Berichten

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 2)

 

We vervolgen het verhaal in 1944. Vader Rudz is inmiddels tankschutter bij het Poolse 2e korps en via allerlei omzwervingen in Italië beland. Hoe Polen een speelbal werd tussen de grootmachten en gewone mensen daar de dupe van werden en ontbering op ontbering moesten doorstaan. Na de oorlog kwamen vader en moeder naar Lisse.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

De strijd in Italië

De strijd van de geallieerden tegen naziDuitsland was al geruime tijd gaande maar ze ondervonden enorme problemen om Monte Cassino te nemen. Dit was een bijna onneembare vesting, die overwonnen moest worden wilde men vanuit het zuiden de Italiaanse hoofdstad Rome kunnen bereiken. Vanaf mei’44 voegden de Poolse strijdkrachten zich actief bij de strijdende geallieerden. Zodra de Duitsers in de gaten kregen dat er Polen meestreden volgden er via luidsprekers oproepen in het Pools om de Polen over te halen om over te lopen naar het Duitse kamp met de belofte naar Polen terug te kunnen. Dat had geen enkel effect, hoewel het voor de Polen wel langzamerhand duidelijk werd dat de geallieerden het acceptabel vonden dat het oostelijk deel van Polen in Russische handen zou blijven. Maar de hoop op een vrij Polen bleef. Dankzij de Polen kwam er een doorbraak bij Monte Cassino. De enige weg naar Rome voerde onderlangs het bergmassief waar de abdij van Monte Cassino op ligt. Daar lagen de Duitsers en de geallieerden hadden de vijand in het kloostergebied niet kunnen bereiken en overmeesteren doordat het er steil omhoog gaat. Tanks omhoog krijgen zou mogelijk een doorbraak forceren. De tan
keenheid, waarbij vader Rudz tankschutter was, paste een soort truc toe. Zelfstandig konden de tanks niet omhoog komen. Een vrachtauto ging een stuk omhoog, een lier werd gebruikt en zo werd de tank omhoog getrokken. Vervolgens op dezelfde manier weer een stuk omhoog. Zo kwamen de tanks omhoog en konden zij de infanterie ondersteunen. De abdij was door voorafgaande bombardementen al volledig verwoest. Wat vader Rudz altijd vertelde was dat, terwijl er van de abdij nauwelijks iets over was, het altaar ongeschonden was gebleven. De strijd was zeer hevig. Onder de Duitsers deed het gerucht de ronde dat de Polen geen krijgsgevangenen zouden maken. Onzin natuurlijk, maar door deze propaganda was het voor de Duitsers nog meer een wanhoopgevecht geworden. Op 18 mei veroverden de Poolse troepen de abdij en werd de Poolse vlag op de ruïnes van de abdij gezet. Dat duurde maar een paar dagen want de Engelse vlag moest in top. De Poolse vlag werd er wel bij geplaatst. De strijd had veel slachtoffers gekost. Ongeveer 4.000 Poolse soldaten sneuvelden bij deze verovering.

Rode klaprozen

Het was mei, de klaprozen bloeiden volop op de hellingen waar deze heroïsche, maar bloedige strijd zich voltrok. Zo ontstond het lied waarvan het refrein hierboven staat. Op de helling van de Monte Cassino is een enorm Pools ereveld. Dit veld en het monument werd op 10-sept.’45 de 6e gedenkdag van de Duitse inval in Polen, geopend. De gewonnen slag was de opmaat naar de overgave van Rome, waar de hiërarchie van de winnende eenheden duidelijk werd bij het binnentrekken: eerst de Amerikanen, daarna Engelsen, dan de Polen en dan volgden nog andere eenheden die meegevochten hadden zoals de Gurkha’s. Het Poolse leger was onderdeel van de geallieerde strijdkrachten die de Duitsers verder noordwaarts dwongen. Ancona werd veroverd. Voor de Poolse strijdkrachten was de zegening door Paus Pius XII heel belangrijk. In de herfst van 1944 was de taak voor de Polen in Italië volbracht. Vader Rudz was nog even in de Alpen, in een kazerne van de Franse bergjagers, om wat aan te sterken. Daar kocht hij een Zwitsers horloge waar hij heel trots op was. Op politiek gebied liep het voor de Polen heel slecht. Het werd steeds duidelijker dat Rusland met een eigen programma met de geallieerden meedeed en dat een vrij Polen er niet zou komen. Terwijl de nazi’s uit Polen waren verdreven, werd over het lot van het land beslist aan de onderhandelingstafel, op 4 februari 1945 op de Krim. Er werd besloten tot het vaststellen van nieuwe grenzen (oost- en westgrens). Bovendien zou een groot gebied van Polen aan de Russen toevallen.

De strijd is over

De Poolse troepen bleven hun taak doen, hoe wrang de afloop ook zou zijn. Er volgden nog verscheidene veldslagen. Het werd geen V-day voor de Polen. Toen de capitulatie een feit was werden de Poolse troepen bijna genegeerd. Er was alleen het “Russische” Polen. Het was zelfs zo dat toen in Londen in juni 1946 een overwinningsparade werd georganiseerd, waaraan troepen van alle landen die mee hadden geholpen aan de overwinning mochten deelnemen, de Poolse troepen niet werden uitgenodigd. De toekomst voor de Poolse strijdkrachten was zeer onzeker. Ze konden naar Polen terugkeren, maar dat zou betekenen terug naar het gehate Rusland of naar het deel van Polen dat onder direct regime van Rusland viel. Het grootste gedeelte gaf hier geen gehoor aan. Ook gevluchte burgers die niet meer terug konden naar Polen meldden zich bij de Poolse legereenheden toen ze nog in Italië waren. Het Poolse leger zou worden gedemobiliseerd en naar Engeland worden overgebracht. In ’45 kwam vader Rudz in Engeland aan en heeft daar nog 2 jaar op het hoofdkwartier gediend. Ze kregen voedsel, onderdak en zakgeld, geen salaris. In september 1946 startte men met de demobilisatie. In 1947 werd het Poolse legercorps opgeheven. Maar hoe ging het nu met al die Polen. Er waren behalve de Poolse militairen nog veel andere groepen “displaced persons”, van allerlei nationaliteiten, waarvoor een oplossing bedacht moest worden. Er werd besloten dat de Poolse militairen konden emigreren naar een van de westerse landen en zo kwam vader Rudz in Lisse in Nederland terecht.

Moeder Rudz in Polen De moeder van Jozef Rudz werd geboren in zuid Polen. Daar hadden haar ouders een boerderij. Ze trouwde en verhuisde door haar huwelijk naar Lemberg, wat in die tijd Lwów heette. Deze stad heet nu Lviv en ligt in de Oekraïne. Misschien herinnert u zich die naam omdat er het EK voetballen 2012 werd georganiseerd. Lemberg was voor de oorlog een kosmopolitische stad. Zeer welvarend en de verschillende bevolkingsgroepen als Galiciërs, Polen, Joden, Duitsers, Russen, Armeniërs en Oekrainers leefden naast elkaar. Wel met eigen scholen en culturele instellingen. Lemberg had het oudste Joodse gebedshuis van Europa. Door de oorlog met Rusland in 1939 werd deze samenleving totaal anders. De stad werd Russisch. Veel Duitse joden vluchtten zelfs naar Lemberg toe om aan het nazibewind te ontkomen. Maar met de Duitse aanval op Rusland in 1941 veranderde de situatie weer helemaal. De echtgenoot van moeder Rudz werd waarschijnlijk in het begin van de Poolse oorlog met Rusland al krijgsgevangen gemaakt en naar Rusland afgevoerd. Zijn vrouw wist niet of hij nog leefde en waar hij zou kunnen zijn. Voor haar was het overleven onder zeer moeilijke omstandigheden. Het drama sloeg helemaal toe toen zij in 1942 verraden werd omdat zij 2 joodse kinderen hielp onderduiken. Dat werd bestraft met gevangenschap in Dachau.

Dachau

Concentratiekamp Dachau ligt zo’n 20 km. van München. Oorspronkelijk was het voornamelijk een kamp voor politieke tegenstanders. De gevangenen werden later veelal gedwongen ingezet voor de oorlogsindustrie. De Poolse vrouwen moesten een P op hun kleding dragen. Ook moeder Ludz werd ingezet als dwangarbeidster. Ze werd tewerkgesteld bij een afdeling van Siemens waar ze isolatoren maakten. Het leven in het kamp was heel slecht. Weinig voedsel en dan moesten ze te voet naar de fabriek op zo’n 15 km afstand. Van Duitse vrouwen die ook in de fabriek werkten kregen ze soms een stukje brood, er waren ook nog goede mensen. Op appel werden de vrouwen geteld en wanneer er een probleem was moesten ze blijven staan, soms wel 15 uur in de vrieskou. In april 1945 bevrijdden de Amerikanen het kamp. Pal voor de bevrijding kwamen in Dachau nog transporten aan uit andere kampen. De gevangenen van Dachau, waaronder Jozef’s moeder, mochten niet kijken toen de Amerikanen de deuren van de wagons eindelijk konden openen. Het mensonterende wat te zien was is niet te beschrijven. Jozef’s moeder kreeg er ondanks het verbod toch heel veel van mee.

Amerikaanse leger

Het Amerikaanse leger zorgde er voor dat ze weer een betere conditie kregen. Voedsel werd uitgedeeld en daar moesten ze voorzichtig mee zijn, want ze waren behoorlijk ondervoed. Langzamerhand wordt men weer ‘mens’. Voor het eerst van haar leven ziet moeder Rudz een neger, een Amerikaanse militair die meegevochten heeft met de bevrijding. Moeder Rudz is een van de vele vrouwen die eigenlijk niet terug kunnen naar hun vaderland. Het is Russisch gebied en ze weet over het lot van haar man niks. Zij kan gelukkig aan het werk als serveerster in de officiersmess in Ingolstadt. In deze stad was een “displaced persons” kamp ingericht. In 1947 kwam er een eind aan haar werk bij het Amerikaanse leger; zij kreeg een nieuwe taak in Nederland.

