Berichten

Invloed beleg van Haarlem in Lisse

Het beleg  Haarlem van december 1572 tot juli 1573 heeft ook grote schadelijke gevolgen gehad in Lisse

Door Arie de Koning

2014

Op 11 december 1572 liet de Spaanse legeraanvoerder don Frederik ten noorden, zuiden en westen van de stad Haarlem legerkampen of schansen inrichten en sloeg het beleg om de stad. Haarlem had zich namelijk achter de Prins van Oranje geschaard en de Spanjaarden kwamen orde op zaken stellen.

Bulten de oostelijke stadsmuur van Haarlem lag echter een schiereiland dat moeilijk was af te sluiten door de Spanjaarden. Het was een drassig veenmoeras, een gebied met sloten en dijkjes, totaal ongeschikt om er een schans op te richten. Aan een brief aan zijn baas, de hertog van Alva, de Kapitein-Generaal over de Spaanse troepen in de Nederlanden, verzuchtte don Frederik; “…U moest eens weten wat een moeilijk gebied dit is…“.

Al snel begon de Prins van Oranje vanuit Leiden en zijn legerplaats Sassenheim, hulptransporten naar Haarlem te organiseren. Ook vanuit Hillegom en Lisse werden schepen met voedsel, munitie en hulptroepen de stad ingebracht. Tijdens de winter werden met sleden voorraden naar de stad gebracht, vlak onder de neus van de Spaanse posten. Een Spaanse kapitein meldt mistroostig in een van zijn rapporten; “Vanochtend (24 december 1573 zijn twaalf sleden de stad ingegaan en vanmiddag zijn er negentig uitgerede”. De Haarlemmers gingen de stad in en uit wanneer zij wilden, Ook waren de Spanjaarden totaal overrompeld door het veelvuldige gebruik van de kodde of polsstok waarmee men zich moeiteloos voortbewoog door het moeras en daarbij sloten van wel zes meter breed oversprongen. De Spanjaarden probeerden deze techniek over te nemen. Don Frederik besefte dat beschieten of bestormen van de stad geen soelaas bood en besloot de stad uit te hongeren. Hij liet zand en aarde aanvoeren om ook in het oosten een schans te bouwen en voorzag deze van soldaten en geschut.

Tijdens het beleg van Haarlem werd ook de grote kerk grotendeels verwoest.

Deze Spaanse versterking kreeg de naam “la Goletta”, een verwijzing naar de havenstad La Goletta die Alva in 1535 op de Turkse Sultan Chaireddin Barbarossa had verover. In het zuiden hadden de Hollanders op hun beurt ook versterkingen aangebracht, die weer werden beschoten door het Spaanse geschut wat bijzonder veel schade aanrichtte aan de dorpen in de omtrek. De toenmalige artillerie was nog niet 20 zuiver in zijn schootsveld. Met de plattelands bevolking, overwegend kleine boeren en ambachtslieden, hield niemand rekening, Hun koeien werden geroofd. Hordes wanordelijke huursoldaten, die niet of nauwelijks soldij ontvingen, zwierven door de wijde omgeving. Huizen, boerderijen, molens en kerken werden afgebrand en leeg gestolen en de bewoners werden verkracht en soms op gruwelijke wijze vermoord. Het waren zware tijden. Zowel de Spaanse koning als de prins van Oranje hadden gierend geldgebrek en beide kampen maakten zich schuldig aan deze beestachtigheden. En dan te bedenken dat dit vele jaren zou aanhouden. De Leidse stadssecretaris Jan van Hout heeft in dichtvorm het verhaal opgeschreven van een zekere Bouwe Bouwenszn, een boer uit Lisse, die met afschuw terug kijkt aan deze tijd;

“Mer kijk, ais ik begin te gedenken om myne voorleeden daagen, Soo borst myn hert van druk. Allereerst, doen Haerlem was beleid, zat ik op een schone wooning te Lis, Daar sag ik alle myner beesten ofjaagen van de Papouwen, daarna myne wooning verbranden. O droevigheid: Griet myne dogter, werde verkracht, Ctaes myne soon  gemoort, mer ‘t meeste lijd geschiedde an myn wyf, dat ik sag. Die schelmen vol schande pijnigen my nog om myn geld. Ik nogte ‘t niet, ik heb ‘t er gezeid.

Sij naamen het altermalen weg en bonnen my wel stijf met bande aan ener peerdestaart, Met groot geluk ontkwam ik aan haar hande, ende rake ik ‘t Sassem In ‘t leger..”.

 

Bouwe werd “Paynier”, een soort van geniesoldaat in het leger van de prins van Oranje.

Ook ons Lisse had enorme schade opgelopen op alle gebieden. Gezag ontbrak volkomen en de bevolking leed verschrikkelijk onder de totale anarchie. Ook de landerijen, die zo florissant ieder jaar hun oogsten opbrachten, waren grotendeels verwoest. De pachters van deze boedels waren, zover zij het hadden overleefd, niet in staat de pachtsommen te voldoen aan de meestal stadse eigenaren en zij werden zonder mededogen failliet verklaard. Ook kleinere boeren welke het hadden aangedurfd om grond te kopen werden na de ”troebelingen”, zoals deze ellendige tijd bekend is geworden, failliet verklaard. Wat een persoonlijk leed dit aanrichtte laat zich raden. Dit bood voor anderen, die deze destructieve periode goed hadden doorstaan de mogelijkheden om te investeren, de één zijn dood is de ander zijn brood. Ook in Lisse.

Een weergave van het beleg van Haarlem. foto Wikipedia

 

Boerenhofstede Middelburg of Morschveen vanaf 1579

De geschiedenis van boerderij Middelburg wordt gegeven wat eigenaren en pachters betreft vanaf 1579 tot heden.

2014

Door Arie de Koning

Eindredactie Nico Groen

 

Op 11 december 1572 begon het jarenlange beleg van de stad Haarlem.

Lisse had door het beleg van Haarlem door de Spanjaarden enorme schade opgelopen op alle gebieden. Gezag ontbrak volkomen en de bevolking leed verschrikkelijk onder de totale anarchie. Ook de landerijen, die zo florissant ieder jaar hun oogsten opbrachten, waren grotendeels verwoest. De pachters waren, zover zij het hadden overleefd, niet in staat de pachtsommen te voldoen aan de meestal stadse eigenaren. Zij werden zonder mededogen failliet verklaard. Ook kleinere boeren die het hadden aangedurfd om grond te kopen werden na de ”troebelingen”, zoals deze ellendige tijd bekend is geworden, failliet verklaard. Wat een persoonlijk leed dit aanrichtte laat zich raden. Dit bood voor anderen, die deze destructieve periode goed hadden doorstaan, de mogelijkheden om te investeren. De één zijn dood was de ander zijn brood.

Maerten Ruychaver

Zo was er Maerten Ruychaver, poorter van Haarlem, een welgesteld en vermogend man. Hij was handelaar in buskruit. Hij was diverse malen burgemeester van Haarlem en Hoogheemraad van Rijnland geweest. Hij had goed garen gesponnen tijdens de gevechten rond Haarlem en Leiden. Zijn handel in buskruit was wat wij nu zouden zeggen booming business. Hij was geboren in 1546 als zoon van WilIem Jacobsz Ruychaver, brouwer en schepen van Haarlem, en van Guerte Pouwelsdr van Outschoten. Op 28 oktober 1570 was hij in Hillegom getrouwd met Alyt van der Laen, dochter van Nicolaes van der Laen, de bekende burgemeester van Haarlem. Maerten was eigenaar was van de hofstede Veenenburgh gelegen tussen Hillegom en Lisse. Op eerste kerstdag in 1626 overleed Maerten Ruychaver op zijn hofstede Oostende bij Hillegom.

Maerten begon failliete boedels op te kopen in Lisse. Op l juni 1579 kocht hij 5 morgen land tussen Veenenburgh en het land van Lysbet Jacobsdr van Nyenrode, het huidige bloemtententoonstelling terrein en de wildernissen. Dit land was in eigendom van Willem Jorysz. Deze had in 1563 het land gekocht. Hij was door de gevechten in “desolate toestand” gekomen en hij was failliet verklaard. In 1577 werd het land beschreven als “een hoeksken land en erfjen waar weleer ener huysken op gestaan heeft, leggende In de Banne van Hillegom”. Het faillissement van Willem Jorisz werd zondag 16 februari 1577 in de Kerk van Lisse afgeroepen na het zingen der psalmen en de preek. Kopieën waren te verkrijgen op het stadhuis van Leiden en op de woning van de schout van Lisse. Op 3 maart 1577 werd het land “gearresteerd” en door de schout en schepenen “gesteld in handen van de Koninklijke Majesteit”. Want Philips II was officieel nog steeds graaf van Holland. Hij was dus de wettige landsheer. Op de daarop volgende publieke verkoop werd Maerten Ruychaver eigenaar van het perceel voor 331 gulden. Waar Willem Jorysz was gebleven, vermeldt de geschiedenis niet.

De volgende aankoop van Maerten was weer uit een failliete boedel. Deze was van Cornelis Jans Florysz, alias Ruygeneeltje, getrouwd met Claesje Pouwelsdr, wonende aan de “Heerwech in ‘t dorp Lisse”. Ruygeneeltje bezat onder andere land aan de Quadewech in de Lisserbroek en land in de Morschveen, groot 19 morgen. Ruygeneeltje had zich al diep in de schulden moeten steken en kon niet meer voldoen aan de aflossingen en werd in 1579 failliet verklaard. Deze schulden werden later door Maerten Ruychaver afbetaald. Cornelis Jan Florysz, alias Ruygeneeltje overleed in juni 1584.

De volgende failliete boedel, die Maerten opkoopt, was een perceel van 9 en 1/2 morgen land uit de desolate boedel” van Cornelis Ysbrantsz Rootgen op 13 juli 1584. Dit lag ook in de Morschveen en vormde één geheel met de vorige aankopen.

En als laatste, om de landhonger van Maerten te stillen, was er nog een “…zekere 1 hont lants ofte daaromtrent, bij der hoop, zonder mate met de voet gestoten”. Een klein stukje dat eigendom was van de Duinmeier Jan Gerytsz Hits. Ook dit stukje grensde aan Maertens vorige aankopen en aan het Nijenrode Duin, het huidige bloemtententoonstelling terrein. Op 29 mei 1582 kocht Maerten het voor “de somma van 35 guldenen, d’een helft gereed geld ende dandere helft over een jaar na datum”.

Dit toonde de diepe ellende waarin de boerenstand van Lisse zich na de “troebelingen” bevond. Het dorp zelf was zwaar beschadigd, de kerk beschoten door Spaans en Hollands geschut en deels afgebrand en vele inwoners hadden hun leven of have en goed verloren.

Middelburg

Ruychaver had een boerderij op zijn pas verworven bezit gebouwd. Dat was de geboortedag van de Buitenplaats Middelburg of Morschveen. Na het uiteenvallen van de buitenplaats werd de boerderij naar de buitenplaats vernoemd: “Boerderij Middelburg”. Ook werd de naam gebezigd in latere tijden als “de boerderij van Van Graven” naar de pachter destijds.

Op 17 september 1588 lezen we in de Rechterlijke Archieven van Lisse, dat Maerten Willemsz Ruychaver een woning met ongeveer 30 morgen land, ruim 26 ha, “gelegen in de Hooge Moschveenen te Lisse” heeft verkocht.

Op die dag verscheen voor Jan Reyersz, schout van Lisse en voor Cornelis Pietersz Boursgen en voor Mees Meesz Hoochcamer schepenen van Lisse “De eersaame Maerten Ruychaver, thans woonachtig op de huise van Bergendal te Voorhout“. Hij verkocht aan zijn zwager jonkheer Kapitein Arnoult van Duivenvoorde de woning met 30 morgen land. Ruychaver verklaarde “volkomenlijken vernoegd, voldaan ende wel betaald te zijn, den eersten penninge met den lesten, alles te goeder trouw en onder arg ende bedrog”. Niet vermeld werd wat dat bedrag dan wel was. Maerten Ruychaver verkocht aan zijn zwager “…zekere woning als huis, barg en schuur met ruim 30 morgen land gelegen aan diverse percelen over duin in de Hoge Mosvenen, strekkende van de Nyenrodens duinen af tot achter aan de vaart toe. Alles volgens de oude brieven, belast met 23 st erfhuur meest competerende Nicolaes van der Laen erfgenamen te Haarlem en 12 gulden en 10 st per jaar af te lossen met 200 gulden tbv Jr Johan Nicolaeszn. van Mathenesse” Dit onder overhandiging van de volgende brieven: “Een decreetbrief verleden door het Hof van Holland van 5 morgen land gekomen uit de boedel van Willem Joriszn, groot 12 bladen van 1-6-1579. Een eigendomsbrief van 8 bladen van 18 en 1/2 morgen land gekomen uit de boedel van Cornelis Jan Floriszn Ruygeneel van 28-9-1580 verleden voor de schout van Lisse. Dan nog een waarbrief van 1 en 1/2 hond land gekomen van Jan Gerritszn Hits van 29-5-1582 verleden voor de schout van Lisse. En nog een decreetbrief verleden voor de Baljuw van Rijnland van diverse percelen van landen groot 4 morgen, 2 morgen, 1 en 1/2 morgen en 2 morgen, gekomen uit de boedel van Cornelis IJsbrantszn. Rootgen van 18-7-1584”.

Arnoult van Duivenvoorde was afkomstig uit de adellijke familie van Duivenvoorde en was een zoon van jhr. Adriaen van Duivenvoorde, deken van Dordrecht. Hij werd luitenant-kolonel in het leger van de prins van Oranje, Frederik Hendrik. Hij was getrouwd met de zus van Maerten. Zij heette Geertruyd Ruychaver.

De eigenaar van de Buitenplaats woonde uiteraard niet zelf op de boerderij. Deze werd verpacht. We weten wie deze pachter was uit de rechterlijke Archieven van Lisse. Het was Hendrik Adriaensz Langeveld, afkomstig uit het Langeveld onder Lisse. Hij was getrouwd met Aegie Dircksdr en vijf kinderen zijn bekend: Adriaen, Lenaert, Jan, Cornelis en Aagje. Toen Hendrik overleed in 1612 werd zijn weduwe “bruikster” ofwel pachteres. In 1624 was de pacht overgegaan op Adriaen den Boer uit Noordwijk, die met dochter Aagje op 11 augustus 1619 in Lisse was getrouwd. In 1628 lezen we dat zoon Lenaert Hendriksz Langeveld de nieuwe pachter was geworden.

Jhr. Adriaen van Duivenvoorde, inmiddels kolonel, nam deel aan het beleg van Oostende in 1601 en liep daar de pest op, waaraan hij op 4 juni 1602 overleed. Zijn vrouw Jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde kwam in bezit van de Buitenplaats Middelburg. Zij trouwde in 1618 met jhr. Jacob van Thienen. Hij was Meesterknaap, ridder van Holland en West-Friesland en schout van Grootebroek.

Dan, op 7 februari 1633 was er weer nieuws over Mosveen. Jhr. Jacob van Thienen, “als man en voogd over Jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde” had, na een openbare veiling “de Buitenplaats Mosveen te Lisse aan Geryth Jacobsz Hulft” verkocht. Deze was woonachtig te Haarlem.

