Berichten

BERICHT UIT HELLENDOORN: Leendert Albertus Boogerd

De Lisser Leenderd Albert Boogerd werd in de oorlog opgenomen het TBC Sanatorium ‘Krönnenzommer’ bij Hellendoorn. Op de dag dat Helledoorn bevrijd werd is hij overleden. De vraag is hoe.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 4, 2020

Dorpsfiguur, een rare man met vreemde gewoonte  er werd ook wel eens de gek met hem gestoken. Plotseling was hij niet meer in Lisse.

Leendert Albertus Boogerd woonde in de huisjes bij De Heul aan de Kanaalstraat. Hij werkte bij de gemeente als vuilophaler en stratenveger. Een verteller met een dikke duim, Leendert gaf wat trompetles in het voortraject van “Trou Moet Blijcken”. Op een gegeven moment ging het bergafwaarts, men zag hem dan ook steeds verder afglijden. Hij riep zeer opmerkelijke dingen bv. als hij de kerk in kwam liet hij de andere kerkgangers steevast weten dat hij er was. “Lang Leven De Bolsjewieken” klonk het dan door de kerkzaal. Waar hij precies op doelde? We weten het niet. Al straatvegend liet hij een andere vreemde spreuk luid en duidelijk horen: “HOP HOP HOERA ORANJE ROGGEL”. Deze gevleugelde woorden riep hij ook in de vroege oorlogstijd. Hij werd  ook wel gewaarschuwd “pas nou op Leendert anders gebeurt er nog wat naars met je”. Het mocht niet baten. Plotseling was hij uit het straatbeeld. Had de gemeente er voor gezorgd dat hij opgenomen werd in het TBC Sanatorium ‘Krönnenzommer’ bij Hellendoorn? Mooie gebouwen met prachtige tuinen, in de bossen, goed voor Leendert! Prima verzorging, frisse lucht, helemaal geen rare dingen, hartstikke fijn hier! Dat fijne werd minder naarmate het eind van de oorlog naderde. Een deel van ‘Krönnenzommer’ werd tegen het eind van de oorlog geconfisqueerd door de Duitsers. Voor ondermeer de vluchtleiding van de V2 lanceerinstallatie die vlak bij het sanatorium was gestationeerd. Hellendoorn werd op 10 april 1945 bevrijd. Een bericht uit Hellendoorn laat zien dat die zelfde dag Leendert zijn laatste adem uitblies. Dat roept vragen op! Bij de Hellendoornse heemkundekring is men bezig om antwoorden te zoeken. Ook zij hebben last van Coronaregels die het zoeken in archieven bemoeilijken. Daar komt bij, dat net als in Lisse er veel burgerlijke gegevens zijn vernietigd tijdens de bezetting om mensen veilig te stellen. Was Leendert net als nog wat andere burgers omgekomen door geallieerd vuur? Was hij opgenomen en na genezing daar gebleven? Er is een gerucht dat
er een ‘Boogaard’ als chauffeur dienst deed tussen het sanatorium en het dorp. Hoe heeft Maria Alida van der Riet, de dame die het overlijden kwam aangeven, Leendert aangetroffen? Zou Leendert nog net de uniformen van de bevrijders hebben kunnen zien? Hopelijk komen er toch nog antwoorden op onze vragen. We wachten op
bericht uit Hellendoorn!

 

Leenderd Boogerd

Kleine kroniek van Lisse, 1940 tot en met 1949

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)                                               

24 november 2020

door Nico Groen

De ‘Kleine kroniek van Lisse’ deel 5 is onlangs uitgekomen. Het is geschreven door Arie in ’t Veld. Het eerste exemplaar is op het gemeentehuis in Lisse persoonlijk uitgereikt aan wethouder Jeanet van der Laan: “Het is mooi dat dit vijfde deel van de reeks van kleine kronieken dit jaar is uitgekomen, nu het 75 jaar geleden is dat Nederland bevrijd werd”. Dit boek is voor € 12,95 te koop bij Grimbergen Boeken. Een leuk sinterklaas- of kerstcadeau.

 

Arie is heel intensief bezig geweest met dit historisch boekje, dat hem dagenlang spitten kostte in de gemeentelijke archieven, waarbij veel informatie over de oorlogsjaren en de jaren daarna naar boven kwam. Redactioneel is meegelezen door Adrie de Roon, Chris Balkenende en Koos van der Zwet. Op de voorkant van het boekje prijkt de afbeelding van de toenmalige burgemeester Van Rijckevorsel, die in de oorlog ondergedoken is geweest bij de katholieke broeders in De Engel. Na de overhandiging aan Van der Laan vertelde de wethouder dat ze zeer blij is dat dit boekje nog op de valreep van 75 jaar bevrijding is uitgekomen. Op haar vraag welke zaken hij het meest opmerkelijk vond in die jaren, antwoordde Arie dat de toenmalige concurrentiestrijd tussen Keukenhof en de Flora tentoonstelling in Heemstede hem intrigeerde en ook de komst van het ondergrondse urinoir op ’t Vierkant, waar alleen maar mannen naar toe konden en vrouwen niet.

 

Tijdsbeeld van de jaren veertig

In dit deel van de ‘Kleine kroniek van Lisse’ is getracht een tijdsdeel te schetsen.

De periode 1940 tot en met 1949 was een enerverende tijd, ook voor Lisse. De eerste vijf jaar werd natuurlijk gedomineerd door de oorlog. In het begin was er in de media, met name in Ons Weekblad weinig te merken van de oorlog, maar meer en meer werd dit blad gebruikt voor Duitse propaganda.

Ook in het dorpse leven ging aanvankelijk alles zoals het altijd ging, maar dan wel met een ‘lading’ Duitsers op diverse plekken in het dorp. Later werd het de bezetter ernst met allerlei maatregelen. De krant mocht niet meer verschijnen en er vonden in latere jaren razzia’s plaats, waardoor veel inwoners naar kampen werden afgevoerd en soms niet meer terugkwamen. Er kwam ook steeds meer verzet onder de bevolking.

 

Na de oorlog

In het boek is te lezen, dat Lisse na de oorlog de draad weer oppakte. De ondernemers gingen er weer vol tegenaan. De politiek vergaderde er weer duchtig op los. Ook de verenigingen trachtten de draad weer op te pakken, zij het moeizaam. In het boek wordt duidelijk dat er hard gewerkt werd aan het opzetten en uitbreiden van alle voorzieningen in een dorp waar het goed wonen was.

In deze editie van de ‘Kleine kroniek van Lisse’ wordt verslag gedaan van al die gebeurtenissen. Een mooi boek om eens rustig de geschiedenis van de jaren veertig te bestuderen.

De kaft van het boek ‘Kleine kroniek van Lisse, 1940 tot en met 1949’

 

PARELTJES vol vreugde en verdriet

In de bibliotheek van de VOL worden 3 boeken besproken in verband met 75 jaar bevrijding .Het nieuwe boek van Arie in’t Veld ‘Kroniek van Lisse’ over de jaren 1940-1949, Het boek Herman van Amsterdam en Peter van der Voort’ Een bollendorp bezet ‘en ‘Wat toch een tijd’ van Ed Olivier.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 19 nummer 3, 2020

De bevolking in het westen van Nederland leed honger en kou in de laatste oorlogsmaanden. Vanaf september 1944 waren er geen voedseltransporten meer, de binnenvaart lag stil, de treinen reden niet langer. Gebrek aan voedsel en gebrek aan brandstof en dat met een januariweek met een temperatuur van -20 graden. Zelfs in een plattelandsgemeente als Lisse was een gaarkeuken. Na deze donkere periode volgde na de Duitse capitulatie ook hier een massale uitbarsting van vreugde.

Een bollendorp bezet

In dit jubileumbevrijdingsjaar 2020 verscheen van Nieuwsblad-redacteur Arie in ’t Veld een nieuw boek over de periode 1940-1949, waarin ook de bevrijding en de wederopbouw worden behandeld. Eerder al besteedden Herman van Amsterdam en Peter van der Voort aandacht aan de laatste oorlogsdagen en de feestvreugde na de capitulatie in ‘Een bollendorp bezet’. Ed Olivier belichtte in ‘Wat toch een tijd’ de schaduwkant van de bevrijding.

Zo luidde het refrein van een lied, dat speciaal geschreven werd voor de schooljeugd van Lisse. Het vers staat in ‘Een bollendorp bezet, Lisse ’40-‘45’, verschenen in 1990, vijftig jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het boek werd uitgegeven in eigen beheer. Schrijver Van Amsterdam benadrukt in zijn voorwoord dat hij niet alleen de narigheid beschrijft, maar ook de humoristische kanten wil belichten. De samenstellers ploegden door veel oude fotoalbums van Lissers en slaagden erin onbekend fotomateriaal boven tafel te krijgen. Daaronder zijn vrolijke foto’s van de bevrijdingsfeesten met optochten vol verklede mensen. (Mooie filmopnamen hiervan werden overigens door Simon van Dijk op YouTube gezet.) Dansleraar Koot liet de Lissers zien hoe de hoki-poki gedanst moest worden en een sliert feestvierenden hoste vervolgens in een lange polonaise door het dorp. Van Amsterdam besteedt in het boek veel aandacht aan de rol van dierenarts en verzetsman  J. Kraak in die eerste bevrijdingsdagen. Kraak was in Lisse afdelingshoofd van de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten, en slaagde erin de wapens in bezit te krijgen van de zwaarbewapende, in het dorp aanwezige Duitse militairen. Op 6 mei begonnen de zuiveringen. Op een lijst van commandant Kraak stonden 51 foute Lissers. Deze NSB’ers en collaborateurs werden opgepakt en geïnterneerd in de school in de Schoolstraat. Het kaalscheren van meisjes en vrouwen die omgang hadden met een Duitser, vond plaats buiten de verantwoordelijkheid van de BS. In welke mate dit in Lisse voorviel, is niet duidelijk. Ed Olivier heeft het over één geval. Van Amsterdam schrijft over een vrouw die het slachtoffer werd van wraakzuchtige bewoners van de Julianastraat. Hij plaatst een foto van een vrouw die wordt kaalgeknipt op de speelplaats van de gereformeerde school in de Schoolstraat. De begeleidende tekst suggereert dat het om meerdere vrouwen gaat.

