Berichten

De waert en zijn gasten

In 1589 zijn ze vertrokken. Jacob Heemskerck is uitbater van de herberg Aan het kerkhof. Later heette de herberg Het wapen van Lisse. Diverse wetenswaardigheden worden besproken.

 door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

We schrijven 1589. De Spanjaarden zijn vertrokken en lieten door plundering en brandstichting in Lisse en omgeving een arme bevolking achter, afgebrande boerderijen en een uitgebrande kerk zoals in alle omringende dorpen het geval was. De oorlog heeft een grote impact gehad, ruim honderd jaar later wordt nog steeds over de afgebrande boerderijen geschreven die zijn “geamoveert”.
Jacob Florisz.Heemskerck, waert aan het kerkhof geboren in 1537 met zijn vrouw Arendje Dirksdr.Duycker, dochter van Dirck Cornelisse Duycker, zijn de uitbaters van de herberg aan het kerkhof. Arendje was dienstbode geweest bij haar oom en tante Jan Cornelisse Duycker en Maritje Willemsdr., de vorige eigenaars van de herberg aan het kerkhof. Uit dankbaarheid voor alle zorg maakte het echtpaar, bij testament van 12 mei 1564 bij Notaris Storm in Leiden, Arendje tot enige erfgenaam. Het echtpaar is kinderloos overleden. De herberg, in de volksmond steeds “herberg aan het kerkhof” genoemd, werd later “het wapen van Lisse”. Het had al een goede naam, schout en burgemeesters vergaderden er lange jaren. Later, na 1600, werd dit overgenomen door “de Swaen”. Was deze herberg er al of was die net gebouwd? Voor 1600 wordt er niet over gesproken en na 1600 komt deze telkens in akten terug. Jacob en Arendje hebben de herberg zo’n dertig jaar gerund. Zij kregen samen 6 kinderen. Na haar overlijden trouwde Jacob opnieuw en kreeg nog een dochter, Annetje. In 1604 was Jacob Florisz.Heemskerck reeds overleden en heeft zijn tweede vrouw, Maertge Engelsdr. Duijndam de herberg voortgezet tot dat haar stiefzoon Engel Heemskerck, geboren in 1586 oud genoeg was om de
Het herberg over te nemen. De schout en schepenen zetelden toen al in “ De Witte Zwaan”, of de “Swaen”. De gasten waren rond die tijd niet altijd betalende gasten. Er trokken vreemde troepen door de streek, een Engels vaendel dat van Beverwijck naar Den Haag passeerde op doorreis, vroeg onderdak, drank en eten. Over betalen werd niet gesproken, daar had men al meer mee te maken gehad. Er staat: ”LXI mannen op ten huysman gelogeert in december 1589”. Eerst dacht ik dat dit een herberg was, maar het ligt anders. Het is een uitdrukking uit de 16e eeuw van soldaten, loopende op den huysman,” afteeren ende doende alderhande quaet “. Of wel leg de kosten maar bij een ander, en wel bij de belastingbetaler. De waard werd er mee opgezadeld. Vandaar diende Jacob Heemskerck zijn rekening van gemaakte kosten in bij de schout, voor het vaendel 5 pond en 13 stuivers, en verder van de nodige vergaderingen van o.a. Item noch bij den voors. Ambtsbewaerders, gesworens, kerckmeesters ende meer ander, tot twee reysen verteert opte examinatie van den nyeuwen schoolmeester, zoe daer een yge faulten waren, tsamen een somma van 23 pond 10 stuyvers en 8 dinars. Het vaendel werd over verschillende herbergen verdeeld en bestond uit 56 man, later kwamen er nog 5 drostenknechten bij. Ook bij Harman de Vryes, Wipkesz. waert in “het Rode Hart” geboren in 1545 en gehuwd met Anna Wybens. Hij komt voor op de lijst van weerbare mannen van 1585 en was uitgerust met hellebaert en ponyaert. Herberg “het Rode Hart” is later omgedoopt naar “ in de Drie Wouldt-vriesen”, naar zijn drie zonen genoemd. Ook Cornelis Pietersz.Backer diende zijn rekening in en berekende dat iedere man van het vaendel verteert hadde acht stuuvers, tsamen XXIIII pond VIII stuivers . Hij was waert in een herberg waarvan we de naam nog niet hebben gevonden. Was het “in de Groene Valck”, of in de deftige herberg “ in de koning van Bohemen” of “De Couden Oven”? Alle gemaakte kosten werden wel vergoed, misschien van hogerhand of wel uit ’s lands kas betaald. Arendje Duycker, dienstbode en herbergierster overleed na de geboorte van haar zesde kind in 1590 en werd bij de kerk begraven.

Bron. G.A.Lisse inv.nr.55

Pastoor Hugo van der Vlugt: verzet in Noorwegen in oorlogstijd

Pastoor Hugo van der Vlugt was tijdens de oorlog in het verzet in Noorwegen. Hij was in de Engel geboren als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. In 1942 is hij door de Duitsers gearresteerd. Hij is overleden in Sachenhausen.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

In Hamar in Noorwegen staat de kerk waar pastoor Hugo van der Vlugt tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was. Pia Isakaetre woont nu in Oslo maar is geboren in Hamar en gaat tijdens familiebezoek nog altijd naar deze katholieke kerk in het centrum van de stad, vlak bij het huis van haar grootouders. In die kerk heeft ze over de vroegere pastoor, Hugo van der Vlugt, gehoord en ze raakte geboeid door het verhaal over hem. Pia is verbonden aan het Holocaust Centre, even buiten Oslo.
Hugo van der Vlugt is in 1904 geboren in De Engel in Lisse, als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. Hugo heeft tijdens zijn priesterstudie gekozen voor uitzending naar de ‘missie’ in Noorwegen. In 1929 is hij tot priester gewijd en in datzelfde jaar is hij naar Noorwegen vertrokken. Dat was geen gemakkelijke taak. Het was een dunbevolkt, groot en in de winter onherbergzaam land. Bovendien waren de mensen daar indertijd nogal terughoudend tegenover het katholieke geloof, haar missie en haar priesters. Na enkele jaren als kapelaan in Bergen, via Stabbek en Haugesund kwam pastoor Hugo aan in Hamar. Hij was daar ‘bouwpastoor’ van een nieuwe kerk. Hij heeft later gezegd dat hij zijn leven ‘in Gods handen’ heeft willen leggen, want hij wist aanvankelijk in de nieuwe parochie niet goed waar of hoe te beginnen.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog een groep katholieke jongeren gevangen gehouden werd in een kamp bij Oslo, lukte het de Noorse priesters niet meer om contact met hen te leggen. Hugo heeft zich vrijwillig opgeofferd door een arrestatie uit te lokken, zodat hij als medegevangene van deze jongeren de mogelijkheid kreeg ze bij te staan in hun lot.
In 1942 is Hugo door de Duitsers gearresteerd en naar het gevangenkamp in Oslo gebracht waar hij in contact wist te komen met de jongeren. Later is hij via Hamburg en Berlijn in Sachsenhausen-Oranienburg terechtgekomen.

Pastoor Hugo van der Vlugt (1904-1943)

Ook de jongeren uit Oslo zijn uiteindelijk op transport gezet naar dit kamp. Als gevolg van honger, kou, slechte kleding en zware arbeid, was de weerstand van Hugo sterk verminderd waardoor hij ziek geworden is en uiteindelijk overleden. Een pater die met hem in dit kamp heeft gezeten en het wel heeft overleefd, beschrijft na de oorlog hoe Hugo toen ziek werd en kwam te overlijden, maar ook hoe hij in het kamp gewaardeerd werd door de medebewoners. Daaronder waren vele ruwe bolsters die de ‘stille, goede en bleke Hollandse pastoor’ zeer hoog hadden zitten. Op 5 maart 1943 is Hugo van der Vlugt in Duitsland gestorven.
Nadat bovengenoemde Pia Isakaetre besloten had het verhaal van Hugo van der Vlugt te willen vertellen en zijn opoffering voor zijn geloof en Noorse katholieken te gedenken, is ze alle informatie gaan verzamelen die er in Noorwegen voorhanden was. Daarop ontstond ook het plan om een herdenkingssteen bij de kerk in Hamar te plaatsen voor pastoor Hugo van der Vlugt. Eerder is een vergelijkbaar monument buiten de Sankt Olavs Domkirke in Oslo geplaatst, voor verschillende Noorse omgekomen geestelijken, en waarop ook de naam van Hugo van der Vlugt voorkomt.
Via de Nederlandse Ambassade zijn verschillende mensen benaderd en is een artikel in het Lisser Nieuws geplaatst, met een oproep voor informatie en om familieleden te vinden die belangstelling hebben voor de plaatsing van de herdenkingssteen. Dit zal naar verwachting volgend voorjaar in Hamar plaatsvinden. Voor die tijd hoopt Pia Isakaetre naar Nederland te komen om een lezing te houden over haar initiatief voor Hugo van der Vlugt en als informatie aan familie en geïnteresseerden.
Hebt u na het lezen van dit artikel nog vragen, of interessant materiaal of aanvullende gegevens voor dit initiatief? Dan kunt u contact opnemen met de Genealogische Werkgroep van Vereniging Oud Lisse. We zullen u op de hoogte houden van de voortgang van dit bijzondere project.

Wim Randsdorp, een Lissese jongen tewerkgesteld in Duitsland

Nu zie ik je nooit meer” is een boek, geschreven door Marjon Griffioen over Wim Randsdorp, overleden in 1943 in Duitsland. Van hem zijn er 70 brieven bewaard, geschreven aan zijn zus.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘Nu zie ik je nooit meer …’ zegt Wims moeder bij het afscheid van haar zoon, als deze in het najaar van 1942 naar Duitsland vertrekt om daar tewerkgesteld te worden. Haar slechte voorgevoel over de afloop ervan wordt helaas werkelijkheid als hij eind november 1943 bij een bombardement om het leven komt. Na het overlijden van de zus van Wim, blijkt zij bijna zeventig brieven van haar broer uit zijn periode in Duitsland te hebben nagelaten. Brieven die Wim heeft geschreven aan zijn ouders, broers en zussen. Schoondochter Marjon Griffioen is ervan overtuigd dat ze een verhaal vormen dat verteld moet worden. Door een boek te schrijven over Wim Randsdorp wil ze hem een stem geven, een stem die het verhaal van zijn laatste levensjaar vertelt. Hoewel er volgens Marjon tussen 200.000 en 300.000 tewerkgestelde Nederlanders geweest zijn, waarvan er ongeveer 29.000 zijn omgekomen, is er weinig over hen bekend geworden. Over onderduikers hebben we geleerd door bijvoorbeeld het dagboek van Anne Frank. In de vele brieven van Wim Randsdorp schrijft ook hij, als in een dagboek, over alledaagse dingen zoals de smaak van het eten en het grote gebrek aan voldoende ervan, over zelf kleding moeten wassen, kapotte sokken en schoenen en zijn behoefte aan warme klompen, over behoefte aan wat geld voor kleine uitgaven. Hij wil echter vooral niet laten zien dat hij het soms zó moeilijk heeft en weigert bij de pakken neer te gaan zitten. Zijn heimwee naar Holland, familie, vrienden, verjaardagen en zijn toenemende angst blijken tussen de regels door steeds duidelijker. Hij put een enorme hoop en steun uit zijn geloof en probeert zo vaak mogelijk troost in de katholieke kerk te vinden. Hoop en wanhoop strijden om een plek, hij blijft proberen de moed erin te houden, telt af naar de jaarwisseling van 1942-1943 en naar zijn verlof, waarvan hij steeds meer gaat inzien dat dit er nooit gaat komen … Het is een aangrijpend en invoelbaar document geworden, met een verhaal dat niet alleen voor de familie belangrijk is, maar ons allemaal een beeld geeft van de worsteling van deze Wim en vele andere tewerkgestelden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Absoluut een aanrader. Zie het als een vorm van eerbetoon aan hem en zijn familie dat we in het Nieuwsblad van dit kwartaal zijn Lisses Kwartiertje geplaatst hebben. In onderstaand artikel gaat het vooral om de voorouders van Wim Randsdorp.

Gijsbertus Ransdorp en Jannigje van Zoelen

Waarschijnlijk rond 1810 trouwen Gijsbertus Randsdorp en Jannigje van Zoelen, mogelijk in Jutphaas. Er worden uit dit huwelijk in elk geval zeven kinderen geboren. Aanvankelijk woont het gezin in IJsselstein – waar de eerste vier kinderen geboren worden – en verhuist dan naar Jutphaas. Beide plaatsen liggen onder de rook van Utrecht, niet ver van elkaar vandaan. In Jutphaas overlijden begin 1818 de kleine Jan van vijf jaar en Kaatje van twee jaar oud. In oktober van het jaar daarop, komt als vijfde kind Jan Randsdorp ter wereld. Hij is later de overgrootvader van Wim Randsdorp. Na Jan worden nog twee dochters geboren. Het beroep van vader Gijsbertus is hoepelmaker. Van zijn overlijden in 1839 doet zoon Willem aangifte op het gemeentehuis, ook hij is hoepelmaker.