Het bezit werd beschreven als: “….zekere woninge, huijs, bargen, schuijren, potinge ende beplantingen met sijnen heintuinen ende boomgaarden, geleegen in den Ambagte van Lisse in de Hoochmosse Veenen, tesamen groot omtrent 29 morgen toegemaakt land behalve 4 morgen daaromtrent niet toegemaakt sijnde”. Al het land is: “bij den andere geleegen en in pacht bij Lenaert Hendricxz tot Langeveld”. De koopprijs was 10500 gulden te betalen in drie termijnen telkens op de eerste mei. Bijzonderheid bij deze verkoop was dat Geryth Jacobsz Hulft van katholieke gezindheid was.

Geryth Jacobsz Hulft kocht steeds meer land in Lisse. Op 10 april 1634 verschenen voor “..de schout van Lisse, Adriaen van Gorcum, Jonkvrouwe Elisabeth van Duivenvoorde, wonende te ‘s Gravenhage, geassisteerd met jonker Gijsbert van Duivenvoorde, haar broeder”. Zij verkochten via Jan Hendricxz van Langeveld aan Gerrit Jacobsz Hulft, een stuk land in de Lisserbroek, “genaamd de Breede Boecamp”.

Een jaar later, op 23 maart 1635, verkocht Adriaen Adriaensz den Boer, woonachtig in Noordwijk en familie van Jan en Lenaert Langeveld een Loosterkamp in de polder van de Mosvenen, groot 2 morgen grenzend aan het land van koper Hulft. Adriaen den Boer zou het Loosterkamp voor tien jaar huren voor 60 gulden per jaar en de pachtsom aan niemand anders dan aan Lenaert Hendricxz vermogen over te doen. Lenaert was zoals bekend zijn zwager.

Frans Barentsz Cousebant

Ook imperialisten hebben last van vergankelijkheid, zoals ook Geryth Jacobsz Hulft. Hij overleed. Uit zijn huwelijk met Haesghen Willemsdr van Foreest, was een dochter geboren, Adriana. Zij was getrouwd met de puissant rijke, katholieke Haarlemse brouwer Frans Barentsz Cousebant, weduwnaar van Wyve Cornlisdr van Rijck. Hij was een zoon van Barent Wiggertsz en Magdalena Adriaensdr Kies van Wissen, die beiden in oktober 1603 aan de pest waren overleden. Deze ziekte maakte geen onderscheid tussen arm of rijk. Men zou Frans Barentsz Cousebant kunnen zien als de rijkste man van Haarlem. Door zijn huwelijk met Adriana Gerritsdr Hulft kwam Middelburg in handen van de familie Cousebant. Of het prettig wonen is geweest, is maar de vraag, want buurman Cornelis van Sypestein was een zeer onaangenaam mens waar de familie Cousebant heel wat mee te stellen heeft gehad. Maar dat een andere keer.

Ook werd ondertussen een aanvang gemaakt met de aankoop van land voor de aanleg van de Trekvaart van Leiden naar Haarlem. Cousebant verkocht 345 roeden land Hij ontving hiervoor van de stad Haarlem 207 gulden en 6 stuivers.

Op 20 november 1689 overleed Adriana (van der) Hulft. Reeds op 30 juni 1676 had zij, ziek te bed liggende, haar testament opgemaakt. Haar man Frans Cousebant, was al in juni 1667 overleden, maar de buitenplaats Middelburg behoorde aan haar. Van de onroerende goederen werden bij de “schiftinge, scheidinge en delinge” vijf loten gemaakt; voor elk van haar zoons één.

Lot nummer B was de “Woning tot Lisse en ‘n obligatie” samen 12.000 gulden.

De woning te Lisse, Middelburg dus, werd nauwkeurig omschreven als: “Een woninge met de landen daarbij gebruikt, alsmede het Heerschaps Huijs ende boomgaard gelegen tot Lisse”. De boerderij was voor 400 gulden per jaar verhuurd aan de weduwe Jan Claesse van den Helder.

Het woord “Heerschapshuis” wijst erop, dat het thans meer was dan een boerderij alleen. Waarschijnlijk was er tegen de voorzijde van de oude boerderij een nieuw gebouw gezet. Zomers kwam de eigenaar, het Heerschap dus, uit de stad met gezin lekker buiten wonen aan de voorzijde van de woning, terwijl de pachter het achterhuis en zijn boeren bedoening had.

Ik weet niet of er een vrouwelijke vorm van heerschap bestaat, maar Adriana weduwe Cousebant was eigenaresse van Middelburg. Zij had tot executeur-testamentair haar zoon Josephus benoemd, maar dat bleek een abuis. In haar testament lezen we: “Het is mijn wil dat het zal zijn Gerardus Cousebant”. En zo gebeurde het.

Lot nummer B, waartoe dit alles behoorde, werd getrokken door Josephus Cousebant. Hij was priester. Door het trekken van dit lot was de geestelijke Josephus Cousebant, zoon van Frans Barentsz Cousebant, dus heerschap geworden van de buitenplaats Morsveen of Middelburg in. Lisse. Josephus werd in juni 1633 in Haarlem geboren. Op 12-jarige leeftijd ging hij met zijn broer Gerardus naar Frankrijk. Daar werd hij opgenomen voor academisch onderwijs bij l’Académi Royale in het dorp Juilly. In 1651 en 1652 studeerde hij wijsbegeerte en theologie aan de Universiteit van Parijs. Hij promoveerde en ontving tevens zijn priesterwijding. Bovendien benoemde de Franse koning Lodewijk XIV hem op 19 juni 1662 tot zijn “conseiller et aulmosier”. Men zou denken dat zijn kostje daar gekocht was. Een glanzende carrière lag in het verschiet en ieder ander had alvast zijn naam verfranst in “Jarretière”. Op 21 juli 1682 keerde hij echter weer terug naar Haarlem en sloot zich aan bij de Hollandse Zending. Hij was bekend als een eerlijk toegewijd priester. Dat was een zeldzaamheid in die tijd. Hoeveel oog hij had voor misstanden en armoede blijkt uit het feit dat hij in 1667 “de Broederschap ter verlossing der slaven” heeft opgericht. Dit was juist in de jaren dat vele Hollandse kooplieden zich juist met diezelfde slavenhandel schandalig verrijkten. Hij werd Pro Vicaris van Haarlem.

Het was deze bescheiden pastoor Josephus Cousebant, die van 1690 tot aan zijn dood op 12 april 1695 eigenaar van Morsveen te Lisse was. Geen enkel archiefstuk herinnert aan deze beminnelijke man en toch zal hij veel in Lisse zijn geweest. Aan het Mallegat in het Pastoorshuis bij de schuilkerk aldaar, woonde een vriend en geestverwant van hem, Joannes van der Werve, pastoor te Lisse. Deze was een even beminnelijk man als hijzelf. Pastoor van der Werve overleed op 13-06-1697 in Lisse.

Executeurs-testamentair van Josephus waren zijn jongere broers Jodocus en Frederik Cousebant. Door het graven van de Trekvaart was een deel van het land van Cousebant afgesneden en lag ten westen van de Trekvaart. De buurman Sypestyn had oostelijk van de vaart nog bezit. Er werd door de executeurs-testamentair en door Andreas van Sypesteyn een ruil met gesloten portemonnee gedaan. Het land van Middelburg of Morsveen loopt nu in rechte baan van de Loosterweg tot aan de Trekvaart en dat is heden ten dage nog het geval.

Josephus Cousebant werd in Lisse opgevolgd door zijn jongere broer Jodocus. Deze was in 1676 gehuwd met Maria Adriana Crucius, dochter van Adriaen Crucius, lakenkoper in Haarlem, en Maria Keyser. Zij was reeds weduwe van Arent van Gouthoven. Het huwelijk heeft niet lang geduurd. Zij overleed al na 6 jaar in 1682.

Op 20 april 1701 werd een overeenkomst opgesteld tussen een aantal partijen, o.a. Pieter Dierquens, heer van Veenenburgh en baljuw van Noordwijkerhout, Hendrick van Hoven, heer van Keukenhof en Jodocus Cousebant, heer van Middelburg. Daarin verplichtten zij zich om de Buurweg, de latere Loosterweg-noord, recht te trekken, te egaliseren en met fraaie gewassen te beplanten. Dit werd inderdaad uitgevoerd. Jodocus Cousebant overleed in 1709.

Tijdens het korte huwelijk van Jodocus Cousebant en Maria Adriana Crucius was hun enige zoon geboren op 20 januari 1682 in Haarlem, genaamd Adrianus Franciscus Cousebant. Hij trouwde in 1707 in ‘s Gravenhage met Maria Catharina Emonds, dochter van mr. Pieter Emonds, advocaat van het Hof van Holland en van Adriana Dymphna van Beeck.

Op zijn bruiloft kreeg de bruidegom als gift van zijn vader Jodocus de buitenplaats Middelburg. Middelburg had dus een nieuwe eigenaar. De hofstede en boerenwoning bleken nu verpacht te zijn aan Jan Jacobsz Naardenburg en wel voor 500 gulden per jaar, jaarlijks te betalen op 18 oktober. Deze datum viel samen met de jaarlijkse Haarlemse “Lucasmarkt”, sinds de middeleeuwen een vaste datum waarop termijn betalingen moesten worden betaald. Adriaen Francois Cousebant trad niet veel in het nieuws.

Op 29 november 1719, “des avonds de klok omtrent zeven ure”, maakte Adriaen Francois Cousebant, ten overstaan van notaris Jan Barnevelt te Beverwijk, zijn testament op. Niet dat hij oud, zwak of ziek was, maar hij was van plan een reis naar Frankrijk te maken. Ingegeven door “de broosheid des levens” wenste hij zijn testament te maken.

Hij reisde alleen met zijn “valet” (bediende) en benoemde zijn vrouw tot eventuele voogdes over hun minderjarige zoon Franciscus Bernardus. Later schreef hij nog in sierlijke letters nog zelf toe in het testament: “Mijn plaats op de Schillque (hofstede Breeland in de Zilk) wil ik niet verkocht hebben, want dat moet blijven tot uw en mijn zoons plezier”. Hij had het goed voor met vrouw en kind.

Op 9 juni 1722 verscheen voor de schout en schepenen van Lisse “den heer Adriaan Francoijs Cousebant”. Hij verklaarde aan de heren Nicolaas en Pieter Tiark, Tjarck of Tjark te Leiden verkocht te hebben “een woninge met omtrent 32 morgen 10 roeden land te Lisse”, waarbij inbegrepen “een groter en een kleiner bos”. Hierbij was ook inbegrepen een huis met een lapje grond aan de Leidse Vaart en een Loosterkamp en de Breede Boecamp gelegen in de Lisserbroek. Alles tezamen voor “8000 gulden in gereed geld”. Pachter op Morsveen was nu Jacob Jansz Naardenburg die zijn vader had opgevolgd als boer op de boerderij. We lezen in het archief dat Jacob op 19 mei 1717 in de katholieke schuilkerk aan het Mallegat met Wijntje Maertensdr van der Meer in het huwelijk was getreden. Jacob Naardenburg wer niet oud. Op 7 november 1738 overleed hij in Lisse en Wijntje werd zelf pachteres en bouwvrouw”. Er zijn vier kinderen van hun bekend: Jan, Maarten, Willempje en Maria. Op 8 juni 1745 hertrouwde zij met de welgestelde Warrebout Jurriaensz Vreeburg. Wijntje was zijn vierde vrouw. Vreeburg was niet alleen een groot vrouwenliefhebber maar ook een groot grondbezitter en had overal in Lisse bezittingen. Hij overleed drie jaar later op 29 mei 1748 en was Wijntje voor de tweede maal weduwe.

Het zg “Heerschapshuis” wat aan de boerderij was gebouwd was klaarblijkelijk weer geheel opgenomen in de boerderij. Dat is te lezen in het Quohier van den verpondingen. De Heren Tiark resideerden in de nabijgelegen buitenplaats Middelburg. Op de “boereplaats” van de heren Tiark werd regelmatig vee en hout uit de bossen van Mosveen verkocht. Zo ook op 9 maart 1728 toen er “koebeesten” verkocht werden. Aardig om te weten is dat in 1728 een koe ongeveer 26 tot 34 gulden opbracht volgens het Oud Rechterlijk Archief van Lisse.

Op 4 oktober 1745 was mr. Pieter Tiark in Leiden overleden, 49 jaar oud. Mr. Nicolaas Tiark, met wie Pieter het buiten Middelburg had gekocht werd niet meer genoemd als eigenaar. In zijn testament dat op 20 april 1750 werd uitgevoerd, kunnen we lezen over de inventaris van “Hofstede Middelburg met woning en 73 morgen en 200 roe lands”. Middelburg was door enige aankopen dus flink groter geworden.

Mr. Pieter Tiark had twee dochters. De oudste, Petronella Geertruyd overleed op 1749 op Middelburg. De jongste Maria Jacoba Johanna Tiark erfde dus het gehele bezit van haar vader. Zij trouwde in april 1750 in Leiden met Jean Baptist Francois George, graaf van Oultremont de Warfusée. Maar omdat het jonge paar zich toch niet in deze omgeving vestigde, trachtten ze zich van hun bezit in Lisse te ontdoen.

In ‘De ‘s Graevenhaegse Woensdagse Courant’ van 14 November 1753 werd Morsveen aangeprezen als “… een voorname Huysmans-woninge, voorzien met een zeer bekwame schuur, huizine, bargen, stallinge voor diverse beesten, en voorts alle ‘t gene tot een wel geconditioneerde huismans-woninge behoort…etc”.

Van een verkoop was echter niets terecht gekomen, Wel werd er een jaar later “Boelhuis” gehouden. Op 17 april 1754 werden voor schout en schepenen van Lisse koeien, jong vee, paarden, schapen en varkens, bouwgereedschap en verdere goederen verkocht. De publieke verkoop bracht bijna 3200 gulden op. Pachter Naardenburg was niet meer op Morsveen. Hij werd in dat zelfde jaar in 1754 pachter op Nieuw Zandvliet aan de tegenwoordige Stationsweg. Nieuwe pachter op Morsveen was de jonge Wouter Pietersz van der Swet, geboren In Noordwijkerhout en zoon van Pieter Cornelisz van der Swet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt. Wouter van der Swet trouwde op 23 november 1755 in Hillegom met Aagje Joostendr van Diest, geboren in Hillegom. Wouter bleef tot zijn dood in 1806 pachter en boer op Morsveen.

Op 27 april 1781 was het er dan toch van komen. Schout van Lisse, Jacobus van Lutsenburg, vergezeld door schepenen Jeremias Rouwens en Jan Hits, ontvingen de heren Willem Pietersz van Egmond en Xavier Gerritsz van der Hout. Zij waren procuratiehouders van Maria Jacoba Johanna Tiark. Zij deelden de bestuurders van Lisse mee dat “op 20 april 1781 in het Heerenlogement aan den Burg binnen Leiden, de buitenplaats Middelburg is verkocht aan de heer Egbert Bosch te Amsterdam, in gerede en contante gelden, alles zonder archlist of bedrog”.