Kroniek van Lisse

Uit het dagboek van Henk van Ruiten, waaruit Arie in ’t Veld citeert, is sprake van het kaalknippen van ‘moffenmeiden’ op het plein in de Schoolstraat. De drukinkt van de ‘Kleine kroniek van Lisse, 1940 tot en met 1949’ van Arie in ’t Veld is nog maar net droog. Onlangs verscheen zijn in opdracht van de gemeente Lisse geschreven boek. De auteur schrijft in zijn voorwoord dat hij de oorlogsjaren niet overslaat, maar dat de lezer zich daarover voldoende kan informeren via de boeken van Ed Olivier en Herman van Amsterdam. In ’t Veld gaat liever dieper in op de naoorlogse periode van opbouw en nieuwe initiatieven, zoals de aanzet tot de bloemententoonstelling Keukenhof en het eerste
corso. Op de cover van zijn boek prijkt dan ook een van de eerste corsowagens, een walvis. De walvisvaarder Willem Barendsz was tot groot enthousiasme van de bevolking in 1946 op jacht gegaan naar vet en traan, waaraan grote behoefte was. Een grote foto van burgemeester Van Rijckevorsel, die Lisse door de benarde jaren leidde, domineert de bedrukte band. Het verenigingsleven in Lisse zakte volgens de ‘Kleine kroniek’ tijdens de oorlogsjaren in. De muziek- en zangverenigingen worstelden met de eisen van de Kultuurkamer. De leden van de R.K.-muziekvereniging Adolf Kolping gingen in tegen de wens van hun dirigent, die zich wilde aansluiten bij het gehate instituut van de bezetter, en borgen hun muziekinstrumenten op. Na de teloorgang van Adolf Kolping kwam na de bevrijding de wederopstanding als Canite Tuba onder de leiding van tandarts Simonis. Evenals de muzikanten van Adolf Kolping weigerden de musici van de harmonie Trou Moet Blijcken te voldoen aan de eisen van de Kultuurkamer. Voor de bevrijdingsfeesten haalden ze hun instrumenten weer tevoorschijn en daarna oogstten ze met TMB weer successen. De Christelijke Zangvereniging Excelsior staakte om dezelfde reden de opvoeringen en nam na de oorlog de draad weer op.

Wat toch een tijd

Veel aandacht ook voor de buurtverenigingen die na de bevrijding in Lisse werden opgericht en die op één uitzondering na maar kort hebben bestaan. In die eerste bevrijdingsroes werden straten versierd en optochten gehouden door o.a. de buurtverenigingen Lisse Noord, Juliana, Irene, Klein Lisse in De Engel en Wilhelmina. Buurtvereniging Wilhelmina werd officieel opgericht op 27 juli 1945 en bestaat nu nog. Diep verdriet treffen we aan in ‘Wat toch een tijd’, verschenen in 2005, zestig jaar na de bevrijding. Dit boek schreef Ed Olivier ter herinnering aan de Lissese oorlogsslachtoffers. Initiatiefnemer hiervoor was Arno van Doorn. Het boek werd verkocht in de boekhandel en daarnaast geschonken aan leerlingen van de basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs in Lisse. Het boek ontleent zijn titel aan de laatste woorden van Willem Heemskerk, drie dagen voor de bevrijding neergeschoten op zijn boerderij in De Engel. Over deze dramatische gebeurtenis verhaalde zijn zoon Piet dit jaar in de Volkskrant. Het is een
boek vol verhalen over geliefden op wie na de bevrijding vergeefs werd gewacht, zoals op de jonge Anton van den Wijngaard die als tewerkgestelde omkwam bij een bombardement op Hamburg. Of op Jan, de zoon van huisarts De Graaf, die clandestien naar de radio luisterde en erop rekende niet verraden te worden omdat geen ‘Lissenaar een andere Lissenaar’ zou verraden. Hij en zijn vriend en ‘mededader’ Henk Wesselo kwamen beiden om in concentratiekamp Neuengamme. Over het lot van Jan kreeg zijn familie op 23 augustus 1945 bericht. De dood van Henk Wesselo werd pas op 13 september bevestigd.
Ambtenaar Jaap Döll, die persoonsbewijzen vervalste en mensen clandes tien inschreef in het bevolkingsregister, was betrokken bij de overval op het gemeentehuis door de verzetsgroep Post op 15 februari 1944. Dölls betrokkenheid kon niet bewezen worden, maar hij werd aangeklaagd vanwege een vervalst persoonsbewijs voor een joods meisje. Al kort na de bevrijding kwamen de berichten dat hij was omgekomen in het concentratiekamp Rathenow, een vrouw en twee peuters achterlatend. De bevestiging van het Rode Kruis liet tot 17 juni 1946 op zich wachten. Een tweede betrokkene bij de overval was wachtmeester Bastiaan Romeijn, evenals Döll een man in de kracht van zijn leven. Hij werd op 12 mei 1944 gearresteerd. Zijn jonge vrouw en baby Bas van acht maanden zou hij nooit meer zien. Hij overleed in een buitenkamp van het concentratiekamp Neuengamme. Na de bevrijding ging het gerucht dat hij nog in leven was. Zijn dood werd pas in augustus 1946 bevestigd. Voor de familieleden van de omgekomen Lissers had de bevrijding een bittere bijsmaak. Op de bedrukte band van ‘Wat toch een tijd’ staat terecht met recht een foto van een herdenking bij het ‘Monument voor de gevallenen’ en een inzet met daarop het voormalige monument dat stond in een perkje in de Bondstraat.

Lees en herlees deze drie parels over een van de belangrijkste perioden uit de geschiedenis van Lisse. Jos van Bourgondiën haalt ze graag voor u uit de kast van de bibliotheek van de VOL.

Het Volkskrant interview met Piet Heemskerk is te lezen op https://www.volkskrant.nl/kijkverder/mijnbevrijding/v/de-kogel-ging-dwars-door-mijn-vader-heenzo-de-muur-achter-hem-in/

 

Grote vreugde na de bevrijding

WE MOETEN ONS MAAR SCHIKKEN (oorlogstijd)

Naar aanleiding van 75 jaar bevrijding vertelt de 95-jarige Mien Witsenburg. Zij heeft haar hele leven in Lisse gewoond. Haar jeugd en haar herinneringen aan de oorlog en daarna worden weerggegeven.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 3, 2020

Deze coronatijd is voor iedereen lastig. We moeten ons schikken naar wat mogelijk is. De viering van 75 jaar vrijheid werd erdoor beperkt. Er zijn weinig ooggetuigen meer die over die 75 jaar en de tijd ervoor kunnen vertellen. Maar Mien Witsenburg, bijna 95 jaar geleden in Lissin oorlogstijde geboren, wil haar herinneringen wel met ons delen.

Ze woont al weer meer dan 20 jaar in haar appartement aan de Heereweg. Natuurlijk mankeer je, wanneer je bijna 95 bent, wel wat en die coronatijd maakt alles wel stiller. Toch blijft het bijzonder wanneer je op die leeftijd nog kunt vertellen dat je de week ervoor weer hebt gejeu-de-bould. Verhalen over vroeger worden graag gedeeld. Als kind woonde ze al aan de Heereweg. Maar dan een stukje zuidelijker, op nummer 207, waar nu Trattoria da Marco zit.

Bakkerij Witsenburg

Op warme dagen vielen de ijsjes van Witsenburg zeer in de smaak. Hier staat ijscoman Kees van Oeffelen zijn bijbaantje uit te oefenen ongeveer bij Kanaalstraat 7.
Foto Van Oeffelen

Vader was brood- en banketbakker en later ook ijsbereider. Van banketbakkersijs natuurlijk. Je had ijsjes van 2 en 3 cent en zelfs van een stuiver en nog duurder. Dan kreeg je echt een behoorlijke schep ijs op je bakje. Gewoon geschept met een grote eetlepel, een ijslepel kenden ze niet. Mien is de oudste dochter, ze heeft een oudere broer en na haar komen nog een zus en 3 broers. Tijdens de mobilisatie waren aan de overkant veel officieren ingekwartierd. Rats, kuch en bonen was er genoeg voor alle militairen die opgeroepen waren, maar ze wilden ook wel eens wat smakelijkers. Daar kon de bakkerij wel voor zorgen. Ze bakten voor een luttel bedrag kleine krentenbroodjes. Er was zelfs een militair uit het Noorden (van huis uit ook bakker) die in de bakkerij meehielp. Ook het ijs ging er bij de militairen goed in. Deze coronatijd is voor iedereen lastig. We moeten ons schikken naar wat mogelijk is. De viering van 75 jaar vrijheid werd erdoor beperkt. Er zijn weinig ooggetuigen meer die over die 75 jaar en de tijd ervoor kunnen vertellen. Maar Mien Witsenburg, bijna 95 jaar geleden in Lisse geboren, wil haar herinneringen wel met ons delen.

School
Mien ging naar de St. Agathaschool. Moeder Witsenburg vond het belangrijk dat de meisjes ook goed konden breien. Zelf breide ze ook veel. Wanneer de meisjes thuiskwamen uit school, al vanaf hun eerste schooldag, hadden ze eerst een brei-opdracht. 10 ribbels moesten er gebreid worden. Aan een werkje wat uiteindelijk een onderbroek voor een van de broertjes moest worden. Wanneer de 10 ribbels klaar waren werd het aan moeder getoond, die natelde of het klopte en weer met een draadje aangaf waar ze gebleven waren. Daarna pas mochten ze buiten gaan spelen. Lekker zullen die gebreide onderbroeken niet gezeten hebben, maar ook de broertjes moesten zich schikken.