Overgrootvader Jan Randsdorp en zijn vrouw Barbara

In 1850 trouwt Jan Randsdorp, als dertigjarige kleerbleker in Utrecht met Barbara Maarschalkerweerd, een kleerbleekster van 26 jaar oud. Na zijn vader is nu ook de moeder van Jan overleden, net als beide ouders van de bruid. Als getuigen van het huwelijk zijn alleen een oom en een broer van Barbara en een neef van Jan aanwezig als nauwste verwanten. De bruidegom schrijft zijn naam onder de huwelijksakte, de bruid verklaart niet te kunnen schrijven. Het gezin woont in Utrecht, daar worden de eerste kinderen geboren, waaronder Gijsbertus Johannes in 1852. Tegen het jaar 1860 verhuist het gezin naar Jutphaas. De naam Johannes Gijsbertus moet in het gezin heel belangrijk geweest zijn, want er zijn maar liefst vier kinderen met die voornamen geboren: het eerste kindje in 1851 wordt slechts 10 maanden oud; het jongetje daarna geboren in 1855 wordt maar vier jaar oud; het derde naamgenootje leeft nog geen drie maanden en alleen de zoon die in maart 1866 wordt geboren, is volwassen geworden en pas op middelbare leeftijd overleden. Vader Jan Randsdorp is nog lange tijd kleerbleeker gebleven en wordt later hoepelmaker. Voordat ook hij in 1866 overlijdt, woont en werkt hij als hoepelmaker in Jutphaas.

Grootvader Gijsbertus Johannes Randsdorp

In 1877, trouwt Gijsbertus Johannes Randsdorp met dienstbode Kornelia van Breukelen uit IJsselstein. Vader Jan Randsdorp is al overleden maar moeder Randsdorp is bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en geeft haar toestemming. Oom Willem Randsdorp, de broer van vader treedt op als getuige voor de bruidegom, hij is 60 jaar en nog steeds hoepelmaker. Naast de veldwachter zijn er nog twee getuigen, bekenden van het bruidspaar, inwoners van Jutphaas en beiden hoepelmakers. De moeder van de bruidegom, zijn oom Wim en ook de ouders van de bruid verklaren door onkunde niet te kunnen schrijven of hunne namen te teekenen. Het bruidspaar vestigt zich in Jutphaas waar in augustus 1878 het eerste kind geboren wordt. In Jutphaas volgen nog vier kinderen, alleen zoontje Jan wordt slechts 15 maanden oud. Vader Gijsbertus Johannes (Gijs) wordt in de aktes aanvankelijk steeds als arbeider aangeduid – een niet specifieke beroepsnaam – maar staat vanaf 1883 genoteerd als hoepelmaker. Het gezin verhuist naar IJsselstein waar in november 1886 Johanna geboren wordt. Zij overlijdt echter al na drie dagen. Ook haar zusje Cornelia wordt een jaar later maar enkele dagen oud.

Hoepelmakers en griendcultuur

Vooral langs de lagere delen van de rivieren vinden we de hoepelmakers. Het griendhout, of wilgenhout, gedijt heel goed op akkers die regelmatig onder water komen te staan en vochtig blijven. Door de grote toename van de bevolking in de 19e eeuw, is er steeds meer vraag naar levensmiddelen. Die worden dikwijls vervoerd in vaatjes, bijeengehouden door hoepels van wilgenhout. De grote vraag naar deze hoepels leidt tot grootschalige aanplant van grienden en tot een bloei van het beroep hoepelmaker. De hoepelmaker klooft geschilde tenen of stokken wilgenhout in tweeën, en buigt die na het weken tot hoepels, die vooral gebruikt worden rond haring- of botervaatjes. Rond IJsselstein en Jutphaas zijn veel grienden en hoepelmakers geweest.

Houten tonnen met wilgen hoepels in de visverwerking (coll. Het Geheugen van Nederland)

Rond 1900 wordt het aantal hoepelmakers echter zó groot dat dit van negatieve invloed is op de prijs van de hoepels en de lonen van de hoepelmakers blijven daardoor laag. Vlees zou er in hun gezinnen nog maar zelden op tafel komen, de knolraap die ze in plaats daarvan dikwijls eten, wordt dan ook wel hoepmakers spek genoemd. De industrie van het hoepelmaken verdwijnt dan ook meer en meer rond het begin van de 20e eeuw en de grienden zijn weer weilanden geworden.

Familie Randsdorp van kerk naar kerk

De lage lonen voor de hoepelmakers zullen van invloed geweest zijn op het vertrek van de familie Randsdorp uit hun woonplaats IJsselstein. Volgens het Bevolkingsregister van hun oude woonplaats is het gezin in juni 1888 naar Hengelo vertrokken. In 1893 blijkt het gezin in Enschede te wonen. Vader Gijs komt met vrouw en vier kinderen voor in het Bevolkingsregister van deze stad. In juni 1893 wordt op den Berkenkamp, wijk C nog een zoon Gijsbertus Johannes geboren. Vader is dan geen hoepelmaker meer, maar staat als arbeider geregistreerd. Hoewel hij later in documenten voorkomt als timmerman en metselaar, wordt in deze akte geen specifiek beroep genoemd.

St. Agathakerk in Lisse – bouw 1902 -1903

Lisette van der Lans schrijft in haar boek ‘St. Agatha 1903-2003’ over Gijs(bertus) Randsdorp dat hij heeft meegebouwd aan kerken in Enschede, Vilsteren en Den Haag. Het lijkt aannemelijk dat hij eveneens betrokken geweest is bij de bouw van de noodkerk in Hengelo. Deze wordt in 1888 gebouwd in de tuin van de pastorie en wordt gebruikt, voorafgaand aan de bouw van de Sint-Lambertusbasiliek. In 1893-1894 heeft Gijs in Enschede waarschijnlijk bijgedragen aan de bouw van de St. Jozefkerk, een Rooms Katholieke kerk die in die jaren gebouwd is, vooral om kerkruimte te bieden aan de textielarbeiders die zich daar eind 19e eeuw in groten getale vestigden. Heel bijzonder aan het bestek voor de bouw van deze St. Jozefkerk zijn de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werklieden krijgen een verzekering tegen ongelukken op de bouw en er worden schriksteigers aangebracht. Goed drinkwater en behoorlijke privaten moeten op de bouwplaats beschikbaar zijn en er mag niet langer dan elf uur per dag gewerkt worden. Maar er staat óók in de voorwaarden dat het vloeken verboden is!

Familie Randsdorp, middenonder Kornelia van Breukelen met kinderen en aangetrouwde kinderen (coll. Lisette van der Lans)

Later zijn in Vilsteren tussen 1896 en 1897 de Sint Willibrorduskerk gebouwd en in Den Haag is in 1898 de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raadkerk geconsacreerd. Ook aan deze katholieke kerken heeft Gijsbertus Johannes waarschijnlijk meegebouwd. Volgens Lisette van der Lans, in haar bovengenoemde boek, trekken in die periode vaklieden uit alle delen van het land, van plek naar plek om te kunnen meewerken aan de bouw van grote, nieuwe RK kerken. Als je het geluk had te worden aangenomen, dan had je minstens een jaar werk. Zo zou ook Gijs Randsdorp als metselaar met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. Rond 1902 heeft hij zijn woonwagen geparkeerd, naast die van de anderen, op het terrein van de nieuw te bouwen Sint Agathakerk. Op 1 november 1905 staat het gezin volgens het Bevolkingsregister van Lisse op C70 officieel ingeschreven in een ‘echte’ woning, op de Grachtweg nummer 37. Alleen zoon Johannes Gijsbertus is in Jutphaas gebleven en is daar getrouwd, de overige kinderen komen naar Lisse. Barbara, Huibert en Johannes Cornelis trouwen in Lisse, maar de jongste zoon Gijsbertus Johannes blijft voorlopig nog op de Grachtweg wonen. Vader Gijs overlijdt in 1915 en zijn weduwe in 1934. Volgens Erik Vergunst in zijn boek ‘de Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’, is het huis in 1959 verkocht aan Franciscus Johannes Hogervorst. Gedurende lange tijd heeft deze een schoenwinkel op dit adres gehad.

Grachtweg 37, na de familie Randsdorp kwam hier Hogervorst schoenen (coll. Beeldbank Lisse)

 

 

 

Johannes Cornelis Randsdorp

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen

Net als zijn vader is Johannes Cornelis metselaar geworden. Hij trouwt in 1908 met Klazina Elisabeth Koelewijn, die met haar ouders al geruime tijd in Lisse woont, op het stukje Heereweg tussen de Nieuwstraat en Julianastraat. Het jonge gezin trekt voor enige tijd in op Grachtweg 37, waar de eerste twee kinderen geboren worden. Daarna woont het gezin enkele jaren in de Van der Veldstraat, waar nog in elk geval vier van de kinderen geboren worden. Uiteindelijk neemt het gezin haar intrek in Julianastraat 113. Over dit gezin waaruit in totaal veertien kinderen geboren zijn, en waarvan helaas één kindje al heel jong is overleden, heeft Marjon Griffioen zelf al een heleboel verteld in haar boek over Wim Randsdorp.

Bronnen:

Nu zie ik je nooit meer – Marjon Griffioen;

St. Agatha 1903-2003 – De glorie en roem van katholiek Lisse – Lisette van der Lans;

Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden – Erik Vergunst;

Utrechts Archief; Bevolkingsregisters IJsselstein, Enschede, Lisse; Canon van IJsselstein, Hoepelmakers; Monumentenregister Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Hoepelmakerij P. v.d. Brand en zoon;

Beeldbank Lisse – Genealogie; ProGen VOL;

FamilySearch; Wikipedia, Encyclo – online Encyclopedie Ons erfgoed, oude beroepen

Naschrift

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen is verkrijgbaar bij boekhandel Grimbergen. Prijs € 20,20 Het is te leen in de bibliotheek en bij Vereniging Oud Lisse ter inzage. Ook te bestellen via https://vermeer. mijnbestseller.nl/shop/index.php/historyand-politics/biographies-and-memoirs. html.

DE OMWENTELING: dagboek van Van der Zaal

De bevrijding van de Fransen in 1913 wordt beschreven naar aanleiding van een dagboek van Cornels van der Zaal. De Prins van Oranje kwam ook nog langs.

Door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

In het jaar 1813 is ons land verlost van het Franse juk. Geallieerde legers onder bevel van Lord Wellington versloegen definitief Keizer Napoleon en er kwam een omwenteling. Ook in Lisse. Op de 10e van de maand november kwam er een gerucht dat ons land had gecapituleerd, met wie en hoe wist niemand. De Maire, de heer van der Staal, was die dag bij de Prefect ontboden waar hem werd gelast de goede rust in Lisse te handhaven want er kwamen eerdaags vreemde troepen naar deze regio. De Maire ging bij alle burgers in het dorp langs om te verzoeken zich rustig te houden. Geruchten bleven zich verspreiden tot maandag de 15e, toen kreeg het gemeentebestuur een brief dat het alle valse geruchten waren en Keizer Napoleon weer op zijn troon zetelde. Toch namen enkelen het zekere voor het onzekere en vertrokken. Douanen en Fransche Heeren namen de wijk, toch bevreesd voor eventuele vergelding. In Amsterdam braken op de 15e om 19.00 uur relletjes uit en onder het scanderen van Oranje, Oranje begon men huizen van douanen in brand te steken. Lisse lag op de route Den Haag – Amsterdam en aan doorkomende koetsen en ruiters meende men op te maken dat het alles Oranje was geworden. Ook hier begon men op de 12e ’s avonds luidkeels oranje te roepen maar rellen bleven uit. Maire van der Staal had op de 15e een man naar Leiden gestuurd om te zien welke vlag er op de toren stond. Deze kwam terug en meldde dat de hele stad versierd was met Oranje. Cornelis van der Zaal werd op donderdag verzocht de Nederlandse vlag op de toren van Lisse te zetten. Deze had de avond ervoor een Franse vlag verbouwd tot een Nederlandse door de strook rood te vervangen voor een oranje strook. Het was niet mogelijk gebleken om in Leiden een vlag te kopen want op woensdagavond waren de stadspoorten gesloten. Drie dagen lang zong de bevolking van Lisse uitbundig Oranjeliederen en gingen ze rond bij burgers en boeren voor een drinkpenning of om getrakteerd te worden. Het was een vrolijke boel in het anders zo rustige dorpje. Maar zondag en maandag veranderde de sfeer toen grote groepen deserteurs in het dorp verschenen. Ook waren er een boel jonge mannen uit Lisse onder de wapenen van Napoleon opgenomen of werkten in werkbataljons, zij waren nog niet terug.

Maar nog steeds waren er geen vreemde troepen verschenen en begonnen de talrijke bossen rond Lisse zich te vullen met stroopbenden van deserteurs, het werd gevaarlijker. Op woensdagavond, toen men de kerkdienst bijwoonde hoorde men van buiten een trompetgeschal en enkelen gingen eens buiten kijken. Het was een kapitein van de Nationale Garde, welke vroeg om vrijwilligers om op te treden tegen de stroopbendes in de omgeving. Een menigte Fransen kwam plunderend vanuit Utrecht richting Leiden. Zeventien personen van Lisse meldden zich en ook in Hillegom sloot zich een groep aan. In Lisse zelf werd er een wacht geformeerd, zeventien bewapende mannen zouden Lisse verdedigen.

Het hoofdkwartier werd strategisch ingericht in de Witte Zwaan en telkens werden patrouilles van twee man uitgezonden. Nog steeds werden er geruchten verspreid en niemand wist waar men aan toe was. Eindelijk op maandag de 29e november kwamen er bij Scheveningen Engelse schepen aan welke 250 soldaten ontscheepten welke naar Den Haag marcheerden. De Engelsen vertelden dat de Prins van Oranje zou volgen. Dinsdagmiddag om vijf uur kwam de prins aan land en ging per koets naar Den Haag. Op twee december is de prins naar Amsterdam gegaan en in Lisse aangekomen werden de paarden ververst en ging het gezelschap in de Witte Zwaan naar de Rechtkamer om zich te verfrissen. Opvallend was dat Zijne Hoogheid de aangeboden wijn niet aanraakte waarop de andere heren het zich goed lieten smaken. Het was voor het dorp Lisse een heuglijke dag. Na een half uur vertrok het gezelschap naar Amsterdam.