Egbert Bosch was geboren in Amsterdam op 25 juni 1721 als zoon van Arent Bosch en Aletta Thesingh. Hij was een welgesteld man, doopsgezind, en verstokt vrijgezel. In Lisse bezat hij reeds de hofstede Voorburg aan de westzijde van de Trekvaart waar hij ‘s zomers graag vertoefde. Gerekend naar zijn geboortedatum in het doopsgezinde doopboek van de kerk ‘t Lam in Amsterdam was hij dus al zestig jaar toen hij Middelburg kocht. Egbert Bosch overleed op 2 mei 1788 in zijn riante woning aan de Keizersgracht in Amsterdam. Hij was toen al geen eigenaar meer van Middelburg. Op 11 december 1783 verscheen voor schout en schepenen van Lisse de heer Ysbrand van Watering, “Meester Metselaar alhier, procuratie hebbende van den Wel Ed. Geb, Heer Egbert Bosch”. Hij had de buitenplaats Middelburg en de boerderij voor 8000 gulden verkocht aan “den Wel Edele Gestrenge heer Matthijs Ooster, Heer van Meygisfelden in Holstein, koopman, assuradeur, commissaris en schepen te Amsterdam”. Verder was deze Matthijs regent van het Leprozenhuis en directeur van de Levantse Handel. Ook was hij sinds 1781 eigenaar van de buitenplaats Santvliet te Lisse. Hij was geboren op 28 oktober 1747 in Amsterdam als zoon van Matthijs Ooster en Maria Cornelia Quenlon. Hij had dus als 33 jarige al aardig zijn zakken weten te vullen. Hij trouwde met Clara Hillegonda Hooft die hem drie kinderen schonk, die allen jong overleden. Matthijs overleed in 1842 in Utrecht op 94 jarige leeftijd.

Samengaan van Middelburg en Keukenhof

Op 14 mei 1797 verkocht Matthijs Ooster Middelburg aan Lucas Jan Michielsz Boon, koopman te Rotterdam voor de somma van 8000 gulden contant en een “custingbrief” van 5000 gulden. Lucas Boon, was geboren in Delft als zoon van Johan Michiel Boon, luthers predikant, en Johanna Adriana Swijggelman. Hij werd gedoopt op 4 juni 1758 in de Lutherse kerk te Delft. Hij was niet voor niets koopman en hij ontdeed zich zo snel mogelijk weer van zijn pas verworven bezit. Hij had daartoe zijn zwager, Jan Bartholomeus Snellen, gemachtigd. Op 22 april 1800 vond in het Rechthuis van Lisse (Witte Zwaan) de openbare verkoop van Middelburg plaats. Na veel geharrewar werd de koper uiteindelijk Simon Petrus Joosten, commissionair uit Amsterdam, die Middelburg kocht voor 10.200 gulden. Een pikant detail was dat Simon weduwnaar was van Sara van Hoboken, jongste dochter van Abraham van Hoboken en Anna Scheltes. Anna was na het overlijden van haar dochter in 1807 eigenares van Keukenhof geworden. Toen zij op 2 juli 1808 in haar huis aan de Keizersgracht overleed, was Simon Petrus Joosten zowel eigenaar van Middelburg als van Keukenhof!

Dat Simon Petrus ook nog pretenties in de poëzie had blijkt uit een gedicht dat hij maakte ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter Alida Sebilla met Hendrik Sleebes. Daarin ging overigens de hele familie Joosten zich te buiten “aan Huwelijksche Gezangen”. Hij liet dit in een boekje optekenen.

De Franse tijd was een onzekere tijd. Simon neemt het zekere voor het onzekere en doet zowel Keukenhof als Middelburg in de verkoop. Grote aanplakbiljetten prijzen het goed en onder punt zes kunnen we lezen:

“…Ene capitale en weldoortimmerde huismanswoninge, gelegen aan de Loosterweg, genaamd Middelburg, voorzien van ene stallinge voor 30 stuks hoornvee en 3 paarden met deselfs dorsvloer, ruime schuiringe, zomerhuis, wagenhuis, karnmolen, capitale kelder en varkenshokken. Twee vijf roeden hooibergen, ruime werf met opgaande bomen, een boomgaard mitsgaders met een strook bos halverwege de Loosterweg van de woninge halversloot tot aan de scheidinge van ‘t bos aan de brugge met ende beneffens de daarbij gehorende nombre van 30 morgen, 150 roeden allerbest wei hooi en boslanden als één partij groot 25 morgen en 450 roeden geleegen bij, aan en omme de woning,..”.

En dan te bedenken dat het hier alleen om Middelburg ging. Keukenhof en de resten van Zandvliet vielen onder andere punten op het aanplakbiljet. Vrijwel de gehele polder van de Hooge Morsvenen was opgenomen in het landgoed Keukenhof.

Op 2 november 1806 was Wouter van de Zwet, pachter en boer op Middelburg overleden. Wouter had maar één zoon, die als zijn opvolger in aanmerking kwam, Simon van der Zwet. Maar deze was reeds boer op “Lammetje Groen” . Er was voor Middelburg dus geen opvolger. Dus werd er op 9 april 1807 een “Boereboelhuis” gehouden, Wat dit opbracht weten we niet ,want daar zijn helaas geen rechterlijke archieven van bewaard gebleven. Vast staat dat de nieuwe pachter, boer Jacob Leenslag werd.

Jacob Leenslag was gedoopt op 13 mei 1781 In de Gereformeerde Kerk in Hattem als zoon van Hendrick Leenslag en Barbera Jacobsdr Swaanepol. Jacob Leenslag overleed op 27 maart 1860 in Sassenheim. Hij was getrouwd met Willemijntje van Broekhuizen geboren in Leiden, Zij overleed op 30 mei 1823 in Sassenheim. Zij schonk hem twee zonen, Hendrik en Willem. Een boerin was absoluut noodzakelijk op een boerderij dus Jacob hertrouwde op 4 april 1824 in Sassenheim met Haasje Magdalena van Leeuwen, geboren op de Kaag.

Zoals gezegd was het volop Franse Tijd: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap werd alom verkondigd. Van de gelijkheid kwam eigenlijk vanaf het begin niets terecht. Er waren mensen die veel gelijker waren dan anderen. In deze tijd werden veel landerijen in kleine stukjes verkocht; je kon niet weten. Buitenplaatsen raakten in verval door gebrek aan onderhoud en de schitterend aangelegde tuinen werden vernietigd. Te vrezen was dat Keukenhof ook zou verloederen.

Mr. Johan Steengracht van Oostcapelle

Maar op de heugelijke dag 2 oktober 1809, of moet ik zeggen op de 2e van de Wijnmaand, werd Keukenhof met alles wat daartoe behoorde, dus ook Middelburg, gekocht door jhr. Mr. Johan Steengracht van Oostcapelle. Hij was geboren in 1782 in ‘s Gravenhage en overleed In 1846. Door deze verkoop maakte de Keukenhof een stap in de richting van het adeldom en kwam een einde aan Amsterdams burgerdom.

Direct begon Steengracht zijn bezittingen uit te breiden. Het was weliswaar een moeilijke tijd maar geld scheen bij hem geen rol te spelen. In 1820 kocht hij de Klopperslanden, een stuk wei of hooiland dat geheel omgeven werd door zijn land. De weg daarna toe, het Klopperslaantje was al in 1783 door Keukenhof aangekocht. Een strook bos van 2 morgen was toen gekocht door Arij van der Zaal, timmermansbaas binnen ‘t Vierkant te Lisse. Keukenhof moest ook hem recht van overpad geven op het Klopperslaantje. In de bepalingen werd beschreven wat voor soort overpad werd bedoeld. Er werd gesproken over wagens, paarden, hout, hooi of te voet. Maar ook vlas stond er onopvallend bij. Het betrof hier het “rauwvlas”, dat in augustus vanaf de Zuid Hollandse eilanden en uit Zeeland aankwam in de Gracht te Lisse. Deze werden vervoerd naar de Klopperslanden om te worden “geroot” in de sloten en beken aldaar. Daarna werd het in “kapellen” op het land gezet om te drogen. De stank die hier van af kwam, verjaagde zelfs de waterratten en de Lisser koeien stonden met de kont in de wind. Dus voor de omliggende buitenplaatsen was het ook geen pretje. Eigenaar Steengracht kon dus niet het eeuwig gegeven recht van overpad intrekken, want dat was juridisch niet mogelijk.

De pachter op Middelburg in deze tijd was Maarten van der Vlugt, geboren in 1770 in Voorschoten, Zijn vrouw Keetje Veldhoven was in Stompwijk geboren in 1777. Toen haar man op 3 april 1830 overleed werd zijn vrouw bouwvrouw. Na haar overlijden op 18 oktober 1835 nam zoon Arend de pacht van zijn moeder over. Op l mei 1836 trouwde hij met Jannetje van Graven, dochter van Ceel van Graven en Clara van Bourgonje. Hij was pachter van Nieuw Zandvliet. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren Arie, Selis en Clara. Selis volgde zijn vader op als pachter boer van Middelburg. Hij was geboren op 9 oktober 1843 in Lisse. In 1877 trouwde hij met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Daarna volgden leden van de familie van Graven de familie van der Vlugt op. Selis had namelijk een eigen boerderij gekocht in Voorhout.

In 1846 nam dochter Jonkvrouwe Cecile Marie Steengracht het landgoed van haar vader over. Zij trouwde met Carel Anne, baron van Pallandt. Cecile Marie overleed in 1899 waarna haar dochter Cornelia Johanna van Pallandt, geboren op 4 maart 1840 in ’s Gravenhage, eigenaresse werd van Keukenhof en Middelburg. Zij trouwde op 10 oktober 1861 In Lisse met Jan Carel Elias, graaf van Lijnden. De volgende eigenaar was Jan Maurits Dideric, graaf van Lijnden en als laatste in de rij weer een Jan Carel, graaf van Lijnden.

©Arie de Koning 2014

Boerderij Middelburg in 2014

KIND IN DE TWEEDE WERELD OORLOG, deel 2

Mevrouw Baltes vertelt over de mensen die haar ouders in de 2e wereldoorlog verborgen hielden in hun huis aan ‘t Vierkant.

Door Coby Baltes

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Hoofdstuk 3

Louan was de volgende kleine die bij ons kwam wonen, geboren 15 maart 1943. Nou dat was feest, we kregen een broertje. Ook zijn grote broer en later hun ouders, kwamen bij ons inwonen, in de zijkamer, recht tegenover het hotel. Maar zoals gezegd, ze leken familie. Alleen met dolle dinsdag (?) was er een hachelijk moment, toen werd er aangebeld door de moffen, ze moesten de meisjes hebben, maar hoe weet ik niet, vader heeft ze afgepoeierd, misschien dat we te jong waren. Eens, toen de Duitsers fi etsen zochten in ons huis, werd door hen door de kamerdeur naar binnen gekeken. Oom ‘Mau’ en ‘Bob’ zaten met de rug naar de kamerdeur. Oom ‘Mau’ was aan het bonnen plakken voor mijn vader en ‘Bob’ en ik waren aan het fi guurzagen. Mooie dingen hebben we toen gemaakt, o.a. een staande schemerlamp in de vorm van een lantaarn. Goedkeurend gemompel van de soldaat die om het hoekje van de deur keek en hij vertrok. Dit voorval staat echt gegrift in mijn geheugen. Schrik! En rustig doorgaan. Ook kregen we van mijn vader ‘Pa’ ‘pertinax’ plaatjes in plaats van triplex, etalagemateriaal, maar die gaven nogal veel stof, door het materiaal of de lak. Dit fi guurzagen gebeurde in de zomer op de plaats waar de haard in de winter stond, want Bob mocht niet naar buiten. We hebben het wel één keer gedaan, helemaal naar de Haarlemmermeerpolder, naar Lisserbroek waar mijn schoolvriendinnetje, Annie Clemens, woonde en waar het ‘veilig’ was. Ze hadden een grote boerderij beneden onder aan de dijk. Ik vraag me af of Bob het nog weet. Ja, ik heb nog steeds jaarlijks contact, per kaart, soms telefoon. Toen Louan weer eens een titel behaalde werden we ook uitgenodigd. Hij is Mr. Dr. in juridisch recht. Bob is 7 maanden ouder dan ik. Ook bij hun huwelijk en als de kinderen geboren werden, kregen we een uitnodiging. Vergeten zullen ze ons nooit. Iedere keer weer herinneren ze alle genodigden aan het feit, dat mijn ouders dit allemaal mogelijk hebben gemaakt. Eigenlijk ben ik er heel trots op dat mijn ouders zo blijvend geprezen worden, maar ik heb er zelf niets aan gedaan. Het was in mijn ogen toch wel een gezellige tijd. Al vond ik wel dat zijn vader erg streng was.
Hier tussendoor hebben we ook nog een jonge jongen van ongeveer 17 jaar in huis gehad. Aad was onnoemelijk nerveus en werd geplaagd door mijn derde zus. Hij is maar een paar dagen gebleven, moeder kon het niet aan en hij ook niet! Ook weet Bob zich nog te herinneren, dat we een pianist, Palermo, een paar weken hebben gehad. Die speelde prachtig op de piano. Nu ik het zo opschrijf besef ik dat mijn moeder het toch wel heel druk heeft gehad in die tijd. De oudste zus had ook een zware taak. Zij moest meehelpen in de huishouding. In die tijd waren ook nog de scholen gevorderd door de bezetters en kregen we halve dagen les in een patronaatsgebouw. Dus in die tijd waren we gemiddeld meer thuis, dan voorheen.

Mau en tante Rosette waren een lange tijd bij ons. Louan is ook een poosje bij een ander ondergebracht geweest, maar waarom dat was weet ik niet. (Er was iemand loslippig geweest en we werden gewaarschuwd!) Tante Rosette, zijn moeder, was heel lief en zachtaardig. Na de oorlog hebben we kennis gemaakt met de overgebleven familieleden. En samen met ‘Bob’ en zijn nichtje kennisgemaakt met Amsterdam, rond de Van Baerlestraat. Wat een belevenis!