Het gezin Witsenburg met Mien staande achteraan

Mien mocht de eerste klas van de ulo doen, maar daarna vond vader Witsenburg het genoeg. Ze moest maar naar de naaischool. Kon ze het werk van de huisnaaister overnemen. Er was best veel naaiwerk in een gezin met zes kinderen. De meisjes hadden meestal dezelfde jurk. Voordelig was het om uit een lap 2x hetzelfde patroon te knippen en dan was het ook nog zo dat zo’n jurk lang mee moest gaan, dus een dubbele zoom voor op de groei. Eerst is een nieuwe jurk alleen voor de zondag, het volgende jaar voor naar school, weer een jaar later mag je er mee buiten spelen en afgedragen wordt de jurk in huis. Zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen, zegt men. Maar in de crisistijd was zuinigheid maar al te nodig. Na oud en nieuw had je de jaarlijkse uitverkoop en de eerste dag van de uitverkoop toog moeder Witsenburg met haar zuster naar Den Haag om daar haar slag te slaan. Mien moest dus naar de naaischool die in het St.Agathaklooster was. Boven de voordeur was het lokaal. Ze deed 2 jaar naaischool, maar ondertussen moest er thuis gewerkt worden. Toen haar zusje de 7e klas afgerond had moest ook zij van school. Thuis was werk genoeg. De hulp in de huishouding, de huisnaaister, allemaal kostenposten voor werk dat de meisjes ook konden doen. In die tijd werd er in hun gezin nog een enorm verschil gemaakt in de opleiding die de meisjes kregen en die de jongens mochten volgen. De broers mochten wel verder studeren. Meisjes waren voorbestemd voor het huishouden. Je moest je er maar in schikken. Daar kwam nog bij dat moeder vaak last had van een open been. Ze moest de klanten in de winkel helpen, maar had zelfs achter de toonbank een kruk staan waar ze haar been op kon leggen om die te ontzien. Staan is natuurlijk funest voor zo’n open wond. Op een dag zat Mien thuis voor het raam huiswerk te maken toen er opeens aan de overkant allemaal ingekwartierde officieren naar buiten kwamen rennen. Duitsland had aangevallen, Nederland was in oorlog. Zo’n moment dat het begin van de oorlog inluidde vergeet je nooit. We weten allemaal dat het een ongelijke strijd werd, op 15 mei volgde de capitulatie. ‘Nederland staakt den strijd’, kopten de kranten.

Oorlogstijd
Langzamerhand veranderden de omstandigheden. Om te voorkomen dat er schaarste zou ontstaan werd al snel het distributiesysteem verder uitgebreid. Dat systeem zou een eerlijker verdeling van goederen moeten geven. Het systeem dat iets “op de bon” was bestond al tijdens de mobilisatie, bijv. voor suiker. Distributiestamkaarten voor het bonnensysteem waren er dus al. Het zou ook hamsteren moeten voorkomen. Voor de bakkers gold het bonnensysteem vanaf juni 1940 voor brood. Voor banket volgde dat later. Voor de klanten was het wennen, dat gedoe met die zegels, maar voor Mien betekende het veel meer werk. In de winkel natuurlijk, maar ook bij de bestellingen voor het meel. Grossier Verduijn leverde het meel, maar ook daar gold zo’n verdeling. De vaste klanten van de bakkerij werden door de bakkersknecht, met zijn fiets met mand voorop, bezocht. Hij inde dan meteen de bonnen. Wekelijks afrekenen was gebruikelijk. Dat alles moest dan thuis gecontroleerd worden en hoorde bij de taken van Mien. Ze heeft wat bonnen geplakt!

Laatste oorlogsjaar
De oorlogstoestand werd steeds moeilijker, maar het laatste oorlogsjaar was echt dramatisch. Moeder wordt in de winkel een keer bedreigd en gesommeerd fietsen af te geven. Maar moeder komt oorspronkelijk uit Zeddam, vlak bij de Duitse grens en kan daardoor prima in het Duits van repliek dienen. “Ich ruf den Ortskommandant” en het loopt goed af. Wanneer Mien op een avond na spertijd even de straat op loopt komen er een paar militairen met hun vriendinnen aanlopen. Wilden ze indruk maken op die meiden? Feit is dat ze Mien achterna gaan, maar die rent het huis in en verdwijnt in het toilet. Wanneer de Duitsers haar aanwezige broer vragen weet die zogenaamd van niks. “Ze is het poortje uitgelopen”. Eigenlijk maar kleine ergernissen. Maar het wordt wel steeds dreigender. Miens broer moet onderduiken en als vanzelfsprekend neemt Mien zijn werk over. Dat bestaat uit illegale krantjes ophalen in Hillegom en ze dan weer verspreiden in Lisse. Het is een strenge winter en ze vertelt van de wandeling met zus en vriendinnen naar Hillegom. Zij even alleen naar een huis in het begin van Hillegom om de blaadjes op te halen. Diepe zakken in de rok voldoen daar prima voor. Dan weer terug naar de anderen en samen in de sneeuw weer terugwandelen naar Lisse. In Lisse volgt het distribueren, waarbij ook een huis is in de Veldhorststraat, naast een huis waar Duitse militairen verblijven. Niet ongevaarlijk, maar je deed het gewoon. Ondertussen kwam er gebrek aan van alles. Voor hout werd ’s nachts wel illegaal gekapt in het Keukenhofbos. Daar waren ook agenten bij betrokken, zoals de huisvriend van de familie, Tien L’Abée, die actief was in het verzet. De houtoogst werd wel naar de bakkerij gebracht om daar verzaagd te worden. De bakkerij was toch leeg omdat er inmiddels centraal gebakken werd. Elektriciteit hadden ze nog wel, want het gist voor alle bakkers werd bij hen in de ijskasten bewaard. Voedsel werd een enorm probleem. Gelukkig had vader contacten in de Haarlemmermeer waardoor er wat extra, weliswaar illegaal, meel was. Regelmatig kwamen er onbekenden uit de stad die op voedseltocht waren.
Eerst konden ze nog wel een half broodje krijgen, maar met het steeds toenemende aantal mensen dat langskwam was ook dat niet meer mogelijk. Zij kregen dan een boterham met bietenstroop. Nu was dat brood niet meer van beste kwaliteit. Er zat ook aardappel- en peulvruchtenmeel in. Het was heel donker, beetje zurig, brood, maar met de zoete bietenstroop toch wel te eten. Nog verbaast Mien zich over de jonge vrouw die op een dag ook zo’n snee brood met bietenstroop kreeg. Met een “vreet dat zelf maar”, gooide ze de boterham weg. “Dat doen we ook” kon Mien antwoorden. Het gezin Witsenburg at het brood met bietenstroop inderdaad zelf ook. Anderen hielp vader Witsenburg graag. Er waren er genoeg in de winkel die heel blij waren met zo’n snee met stroop.

Tijdens de mobilisatietijd was er al schaarste aan producten. Het bonnensysteem ging tot ver na de bevrijding door.

De bevrijding

Bevrijdingsoptocht, weer eens lekker gek doen
met vrienden en vriendinnen. Mien met bakkersmuts.

Eindelijk was Nederland dan vrij. Er werd veel gefeest, maar niet alleen dat, er was ook veel kwaadheid. Politieman L’ Abée heeft haar nog gevraagd naar namen van moffenmeiden. Hij had een lijst met namen en vroeg wat zij wist. Ze heeft gezegd wat ze wist; die wel, die niet en ik weet het niet. Langzamerhand werd het leven wat normaler. Hoewel het voedselprobleem niet meteen is opgelost. Mien herinnert zich heel goed de droge kaakjes die beschikbaar kwamen. Grote blikken met droge kaakjes kwamen in de bakkerij en moesten daar weer verdeeld worden over de klanten. Een nieuwe, maar wel dankbare taak voor Mien. In het begin vond je de kaakjes heerlijk, maar goedbeschouwd bleek een gewoon biscuitje veel lekkerder, maar dat waren ze totaal ontwend, die waren er al zo lang niet meer. Mien kreeg voor haar activiteiten zoals het rondbrengen van de illegale kranten een penning of een oorkonde. Maar die zijn in de loop der jaren onvindbaar geraakt.

De winkel

Na de oorlog stopte vader met broodbakken. Hij had zwaar astma en het werk kon hij niet meer aan. De ijssalon kreeg meer aandacht. Zondags ging de zaak om 1 uur open. Van oudsher at het gezin tussen de middag warm, maar de zaak ging voor. Nog niet gegeten, jammer dan, eerst de ijsverkoop, waarbij ook wel vriendinnen van de dochters werden ingeschakeld. Omdat vader door zijn astma steeds vaker moest verzuimen leerde ook Mien het ijs maken. Toch werd langzamerhand duidelijk dat de zaak en alles wat er bij kwam kijken, ondanks de hulp van Mien en haar zus, niet vol te houden was voor vader. Hij wilde de zaak verkopen. Hij vroeg nog wel of ze de zaak wilde overnemen, maar was zo onduidelijk over hoe dan, dat ze nee heeft gezegd. Binnen een paar weken was de zaak beklonken. De zaak werd verkocht aan J. Beijersbergen, onder de voorwaarde dat ze nog een half jaar boven de zaak mochten blijven wonen. Voor Mien kwam daarmee ook een einde aan haar werk in de salon. Ze moest op zoek naar een baan en vond die bij V&D in Leiden. Tot haar trouwen heeft ze daar gewerkt in de hoofdkassa. Werken met klanten, met centen, dubbeltjes, met bonnetjes en kasopmaken, ze was er van jongs af aan vertrouwd mee.

Vinden van een woning
Hoe vind je een woning rond 1950. In 1948 verklaarde minister van Wederopbouw In ’t Veld de woningnood al tot volksvijand nummer 1. In de oorlog lag de woningbouw stil en er was natuurlijk ook veel vernield. Op het gemeentehuis kreeg Witsenburg te horen dat hij een woning aan de Kanaalstraat kon krijgen. Het pand stond al jaren leeg en was met recht een onbewoonbare woning. Commentaar van vader Witsenburg: dan leg ik wel een matras op het Vierkant. Uiteindelijk kwam er gelukkig toch een woning beschikbaar in De Engel. Nu wilde de familie graag naar Leiden. Daar woonden broers van vader Witsenburg en hij had al een huis gekocht naast dat van een van zijn broers. Maar dat huis was al bewoond, dus niet beschikbaar. Uiteindelijk is het er nooit van gekomen om in dat huis te gaan wonen, maar Leiden lukte op een gegeven moment wel. Woningruil bood de mogelijkheid om naar die plaats te verhuizen.