Diezelfde 2e december 1813 verschenen dan de eerste vreemde troepen, drie stuks “koezakken”, imponerende figuren op hun kleine paardjes. De Fransen waren doodsbang van deze taaie soldaten. Heel Lisse liep uit om hen te zien, het blijven natuurlijk gaapstokken, en men bood de overigens uiterst vriendelijke soldaten een glas jenever aan. Het hele dorp deed hen daarna uitgeleide tot buiten het dorp. De vrijdag daaropvolgend kwam er een expresse brief waarin werd meegedeeld dat de Prins weer door Lisse kwam en verse paarden verlangde. Rond het middaguur verschenen de koetsen van de Prins, gevolgd door een dertigtal kozakken. Zij hielden halt en vroegen om hooi en haver voor de paarden en vlees en brood voor hen zelf. Bovendien werd er drank verlangd want zij lustten daar wel pap van. Bij de slager werd 50 pond vlees gehaald en in ketels gekookt. Maar voor dat klaar was waren de kozakken de huizen ingegaan en vroegen de mensen om voedsel. Toen de 50 pond klaar was zette Van der Zaal schragen met planken neer bij Vreeburg en vielen de kozakken aan. Volop besproeid met jenever en bier. Het vervelende was dat men hen niet kon verstaan maar een passerende heer uit Amsterdam sprak hun taal en was bereid te tolken. Toen de soldaten de tafel hadden leeggegeten en alle flessen leeg waren verscheen het rijtuig van de Prins. Deze keer stapte hij niet uit maar deed wel zijn raam open en de heer Entink (schout) en de Maire converseerden met Z.H. Toen de paarden waren ingespannen vertrok het gezelschap onder het geroep van Oranje boven, gevolgd door de kozakken waarvan er vier in Lisse bleven om ordonnans te rijden. Men had gedacht ze bij Jan Lemmers onder te brengen maar de kozakken wilden niet bij Vreeburg vandaan en wilden weer vlees en brood hebben. Die middag was een aardige middag en niemand geschiedde enig leed. Zaterdagmorgen trokken grote groepen kozakken en een menigte Russische infanterie door Lisse, maar Lisse heeft daar geen hinder van gehad. Zij waren op weg naar Leiden. Zondag nog enige formaties kozakken op doortocht en ook de vier ordonnansrijders vertrokken maandag. Ook diezelfde maandag besloot het dorpsbestuur het dorp te “limmeneeren” versieren met verlichting, en daar is Lisse die middag druk mee geweest. ’s Avonds vierde men feest. Dinsdag in de namiddag kwamen er 1500 Spaanse krijgsgevangenen door welke voor de Fransen hadden moeten werken bij Den Helder en nu vrijgelaten waren. Ze hadden allen dienst genomen tegen de Fransen. Het dorpsbestuur besloot hen allen een slok jenever te geven, als ze maar door liepen.

Op vrijdag 10 december is ter poeje van ’t Regthuijs van Lisse afgelezen dat de Prins tot Soeverein Vorst was uitgeroepen. Daarna werden de doortochten van militairen minder. Wel moesten er iedere dag 10 wagens en 20 paarden gereed gehouden worden. Die moesten van vijf dorpen betrokken worden. Toen kwam eindelijk de definitieve wapenstilstand. Napoleon deed zijn kroon af en werd verbannen. Toen konden ook alle militairen naar hun vaderland terugkeren, ook de jongens en mannen uit Lisse. In de Kerk werd een dankzegging gedaan en kon Lisse weer verder.

Opvallend is dat patriottische mannen als de heren Steengracht, Van der Staal, Entink e.a. die aanvankelijk voor de Fransen hadden gewerkt na de bevrijding weer dadelijk een rol konden spelen. Dit was te danken aan de proclamatie van 1813 van de Prins van Oranje. Hierin stelt hij nadrukkelijk: “Alle partijschap heeft opgehouden, Al het geledene is vergeten en vergeeven”

Een bewerking naar het dagboek van Cornelis van der Zaal bijgehouden in de periode 178-1838.

Kozak in 1813 in de buurt van Lisse

EEN PLANKJE VAN HONDERD JAAR GELEDEN

Heereweg 115 werd verbouwd. Op zolder werd een plankje met tekst gevonden geschreven door Jac. Van Biezen en Andries Mastenbroek. Laura onderzocht de familierelaties van hen en de bewoningsgeschiedenis van Heereweg 115.

Door Laura Bemelman van Werkgroep Genealogie

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Bijna heel Europa in Oorlog Dit zoldertje er op gelegen 6 Maart 1915 Jac. Van Biezen Andries Mastenbroek, Lisse’

Onlangs schreef de heer de Jong aan ons Nieuwsblad over de grondige verbouwing van hun nieuwe huis op de Heereweg 115. Tijdens sloopwerkzaamheden op de zolder is ergens achter het rachelwerk een plankje gevonden met enkele regels tekst. Hij heeft een foto ervan naar ons toegestuurd omdat hij deze vondst heel bijzonder vond en met ons wilde delen. We wilden de foto graag in het Nieuwsblad plaatsen, maar direct ontstond ook het idee om vanuit de Vereniging Oud Lisse te onderzoeken of er iets interessants over te vertellen zou zijn.

In maart 1915 is ‘bijna heel Europa in oorlog’. We hebben het dan over de 1e Wereldoorlog. Hoewel Nederland in die oorlog haar neutraliteit wist te behouden, had die oorlog behoorlijk veel impact op het leven van de Nederlanders en de Lisser bevolking. In een eerder artikel in het Nieuwsblad zijn de Belgische oorlogsvluchtelingen al uitgebreid aan bod gekomen. Als het plankje wordt beschreven zijn die 500 mensen die vanaf begin oktober 1914 in ons dorp onderdak hebben gekregen nog maar net weer vertrokken, de meesten naar vluchtelingenkampen elders in ons land. De beide schrijvers van dit plankje hebben een grote betrokkenheid bij deze grote oorlog gevoeld. We weten eigenlijk niet of het gebruik was, zo’n verborgen plankje. Er is in elk geval één vergelijkbaar voorbeeld. Mogelijk zijn er nog anderen die ervan hebben gehoord of het hebben meegemaakt? Was er ook niet een schilder die zijn naam ooit in de kerktoren van de Hervormde dorpskerk op het Vierkant achterliet? Als een lang verstopt geweest plankje wordt teruggevonden is het een curiositeit en krijgt het meer kans op aandacht. Dit plankje heeft precies honderd jaar moeten wachten om in handen van een belangstellende terecht te komen en gelukkig is het door de vinder ook onder de aandacht van onze vereniging gebracht. Onze vrijwilligers, geïnteresseerd in historie en genealogie, zijn ervan overtuigd dat de tekst op het plankje is geschreven door twee Lisser timmermannen. Jacobus van Biezen, dan 51 jaar, geboren op 7 september 1863 in Lisse, van beroep timmerman. Hij is afkomstig uit een gezin van 9 kinderen, zijn ouders zijn Willem Spruijt van Biezen en Jacoba Hoek. Hij trouwde op 21 november 1895 in de NH kerk in Lisse met Johanna Theresia de Vries, geboren in Velsen. Jacobus is overleden op 18 oktober 1922 in Lisse. Andries Mastenbroek, dan 30 jaar, geboren op 10 oktober 1884 in Leiden, van beroep timmerman. Ook hij is afkomstig uit een gezin van 9 kinderen, zijn ouders zijn Barend Mastenbroek en Marigje Dragt. Hij trouwde op 28 juni 1906 in de NH kerk in Lisse met Ida Catharina Kaak, geboren in Voorhout. Andries is overleden op 3 januari 1960 in Lisse. Het gezin Mastenbroek en dus ook Andries, heeft enige tijd op de Heereweg ongeveer huisnummer 116 gewoond, dus schuin tegenover het huidige huis van familie De Jong. Vader was winkelier en ook behanger en had nog een zoon die timmerman was en een andere zoon die behanger was. Op nummer 120 woonde Jacob van Biezen, hij was koopman en een broer van timmerman Jacobus van Biezen. Het huis is gesloopt en herbouwd en Van Biezen is vertrokken, daar kwam toen de winkel van Reeuwijk, nu is het een appartementencomplex. De twee mannen staan elk als timmerman in het Bevolkingsregister. Als ze daarin voorkwamen als timmermansknecht hebben ze een ‘baas’ gehad, nu is dat niet zeker. Gezien het leeftijdsverschil is het mogelijk dat Andries in dienst geweest is bij Barend. Of waren ze beiden in dienst van bijvoorbeeld timmerman-aannemer Moolenaar? In elk geval was er tijdens die eerste Wereldoorlog schaarste aan allerlei goederen en veel werkloosheid. Deze klus moet ‘brood op de plank’ betekend hebben voor de gezinnen van deze timmerlieden.

Het ‘land van Blokhuis’ zicht op Heereweg

Op Heereweg 115 woonde Cornelis Blokhuis (1859), dan al enige tijd weduwnaar van Geertruida van Parijs. Cornelis en Geertruida hebben tien kinderen gekregen, vijf daarvan waren in 1915 al overleden. In dat jaar woonden nog twee kinderen, ongehuwd bij hun vader in huis: zoon Cornelis (1877) en de jongste dochter Geertje (1891). Hun adres is dan: C104. Op de nummers C101, C102 en C103 woonden de drie overige kinderen: zoons, en allemaal bloemist. Naast zijn vader, op C103, woonde Gerrit Blokhuis (1878), getrouwd maar zonder kinderen. Dit was het huis ‘Irene’ dat eerst nog als ziekenhuis in gebruikt geweest is en later is afgebroken voor de aanleg van de Nassaustraat. Twee huizen meer noordelijk, op C101 woonde Marie Jacobus (1889), hij was in 1912 getrouwd maar ook (nog) zonder kinderen. En op C102, tussen zijn beide broers in, Gijsbert Blokhuis (1883). Hij was getrouwd met Francina Elisabeth Servaas, en zij kregen drie kinderen: Cornelis (genoemd naar opa Blokhuis) in 1909; Francina Elisabeth van 1911 en Geertruida van januari 1913. Echtgenote en moeder Francina is op 20 februari 1915 overleden en Gijsbert bleef achter met de drie heel jonge kinderen. Gijsbert is met de kinderen verhuisd naar het huis van zijn vader. Mogelijk  heeft Gijsberts’ zus Geertje de dagelijkse zorg voor de kleintjes op zich willen nemen. Een eenvoudiger oplossing was er waarschijnlijk niet. Ongetwijfeld had Geertruida daar ook al de zorg voor haar vader en andere broer. De drie mannen, vader en twee zoons, konden zich dan concentreren op waar ze goed in waren: bloembollen kweken en die verhandelen. De verhuizing moet wel bliksemsnel in gang gezet zijn. Want het plankje is van slechts veertien dagen ná het overlijden van Gijsberts vrouw Francina. Dit zal haast wel de aanleiding geweest zijn voor het opknappen van de zolderverdieping, waar de timmermannen hun plankje achter de rachels gestoken hebben.

De ‘Pruimenhof’ van Gijsbert Blokhuis

Heereweg 115 is samengesteld uit het huis zoals het in 1906 voor Cornelis Blokhuis is gebouwd en de uitbreiding tot dubbel woonhuis in 1929. Het werd in de zestiger jaren van de vorige eeuw een hoekpand toen de Nassaustraat werd aangesloten op de Heereweg. Vóór 1906 heeft op deze plek een ander huis van de familie Blokhuis gestaan ´de Pruimenhof´. De allereerste Blokhuis, Gijsbert, woonde daar vanaf ongeveer 1817. Later hebben in het gesplitste hoekhuis een reeks bewoners gewoond. Het is nog geruime tijd in gebruik geweest als pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk. Ook heeft later de Lisser wethouder Moolenaar er nog gewoond. Waarschijnlijk zit de charme van dit verhaal in de conclusie, die je alleen kunt trekken door gegevens uit verschillende bronnen en bestanden te combineren met wat kennis van zeden en gewoonten uit die tijd.

 

Bronnen: De Grote Oorlog in een Hollands Dorp – Nieuwsblad 1/2105; ProGen VOL; Bevolkingsregister Lisse 1910-1920; Registratie Waardevolle Panden in Lisse – VOL; A.M. Hulkenberg – Lisse, rommeling

 

 

 

Belgische burgervluchtelingen in Lisse in de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918)

Ongeveer vijfhonderd Belgische burgervluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog werden tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 in Lisse opgevangen.

De opvang van Belgische vluchtelingen in Lisse

Dit jaar is het honderd jaar geleden dan de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Ook in Lisse waren Belgische burgervluchtelingen. Het wel en wee van hen wordt besproken.

Door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

De Grote Oorlog in een Hollands dorp

Grote gebeurtenissen leveren veel gespreksstof op. Zo zal het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de opvang van de grote stroom Belgische vluchtelingen iets zijn geweest waarover indertijd werd gepraat. Ook het Zuid-Hollandse dorp Lisse kreeg op deze manier met de Grote Oorlog te maken.

Dit jaar is het honderd jaar geleden dan de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de aanloop naar de herdenking daarvan zijn in veel archieven documenten boven water gekomen over de opvang van Belgische burgervluchtelingen in Nederland. Dat gebeurde ook in Lisse, waar tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 honderden vluchtelingen een veilig heenkomen zochten.