Hoofdstuk 4

Ja, er zat in die tijd ook een dochter van een NSB-er op school. Maar dat was bekend en vreemd genoeg heb ik het verhaal van onze onderduikers alleen aan mijn vriendinnetje Annie verteld, die er nooit met iemand over gesproken heeft. Het is ook mogelijk, dat onze ouders contact hadden – of dat ze klant waren van vader. Ook kregen we in de oorlog wel fruit uit Limburg toegestuurd! Van de ouders van Rita. (Het zuiden was in 1944 bevrijd!). Van de boerderij van mijn vriendin Annie ook wel. Dat zijn dingen, die je jezelf nu realiseert, maar niet zeker weet. Dat ging buiten je om, als kind. Wel kan ik me herinneren, dat ik een paar maal mee geweest ben met mijn twee oudere zusjes, om via de botenwerf van Akerboom naar de overkant te varen om melk te halen bij een boer in de Poelpolder, een klant van vader. Dat was veiliger, over water, dan over de weg, dit werd niet opgemerkt tijdens bootje varen met een roeiboot bij Mientje, ook een vriendinnetje, één meisje tussen allemaal jongens. Ze was meestal bij haar ‘vrijgezelle’ tante, die was thuisnaaister voor een handschoenenatelier ‘Laimböck’, prachtig werk, helemaal handgemaakt. Naar huis mocht ik zelden een vriendinnetje meenemen. Alleen Annie Clemens van de boerderij. Achteraf natuurlijk heel logisch.
Gaarkeuken / hongerwinter / watersoep/ pap met heel veel suiker, voorzichtig lopen, dan kon de suiker eruit geschept worden! Ondervoeding / tulpenbollen, alleen ik werd er ziek van en voor de anderen was het heerlijk eten, net als een konijn dat gebracht werd zonder kop. Konijn? Ook een keer mee geweest om hout te hakken in het bos van de Graaf van Lynden van de Keukenhof. Op de uitkijk moest ik staan met José, om te kijken of er iemand aankwam. Het zagen werd natuurlijk gehoord en toen kwam, niet vanaf de weg maar vanuit het bos, politie te paard aangereden en sprak op barse toon mijn vader aan. Hij moest wijzer zijn en zou er nog wel van horen. Wij natuurlijk, met twee onderduikers, jonge jongens, erg onder de indruk naar huis. De volgende dag werd vader opgebeld. Hij kon dezelfde week naar de houtvester ‘op het Hoogje’ gaan en wie schetst zijn verbazing, de boom lag klaar gezaagd om mee te nemen in de bakfi ets. Meerdere malen heen geweest. Dat was dus een ‘goeie’ politieman. Jammer dat je te jong bent om het te beseffen, maar voor ons kinderen wel een teken, dat vader niets verkeerd had gedaan. Hij werd beloond. In 1943 waren er de transporten van joodse mensen via Eysden in Limburg, waar oom Paul, de oudste broer van mijn moeder, douanier was. Hij wilde schreeuwen naar de Duitsers, dat het zo niet kon, maar hij werd tegengehouden door zijn collega’s met de hand op zijn mond. Drie maanden later stierf hij aan keelkanker. Zijn gezin met zes kinderen bleef achter. Dan oom Bernard een andere broer van moeder. Die was chauffeur/ tuinman op een buitenplaats van mensen die naar Engeland waren gevlucht. Seyss-Inquart vorderde het kasteeltje en Bernard kon blijven in een woning boven de garage. Oom Bernard had een gezin met heel veel kinderen. Heel erg arm. Toen de Duitsers in alle haast, dolle dinsdag o.i.d. vertrokken, kon hij mee naar Gronau en heeft daar een paar jaar gewoond en weer kinderen gekregen. Moeder is er een keer heen geweest omdat ze peettante werd van een meisje.
De tweede zoon van oom Paul is daar ook nog geweest (hij had de leeftijd voor de Arbeitseinsatz). Verplicht te werk gesteld voor de Duitsers, dus maar naar oom Bernard in Gronau. Maar hij is daar ook al eerder bij hem vandaan gevlucht en heeft bij ons aangeklopt voor een poosje. Na de oorlog kwam oom Bernard bij ons aan om onderdak met allemaal bedplassende kinderen. Op zolder. Dat was foei! “Als we joden konden laten onderduiken, dan konden we toch zeker ook hen wel hebben?”
Op 8 maart 1945 was er de aanslag op Rauter en werd oom Han gefusilleerd. Hij was de jongste broer van mijn moeder en hovenier/ rozenkweker. Hij werkte als onderaannemer voor de fa. Kruk in IJmuiden, om de bunkers te beplanten. Hiermee kon hij uit de Arbeitseinsatz blijven en ook mensen uit Duitsland houden. Van horen zeggen thuis: de kapelaan van zijn parochiekerk kwam vragen of hij een man kon aannemen om hem uit Duitsland te houden, maar oom Han weigerde omdat hij de man niet vertrouwde. Nogmaals geprobeerd, maar hij bleef weigeren. Vóór 12 februari 1945 kreeg hij een inval van de Sicherheitsdienst in zijn huis en werden alle papieren en geld meegenomen. Zijn chauffeur had zich ziek gemeld! Hij, de jongste broer van mijn moeder, werd vastgehouden op het politiebureau in Santpoort. Mijn op één na oudste zus Jopie was toen 17 jaar en ging op de fi ets naar tante Jo op bezoek. Toen zij Santpoort binnen reed zag zij juist dat oom Han, op 12 februari, achter in een auto werd weggevoerd. Hij bleek naar de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam te zijn gebracht. Waar hij zonder vorm van proces, op 8 maart 1945 uit zijn cel werd gehaald en doodgeschoten. Zijn vrouw was van hun tweede kindje in verwachting. Zijn zoon werd geboren juni 1945. Indertijd had hij, oom Han, nog gezorgd dat mijn moeder papieren kreeg om op reis te gaan met Rita (1943) om haar ouders te bezoeken. Vader kreeg, bleek heel veel later, een Ausweis van oom Han om hem te bezoeken. [is nu in het bezit van de Vereniging Oud Lisse]. De bedoeling was om gegevens te verzamelen en door te geven aan de ondergrondse. Hij had daar natuurlijk contacten mee door onze huisgenoten.
Voor de oorlog hadden wij een meisje in de huishouding. Haar pink kon ze niet buigen, maar ze had prachtig mooi zwart krullend haar. Na de oorlog werd ze met vele andere meisjes kaalgeschoren en kreeg ze oranje verf, menie, op haar hoofd. Op het schoolplein van de Christelijke school in de Schoolstraat en om het schoolhek stonden allemaal mensen te kijken en te roepen. Dat heb ik toen heel erg gevonden en ben naar huis gegaan.

Later, veel later kwam het geheel weer boven: mijn jongste dochter mocht bruidsmeisje zijn bij een schooljuf. Haar moeder was zo’n meisje dat met een NSB-jongen trouwde, zeer tegen de zin van haar ouders. De ouders werden gedwongen toestemming te geven! Dochter 17 jaar! De jongen werd meteen na zijn huwelijk ingelijfd in het Duitse leger en overgeplaatst naar Duitsland en ingezet tegen de Russen (omgekomen). Het kindje werd geboren in Duitsland en kind en moeder kwamen weer terug naar de ouders. Na de oorlog werd het meisje geplaatst in een kindertehuis in Zandvoort – vreselijk. Ze werd ook kaal geschoren en moeder werd verplicht heropgevoed in Vught. Het meisje is ongeveer 70 jaar, maar het is nog steeds een vreselijke herinnering voor haar en wat kon zij er aan doen? Zij is niet meer in Nederland. Als ze overkomt is ze weer weg vóór 5 mei. Ik heb er moeite mee gehad, moet ik eerlijk bekennen, of ik het wel kon maken om mijn jongste dochtertje haar bruidsmeisje te laten zijn. Maar het gebeurde niet in ons dorp en heb ik er thuis niets over verteld. Eigenlijk heeft ze me indertijd aan een stageplek geholpen bij haar in de klas. Zo komen ervaringen uit je jeugd toch weer opduiken in je latere leven.

De kruidenierszaak van J. Baltes. Foto genomen tijdens bloemencorso, waarschijnlijk jaren ‘50

Nawoord.

Dit is in een notendop hetgeen ik tot nu toe op papier heb gezet. Er waren avonden dat ik het heel moeilijk had met al die herinneringen. Enorme bewondering voor mijn ouders en respect voor hun moed en doorzettingsvermogen! Ook nu begrijp ik beter, dat het voor mijn moeder een feest was om die twee jongens te kunnen verzorgen. Ze had haar eigen stille verdriet over het verlies van haar eerste kind. Wel heel jammer, dat er zo weinig later over gesproken en verteld werd. Dit wilde ik allemaal opschrijven voor mijn kinderen en kleinkinderen, zodat zij weten dat mijn ouders moedige mensen waren. En ik ben ook steeds nog erg blij met de erkenning door de ‘onderduikers’.

Bij het nalezen kwam ik tot de ontdekking, dat de onderduikers Hein en zijn neef nog niet genoemd waren. Hein was de vriend van Hennie, mijn oudste zus en had de leeftijd voor de ‘Arbeitseinsatz’. Dus moesten ze uit handen van de Duitsers blijven. Zij hadden een verborgen schuilplaats in de bodem van de klerenkast van ons meisjes. Tussen het plafond van de woonkamer. Daar lag een matras voor als ze zich moesten verbergen tijdens de razzia’s, de jacht op jongens. Na de oorlog is de verkering toch verbroken, groot verdriet. Ze hadden al een gezamenlijke spaarrekening! Hoe lang de jongens er waren en wanneer ze zijn weggegaan? Later na de oorlog ging het allemaal thuis natuurlijk heel anders, met ons puberende dochters. Het verslag van mijn herinneringen is nog niet helemaal geworden zoals ik het me voorstelde, het is een proeve van ‘onbekwaamheid’ die nog verbeterd kan worden. – Bij mijn genealogisch onderzoek kwam ik tot de ontstellende ontdekking dat van Felix Magnus (vader van Rita) een zus en twee broers met hun echtgenoten op transport waren gesteld naar Auschwitz-Kattowitz in Polen en bij aankomst direct zijn omgebracht. De grootouders van Louan en Bob zijn ook beiden omgebracht, op 11 november 1943 in Auschwitz. Dit gebeurde meestal direct na aankomst van de trein. Ook de grootouders en een oom van Louan’s vrouw werden in 1942/43 gedood in Auschwitz. En door het bekijken van een andere stamboom kwam ik tot de ontdekking dat de beide families daarin verwantschap hadden!

Inhechtenisneming van Lisser Jillert Cammenga en 39 andere Lissers in Tweede Wereldoorlog

De aanhouding en inhechtenisneming van Lisser Jillert Cammenga en 39 andere Lissers tijdens de razzia op woensdag 7 maart 1945 gedurende de Tweede Wereldoorlog in Lisse !!!”

Anne Louis Cammenga,Directeur Informatiecentrum Tweede Wereldoorlog

Lezing April 2014

Het is 7 maart 1945: Grote delen van Europa zijn al van het juk van de bezetter bevrijd, maar Lisse echter nog niet. Die dag wordt de dorpsbevolking eens temeer geconfronteerd met de aanwezigheid van een bezetter en de gevolgen ervan. Er vindt namelijk een razzia plaats waardoor in het dorp grote onrust ontstaat. Een dramatische dag met grote gevolgen voor 40 gezinnen in Lisse !!! Enige jaren geleden kreeg het archief van de Gemeente Lisse uit de nalatenschap van een overleden Lisser een oorlogsdagboek in handen. (zie het artikel “Oorlogsdagboek van Lissenaar Henk van Ruiten”, een bewerking van Hans Smulders uit 2005, Oorlogsdagboek van Lissenaar Henk van Ruiten). Henk van Ruiten, in de hongerwinter van 1945 een jongeman van 25 jaar, schrijft hierover:

Vanaf de Agathatoren kon Hen van Ruiten alles goed volgn

Foto’s van de Sint Agathakerk in Lisse. In deze kerk werd de Lisser Henk tijdens de mis door de kapelaan gewaarschuwd dat er op woensdag, 7 maart 1945 een razzia in Lisse plaats vond. Vanaf de toren kon Henk met eigen ogen alles goed volgen.(Bron: archief A.L. Cammenga).

‘7 maart 1945: Onrustige dag; er is razzia in Lisse. Zelf was ik om 7 uur de deur uitgegaan om naar de Kerk te gaan, want het was Sint Jozef-dag. Ik was in de Kerk en daar werd er gewaarschuwd: er is razzia in Lisse. Ik heb de gehele mis uitgezeten, en verliet toen de kerk. Het zag er niet gunstig uit; ze hadden al wat jongens te pakken. Ik ging de kerk weer in. Toen kwam er een Kapelaan naar mij toe. Die zei: ‘Ga maar naar de toren.’ Wij zaten met zijn zessen in de toren, en wij hadden een piekfijn uitzicht. Nu en dan zag je een jongen lopen tussen twee Duitsers in. Ik kookte toen ik dat zag, maar ik dacht ‘Wacht maar onze tijd komt ook nog wel en datzal heus zolang niet duren.’ Thuis wist men dat ik in de kerk zat; die dachten ‘Henk zit daar goed’. Mijn eten werd ook gebracht; wat wil je nog meer. Ik heb van 8 uur tot 5 uur in de toren gezeten. Een mooi poosje hé! Ik heb over heel Lisse heen kunnen kijken; een prachtgezicht. De Duitsers zijn hier en daar in de huizen geweest; soms 4 à 5 keer in één huis. Ze hebben een heleboel fietsen en frames, banden en onderdelen meegenomen. De buit was groot. Bij ons thuis zijn de Duitsers niet in huis geweest, mijn broer is dan ook niet opgepakt.’

Een nog levende Lisser uit die periode, de heer H. Noordermeer vertelt in 2012 tijdens een pauze in een repetitie van een zangkoor aan een mede-inwoonster van Lisse, Mevrouw M.C. van Stijn. (Gré), dat hij op die bewust dag aan het werk is op het land van zijn vader. Hij ziet een groep Duitse soldaten. die bezig is met zich voor te bereiden op een razzia, die vervolgens daadwerkelijk plaats vindt. Hij kan nog net op tijd zijn broer waarschuwen.
Alle jonge mannen die zich vertonen worden opgepakt en afgevoerd. Waaronder de 19-jarige Jillert Cammenga, zoon van de toenmalige Ford-autodealer aan de Heereweg 148. Samen met 39 andere inwoners van het dorp wordt hij afgevoerd naar kamp Bocholt, net over de Duitse grens.

Links is de ingang van de Ford-garage J. Cammenga & Compagnon op de Heereweg 148 in Lisse (Archief Gemeente Lisse)

 

Trouwfoto van Jillert Cammenga en Annie (Antje) Kuyper. Zij huwden op 12 mei 1920 in Zaandam en woonden lange tijd met hun zeven kinderen op de Heereweg 148 in Lisse, alwaar Jillert Cammenga eigenaar was van de Ford-garage (Bron: archief A.L. Cammenga)

 

Advertentie Ford-garage J. Cammenga & Co (Bron: Bron feestblad HOBAHO 1921 – 1946)
De in 1945 negenjarige Lenie Marseille, de dochter van de schilder die met zijn gezin eveneens op de Heereweg heeft gewoond, herinnert zich de Ford-garage-eigenaar en diens echtgenote nog heel goed: ‘Jillert Cammenga sr. was lang, slank en had haar dat grijs begon te worden. Hij droeg een bril en ik zag hem altijd met een sigaar. Buiten droeg hij altijd een hoed en een korte zwarte jas, die ook wel een bonker werd genoemd. Diens echtgenote, Annie (Antje) Cammenga-Kuyper was een struise vrouw met grijs haar in een knot. Zij had een vriendelijke uitstraling.’

Tekening gemaakt door de Lisser Bert Marseille van de garage van de Ford-dealer Jillert Cammenga Sr. en van het schildersbedrijf Marseille, het bedrijf van zijn eigen vader. Nummer 3 op deze tekening is het stookhok op het terrein van garage Cammenga. Hier hield Jillert Cammenga Jr. zich tijdens de razzia op woensdag, 7 maart 1945 schuil. In dit stookhok verborg Jilert zich in het kolenhok. Een schitterende plaats om zich te verbergen en waar de Duitsers hem beslist niet snel hadden gevonden. Het mocht hem echter niet baten.

Lenie haar broer, Bert Marseille herinnert zich de situatie van vóór de Tweede Wereldoorlog nog heel goed. Hij heeft een duidelijke tekening gemaakt van de Ford-garage Cammenga, die de situatie van deze garage vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog duidelijk weergeeft. ‘Vanwege de oorlogsdreiging vond in Nederland in opdracht van de toenmalige Nederlandse regering een algemene mobilisatie plaats. De werkplaatsvan Ford-garage Cammenga (rechts boven in de tekening) was tijdens deze mobilisatie gevorderd door het Nederlandse leger. Deze stond vol met paarden en wagens. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Duitsers daarentegen de oude werkplaats (boven in de tekening) gevorderd.