Theo Grimbergen

Van dit papiertje werd Theo waarschijnlijk een stuk vrolijker

Toen de zaak Witsenburg verkocht werd had Mien net haar latere echtgenoot, Theo Grimbergen, ontmoet. Ze kende hem wel vaag, maar hij was 6 jaar ouder dan zij en pas weer terug in Lisse. In het begin van de oorlog werkte hij bij bollenbedrijven. Dat werk was geen vast werk dus aan het eind van het seizoen betekende dat: naar het arbeidsbureau (sinds oktober 1940 Rijks arbeidsbureau geworden) op zoek naar een nieuwe baan. Zo kon het gebeuren dat hij als 17-jarige werkloze gedwongen werd naar Frankrijk, Normandië, te gaan om er te werken via Organisation Todt aan de verdedigingslinie, de Atlantikwall. Hij was beslist niet de enige uit onze streek die via het arbeidsbureau tewerkgesteld werd in Frankrijk. Ook een broer en zwager werden in Frankrijk tewerkgesteld. Wanneer je weer werk vond kon je natuurlijk in Lisse blijven, maar dat lukte niet. Theo is wel met verlof in Nederland geweest, maar moest toch weer terug. Na de geslaagde invasie van de geallieerden in Normandië in juni 1944, sloot Theo zich aan bij het Engelse leger. Hij maakt deel uit van de troepenmacht die Zeeuws Vlaanderen bevrijdt in het najaar van 1944. Ze verblijven nog 3 maanden in Zeeuws-Vlaanderen voor ze de Schelde over kunnen steken voor de verdere bevrijding van Zeeland. Na de bevrijding gaat hij met zijn legereenheid mee naar Engeland waar hij nog een half jaar in de kazernezit. Nederland is bevrijd, maar in Indië zijn de Japanners eerst nog aan de macht. Na de capitulatie van Japan moet het Nederlandse gezag hersteld worden denkt de Nederlandse regering. Dat houdt in dat er dan ook een krachtig Nederlands leger moet zijn, dus wordt er geronseld onder de Nederlandse militairen die in Engeland zitten. Theo is een van de vrijwilligers die tekent om met bataljon “Zeeland” naar Indië te gaan. Mien weet dat er in ieder geval nog een jongen uit De Engel met dezelfde groep naar Indië ging. In 1947 krijgt Theo de machtiging om het Oorlogsherinneringskruis met gesp “krijg te land 1940-1944” te dragen. Hij vertelde nooit veel over de oorlogsperiode. Over het tekenen van een contract voor Indië zei hij later: dat was het stomste wat ik gedaan heb. Na de bevrijding gaat hij met zijn legereenheid mee naar Engeland waar hij nog een half jaar in de kazerne zit. Nederland is bevrijd, maar in Indië zijn de Japanners eerst nog aan de macht. Na de capitulatie van Japan moet het Nederlandse gezag hersteld worden denkt de Nederlandse regering. Dat houdt in dat er dan ook een krachtig Nederlands leger moet zijn, dus wordt er geronseld onder de Nederlandse militairen die in Engeland zitten. Theo is een van de vrijwilligers die tekent om met bataljon “Zeeland” naar Indië te gaan. Mien weet dat er in ieder geval nog een jongen uit De Engel met dezelfde groep naar Indië ging. In 1947 krijgt Theo de machtiging om het Oorlogsherinneringskruis met gesp “krijg te land 1940-1944” te dragen. Hij vertelde nooit veel over de oorlogsperiode. Over het tekenen van een contract voor Indië zei hij later: dat was het stomste wat ik gedaan heb. Na de bevrijding gaat hij met zijn legereenheid mee naar Engeland waar hij nog een half jaar in de kazerne zit. Nederland is bevrijd, maar in Indië zijn de Japanners eerst nog aan de macht. Na de capitulatie van Japan moet het Nederlandse gezag hersteld worden denkt de Nederlandse regering. Dat houdt in dat er dan ook een krachtig Nederlands leger moet zijn, dus wordt er geronseld onder de Nederlandse militairen die in Engeland zitten. Theo is een van de vrijwilligers die tekent om met bataljon “Zeeland” naar Indië te gaan. Mien weet dat er in ieder geval nog een jongen uit De Engel met dezelfde groep naar Indië ging. In 1947 krijgt Theo de machtiging om het Oorlogsherinneringskruis met gesp “krijg te land 1940-1944” te dragen. Hij vertelde nooit veel over de oorlogsperiode. Over het tekenen van een contract voor Indië zei hij later: dat was het stomste wat ik gedaan heb.

Verkering
In 1948 komt Theo terug naar Lisse en ontmoet hij dus Mien Witsenburg. Ze krijgen verkering en er komen trouwplannen. Was het voor het gezin Witsenburg al moeilijk om een woning te bemachtigen, voor een jong stel is het schier onmogelijk. Je moet je weer schikken naar de omstandigheden. Na 6 jaar verkering konden ze inwonen bij de ouders van Theo. De meeste kinderen uit dat gezin waren inmiddels uitgevlogen. De familie woonde aan de Kanaalstraat in een behoorlijk groot huis met beneden kamer en suite. In de achterkamer kwam een opklapbed te staan. De achterkamer werd slaapkamer voor vader en moeder Grimbergen. Een slaapkamertje boven, aan de voorkant, werd een soort huiskamer voor het jonge stel. Theo timmerde een keuken in een slaapkamer achter en ze sliepen op zolder. Uiteindelijk hebben ze 3 jaar ingewoond en zijn ook de beide kinderen daar geboren. Gelukkig was er toen al een extra slaapkamer beschikbaar gekomen omdat een andere Grimbergentelg het huis uit ging.

Mien Witsenburg

 

Nieuw VOL-Nieuwsblad, vol met oud nieuws.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                            

11 augustus 2020

door Nico Groen

Onlangs is weer het Nieuwsblad van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” uitgekomen. Het kwartaalblad van 32 pagina’s is in full couleur op A4 formaat. Het  blad staat ook deze keer vol interessante informatie en mooie foto’s.

Anneke Ruys, dochter van de welbekende dominee van de gereformeerde kerk, hield als jong meisje in de periode 1943-1945 een dagboekje bij. Anneke publiceerde haar dagboekje in 2005 bij uitgeverij Kirja. Het boekje kreeg de titel ‘T WORDT VAST GAUW VREDE. De bibliotheek van de VOL is in het gelukkige bezit van een exemplaar. In het recent verschenen Nieuwsblad staat een samenvatting van maar liefst 3 pagina’s.

Verhalentafel

In het Nieuwsblad worden ook verhalen aangehaald, die voor de coronatijd in de Vergulde Zwaan verteld werden aan de maandelijkse verhalentafel. Aan de orde kwam bijvoorbeeld dat tijdens de oorlog veel scholen werden gevorderd door de Duitsers. Waar moest er les gegeven worden? Kinderen moesten gedurende die tijd naar andere locaties om te leren.

In een ingezonden brief beschrijft Frans Schenk hoe hij als een klein mannetje de oorlogstijd beleefde. Een verhaal zoals ze ook aan de verhalentafel worden verteld. Schuif ook eens een stoeltje aan bij de verhalentafel in de Vergulde Zwaan.

De gebeurtenissen rond het tv-spektakel ‘Spel zonder grenzen’ van de NCRV werden minutieus bijgehouden door Wilmy Hazelaar, deelneemster voor Lisse. In het Nieuwsblad vindt u een uitgebreid verhaal van haar belevenissen. Zij schonk de VOL 3 plakboeken.

Waarom de Kloppenbrug in de Achterweg-Zuid over het Mallegat zo wordt genoemd? Dat kunt u lezen in twee artikelen in de rubriek ‘Oud Nieuw’. De Kloppenbrug herinnert nog aan kloppen. Maar waarom is die plaats verbonden met kloppen en wat waren kloppen eigenlijk?

Ingebrachte schenkingen van het voorafgaande kwartaal worden ook altijd vermeld in het Nieuwsblad. Deze keer waren er een twintigtal vermeldingen, waaronder 18 foto’s van de mobilisatie en 38 ansichtkaarten.

Het Nieuwsblad is te koop voor 5 euro en te verkrijgen tijdens de wekelijkse VOL-inloop van 9.00 uur tot 12.00 uur op dinsdagmorgen in de Vergulde Zwaan, 1e Havendwarsstraat 4. Daar kan men zich ook opgeven als lid. Het lidmaatschap is 20 euro per jaar voor mensen die in Lisse wonen. Leden krijgen de 4 Nieuwsbladen dan gratis . Ook de thema-avonden zijn gratis voor leden. Een aanmeldingsformulier en informatie over de doelstellingen van de vereniging is te vinden op de website Oudlisse.nl. Ook kunt u mailen naar onderstaand mailadres.

Het nieuwste kwartaalblad van de VOL. Dit jaar wordt extra aandacht besteed aan 75 jaar vrijheid.

 

Bij de voorplaat: Van Rijckevorsel en Kraak bij het gemeentehuis

Redactie

Nieuwsblad jaargang 19 nummer 1 2020

De grauwe grijze jaren zijn voorbij, de velden dragen extra kleuren op de wangen, oranje sjerpen overal. Onze driekleur mag weer uit de ramen hangen. Mensen groot en klein verdringen zich bij het raadhuis om getuige te zijn van de terugkeer van burgemeester Van Rijckevorsel (links). Hij was niet ver weg geweest, hij was zelfs nog in Lisse.
Ondergedoken bij het broederklooster bij de Engelen kerk als zijnde broeder Seraphinus geheel in stijl. De heer Kraak (rechts) was de leider van het Lisses verzet. Als dierenarts kon hij overal komen, bij boeren, burgers en buitenlui, ook de Duitsers hadden paarden. Dierenarts was misschien wel de beste dekmantel die je kon bedenken. Overal waren er dieren die wel eens een bezoekje van Kraak nodig hadden. Anders was er wel een dierenziekte te bedenken voor een bezoekje, zelfs in de nachten is een dierenarts actief. Zo kwam men aan belangrijke informatie over van alles en nog wat. Er kon ook nog wel eens wat heen en weer gesmokkeld worden onder die dekmantel (wat speklapjes of zo). Zal wel wennen zijn geweest om het gewone leven weer op te pakken.