Naar de Mariastichting

Waarom het voor moeder Rudz Nederland en de Mariastichting werd is niet helemaal duidelijk. Wellicht speelde een rol dat het RK. ziekenhuis in Haarlem geleid werd door een Duitse orde van de Franciscanessen en het ziekenhuis in de oorlog een prominente rol had gespeeld in de opvang van onderduikers en joden. Het probleem van de duizenden ontheemden was gigantisch. Mei 1947 kopt een krantenbericht: “Verplaatste personen in bedrijf of huishouding”. We lezen verder dat er een onderzoek is ingesteld bij de arbeidsbureaus. Het Haarlemse bureau meldt dat er 50 meisjes uit de Baltische staten worden verdeeld over de Amsterdamse ziekenhuizen en dat daarna de inrichtingen in Haarlem aan de beurt zijn. Ook in de Bollenstreek is men dan al bezig, We lezen: “In Hillegom en ook elders heeft al een lijst gecirculeerd, waarop de ‘dienstbodeloze’ huisvrouwen hun verlangens over Godsdienst e.d. van de buitenlandse hulp kenbaar kunnen maken”. Nederland helpt. We zaten midden in de opbouwperiode na de ellende van de oorlog, maar dat bracht ook met zich mee dat er veel arbeidskrachten nodig waren. Dus werd er een beroep gedaan op bedrijven om ontheemde mensen op te vangen. Wat vaak lastig was omdat het mensen waren zonder opleiding, een andere taal spraken (soms wat Duits of Engels) en flink beschadigd door alles wat ze hadden meegemaakt. Bovendien is er het probleem van de huisvesting. Er zijn al onvoldoende woningen! Daarom gaat men proberen ze als kostgangers onder te brengen. Haarlems Dagblad meldt in een bericht van 12 augustus 1947 dat ambtenaren van arbeidsbureaus verschillende kampen voor ontheemden in Duitsland zullen bezoeken en dat er 8000 zullen worden uitgekozen voor werk in de Nederlandse industrieën. Dezelfde krant meldt op 19 sept. de komst van de eerste trein met D.P.’s (Displaced persons) in Venlo, 230 mannen en vrouwen die 36 uur reizen achter de rug hadden, nauwelijks hadden gegeten en niet geslapen. De meesten bezaten alleen de kleren die ze aanhadden. Het Rode Kruis van Venlo verzorgde een buffet op het stationsplein en er waren mensen van de arbeidsbureaus en van diverse bedrijven aanwezig ter verwelkoming. 107 mensen gingen naar de mijnstreek. De rest
ging verder naar Amsterdam, Haarlem, Leiden en Twente. Er werden ook nog wat verstekelingen ontdekt, maar die werden weer over de grens gezet. De Nederlandse selectiecommissie was streng. Het Parool schrijft in 1947: “Nederland is ook kieskeurig. Kandidaten worden grondig ondervraagd naar hun morele en politieke gezindheid, maar vooral ook naar vakbekwaamheid. Ons land wil uitsluitend vakarbeiders gastvrijheid bieden.” Na die eerste trein met ontheemden volgden er meer. Bij welke groep de moeder van Jozef naar Nederland kwam weten we niet. Er waren in ieder geval nog 3 Poolse vrouwen die in de Mariastichting als schoonmaakster aan de slag gingen.

Vader Rudz naar Lisse

Of vader Rudz ook door een selectiecommissie is ondervraagd is niet bekend. Hij kwam in de kost bij mevr. van der Doe-Dijkman aan de Heereweg op nr. 106. Daar had al een andere Pool onderdak gevonden, nl. Cas Hoek die in de Bollenstreek bekend zou worden als keeper van Hillegom. Hij werkte bij garagebedrijf Jan Mens in Lisse. Er kwam nog een derde Pool in de kost, Jan Pazola die bij bollenbedrijf De Graaff aan het werk kwam. Ook Jan Pazola had gediend in het Poolse 2e legerkorps en had ook bij Monte Cassino gevochten. Hij was bij de infanterie. Zij waren niet de eerste Polen die in Lisse of in Nederland kwamen wonen. Al voor de 2e wereldoorlog was Frans Godilla in Lisse neergestreken. Hij was schoenmaker in de Kanaalstraat en had later een dumpzaak. Ook in Limburg werkten voor de oorlog een heleboel Polen. Dat waren een soort gastarbeiders. En dan was er nog die Pool die noodgedwongen in het Duitse leger diende, bij de Ruigenhoek deserteerde, een meisje uit De Engel trouwde en in onze streek bleef.

 

Vader Rudz kwam bij Sikkens (nu Akzo-Nobel) in Sassenheim te werken. Hij was bij het onderhoudsteam. Dat zal wel te maken hebben gehad met de ervaring die hij had opgedaan als tankschutter. In het proces van verf maken werden verschillende zeven gebruikt, klontjes tijdens het proces zijn uit den boze. Vader Rudz stond bekend om het fijne soldeerwerk dat hij afleverde. Blijkbaar beviel het werk, van beide kanten, prima. Met de bus ging hij naar zijn werk, fietsen heeft hij nooit geleerd. Zijn werk was wel zijn houvast. Het gebeurde een keer dat het zo glad was dat de bus zelfs niet reed. Maar wie was er als eerste van zijn ploeg op het werk: vader Rudz. Komen lopen vanuit Lisse, zo hoorde het gewoon! Hij heeft er tot zijn pensionering, 27 jaar later, gewerkt. Die pensionering was niet goed voor hem, hij viel echt in een zwart gat. Gelukkig kon hij wel erg genieten van de kleinkinderen die hij zou krijgen.

Getrouwd

Er waren dus nogal wat Poolse ontheemden in deze regio opgenomen. Hoewel, in Haarlems Dagblad van maart ’48 werd opgemerkt “dat er in Haarlem 30 mannen en vrouwen waren opgenomen, een mager aantal”. Maar met de regio er bij geteld zijn het er toch heel wat. Er waren ook Poolse priesters in de regio. Die zorgden voor het geestelijk welzijn. Een van hen, kanunnik Kowalski, droeg in de Mariastichting een Heilige Mis op. Ook Rudz uit Lisse woonde de mis bij. En zo is het gekomen, vader en moeder Rudz ontmoeten elkaar daar en besluiten al snel samen verder te gaan. Door al die oorlogsellende zijn er al veel jaren voorbij gegaan. Ze worden in 1949 in de Agathakerk getrouwd door kapelaan J. Keet. Mevrouw Rudz werkt nog tot 1950 in de Mariastichting en ze werkt ook nog in de huishouding in Heemstede. Maar wanneer zoon Jozef in 1950 wordt geboren wordt ze huisvrouw.

Huis

De Blauwe druif Heereweg behorende bij 131 gesloopt ca.1951.Hier woonde de familie Rutz met nog 4 gezinnen

Er was een gigantische woningnood in die tijd. In veel woningen had men verplicht inwoning en ook panden, die eigenlijk slooprijk waren, werden bewoond. Familie Rudz gaat wonen in “De Blauwe Druif”, bij Heereweg 131. Dat was eerder een café geweest, maar op dat moment woonden er in het pand wel 5 gezinnen. (in 1950 kocht de gemeente het pand en voor 1954 was het gesloopt). De familie Rudz huurde van Johannes Nicolaas van der Splinter, de vroegere uitbater en woonde beneden. Er stonden steunpalen in de kamer omdat de zaak anders wel eens in kon storten. Op een gegeven moment kraakte het zo vervaarlijk dat mevr. Rudz niet meer durfde te gaan slapen. De maatschappelijk werkster van Sikkens kwam poolshoogte nemen en constateerde dat wonen niet verantwoord was. Ze toog naar burgemeester De Graaf. Die vond het nog niet zo schrikbarend. Bovendien waren er geen huizen. Maar de maatschappelijk werkster was vasthoudend en De Graaf moest bakzeil halen.

De Irenestraat

In de Irenestraat kwamen woningen beschikbaar. Deze waren al toegezegd aan woningzoekenden. Maar vanwege de urgentie moest de familie Rudz een woning toegewezen worden. Het werd nr. 51. Er was weinig begrip voor de tragische achtergrond van de familie Rudz. Van oorlogstrauma’s had niemand nog gehoord en psychologische hulp bestond niet. Gewoon doorgaan en werken, dat was de norm. Dat er later een Duitse buurvrouw in de Irenestraat kwam wonen maakte heel wat los bij moeder Rudz. De haat tegen de Duitsers zat heel diep.►

Wordt vervolgd in het herfstnummer. 

 

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Teun Kulk, oorlogsslachtoffer van WOII

Teun Kulk ligt begraven op Duinhof. Hij overleed als militair bij een bombardement.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

8 mei 2018

Door: Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de kranslegging bij het ´Monument voor de Gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Het is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.
Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vier oorlogsslachtoffers. Er is ook nog een tweede graf. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Begraven op Duinhof

Een van die twee is van Teun Kulk, geboren op 22 juni 1915. Teun overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940. Hij was toen 24 jaar oud. Hij werd daarna begraven bij de kerk in Valkenburg. Op 11 juni 1940, een maand na zijn overlijden, krijgt zijn familie aan de Achterweg pas bericht dat hij is overleden. Al die tijd hebben zij zich afgevraagd of hij dood was of toch nog in leven. Teun kon worden begraven op de militaire begraafplaats in Katwijk, maar de familie wilde liever dat hij in Lisse zou worden begraven. Er was echter geen geld om dit te realiseren. Vader Kulk besloot om het geld van het spaarbankboekje van zijn zoon hiervoor te besteden. Het rouwtransport vond uiteindelijk plaats op 18 juli 1940. De Hervormde Kerkvoogdij gaf een bijdrage, overwegende: “dat hij het hoogste dat hij bezat, namelijk zijn leven, heeft geofferd voor zijn vaderland, dus ook voor allen, zouden wij het zeer op prijs stellen zijn nagedachtenis te mogen eren, door een bijzonder mooie plaats beschikbaar te stellen op begraafplaats Duinhof. Zodat zijn heldendood ook tot het nageslacht moge spreken”.
In de kerk kwam een inzamelingsactie op gang voor een bijzonder grafmonument. Op 19 april 1941 werd dat monumentale grafmonument op het graf van Teun Kulk onthuld door ds. J.Th. van Veen. Wethouder P. Warmerdam heeft de vader, de moeder en de verloofde Bep Boon en overige familie en vrienden toegesproken. Het toeval wil dat wethouder Warmerdam’s geadopteerde zoon Rinus, die ook in dienst was, op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, ernstig gewond raakte en op 12 mei was overleden.
Vermeldingswaardig is nog dat aan Teun Kulk op 1 oktober 1948 het Oorlogsherinneringskruis werd toegekend voor bijzondere krijgsverrichtingen.

‘Wat toch een tijd’

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Lisse en omstandigheden waaronder zij zijn omgekomen.
Het boek is te leen bij de bibliotheek van Lisse.

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Foto: Het monumentale grafmonument van Teun Kulk op begraafplaats Duinhof. Foto: Nico Groen

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 1)

De Poolse roots van Jozef Ruds worden beschreven. Hij heeft 40 jaar bij openbare werken in Lisse gewerkt. Zijn vader was voor zijn geboorte naar Nederland gekomen. Het wel en wee van zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog komt aan de orde. 

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Het Nieuwsblad laat verhalen horen van Lissers met een niet Nederlandse achtergrond. Het verhaal van de Lisser Jozef Rudz mag daar niet aan ontbreken. In Nederland zijn we wel gewend aan personen van buitenlandse afkomst. In een rapportage uit 2016 bleek dat van iedere 14 Lissers er 1 in het buitenland was geboren. Een deel van hen is buitenlander en de grootste groep vormen de mensen met een Poolse achtergrond. De meesten van hen kwamen hier met het idee om geld te verdienen en dan terug te gaan naar hun geboorteland, als arbeidsmigrant.