Foto van drie militairen – twee in militair tenue en een in burger – genomen in september 1939 tijdens de mobilisatie op het garageterrein achter het huis van de familie Cammenga. Het garageterrein bestond in die tijd nog uit verhard zand met grind. Na de oorlog werd het terrein bestraat met tegels. De kinderen op het paard zijn in de juiste volgorde Lenie, Bram en Bert Marseille. Hun huis bevond zich pal naast dat van de familie Cammenga (Bron: archief de heer B. Marseille).

Van de werkplaats van het schildersbedrijf Marseille, het bedrijf van de broers Gerrit en Arie Marseille, die op de begane grond uit twee aparte delen bestond (zie de stippellijn in de tekening), werd het achterste deel eveneens gevorderd. Dit gedeelte werd door de militairen als een soort van eetgelegenheid en verblijfplaats gebruikt.
De helft van de eerste verdieping van de werkplaats was ook gevorderd. Daar sliepen de militairen op strozakken. In het afgesloten kantoortje, dat zich eveneens op de eerste verdieping bevond, sliepen twee leidinggevende, hoger geplaatste militairen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben vervolgens óók de Duitsers hetzelfde achterste deel van de werkplaats van Schildersbedrijf Marseille gevorderd.
Door het garagebedrijf Cammenga is het kantoortje op de eerste verdieping van de werkplaats gebruikt als opslagruimte, hetgeen tijdens de razzia op 7 maart 1945 is ontdekt door de Duitsers. De Duitsers hebben deze opslagruimte enkele weken later vervolgens helemaal leeggehaald.’

De pijl die naar de openstaande deur wijst, verwijst naar het huis van de familie Marseille. De broers Gerrit en Arie waren de eigenaren van het schildersbedrijf Marseille. De drie kinderen van echtpaar Gerrit en Marie Marseille heten Bert, Bram en Lenie. Zij spelen veel met de kinderen van het echtpaar Jillert sr. en Annie (Antje) Cammenga. De pijl, die naar het dubbele raam verwijst, duidt het kantoortje/de opslagruimte van de Ford-garage Cammenga aan. Tijdens de razzia van 7 maart 1945 werd de inhoud van deze opslagruimte ontdekt door de Duitsers. Niet alleen werd hun zoon Jillert tijdens die dag opgepakt, maar het echtpaar Cammenga moest tevens met lede ogen aanzien hoe de Duitsers hen in de periode daarna van een aantal eigendommen beroofden. Nadat de Duitsers de inhoud van het kantoortje, de opslagruimte, hebben ontdekt, wordt Gerrit Marseille door de Duitsers met de dood bedreigd, maar hij komt er gelukkig zonder kleerscheuren van af. De pijl op de voorgrond verwijst naar de schutting en het terrein van de familie Cammenga (Bron: archief de heer B. Marseille).

Over haar schoolperiode en over de oorlog als kind in Lisse herinnert Lenie Marseille zich het volgende: ‘Als meisje van negen jaar oud begrijp je niet alles van oorlog, maar dat dit iets bijzonders is, heb je wel degelijk door. Mijn ouders vertelden uiteraard niet de finesses maar dat wij de ramen van ons huis dienden te verduisteren; dat wij van de bezetter om 20.00 uur binnen moesten zijn en andere van dit soort zaken werd wel aan mij verteld. Met de buurtkinderen gingen wij veel om. Er was in die periode – eind 1944; begin 1945 – geen school. Dus waren wij regelmatig buiten en was de omgeving van de garage Cammenga ons speelterrein. Het personeel zat ons wel eens achterna wanneer wij bij de wasplaats met de waterslang aan het spuiten waren.’

De 20-jarige Jillert Cammenga in 1946; enkele weken voordat hij als dienstplichtig militair naar Nederlands-Indië zal vertrekken. Vlak voor hem staat zijn jongere broertje Hans Bernhard; het jongste lid van het gezin Cammenga op de Heereweg 148 (Bron: archief A.L. Cammenga).
Greta (Gré) Annie Cammenga, de zus van de 19-jarige Jillert, die deze razzia persoonlijk heeft meegemaakt, schrijft hierover het volgende: ‘Mijn moeder en haar zuster, mijn eigen tante Trien, die deze hele oorlogswinter bij ons verbleef, waren op woensdag, 7 maart 1945 bezig met het schoonmaken van de slaapkamers. Ik verbleef zelf in mijn ouderlijk huis, waar mijn moeder en tante op dat moment ook verbleven. Ook mijn zuster Bep was op dat moment in huis aanwezig. Mijn broer verbleef op dat moment in zijn schuilplaats. Dit was in het stookhok bij het magazijn en de garage. In het stookhok was ook het kolenhok aanwezig. Hier zat Jillert Cammenga in verborgen. Daar hadden zij hem nooit kunnen vinden, omdat het eind van de winter was en niemand eraan zou hebben gedacht om in het kolenhok te gaan kijken. Het was immers een huis aan huis onderzoeking. Bovendien lag het kolenhok te ver van het woonhuis af. Helaas moest mijn broer hoognodig naar het toilet. Wij hadden helaas niet aan een po gedacht. Bovendien moest hij ineens zo plotseling naar deze schuilplaats toe, dat wij niet eens de tijd hadden om aan iets dergelijks als een po te denken. Wij hadden in het dorp via via vernomen dat er een razzia aan de gang was. Alle jonge mannen, die niet in Duitsland wilden gaan werken, doken op een dergelijk moment dan direct onder. Mijn broer kwam dus helaas uit zijn schuilplaats en ging via de buitentrap via de keukeningang naar binnen op weg naar het toilet. Hij was nauwelijks in huis of de bel ging.

Afbeelding van de schuilplaats van Jillert Cammenga, getekend door Henk Daudeij, wiens vader een winkel had op de Heereweg vlakbij de Ford-garage Cammenga. De schuilplaats is omcirkeld (Bron: archief A.L. Cammenga).

Foto van Henk Daudeij, die een tekening heeft gemaakt van de schuilplaats van Jillert Cammenga. Na al die jaren wist hij zich alle details nog tot in de perfectie te herinneren (Bron: archief A.L. Cammenga).

Het huidige terrein achter de voormalige Ford-garage op de Heereweg 148. Op de plek van het raam (zie de twee witte pijlen) bevond zich tijdens de razzia in 1945 de schuilplaats van Jillert Cammenga. Henk Daudeij wist in 2012 – 67 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 – zich de exacte plek van de voormalige schuilplaats nog precies te herinneren. (Bron: archief A.L. Cammenga)
Over de schuilplaats van Jillert Cammenga schrijft zijn nog in leven zijnde generatiegenoot en jeugdvriend Jan Maarssen het volgende aan Cammenga’s derde zoon Anne Louis: Ik ben een generatiegenoot van uw vader en werkte tijdens de oorlog in de garage bij de firma Cammenga. Daarom kan ik mij dan ook nog goed herinneren dat deze razzia in Lisse plaats heeft gevonden en dat uw vader tijdens deze razzia door de Duitsers is opgepakt.

Een jaar of vier heb ik bij de firma gewerkt met vele goede herinneringen tot mijn diensttijd in november 1946. De razzia heb ik in Lisse wel meegemaakt, maar ik heb daar geen last van gehad, omdat ik onder de vloer een goede schuilplaats had. Ook had ik een broer die ziek voor het raam lag. Om die reden was er een briefje op het raam bevestigd met de mededeling dat het maar beter was het pand niet te betreden vanwege besmettingsgevaar !

Uw vader trof het echter slecht tijdens deze razzia in Lisse met zijn plasje doen want hij had in dat stookhok een echt goed plekje. Het magazijn met olie en stookhok waren gebouwd tussen de beide garages. In het olie gedeelte was ook een opslag voor kolen, die wegens gebrek daaraan leeg was met aan de bovenzijde een deksel. Een pracht van een plek dus met nog een uitwijkmogelijkheid naar het daarachter gelegen gedeelte waar de kachel voor de centrale verwarming stond. Helaas, je moet maar hoge nood hebben en geen WC in de nabijheid. Uw vader kwam dan ook helaas uit zijn schuilplaats om in het huis van zijn ouders naar het toilet te gaan met als gevolg dat hij door de Duitsers werd gezien, opgepakt en weggevoerd naar Haarlem en vervolgens naar Duitsland.’

 

Foto Jan Maarssen (Bron: archief A.L. Cammenga)

Gré Cammenga vervolgt haar relaas: ‘Mijn broer Jillert had geen gelegenheid meer om terug te gaan naar zijn schuilplaats, Ons ouderlijk huis was namelijk zowel aan de voor- als aan de achterkant volledig omsingeld door de Duitsers. Goede raad was duur. Wat nu gedaan. Mijn broer rende naar de bovenetage en verstopte zich snel in de grote kledingkast op de slaapkamer van mijn vader en moeder. Zoals ik al heb verteld, waren mijn moeder en tante op dat moment bezig met het schoonmaken van de slaapkamer. De Duitsers waren – na te hebben aangebeld en nadat de voordeur door één van ons was opengedaan – ons huis binnengedrongen. Zij hadden een groen uniform aan en droegen geweren bij zich. Dit om ontsnapping van de door hun gemaakte gevangenen te voorkomen. Wij waren bang voor hen.
In de eerste slaapkamer troffen de Duitsers een autoband en een po onder het bed aan. De Duitsers sommeerden mijn zuster Bep om de zware autoband onder het bed vandaan te halen. Mijn zuster pakte in haar zenuwen in plaats van de autoband – die veel te zwaar voor haar was – de po onder het bed vandaan en liet deze aan de Duitsers zien. Deze namen vervolgens zowel de autoband als een accu, die op de overloop stond, in beslag. De Duitsers deelden ons mee dat zowel de autoband alsde accu later zouden worden opgehaald. Toen de Duitsers een paar dagen later bij ons aan de voordeur kwamen om deze autoband en accu op te halen, vertelde ik hen per ongeluk dat deze al waren opgehaald, omdat ik in de veronderstelling was dat zij iets anders op kwamen halen. Dat was inmiddels ook gebeurd. Maar door dit misverstand behielden wij gelukkig de voor ons in die tijd zeer kostbare accu en autoband.

Greta (Gré) Annie Cammenga, geboren op 13 juni 1924 en de zus van de 19-jarige Jillert. Zij werd later een bekende en geliefde kleuterjuffrouw. Zo heeft de bekende Lisser en journalist Arie in ‘t Veld als kleuter nog bij haar op school gezeten (Bron: archief A.L. Cammenga).

Een dergelijk voorval weet ook het toenmalige negenjarige buurmeisje Lenie Marseille zich nog heel duidelijk te herinneren. Zij vertelt: ‘Bij het schildersbedrijf Marseille dat van mijn vader Gerrit Marseille en zijn broer Arie was en dat zich naast het bedrijf van Cammenga bevond, was boven in de werkplaats een kantoortje. Dit diende destijds als een tijdelijke opslagplaats van de firma Cammenga. Er lagen autobanden, onderdelen en ander kostbaar materiaal in deze opslagplaats. Ook wij kregen controle van Duitse manschappen. Mijn vader had in die tijd de leeftijdsgrens van 40 jaar ruimschoots bereikt, zodat hij niet bang hoefde te zijn dat hij bij deze razzia zou worden opgepakt. Wèl werd hij door de Duitsers gemaand om het kantoor annex opslagplaats te openen, maar dat weigerde mijn vader door te zeggen dat hij niet over de sleutel beschikte. Daarop wilde een Duitse militair met zijn bajonet de deur forceren, waarop de sleutel toen alsnog werd gevonden.Toen de Duitsers ontdekten wat er allemaal in deze ruimte was opgeslagen, kreeg mijn vader Gerrit te horen dat hij het met de dood zou moeten bekopen als er ook maar iets uit deze ruimte zou worden weggehaald. Enkele weken later kwam er namens de Duitse bezetter een vrachtwagen langs en werd de inhoud van het kantoor annex opslagruimte in de vrachtauto gestort.’

Gré vertelt verder: ‘Ondertussen zat mijn arme broer nog steeds in de kledingkast in de slaapkamer van mijn ouders. Alsof zij het “roken” liepen de Duitsers direct op de kledingkast toe. Eén van de soldaten deed een greep met zijn hand in de kleding, die in de kast hing en trok mijn enorm geschrokken broer en Anne Louis zijn vader uit de kast. Zij voerden hem gelijk met hun mee. Inmiddels had ook mijn oudste zuster Nita zich bij ons groepje gevoegd. Deze riep moedig en boos naar de Duitsers: “Wat zouden jullie doen, als het jullie eigen zoon was.” Daar reageerden de Duitsers echter niet op, want in hun ogen was immers “Befehl ist Befehl”. Wij waren allemaal volkomen overdonderd en tot in het diepste van onze ziel geschokt. Zo lang als ik leef zal ik nooit de verslagen, geschokte blik en de intense smart op het gezicht van mijn lieve moeder vergeten. Mijn arme broer werd door de voordeur van ons ouderlijk huis weggevoerd.’
Het negenjarige buurmeisje Lenie Marseille speelde op dat moment in huize Cammenga met Tiny Cammenga, de jongste dochter uit het gezin. Zij kan zich deze gebeurtenis nog uitstekend herinneren. Over deze razzia en de arrestatie van haar buurjongen Jillert

Foto Mevrouw M. (Lenie) C. Strikkers-Marseille (Bron: archief A.L. Cammenga)
schreef zij aan diens zoon Anne Louis Cammenga het volgende: ‘Op 7 maart 1945 ging ik ‘s middags met uw tante mee om bij de familie Cammenga iets te drinken en om met uw tante Tiny Cammenga te spelen, die dezelfde leeftijd als mijn broer Bert heeft. Opeens kwam uw vader Jillert met een verschrikt gezicht gehaast de huiskamer binnen lopen. Op de achtergrond was lawaai te horen; er was razzia.
Jillert was uit zijn schuilplaats gekomen vanwege hoge nood en werd snel in een kast in de slaapkamer van zijn ouders geduwd. Maar helaas te laat. Door twee Duitse soldaten met geweer werd hij afgevoerd. Allen die in huis aanwezig waren overrompeld en verschrikt achterlatend. Uw grootmoeder Annie (Antje) Cammenga-Kuyper keek naar de voordeur, waardoor haar zoon door de Duitsers werd afgevoerd. Uw grootmoeder had een wit gezicht en zag er verschrikt en verdrietig uit. Ik hoorde nog een zachte snik. Niemand kon een woord uitbrengen. We waren allen overrompeld; ook omdat het in zo’n korte tijd gebeurde. Ik ben daarna naar huis gegaan om te vertellen wat er was gebeurd.’
Gré Cammenga vervolgt haar relaas: ‘Mijn broer werd afgevoerd naar een schuur, die zich bij een PTT-gebouw bevond. Dit was zowel een PTT-kantoor als een woonhuis voor de desbetreffende PTT-ambtenaar. Hier woonde de latere echtgenoot van mijn oudste zuster Nita, Arie Tigchelaar, die ook een volle neef was van Hermina Damen, die later met mijn broer Jillert zou gaan trouwen. Hermina Cammenga is uiteraard ook de moeder van mijn neef Anne Louis Cammenga en van zijn andere broers. In deze schuur werden alle mannen verzameld, die bij deze razzia werden opgepakt.
Op één man na, want deze wist gelukkig – nota bene in dameskleding, die zijn familie hem bracht – aan deze razzia te ontsnappen. De man in kwestie werd gered door de moedige inwoonster van Lisse Marian van Klink-Marinus, die met extra dameskleren aan en met een fiets door het cordon van de Duitse soldaten is heen gefietst. Zij gaf de jonge Lisser Arie van Steensel de vrouwenkleding die zij had meegenomen en hij heeft die pijlsnel aangetrokken. De heer Van Steensel is met dameskousen en met een puntmuts op dwars door het Duitse cordon heengelopen en heeft vervolgens veilig enige tijd onder kunnen duiken. Mevrouw Van Klink-Marinus kon eveneens veilig wegkomen.
Vanuit deze schuur werden de opgepakte mannen naar de Ripperda-kazerne in Haarlem afgevoerd. In Lisse deed na de razzia al snel het gerucht de ronde dat de mannen naar Haarlem waren afgevoerd.’

