant is afkomstig van de Riau-archipel behorende bij Sumatra. Hij wordt geboren in 1893 als zoon van een inlandse vorst en krijgt de naam Mohammed Ali Nurpiah. Zijn titel is Raden, een aanspreektitel voor adellijke personen. Zijn familie brengt hem voor zijn schoolopleiding onder bij een rijk, kinderloos, Hollands echtpaar, de familie Schift. Zij laten het jongetje niet meer gaan en adopteren hem officieus. Magda vertelt dat hij wel een opleiding kreeg, wel mocht leren, maar niet teveel. Hij moest niet te ontwikkeld worden. Hij zou het niet verder brengen dan een baantje als stationschef.
Vreemd verhaal van moeder Irene “Het vreemde was” schrijft Irene Daniela Guicherit “dat alhoewel mijn vader al op heel jonge leeftijd bij de familie in huis kwam en zijn adoptief moeder hem tegenover anderen altijd haar pleegzoon noemde, hij van zijn kant altijd ‘mevrouw’ tegen haar bleef zeggen. Er was dus nooit een toonbare liefdesband tussen hen geweest. Heel vaag herinner ik mij nog een voorval met betrekking tot mijn vader. Er heerste op een of andere dag opschudding, want een oom van mijn vader had zijn bezoek aangekondigd. Hij kwam in een rijtuig aan en ik herinner me dat achter hem aan een man liep, die een gouden pajung (paraplu) boven zijn hoofd hield, dat was het teken van heel hoge adel. Hoe hij er zelf uitzag, kan ik me niet meer herinneren, alleen die pajung had grote indruk gemaakt”. In 1913 trouwt Noerpia met Magda’s oma, de 15-jarige Maria Theresia, de natuurlijke dochter van de Nederlander J.M. van Amstel en een inlandse onderwijzeres, Raden Ajoe Soemiah, ook afkomstig uit een aristocratisch geslacht.
Het jonge paar woont in bij de familie Schift en neemt in 1915 ook de naam Schift aan. Irene Daniela Guicherit-Schift: “Ik ben geboren op 8 mei 1914 in Cheribon. Mijn moeder was nog heel jong, nauwelijks zestien jaar en mijn vader nog geen twintig. Of zij mij met blijdschap ontvangen hebben, weet ik niet. Dat zal wel, want ik was de eerste. Maar wie er wel dolgelukkig waren, dat waren hun pleegouders. Zij waren van mening dat ik HUN kind was en leerden mij van jongs af aan, dit zo te zien. Mijn ouders moest ik als broeder en zuster beschouwen. Ik moest tegen hen, de pleegouders van mijn vader, “pappie” en “mammie” zeggen en tegen mijn werkelijke ouders “Jozef en Trees”. Het waren zeer welgestelde mensen. Hij was assistent-resident, een hoge bestuursfunctie in die tijd. Ruim een jaar na mijn geboorte werd er een tweede dochter geboren en ook hiermee gebeurde hetzelfde. Toen ik twee jaar was verhuisden wij van Cheribon naar Batavia. Daar hadden zij een huis laten bouwen in – voor die tijd – moderne stijl. Het was een heel groot en mooi huis. We hebben er na de oorlog wel met 45 personen in gewoond. Op de voorgevel stond in mooie letters “IRENE”, mijn naam, want dat huis zou na hun dood alleen voor mij bestemd zijn.
Mijn ouders bleven ook in het huis wonen en kregen het paviljoen. Daar werd ook een derde kind geboren, mijn zusje Nita. Wij, mijn zusje De en ik, sliepen in het hoofdgebouw, bij mijn grootouders” [de familie Schift, red.] De familie Schift, zegt Magda, pikten de drie meisjes als het ware in. Voor de twee later geboren jongetjes had het echtpaar Schift geen belangstelling. Die mochten bij hun ouders blijven wonen. De drie meisjes leiden een luxeleventje, met veel pretjes en uitjes. Ze worden opgevoed voor een leven in de hogere kringen. Ze krijgen vioolles en pianoles. Mevrouw Guicherit wordt een uitstekende pianiste. Magda’s moeder brengt een deel van haar lagere schooljaren door in Nederland, in Den Haag. Terug in Indië gaat ook zij naar de HBS. Op 10-04-1941 trouwde de ouders van Magda. Vader Hans Guicherit en moeder Irene Daniela Schift vormen vanaf nu een paar, samen met René eigenlijk al een klein gezin.

Oorlog in Nederlands Indië

VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung,  oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.