Jozef met collega aan het straten.

Jozef Rudz is een geboren en getogen Lisser. Veel Lissers zullen hem kennen, want hij werkte 40 jaar bij openbare werken in Lisse. Hij kent Lisse op zijn duimpje. Met het wagentje om Lisse schoon te houden leer je de straten wel kennen. En niet te vergeten de jaren met de vuilniswagen door het dorp: eerst nog met zinken emmers, toen plastic zakken en vervolgens de containers. Openbare werken zat oorspronkelijk in de Kanaalstraat aan de Ringvaart, later werd het de milieustraat aan de Venneweg waar Rudz de laatste 12 jaar van zijn werkzame leven te vinden was. Daarnaast was hij actief bij de vrijwillige brandweer. Een echte Lisser die veel verhalen over Lisse kent en al weer een tijd als vrijwilliger bij Oud Lisse is betrokken. Maar in het kader van deze serie gaat het over zijn wel heel bijzondere familiegeschiedenis.
De naam Rudz Aan de naam Rudz kun je al zien dat die geen Nederlandse oorsprong heeft. Bij een telling van 1947 werd die naam nog niet in Nederland gevonden. Je vindt die naam in Polen, maar ook in Wit-Rusland en Litouwen. Een gebied waar de landsgrenzen nogal eens verschoven zijn. De ouders van Jozef Rudz groeien op in de republiek Polen, een land dat na de 1e wereldoorlog weer een zelfstandige staat is geworden (Eind 18e eeuw was het gebied van Polen verdeeld over Rusland, Oostenrijk en Pruisen). Moeder Bronislawa Osobka werd vlak na de verzelfstandiging van Polen geboren in Borek Stary, een plaats in het zuiden. Vader Wladyslaw werd geboren in 1909 in het dorp Kazarzy bij Wilna in het noorden van Polen. De zelfstandigheid van de jonge Poolse staat werd echter steeds bedreigd. De buurlanden waren het niet eens met de bij het verdrag van Versailles vastgestelde landsgrenzen voor Polen. In 1919 ontstond strijd met de Russen, een strijd die de Polen in hun voordeel wisten te beslissen. De Polen verwachtten in 1938, na de bezetting van Tsjecho-Slowakije door Duitsland, problemen met Duitsland. Gelukkig had Engeland met Polen een bijstandspact afgesloten waarvan men hoopte dat het een bescherming zou bieden voor een Duitse aanval. Polen had een leger en intussen was het Poolse leger versterkt met dienstplichtigen, want vanwege de dreiging was er een mobilisatie. Ook vader Rudz moest zijn land verdedigen. Tot die tijd had hij bij zijn ouders gewoond. Hij werkte in de houtkap op het groot landgoed, in dienst van een baron. Daar zat hij in de bosbouw. In dienst kwam hij als ordonnans terecht bij een motorbrigade. De troepen waren geconcentreerd aan de westgrens, daar kwam de dreiging vandaan. Duitsland en Rusland sloten echter in augustus 1939 een niet-aanvalsverdrag, het Molotov-Ribbentroppact. Later kwam uit dat in dat pact een geheime afspraak was gemaakt om Polen tussen deze beide landen te verdelen. De aanval van Duitsland op Polen volgde op 1 september 1939 en begon met luchtaanvallen, maar ook over land werd aangevallen. Er werd zwaar gevochten. Hoewel de Polen dappere strijders waren hadden ze geen schijn van kans tegen de militaire overmacht van Duitsland. De Polen hoopten dat ze door de strijd te rekken nog een kans hadden wanneer Engeland en Frankrijk zich aan de westkant van Duitsland in de strijd zouden mengen. Tenslotte was er dat pact tussen Polen en Engeland. Helaas, er kwamen wel oorlogsverklaringen, maar militaire acties bleven uit. Toen gebeurde het drama van het oostfront. Op 17 september trokken de Russen Polen binnen, iets waar het Poolse leger niet op gerekend had. De Poolse strijdkrachten waren min of meer ingesloten en dachten nog een ontsnapping te kunnen forceren door naar het zuiden terug te trekken en zich via die route weer bij de geallieerden aan te sluiten. Een deel van het Poolse leger ontkomt zo ook via Roemenië naar Frankrijk en ook Poolse vliegers ontkomen naar Engeland wanneer de strijd verloren is. Zij vechten tot het einde van de oorlog met de geallieerden tegen nazi-Duitsland. Het overgrote deel van de Poolse strijdmacht heeft die kans niet. Op 28 september valt Warschau in handen van de Wehrmacht en was Polen verslagen en letterlijk vernietigd. Oostelijk Polen werd Russisch. Naar schatting werd een miljoen Polen verbannen naar Rusland. Tienduizenden Poolse krijgsgevangenen werden direct gedeporteerd naar de werkkampen van de Goelag. Bij deze groep hoorde ook vader Rudz. Ook burgers, met vrouwen en kinderen, werden wel naar de kampen gestuurd. Goedkope arbeidskrachten en bovendien, ze vormden geen gevaar meer in het verzet tegen de Russen.

Siberië

Eind september 1939 werd vader Rudz krijgsgevangen gemaakt, er volgde deportatie naar Siberië. De reis er heen was een verschrikking, maar het verblijf in de Goelag tart alle beschrijving. Hij werd tewerkgesteld in de bossen, waardoor hij misschien een beetje in het voordeel was omdat hij gewend was aan bosbouw. Maar werken bij -30 C0 is nog wel wat anders. De huid van je gezicht bevriest en gaat ontsteken, de etter druipt wanneer je binnen komt van je gezicht. Eten is zwaar op rantsoen. Een homp(je) brood ’s ochtends, een soort thee van ontdooide sneeuw en dan was er nog een waterige massa die wel afwaswater leek, maar voor soep moest doorgaan. Gelukkig had je dan nog eten gehad, want het kwam ook voor dat er 3 dagen geen eten werd uitgedeeld. Het was een feest wanneer er een paard dood ging, dan konden ze het vlees verdelen. Er heerst een beestachtig regime dat velen niet overleefden. Deze ellende duurde zo’n anderhalf jaar. Politiek was er inmiddels veel gebeurd. Al in 1939 was een Poolse regering in ballingschap ontstaan. Medio ’41 lanceerde Duitsland operatie ‘Barbarossa’: Rusland werd aangevallen. Daarmee werd Rusland min of meer in de westerse gelederen getrokken en dat opende ook de mogelijkheid om iets voor de vele krijgsgevangenen in Rusland te doen. Sikorski, Pools premier in ballingschap die inmiddels in Londen zetelde, bereikte met de Russische ambassadeur in Londen een overeenstemming. Stalin ontbond alle oude afspraken tussen Duitsland en Rusland en stemde er ook mee in dat Poolse staatsburgers, inclusief de krijgsgevangenen, een leger, het 2e Poolse korps, konden vormen dat aan de zijde van de geallieerden kon meevechten, onder bevel van de Poolse regering in ballingschap. Als bevelhebber werd generaal Anders aangewezen, een generaal die in 1939, bij de strijd tegen de Russen gewond was geraakt, krijgsgevangen was gemaakt en al die tijd onder barre omstandigheden in Rusland gevangen zat.

De vorming van een leger

Op 4 augustus 1941 hoort Anders wat er van hem verwacht wordt. Het is een volkomen verrassing voor hem. Hij komt uit de gevangenis in zijn gevangenisbroek en zonder sokken en wordt met een limousine van de geheime dienst naar een flat gebracht van waaruit hij met de organisatie kan beginnen. Hij is nog zo zwak dat hij zelfs gewoon voedsel niet kan verdragen. Hij moest dus een leger zien te vormen, maar over hoeveel Polen het zou gaan en waar ze verbleven was onduidelijk. In ’39 was er een getal van 300.000 man Poolse troepen gemeld dat gevangen was genomen, maar hoeveel waren er niet in gevangenschap omgekomen? En dan waren er nog de Poolse burgers die naar Rusland gedeporteerd werden. De Polen waren verdeeld over diverse gevangenissen en kampen. Het was schier onmogelijk om een leger te formeren. Er werd echter wel een datum genoemd waarop de formaties gevechtsklaar moesten zijn: 1 oktober 41. Volkomen onhaalbaar natuurlijk. Het leger zou samengesteld worden in Buzuluk. Dat ligt in Zuid Rusland, aan de zuidkant van het Oeralgebergte. Uit allerlei uithoeken van Rusland kwamen Polen die zich bij het leger wilden aansluiten. Lopend, met veewagens, per spoor. Vanuit Siberië ging ook vader Rudz op pad om zich aan te melden. Veel mensen hadden nauwelijks kleding of schoeisel. Maar in hun lompen waren ze zeer gemotiveerd om zich bij het leger te voegen. Voor kleding en voedsel zouden de Russen zorgen. Maar dat was meteen al een probleem. Mondjesmaat werd er voor kleding gezorgd, maar de afgesproken hoeveel
heid voedsel werd niet geleverd. Dat was nog extra moeilijk omdat er zich ook vrouwen en kinderen meldden die hiermee de kans wilden grijpen om uit Rusland weg te komen. Zij werden door de Russische organisatoren niet meegeteld voor de voedselrantsoenen. Ze kwamen uit de ellende en het bleef bijna hetzelfde: het povere wat er was moest gedeeld. De ellende was natuurlijk veel beter te dragen want er was uitzicht op het verlaten van het gehate Rusland en men zou de strijd aangaan tegen nazi-Duitsland. Generaal Anders neemt op 14 sept. een eerste defilé af: 17.000 soldaten, in lompen gehuld, vaak in resten van Poolse uniformen, uitgemergeld en met zweren overdekt vanwege de geleden honger, maar wel allemaal netjes geschoren en met een fiere militaire houding. Toen was er de eerste mis die ze konden bijwonen, waarbij ook gezongen werd: “oh heer, geef ons vrije land aan ons weerom”. Diepe ontroering was er en de beloning, terug naar een vrij Polen, leek in zicht. Ondertussen bleven zich nog steeds Polen aanmelden. De eerste militaire oefeningen begonnen, er kwam langzamerhand lijn in de organisatie. Maar van de kant van de Russen werd duidelijk getraineerd. De kwestie van wat nu de grens tussen Polen en Rusland moest worden ging weer meespelen. Het begon er op te lijken dat Ruslands eigenlijke doel was de hoogste macht in Polen te bereiken. Geen vrij Polen dus. Gelukkig voegde Amerika zich in dec. ‘41 in de strijd. Dat gaf de Poolse strijders weer moed.