Aankomst
De kranten stonden in 1914 bol van de berichten over de oorlog in Begië en over de stroom vluchtelingen naar het zuiden van ons land. In Lisse werden net als elders in het land collectes gehouden en kleding, dekens en levensmiddelen ingezameld en opgestuurd. Sommige Lissers maakten forse bedragen over. Zo doneerde Jan Maurits Dideric graaf van Lynden, bewoner van Huize Wildlust, tijdens een van deze inzamelingsrondes maar liefst honderd gulden aan het Nationaal Steuncomité. In verband met de opvang werd er al snel een dringend beroep gedaan op gemeenten in het noorden van Nederland. Die boden ruimhartig hulp aan en overal werden plaatselijke steuncomités opgericht. Ook in Lisse.
Op zaterdagavond 10 oktober arriveerde een grote groep van vierhonderd vluchtelingen vanuit Rotterdam in Lisse. Waarschijnlijk hielden nieuwgierige Lissers hun komst goed in de gaten. Die middag was het al topdrukte aan het Maasstation van Rotterdam. ‘Daar kwamen de groote vrachtauto’s, alle onder politiegeleide aandaveren, steeds maar meer vluchtelingen aanbrengend’, aldus het Rotterdamsch Nieuwsblad. Vanuit Rotterdam werden ze verspreid over tal van plaatsen. Voordat ze in de trein stapten, werden de vluchtelingen door ‘brigade van stationsdames’ voorzien van fruit, belegde boterhammen en melk. Om een uur of tien kwamen de Belgen aan op het station van Lisse.
Het zal een heftige ervaring zijn geweest voor de vluchtelingen: daar stonden ze dan op een winderig station bij een onbekend dorpje ergens in Nederland, samen met een paar honderd lotgenoten. In paniek vertrokken uit het dierbare maar zwaar getroffen Antwerpen, gevlucht over de pontonbrug over de Schelde die achter hen werd opgeblazen om de Duitse soldaten tegen te houden.
De Lisserse dagbladcorrespondent Arie Raaphorst beschreef de betreurenwaardige aanblik van de stoet Belgische vluchtelingen die Lisse binnenkwam. ‘Want behalve wat zij aan het lijf hadden, waren ze van alles beroofd. Alles hadden zij achter moeten laten.’

Gevluchte Belgische kinderen krijgen te eten en drinken bij hun aankomst op het station van Roosendaal in oktober 1914. Prentbriefkaart van de Gebr. van Wely. Coll. Gemeentearchief Roosendaal

Wel waren er wat dieren mee gekomen, zoals een hond, een kanarie, een poesje. Een van de jongens had een kistje met drie konijntjes bij zich en een andere jongen hield een klein smoushondje in zijn armen. Het plaatselijke steuncomité draaide op dat moment al overuren. Kopstukken in het Lisserse comité waren huisarts Dirk Blok (voorzitter), de katholieke hoofdonderwijzer Frederik Dankelman (secretaris) en notaris Johannes Tuijmelaar (penningmeester). Het was een Gemêleerd gezelschap van zowel katholieken als protestanten. Dat was in die tijd geen vanzelfsprekendheid. Tijdens de oprichting van het comité had pastoor Klekamp nog voor tumult gezorgd door te verklaren dan alleen katholieken zitting mochten nemen – dit omdat de vluchtelingen ook katholiek waren.
Kort voor de grote groep waren al Antwerpse familieleden van banketbakkeer Weber in Lisse aangekomen. Deels werden zij door de bakker zelf opgevangen, de rest – het ging om een groot gezin – kreeg onderdak in een leegstaand huis ernaast. Het betrof Petrus Johannes Goossens, zijn vrouw en zeven jonge kinderen. In het veilige Lisse werd op 21 oktober hun zoon en broertje Theodore geboren en geregistreerd bij de burgerlijke stand. Van alle anderen vluchtelingen die op 10 oktober binnenkwamen, werden slechts wat kaartjes en lijsten gemaakt met enkele gegevens en summiere notities over hun korte verblijf in Lisse.
Er is wel een foto bewaard gebleven. ‘Uitgeweken Belgen te Lisse Oct. 1914’ staat er in witte inkt op geschreven. Op de foto zijn 32 mensen te zien die poseren op de oude brede trap van het gemeentehuis: enkele kindeeren, parmantig of wat verlegen, twee hele kleine kindjes op de arm, jongvolwassenen, ouderen, mannen, vrouwen.

De enige foto die herinnert aan het verblijf van de Belgen in Lisse: vluchtelingen op de trap van het Gemeentehuis. Part. Coll Het is voor zover bekend de enig bewaard gebleven beeldherinnering aan de vluchtelingen die tijdelijk in het dorp hebben gewoond.

De eerste noodopvang was in de katholieke jongensschool aan de Heereweg, maar al binnen enkele dagen werden de meeste vluchtelingen ondergebracht bij Lissers thuis. Degenen die gastvrijheid boden, kregen hiervoor een vergoeding toegezegd. Dokter Blok en onderwijzer Dankelman van het steuncomité stuurden elkaar korte berichtjes om de opvang goed op de rails te krijgen. De bewaard gebleven documenten geven een aardig beeld van wat hen in deze dagen bezighield.
Veel van de correspondentie heeft te maken met financiën, zoals de aanschaf van kleding en schoenen, de cokes voor de verwarming van het gebouw van de Volksbond of de kosten van het eten. De Christelijke School stond voor onverwacht hoge kosten omdat het beschikbaar gestelde lokaal nu ook op zondag en ‘s nachts moest worden verlicht en verwarmd. Voor de opvang van het Witte Huis, een gebouw dat helaas niet kan worden geïdentificeerd, was met regelmaat ‘versch voor de menschen’ nodig. En half december schreef Piet Warmerdam, een van de Lissers die Belgen in zijn huis opnam, dat hij nog niets had vernomen over de uitbetaling van de vergoeding. Hij had niet alleen vluchtelingen gehuisvest en gevoed, maar zelfs schoenen voor hen betaald. De vergoeding kwam hem toe, liet hij aan het steuncominté weten. Hij leed geldgebrek en kon niet begrijpen waarom betaling uitbleef. Door de oorlog was het leven in Lisse duurder geworden. Daarnaast was er veel werkeloosheid. Het weinige dat er wél was, moest ineens met veel buitenlanders worden gedeeld.

In plaats van dankbaarheid te tonen voor de Lisserse opofferingen, maakten enkele vluchtelingen al kort na aankomst een hoop kabaal in een van de cafeetjes in het dorp. De burgemeester besloot daarop dat de cafés in Lisse vanaf negen uur ‘s avonds dicht moesten. En al de volgende dag werden ruim veertig vluchtelingen, onder wie de grootste herrieschoppers, op de trein naar Hillegom gezet. Later mochten de cafés weer open, maar het bleef verboden vluchtelingen sterke dank te verstrekken. Er moest worden voorkomen dat zij ‘hun kostelijke centen gaan omzetten in alcoholica’. In de vaak chaotische vlucht waren veel vluchtelingen elkaar kwijtgeraakt. In dagbladen verschenen oproepen, in treinstations werden briefjes opgehangen en op muren en schuttingen schreven duizenden Belgen hun naam en tijdelijk woonadres in Nederland. De in Den Haag zetelende Centrale Commissie tot Behartiging van de belangen van naar Nederland uitgeweken vluchtelingen deed haar best om hierbij te helpen. In Lisserse archiefstukken zijn van al deze opsporingsacties diverse voorbeelden te vinden. Zo deed de Centrale Commissie in Lisse navraag naar Ferdinand Michaux, een 32-jarige schoenmaker, die daar met zijn vader en een broer verbleef. Vanuit Haarlem werd Jules van Dessel, die in zijn eentje in Lisse terecht was gekomen, door zijn moeder gezocht: ‘Laat jongen hier komen’, luidde het telegram. Uit Vlaardingen kwam een bericht dat Frans Wuyts zijn vrouw en drie jonge kinderen zocht. Er verbleven acht Wuytsen in Lisse, maar niet het gezin van genoemde Frans.

Doorreis en terugkeer
Kort na de val van Antwerpen werden de burgervluchtelingen door de autoriteiten weer opgeroepen om terug te keren. Het zou inmiddels veilig genoeg zijn. De oproep riep bij veel vluchtelingen vragen op: was hun huis er nog, maar durfden eigenlijk niet. Toch keerden eind oktober 1914 al 28 vluchtelingen vanuit Lisse naar Antwerpen terug.

De overheid stimuleerde de verhuizing naar vluchtoorden
Belgische mannen die konden en wilden werken, mochten zonder werkvergunning in Engeland aan de slag. Veel mannen waren het nietsdoen en afwachten beu en wilden graag vertrrekken. Toen dokter Blok een lijst met werkwillenden stuurde aan de British Government Commission for Transportation of Belgians to the United Kingdom, die in Nederland vanaf het adres Calandstraat 49 in Rotterdam opereerde, kreeg hij echter een teleurstellend bericht terug, omdat ‘ze mijn Hollandsche epistel niet gesnapt schijnen te hebben’. Uiteindelijke duurde het tot januari 1915 voordat vijftien Belgen uit Lisse vertrokken en via Hoek van Holland de oversteek maakten naar Engeland. Voor ‘slechte elementen’ was regeringskamp Veenhuizen bedoeld. In Lisse had men zoveel last van de familie Helsen, dat dokter Blok hen probeerde over te plaatsen. Eerst kwam daarvoor per telegram toestemming: de mensen konden worden ‘opgezonden’. Toen ging de overplaatsing toch niet door en werd van het steuncomité per brief een motivering verlangd. Dankelman plaatste op deze brief een notitie voor dokter Blok: ‘Ik weet er nu geen eind meer aan, ik wordt er wanhopig van’. Hij gaf aan hierover al zeker drie- tot viermaal gecorrespondeerd te hebben. Begin januari 1915 lijkt de familie Helsen dan toch naar Veenhuizen te zijn vertrokken.
Koningin Wilhelmina had in de troonrede van 1914 opgeroepen de vluchtelingen met open armen te onvangen. De opvang bij particulieren bleek echter erg kostbaar. Onderbrenging in een speciaal vluchtoord was goedkoper. De overheid stimuleerde de verhuizing naar vluchtoorden door simpelweg de geldkraan aan particulieren dicht te draaien. ‘Niemand hoefde zijn Belgische gasten weg te sturen als men dat niet wenste, maar de vergoeding van het Rijk zou niet meer verstrekt worden’, aldus de Lisserse dagbladcorrespondent Raaphorst.
Een deel van de in Lisse verblijvende vluchtelingen kwam zodoende in vluchtoord Gouda terecht. Zij vertrokken op zaterdagmiddag 9 januari 1915 per trein vanaf het station van Lisse. Voor ‘vrijen overtocht’ en ‘overbrenging hunner goederen naar het station’ werd gezorgd. Een week later vertrokken ook de laatste Belgische vluchtelingen uit Lisse. Het ging om de vijftien Belgische mannen die in Engeland wilde gaan werken. Daarmee kwam er een eind aan een korte maar turbulente periode.

Registratie
De plaatsen en steuncomités die Belgische vluchtelingen opvingen, hielden daarvan een administratie bij. In tegenstelling tot diverse andere plaatsen werden de namen van de Belgische vluchtelingen in Lisse niet opgetekend in de plaatselijke bevolkingsregistratie. Er zijn in het gemeentearchief wel namenlijsten, brieven, notities en bijna vijfhonderd kaartjes van het lokale steuncomité bewaard gebleven. De registratie van de vluchtelingen en de mensen die onderdak gaven, is summier. Over doorreis en terugkeer zijn nauwelijks gegevens genoteerd. Krantenberichten geven weliswaar allerlei cijfers, maar de herkomst daarvan is onduidelijk en ze zijn ook moeilijk controleerbaar.

Uit het archiefmateriaal blijkt dat ongeveer een derde van de vluchtelingen bestond uit kinderen jonger dan vijftien jaar. De oudste vluchteling was een man van 78 jaar, de jongste de in Lisse geboren Theodore Goossens. De vluchtelingen kwamen hoofdzakelijk uit Antwerpen of directe omgeving en waren bijna allemaal katholiek. De mannen werkten vooral in de haven en als zeeman. Daarnaast verdienden ze hin brood as ambachtsman, arbeider en diamantslijper.
Met veel inspanning zijn ruim honderdtwintig particulieren achterhaald die onderdak verschaften. Naast enkele notabelen waren dat onder andere de weduwe van logement De Witte Zwaan, een veehouder, negen landbouwers en maar liefst veertig ‘bloemisten’ (bollenkwekers). Het ging in het laatste geval lang niet altijd om rijke kwekers met grote ‘bollenvila’s’: de echte bloei van de bloembollensector moest immers nog komen. Er zaten ook mensen met een modaal inkomen tussen die graag een steentje wilden bijdragen aan de opvang van de Belgische vluchtelingen.

Familiegeheugen
In de aanloop naar de herdenking van de Eerste Wereldoorlog heeft de Werkgroep Genealogie van de Historische Vereniging Oud Lisse oproepen met lijsten van vluchtelingen in kranten en op websites in zowel Nederland als België geplaatst, in de hoop dat zich afstammelingen zouden melden met verhalen en foto’s. Ondanks alle publiciteit en de medewerking van Familiekunde Vlaanderen (Regio Antwerpen) kwamen er geen verhalen of foto’s boven water. Misschien is het te lang geleden, die ‘Grote Oorlog’, of verbleven de vluchtelingen te kort in Lisse om een blijvende indruk achter te laten. Daarnaast kan het familiegeheugen zijn ‘overschreven’ door de veel sterker in de herinnering voortlevende Tweede Wereldoorlog. Dat laatste zorgde er mede voor dat de Belgische vluchtelingen zelfs uit het collectieve geheugen verdwenen in landen waar ze meerdere jaren werden opgevangen, zoals Engeland.
Wellicht dat dit artikel nog respons oplevert. Nu de namen van de in Lisse verblijvende Belgische vluchtelingen aan de vergetelheid zijn ontrukt, zijn er zowel in Nederland als Belgié in ieder geval mogelijkheden voor verder onderzoek. *

Zie nota bene@gen voor de Lisserse lijst met vluchtelingen en een overzicht van de verwantschapsrelaties tussen de Belgische familie Goossens en de Nederlandse familie Weber

Laura Bemelman is lid van de Werkgroep Genealogie van de Historische Vereniging Oud Lisse.