Burgemeester Van Rijckevorsel en verzetsbaas Kraak

BIJ DE HARTPAGINA: De bevrijding 75 jaar

Redactie

Jaargang 19 nummer 2, 2020

Het hele land vierde feest, wat een opluchting! Vlaggen uit de mottenballen wapperen in alle straten. Verkleedpartijen 0veral. Optochten, bijeenkomsten, het kon allemaal weer. Legervoertuigen van de bevrijders rijden nu over de Heereweg. Iedereen wilde wel zien wat de Duitsers hadden achtergelaten in het bos. Al wat eerder hadden ze zelf de V1 lanceerinstallatie opgeblazen, een hoop verwrongen staal was het resultaat. Burgemeester Van Rijckevorsel was blij dat hij nu uit zijn schuilplaats kon komen. Hij was zolang als broeder in het klooster getreden, en voelde zich weer vrij zonder de pij en deed zijn ambtsketen weer om de nek. Kapelaan Wuijster was juist blij bevrijd te zijn van de ketens van Dachau, in zijn pij voelde hij zich juist weer vrij. Victorie, vrede, vier de vrijheid. Samen zingen, huldezangen en uit volle borst het Wilhelmus. E n ‘Op de hoek van de straat, staat een NSB’er, ‘t is geen man, ‘t is geen vrouw, ’t is een farizeeër. Met een krant in de hand, staat hij daar te venten. Hij verkoopt zijn vaderland, voor vijf losse centen.’ Niet zachtjes of stiekem neuriënd, zo hard als je maar kon terwijl het over het schoolplein galmde, waar de kapper grijnzend jonge dames kaal knipte die verliefd waren geworden op een Heinz of Günter. De meesten van hen waren ook liever bij hun moeder thuis was gebleven. Ach en neem nu Trees, die deed het liever met een Canadees. Misschien waren al die verliefde meisjes een beetje in de war. ‘Make love, not war’, zou Misschien waren al die verliefde meisjes een beetje in de war. ‘Make love, not war’, zou Churchill hebben kunnen zeggen. Na 75 jaar vrijheid kunnen we wel vergeven, vergeten doen we niet, als de vrijheid je lief is.

Foto’s van 75 jaar bevrijding

SCHOOLTIJD: WAT NU ALS DE SCHOOL DICHT IS?

Tijdens een bijeenkomst van de verhalentafel kwam de schooltijd tijdens de oorlog aan de orde. Diverse scholen werden gevorderd.

door Liesbeth Brouwer

Jaargang 19 nummer 2, 2020

Je eerste schooldag is een mijlpaal. Het oude versje spreekt voor zich. Na die eerste schooldag wordt school heel gewoon. Maar sinds half maart blijkt dat toch niet gewoon. De scholen gingen dicht. Dit jaar vieren we 75 jaar vrijheid. Schoolplicht was er 75 jaar geleden ook. Maar naar school gaan was toen niet altijd even vanzelfsprekend.

HOBAHO les in de mijnzaal tijdens de mobilisatie 1939.

Augustus 1939 begint de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger. In de maanden erna plaatst vhet Nederlandse leger militairen door het hele land. Waar moet je die mannen allemaal onderbrengen? Ze worden ingekwartierd, in leegstaande gebouwen, maar vaak ook in scholen. Scholen zijn prima onderkomens, groot genoeg om een eenheid onder te brengen, inclusief de keuken. Het liedje “Rats, kuch en bonen” stamt uit deze tijd. Ook de burgers voelen de oorlogsdreiging. Hamsterwoede zoals we zagen met ons wc-papier was er toen ook.

Ook de veilingzaal van de HBG was tijdens de mobilisatie een leslokaal.

Niet om closetrollen (het stukje krantenpapier was toen nog gewoon), maar gewone levensmiddelen werden gehamsterd. Snip en Snap maakten er een cabaretliedje over: ‘Holderdebolder, we hebben een koe op zolder’. Ook in Lisse worden militairen ondergebracht bij de scholen. Bijvoorbeeld in de Ned. Herv. school in de Lisbloemstraat. En de kinderen dan? De meesters en juffen moesten flink improviseren op allerlei locaties. Lesgeven was hun drijfveer, maar ook hun zorg.

School Vuursteeg

Op de verjaardag van prinses Juliana werd in 1940 voor de jeugd nog een tocht per schuit door de bollenvelden georganiseerd. Op 1 mei was er nog een défilé langs het gemeentehuis ter gelegenheid van de 64e verjaardag van het regiment veldartillerie dat hier gelegerd was. Dreiging was er zeker, maar men hoopte neutraal te blijven.

De kinderkrant
Op school zullen de kinderen wel de “nieuwe spelling” geleerd hebben. Die was eind dertiger-jaren ingevoerd. Het Leidsch Dagblad gaf een kinderkrant uit met verhaaltjes, gedichtjes, raadseltjes van de raadseltante, grapjes, verjaardagen en heel veel reacties op briefjes van kinderen. In juni 1939 stond er in de kinderkrant dat ze vanaf die tijd de nieuwe spelling zouden hanteren. De krant werd ook door veel kinderen uit Lisse gelezen. Volgens de kinderkrant van begin 1940 heeft Lisse dan 9792 inwoners.

Zomaar wat namen van kinderen uit Lisse die we in de kinderkrant van 1940 terugvinden: Geertje Borst, Anna Schakenbos, Gretha vd Lans, Piet vd Aart, Truus Kleijhorst, Nico Kors, Bertie vd Berk, Gerrit vd Aart, Jootje van Dijk, Leo Meijer. De aanval van de Duitsers zette natuurlijk alles op zijn kop. In de kinderkrant van 25 mei stond: ……Er is een hoop gebeurd na onze vorige briefwisseling. Heel veel droevigs…. In de Nieuwe Leidsche Courant van 25 mei stond bij de kinderkrant: ….Hollanders zijn altijd taaie lui geweest, vol wilskracht en uithoudingsvermogen. Tonen we als jongens en meisjes dat die kostelijke goederen ook ons eigendom zijn…. Het Leidsch Dagblad van 1 juni: …….Wij zijn nog onder de indruk van de oorlogsdagen, dat sprak ook uit jullie brieven…………De meesten van jullie zijn weer naar school en flink aan het werk getogen. Zo moet het ook!….

Begintijd oorlog
De Nederlandse strijdkrachten hebben geen enkele kans tegen de Duitse overmacht. Overgave volgt en de Nederlandse militairen worden gedemobiliseerd. De meesten gaan weer naar huis. Het gewone leven wordt min of meer hervat. Dat geldt ook voor de scholen. Hoewel, na een paar maanden neemt de Duitse bezetter de eerste maatregelen, die het Nederlandse onderwijs betreffen. Er komt een lijst van verboden boeken en liederen. Op de zwarte lijst staan zo’n 150 titels die in het lager onderwijs gebruikt worden. Ook het veelgebruikte voorleesboek “Er op of er onder” van W.G. van der Hulst werd verboden. Het verbod wordt op grote schaal ontdoken. In het eerste oorlogsjaar volgt ook de verplichte Ariërverklaring voor het onderwijspersoneel. Sluipenderwijs wordt lesgeven en les krijgen lastiger.

Verdere oorlogsjaren
Eerst leek het leven nog enigszins normaal door te gaan, maar naarmate vrede langer uitbleef werden de gevolgen van de oorlog steeds meer voelbaarder. Er kwamen tekorten op allerlei gebied, ook op papier moest men zuinig zijn. Op 18 januari 1941 stond in de Kinderkrant: ….Je mag wel een klein of een half velletje papier nemen (dit met het oog op de papierbezuinigingen)… Op 24 mei: …dat door papierschaarste het aantal bladen van elke krant ingekrompen moet worden… voor de Kinderkrant minder ruimte beschikbaar, zodat deze voorlopig slechts om de veertien dagen zal kunnen verschijnen……

Op 18 oktober: …..ONZE KINDERKRANT KAN VOORLOPIG NIET MEER VERSCHIJNEN…Het is noodzakelijk geworden door de papierschaarste……Ook op de scholen ontstonden tekorten. Pennen en schriften werden schaars, ondanks de eerdere hamsterwoede van onderwijzers. Door brandstofschaarste werden de schooltijden officieel aangepast: woensdagmiddag geen vrij meer maar naar school en dan zaterdag de hele dag vrij.

Verhalen van leerlingen
In het vorige Nieuwsblad werd verteld over het bestaan van de Verhalentafel. Vanwege corona werden de bijeenkomsten voorlopig gestaakt. Door de deelnemers was al wat gepraat over hun jeugdjaren waardoor toch iets van hun verhalen in dit stuk is verwerkt. Telefonisch contact was zelfs extra waardevol. Mevrouw Puck de Vroomen zit op de St. Agathaschool. In 1939 worden deze school en de naastgelegen St. Josephschool gevorderd voor de mobilisatie. Toen begon al het geschuif met leerlingen en schooltijden. Sommige leerlingen vertrokken naar de Beekbrugschool. Er werd op diverse plaatsen lesgegeven. In de filmzaal van de bioscoop achter de Witte Zwaan (waar nu de Digros is) maar ook in de school in de Schoolstraat (nu De Akker). Ook in de HoBaHo werd les gegeven. Puck herinnert zich het zitten in een soort amfitheater. Dat was de veilingzaal. Ze hadden een soort klepkastjes en tot grote ergernis van de juf drukten ze met z’n allen op de knoppen van de veilingklok. Ze vertelt dat thuis in een grote wasketel suikerbieten gekookt werden. Daar werden bietenkoekjes van gemaakt. Dan spijbelde ze, want dat was een lekker karweitje. Omdat er zo onregelmatig les was viel het haar ouders niet eens op. Een broer van haar was op het Triniteitslyceum in Haarlem, wat op een gegeven moment ook niet meer mogelijk was. Maar op een dag in het laatste oorlogsjaar kwam iemand, een man gekleed in vrouwenkleren, op de fiets met houten banden bij de familie Beelen. Het bleek een leraar van het lyceum. In het kantoortje werd omgekleed. Hij at natuurlijk mee, verkleedde zich weer in de vrouwenkleren en ging weer op weg naar Overveen, met o.a. bruine bonen. Toen Puck in de oorlog van de lagere school kwam ging ze naar de rk.mulo. Les kreeg ze in een soort huiskamer in het patronaatsgebouw (nu Welkom). Ze waren met 5 meisjes en een paar jongens. Het examen moest gedaan worden in 1945, maar net als nu met de eindexamens, kon dat niet op de gebruikelijke manier doorgaan. Ze kregen wel hun diploma. Wat doe je dan na de oorlog. Alles is nog erg onzeker. Dan maar naar de huishoudschool aan het Galgewater in Leiden voor de opleiding in huishoudkunde. Nog een hele onderneming. Aan het eind van de oorlog was de brug bij het Groene Kerkje in Oegstgeest, waar de blauwe tram over reed, opgeblazen. Daar was dus de laatste tramhalte vanuit Lisse en daar moest overgestapt worden op kleinere Leidse stadstrammetjes. Er was altijd wel een goed excuus om te laat te komen. Mevrouw Ina van Leeuwen-Groen in ’t Woud is iets jonger dan Puck de Vroomen maar gaat naar dezelfde school. Ze was op de kleuterschool aan de Achterweg geweest. Het schooljaar begon op 1 april. Ze herinnert zich dat ze in de oorlogstijd ook veel thuis was omdat er geen school was. Ook waren er in het hele dorp evacués waarvan ook kinderen naar school moesten. Dat startte al met gezinnen uit Rotterdam. Er kwam gebrek aan van alles. Ze droeg naar school geen schoenen, maar een soort houten zolen met riemen. Dat klepperde enorm. Ze noemt de naam van de klompenmaker: van den Berk. Ina’s man, Aad van Leeuwen, vult aan dat zijn vader ook wel klompen maakte. Hij woonde in De Engel en er waren veel grote gezinnen die natuurlijk allemaal schoeisel nodig hadden. De scholen waren na de oorlog natuurlijk uitgewoond na al die militairen die er gehuisvest waren geweest. De kinderen waren sterk ondervoed. Er werd gekeken of ze bijvoeding nodig hadden. Zelf kon Ina er net mee door, maar haar oudere zus en ook haar man Aad kregen extra voeding. In de HoBaHo kregen ze schoolpap. Sommige kinderen waren er nog slechter aan toe. Die werden soms zelfs een tijdje naar Denemarken gestuurd.
Mevrouw Daudeij woonde in de Schoolstraat. Ze vertelde eerder in de verhalentafel: En toen kwam Dolle Dinsdag. Wat een feest. Mijn twee oudste zusjes mochten mee naar het dorp maar ze kwamen alweer snel terug. Vanwege het onder water zetten van Walcheren werden veel evacués in Lissese gezinnen opgenomen. De school tegenover ons huis werd ook door de geëvacueerde kinderen bezocht. Op zekere dag was de school dicht en werd er geen les gegeven. Eén van de meisjes wist dat kennelijk niet. Toen één van haar zusjes die bij ons woonde haar zag lopen rende ze naar buiten en riep: ‘Jaantje, Jaantje….oans heb vrie.’ Dat is in ons gezin jarenlang een gevleugelde uitdrukking gebleven.