Eerst Perzië, dan via Palestina en Egypte naar Italië

Begin ‘42 werd besloten dat de Poolse eenheid verplaatst zou worden naar het zuiden, van Buzuluk naar Yangi-Yul bij Tasjkent. Ook de burgers zouden meegaan. De militairen kregen Engelse uniformen. Maar de gezondheidstoestand was nog abominabel. Er kwam overeenstemming over verplaatsen van de Polen naar Teheran in Perzië (heet nu Iran). In het late voorjaar tot in de laatste weken van augustus ’42 werden de troepen en burgers verplaatst. Een hele onderneming, deels per trein en per boot over de Kaspische zee. Door bombardementen werd dat later noodgedwongen een langere route over land per trein. Er werden meer dan 100.000 personen gerepatrieerd. Het Anders’ leger telde toen zo’n 74.000 militairen en werd samengevoegd met Poolse eenheden die al in het westen waren. In Perzië werd het Poolse leger omgevormd tot een echt leger. De conditie van de soldaten was verbeterd, men had Engelse uniformen en was bewapend en getraind. Het Poolse leger was gevechtsklaar en werd verplaatst naar Gaza. Vader Rudz kreeg hier zijn training als tankschutter. Daar werden ook oefeningen gehouden (kerst werd gevierd in Bethlehem).

Een verhaal dat vader Rudz vaak vertelde ging over de zandstorm. Er was een troepentransport. Ze hadden zich er tijdens het transport over verwonderd dat ze nergens tegenstand ondervonden van Duitse troepen. Het transport vond plaats tijdens een woestijnstorm. Zo’n storm is heel heftig, je wordt door het zand gegeseld en ziet geen hand voor ogen. Daar trokken ze dus doorheen. Toen de storm eindelijk ging liggen en ze weer wat zicht kregen bleek dat de vijand ook door de zandstorm was getrokken. Alleen in de andere richting. Ze hadden elkaar ongemerkt gepasseerd. Van Gaza ging het leger via Egypte naar Italië. Afrika was toen inmiddels totaal in geallieerde handen en via Italië moest nazi-Duitsland bedwongen worden. ▶

Wordt vervolgd in het zomernummer.

Lisse in de eerste wereldoorlog in de winter van 1917/1918

Nederland was in de Eerste Wereldoorlog neutraal. We zijn dus toen niet in oorlog geweest. Dat wil niet zeggen dat er geen gevolgen in Nederland en speciaal in Lisse zijn geweest.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

10 april 2018

door: Nico Groen

Vooral in de laatste winter van de oorlog (1917/1918) was er een gebrek aan heel veel basisbehoeften vanwege de stagnerende im- en export. Veel etenswaren en onder andere zeep gingen op de bon. Door deze situatie verzwakten de mensen tot een bedenkelijk niveau. Daardoor kon de Spaanse griep ernstig toeslaan en stierven in Nederland tienduizenden mensen aan deze griep.

Situatie in Lisse
Zo erg als in de steden, zal het in Lisse tijdens die laatste oorlogswinter niet zijn geweest.
We hebben echter bij een oppervlakkige verkenning erg weinig archiefmateriaal over Lisse kunnen vinden. Om meer te weten te komen over die periode van 100 jaar geleden is serieus onderzoek nodig.  Wel is er veel informatie over het eerste jaar van de oorlog, toen er in 1914 in Lisse veel Belgische vluchtelingen onderdak vonden. Over deze vluchtelingen is een artikel in het Nieuwsblad van januari 2015 van de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”  verschenen.

Krant uit 1918
Volgens de krant ‘De Volksvriend’ was er in Lisse vooral sprake van prijsopdrijvingen.
‘De Volksvriend’ was een Nederlandstalige krant uit Orange City in Iowa. Orange City is gesticht door Nederlandse immigranten in de 19e eeuw. De naam verwijst naar Prins Willem III, geboren in 1650. Vanaf 1672 was hij stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Later werd dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1689 werd Willem ook koning van Engeland en Ierland.
Orange City bestaat nog steeds. Er zijn bijna 6000 inwoners. Ongeveer de helft  is van Nederlandse komaf.

Onderstaande stond in ‘De Volksvriend’ van 21 maart 1918:  “Volgens een brief uit Lisse, Nederland, die ons ter hand gesteld werd door bakker Kluis, moet het er daar tamelijk krap beginnen bij te staan. Koek wordt voor anderhalve gulden het pond verkocht ‘en dan weet je nog niet wat je krijgt’. Melk is 27c, boter f 1.75, rundvet f 1.25 of f 1.50 per pond. Gewoon geel katoen, dat vroeger 10 of 12c kostte, kost nu 59ct. Gewone schoolkousen, f 2.50; andere kousen tot 6 gulden; sajet tot f 2.25 per knot. De kousen worden dan ook al wat ingekort. Schoenen zijn ook zeer duur. ‘En kon men dan alles nog maar krijgen, maar het heugt me niet dat ik rijst geproefd heb, of havermout, of meel, niets is er te krijgen’.
Eenmaal per dag kan men slechts brood krijgen en dan maar weinig, zoodat tweemaal warm eten gekookt moet worden. Dit gaat met nieuwe moeite gepaard, daar er zoo weinig vet is, een half ons per persoon per week, 40c ‘t pond. Vleesch is 75 of 90 cent per pond. Spek niet te krijgen. Brandstof is er ook niet ruim; steenkool zoo goed als heel niet. Klompen kosten f 1.50 en f 1.75 per paar. Toch is er nog geen honger volgens den schrijver en kan men, al is het dan ook duur, de nodigste levensmiddelen nog bekomen”.

Al met al was er in die winter een zorgelijke situatie in Lisse.

In Orange City in Iowa wordt nog ieder jaar een tulpenfestival gehouden. Foto: VVV Orange City

GEVOLGEN VAN DE REFORMATIE IN LISSE

De katholieken moesten uit de grote kerk. De schuilkerk aan de Achterweg wordt beschreven. Wat zijn Klopjes? 

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

24 oktober 2017

door Nico Groen 

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg in Duitsland. Dit is het symbolisch begin van de Reformatie. Dat is dus precies 500 jaar geleden. De Reformatie is de afscheiding van de protestanten van de R.K. Kerk. Er heerste grote armoede en er was veel onvrede binnen de R.K. Kerk, onder andere door de vervolging en verbranding van ketters. Voeg hieraan toe het mislukken van de oogst in 1565 en de daarop volgende voedseltekorten dan zijn alle ingrediënten aanwezig voor een volkswoede. Dit ontaardde in 1566  in de Beeldenstorm. Het gevolg was de tachtigjarige opstand tegen Spanje, die in 1568 begon. Onder andere Leiden (1573/74) en Haarlem (1572/73) werden belegerd door de Spanjaarden.  Dat had tot gevolg dat ook in Lisse de kerk, boerderijen en woningen werden vernield.
 
Schuilkerk bij de Engel
De katholieken in Lisse kerkten in de Dorpskerk op ‘t Vierkant. Tijdens de Beeldenstorm werden de beelden van de heilige Agatha en van Maria vernield en verwijderd. De sieraden, zoals rozenkransen werden gestolen en later verkocht. In 1579 werd bepaald, dat de Nederduitse Gereformeerde Kerk in de Noordelijk Nederlanden voortaan de publieke kerk moest zijn. De R.K. Kerk werd verboden. De protestanten namen de kerk in bezit evenals de pastorie op ’t Vierkant.
De katholieken kwamen in het geheim bij elkaar. Zo was er op landgoed Meerenburgh een kapel, waar een kapelaan de mis deed. Ook werden daar monniken opgevangen.
Na een aantal jaren werden de verhoudingen tussen de twee geloofsgemeenschappen gestabiliseerd. Omstreeks 1630 werd oogluikend toegestaan, dat ten westen van de Achterweg, net ten noorden van het Mallegat, bij de Engel een schuurkerk of schuilkerk werd gebouwd. Dit tegen een jaarlijkse betaling van zogenaamde recognitiegelden voor een officiële vergunning. Van deze kerk is geen afbeelding bekend, maar in 1710 wordt op dezelfde plaats een nieuwe kerk met een fraaie pastorie gebouwd. De nieuwe kerk werd bijna 10 meter diep en twintig meter breed aan de voorkant. De kerk werd gebruikt tot 1843 en later gesloopt. Op de tekening hiernaast is rechts de kerk en links het pastoorshuis te zien, met linksvoor een bijkeuken of iets dergelijks. De tekenaar stond ten westen van de kerk, omdat aan de kant van Achterweg niets te zien mocht zijn wegens mogelijke aanstoot. Daar waren bosschages, boomgaarden en een schutting. Op het binnenplaatsje voor de pastorie is een muur te zien met een soort tuinhuisje en daarnaast een poortje, waar  mogelijk een geestelijke dochter, een zogenaamd Klopje, staat. Er waren daar meerdere Klopjes. Klopjes zijn alleenstaande vrouwen, die een kuisheidsgelofte hebben afgelegd. De Klopjesbrug ter plaatse over het Mallegat is naar hen vernoemd, evenals boerderij Klopjeshoven, die aan de overkant van het Mallegat stond.
In Lisse was veel corruptie, waarbij ambtenaren en bestuurders tegen betaling een oogje dichtknepen. In Lisse was de eigenaardige situatie ontstaan dat de katholieke ambachtsheer van Lisse de protestante dominees moest aanstellen. Dit gaf vele onverkwikkelijke situaties.

Het meeste van bovenstaande is ontleend aan het boekje ‘De Aagtenkerk van Lisse’ van A.M. Hulkenberg uit 1960.

Rechts de achterkant van de schuurkerk aan de Achterweg bij het Mallegat Foto: Beeldbank Lisse

OORLOGSGRAVEN IN LISSE

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)                             3 mei 2016

door Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Dit is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.

Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Deze erebegraafplaats bestaat sinds 1992. Toen werden stoffelijke resten van vier gevallenen  herbegraven. Daarvóór lagen de gesneuvelden her en der verspreid over de begraafplaats en bij de Engelenkerk. Het kerkbestuur reageerde daarmee op een voorstel van de Stichting Oorlogsgraven. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Een van hen is Teun Kulk, geboren op 11 mei 1915. Teun Kulk overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940.

Bert Kroon stierf op 1 februari 1944, nog geen 21 jaar oud, in een barakkenkamp voor militairen in Amersfoort. Hij had een gevaarlijke vorm van difterie. Hij was na verraad van NSB’ers in het Groningse Doezum opgepakt door de Duitsers. Hij is ook op Duinhof begraven.

Rinus Warmerdam, is geboren op 25 januari 1918. Op 10 mei 1940, de eerste oorlogsdag, is hij ernstig gewond geraakt. Als militaire koerier is hij van zijn motor geschoten. Hij overleed op 12 mei 1940 in Wassenaar, waar hij eerst is begraven. Op 22 januari 1944 is hij herbegraven op de begraafplaats van de Agathakerk.

Aart van Dijk is geboren op 2 januari 1914 en overleden op 19 januari 1945 Tijdens een razzia in Hillegom werd hij door de SD doodgeschoten.