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Lees ook het uitgebreide artikel van Laura Bemelman over de Belische vluchtelingen:

Belgische burgervluchtelingen – Lisse WOI (Laura)

Invloed beleg van Haarlem in Lisse

Het beleg  Haarlem van december 1572 tot juli 1573 heeft ook grote schadelijke gevolgen gehad in Lisse

Door Arie de Koning

2014

Op 11 december 1572 liet de Spaanse legeraanvoerder don Frederik ten noorden, zuiden en westen van de stad Haarlem legerkampen of schansen inrichten en sloeg het beleg om de stad. Haarlem had zich namelijk achter de Prins van Oranje geschaard en de Spanjaarden kwamen orde op zaken stellen.

Bulten de oostelijke stadsmuur van Haarlem lag echter een schiereiland dat moeilijk was af te sluiten door de Spanjaarden. Het was een drassig veenmoeras, een gebied met sloten en dijkjes, totaal ongeschikt om er een schans op te richten. Aan een brief aan zijn baas, de hertog van Alva, de Kapitein-Generaal over de Spaanse troepen in de Nederlanden, verzuchtte don Frederik; “…U moest eens weten wat een moeilijk gebied dit is…“.

Al snel begon de Prins van Oranje vanuit Leiden en zijn legerplaats Sassenheim, hulptransporten naar Haarlem te organiseren. Ook vanuit Hillegom en Lisse werden schepen met voedsel, munitie en hulptroepen de stad ingebracht. Tijdens de winter werden met sleden voorraden naar de stad gebracht, vlak onder de neus van de Spaanse posten. Een Spaanse kapitein meldt mistroostig in een van zijn rapporten; “Vanochtend (24 december 1573 zijn twaalf sleden de stad ingegaan en vanmiddag zijn er negentig uitgerede”. De Haarlemmers gingen de stad in en uit wanneer zij wilden, Ook waren de Spanjaarden totaal overrompeld door het veelvuldige gebruik van de kodde of polsstok waarmee men zich moeiteloos voortbewoog door het moeras en daarbij sloten van wel zes meter breed oversprongen. De Spanjaarden probeerden deze techniek over te nemen. Don Frederik besefte dat beschieten of bestormen van de stad geen soelaas bood en besloot de stad uit te hongeren. Hij liet zand en aarde aanvoeren om ook in het oosten een schans te bouwen en voorzag deze van soldaten en geschut.

Tijdens het beleg van Haarlem werd ook de grote kerk grotendeels verwoest.

Deze Spaanse versterking kreeg de naam “la Goletta”, een verwijzing naar de havenstad La Goletta die Alva in 1535 op de Turkse Sultan Chaireddin Barbarossa had verover. In het zuiden hadden de Hollanders op hun beurt ook versterkingen aangebracht, die weer werden beschoten door het Spaanse geschut wat bijzonder veel schade aanrichtte aan de dorpen in de omtrek. De toenmalige artillerie was nog niet 20 zuiver in zijn schootsveld. Met de plattelands bevolking, overwegend kleine boeren en ambachtslieden, hield niemand rekening, Hun koeien werden geroofd. Hordes wanordelijke huursoldaten, die niet of nauwelijks soldij ontvingen, zwierven door de wijde omgeving. Huizen, boerderijen, molens en kerken werden afgebrand en leeg gestolen en de bewoners werden verkracht en soms op gruwelijke wijze vermoord. Het waren zware tijden. Zowel de Spaanse koning als de prins van Oranje hadden gierend geldgebrek en beide kampen maakten zich schuldig aan deze beestachtigheden. En dan te bedenken dat dit vele jaren zou aanhouden. De Leidse stadssecretaris Jan van Hout heeft in dichtvorm het verhaal opgeschreven van een zekere Bouwe Bouwenszn, een boer uit Lisse, die met afschuw terug kijkt aan deze tijd;

“Mer kijk, ais ik begin te gedenken om myne voorleeden daagen, Soo borst myn hert van druk. Allereerst, doen Haerlem was beleid, zat ik op een schone wooning te Lis, Daar sag ik alle myner beesten ofjaagen van de Papouwen, daarna myne wooning verbranden. O droevigheid: Griet myne dogter, werde verkracht, Ctaes myne soon  gemoort, mer ‘t meeste lijd geschiedde an myn wyf, dat ik sag. Die schelmen vol schande pijnigen my nog om myn geld. Ik nogte ‘t niet, ik heb ‘t er gezeid.

Sij naamen het altermalen weg en bonnen my wel stijf met bande aan ener peerdestaart, Met groot geluk ontkwam ik aan haar hande, ende rake ik ‘t Sassem In ‘t leger..”.

 

Bouwe werd “Paynier”, een soort van geniesoldaat in het leger van de prins van Oranje.

Ook ons Lisse had enorme schade opgelopen op alle gebieden. Gezag ontbrak volkomen en de bevolking leed verschrikkelijk onder de totale anarchie. Ook de landerijen, die zo florissant ieder jaar hun oogsten opbrachten, waren grotendeels verwoest. De pachters van deze boedels waren, zover zij het hadden overleefd, niet in staat de pachtsommen te voldoen aan de meestal stadse eigenaren en zij werden zonder mededogen failliet verklaard. Ook kleinere boeren welke het hadden aangedurfd om grond te kopen werden na de ”troebelingen”, zoals deze ellendige tijd bekend is geworden, failliet verklaard. Wat een persoonlijk leed dit aanrichtte laat zich raden. Dit bood voor anderen, die deze destructieve periode goed hadden doorstaan de mogelijkheden om te investeren, de één zijn dood is de ander zijn brood. Ook in Lisse.

Een weergave van het beleg van Haarlem. foto Wikipedia

 

Boerenhofstede Middelburg of Morschveen vanaf 1579

De geschiedenis van boerderij Middelburg wordt gegeven wat eigenaren en pachters betreft vanaf 1579 tot heden.

2014

Door Arie de Koning

Eindredactie Nico Groen

 

Op 11 december 1572 begon het jarenlange beleg van de stad Haarlem.

Lisse had door het beleg van Haarlem door de Spanjaarden enorme schade opgelopen op alle gebieden. Gezag ontbrak volkomen en de bevolking leed verschrikkelijk onder de totale anarchie. Ook de landerijen, die zo florissant ieder jaar hun oogsten opbrachten, waren grotendeels verwoest. De pachters waren, zover zij het hadden overleefd, niet in staat de pachtsommen te voldoen aan de meestal stadse eigenaren. Zij werden zonder mededogen failliet verklaard. Ook kleinere boeren die het hadden aangedurfd om grond te kopen werden na de ”troebelingen”, zoals deze ellendige tijd bekend is geworden, failliet verklaard. Wat een persoonlijk leed dit aanrichtte laat zich raden. Dit bood voor anderen, die deze destructieve periode goed hadden doorstaan, de mogelijkheden om te investeren. De één zijn dood was de ander zijn brood.

Maerten Ruychaver

Zo was er Maerten Ruychaver, poorter van Haarlem, een welgesteld en vermogend man. Hij was handelaar in buskruit. Hij was diverse malen burgemeester van Haarlem en Hoogheemraad van Rijnland geweest. Hij had goed garen gesponnen tijdens de gevechten rond Haarlem en Leiden. Zijn handel in buskruit was wat wij nu zouden zeggen booming business. Hij was geboren in 1546 als zoon van WilIem Jacobsz Ruychaver, brouwer en schepen van Haarlem, en van Guerte Pouwelsdr van Outschoten. Op 28 oktober 1570 was hij in Hillegom getrouwd met Alyt van der Laen, dochter van Nicolaes van der Laen, de bekende burgemeester van Haarlem. Maerten was eigenaar was van de hofstede Veenenburgh gelegen tussen Hillegom en Lisse. Op eerste kerstdag in 1626 overleed Maerten Ruychaver op zijn hofstede Oostende bij Hillegom.

Maerten begon failliete boedels op te kopen in Lisse. Op l juni 1579 kocht hij 5 morgen land tussen Veenenburgh en het land van Lysbet Jacobsdr van Nyenrode, het huidige bloemtententoonstelling terrein en de wildernissen. Dit land was in eigendom van Willem Jorysz. Deze had in 1563 het land gekocht. Hij was door de gevechten in “desolate toestand” gekomen en hij was failliet verklaard. In 1577 werd het land beschreven als “een hoeksken land en erfjen waar weleer ener huysken op gestaan heeft, leggende In de Banne van Hillegom”. Het faillissement van Willem Jorisz werd zondag 16 februari 1577 in de Kerk van Lisse afgeroepen na het zingen der psalmen en de preek. Kopieën waren te verkrijgen op het stadhuis van Leiden en op de woning van de schout van Lisse. Op 3 maart 1577 werd het land “gearresteerd” en door de schout en schepenen “gesteld in handen van de Koninklijke Majesteit”. Want Philips II was officieel nog steeds graaf van Holland. Hij was dus de wettige landsheer. Op de daarop volgende publieke verkoop werd Maerten Ruychaver eigenaar van het perceel voor 331 gulden. Waar Willem Jorysz was gebleven, vermeldt de geschiedenis niet.

De volgende aankoop van Maerten was weer uit een failliete boedel. Deze was van Cornelis Jans Florysz, alias Ruygeneeltje, getrouwd met Claesje Pouwelsdr, wonende aan de “Heerwech in ‘t dorp Lisse”. Ruygeneeltje bezat onder andere land aan de Quadewech in de Lisserbroek en land in de Morschveen, groot 19 morgen. Ruygeneeltje had zich al diep in de schulden moeten steken en kon niet meer voldoen aan de aflossingen en werd in 1579 failliet verklaard. Deze schulden werden later door Maerten Ruychaver afbetaald. Cornelis Jan Florysz, alias Ruygeneeltje overleed in juni 1584.

De volgende failliete boedel, die Maerten opkoopt, was een perceel van 9 en 1/2 morgen land uit de desolate boedel” van Cornelis Ysbrantsz Rootgen op 13 juli 1584. Dit lag ook in de Morschveen en vormde één geheel met de vorige aankopen.

En als laatste, om de landhonger van Maerten te stillen, was er nog een “…zekere 1 hont lants ofte daaromtrent, bij der hoop, zonder mate met de voet gestoten”. Een klein stukje dat eigendom was van de Duinmeier Jan Gerytsz Hits. Ook dit stukje grensde aan Maertens vorige aankopen en aan het Nijenrode Duin, het huidige bloemtententoonstelling terrein. Op 29 mei 1582 kocht Maerten het voor “de somma van 35 guldenen, d’een helft gereed geld ende dandere helft over een jaar na datum”.

Dit toonde de diepe ellende waarin de boerenstand van Lisse zich na de “troebelingen” bevond. Het dorp zelf was zwaar beschadigd, de kerk beschoten door Spaans en Hollands geschut en deels afgebrand en vele inwoners hadden hun leven of have en goed verloren.

Middelburg

Ruychaver had een boerderij op zijn pas verworven bezit gebouwd. Dat was de geboortedag van de Buitenplaats Middelburg of Morschveen. Na het uiteenvallen van de buitenplaats werd de boerderij naar de buitenplaats vernoemd: “Boerderij Middelburg”. Ook werd de naam gebezigd in latere tijden als “de boerderij van Van Graven” naar de pachter destijds.

Op 17 september 1588 lezen we in de Rechterlijke Archieven van Lisse, dat Maerten Willemsz Ruychaver een woning met ongeveer 30 morgen land, ruim 26 ha, “gelegen in de Hooge Moschveenen te Lisse” heeft verkocht.

Op die dag verscheen voor Jan Reyersz, schout van Lisse en voor Cornelis Pietersz Boursgen en voor Mees Meesz Hoochcamer schepenen van Lisse “De eersaame Maerten Ruychaver, thans woonachtig op de huise van Bergendal te Voorhout“. Hij verkocht aan zijn zwager jonkheer Kapitein Arnoult van Duivenvoorde de woning met 30 morgen land. Ruychaver verklaarde “volkomenlijken vernoegd, voldaan ende wel betaald te zijn, den eersten penninge met den lesten, alles te goeder trouw en onder arg ende bedrog”. Niet vermeld werd wat dat bedrag dan wel was. Maerten Ruychaver verkocht aan zijn zwager “…zekere woning als huis, barg en schuur met ruim 30 morgen land gelegen aan diverse percelen over duin in de Hoge Mosvenen, strekkende van de Nyenrodens duinen af tot achter aan de vaart toe. Alles volgens de oude brieven, belast met 23 st erfhuur meest competerende Nicolaes van der Laen erfgenamen te Haarlem en 12 gulden en 10 st per jaar af te lossen met 200 gulden tbv Jr Johan Nicolaeszn. van Mathenesse” Dit onder overhandiging van de volgende brieven: “Een decreetbrief verleden door het Hof van Holland van 5 morgen land gekomen uit de boedel van Willem Joriszn, groot 12 bladen van 1-6-1579. Een eigendomsbrief van 8 bladen van 18 en 1/2 morgen land gekomen uit de boedel van Cornelis Jan Floriszn Ruygeneel van 28-9-1580 verleden voor de schout van Lisse. Dan nog een waarbrief van 1 en 1/2 hond land gekomen van Jan Gerritszn Hits van 29-5-1582 verleden voor de schout van Lisse. En nog een decreetbrief verleden voor de Baljuw van Rijnland van diverse percelen van landen groot 4 morgen, 2 morgen, 1 en 1/2 morgen en 2 morgen, gekomen uit de boedel van Cornelis IJsbrantszn. Rootgen van 18-7-1584”.

Arnoult van Duivenvoorde was afkomstig uit de adellijke familie van Duivenvoorde en was een zoon van jhr. Adriaen van Duivenvoorde, deken van Dordrecht. Hij werd luitenant-kolonel in het leger van de prins van Oranje, Frederik Hendrik. Hij was getrouwd met de zus van Maerten. Zij heette Geertruyd Ruychaver.