Mevrouw G.P. Tibboel-Boot, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als kind op de Heereweg 137 heeft gewoond en als buurmeisje veel met de kinderen Nita, Ans, Gré – de latere kleuterjuf – en Tiny Cammenga heeft gespeeld, kan zich deze razzia nog heel goed herinneren. Zij schrijft hierover in haar getuigenverklaring aan Anne Louis Cammenga, zoon van Jillert Cammenga het volgende:
‘Dit herinner ik mij zo goed, omdat uw vader tijdens deze razzia voor mijn ogen door de gewapende Duitsers is afgevoerd. Vanuit de voorkamer van mijn ouderlijk huis zag ik hoe uw vader voor mijn ogen werd afgevoerd van zijn ouderlijk huis naar het PTT-gebouw dat zich toen ongeveer 300 meter verder op dezelfde straat bevond. Het feit dat uw vader voor mijn eigen ogen door de gewapende Duitsers werd afgevoerd, maakte als klein meisje een hele diepe indruk op mij en ik ben dit dan ook nooit meer vergeten.
Zelf heb ik als kind gewoond op de Heereweg 137. Het huis bestaat nog steeds. Ik kan mij uw tantes en voornamelijk de geschiedenis van uw vader tijdens deze razzia op 7 maart 1945 dan ook zo goed herinneren, omdat ik met hen als buurmeisje ben opgegroeid. Ons huis bevond zich immers een eindje verderop op dezelfde Heereweg. Vandaar dan ook dat ik uw vader, grootouders, ooms en tantes ook als jong meisje zo goed heb gekend.’

Foto Mevrouw G.P. Tibboel – Boot (Bron: archief A.L. Cammenga)
Foto Mevrouw C.J. (To) van der Berg-van Dijk (Bron: archief A.L. Cammenga)

Mevrouw C.J. (To) van der Berg-van Dijk schrijft in haar getuigenverklaring aan Anne Louis Cammenga over deze razzia het volgende:
‘Hierbij bevestig ik u, dat ik mij nog heel goed kan herinneren dat uw vader Jillert – roepnaam Jit – op woensdag, 7 maart 1945 tijdens een razzia in Lisse is opgepakt.
Ook herinner ik mij nog heel goed dat uw vader behoorde bij de 40 jonge mannen, die tijdens deze razzia in Lisse werden afgevoerd. Een aantal van deze jonge mannen heb ik op deze bewuste dag, 7 maart 1945, langs het raam van het huis, waar ik op dat moment verbleef, voorbij zien komen. Begeleid door Duitsers, die hen toen bewaakten.
Tevens hebben na afloop van deze razzia een aantal mensen mij persoonlijk verteld dat uw vader, Jillert (Jit) Cammenga bij deze razzia is opgepakt.’
Henk van Ruiten schrijft hierover in zijn oorlogsdagboek het volgende:
‘8 maart 1945: Weer onrustig; er waren weer Duitsers in Lisse. Zij bekeken de boel, maar er gebeurde niets. Er was al gewaarschuwd, dus je zag geen jongens op de straat. De Duitsers zijn maar weer weggegaan. Ik heb deze dag nog de kat uit de boom gekeken en ben niet naar het land gaan. Zo ik gehoord heb, hebben de Duitsers niet veel jongens in Lisse gegrepen op die bewuste woensdag 7 maart. Ik hoorde dat het nog geen 40 jongens waren. Die buit was niet groot, maar het zijn er nog 40 jongens teveel. Ze zijn naar Haarlem gebracht, en zoo verder naar een onzekere plaats, dat snap je zelf wel!
Ook hebben wij van het Zweedse Rode kruis ons cadeau gehad. Ieder kreeg 8 ons wittebrood en 125 gram Margarineboter. Het smaakte beiden heerlijk; dit hebben wij zeker in geen 2 ½ maanden niet geproefd. De boter – je zou er je tong bij inslikken – zo heerlijk was het. Wij zijn er uiterst zuinig op; elke dag nemen wij er twee sneetjes van, dan proef je lang de oude Hollandse welvaart nietwaar !!!
9 maart 1945: Alles is weer rustig. Zoals ik gehoord heb, is er één van de jongens ontsnapt en is er één afgekeurd. Van de anderen hoor je (nog) niets van.’
Gelukkig waren er ook Lissers op die bewuste woensdag 7 maart voor deze razzia gespaard gebleven. Zo weet Lenie Marseille zich nog heel goed te herinneren hoe het personeel van de bakkerij als door een wonder voor deze razzia gespaard bleef: ‘Naast ons woonde de familie Goldberg, die trouwens door middel van huwelijksbanden verwant was aan Annie (Antje) Cammenga-Kuyper, de echtgenote van Jillert Cammenga sr. Op het moment van de razzia is mevrouw Goldberg naar de bakkerij van de firma Goldberg op het Vierkant gelopen om het personeel te waarschuwen zodat zij zich konden verbergen voor de razzia. Haar oudste dochter Gine – in die tijd ongeveer vijf jaar oud – had zij bevolen om op de twee kleinere kinderen van drie en anderhalf jaar oud te passen. Zij drukte haar dochter Gine nadrukkelijk op het hart om rustig te blijven zitten als er iemand aan de deur was en deze hoe dan ook niet open te doen. Door het tijdige ingrijpen van mevrouw Goldberg kon het personeel van de bakkerij zich gelukkig net op tijd verbergen.’
Gré Cammenga vertelt verder: ‘Mijn jongere zus Ans en ikzelf gingen – op goed geluk – met ons (net een paar dagen daarvoor gekregen) Zweedse wittebrood en boter naar Haarlem op zoek naar onze broer. Ook hadden wij een pannetje met warm eten bij ons. Wij vernamen dat onze broer in de Ripperda-kazerne in Haarlem zat opgesloten. Wij moesten de hele afstand per fiets afleggen van Lisse naar Haarlem. Wij hadden echter het grote geluk dat wij – mijn zus Ans en ik – ons een deel van de route mee konden laten trekken met een auto. Uiteindelijk kwamen wij bij de Ripperda-kazerne aan. Er stonden veel mensen buiten voor het hek. De sfeer was gespannen en somber. Wij wisten immers nog steeds niet zeker of wij onze broer daar wel zouden aantreffen. De spanning was dus om te snijden. Op een gegeven moment werd er een groep jonge mannen naar buiten gelaten. Waarschijnlijk om te luchten. Tot onze onuitsprekelijke vreugde zagen wij onze broer Jillert te midden van deze jonge mannen. Gelukkig mochten wij van de Duitsers met onze broer praten. Wij hebben onmiddellijk het brood en het pannetje eten gegeven. Mijn broer was overdonderd door alle gebeurtenissen en kon deze nauwelijks verwerken. Hij was dolgelukkig toen hij Ans en mij zag. Hij pakte het brood en het pannetje eten dankbaar aan. Tot onze grote teleurstelling mochten wij helaas niet lang met onze broer praten. Onze broer en de andere jonge mannen werden weer de kazerne ingevoerd.
Mijn zus en ik gingen weer terug naar ons ouderlijk huis in Lisse. Mijn ouders waren dolgelukkig om te horen dat hun zoon in leven en gezond was. Toch bleef de ongerustheid overheersen, want wij wisten nog steeds niet wat er verder met Jillert zou gaan gebeuren.
De volgende dag gingen Ans en ik weer op de fiets naar de Ripperda-kazerne in Haarlem. De jeugd van nu kan zich dit niet meer voorstellen, maar je praat dan toch snel over zo’n in totaal 28 kilometer heen en terug. En dan ook nog op massief rubberen banden in plaats van op de huidige luchtbanden. Wat loodzwaar en dus bijzonder vermoeiend fietsen is. Helaas troffen wij onze broer hier niet meer aan. Het gerucht ging dat de jonge mannen, waaronder onze broer, waren afgevoerd naar Amsterdam. In Amsterdam zouden de jongens in een bepaalde kazerne zijn opgesloten. Dat gerucht bleek echter niet juist te zijn. Maar dat wisten wij toen nog niet.
De dag daarop ben ik alleen op de fiets naar Alphen aan den Rijn gegaan, waar wij familie hadden wonen, waarvan het hoofd van het gezin een bakker was. Daar heb ik de nacht doorgebracht en kreeg ik brood mee voor mijn broer. Door weer en wind – want het weer was inmiddels flink slechter geworden – ging ik op de fiets naar familie in Amsterdam. Daar heb ik wederom de nacht doorgebracht. De andere dag ben ik met mijn nichtje, Lies Hulleman naar de bewuste kazerne gefietst. Wij werden helaas niet toegelaten, maar konden eventueel het brood voor mijn broer aan de op wacht staande landwachter afgeven. Een landwachter was lid van de NSB en stond in dienst van de Duitsers. Voor mij en vele anderen was dit dus een landverrader. Hij bood aan het pakje brood in ontvangst te nemen en beloofde mij dit aan mijn broer af te zullen geven. Aangezien ik geen enkel bewijs had dat mijn broer inderdaad in deze kazerne verbleef en mij elk bewijs hiervoor ook werd geweigerd, weigerde ik het in de oorlog o zo kostbare brood aan deze landverrader af te geven. Het brood heb ik bij de familie Hulleman in Amsterdam achtergelaten, die hier dolblij mee was. Deze familie had met grote hongersnood te kampen, dus was blij met elk voedsel dat zij kon krijgen. Pas later toen mijn broer weer veilig terug was in Nederland, heb ik bij hem nagevraagd of hij inderdaad in deze kazerne in Amsterdam is geweest. Dit bleek echter niet het geval te zijn. Toen was ik helemaal blij dat ik het kostbare brood aan mijn dierbare verwanten Hulleman heb gegeven.
Diep teleurgesteld ben ik toen weer met de fiets van Amsterdam terug gegaan naar mijn ouderlijk huis in Lisse. Dagenlang ben ik in de weer geweest om mijn broer terug te vinden en hem van voedsel te voorzien. Thans was mijn speurtocht echter op niets uitgelopen. Ik was het spoor van mijn broer nu helemaal kwijt geraakt. Ik kan mij alleen nog herinneren dat ik mijn ouders en mijn overige familieleden doodmoe van al mijn bevindingen en emoties op de hoogte heb gebracht en dat ik vervolgens volkomen uitgeput op de divan ben neergevallen.
Inmiddels was – zo bleek later – mijn broer verder gedeporteerd naar het kamp Bocholt in Duitsland. De familie Van Egmond woonde in Alphen aan den Rijn en waren vrienden van mijn beide ouders. Piet van Egmond, het hoofd van dit gezin was directeur van een grote betonfabriek in Alphen aan den Rijn. Deze belde op een gegeven moment mijn vader om te vertellen dat zijn zoon en onze broer Jillert bij hun verbleef, nadat hij ontsnapt was uit kamp Bocholt in Duitsland.’
De heer Dr. A.P. van Vliet, Hoofd Publieksinformatie & Collectiebeheer schrijft in zijn brief van 16 februari 2012 namens de directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie over de opsluiting van Lisser Jillert Cammenga in het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt het volgende aan diens zoon Anne Louis Cammenga:
‘Het is mogelijk iets te zeggen over de context waarin uw vader in het kader van de Arbeitseinsatz gedwongen werd tewerkgesteld. Uw vader is, nadat hij op de valreep van de Duitse capitulatie werd opgepakt, terecht gekomen in een werkkamp in de directe omgeving van Bocholt. Zeer waarschijnlijk betreft het hierbij het krijgsgevangenenkamp Stammlager (Stalag) VI F dat als gevolg van de oprukkende geallieerde legers in het najaar van 1944 door de Duitsers was ontruimd. Na de ontruiming van Stalag VI F is dit krijgsgevangenenkamp door de Duitsers gebruikt om dwangarbeiders in onder te brengen die belast waren met de aanleg van verdedigingswerken zoals het graven van tankgrachten e.d.
De stad Bocholt is op 22 maart door een zwaar geallieerd bombardement geheel verwoest. Bij dit bombardement zijn naast conventionele brisantgranaten relatief veel fosfor- en brandbommen gebruikt. Hoewel het een aanname blijft is de kans groot dat de Duitsers na afloop van dit bombardement dwangarbeiders hebben gebruikt om puin te ruimen en slachtoffers te bergen. Dit kan een verklaring zijn voor de traumatische ervaringen die uw vader als dwangarbeider heeft opgedaan gedurende het voorjaar van 1945 in Bocholt.'(Bron: archief A.L. Cammenga)

Afbeelding van een deel van een ansichtkaart met daarop afgebeeld het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt. Bron: Website Das Stalag VI-F in Bocholt: http://stalag-vi-f.beepworld.de/stalagvi-f.htm.

Plattegrond van het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt. Bron: Website Das Stalag VI-F in Bocholt: http://stalag-vi-f.beepworld.de/stalagvi-f.htm.
Foto van de spoorbaan van de trein vlakbij het werkkamp in de directe omgeving van de Duitse plaats Bocholt. Deze foto is genomen omstreeks midden jaren negentig van de vorige eeuw. Thans bestaat deze spoorbaan niet meer. Bron: Website Das Stalag VI-F in Bocholt: http://stalag-vi-f.beepworld.de/stalagvi-f.htm.