Verder uit de verhalentafel
Aan de verhalentafel schuiven niet alleen geboren Lissers aan. Heiltje Koning–van Vuuren, oorspronkelijk uit de Biesbosch, vertelde: Jullie weten vast wel dat in de oorlog de Biesbosch een plek was waar veel onderduikers een veilige plek zochten. In de kreken lagen overal kleine arkjes waarin ze overnachtten. In 1943 kwamen de Duitsers met grote groene overvalwagens om die onderduikers op te sporen. Als ze gepakt werden, werden ze in de Duitse fabrieken tewerkgesteld. In die tijd werden wij met paard en wagen naar school in Werkendam gebracht. Ik was toen acht jaar. Op een ochtend moest Albert, een van de arbeiders van de polder, ons naar school brengen. We waren nog maar net op weg toen een van ons zei: ‘Kijk . . . daar komt een Duitse wagen aan. Er is vast een razzia’. We vroegen Albert om te draaien. Maar hij antwoordde: ‘Ik moet jullie naar school brengen en dat doe ik ook.’ We kwamen de auto tegen en kregen het bevel om te stoppen. Een Duitse officier kwam naar ons toe met een geweer aan zijn schouder. Hij vroeg of mijn broer kon rijden. Maar hij zei dat hij dat niet kon en naar school toe moest. Ook de andere jongens konden niet met paard en wagen omgaan. Daarom moest onze Albert toch omdraaien en de officier kwam naast hem zitten. Wij weer terug naar huis. Thuisgekomen moest Albert wat kleding ophalen en afscheid nemen van zijn vrouw en zoontje. Toen moest hij mee in de overvalwagen om in Duitsland te gaan werken. Ik hoor nog de schreeuw van dat kleine ventje. Gelukkig kwam Albert in 1945 weer terug, brood- en broodmager.

Bevrijding
Eindelijk volgt dan de bevrijding. Met overal feesten en optochten, soms nog veel verwarring en onzekerheid. Maar vooral tijd om weer aan de opbouw te beginnen. Voor de scholen was er veel in te halen. Bijvoorbeeld bij de Beekbrugschool. Die was in december 1944 zo’n maand bezet door Duitsers. Zij stookten alle stoelen en banken op om het warm te krijgen en uit balorigheid(?) werden ook de radiatoren vernield. Die winter konden de kinderen niet meer naar school. Op 16 febr. 1946 was er in het Leidsch Dagblad weer een rubriek voor de jeugd. Nog maar klein, want er was nog een papiertekort. Heel veel zaken waren nog steeds op de bon.

Een band
Ik (Liesbeth Brouwer, red) heb nogal geaarzeld of ik over de schooltijd in Lisse zou kunnen vertellen. Ik ben geen Lisser, maar ik ben er van overtuigd dat veel ouderen met mij in de huidige tijd, waarin de kinderen niet naar school konden, teruggedacht hebben aan hun eigen jeugd. Rien, mijn overleden man, vertelde vaak dat hij, op weg naar de kleuterschool waar hij net op zat, op de brug over het spoor de vliegtuigen aan zag komen. De slag om Arnhem was begonnen. Vluchten richting Apeldoorn. Geen kleuterschool en na de bevrijding ook geen huis meer in Arnhem. Voor mij zat de kleuterschool er ook niet in. Toen ik in 1947 aan de lagere school begon zaten we in het verwoeste Elst in de Over-Betuwe in grote, soms gecombineerde, klassen op diverse locaties. De buurgemeente van Elst, Bemmel, was ook zwaar getroffen door het oorlogsgeweld. Persoonlijke herinneringen uit een ander deel van ons land. Dan blijkt dat er toch een verband is tussen al die herinneringen. Want in het Leidsch Dagblad van juli 1945 lees ik dat Lisse in het kader van Nederlandsch Volks Herstel (NVH) Bemmel zal steunen met de wederopbouw. Op 22 febr. 1946 komt een delegatie van Bemmel naar de Witte Zwaan om voor alle geboden hulp te bedanken. “De oorlog vlocht een band tusschen Kersen- en Bollenland” was de leuze. Hier voel je toch even een parallel met de huidige coronatijd waar Rutte zegt: “we gaan dit samen doen”. Samen kregen we ons land en dus ook het onderwijs er weer bovenop. We vieren 75 jaar vrijheid. Om het vrij te zeggen naar de gevleugelde uitspraak bij familie Daudeij: “oans bin vrie.

INGEZONDEN BRIEF

Hoe een klein jochie de oorlog beleefde

Ben geboren in januari 1938. In het begin van de oorlog had ik geen enkel besef van wat er aan de hand was. Later begon ik langzamerhand te beseffen dat er veel Duitse soldaten in ons land waren die ons land wilden inpikken. Er werd verteld dat als er mensen waren die niet deden wat zij zeiden ze gevangen genomen werden en soms doodgeschoten. Ook dat er jonge mannen die zich niet vrijwillig gemeld hadden opgepakt werden om in Duitsland te werken. Ik kan me goed herinneren dat als er geruchten waren dat er een razzia op komst was in de Engelenbuurt waar ik toen woonde, dat mensen van de bedoelde groep het bollenland in liepen om zich te verstoppen. Ook hadden wij een onderduiker (uitgeweken werkweigeraar) uit Texel in huis. Bang hoefde ik niet te zijn, “kinderen deden ze niets” werd mij verteld. Zo werd ik af en toe naar mijn moeders stiefouders in Nieuw Vennep gestuurd om wat tarwe op te halen, want met kinderfietsjes konden ze de oorlog niet winnen. Verder kan ik nog flarden herinneren, zoals takken kappen met een zeer botte bijl in het Reigersbos. Mijn vijf jaar oudere broer sleepte ze dan daarna naar huis. Daar was ik ook toen het vliegtuig bij Bergman neer stortte in het land. Het schuilen in de kelderruimte tijdens de beschieting van een tram vanuit vliegtuigen, daar had ik een vreselijke hekel aan. Schuilen was helemaal niet nodig want ons huis hadden ze toch nooit geraakt, zo redeneerde ik. Als het dan weer voorbij was gingen we vliegtuigje spelen in de straat, armen wijd en pang, pang, pang roepen. Het verduisteren van de ramen, een kar van de gaarkeuken, tabaksplanten in de achtertuin en in de winter de stinkende schoorstenen want alles wat warmte kon geven ging de kachel in. En toen; dat opgevouwen witte laken werd uitgevouwen en het bleek dat ze drie kleuren had, rood, wit en blauw. Afmarcherende terugtrekkende moffen, dames die verliefd waren op Duitse soldaten werden kaal geknipt. Boerenkarren beladen met feestvierders en op elk pleintje de ‘okipoki’, ik had er nog nooit van gehoord maar dat was snel geleerd.

Frans Schenk.

Groenten-drogerij en -inmakerij  “CODRO” en die van Leo van Grieken door  A. Raaphorst Hz

Tijdens de eerste wereldoorlog waren de bollen niets waard. Daarom werd er massaal overgegaan op het telen van groente. Daartoe had Leo van Grieken een groentedrogerij en groente-inmakerij aan de Leidsche Trekvaart. Een grote coöperatieve drogerij was Cordo, die een drogerij bij Piet Gijzenbrug had. De leden verhandelden het meeste.

Opgetekend door Arie de Koning

1 juni 2020

De Grote Europese Oorlog 1914 – 1918 heeft zeer vele wantoestanden geschapen, maar ook eveneens vele andere, betere en nieuwere dingen tot stand gebracht.  De grote tegenslag in de Bloembollencultuur heeft de kwekers er noodgedwongen toe gebracht om zich te gaan toeleggen op het telen van allerlei soorten van groenten. Het gevolg hiervan was dat vooral in het jaar 1917 bij alle kwekers alle beschikbare grond en paden met allerlei soorten groenten was beplant. Dat voor de reeds in 1916 verbazende grote hoeveelheden groenten een afzetgebied moest worden gevonden behoeft geen betoog, En dat werd dan ook gevonden, deels in het uitvoeren in versche staat naar Duitschland en deels door drogen en verduurzamen en dan uitvoeren naar alle streken der wereld. Hiervoor werden op vele plaatsen inmakerijen en drogerijen opgericht. Lisse had ook zijne eerste groente drogerij en inmakerij, die gebouwd werd aan de Leidsche Trekvaart en voor rekening van de Bloembollen Exporteur Leo van Grieken die in 1917 zelfs niet eens reizigers heeft uitgezonden om bloembollen te verkopen omdat in de groenten grote kapitalen werden verdient en doordat de bloembollenhandel nu eenmaal aan  allerlei omstandigheden  onderhevig  was.