Jan de Haan was gemeentesecretaris van Lisse. In de oorlog hielp hij vele mensen. Op 19 februari 1944 werd hij gearresteerd en naar het beruchte kamp Vught gebracht. In september 1944 is hij onverwacht vrijgelaten. Hij was volkomen uitgeput en is daar niet meer overheen gekomen. Hij overleed op 9 oktober 1946.

Willem Heemskerk is in de nacht van 2 op 3 mei 1945, net voor de bevrijding, neergeschoten door dronken, gedeserteerde Duitse soldaten bij zijn huis in de Engel. De Duitsers waren op strooptocht. Hij was 55 jaar.

Als laatste staat op de gedenksteen van het eregraf de naam van Frans Snaar. Zijn naam staat ook op het familiegraf van Snaar. Hij is geboren op 20 april 1924 en overleden op 10 november 1943 in Rudisleben, Landkreis Arnstadt. Hij was tewerkgesteld in Duitsland.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over de omstandigheden waaronder bovenstaande en andere oorlogsslachtoffers zijn omgekomen.

Rechts ligt het eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Foto: Nico Groen

VAN VER GEKOMEN: Guicherit uit Nederlands Indië (deel 1)

Magda Guicherit woont in de van der Veldstraat. Magda is een telg uit een familie, die rond 1950 Indonesië ontvluchtte. De geschiedenis vóór die tijd wordt beschreven.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het verhaal van een familie die door de machtsovername van Soekarno hun vaderland moest verlaten en een plek  vond in een voor hen vreemde maatschappij.Dit is het eerste deel van een serie verhalen over mensen die vanuit een ander land kwamen om in Lisse een nieuw bestaan op te bouwen. Vaak werden zij door omstandigheden gedwongen hun vaderland te verlaten, anderen zochten een beter bestaan.

Op een mooie, zonnige maar koude dag in november ontvangt Magda Guicherit ons met koffie in haar gezellige jaren 20-huis in de Veldhorststraat. Vanuit de kamer kijken we op de speelse tuin met niveauverschillen. Magda is een telg uit de familie Guicherit, een van de families die in de jaren vijftigvan de vorige eeuw Indonesië ontvluchtten en in
Lisse terecht kwamen. Hoe verging het ze hier? Hoe hebben zij hun weg gevonden in de Nederlandse samenleving? Op deze en andere vragen geeft Magda openhartig en uitvoerig antwoord.

Franse en de Sumatraanse roots

Magda Guicherit is in 1950 geboren in Indonesië, het voormalige Nederlands-Indië. Vlak daarna vertrok de familie naar Nederland. Na het overlijden van haar vader besefte Magda dat zij niet zoveel van de geschiedenis van haar familie afwist. Zij vroeg haar moeder die op te schrijven en zij is heel blij dat haar moeder en ook haar moeders zusje dat hebben gedaan. Wij mochten de memoires van Magda’s moeder Irene Daniela Guicherit-Schift gebruiken als inleiding op het interview met Magda. Grootvader Rudolph Theodoor Guicherit stamt uit  een Frans hugenotengeslacht. Magda’s vader Hans Guicherit is in 1914 in Indië geboren, maar zijn lagereschooltijd brengt hij door in Amsterdam. De familie keert terug naar Indië en daar gaat hij naar de HBS. Magda’s grootvader van moederskant is afkomstig van de Riau-archipel behorende bij Sumatra. Hij wordt geboren in 1893 als zoon van een inlandse vorst en krijgt de naam Mohammed Ali Nurpiah. Zijn titel is Raden, een aanspreektitel voor adellijke personen. Zijn familie brengt hem voor zijn schoolopleiding onder bij een rijk, kinderloos, Hollands echtpaar, de familie Schift. Zij laten het jongetje niet meer gaan en adopteren hem officieus. Magda vertelt dat hij wel een opleiding kreeg, wel mocht leren, maar niet teveel. Hij moest niet te ontwikkeld worden. Hij zou het niet verder brengen dan een baantje als stationschef.
Vreemd verhaal van moeder Irene “Het vreemde was” schrijft Irene Daniela Guicherit “dat alhoewel mijn vader al op heel jonge leeftijd bij de familie in huis kwam en zijn adoptief moeder hem tegenover anderen altijd haar pleegzoon noemde, hij van zijn kant altijd ‘mevrouw’ tegen haar bleef zeggen. Er was dus nooit een toonbare liefdesband tussen hen geweest. Heel vaag herinner ik mij nog een voorval met betrekking tot mijn vader. Er heerste op een of andere dag opschudding, want een oom van mijn vader had zijn bezoek aangekondigd. Hij kwam in een rijtuig aan en ik herinner me dat achter hem aan een man liep, die een gouden pajung (paraplu) boven zijn hoofd hield, dat was het teken van heel hoge adel. Hoe hij er zelf uitzag, kan ik me niet meer herinneren, alleen die pajung had grote indruk gemaakt”. In 1913 trouwt Noerpia met Magda’s oma, de 15-jarige Maria Theresia, de natuurlijke dochter van de Nederlander J.M. van Amstel en een inlandse onderwijzeres, Raden Ajoe Soemiah, ook afkomstig uit een aristocratisch geslacht.
Het jonge paar woont in bij de familie Schift en neemt in 1915 ook de naam Schift aan. Irene Daniela Guicherit-Schift: “Ik ben geboren op 8 mei 1914 in Cheribon. Mijn moeder was nog heel jong, nauwelijks zestien jaar en mijn vader nog geen twintig. Of zij mij met blijdschap ontvangen hebben, weet ik niet. Dat zal wel, want ik was de eerste. Maar wie er wel dolgelukkig waren, dat waren hun pleegouders. Zij waren van mening dat ik HUN kind was en leerden mij van jongs af aan, dit zo te zien. Mijn ouders moest ik als broeder en zuster beschouwen. Ik moest tegen hen, de pleegouders van mijn vader, “pappie” en “mammie” zeggen en tegen mijn werkelijke ouders “Jozef en Trees”. Het waren zeer welgestelde mensen. Hij was assistent-resident, een hoge bestuursfunctie in die tijd. Ruim een jaar na mijn geboorte werd er een tweede dochter geboren en ook hiermee gebeurde hetzelfde. Toen ik twee jaar was verhuisden wij van Cheribon naar Batavia. Daar hadden zij een huis laten bouwen in – voor die tijd – moderne stijl. Het was een heel groot en mooi huis. We hebben er na de oorlog wel met 45 personen in gewoond. Op de voorgevel stond in mooie letters “IRENE”, mijn naam, want dat huis zou na hun dood alleen voor mij bestemd zijn.
Mijn ouders bleven ook in het huis wonen en kregen het paviljoen. Daar werd ook een derde kind geboren, mijn zusje Nita. Wij, mijn zusje De en ik, sliepen in het hoofdgebouw, bij mijn grootouders” [de familie Schift, red.] De familie Schift, zegt Magda, pikten de drie meisjes als het ware in. Voor de twee later geboren jongetjes had het echtpaar Schift geen belangstelling. Die mochten bij hun ouders blijven wonen. De drie meisjes leiden een luxeleventje, met veel pretjes en uitjes. Ze worden opgevoed voor een leven in de hogere kringen. Ze krijgen vioolles en pianoles. Mevrouw Guicherit wordt een uitstekende pianiste. Magda’s moeder brengt een deel van haar lagere schooljaren door in Nederland, in Den Haag. Terug in Indië gaat ook zij naar de HBS. Op 10-04-1941 trouwde de ouders van Magda. Vader Hans Guicherit en moeder Irene Daniela Schift vormen vanaf nu een paar, samen met René eigenlijk al een klein gezin.

Oorlog in Nederlands Indië

VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung,  oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.

Een verschrikkelijke tijd breekt aan voor het jonge gezin als in 1941 Nederland Japan de oorlog verklaart. Het gezin Guicherit telt één zoon, een tweede kind is op komst. Tijdens zware bombardementen op Batavia wordt eind februari 1942 zoon Bert geboren. De gemobiliseerde Hans Guicherit, die de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt kort daarna krijgsgevangene van de Japanners. Die transporteren hem naar
VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung, oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.
Thailand, waar hij als dwangarbeider zwoegt aan de aanleg van de beruchte Birma-spoorlijn, de Dodenspoorlijn. Bijna vier jaar duurt het voor hij vrouw en kinderen weer ziet. Mevrouw Guicherit leeft al die tijd in onzekerheid over zijn verblijfplaats. Zij trekt in bij haar ouders, haar echte. Haar vader heeft nu profijt van zijn Indonesische afkomst en houdt zijn baan bij de Spoorwegen en zo zijn er nog enige inkomsten. Als Indische Nederlandse, als Indo, wordt Irene Guicherit niet geïnterneerd in een kamp, maar woont ze aan de rand daarvan, ze is een “Buitenkamper”. Ze slaagt erin met de kinderen de oorlog door te komen.
Bersiap-periode Uit de memoires van Magda’s moeder: “Maar eindelijk kwam voor ons toch ook een einde aan de ellende…? Ja dat dachten we. We merkten dat de bevolking, de Indonesiërs, zich plotseling heel vijandig tegenover ons gingen opstellen. Niet allen natuurlijk, maar wel de jongeren. Die hadden een leger opgericht. Ze wapenden zich voorlopig nog met bamboespietsen en messen. Er brak toen een tijd voor ons aan, die nog veel onzekerder en onveiliger was dan we in de bezettingsjaren gekend hebben. Tassen en fietsen werden uit je handen gerukt. Ze sloegen je vaak, zodat je niet meer alleen de straat opdurfde. Families die een beetje verder van de Engelse Militaire Commando woonden (deze bestond slechts uit enkele honderden mensen), werden volkomen uitgemoord. De Engelsen konden met zo’n handjevol niet optreden en daardoor werd de situatie hoe langer hoe gevaarlijker. De verkopers aan de deur mochten hun waar niet meer aan ons verkopen. Zo werd de voedselsituatie hoe langer hoe moeilijker. Was dit nu VREDE??” Onder de mensen die nog geïnterneerd zijn in de kampen, vallen in deze Bersiap-periode betrekkelijk weinig slachtoffers. Zij vallen onder de bescherming van de Japanners. Juist de Buitenkampers lijden zwaar onder het extreme geweld. “Wij woonden toen nog in de Struiswijkstraat, maar verhuisden al heel gauw nadat we zagen hoe Indonesische jongeren het huis tegenover ons helemaal leeghaalden. Ze stonden met messen en bamboespietsen voor het huis.” Onder bescherming van de Engelsen verhuist de familie naar de eigen villa ‘Irene’. “We zaten daar toen met 45 mensen. Het was zo’n gespannen toestand dat ruzies natuurlijk niet uitbleven. Het was een hele nare tijd. Beschietingen van extremisten op ons huis, dat pal naast het interneringskamp stond en waar Jappen zaten, die voor de veiligheid van van de ex-geïnterneerden garant moesten staan. Het was een complete chaos eigenlijk”. Als vele andere ex-krijgsgevangenen komt Hans Guicherit weer in dienst van het Nederlandse leger en neemt deel aan politionele acties. Eerst op Bali, waar hij herenigd wordt met zijn gezin, en
later op andere eilanden. Eind maart 1947 wordt dochter Trix geboren. Een maand later volgt de demobilisatie en verhuizen ze naar Makassar op het eiland Celebes.
Behouden vaart Hans Guicherit komt in dienst van het Nederlands gouvernement en bevordering op bevordering volgt. In Makassar ziet in 1948 zoon Theo het levenslicht. In mei 1950 breken in Makassar bloedige gevechten uit tussen de soldaten van Soekarno en opstandige Molukse groeperingen. Magda’s vader kan vanuit zijn werk zijn huis en zijn hoogzwangere vrouw niet meer bereiken. Het huis van de Guicherits ligt in de vuurlinie van de strijdende partijen. Na vijf dagen is er een staakt-het-vuren en bereikt hij zijn huis via de muur van het huis van de directeur van het ‘krankzinnigenwezen’. Die zegt hem: “U bent meneer Guicherit, ik feliciteer u met de geboorte van uw dochter”. Die dochter is Magda, door de directeur ter wereld geholpen. Op 30 augustus 1950 gaat de familie Guicherit met oma Guicherit in Tandjong Priok scheep aan boord van het Engelse stoomschip de Ormonde. Het schip vaart via het Suezkanaal over de Middellandse Zee langs Portugal naar Rotterdam. Een plezierreisje met kinderfeestjes, dinertjes, bal masqués en een captains dinner. 24 september legt het schip aan in Rotterdam en verlaat de familie de Ormonde. Magda Guicherit vertelt hoe het de familie verder verging, in de wintereditie van 2018.