Gré Cammenga vervolgt haar relaas: ‘Jillert verbleef een paar dagen bij de familie Van Egmond om op verhaal te komen. De familie Van Egmond gaf hem een fiets mee om van Alphen van den Rijn naar Lisse te fietsen. Dit zal ongeveer 24 kilometer zijn. Omdat wij vaak in Alphen aan den Rijn bij familie logeerden – wij hadden daar veel familieleden wonen – namen wij steevast dezelfde route, die via Leimuiden naar Alphen aan den Rijn voerde. Wij wisten dus welke route onze broer naar zijn ouderlijk huis in Lisse zou gaan nemen en mijn zuster Ans en ik zijn hem dan ook tegemoet gefietst. Wij hadden nog één fiets met luchtbanden. Wij hadden besloten om die aan Jillert te geven en dat één van ons beiden op de slechte fiets van Jillert met de rubberen banden dan terug zou fietsen naar Lisse. Op een gegeven moment zagen Ans en ik hem in de verte aankomen. Wij waren blij om hem weer te zien, maar schrokken enorm van de gedaanteverwisseling, die hij had ondergaan. Wij zagen duidelijk dat het verblijf in het kamp zijn sporen bij hem had achtergelaten. Allereerst liep hij naast zijn fiets, omdat hij niet meer de kracht had om überhaupt zelf nog te kunnen fietsen. Wij zagen een door en door vermoeid mens, die door alle ondervonden gebeurtenissen volledig was uitgeput. Wij hebben hem op de goede fiets gezet en hebben hem tussen ons beiden ingenomen. Zo hebben wij hem naar huis geduwd. Thuis gekomen kon hij zijn zelfbeheersing – wat uiteraard meer dan begrijpelijk is – niet meer beheersen en vloog hij onze moeder huilend om haar nek. Ook mijn vader was uiteraard erg blij zijn zoon weer veilig terug te zien. Dat gold natuurlijk voor ons allemaal.
Over Jillert Cammenga en over de bevrijdingsfeesten na de oorlog in de Ford-garage Cammenga schrijft Mevrouw M.C. van Stijn. (Gré), de dochter van de toenmalige schoenwinkel/ schoenmakerij Jac. van Stijn aan de Heereweg 169 aan diens zoon Anne Louis het volgende:
‘Wij woonden min of meer tegenover de Ford garage en speelden altijd tot ongeveer 19.00 uur of 20.00 uur op jullie terrein met de kinderen Bert, Bram en Lenie Marseille (schilder), Lenie van der Berg (slagerij), enz. De spelletjes die wij speelden waren verstoppertje, bussie trap en volley bal.
Uw vader heeft ons in de oorlog nog van licht voorzien. Hij leende ons een aggregaat of zo iets. Wij konden in de kamer om de beurt fietsen zodat er ook in het donker nog wat licht was.
Na de oorlog zijn de bevrijdingsfeesten op jullie terrein gevierd. Stoeltje verwisselen. Blokjes rapen. Koek happen, kind verkleedt vervoeren in de kinderwagen en nog vele andere spelen.’

Foto van To van der Berg-van Dijk, Jan Maarssen, Henk Daudeij en Anne Louis Cammenga op 5 mei 2012 (Bevrijdingsdag) op exact dezelfde plek waar in 1945 de Ford-garage J. Cammenga & Co. was gevestigd. In het woonhuis dat zich boven de garage bevond, werd Jillert Cammenga op woensdag 7 maart 1945 door de Duitsers tijdens een razzia opgepakt en via de Ripperda-kazerne in Haarlem verder naar een kamp in Duitsland afgevoerd. (Bron: Archief A.L. Cammenga)

In een interview met het Witte Weekblad Bollenstreek op 5 mei 2012 (Bevrijdingsdag) vertelt Jan Maarssen (85) over zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Lisse. Jan Maarssen zat in dezelfde schoolbanken als zijn vriend van toen, Jillert Cammenga en was werkzaam in de garage van diens vader. ‘In die periode werden wij door de Duitsers gedwongen om hun geweren te repareren’, vertelt de Lisser. ‘Stapels werden er aangeleverd. Die geweren gaven we altijd met een hamer een flinke klap op de loop. Ook zetten we ze wel tussen de bankschroef en gaven er dan een “rukkie” aan. Stil verzet noemden we dat, want dan kon er tenminste geen Nederlander meer mee worden doodgeschoten. Tevens moesten we luchtdoelgeschut aan de buitenkant camoufleren. Een keer verfden we niet alleen de buitenkant van zo’n tank helemaal groen, maar ook de binnenkant. Witheet waren die SS’ers. Wij hielden ons natuurlijk van de domme. Ook herinner ik mij nog, dat die moffen fietsen in de fietsenstalling zetten, in de naastgelegen werkplaats. Dan gebeurde het wel dat die er ‘s avonds niet meer stonden. Natuurlijk waren die acties van ons best gevaarlijk en had je er zomaar de kogel voor kunnen krijgen. Maar op het moment zelf realiseer je je dat niet zozeer. Dat komt pas later.’
To van den Berg-van Dijk (86), die als kind tijdens de Tweede Wereldoorlog net als Jillert Cammenga op de Heereweg heeft gewoond, vertelt in hetzelfde interview met het Witte Weekblad Bollenstreek eveneens over haar ervaringen in oorlogstijd en over de bevrijdingsfeesten daarna. Zij was tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs één van de kroongetuigen van de razzia op woensdag 7 maart 1945. Zij zag hoe inwoners door de Duitsers werden meegenomen. ‘Het was een heel angstige periode’,
herinnert de hoogbejaarde zich als de dag van gisteren. ‘In een woning aan de overkant van Garage Cammenga was ik aan het helpen. Ook daar zat iemand ondergedoken. Toen we de Duitsers zagen lopen, was je natuurlijk ineens extra op je hoede. Vanachter de gordijnen heb ik gezien, dat Cammenga werd afgevoerd. Dat ging er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Bovendien was het aan het einde van de oorlog; de Duitsers waren toen erg fel. Mijn broers zaten thuis, achter de kast verstopt. De angst dat ze die ook zouden vinden, zat er goed in.
Overigens was men tijdens de oorlog een met elkaar. Je had niets en wat je wel kreeg, deelde je. Ik herinner mij nog goed hoe blij iedereen was toen de oorlog over was. Er hebben heel wat bevrijdingsfeesten plaatsgevonden in Garage Cammenga. Jammer genoeg was die saamhorigheid na een tijdje vergeten en was het weer ieder voor zich.’

Met haar beschrijving van de persoonlijke gevolgen voor haar broer Jillert van deze razzia en van diens periode als dienstplichtig militair in Nederlands-Indië daarna sluit zijn zuster Gré haar verhaal af: ‘In de periode daarna bleek pas goed hoe duidelijk deze periode zijn sporen bij hem hadden nagelaten. Deze periode heeft bij Jillert zijn leven lang littekens achter gelaten. Hij is door deze periode en later door zijn periode als dienstplichtig militair in Nederlands-Indië voorgoed veranderd. De tragische sporen hiervan heb ik niet alleen als zijn liefhebbende zuster kunnen constateren, maar heeft ook mijn neef Anne Louis Cammenga in zijn leven helaas maar al te duidelijk aan den lijve kunnen ondervinden. Trouwens niet alleen mijn neef Anne Louis, maar ook mijn broer Jillert zijn echtgenote Hermina en zijn overige broers hebben kunnen ondervinden wat oorlogen en hun gevolgen met hun echtgenoot en vader hebben gedaan. Het voorbeeld van het leven van mijn broer Jillert en van Anne Louis zijn vader is een belangrijke en overduidelijke waarschuwing dat oorlogen, fascisme en antisemitisme altijd voorkomen en bestreden dienen te worden, omdat deze een verwoestende uitwerking hebben. Hoezeer mijn broer Jillert en Anne Louis zijn vader door zijn kampervaringen innerlijk is beschadigd blijkt wel uit het feit dat hij hier slechts zelden over heeft kunnen praten. Toen mijn broer net weer thuis was, heb ik hem uiteraard naar zijn kampervaringen gevraagd. Hij had echter al zijn ervaringen en emoties in zichzelf opgesloten. Het lukte hem destijds eenvoudig niet om met wie van onze familieleden dan ook hierover te kunnen spreken. Pas heel veel later heb ik gehoord dat hij iets hierover aan mijn jongere broer Hans heeft verteld. En mijn neef Anne Louis heeft mij verteld dat mijn broer voor zijn overlijden in 2007 gelukkig ook met hem over zijn kampervaringen heeft gesproken. Maar hoewel ik van al mijn broers en zusters altijd de beste band met mijn broer Jillert heb gehad – iets dat mijn neef Anne Louis trouwens ook direct na zijn vaders overlijden in 2007 aan mij heeft bevestigd – heeft mijn broer in heel zijn leven het innerlijk nooit kunnen opbrengen om iets van zijn kampervaringen met mij te kunnen delen. Iets wat hem – daar heb ik hem goed genoeg voor gekend – veel moeite en veel verdriet moet hebben gegeven.”

Op deze foto in 2004 staan vijf van de zeven kinderen van de in 1945 in Lisse wonende Ford-garage-eigenaar Jillert Cammenga sr. en diens echtgenote Annie (Antje) Kuyper. Ook deze kinderen woonden tijdens de Tweede Wereldoorlog op de Heereweg 148. Op de voorste rij van links naar rechts: Tiny, Gré en Ans Cammenga. Op de achterste rij staan links Jillert jr. (overleden op 21 juli 2007 in Doorn) en zijn jongere broer Hans Bernhard Cammenga. De oudste twee dochters uit dit gezin Nita en Bep Cammenga staan niet op deze foto. Bep was reeds in 2002 overleden. Nita overleed in 2009 en ligt begraven op het kerkhof in Lisse (Bron: archief A.L. Cammenga).

Dankzij al deze verkregen getuigenverklaringen wordt thans volledig recht gedaan aan het verhaal van de razzia van woensdag 7 maart 1945 en aan de lotgevallen tijdens die rampzalige dag in Lisse van de 19-jarige Lisser Jillert Cammenga en dat van 39 andere jonge mannen uit dezelfde plaats. Deze mannen en hun families hebben er zonder meer volledig recht op dat deze diep ingrijpende en indrukwekkende dag in hun levensgeschiedenis nooit meer zal worden vergeten. Datgene wat hen op die bewuste woensdag 7 maart 1945 is overkomen is hen namelijk op afgrijselijke wijze opgedrongen door een wrede, fascistoïde, dictatoriale bezetter, die niets en niemand ontzag. Deze toenmalige jonge Lissers en hun families verdienen het – hetzij bij leven; hetzij postuum – dan ook dat hun geschiedenis voorgoed voor het nageslacht wordt bewaard. Daarmee wordt aan hen en aan hun dierbaren in zowel maatschappelijk als in menselijk opzicht in ieder geval in de geschiedvorming van Lisse zoveel mogelijk recht gedaan. Hiermee wordt aan deze 40 jonge mannen voorgoed een plek gegeven in de geschiedenis van Lisse.
Daarnaast is hun verhaal zowel nu als in de toekomst een belangrijke waarschuwing tegen dictatuur en fascisme. Ook mede daarom is het van groot belang dat deze razzia in Lisse op die afschuwelijke woensdag 7 maart 1945 nóóit meer vergeten wordt !!!

Informatiecentrum Tweede Wereldoorlog
Anne Louis Cammenga
Directeur
Antonlaan 432
3701 VT ZEIST
Tel.: 030-6939412
E-mail: AnneLouisCammenga@gmail.com
Website: www.iwoii.nl

Voor reacties, vragen óf aanvullingen op dit artikel kunt u contact opnemen met de schrijver van dit artikel de heer Anne Louis Cammenga of met Vereniging Oud Lisse

 

KIND IN DE TWEEDE WERELD OORLOG, DEEL 1

Coby Baltus, dochter van Johannes Baltus vertelt over haar herinneringen aan de 2e Wereldoorlog. Zij vertelt onder andere over de onderduikers in hun huis aan ‘t Vierkant.

Door Coby Baltes

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 1, januari 2014

Hoofdstuk 1 Mobilisatie

Toen ik 5 jaar werd in 1937 kreeg ik een kleurig ijzeren bordje cadeau met een afbeelding van prinses Juliana en prins Bernhard die in januari verloofd of getrouwd waren. Toen zei het me erg weinig, je kon het niet gebruiken. Maar toen de oorlog was uitgebroken, moest het verstopt worden. En daarna is het heel lang gekoesterd als een kleinood. Bij ons, wij bewoonden, boven de kapper, middenin het dorp, een vrij groot bovenhuis van 2 ½ verdiepingen hoog (met vliering), hing ook beneden bij de voordeur een ingelijste prent met ‘vals’ kaartende honden! Toen heb ik nooit begrepen wat het inhield of betekende, maar het was een subtiel protest! Alle betrokken landen in de oorlog stelden zij voor: onder andere een Duitse Herder en een Engelse Buldog. De honden speelden elkaar onder tafel de kaarten door? Ook was er in de kledingkast op zolder een antenne – in vierkantvorm – verborgen, om naar Radio Oranje te kunnen luisteren! Dat deed vader met de onderduikers; ‘gewoon’ en – of ‘joods’. Wij waren een gezin met vader, moeder en vijf dochters. Het 1e kind was een doodgeboren zoon, die in ongewijde aarde begraven werd naast het kerkhof. Dat heb ik overigens pas heel veel later gehoord toen ik 15 was. Nu liggen mijn ouders tegenover die plaats begraven.. Mijn oudste zus was 13 ½ jaar en zat op de naaischool bij de nonnen toen de Duitsers ons land binnenvielen en Rotterdam bombardeerden. Ik was net 8 jaar. De jongste was 6 ½ jaar. Kun je nagaan hoe jong we allemaal waren; vader en moeder beiden 40 jaar. Nu ben ik apetrots op mijn ouders, dat zij zich op deze manier hebben ingezet voor andere mensen. Vader zei altijd: “Het is mijn plicht, als ik vervolgd wordt om mijn geloof, dan wil ik ook geholpen worden.” En dat terwijl in ongeveer 1763 zijn voorvader Kasper Baltes, 30 jaar oud, uit Pruisen naar Nederland was gekomen. Ik denk niet dat hij dat heeft geweten. Misschien is dat ook wel een voordeel geweest toen de Duitse Ortskommandantur tegenover ons huis, in hotel ‘De Witte Zwaan’, haar intrek nam. De naam Baltes, niet Baltus (dan zou je Baltoes moeten uitspreken) is vrij algemeen in Duitsland. Onze tak komt uit de buurt van Oldenzaal om precies te zijn uit Lange unter Lingen, in Pruisen. Wat een moed, vertrouwen en geloof hebben mijn ouders gehad om datgene te doen, wat zij deden in oorlogstijd. Sommige mensen durven te zeggen dat het roekeloos was, maar ik vind het een enorm vertrouwen in dat goeddoen gewoon moet. Ja, wij werden, als kinderen, wel gewaarschuwd, dat we er niet over mochten praten. Maar hoe kun je zeker weten dat zulke jonge kinderen de ernst daar van in zien? Achteraf is het een zeer groot risico geweest. Maar ook zeer zeker de moeite waard. Vader, Jan Baltes, was chef-kruidenier bij de Fa Wijnbergh & Co. In 1918 was hij opgeroepen voor de militie (op eigen dringend verzoek, “met platvoet”) zonder kans op een baan want er was een stop bij de spoorwegen, terwijl hij voor machinist leerde! Hij heeft vervolgens gediend bij de Huzaren van Boreel, dus bij de paarden. Zijn ‘sporen’ lagen later bij ons in de knopendoos. In dienst, tijdens de 1e wereldoorlog was hij gelegerd in Bergen op Zoom, slechts voor één jaar, daarna voor de spoorwegen gedetacheerd in Hoogkarspel, voor bewaking van de spoorlijn.
Wat ik me kan herinneren van de tijd voor de oorlog, de mobilisatietijd: In de scholen waren de Nederlandse soldaten gelegerd en wij mochten toen naar ‘De Engel’, het buurtschap tussen Sassenheim en Lisse-dorp, op school. Achter op de fi ets bij de oudere zusjes. Want vader en moeder stonden beiden in de zaak. Dat er oorlogsgevaar dreigde begreep ik toen niet als klein meisje, maar het werd wel gezellig voor vader, want op een gegeven moment kwam mijn oudere zusje thuis met vier soldaten. Die had ze maar meegevraagd want ze hielden van kaarten en vader ook! De mannen waren opgeroepen, gemobiliseerd, voor de militaire dienst en waren gelegerd in onze school. Zij kwamen uit Drenthe, Overijssel en Friesland. Vader had thuis alleen maar meisjes en die kaartten niet. De mannen van 21 tot 40 jaar vonden het prachtig en kwamen regelmatig. Ook na de mobilisatie en na de oorlog onderhielden zij het contact met hun gezinnen en vriendinnen. De oudste was een bakker, Johan Kamp uit Delden, de jongste, Henk Veldmeijer, een Fries. Hij was rond de 20 jaar, sergeant, met strepen en mooie pet en moest vliegveld Valkenburg bewaken. Hij ging later bij de marechaussee en weer later bij de rijkspolitie in o.a. post Kruiningen. Wat de andere soldaat-sergeant, Jan van der Mark – uit Ede – deed kan ik me niet herinneren, wel dat hij enorm groot, lang was, ook bracht hij wel eens zijn verloofde mee. Dan was er ook ‘oom’ Albert Rijks, een boekhouder, later directeur van een zuivelfabriek in Norg. Op mijn verjaardag in maart kreeg ik van hen allen een poëziealbum cadeau. De broer van bakker Kamp uit Delden, Henk, hij studeerde voor priester (hij is het niet geworden), kalligrafeerde voor mij in een kerkboekje mijn naam. Beide boekjes heb ik nog in mijn bezit. Dus voor mij was de mobilisatietijd een tijd met veel mooie herinneringen. Echter toen de oorlog uitbrak en de bombardementen op Rotterdam begonnen waren, werden al deze bezoeken afgebroken. Later logeerden mijn zusjes wel bij enkelen van hen en bij allerlei gelegenheden kwamen ze naar Lisse, o.a. om het bloemencorso te zien! Alle contacten bleven behouden. Mijn 2 jaar oudere zusje, José, weet zich nog te herinneren dat we, moeder en zusjes, bij Oma en Opa in Beverwijk waren, op de fi ets vanuit Lisse, en over de radio het bericht kwam dat de Duitsers Rotterdam bombardeerden. 14 mei 1940: “To, je moet nu meteen met de kinderen naar huis, het wordt ernstig!”, zei Oma. Mijn zus José herinnert zich dat gezegde nog precies. Oma en Opa hadden de 1e wereldoorlog meegemaakt. Nederland was toen niet in oorlog, was neutraal, maar er was wel algemene alertheid en de grenzen waren gesloten. Zij werkten toen allebei bij de spoorwegen in de Haarlemmermeer en Velsen-Driehuis en Beverwijk. Beiden ambtenaar: Opa als baanwachter/spoorwegwachter en Oma was ook fulltime spoorwegwachteres, handmatig de spoorwegovergangen openen en sluiten.