De eigenaar van de Buitenplaats woonde uiteraard niet zelf op de boerderij. Deze werd verpacht. We weten wie deze pachter was uit de rechterlijke Archieven van Lisse. Het was Hendrik Adriaensz Langeveld, afkomstig uit het Langeveld onder Lisse. Hij was getrouwd met Aegie Dircksdr en vijf kinderen zijn bekend: Adriaen, Lenaert, Jan, Cornelis en Aagje. Toen Hendrik overleed in 1612 werd zijn weduwe “bruikster” ofwel pachteres. In 1624 was de pacht overgegaan op Adriaen den Boer uit Noordwijk, die met dochter Aagje op 11 augustus 1619 in Lisse was getrouwd. In 1628 lezen we dat zoon Lenaert Hendriksz Langeveld de nieuwe pachter was geworden.

Jhr. Adriaen van Duivenvoorde, inmiddels kolonel, nam deel aan het beleg van Oostende in 1601 en liep daar de pest op, waaraan hij op 4 juni 1602 overleed. Zijn vrouw Jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde kwam in bezit van de Buitenplaats Middelburg. Zij trouwde in 1618 met jhr. Jacob van Thienen. Hij was Meesterknaap, ridder van Holland en West-Friesland en schout van Grootebroek.

Dan, op 7 februari 1633 was er weer nieuws over Mosveen. Jhr. Jacob van Thienen, “als man en voogd over Jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde” had, na een openbare veiling “de Buitenplaats Mosveen te Lisse aan Geryth Jacobsz Hulft” verkocht. Deze was woonachtig te Haarlem.

Het bezit werd beschreven als: “….zekere woninge, huijs, bargen, schuijren, potinge ende beplantingen met sijnen heintuinen ende boomgaarden, geleegen in den Ambagte van Lisse in de Hoochmosse Veenen, tesamen groot omtrent 29 morgen toegemaakt land behalve 4 morgen daaromtrent niet toegemaakt sijnde”. Al het land is: “bij den andere geleegen en in pacht bij Lenaert Hendricxz tot Langeveld”. De koopprijs was 10500 gulden te betalen in drie termijnen telkens op de eerste mei. Bijzonderheid bij deze verkoop was dat Geryth Jacobsz Hulft van katholieke gezindheid was.

Geryth Jacobsz Hulft kocht steeds meer land in Lisse. Op 10 april 1634 verschenen voor “..de schout van Lisse, Adriaen van Gorcum, Jonkvrouwe Elisabeth van Duivenvoorde, wonende te ‘s Gravenhage, geassisteerd met jonker Gijsbert van Duivenvoorde, haar broeder”. Zij verkochten via Jan Hendricxz van Langeveld aan Gerrit Jacobsz Hulft, een stuk land in de Lisserbroek, “genaamd de Breede Boecamp”.

Een jaar later, op 23 maart 1635, verkocht Adriaen Adriaensz den Boer, woonachtig in Noordwijk en familie van Jan en Lenaert Langeveld een Loosterkamp in de polder van de Mosvenen, groot 2 morgen grenzend aan het land van koper Hulft. Adriaen den Boer zou het Loosterkamp voor tien jaar huren voor 60 gulden per jaar en de pachtsom aan niemand anders dan aan Lenaert Hendricxz vermogen over te doen. Lenaert was zoals bekend zijn zwager.

Frans Barentsz Cousebant

Ook imperialisten hebben last van vergankelijkheid, zoals ook Geryth Jacobsz Hulft. Hij overleed. Uit zijn huwelijk met Haesghen Willemsdr van Foreest, was een dochter geboren, Adriana. Zij was getrouwd met de puissant rijke, katholieke Haarlemse brouwer Frans Barentsz Cousebant, weduwnaar van Wyve Cornlisdr van Rijck. Hij was een zoon van Barent Wiggertsz en Magdalena Adriaensdr Kies van Wissen, die beiden in oktober 1603 aan de pest waren overleden. Deze ziekte maakte geen onderscheid tussen arm of rijk. Men zou Frans Barentsz Cousebant kunnen zien als de rijkste man van Haarlem. Door zijn huwelijk met Adriana Gerritsdr Hulft kwam Middelburg in handen van de familie Cousebant. Of het prettig wonen is geweest, is maar de vraag, want buurman Cornelis van Sypestein was een zeer onaangenaam mens waar de familie Cousebant heel wat mee te stellen heeft gehad. Maar dat een andere keer.

Ook werd ondertussen een aanvang gemaakt met de aankoop van land voor de aanleg van de Trekvaart van Leiden naar Haarlem. Cousebant verkocht 345 roeden land Hij ontving hiervoor van de stad Haarlem 207 gulden en 6 stuivers.

Op 20 november 1689 overleed Adriana (van der) Hulft. Reeds op 30 juni 1676 had zij, ziek te bed liggende, haar testament opgemaakt. Haar man Frans Cousebant, was al in juni 1667 overleden, maar de buitenplaats Middelburg behoorde aan haar. Van de onroerende goederen werden bij de “schiftinge, scheidinge en delinge” vijf loten gemaakt; voor elk van haar zoons één.

Lot nummer B was de “Woning tot Lisse en ‘n obligatie” samen 12.000 gulden.

De woning te Lisse, Middelburg dus, werd nauwkeurig omschreven als: “Een woninge met de landen daarbij gebruikt, alsmede het Heerschaps Huijs ende boomgaard gelegen tot Lisse”. De boerderij was voor 400 gulden per jaar verhuurd aan de weduwe Jan Claesse van den Helder.

Het woord “Heerschapshuis” wijst erop, dat het thans meer was dan een boerderij alleen. Waarschijnlijk was er tegen de voorzijde van de oude boerderij een nieuw gebouw gezet. Zomers kwam de eigenaar, het Heerschap dus, uit de stad met gezin lekker buiten wonen aan de voorzijde van de woning, terwijl de pachter het achterhuis en zijn boeren bedoening had.

Ik weet niet of er een vrouwelijke vorm van heerschap bestaat, maar Adriana weduwe Cousebant was eigenaresse van Middelburg. Zij had tot executeur-testamentair haar zoon Josephus benoemd, maar dat bleek een abuis. In haar testament lezen we: “Het is mijn wil dat het zal zijn Gerardus Cousebant”. En zo gebeurde het.

Lot nummer B, waartoe dit alles behoorde, werd getrokken door Josephus Cousebant. Hij was priester. Door het trekken van dit lot was de geestelijke Josephus Cousebant, zoon van Frans Barentsz Cousebant, dus heerschap geworden van de buitenplaats Morsveen of Middelburg in. Lisse. Josephus werd in juni 1633 in Haarlem geboren. Op 12-jarige leeftijd ging hij met zijn broer Gerardus naar Frankrijk. Daar werd hij opgenomen voor academisch onderwijs bij l’Académi Royale in het dorp Juilly. In 1651 en 1652 studeerde hij wijsbegeerte en theologie aan de Universiteit van Parijs. Hij promoveerde en ontving tevens zijn priesterwijding. Bovendien benoemde de Franse koning Lodewijk XIV hem op 19 juni 1662 tot zijn “conseiller et aulmosier”. Men zou denken dat zijn kostje daar gekocht was. Een glanzende carrière lag in het verschiet en ieder ander had alvast zijn naam verfranst in “Jarretière”. Op 21 juli 1682 keerde hij echter weer terug naar Haarlem en sloot zich aan bij de Hollandse Zending. Hij was bekend als een eerlijk toegewijd priester. Dat was een zeldzaamheid in die tijd. Hoeveel oog hij had voor misstanden en armoede blijkt uit het feit dat hij in 1667 “de Broederschap ter verlossing der slaven” heeft opgericht. Dit was juist in de jaren dat vele Hollandse kooplieden zich juist met diezelfde slavenhandel schandalig verrijkten. Hij werd Pro Vicaris van Haarlem.

Het was deze bescheiden pastoor Josephus Cousebant, die van 1690 tot aan zijn dood op 12 april 1695 eigenaar van Morsveen te Lisse was. Geen enkel archiefstuk herinnert aan deze beminnelijke man en toch zal hij veel in Lisse zijn geweest. Aan het Mallegat in het Pastoorshuis bij de schuilkerk aldaar, woonde een vriend en geestverwant van hem, Joannes van der Werve, pastoor te Lisse. Deze was een even beminnelijk man als hijzelf. Pastoor van der Werve overleed op 13-06-1697 in Lisse.

Executeurs-testamentair van Josephus waren zijn jongere broers Jodocus en Frederik Cousebant. Door het graven van de Trekvaart was een deel van het land van Cousebant afgesneden en lag ten westen van de Trekvaart. De buurman Sypestyn had oostelijk van de vaart nog bezit. Er werd door de executeurs-testamentair en door Andreas van Sypesteyn een ruil met gesloten portemonnee gedaan. Het land van Middelburg of Morsveen loopt nu in rechte baan van de Loosterweg tot aan de Trekvaart en dat is heden ten dage nog het geval.

Josephus Cousebant werd in Lisse opgevolgd door zijn jongere broer Jodocus. Deze was in 1676 gehuwd met Maria Adriana Crucius, dochter van Adriaen Crucius, lakenkoper in Haarlem, en Maria Keyser. Zij was reeds weduwe van Arent van Gouthoven. Het huwelijk heeft niet lang geduurd. Zij overleed al na 6 jaar in 1682.

Op 20 april 1701 werd een overeenkomst opgesteld tussen een aantal partijen, o.a. Pieter Dierquens, heer van Veenenburgh en baljuw van Noordwijkerhout, Hendrick van Hoven, heer van Keukenhof en Jodocus Cousebant, heer van Middelburg. Daarin verplichtten zij zich om de Buurweg, de latere Loosterweg-noord, recht te trekken, te egaliseren en met fraaie gewassen te beplanten. Dit werd inderdaad uitgevoerd. Jodocus Cousebant overleed in 1709.

Tijdens het korte huwelijk van Jodocus Cousebant en Maria Adriana Crucius was hun enige zoon geboren op 20 januari 1682 in Haarlem, genaamd Adrianus Franciscus Cousebant. Hij trouwde in 1707 in ‘s Gravenhage met Maria Catharina Emonds, dochter van mr. Pieter Emonds, advocaat van het Hof van Holland en van Adriana Dymphna van Beeck.

Op zijn bruiloft kreeg de bruidegom als gift van zijn vader Jodocus de buitenplaats Middelburg. Middelburg had dus een nieuwe eigenaar. De hofstede en boerenwoning bleken nu verpacht te zijn aan Jan Jacobsz Naardenburg en wel voor 500 gulden per jaar, jaarlijks te betalen op 18 oktober. Deze datum viel samen met de jaarlijkse Haarlemse “Lucasmarkt”, sinds de middeleeuwen een vaste datum waarop termijn betalingen moesten worden betaald. Adriaen Francois Cousebant trad niet veel in het nieuws.

Op 29 november 1719, “des avonds de klok omtrent zeven ure”, maakte Adriaen Francois Cousebant, ten overstaan van notaris Jan Barnevelt te Beverwijk, zijn testament op. Niet dat hij oud, zwak of ziek was, maar hij was van plan een reis naar Frankrijk te maken. Ingegeven door “de broosheid des levens” wenste hij zijn testament te maken.

Hij reisde alleen met zijn “valet” (bediende) en benoemde zijn vrouw tot eventuele voogdes over hun minderjarige zoon Franciscus Bernardus. Later schreef hij nog in sierlijke letters nog zelf toe in het testament: “Mijn plaats op de Schillque (hofstede Breeland in de Zilk) wil ik niet verkocht hebben, want dat moet blijven tot uw en mijn zoons plezier”. Hij had het goed voor met vrouw en kind.

Op 9 juni 1722 verscheen voor de schout en schepenen van Lisse “den heer Adriaan Francoijs Cousebant”. Hij verklaarde aan de heren Nicolaas en Pieter Tiark, Tjarck of Tjark te Leiden verkocht te hebben “een woninge met omtrent 32 morgen 10 roeden land te Lisse”, waarbij inbegrepen “een groter en een kleiner bos”. Hierbij was ook inbegrepen een huis met een lapje grond aan de Leidse Vaart en een Loosterkamp en de Breede Boecamp gelegen in de Lisserbroek. Alles tezamen voor “8000 gulden in gereed geld”. Pachter op Morsveen was nu Jacob Jansz Naardenburg die zijn vader had opgevolgd als boer op de boerderij. We lezen in het archief dat Jacob op 19 mei 1717 in de katholieke schuilkerk aan het Mallegat met Wijntje Maertensdr van der Meer in het huwelijk was getreden. Jacob Naardenburg wer niet oud. Op 7 november 1738 overleed hij in Lisse en Wijntje werd zelf pachteres en bouwvrouw”. Er zijn vier kinderen van hun bekend: Jan, Maarten, Willempje en Maria. Op 8 juni 1745 hertrouwde zij met de welgestelde Warrebout Jurriaensz Vreeburg. Wijntje was zijn vierde vrouw. Vreeburg was niet alleen een groot vrouwenliefhebber maar ook een groot grondbezitter en had overal in Lisse bezittingen. Hij overleed drie jaar later op 29 mei 1748 en was Wijntje voor de tweede maal weduwe.

Het zg “Heerschapshuis” wat aan de boerderij was gebouwd was klaarblijkelijk weer geheel opgenomen in de boerderij. Dat is te lezen in het Quohier van den verpondingen. De Heren Tiark resideerden in de nabijgelegen buitenplaats Middelburg. Op de “boereplaats” van de heren Tiark werd regelmatig vee en hout uit de bossen van Mosveen verkocht. Zo ook op 9 maart 1728 toen er “koebeesten” verkocht werden. Aardig om te weten is dat in 1728 een koe ongeveer 26 tot 34 gulden opbracht volgens het Oud Rechterlijk Archief van Lisse.