Wordt vervolgd.

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen Deel 2: de verdere familie- en persoonlijke geschiedenis.

De verdere familie wordt besproken, evenals zijn persoonlijke geschiedenis.

Laura Bemelman

Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

het vorige deel van dit verhaal vertelde ik vooral over de oude geschiedenis van de familie Van der Vlugt. Jacob Pieterse van der Vlugt is vermoedelijk rond 1700 in Zoeterwoude geboren. Van zijn vader Pieter Wouterse is weinig bekend. Maar zijn zoon Maarten van der Vlugt werd rond 1820 pachter op de boerderij Middelburg. En zíjn zoon Maarten die in 1837 geboren wordt, trouwt met Cornelia van Ruiten. Een van hun zestien kinderen is Antoon van der Vlugt, geboren in 1869. Hij trouwt met Maria Christina van der Salm en zij starten hun huwelijk op de Achterweg, in de boerderij ‘De Goudmijn’. Uit het gezin van Antoon van der Vlugt en zijn vrouw zijn tien kinderen geboren. De jongste zoon komt in september 1914 op de Heereweg ter wereld.

Heereweg 435 en 435a Solsidan
Al die Van der Vlugten in De Engel

Behalve Antoon (1869), blijven ook zijn broers Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) in Lisse wonen. Deze broers worden allemaal bloembollenkwekers in een klein gebied aan de zuidkant van De Engel. Van de tien kinderen die in het gezin van Antoon en Maria Christina geboren zijn, is er één kindje levenloos ter wereld gekomen en is dochtertje Cornelia Agnes nog geen drie jaar oud geworden. De overige acht kinderen worden volwassen. Eén van de dochters trouwt met een onderwijzer, één met een bloemist uit Noordwijkerhout. Van de zes zoons worden er vier bloemist. Eén van de zoons vertrekt als bloemist naar Voorhout. Drie zoons worden bloembollenkweker in Lisse en werken met hun vader samen. En twee zoons worden tot priester gewijd. Hugo gaat uiteindelijk naar Noorwegen en Hugo’s jongere broer Antoon (Cornelis Anthonius) is als missionaris van Mill Hill naar Kameroen in Afrika gezonden. Moeder Maria Christina van der Salm overlijdt in mei 1918, ze is dan pas vijfenveertig jaar oud en laat haar man Antoon achter met een groot gezin met nog vele jonge kinderen. Het jaar daarop overlijdt Antoons broer Martinus (1875) die indertijd iets eerder in het dubbele woonhuis op de Heereweg is komen wonen. Zijn weduwe blijft daar nog enige tijd wonen om daarna te verhuizen naar een nieuwe woning in de Schoolstraat. Adrianus (1876) is rond dezelfde tijd als zijn beide broers Antoon en Martinus naar het huis Rima verhuisd dat halverwege hun huis en het Laantje aan de Heereweg staat. Als er rond 1930 een nieuw huis gebouwd wordt aan de andere kant van de weg, op de hoek van de Akervoordelaan en de Heereweg, verhuist Adrianus vervolgens daarheen. Hun jongste broer Marcelis blijft nog geruime tijd op het Laantje tot de zoon van Adrianus zijn plek daar overneemt. Marcelis gaat dan aan de weg wonen, aan het begin van het Laantje. In juli 1935 is zeer plotseling Antoon van der Vlugt in Lisse overleden. Als bloemist heeft hij samen met een aantal van zijn zoons een bollen-exportzaak van betekenis opgebouwd. Hij kweekte ook tulpen maar heeft vooral naam gemaakt als hyacintenkweker. Hij ijverde voor verbetering en verdere ontwikkeling van deze bol en was erg trots op zijn nieuwe soorten met grotere bloemen in mooie kleuren. De nieuwe bollen moesten ‘aan hooge eischen’ voldoen om voor de handel geschikt te zijn. Antoon zou kort voor zijn dood nog gezegd hebben dat hij bollen zou kunnen laten zien die vooral voor de vroegbroei heel geschikt zouden zijn. De schrijver van het memoriam in de krant verwachtte die bollen dan zelf ook wel te zullen zien, maar het speet hem dat de meest enthousiaste liefhebber, Antoon, daar niet meer bij kon zijn.
Dan is het de volgende bollengeneratie Van der Vlugt die aan het roer komt te staan. Maarten (1900), de oudste zoon van Antoon, vestigt zich op Rima als zijn oom en tante naar de overkant van de Heereweg verhuizen. Broer Cors (1902) trouwt met de enige dochter van een grote bloembollenkweker in Voorhout en vertrekt uit Lisse. Broer Adrie (1913) trekt, na het vertrek van zijn tante, in het andere deel van het dubbel huis aan de Heereweg dat later Solsidan gaat heten. De jongste broer Wim (1914) trouwt en blijft in het deel van het ouderlijk huis dat later het nummer 435 krijgt.

Priesterwijding van Hugo van der Vlugt

‘Paschen is dit jaar te vroeg gekomen’ meldt in 1929 de krant omdat er nog weinig bloembollen op de velden bloeien in de Bollenstreek. Het is slecht weer maar toch is het feest in Lisse. Een ‘zoon van de parochie’ draagt zijn eerste Heilige mis op in de Agathakerk. Het is de weleerwaarde heer Hugo van der Vlugt. De klokken beieren, geel-witte wimpels zijn overal te zien en ook de nationale vlag. In alle vroegte is Hugo van der Vlugt van het station
in Voorhout gehaald door een aantal auto’s met vooraanstaande personen uit Lisse. Pastoor Thomann van Lisse natuurlijk en de zeereerwaarde heer Sentenie van de nieuwe Engelenkerk van de parochie waartoe de familie behoort en nog een auto met familieleden. Een plechtige mis volgt en woorden, ‘allen zoo treffend van toepassing op de toekomst van den jongen priester, die zijn leven gaat wijden aan de bekeering van Noorwegen’. Na de officiële en plechtige gelegenheid rond de priesterwijding is er ook feest. De bewaard gebleven feestgids getuigt van dankbaarheid maar ook van vreugde. Er is door de familie een levensloop in liedvorm geschreven waar in ‘een combinatie van drama en klucht’ een beeld doorklinkt van Hugo en zijn naaste familie. ‘Waar de blanke rij der duinen, sterk de Bollenstreek behoedt, ligt ons Lisse in kleurige velden, door de Rijnsloot fier begroet.’ De liefde voor de Achterweg wordt erin bezongen, het huis van vader Antoon en zijn gezin dat door de jaren groeit. Hier staat de ooievaar op een morgen met in zijn bek een mandje met baby Hugo, bij ‘de Goudmijn’ en de vruchtbare grond, ‘die van kleuren bloost’. Het vertelt het verhaal van een jongensjeugd uit een prentenboek. Van grote zus die op Huugje moest passen maar haar broertje vergat. Het knaapje ging met de hoepel spelen, maar de hoepel trok zijn eigen plan. Al snel lag ventje Hugo brullend in de sloot naar kroos te happen, tot hij er op tijd werd uit gevist. En van een kleine jongen van zeven jaar die met het gezin een dagje naar het Mallegat en Reigersbos ging, maar daar zoek raakte. ‘Ze speurden overal, maar ze waren broertje kwijt’. De voerman met een koetsje trof de kleine jongen langs de weg aan en wilde hem thuis brengen, maar ‘Huugje wist de weg niet meer, maar snikte met een zuchtje, ’t is over een bruggetje, heel ver weg, voorbij een klein gehuchtje’, zo kwam hij toch weer veilig thuis. Een jongetje dat de school ‘een apenhok’ noemt en bang is voor de meester maar zich toch in het schoolleven leert schikken. Hij vult zijn jaren in Lisse met hoepel, knikkers en tol, met knokken, zwemmen en kattenkwaad, maar vooral van voetballen genoot hij enorm. En dan is de tijd van de ‘korte broek’ alweer voorbij en gaat Hugo in ‘een reuzelange broek’ naar het Seminarie Hageveld, toen nog in Voorhout, aan de Vaart. Hij groeit verder op en anekdotes worden aangehaald over autopech in een Fordje met priesterstudenten op weg naar Freiburg en over zeeziek worden als drie jonge studenten een kennismakingsbezoek in Noorwegen afleggen. Aan het eind van deze prachtige revue wordt ernstig en plechtig stilgestaan bij de ouders van Hugo die hem langs veilige paden hebben willen leiden en trouw over hem waakten op zijn pad tussen kwaad en goed, ‘zijn vader hier op aard, zijn moeder in den hemel’. De gasten op zijn priesterfeest beloven in zang voor hem te zullen bidden, om zegen op zijn heilige werk, voor God en zijn Roomse Kerk. Ten slotte wensen ze hem toe: ‘lang zal hij leven …’ Gelukkig maar dat die avond nog niemand kon vermoeden hoe kort het leven van Hugo uiteindelijk zou zijn.