Wegens  de door de oorlogstoestand geschapen abnormale omstandigheden voor de Bloembollen cultuur, en het feit dat door alle kwekers het telen van groenten op grote schaal in toepassing werd gebracht, werd in het voorjaar van 1917, op initiatief van eenige kwekers opgericht: De Eerste Coöperatieve Groenten – drogerij –  Inmakerij en Handel  voor de Bloembollenstreek: “CODRO”  Deze Vereniging stelde zich ten doel om de door de bonafide bloembollenkwekers  geteelde groenten  langs Coöperatieve weg te drogen, in te maken  of in versche staat te verhandelen. Van deze Vereniging konden alleen diegene lid worden die het bloembollen kwekersbedrijf als hoofdbedrijf uitoefenden. Het bestuur van deze Vereniging met de Heer Krelage aan het hoofd verkreeg van de Minister van Landbouw het voorrecht, dat voor de leden van Codro, inzake de uitvoer der groenten zeer gunstige bepalingen werden gesteld. De Minister stelde zijnerzijds de bepaling dat Codro zich ten doel stelde de instandhouding van het bloembollen bedrijf. Alleen op deze voorwaarde beloofde de Minister gunstige bepalingen omdat hij zich alleen dan kon verantwoorden tegenover andere groentetelers die geen lid konden worden van Codro. Tegenover de kritiek die deze bevoorrechting heeft ondervonden van de zijde der andere groentetelers, is het goed dat dit geschreven wordt, anders zouden niet ingewijden ook tot de conclusie komen dat de Minister werkelijk de een bevoorrechtte boven de ander. Deze bevoorrechting bestond hieruit dat de Leden van Codro van elke soort groente een groter percentage voor de export mochten verkopen dan de niet leden. Bij voorbeeld de groene uien mochten voor 100% door Codro uitgevoerd worden en door niet leden maar 60%. Men zou algemeen verwachten dat alle bollenkwekers direct lid van Codro zouden worden, maar dit was lang niet het geval.  Doordat de oprichting van Codro voor de particuliere handelaars en exporteurs in groenten een strop was behoeft geen betoog en door dezen zoveel mogelijk werd afgetakeld. Het gevolg was dat vele kwekers zich lieten ompraten en geen lid werden, voor al niet omdat er nogal enig financieel bezwaar aan was verbonden, want de leden van Codro moesten voor elke hectare die zij in cultuur hadden een aandeel nemen van ƒ100,- en voor elke hectare bovendien een contributie betalen van ƒ5,- en voor elke hectare ƒ1,50 voor registratie. Op de aandelen behoefde echter voorlopig maar ƒ25,- per aandeel gestort te worden waarvoor een rente vergoed werd van 5%. Toen men echter zag welke voordelen het lidmaatschap van Codro direct afwierp, werd de toeloop groter zodat wij op het ogenblik (1917) gerust durven veronderstellen dat minstens 95% van de kwekers als leden zijn toegetreden. Door Codro werd ene eigen groenten-drogerij en inmakerij gesticht aan de Piet Gijzenbrug, terwijl zij tal van andere drogerijen heeft gecontracteerd voor het drogen van de groenten van de leden. Behalve voor verschillende soorten van groenten hebben de leden van Codro zich ook verplicht om de Bloembollen voor abnormaal gebruik, bijvoorbeeld voor veevoeder alleen te verkopen door middel van Codro, om te voorkomen dat deze bollen als veevoeder in het buitenland verkocht niet als normaal gebruik worden gebezigd en zo een hogere prijs af te kunnen bedingen. Van de handel in bloembollen voor abnormaal gebruik is intussen niet veel terecht gekomen, omdat de Minister van Landbouw de uitvoer van Hyacinten, Tulpen en Krokussen voor abnormaal gebruik niet heeft toegestaan en deze bestemd moesten blijven als veevoeder voor het binnenland. Dit was voor de bollenkwekers een grote tegenvaller omdat de prijzen in het binnenland minstens 50% lager waren als de prijzen die in het buitenland konden worden bedongen. Alleen Narcissen konden worden uitgevoerd maar hiervoor kon weer geen vervoer worden gesteld. Door een bloembollenfirma in Lisse, de Gebr. Rijnveld, werden de Narcissen opgekocht voor 4ct per kilo waarna deze firma deze bollen verwerkte in stijfsel en lijm. Maar ook deze handel moest worden stopgezet omdat het Rijks Kolen bureau voor dit bedrijf geen brandstof ter beschikkeng kon stellen. De Heinrich Riesen die door de kwekers in grote hoeveelheden voor zaad werden geteeld en in het buitenland konden worden verkocht voor ƒ200,- per 100 kilogram, moesten echter aan de regering worden afgestaan voor ƒ50,- per 100 kilogram.  Het heeft lang geduurd voor de teelt en verkoop van bloembollen zich had hersteld.

Bron:

Arie Raaphorst Hzn. Boek No.172 A breed

         Bibliotheek Vereniging Oud Lisse

OORLOGSPARELTJE: Dagboekje van Anneke Ruys 1943 – 1945

Van het dagboek is een boekwerk gemaakt met de naam ‘T WORDT VAST GAUW VREDE. Anneke, geboren in 1929, was de dochter van de bekende dochter van dominee Ruys.

Jaargang 19 nummer 2, 2020

door Ria Grimbergen

Kinderen Ruys; het oudere meisje links is Anneke.

“Het is tien minuten over twaalf. Veel heb ik dus nog niet beleefd in het nieuwe jaar. Nu ga ik slapen”.

Deze zinnetjes vormen het begin van het dagboek van de Lissese predikantsdochter Anneke Ruys, geschreven in de nacht van 1 januari 1943. Anneke is dan bijna veertien jaar oud. Zij is een van de vele
Nederlandse meisjes die in de donkere oorlogsjaren de pen oppakken om hun belevenissen op te schrijven.
Het dagboekje geeft een onopgesmukt beeld over hoe het is in oorlogstijd op te groeien. Anneke is het derde kind in het gezin van acht van Theodorus Ruys en Alberdiena Belgraver. Het oudste jongetje overleed al in 1932 op zevenjarige leeftijd. Vader is predikant bij de Gereformeerde Kerk. Hij werd in 1920 beroepen en zou tot zijn dood in 1953 hier in functie blijven. Niet verwonderlijk dat het kerkje aan de Heereweg 105 wel ‘Het kerkje van Ruys’ werd genoemd.  Nu heeft mem  het over de Klister, naar het gemeenschapsgebouw dat bij de kerk is gebouwd.

Het gezin Ruys woonde op de Heereweg 103. In de eerste anderhalf jaar van het dagboek kabbelt het dagelijks leven van de familie ondanks de oorlog rustig door. De verjaardagen van de kinderen worden gevierd met taart en een versierde stoel en cadeautjes voor de jarige. Anneke heeft pianoles, tekent
en kleurt en speelt kaartspelletjes als ‘zestienen’ en ‘pang’. Haar neus snuit ze in een oranje zakdoek. Ze is dol op de avonturen van ‘Joop ter Heul’ in de meisjesboeken van Cissy van Marxveldt en wilde dat ze zo leuk kon schrijven als Joop dat doet in haar dagboek. Ze bewondert de tekeningen van Rie Cramer en verzamelt haar boekjes over de maanden van het jaar. Een grote gebeurtenis is de geboorte van zusje Truusje op 2 april 1943. Ook uitstapjes blijven tot ver in de oorlog tot de mogelijkheden behoren: naar Groenendaal, roeien op de Kagerplassen, naar het zwembad in Velsen. Een fietstochtje naar Bloemendaal op 3 mei 1943 met haar broers loopt uit op een angstig avontuur als ze getuigen zijn van een hevig luchtgevecht tussen Britse bommenwerpers en Duitse jachtvliegtuigen, waarbij boven Bennebroek een bommenwerper wordt neergeschoten en brandende brokstukken op het dorp neervallen. De Engelsen verloren tien van hun elf bommenwerpers. ‘Vlak boven ons liet een vliegtuig wat
vallen, ik zei: “Dat is een bom”. ’t Is gewoon niet in te denken hoe angstig. Aan alle kanten vliegtuigen om je heen, geschiet’. ‘Het vliegtuig is over heel Bennebroek verspreid. Overal is wat neergekomen, ik weet niet of het een stuk vleugel of een parachute was die ik voor een bom aanzag. Half acht waren
we thuis’.
Een half jaar voordat Anneke haar dagboek begon was vader Ruys gevangen gezet in de beruchte Scheveningse gevangenis het Oranjehotel wegens belediging van de Duitse bezetter. Hij heeft daar vastgezeten van 16 juni 1942 tot 22 juni 1942 en werd daarna in vrijheid gesteld. Deze ingrijpende gebeurtenis droeg later bij aan de beslissing de radio in te leveren.
Donderdag 17 juni 1943 schrijft Anneke: ‘Het radio inleveren is ook een probleem. Eerst zeiden vader en moeder: “Niet doen, je bent wel gek als je het doet”. Maar bij mevrouw Montagne hebben ze moeder
weer bang zitten maken. “Straks zit dominee weer in de gevangenis en dan trekt u de haren uit uw hoofd, dat is die radio niet waard”. Nou vader wilde het wel doen, maar toen moeder dat zei: “Je wilt natuurlijk eens een eind hebben aan dat toegeven, maar iedereen laat je in de steek”, nou toen kwam er een telephoontje van de burgemeester dat G. [een NSB’er, R.G.] de lijsten aan wie hij een radio geleverd had, gegeven had, en dat vaders naam er ook op stond. Ze hadden de burgemeester [Van Rijckevorsel] al gewaarschuwd met strafkampen voor hen die ze niet inleverden. Dus nou doen we het’. Anneke’s sociale leven speelt zich af in familiekring en op school. Zij is leerlinge op de Nederlands Hervormde ULO-school in de Lisbloemstraat, waar meester L. Bunt de leiding heeft, die zij als pubermeisje een ‘petvent’ vindt. Anneke zwerft in de oorlogsjaren met haar klas van het ene gebouw naar het andere. Dinsdag 12 mei 1943 is de school gevorderd en tekent ze op waar ze sinds september 1939 heeft schoolgegaan. Dat zijn achtereenvolgens de hervormde kleuterschool, de openbare kleuterschool, de Tuinbouwschool, het patronaatsgebouw, het kantoortje bij Van Zanten [waarschijnlijk het bloembollenbedrijf Veldhuyzen van Zanten], de HBG, de openbare school en een huis op de Von Bönninghausenlaan. Een jaar later heeft ze van 25 april tot 11 mei op de hervormde school les gehad, maar dan wordt het gebouw gevorderd door de SS en gaat ze weer naar de tuinbouwschool. Haar ervaringen sluiten aan bij die van Puck de Vroomen, die hiervan aan de Verhalentafel verslag deed (zie pag. 21).