Op 4 oktober 1745 was mr. Pieter Tiark in Leiden overleden, 49 jaar oud. Mr. Nicolaas Tiark, met wie Pieter het buiten Middelburg had gekocht werd niet meer genoemd als eigenaar. In zijn testament dat op 20 april 1750 werd uitgevoerd, kunnen we lezen over de inventaris van “Hofstede Middelburg met woning en 73 morgen en 200 roe lands”. Middelburg was door enige aankopen dus flink groter geworden.

Mr. Pieter Tiark had twee dochters. De oudste, Petronella Geertruyd overleed op 1749 op Middelburg. De jongste Maria Jacoba Johanna Tiark erfde dus het gehele bezit van haar vader. Zij trouwde in april 1750 in Leiden met Jean Baptist Francois George, graaf van Oultremont de Warfusée. Maar omdat het jonge paar zich toch niet in deze omgeving vestigde, trachtten ze zich van hun bezit in Lisse te ontdoen.

In ‘De ‘s Graevenhaegse Woensdagse Courant’ van 14 November 1753 werd Morsveen aangeprezen als “… een voorname Huysmans-woninge, voorzien met een zeer bekwame schuur, huizine, bargen, stallinge voor diverse beesten, en voorts alle ‘t gene tot een wel geconditioneerde huismans-woninge behoort…etc”.

Van een verkoop was echter niets terecht gekomen, Wel werd er een jaar later “Boelhuis” gehouden. Op 17 april 1754 werden voor schout en schepenen van Lisse koeien, jong vee, paarden, schapen en varkens, bouwgereedschap en verdere goederen verkocht. De publieke verkoop bracht bijna 3200 gulden op. Pachter Naardenburg was niet meer op Morsveen. Hij werd in dat zelfde jaar in 1754 pachter op Nieuw Zandvliet aan de tegenwoordige Stationsweg. Nieuwe pachter op Morsveen was de jonge Wouter Pietersz van der Swet, geboren In Noordwijkerhout en zoon van Pieter Cornelisz van der Swet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt. Wouter van der Swet trouwde op 23 november 1755 in Hillegom met Aagje Joostendr van Diest, geboren in Hillegom. Wouter bleef tot zijn dood in 1806 pachter en boer op Morsveen.

Op 27 april 1781 was het er dan toch van komen. Schout van Lisse, Jacobus van Lutsenburg, vergezeld door schepenen Jeremias Rouwens en Jan Hits, ontvingen de heren Willem Pietersz van Egmond en Xavier Gerritsz van der Hout. Zij waren procuratiehouders van Maria Jacoba Johanna Tiark. Zij deelden de bestuurders van Lisse mee dat “op 20 april 1781 in het Heerenlogement aan den Burg binnen Leiden, de buitenplaats Middelburg is verkocht aan de heer Egbert Bosch te Amsterdam, in gerede en contante gelden, alles zonder archlist of bedrog”.

Egbert Bosch was geboren in Amsterdam op 25 juni 1721 als zoon van Arent Bosch en Aletta Thesingh. Hij was een welgesteld man, doopsgezind, en verstokt vrijgezel. In Lisse bezat hij reeds de hofstede Voorburg aan de westzijde van de Trekvaart waar hij ‘s zomers graag vertoefde. Gerekend naar zijn geboortedatum in het doopsgezinde doopboek van de kerk ‘t Lam in Amsterdam was hij dus al zestig jaar toen hij Middelburg kocht. Egbert Bosch overleed op 2 mei 1788 in zijn riante woning aan de Keizersgracht in Amsterdam. Hij was toen al geen eigenaar meer van Middelburg. Op 11 december 1783 verscheen voor schout en schepenen van Lisse de heer Ysbrand van Watering, “Meester Metselaar alhier, procuratie hebbende van den Wel Ed. Geb, Heer Egbert Bosch”. Hij had de buitenplaats Middelburg en de boerderij voor 8000 gulden verkocht aan “den Wel Edele Gestrenge heer Matthijs Ooster, Heer van Meygisfelden in Holstein, koopman, assuradeur, commissaris en schepen te Amsterdam”. Verder was deze Matthijs regent van het Leprozenhuis en directeur van de Levantse Handel. Ook was hij sinds 1781 eigenaar van de buitenplaats Santvliet te Lisse. Hij was geboren op 28 oktober 1747 in Amsterdam als zoon van Matthijs Ooster en Maria Cornelia Quenlon. Hij had dus als 33 jarige al aardig zijn zakken weten te vullen. Hij trouwde met Clara Hillegonda Hooft die hem drie kinderen schonk, die allen jong overleden. Matthijs overleed in 1842 in Utrecht op 94 jarige leeftijd.

Samengaan van Middelburg en Keukenhof

Op 14 mei 1797 verkocht Matthijs Ooster Middelburg aan Lucas Jan Michielsz Boon, koopman te Rotterdam voor de somma van 8000 gulden contant en een “custingbrief” van 5000 gulden. Lucas Boon, was geboren in Delft als zoon van Johan Michiel Boon, luthers predikant, en Johanna Adriana Swijggelman. Hij werd gedoopt op 4 juni 1758 in de Lutherse kerk te Delft. Hij was niet voor niets koopman en hij ontdeed zich zo snel mogelijk weer van zijn pas verworven bezit. Hij had daartoe zijn zwager, Jan Bartholomeus Snellen, gemachtigd. Op 22 april 1800 vond in het Rechthuis van Lisse (Witte Zwaan) de openbare verkoop van Middelburg plaats. Na veel geharrewar werd de koper uiteindelijk Simon Petrus Joosten, commissionair uit Amsterdam, die Middelburg kocht voor 10.200 gulden. Een pikant detail was dat Simon weduwnaar was van Sara van Hoboken, jongste dochter van Abraham van Hoboken en Anna Scheltes. Anna was na het overlijden van haar dochter in 1807 eigenares van Keukenhof geworden. Toen zij op 2 juli 1808 in haar huis aan de Keizersgracht overleed, was Simon Petrus Joosten zowel eigenaar van Middelburg als van Keukenhof!

Dat Simon Petrus ook nog pretenties in de poëzie had blijkt uit een gedicht dat hij maakte ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter Alida Sebilla met Hendrik Sleebes. Daarin ging overigens de hele familie Joosten zich te buiten “aan Huwelijksche Gezangen”. Hij liet dit in een boekje optekenen.

De Franse tijd was een onzekere tijd. Simon neemt het zekere voor het onzekere en doet zowel Keukenhof als Middelburg in de verkoop. Grote aanplakbiljetten prijzen het goed en onder punt zes kunnen we lezen:

“…Ene capitale en weldoortimmerde huismanswoninge, gelegen aan de Loosterweg, genaamd Middelburg, voorzien van ene stallinge voor 30 stuks hoornvee en 3 paarden met deselfs dorsvloer, ruime schuiringe, zomerhuis, wagenhuis, karnmolen, capitale kelder en varkenshokken. Twee vijf roeden hooibergen, ruime werf met opgaande bomen, een boomgaard mitsgaders met een strook bos halverwege de Loosterweg van de woninge halversloot tot aan de scheidinge van ‘t bos aan de brugge met ende beneffens de daarbij gehorende nombre van 30 morgen, 150 roeden allerbest wei hooi en boslanden als één partij groot 25 morgen en 450 roeden geleegen bij, aan en omme de woning,..”.

En dan te bedenken dat het hier alleen om Middelburg ging. Keukenhof en de resten van Zandvliet vielen onder andere punten op het aanplakbiljet. Vrijwel de gehele polder van de Hooge Morsvenen was opgenomen in het landgoed Keukenhof.

Op 2 november 1806 was Wouter van de Zwet, pachter en boer op Middelburg overleden. Wouter had maar één zoon, die als zijn opvolger in aanmerking kwam, Simon van der Zwet. Maar deze was reeds boer op “Lammetje Groen” . Er was voor Middelburg dus geen opvolger. Dus werd er op 9 april 1807 een “Boereboelhuis” gehouden, Wat dit opbracht weten we niet ,want daar zijn helaas geen rechterlijke archieven van bewaard gebleven. Vast staat dat de nieuwe pachter, boer Jacob Leenslag werd.

Jacob Leenslag was gedoopt op 13 mei 1781 In de Gereformeerde Kerk in Hattem als zoon van Hendrick Leenslag en Barbera Jacobsdr Swaanepol. Jacob Leenslag overleed op 27 maart 1860 in Sassenheim. Hij was getrouwd met Willemijntje van Broekhuizen geboren in Leiden, Zij overleed op 30 mei 1823 in Sassenheim. Zij schonk hem twee zonen, Hendrik en Willem. Een boerin was absoluut noodzakelijk op een boerderij dus Jacob hertrouwde op 4 april 1824 in Sassenheim met Haasje Magdalena van Leeuwen, geboren op de Kaag.

Zoals gezegd was het volop Franse Tijd: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap werd alom verkondigd. Van de gelijkheid kwam eigenlijk vanaf het begin niets terecht. Er waren mensen die veel gelijker waren dan anderen. In deze tijd werden veel landerijen in kleine stukjes verkocht; je kon niet weten. Buitenplaatsen raakten in verval door gebrek aan onderhoud en de schitterend aangelegde tuinen werden vernietigd. Te vrezen was dat Keukenhof ook zou verloederen.

Mr. Johan Steengracht van Oostcapelle

Maar op de heugelijke dag 2 oktober 1809, of moet ik zeggen op de 2e van de Wijnmaand, werd Keukenhof met alles wat daartoe behoorde, dus ook Middelburg, gekocht door jhr. Mr. Johan Steengracht van Oostcapelle. Hij was geboren in 1782 in ‘s Gravenhage en overleed In 1846. Door deze verkoop maakte de Keukenhof een stap in de richting van het adeldom en kwam een einde aan Amsterdams burgerdom.

Direct begon Steengracht zijn bezittingen uit te breiden. Het was weliswaar een moeilijke tijd maar geld scheen bij hem geen rol te spelen. In 1820 kocht hij de Klopperslanden, een stuk wei of hooiland dat geheel omgeven werd door zijn land. De weg daarna toe, het Klopperslaantje was al in 1783 door Keukenhof aangekocht. Een strook bos van 2 morgen was toen gekocht door Arij van der Zaal, timmermansbaas binnen ‘t Vierkant te Lisse. Keukenhof moest ook hem recht van overpad geven op het Klopperslaantje. In de bepalingen werd beschreven wat voor soort overpad werd bedoeld. Er werd gesproken over wagens, paarden, hout, hooi of te voet. Maar ook vlas stond er onopvallend bij. Het betrof hier het “rauwvlas”, dat in augustus vanaf de Zuid Hollandse eilanden en uit Zeeland aankwam in de Gracht te Lisse. Deze werden vervoerd naar de Klopperslanden om te worden “geroot” in de sloten en beken aldaar. Daarna werd het in “kapellen” op het land gezet om te drogen. De stank die hier van af kwam, verjaagde zelfs de waterratten en de Lisser koeien stonden met de kont in de wind. Dus voor de omliggende buitenplaatsen was het ook geen pretje. Eigenaar Steengracht kon dus niet het eeuwig gegeven recht van overpad intrekken, want dat was juridisch niet mogelijk.

De pachter op Middelburg in deze tijd was Maarten van der Vlugt, geboren in 1770 in Voorschoten, Zijn vrouw Keetje Veldhoven was in Stompwijk geboren in 1777. Toen haar man op 3 april 1830 overleed werd zijn vrouw bouwvrouw. Na haar overlijden op 18 oktober 1835 nam zoon Arend de pacht van zijn moeder over. Op l mei 1836 trouwde hij met Jannetje van Graven, dochter van Ceel van Graven en Clara van Bourgonje. Hij was pachter van Nieuw Zandvliet. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren Arie, Selis en Clara. Selis volgde zijn vader op als pachter boer van Middelburg. Hij was geboren op 9 oktober 1843 in Lisse. In 1877 trouwde hij met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Daarna volgden leden van de familie van Graven de familie van der Vlugt op. Selis had namelijk een eigen boerderij gekocht in Voorhout.

In 1846 nam dochter Jonkvrouwe Cecile Marie Steengracht het landgoed van haar vader over. Zij trouwde met Carel Anne, baron van Pallandt. Cecile Marie overleed in 1899 waarna haar dochter Cornelia Johanna van Pallandt, geboren op 4 maart 1840 in ’s Gravenhage, eigenaresse werd van Keukenhof en Middelburg. Zij trouwde op 10 oktober 1861 In Lisse met Jan Carel Elias, graaf van Lijnden. De volgende eigenaar was Jan Maurits Dideric, graaf van Lijnden en als laatste in de rij weer een Jan Carel, graaf van Lijnden.

©Arie de Koning 2014

Boerderij Middelburg in 2014

KIND IN DE TWEEDE WERELD OORLOG, deel 2

Mevrouw Baltes vertelt over de mensen die haar ouders in de 2e wereldoorlog verborgen hielden in hun huis aan ‘t Vierkant.