De Roomse droom in Noorwegen

Al rond 1918 verloopt het missiewerk in Noorwegen niet volgens het plan van het Vaticaan in Rome. Er wordt een nieuwe Nederlandse kardinaal benoemd die de vijf Noorse kerkleiders in Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland en IJsland vervangt door vijf Nederlanders. Bij de Noren straalt het begrip ‘missie’ teveel katholieke superioriteit uit en dat botst met een streven naar individualisme in Noorwegen. De aanduiding van Noorwegen als ‘missiegebied’ wordt daar als vernederend ervaren en de houding van de nieuwe kardinaal valt er slecht. De geloofsgemeenschap in Noorwegen groeit nauwelijks en het aantal bekeerlingen dat erbij komt is bijna net zo groot als het aantal dat uit de kerk vertrekt. Vanuit Rome en door de kardinaal blijft de aanmoediging aan missionarissen en missiezusters om naar Noorwegen te gaan onverminderd groot, maar de missionarissen ‘in het veld’ zien al snel heel duidelijk dat de kardinaal het onmogelijke wil bereiken. Er is dan ook een behoorlijk verloop onder missionarissen in Noorwegen die daar met hoge verwachtingen heen gingen. Het is niet eenvoudig voor hen om in contact met de Noorse bevolking te komen en nog moeilijker om dat vanuit katholieke intenties tot bekeren te doen. De Noren staan wantrouwend tegenover het katholieke geloof en niet minder tegenover de priesters zelf. Dat ‘mislukken’ van priesters in Noorwegen blijft ook niet onopgemerkt voor de priesterstudenten die bezig zijn met hun opleiding met de bedoeling naar Noorwegen te gaan. In 1928 zijn er vijf studenten met deze intentie: twee in Rome en drie in het Zwitserse Freiburg. Deze laatste drie studeren in 1929 af.

Hugo van der Vlugt, pastoor in Hamar

Als de laatstgenoemde studenten uit Freiburg in 1929 tot priester gewijd worden, aarzelen ze behoorlijk door wat er verteld is over de Noorse missie, maar ze hebben een belofte gedaan die niet gemakkelijk te verbreken is. Hun studie is mogelijk gemaakt door het vicariaat Noorwegen, dus is er een morele verplichting. Ook is het niet eenvoudig een andere plek te vinden als priester omdat ze tot geen enkel bisdom behoren en de andere bisschoppen hen als ‘deserteurs’ beschouwen en niet bereid zullen zijn hen op te nemen. Toch laat één van de studenten weten het Noorse avontuur niet aan te gaan. Hij heeft gezien dat veel priesters de eenzaamheid niet aangekund hebben en Noorwegen lijkt door dat isolement het moeilijkste missieterrein ter wereld. De twee anderen proberen hun vertrek nog wat uit te stellen maar hen wordt gezegd dat er ‘niets is om bang voor te zijn’, ze hebben tenslotte hun roeping. Ze hoeven ook niet bang te zijn voor de eenzaamheid want ze gaan eerst naar Bergen en pas als ze aan een missionarisleven in Noorwegen gewend zijn, krijgen ze een post in hun eentje. Daarom vertrekken deze twee jonge priesters naar Noorwegen. Een van die twee, Eugène Laudy, geboren in Sittard in 1899, heeft jaren in Noorwegen gewerkt en is daar in 1981 ook overleden. De andere is Hugo van der Vlugt uit Lisse. Hij heeft eerst het Kleinseminarie in het Bisdom Haarlem gevolgd en was aanvankelijk van plan zijn studie aan het Grootseminarie te voltooien, maar besloot in 1924 priester te worden in Noorwegen. In 1929 vertrekt hij dan ook als gewijd priester naar Noorwegen en wordt enkele jaren kapelaan in Bergen om daarna pastoor in Stabbek te worden. In 1932 gaat hij naar het kleine Haugesund en wordt in 1939 benoemd tot pastoor in Hamar. De priesters die in het missiegebied in Noorwegen werken hebben veel verschillende nationaliteiten. In de periode van begin dertiger jaren tot half zestiger jaren van de vorige eeuw zijn er gemiddeld vijftien Nederlandse priesters in Noorwegen, ongeveer een derde van het totaal. In 1939 is in tien van de zestien missiestaties in het Noorse gebied een Nederlandse pastoor benoemd. Hugo zou bij zijn komst in Hamar als bouwpastoor in een jonge parochie niet goed geweten hebben hoe hij zijn taak goed kon aanpakken. Daarom zou hij zijn leven ‘in Gods handen’ hebben gelegd. Door zich goed in te leven in de idealen van de beter geschoolde jeugd in Noorwegen trekt hij hen aan en ook wint hij vertrouwen bij de oudere intellectuelen door zijn grote kennis en ruime visie op de problemen van die tijd.

Kamp Sachsenhausen-Oraniënburg

Als de Nazi’s Noorwegen bezetten, heeft Hugo de vlag omlaag gehaald om zijn ongenoegen met deze bezetting te tonen. Hij heeft gezegd niet opnieuw te willen vlaggen voordat de oorlog in Noorwegen voorbij zou zijn. Deze kans heeft hij niet meer gekregen. In juni 1942 zit in Oslo, in het gevangenenkamp Grini, een groep Noorse jongelui opgesloten die deel uitmaakt van een katholieke actiegroep, maar waar de Noorse priesters tevergeefs geprobeerd hebben contact mee te krijgen. Dan wordt Hugo van der Vlugt in Hamar opgepakt door de Duitsers. De aanleiding is niet meer dan wat onnozele uitlatingen in brieven die bij de censuur zijn opgevallen. Hugo heeft zich opzettelijk kritisch uitgelaten in zijn brieven om een arrestatie uit te lokken, in de hoop daarmee toch met de groep jongelui in contact te komen. De behandeling daar in Grini is heel goed geweest, zo vertelt hij later, maar door erg zwaar tuinwerk te moeten verrichten is hij daar waarschijnlijk ook enige tijd behoorlijk ziek geweest. Daarna zou hij eind november 1942 via Hamburg en Berlijn met een groep andere Noren vanuit het kamp Grini terecht gekomen zijn in Sachsenhausen. Dit kamp ten noorden van Berlijn is in eerste instantie een werkkamp maar beschikt wel degelijk ook over een gaskamer, er hebben massa-executies plaatsgevonden en er zijn medische experimenten uitgevoerd. Vele tienduizenden van de gevangenen hebben hier dan ook de dood gevonden.

Slijtageslag

Alle nieuwelingen in het kamp moeten deelnemen aan een soort wetenschappelijk onderzoek naar een nieuw soort militaire schoenen bestemd voor de Wehrmacht. Daarvoor moeten de gevangenen van ’s morgens vroeg tot laat in de middag, zonder noemenswaardige pauze, in een geprepareerde halve cirkel op de appèlplaats van het kamp blijven lopen. De mars van ongeveer 35 kilometer per dag voert onophoudelijk over vakken met verschillende soorten glad, grof of scherp plaveisel om te ontdekken hoe lang het schoeisel hiertegen bestand blijft.

Tekening van Tethard Hettema, het schoenentest traject


Veel van de gevangenen houden die eindeloze mars niet vol en hebben het leven erbij gelaten. Ook Hugo van der Vlugt heeft aan die test meegedaan. Hij heeft hongerig, slecht gekleed en zonder overjas of handschoenen, veertien dagen lang door het gure, mistige novemberweer gesjouwd voor die proef. Die slijtageslag moet hem beslist een sterk verminderde weerstand bezorgd hebben. Vlak voordat hij tewerk gesteld wordt op ‘Klinker’ een beruchte steen bakkerij buiten het kamp, leert Hugo de kapelaan Hennekens en Franciscaner pater Tethard Hettema kennen, de enige twee priesters in het kamp. Zij kunnen er voor zorgen dat Hugo in hun ‘block’ wordt opgenomen, mede doordat er in Sachsenhausen enige privileges bestaan ten behoeve van geestelijken. Vooral met Tethard Hettema heeft Hugo van der Vlugt zijn laatste tijd in het kamp gedeeld, doordat kapelaan Hennekens al snel buiten het ‘block’ in het ziekenverblijf wordt opgenomen. Tethard heeft later in een uitgebreide brief aan de familie, geplaatst in het tijdschrift ‘Uit het land van St. Olav’, uitvoerig geschreven over hun gezamenlijk verblijf in dit kamp in Duitsland. Ze delen hun ‘block’ met medekampbewoners van gevarieerd pluimage, waaronder asocialen en zigeuners (de ‘Brandweer’), oude tuchthuisgasten (van het ‘Krematorium’), enkele Joegoslavische consuls en een stel prominente ‘berufsverbrechrer’, samen dertig man, die de ‘gezelligste Stube van het Lager’ vormen, later aangevuld met nog eens dertig lieden (van het ‘Orkest’). Ze doen bijna alles samen, zoals brandstof en brood halen, eten, boeken inbinden en Kerstmis vieren. En Kerstmis moet een hoogtepunt geweest zijn. Als het februari is krijgt Hugo last van buikloop, wat heel gewoon is in het kamp. De gewone remedie is vasten en houtskool eten en van een medegevangene die verpleger is, krijgt Hugo Tannalbin-tabletten. Maar hij blijft ziek, verliest dan ook bloed en wordt vervolgens in de typhusbarak opgenomen. Het enige contact met hem verloopt nu via berichten van twee lieden van de ‘Brandweer’, de een via zijn vriend die block-oudste van de ziekenbarak is en de ander omdat hij bij de typhusbarak als tuinman werkt. Maar Hugo’s conditie gaat hard achteruit en de situatie wordt kritiek. Gedurende twee weken komt er voortdurend bloed, hij eet niet en drinkt bijna niet en heeft verschrikkelijke pijn, uiteindelijk is er alleen nog slijm. Maar ze geven geen van allen de hoop op en iedereen doet wat mogelijk is omdat ze Hugo erg graag mogen.

Het einde nadert

Tegen het eind van februari krijgt Tethard Hettema het nog voor elkaar zijn vriend te mogen bezoeken. Ze wisselen kampnieuwtjes uit en praten over het geloof en het al dan niet mogen offeren van je leven uit liefde voor God. De volgende dag bezoekt ook kapelaan Hennekens hem nog. In de week daarna krijgt Hugo een leverpreparaat ingespoten als een vorm van kunstmatige voeding en heeft hij minder pijn. Omdat Hugo zo goed en geduldig was geweest doet iedereen zijn uiterste best. Zelfs de SS dokter laat gebeuren wat anderen niet krijgen. Maar bij het volgende bezoek van zijn vriend Tethard herkent Hugo deze bijna niet meer, is versuft en meent dat God het offer van zijn leven zal aanvaarden. Hij weet dat hij sterven zal. Het valt Hugo’s vriend zwaar dat er geen Heilige Communie is en geen Heilige Olie om de laatste katholieke sacramenten te kunnen toedienen. De volgende avond is kapelaan Hennekens nog bij Hugo geweest, samen met de katholieke onderwijzer Olafsen, die, samen met een aantal andere katholieke jongens uit Oslo, enkele dagen eerder in het kamp

Sachsenhausen was aangekomen. Die avond of de vroege ochtend van de volgende dag is Hugo overleden. Het bericht van zijn overlijden maakt op iedereen veel indruk, zelfs op die van de ‘criminele kamergenoten’: ‘O, die bleke, die goede stille Hollandse pastoor’. Zijn crematie vindt plaats, afzonderlijk, als blijk van piëteit van deze groep totaal verruwde kerels. Pater Tethard en kapelaan Hennekens zijn in 1943 vanuit Sachsenhausen op transport gezet naar Dachau. Zij hebben het er beiden levend afgebracht en menen dat ook aan Hugo te danken te hebben. ‘Een echte priester, eenvoudig, goed, beminnelijk en bemind. Een held en iemand, die ook erg veel hield van zijn zusters en broers en steeds zei: ‘Als ik vrij kom, ga ik eerst naar Holland’. ‘Hij was een voorbeeld in alles’, zoals Tethard Hettema in zijn brief van augustus 1945 aan de familie schrijft, gepubliceerd in het genoemde tijdschrift. Hierin bekent hij een heel klein aandenken aan Hugo bewaard te hebben – alleen een klein ‘stop-ei’ – want enkele andere kleinigheden zijn door het voortdurend verhuizen en door plunderingen verloren gegaan. Het vormt een klein maar gekoesterd aandenken aan een groot voorbeeld en een dierbare vriend.