De volgende gebeurtenis van maandag 19 april 1943 zal zich op de locatie in de Lisbloemstraat hebben afgespeeld: ‘De paarden zaten op ’t schoolplein en toen zo’n hoge op een paard aan ’t slaan was met zo’n zweep en ’t beest op z’n kop en overal met die gemene zweep sloeg, nou toen ging mijnheer [Bunt] voor ’t raam staan en hij dacht niet meer aan ons en wij allemaal voor ’t raam kijken. Even later toen we weer zaten, begon hij (mof) weer en ik vond ’t zo gemeen. ’t Paard stond notabene stil’.
Op 12 juli 1944 legt ze haar mondeling examen af in Den Haag en slaagt voor haar ULO-diploma. Dinsdag 9 februari 1943 werden door het hele land jongens en mannen van twintig tot dertig jaar opgepakt. De volgende dag is Anneke getuige van een gesprek tussen haar ouders. ‘s Morgens kwam ik thuis en toen hadden Moeder en Vader ’t ergens zo druk over, ik vroeg wat er nu weer was gebeurd. Moeder zei dat ze van de hoogste klassen van de gymnasia en lycea de jongens wegpikten (’t is oppikken of weghalen, maar nu heb ik van allebei maar wat genomen.) Vader was niet zo bang voor Jan maar moeder wel. Vader moest naar Amsterdam en toen werd moeder na ’t eten door Dominee Kuiper [Ds. P. D . Kuiper, predikant in Sassenheim, R.G.] opgebeld dat de overvalwagen in Sassenheim was en dat hij zodirect in Lisse kwam, dus we moesten zorgen dat Jan niet thuis was. Maar Jan was nog niet thuis uit school. Moeder in de piepzak. Maar gelukkig, daar kwam hij aan. Toen ging ik naar de familie Montagne om te waarschuwen voor die jongens daar’.
Eind augustus 1944 lijkt de bevrijding nabij en schrijft Anneke ‘Het wordt vast gauw vrede’. Op 4 september ‘Er is hier zo wat geen enkele mof meer. Wat zullen we feesten. Bjour!’ Dinsdag 5 september, ‘de gekke dinsdag’ [nu bekend als Dolle Dinsdag], ‘Breda is vrij. Ik geloof dat ik gek word. Rotterdam hebben ze. In de buitensteden van Leiden vlaggen ze al en Delft zijn ze al voorbij. Als het goed gaat kunnen ze om 3 uur hier zijn’. De teleurstelling dat de opmars van de bevrijders gestuit is, is groot. De familie Ruys gaat als alle Lissers een zware tijd tegemoet. In haar dagboek houdt Anneke het verloop van de oorlog bij. De sfeer wordt steeds grimmiger. In september worden de fietsen gevorderd en op zondag 16 september schrijft Anneke: ‘Erge dingen: we hebben zowat geen gas meer. Over veertien dagen krijgen we een gaarkeuken. We hebben vandaag het laatste pond zout gehad tot na de oorlog’. ‘Elke dag wordt er geschoten op treinen en trams. Eerst waarschuwen de Engelsen door er een keer over heen te vliegen en dan kunnen de mensen uitstappen’. ‘Wat een tijd. Als je het huis uitgaat moet je opletten dat je niet opgepikt wordt en je fiets is nergens meer veilig. Zit je in de tram dan mag je blij zijn als je levend thuiskomt (wij zitten er niet meer in)’ ‘Vanmiddag zijn we hout wezen halen in het bos. Vreselijk gevlogen en treinen en nog wat beschoten. Onder de bomen gezten voor dekking. Gerrie bang [Gerrie is het broertje van zes]. Allemaal trouwens.’ In november wordt de elektriciteit afgesloten. Spinaziebrood, tulpenbrood en bietenbrood staan op het menu. Haar zestiende verjaardag op 21 februari 1945 wordt gevierd met vele zelfgemaakte cadeautjes: zakdoekjes, een vingerdoekringetje, een doosje door
moeder beschilderd, plantjes en van vader een gouden ringetje dat van moeder is geweest. Een feestmaal met pannenkoeken met appelmoes en pudding met peertjes en een tante die een taart brengt. Anneke heeft dan een baantje bij de gaarkeuken, de Centrale Keuken. ‘Verdien 5 gulden en minstens twee
porties eten’.

Huis en kerk van Ruys aan de Heereweg en het ‘Klisterlaantje’. Er stond niets tussen hun huis en de v1 lanceerinstallatie.

Woensdag 7 maart is een angstige dag als er een razzia wordt uitgevoerd. Anneke’s oudere broer Jan is thuis. ‘Opeens, even na het “koffie” drinken liepen er twee moffen langs de ramen en toen weer terug naar voren. Vader en moeder vlogen meteen naar de deur en vader riep naar boven: “Jan, naar boven”. De serre wordt overhoop gehaald. Anneke haalt een foto van de kinderen Ruys, waarop broer Jan er al
volwassen uitziet, van de piano en uit de lijst en zegt tegen Juffie: “Stop in uw broek”. ‘Helemaal verfomfaaid is ie er weer uitgekomen. Jan is in elk geval niet gepakt. Wel die jongens van Nieuwenhuis en Cammenga. In het geheel een stuk of veertig’. Het bos is afgezet en voorbereidingen voor de installatie van een V1-lanceerinstallatie, die projectielen zal afschieten naar Engeland, worden getroffen. ‘We hebben een nieuwe burgemeester van 28 jaar’ schrijft Anneke. Het is de Limburgse NSB’er H. J. Vandeberge, in september gevlucht uit het bevrijde Limburg. Hij vervangt burgemeester Van Rijckevorsel, die eind januari onderdook in het broederklooster in de Engel. In huis ben je niet langer veilig. Bommen vallen op het spoor en door de luchtdruk springen twee ruiten. Oma, die voor een ruit zit, wordt door de luchtdruk op de grond gegooid. ‘Ik ben de laatste dagen zo vervelend. Niets is er wat eigenlijk nog mooi is. Nergens is een stukje bos of iets moois waar je kunt genieten en naar toe vlucht. En toch heb je hulp. Ook het verlangen helpt, als je er naar kijkt’. Eind maart blazen de Duitsers de
V1-lanceerinstallatie in Keukenhofbos op en sneuvelen in het huis aan de Heereweg vijf ruiten. Het glas-in-lood in de tussendeuren is door de luchtdruk verwrongen.
Dinsdag 10 april noteert Anneke: ‘Zo dat is weer lelijk tegengevallen. ’t Is weer hopeloos mis. De moffen zitten hier nog’. ‘Ze schreven gisteren ook inde Oranje-koerier: Als er geen kans op grotere narigheid in West-Nederland en kans op bittere strijd in Noord-Oost Nederland bestond, zouden we uiting kunnen geven aan onze vreugde over de ineenstorting van het derde Rijk, wat nu werkelijkheid begint te worden. Een paar dagen zijn we dan ook aards-pessimistisch geweest. Moeder vooral en toen werd ik ’t ook. Nergens was meer uitkomst. Straks Duitsland veroverd en hier nog oorlog, geen eten, geen water’.
‘Maar vandaag is ’t een beetje over. want moeder is bij iemand geweest die zei: “’t wordt nu juist beter want alles blijft nu in Nederland”. Dat is ook zo, want we hebben volop verse groenten, We worden haast doodgegooid met lof.

Dus we hebben weer hoop’.
‘Vrijdag 4 mei om half 9 vrij!! ’t Is vandaag zaterdag. Gisteravond (ik was vroeg naar bed gegaan) er weer uitgetrommeld want we waren vrij. Op straat met half Lisse gedraafd en ’t Wilhelmus gezongen. Vanmorgen om 8 uur is de capitulatie eindelijk begonnen. Nu wachten op de Canadesen’. Dinsdag 8 mei ‘Gisteren NSB’ers oppakken geweest en naar de Gereformeerde school gebracht. ’s Avonds meiden oppakken, maar pas één geknipt’. Maandag 14 mei 1945: ‘Zaterdag groot feest gehad. De hele week was het ’s avonds iets, bijvoorbeeld muziek en dan iedereen er achteraan, Woensdag is de bijeenkomst geweest. Zaterdag hadden wij het ponniekarretje versierd. Gerrie, Jenneke, Willie en Ajo zijn er in
mee geweest achter de stoet. Allemaal wagens en kinderen en grote mensen. Daarna een vreugdevuur. Corrie en ik zijn steeds samen geweest’ ‘Ik ga een boek voor Truusje schrijven en hou hier mee op. Ik wil niet graag gauw oud worden, als ik dit overlees als ik oud ben, wat een gek gevoel zal ik dan hebben. Nu is alles nog voor me en dan weet ik alles hoe het gegaan is’. Anneke Ruys publiceerde haar dagboekje in 2005 bij uitgeverij Kirja, met enige aarzeling, maar in de hoop dat het voor ouderen herinneringen zou
oproepen aan een gezamenlijk beleefde geschiedenis en dat jongeren door haar verhaal begrip voor deze periode zouden krijgen. We hebben ervoor gekozen Anneke door letterlijke aanhalingen uit haar dagboek zelf zoveel mogelijk vorm te laten geven aan dit Pareltje uit de bibliotheek van de VOL. Aanvullende informatie kwam uit het boek van Herman van Amsterdam en Peter van der Voort: ‘Een bollendorp bezet, Lisse ’40-‘45’.
Anneke is geboren te Lisse op 21-02-1929. Zij overleed op 12-04-2016 op 87-jarige leeftijd in Purmerend.