Door Coby Baltes

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Hoofdstuk 3

Louan was de volgende kleine die bij ons kwam wonen, geboren 15 maart 1943. Nou dat was feest, we kregen een broertje. Ook zijn grote broer en later hun ouders, kwamen bij ons inwonen, in de zijkamer, recht tegenover het hotel. Maar zoals gezegd, ze leken familie. Alleen met dolle dinsdag (?) was er een hachelijk moment, toen werd er aangebeld door de moffen, ze moesten de meisjes hebben, maar hoe weet ik niet, vader heeft ze afgepoeierd, misschien dat we te jong waren. Eens, toen de Duitsers fi etsen zochten in ons huis, werd door hen door de kamerdeur naar binnen gekeken. Oom ‘Mau’ en ‘Bob’ zaten met de rug naar de kamerdeur. Oom ‘Mau’ was aan het bonnen plakken voor mijn vader en ‘Bob’ en ik waren aan het fi guurzagen. Mooie dingen hebben we toen gemaakt, o.a. een staande schemerlamp in de vorm van een lantaarn. Goedkeurend gemompel van de soldaat die om het hoekje van de deur keek en hij vertrok. Dit voorval staat echt gegrift in mijn geheugen. Schrik! En rustig doorgaan. Ook kregen we van mijn vader ‘Pa’ ‘pertinax’ plaatjes in plaats van triplex, etalagemateriaal, maar die gaven nogal veel stof, door het materiaal of de lak. Dit fi guurzagen gebeurde in de zomer op de plaats waar de haard in de winter stond, want Bob mocht niet naar buiten. We hebben het wel één keer gedaan, helemaal naar de Haarlemmermeerpolder, naar Lisserbroek waar mijn schoolvriendinnetje, Annie Clemens, woonde en waar het ‘veilig’ was. Ze hadden een grote boerderij beneden onder aan de dijk. Ik vraag me af of Bob het nog weet. Ja, ik heb nog steeds jaarlijks contact, per kaart, soms telefoon. Toen Louan weer eens een titel behaalde werden we ook uitgenodigd. Hij is Mr. Dr. in juridisch recht. Bob is 7 maanden ouder dan ik. Ook bij hun huwelijk en als de kinderen geboren werden, kregen we een uitnodiging. Vergeten zullen ze ons nooit. Iedere keer weer herinneren ze alle genodigden aan het feit, dat mijn ouders dit allemaal mogelijk hebben gemaakt. Eigenlijk ben ik er heel trots op dat mijn ouders zo blijvend geprezen worden, maar ik heb er zelf niets aan gedaan. Het was in mijn ogen toch wel een gezellige tijd. Al vond ik wel dat zijn vader erg streng was.
Hier tussendoor hebben we ook nog een jonge jongen van ongeveer 17 jaar in huis gehad. Aad was onnoemelijk nerveus en werd geplaagd door mijn derde zus. Hij is maar een paar dagen gebleven, moeder kon het niet aan en hij ook niet! Ook weet Bob zich nog te herinneren, dat we een pianist, Palermo, een paar weken hebben gehad. Die speelde prachtig op de piano. Nu ik het zo opschrijf besef ik dat mijn moeder het toch wel heel druk heeft gehad in die tijd. De oudste zus had ook een zware taak. Zij moest meehelpen in de huishouding. In die tijd waren ook nog de scholen gevorderd door de bezetters en kregen we halve dagen les in een patronaatsgebouw. Dus in die tijd waren we gemiddeld meer thuis, dan voorheen.

Mau en tante Rosette waren een lange tijd bij ons. Louan is ook een poosje bij een ander ondergebracht geweest, maar waarom dat was weet ik niet. (Er was iemand loslippig geweest en we werden gewaarschuwd!) Tante Rosette, zijn moeder, was heel lief en zachtaardig. Na de oorlog hebben we kennis gemaakt met de overgebleven familieleden. En samen met ‘Bob’ en zijn nichtje kennisgemaakt met Amsterdam, rond de Van Baerlestraat. Wat een belevenis!

Hoofdstuk 4

Ja, er zat in die tijd ook een dochter van een NSB-er op school. Maar dat was bekend en vreemd genoeg heb ik het verhaal van onze onderduikers alleen aan mijn vriendinnetje Annie verteld, die er nooit met iemand over gesproken heeft. Het is ook mogelijk, dat onze ouders contact hadden – of dat ze klant waren van vader. Ook kregen we in de oorlog wel fruit uit Limburg toegestuurd! Van de ouders van Rita. (Het zuiden was in 1944 bevrijd!). Van de boerderij van mijn vriendin Annie ook wel. Dat zijn dingen, die je jezelf nu realiseert, maar niet zeker weet. Dat ging buiten je om, als kind. Wel kan ik me herinneren, dat ik een paar maal mee geweest ben met mijn twee oudere zusjes, om via de botenwerf van Akerboom naar de overkant te varen om melk te halen bij een boer in de Poelpolder, een klant van vader. Dat was veiliger, over water, dan over de weg, dit werd niet opgemerkt tijdens bootje varen met een roeiboot bij Mientje, ook een vriendinnetje, één meisje tussen allemaal jongens. Ze was meestal bij haar ‘vrijgezelle’ tante, die was thuisnaaister voor een handschoenenatelier ‘Laimböck’, prachtig werk, helemaal handgemaakt. Naar huis mocht ik zelden een vriendinnetje meenemen. Alleen Annie Clemens van de boerderij. Achteraf natuurlijk heel logisch.
Gaarkeuken / hongerwinter / watersoep/ pap met heel veel suiker, voorzichtig lopen, dan kon de suiker eruit geschept worden! Ondervoeding / tulpenbollen, alleen ik werd er ziek van en voor de anderen was het heerlijk eten, net als een konijn dat gebracht werd zonder kop. Konijn? Ook een keer mee geweest om hout te hakken in het bos van de Graaf van Lynden van de Keukenhof. Op de uitkijk moest ik staan met José, om te kijken of er iemand aankwam. Het zagen werd natuurlijk gehoord en toen kwam, niet vanaf de weg maar vanuit het bos, politie te paard aangereden en sprak op barse toon mijn vader aan. Hij moest wijzer zijn en zou er nog wel van horen. Wij natuurlijk, met twee onderduikers, jonge jongens, erg onder de indruk naar huis. De volgende dag werd vader opgebeld. Hij kon dezelfde week naar de houtvester ‘op het Hoogje’ gaan en wie schetst zijn verbazing, de boom lag klaar gezaagd om mee te nemen in de bakfi ets. Meerdere malen heen geweest. Dat was dus een ‘goeie’ politieman. Jammer dat je te jong bent om het te beseffen, maar voor ons kinderen wel een teken, dat vader niets verkeerd had gedaan. Hij werd beloond. In 1943 waren er de transporten van joodse mensen via Eysden in Limburg, waar oom Paul, de oudste broer van mijn moeder, douanier was. Hij wilde schreeuwen naar de Duitsers, dat het zo niet kon, maar hij werd tegengehouden door zijn collega’s met de hand op zijn mond. Drie maanden later stierf hij aan keelkanker. Zijn gezin met zes kinderen bleef achter. Dan oom Bernard een andere broer van moeder. Die was chauffeur/ tuinman op een buitenplaats van mensen die naar Engeland waren gevlucht. Seyss-Inquart vorderde het kasteeltje en Bernard kon blijven in een woning boven de garage. Oom Bernard had een gezin met heel veel kinderen. Heel erg arm. Toen de Duitsers in alle haast, dolle dinsdag o.i.d. vertrokken, kon hij mee naar Gronau en heeft daar een paar jaar gewoond en weer kinderen gekregen. Moeder is er een keer heen geweest omdat ze peettante werd van een meisje.
De tweede zoon van oom Paul is daar ook nog geweest (hij had de leeftijd voor de Arbeitseinsatz). Verplicht te werk gesteld voor de Duitsers, dus maar naar oom Bernard in Gronau. Maar hij is daar ook al eerder bij hem vandaan gevlucht en heeft bij ons aangeklopt voor een poosje. Na de oorlog kwam oom Bernard bij ons aan om onderdak met allemaal bedplassende kinderen. Op zolder. Dat was foei! “Als we joden konden laten onderduiken, dan konden we toch zeker ook hen wel hebben?”
Op 8 maart 1945 was er de aanslag op Rauter en werd oom Han gefusilleerd. Hij was de jongste broer van mijn moeder en hovenier/ rozenkweker. Hij werkte als onderaannemer voor de fa. Kruk in IJmuiden, om de bunkers te beplanten. Hiermee kon hij uit de Arbeitseinsatz blijven en ook mensen uit Duitsland houden. Van horen zeggen thuis: de kapelaan van zijn parochiekerk kwam vragen of hij een man kon aannemen om hem uit Duitsland te houden, maar oom Han weigerde omdat hij de man niet vertrouwde. Nogmaals geprobeerd, maar hij bleef weigeren. Vóór 12 februari 1945 kreeg hij een inval van de Sicherheitsdienst in zijn huis en werden alle papieren en geld meegenomen. Zijn chauffeur had zich ziek gemeld! Hij, de jongste broer van mijn moeder, werd vastgehouden op het politiebureau in Santpoort. Mijn op één na oudste zus Jopie was toen 17 jaar en ging op de fi ets naar tante Jo op bezoek. Toen zij Santpoort binnen reed zag zij juist dat oom Han, op 12 februari, achter in een auto werd weggevoerd. Hij bleek naar de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam te zijn gebracht. Waar hij zonder vorm van proces, op 8 maart 1945 uit zijn cel werd gehaald en doodgeschoten. Zijn vrouw was van hun tweede kindje in verwachting. Zijn zoon werd geboren juni 1945. Indertijd had hij, oom Han, nog gezorgd dat mijn moeder papieren kreeg om op reis te gaan met Rita (1943) om haar ouders te bezoeken. Vader kreeg, bleek heel veel later, een Ausweis van oom Han om hem te bezoeken. [is nu in het bezit van de Vereniging Oud Lisse]. De bedoeling was om gegevens te verzamelen en door te geven aan de ondergrondse. Hij had daar natuurlijk contacten mee door onze huisgenoten.
Voor de oorlog hadden wij een meisje in de huishouding. Haar pink kon ze niet buigen, maar ze had prachtig mooi zwart krullend haar. Na de oorlog werd ze met vele andere meisjes kaalgeschoren en kreeg ze oranje verf, menie, op haar hoofd. Op het schoolplein van de Christelijke school in de Schoolstraat en om het schoolhek stonden allemaal mensen te kijken en te roepen. Dat heb ik toen heel erg gevonden en ben naar huis gegaan.

Later, veel later kwam het geheel weer boven: mijn jongste dochter mocht bruidsmeisje zijn bij een schooljuf. Haar moeder was zo’n meisje dat met een NSB-jongen trouwde, zeer tegen de zin van haar ouders. De ouders werden gedwongen toestemming te geven! Dochter 17 jaar! De jongen werd meteen na zijn huwelijk ingelijfd in het Duitse leger en overgeplaatst naar Duitsland en ingezet tegen de Russen (omgekomen). Het kindje werd geboren in Duitsland en kind en moeder kwamen weer terug naar de ouders. Na de oorlog werd het meisje geplaatst in een kindertehuis in Zandvoort – vreselijk. Ze werd ook kaal geschoren en moeder werd verplicht heropgevoed in Vught. Het meisje is ongeveer 70 jaar, maar het is nog steeds een vreselijke herinnering voor haar en wat kon zij er aan doen? Zij is niet meer in Nederland. Als ze overkomt is ze weer weg vóór 5 mei. Ik heb er moeite mee gehad, moet ik eerlijk bekennen, of ik het wel kon maken om mijn jongste dochtertje haar bruidsmeisje te laten zijn. Maar het gebeurde niet in ons dorp en heb ik er thuis niets over verteld. Eigenlijk heeft ze me indertijd aan een stageplek geholpen bij haar in de klas. Zo komen ervaringen uit je jeugd toch weer opduiken in je latere leven.

De kruidenierszaak van J. Baltes. Foto genomen tijdens bloemencorso, waarschijnlijk jaren ‘50

Nawoord.

Dit is in een notendop hetgeen ik tot nu toe op papier heb gezet. Er waren avonden dat ik het heel moeilijk had met al die herinneringen. Enorme bewondering voor mijn ouders en respect voor hun moed en doorzettingsvermogen! Ook nu begrijp ik beter, dat het voor mijn moeder een feest was om die twee jongens te kunnen verzorgen. Ze had haar eigen stille verdriet over het verlies van haar eerste kind. Wel heel jammer, dat er zo weinig later over gesproken en verteld werd. Dit wilde ik allemaal opschrijven voor mijn kinderen en kleinkinderen, zodat zij weten dat mijn ouders moedige mensen waren. En ik ben ook steeds nog erg blij met de erkenning door de ‘onderduikers’.

Bij het nalezen kwam ik tot de ontdekking, dat de onderduikers Hein en zijn neef nog niet genoemd waren. Hein was de vriend van Hennie, mijn oudste zus en had de leeftijd voor de ‘Arbeitseinsatz’. Dus moesten ze uit handen van de Duitsers blijven. Zij hadden een verborgen schuilplaats in de bodem van de klerenkast van ons meisjes. Tussen het plafond van de woonkamer. Daar lag een matras voor als ze zich moesten verbergen tijdens de razzia’s, de jacht op jongens. Na de oorlog is de verkering toch verbroken, groot verdriet. Ze hadden al een gezamenlijke spaarrekening! Hoe lang de jongens er waren en wanneer ze zijn weggegaan? Later na de oorlog ging het allemaal thuis natuurlijk heel anders, met ons puberende dochters. Het verslag van mijn herinneringen is nog niet helemaal geworden zoals ik het me voorstelde, het is een proeve van ‘onbekwaamheid’ die nog verbeterd kan worden. – Bij mijn genealogisch onderzoek kwam ik tot de ontstellende ontdekking dat van Felix Magnus (vader van Rita) een zus en twee broers met hun echtgenoten op transport waren gesteld naar Auschwitz-Kattowitz in Polen en bij aankomst direct zijn omgebracht. De grootouders van Louan en Bob zijn ook beiden omgebracht, op 11 november 1943 in Auschwitz. Dit gebeurde meestal direct na aankomst van de trein. Ook de grootouders en een oom van Louan’s vrouw werden in 1942/43 gedood in Auschwitz. En door het bekijken van een andere stamboom kwam ik tot de ontdekking dat de beide families daarin verwantschap hadden!