Gedenken

In Noorwegen zijn plannen voor het plaatsen van een herdenkingssteen ter ere van Hugo van der Vlugt bij de St. Torfinn kerk in Hamar, de parochiekerk waar hij zijn taak als bouwpastoor in 1939 begon. De Stichting Oranjecomité Lisse/ werkgroep Nationale Herdenking 4 mei, wil komend voorjaar de aandacht vestigen op pastoor Hugo, die zijn inzet vanuit zijn geloof met de dood heeft moeten bekopen, als een van de vele slachtoffers die de Tweede Wereldoorlog telt.

Bronnen

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, Bevolkingregister Lisse, ProGen data/Lisse, familiestambomen, – gegevens, – drukwerk en foto’s, advertenties regionale kranten. De Roomse Droom, Vefie Poels, dissertatie 2005; tijdschrift ‘Uit het Land van St. Olav’.


Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

De Conscriptie, de algemene dienstplicht onder Napoleon

Napoleon voerde in 1810 de algemene dienstplicht in om tegen de russen te vechten. Alle  jongemannen geboren in 1788 in oa Lisse moesten zich melden. Er waren uitzonderingen. Lisse moest 17 manschappen leveren. Zij moesten zich in de Witte Zwaan inschrijven. Namen en omstandigheden van de Lissese rekruten worden beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Als in 1810 Napoleon zich, ondanks alle gesloten verdragen, bedreigd voelt door de Russische tsaar Alexander en zijn legers, besluit hij de tsaar voor te zijn en met een enorme legermacht Rusland binnen te trekken en Rusland aan zich te onderwerpen. Hiervoor waren soldaten nodig, heel veel soldaten. In het diepste geheim begon hij troepen en materialen samen te trekken in Oost Pruissen om van daar uit Rusland binnen te trekken. Alle door hem veroverde landen, welke toen deel uit maakten van het Franse Keizerrijk, kregen bij Keizerlijk decreet de order soldaten te leveren. Zo ook in Nederland. Hiervoor werd de “Conscriptie” ingevoerd, wat vertaald betekent “Loteling”.
Hiermee werd de invoering van de algemene dienstplicht een feit, ook in Lisse. Heel Nederland was ingedeeld in Arrondissementen, naar Frans voorbeeld, en deze waren weer opgedeeld in Kantons, kleinere bestuurlijke eenheden. Lisse lag in het Arrondissement ” Département des Bouches de la Meuse”, ofwel Departement van de Monden van de Maas, en was begin 1811 de Hoofdplaats van het 11e Kanton Lisse.
Verplicht dienst nemen in Leger of Marine was altijd een niet te bespreken issue geweest in de Republiek en ook nu verwachtte men massaal verzet hier tegen. Maar buiten enige schermutselingen in met name de Zaanstreek werd de invoering van de dienstplicht gelaten geaccepteerd. Zo verscheen op de voorpagina van de Leydse Courant, ofwel “ Gazette de Leide” van 20 maart 1811, in zowel het Frans als in het Nederlands, de oproep te verschijnen door het navolgende, door de Prefect, Baron de Stassart, geplaatste bericht:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect der Monden van den Maas, heeft door eene Circulaire, geadresseerd aan den Heeren Maires van het Eerste Arrondissement (die van den Haag) de dagen en uuren van de Loting van de Conscriptie bepaald.”

G. de Stassart

De Prefect, Baron G. de Stassart

Voor het 11e Kanton, Lisse, gold dat de opgeroepen jongelieden zich op 22 maart 1811 om acht uur ’s morgens moesten melden in Lisse, om vervolgens in het Rechthuis van Lisse, “Logement de Witte Zwaan”, een lot te trekken uit de grote schaal met nummers. Alle jonge mannen welke in 1788 waren geboren uit de dorpen Warmond, Oegst- en Poelgeest, Rijnsburg, Voorhout, Noordwijkerhout, Noordwijk, Noordwijk aan Zee, Sassenheim, Lisse en Hillegom, de Lichting 1808, werden met terug werkende kracht aan loting en keuring onderworpen. Om onder de dienstplicht uit te komen waren wat regels opgesteld. Was een Loteling voor februari 1811 gehuwd, werd hij vrijgesteld. Was hij de enige of oudste zoon van een weduwe, werd ook vrijstelling verleend. Ook kon men gebruik maken van een vervanger, de z.g. Remplaçant. Dat was iemand die zich voor veel geld bereid verklaarde om de plaats van de dienstplichtige over te nemen, meestal arme sloebers welke de koopsom heel goed konden gebruiken. Maar ook hier aan waren regels verbonden. Zo lezen we verder in de bovengemelde Courant:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect van het Departement der Monden van de Maas. Vermeend zyne onderhorigen te moeten waarschouwen, dat Myn Heer den Staatsraad, Directeur-Generaal der Conscriptie, beslist hebbende, dat de klassen voor gaande aan die van 1808, vrijgesteld zyn, zullende de opgeschrevenen, die zich willen doen vervangen,hunne plaatsvervangeners moeten nemen , onder de Mannen, die voor 1 January 1788 geboren zyn en het 30e jaar nog niet bereikt hebben. Zy moeten de lengte van 1 meter 649 millimeter ten minste hebben, van een sterke gesteldheid zyn, hoegenaamd geene gebreken hebben, in dit Departement geboren zyn. Zy moeten bovendien niet alleen tot geen schande of straffe ten lyve verwezen geweest zyn,maar nog een goede naam genietenen te dien einde een Certificaat van den Maire van hun verblyf inleveren, bewijzende hun zedelyk gedrag. De slegte keus der Plaatsvervangers,steld de vervangenen bloot dezelven ten hunne kosten van de Regimenten te zien terug gezonden en er anderen te moeten leveren. Zy waarborgen dezelven gedurende twee jaren.

Den Haag den 17 maart 1811.

G. de Stassart”

Een Remplaçant kopen was maar voor zeer weinigen weggelegd gezien de enorme kosten welke dit met zich meebracht. Was het in vroeger tijden een makkie om de pastoor of dominee om te kopen om een vervalst doopbewijs te verkrijgen, met de invoering der Burgerlijke Stand was dit onmogelijk geworden. Verder wordt in dezelfde Courant vermeld dat de Loting op 22 maart 1811 ten 08.00 uure in het Rechthuis te Lisse zal worden bestierd door de onder-Prefect van het 1e Arrondissement. Ook wordt beschreven dat het 1e Arrondissement in totaal 217 mannen zal moeten leveren waarvan het Kanton Lisse er 17 voor zijn rekening neemt. Het moet een drukte van belang zijn geweest die morgen op het lommerrijke Vierkant. Honderden jongemannen, zenuwachtig, misschien prikkelbaar, maar ook hongerig, zodat vermoedelijk de plaatselijke winkeliers en horeca een flink graantje mee pikten van het Loting gebeuren. In de Witte Zwaan was een lange tafel geplaatst waaraan de sous-Prefect zitting had geflankeerd met enige Griffiers. Ook was in en om de Zwaan een groot aantal Franse Gendarmes aanwezig om ieder teken van opstand of weigerachtigheid de kop in te kunnen drukken. De meesten van deze jongens welke voor de Loting kwamen waren nog nooit buiten hun dorp geweest en wisten nog niets van de wereld, al zullen er ook wel zijn geweest welke verlangden naar de veronderstelde vrijheid welke de militaire dienst met zich mee bracht.

De honger naar soldaten was zo enorm groot dat bij Keizerlijk decreet was bepaald dat alle jongens, ongeacht de leeftijd, welke in Arm- of Weeshuizen werden opgevoed ter beschikking van het Keizerrijk zouden worden gesteld en in Versailles een militaire opvoeding zouden krijgen in de Kazerne-scholen van de pupillen van de Keizerlijke Garde. Zo verdwenen uit Nederland in totaal 1039 kinderen. Niet bekend is of zich hierbij ook kinderen uit Lisse bevonden. Voor zo ver mij bekend is hier naar nooit onderzoek gedaan. Wie waren deze 17 jongelingen uit Kanton Lisse welk het ongeluk hadden een nummer te trekken welke je van het ene op het andere moment van landarbeider tot soldaat veranderde. Er zal veel hartverscheurend afscheid zijn genomen, voor de meesten voorgoed. Zo vertrok een trieste colonne jonge mannen, bewaakt door Franse Gendarmes ten einde desertie te voorkomen, uit Lisse richting Frankrijk om daar een korte militaire opleiding te krijgen en vervolgens ingezet te worden aan een van de vele fronten. Een langdurige zoektocht langs allerlei archieven bracht me op een website van het Franse Ministerie van Defensie waar ik de stamboeken vond van enige militaire eenheden uit die tijd en met verbazing vond ik daar honderden Nederlanders welke ingelijfd waren in de Franse Cohorten. Het is het topje van een enorme ijsberg waarin ik enige jongens uit Kanton Lisse terug vond. Daar voor had ik een overlijdakte van een van hen gevonden, in de overlijdregisters van Lisse. Hierin wordt vermeld dat Guillaume Jacques van der Son, inwoner van Lisse, fuselier bij het 124e Regiment Infanterie Linie, 2e bat. 3e Comp. sinds 17 Junij 1811 ingelijfd bij dit regiment in Abbeville, opgenomen was in het Militair Hospitaal in Leiden en aldaar op den 31 Mei 1812 was overleden. (Lisse.1813.folio.9). Jacob was de ochtend van de loting nog optimistisch en vol vertrouwen geweest. Hij had lot nummer 28 getrokken en dacht ruim veilig te zijn. Tot zijn afgrijzen was hij niet veilig genoeg en ook hij werd op mars gezet naar de stad Abbeville, waar zich de kazerne bevond van het 124e Regiment Infanterie Linie. Hij staat vermeld in de Stamboeken als No: 3269.