Een verschrikkelijke tijd breekt aan voor het jonge gezin als in 1941 Nederland Japan de oorlog verklaart. Het gezin Guicherit telt één zoon, een tweede kind is op komst. Tijdens zware bombardementen op Batavia wordt eind februari 1942 zoon Bert geboren. De gemobiliseerde Hans Guicherit, die de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt kort daarna krijgsgevangene van de Japanners. Die transporteren hem naar
VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung, oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.
Thailand, waar hij als dwangarbeider zwoegt aan de aanleg van de beruchte Birma-spoorlijn, de Dodenspoorlijn. Bijna vier jaar duurt het voor hij vrouw en kinderen weer ziet. Mevrouw Guicherit leeft al die tijd in onzekerheid over zijn verblijfplaats. Zij trekt in bij haar ouders, haar echte. Haar vader heeft nu profijt van zijn Indonesische afkomst en houdt zijn baan bij de Spoorwegen en zo zijn er nog enige inkomsten. Als Indische Nederlandse, als Indo, wordt Irene Guicherit niet geïnterneerd in een kamp, maar woont ze aan de rand daarvan, ze is een “Buitenkamper”. Ze slaagt erin met de kinderen de oorlog door te komen.
Bersiap-periode Uit de memoires van Magda’s moeder: “Maar eindelijk kwam voor ons toch ook een einde aan de ellende…? Ja dat dachten we. We merkten dat de bevolking, de Indonesiërs, zich plotseling heel vijandig tegenover ons gingen opstellen. Niet allen natuurlijk, maar wel de jongeren. Die hadden een leger opgericht. Ze wapenden zich voorlopig nog met bamboespietsen en messen. Er brak toen een tijd voor ons aan, die nog veel onzekerder en onveiliger was dan we in de bezettingsjaren gekend hebben. Tassen en fietsen werden uit je handen gerukt. Ze sloegen je vaak, zodat je niet meer alleen de straat opdurfde. Families die een beetje verder van de Engelse Militaire Commando woonden (deze bestond slechts uit enkele honderden mensen), werden volkomen uitgemoord. De Engelsen konden met zo’n handjevol niet optreden en daardoor werd de situatie hoe langer hoe gevaarlijker. De verkopers aan de deur mochten hun waar niet meer aan ons verkopen. Zo werd de voedselsituatie hoe langer hoe moeilijker. Was dit nu VREDE??” Onder de mensen die nog geïnterneerd zijn in de kampen, vallen in deze Bersiap-periode betrekkelijk weinig slachtoffers. Zij vallen onder de bescherming van de Japanners. Juist de Buitenkampers lijden zwaar onder het extreme geweld. “Wij woonden toen nog in de Struiswijkstraat, maar verhuisden al heel gauw nadat we zagen hoe Indonesische jongeren het huis tegenover ons helemaal leeghaalden. Ze stonden met messen en bamboespietsen voor het huis.” Onder bescherming van de Engelsen verhuist de familie naar de eigen villa ‘Irene’. “We zaten daar toen met 45 mensen. Het was zo’n gespannen toestand dat ruzies natuurlijk niet uitbleven. Het was een hele nare tijd. Beschietingen van extremisten op ons huis, dat pal naast het interneringskamp stond en waar Jappen zaten, die voor de veiligheid van van de ex-geïnterneerden garant moesten staan. Het was een complete chaos eigenlijk”. Als vele andere ex-krijgsgevangenen komt Hans Guicherit weer in dienst van het Nederlandse leger en neemt deel aan politionele acties. Eerst op Bali, waar hij herenigd wordt met zijn gezin, en
later op andere eilanden. Eind maart 1947 wordt dochter Trix geboren. Een maand later volgt de demobilisatie en verhuizen ze naar Makassar op het eiland Celebes.
Behouden vaart Hans Guicherit komt in dienst van het Nederlands gouvernement en bevordering op bevordering volgt. In Makassar ziet in 1948 zoon Theo het levenslicht. In mei 1950 breken in Makassar bloedige gevechten uit tussen de soldaten van Soekarno en opstandige Molukse groeperingen. Magda’s vader kan vanuit zijn werk zijn huis en zijn hoogzwangere vrouw niet meer bereiken. Het huis van de Guicherits ligt in de vuurlinie van de strijdende partijen. Na vijf dagen is er een staakt-het-vuren en bereikt hij zijn huis via de muur van het huis van de directeur van het ‘krankzinnigenwezen’. Die zegt hem: “U bent meneer Guicherit, ik feliciteer u met de geboorte van uw dochter”. Die dochter is Magda, door de directeur ter wereld geholpen. Op 30 augustus 1950 gaat de familie Guicherit met oma Guicherit in Tandjong Priok scheep aan boord van het Engelse stoomschip de Ormonde. Het schip vaart via het Suezkanaal over de Middellandse Zee langs Portugal naar Rotterdam. Een plezierreisje met kinderfeestjes, dinertjes, bal masqués en een captains dinner. 24 september legt het schip aan in Rotterdam en verlaat de familie de Ormonde. Magda Guicherit vertelt hoe het de familie verder verging, in de wintereditie van 2018.

Wordt vervolgd.