Hoofdstuk 2 De oorlogstijd

Alle verloven van de militairen waren ingetrokken en vliegveld Valkenburg in Zuid-Holland moest extra bewaakt worden. Je voelde wel de spanning in huis om de militairen, maar echt begrijpen? Later wel. Het begin is verder eigenlijk aan me voorbij gegaan of heb ik verdrongen? Ja hamsteren, dus voorraden in huis halen, dat kan ik me wel herinneren. De volgorde van wat er allemaal gebeurde, staat me ook niet allemaal bij. De angst als de vliegtuigen over kwamen, die is heel lang gebleven en ze moeten nu nog niet te laag over komen. Eens was ik zoals altijd bij Oma en Opa te logeren in Beverwijk en werd er een vliegtuig, misschien meerdere, neergeschoten in een weiland achter het station en een scherf kwam vlak naast mijn matras door het raam heen op de grond neer. Dezelfde dag werd er voor gezorgd dat ik naar huis ging, want ze wilden niet het risico lopen dat er bij hen iets met mij gebeurde. Maar ook daar was je maar ternauwernood veilig. Vlak voor de oorlog uitbrak woonden wij een korte tijd vlakbij de Haarlemmermeer in Lisse en daar is in de oorlog, in een zijstraat -Broekweg- ook een bom gevallen, alleen de WC was blijven staan van dat huis. Tel je zegeningen! Dat zul je ook nooit vergeten en ja er waren slachtoffers, de moeder? Er werd natuurlijk voor de kinderen ook wel veel verzwegen. Maar later, toen de Jodenvervolging een feit was, werden we er wel mee geconfronteerd. Onze benedenburen, mevrouw was een Duitse, hij was niet fanatiek. Toen de Duitse soldaten op zoek waren naar ‘Fahrrad’ stuurde zij ze naar ons toe. Moeder hoorde het toen ze in onze keuken – boven hun keuken – stond. Dus de soldaten kwamen boven om het huis te doorzoeken, maar vonden niets. Vaders fi ets was uit elkaar gehaald en onder kleden op de vliering verstopt. Zij gingen naar beneden en zeiden, dat er niets was. Onze andere buurman was slager Piet Buschman, die ons vaak hielp. Ook toen dus. Hij had een zeer brede gang boven en daar een extra muur geplaatst. De andere benedenbuurman was een klokkenmaker/juwelier met 2 zonen, waarvan op een gegeven dag één van de vriendinnen uit Amsterdam/ Heemstede (?) langs kwam bij mijn ouders en vroeg of zij wilden helpen om een joods kind onderdak te geven. Wij waren namelijk allemaal op één na donker van haar en een paar met bruine ogen, dus ‘familie’ leek het. We kregen Rita, het jongste meisje uit een gezin, bijna 2 jaar. Wanneer ze precies kwam weet ik niet meer, vragen er over stellen mocht al helemaal niet. De andere kinderen uit dat gezin waren Later wel. Het begin is verder eigenlijk aan me voorbij gegaan of heb ik verdrongen? Ja hamsteren, dus voorraden in huis halen, dat kan ik me wel herinneren. De volgorde van wat er allemaal gebeurde, staat me ook niet allemaal bij. De angst als de vliegtuigen over kwamen, die is heel lang gebleven en ze moeten nu nog niet te laag over komen. Eens was ik zoals altijd bij Oma en Opa te logeren in Beverwijk en werd er een vliegtuig, misschien meerdere, neergeschoten in een weiland achter het station en een scherf kwam vlak naast mijn matras door het raam heen op de grond neer. Dezelfde dag werd er voor gezorgd dat ik naar huis ging, want ze wilden niet het risico lopen dat er bij hen iets met mij gebeurde. Maar ook daar was je maar ternauwernood veilig. Vlak voor de oorlog uitbrak woonden wij een korte tijd vlakbij de Haarlemmermeer in Lisse en daar is in de oorlog, in een zijstraat -Broekweg- ook een bom gevallen, alleen de WC was blijven staan van dat huis. Tel je zegeningen! Dat zul je ook nooit vergeten en ja er waren slachtoffers, de moeder? Er werd natuurlijk voor de kinderen ook wel veel verzwegen. Maar later, toen de Jodenvervolging een feit was, werden we er wel mee geconfronteerd. Onze benedenburen, mevrouw was een Duitse, hij was niet fanatiek. Toen de Duitse soldaten op zoek waren naar ‘Fahrrad’ stuurde zij ze naar ons toe. Moeder hoorde het toen ze in onze keuken – boven hun keuken – stond. Dus de soldaten kwamen boven om het huis te doorzoeken, maar vonden niets. Vaders fi ets was uit elkaar gehaald en onder kleden op de vliering verstopt. Zij gingen naar beneden en zeiden, dat er niets was. Onze andere buurman was slager Piet Buschman, die ons vaak hielp. Ook toen dus. Hij had een zeer brede gang boven en daar een extra muur geplaatst. De andere benedenbuurman was een klokkenmaker/juwelier met 2 zonen, waarvan op een gegeven dag één van de vriendinnen uit Amsterdam/ Heemstede (?) langs kwam bij mijn ouders en vroeg of zij wilden helpen om een joods kind onderdak te geven. Wij waren namelijk allemaal op één na donker van haar en een paar met bruine ogen, dus ‘familie’ leek het. We kregen Rita, het jongste meisje uit een gezin, bijna 2 jaar. Wanneer ze precies kwam weet ik niet meer, vragen er over stellen mocht al helemaal niet. De andere kinderen uit dat gezin waren Mijn oudste zus, toen 17 jaar, die heel veel mee moest helpen in het huishouden, kreeg ook heel ernstig difterie en kreeg veel meer injecties. Ik kan me er maar 1 herinneren. Ook mijn jongste zusje lag bij mij in die zijkamer te slapen. Toen Rita was overleden, vertrokken, na gedeeltelijk valse aangifte de volgende dag op het gemeentehuis, haar ouders meteen weer. Ze is op 17 december 1943 begraven. Maar toen ze in de slaapkamer van mijn ouders in haar eigen bedje was gelegd, lag ze er zo mooi bij met blosjes, dat ik de stille gedachte had dat het niet waar was, maar dat het een reden was om haar te laten verdwijnen. Wat een kind al niet bedenkt… Het is veel later wel goed gekomen, maar de oorlog laat wonden achter, ongemerkt. Rita had een eigen pop, Hetty, en een speelgoed herdershondje, Herta. [haar grootmoeder van vaders zijde heette Henriette]. We waren allemaal dol op haar. We bewoonden dus een bovenhuis, tegenover hotel ‘De Witte Zwaan’, waar in de oorlog de Ortskommandantur was gevestigd. Niet veel later in die maand werd er ‘s avonds bij ons aangebeld, of we voorzichtig het pakje wilde ophalen en verzorgen. Mijn zusje José ging naar beneden, een ‘kleine’ man gaf haar het pakje en zei héél voorzichtig en niet laten vallen en geef maar suikerwater. Boven in de kamer aangekomen werd het pakje voorzichtig geopend, bleek er een pasgeboren meisje in te liggen. Gewoon afgeleverd onder aan de trap. De moeder, naar later bleek, was bevallen in Sassenheim en het kind moest daar meteen weg. Zij is lange tijd bij ons geweest, Ina Fontijn. Na de oorlog ben ik er wel eens met mijn moeder op bezoek geweest. Haar vader was toen kleermaker in Zwaag. Als klein meisje had ze een blonde krullenbol. Van Rita en lna heb ik nog een foto.

Wordt vervolgd

De kruidenierszaak van J. Baltes. Foto genomen tijdens bloemencorso, waarschijnlijk jaren ‘50

GLAS IN LOOD RAAMPJES

Het glas -in-lood-raampje staat nu bij de VOL

Twee glad-in-lood raampjes  bij de VVV aan de Grachtweg  zijn verwijderd en gerestaureerd.

Door Else Wesseling – Capel

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 3, juli 2012Twee kleine glas-in-lood raampjes waren tot voor kort zichtbaar in de zijmuur van het pand van de V.V.V. aan de Grachtweg, voorheen het woonhuis van de familie Van der Linden. Ze bevatten kleurige afbeeldingen van zeilende binnenvaartschepen. Ze vielen nauwelijks op en verkeerden in een slechte staat. Dankzij de belangstelling en de hulp van de Vereniging Oud Lisse en niet te vergeten de bereidwillige medewerking van de V.V.V. zijn ze voor verval en ondergang gered, ook al zou het pand waarin ze zich bevonden in het kader van het plan Havenkwartier onder de slopershamer vallen. Onlangs werden ze deskundig en voorzichtig uit de sponningen genomen door medewerkers van de Vereniging Oud Lisse. Ze werden vervolgens, dankzij financiële hulp van de Vereniging Oud Lisse en bijdragen van sponsoren, vakkundig gerestaureerd. Zo blijven ze bewaard voor het nageslacht.

De restauratie is goed geslaagd

Deze raampjes zijn ook uit historisch oogpunt belangrijk. Ze vertellen het verhaal van ons dorp!
Lisse, oorspronkelijk gesitueerd aan het Haarlemmermeer, heeft ook een meer dan drie eeuwen lange geschiedenis van beurtschippers! Zij vormden voor Lisse een onmisbare schakel in de handel, later met name in de bloembollencultuur. Ouderdom en herkomst van de raampjes is niet meer te achterhalen. Toch zijn zij een symbool van een voor Lisse markante bedrijfstak. Er is nóg een aanknopingspunt met onze schippers in Lisse. Een van de kroonluchters in de Grote Kerk (de Hervormde Kerk aan het Vierkant) is geschonken door schippers te Lisse. Een schildje vermeldt dat met de woorden: “gegeve bij Engel Jacobsse, Jan Jacobss in den Direkse en de Pieter Willems Schippers tot Lisse 1660”. Naam en wapen van mijnheer In den Direkse sierden ook een gebrandschilderd glas dat ooit in die kerk te zien was en nu in de Bavo in Haarlem een plaatsje heeft. Geen onbetekenende bedrijfstak dus.


Waarom waren die twee kleine raampjes nu zo belangrijk voor zomaar een inwoonster van Lisse?
Wanneer men de kinderjaren heeft doorgebracht aan de Grachtweg, dan bekijk je dat gebied nog altijd met ogen waarin herinnering zich warm genesteld heeft.
Mijn broer Jan (1941) en ik (1946), beiden geboren aan de Grachtweg op nummer 55a, denken nog vaak aan de prachtige speelplekken tussen Grachtweg, Molenstraat, Kanaalstraat en Kapelstraat. Overal in die omgeving liggen onze voetstapjes, zoals bij de familie Tinus van der Linden, de laatste beurtschipper aan wat nu de Grachtweg is, maar in onze jeugdjaren was dat nog een echte haven met schepen.

Jan herinnert zich het gezin van Tinus van der Linden en Lina van der Linden-Ludlage als een veilige haven. Het was oorlog, de ramen waren verduisterd, maar in de grote keuken voelde het heel veilig en vertrouwd. De kinderen van der Linden, Wim, Siena, Willy, Theo en Mart, toen rond de twintig jaar, speelden een grote rol in zijn leven. Zij waren ook dol op hém, foto’s getuigen daarvan. Wanneer in de oorlogsjaren Vader en Moeder niet vóór “spertijd” thuis konden zijn dan bleef kleine Jan gewoon bij buurman Van der Linden. ‘s Avonds met de groten aan tafel met een mooi tijdschriftenboek en, óók voor hem, een pul donker bier! Blijven slapen was daarna geen probleem meer! Spanning was er ook in die tijd. In verband met een razzia moesten de zoons verborgen worden. Een schuilplaats onder de dekzeilen in het pakhuis leek een ideale plek. “Ga je gang”, zei Vader Tinus tegen de Duitsers die ook het pakhuis wilden doorzoeken; “ik zet de schnaps vast klaar”! Naar zijn zoons werd niet meer gezocht! Toen er eens geweerschoten klonken meende kleine Jan dat op de kade “kisten waren omgevallen”, alsof hij daarmee ‘de groten’ kon geruststellen!?
De Pastoor van de Agathaparochie zag het contact van de familie van der Linden met de protestantse familie Capel met lede ogen aan en wees Tinus van der Linden daarop. Van der Linden had daarover een eigen mening; “Pastoor” zei hij, “dat maak ik zelf wel uit!”
De familie van der Linden was niet bang uitgevallen! Dat bleek duidelijk toen de “Ondergrondse” 11 geallieerde piloten bij de beurtschipper bracht. Van der Linden verborg hen onder de luiken van een schip. Allen deden zich voor als doofstom om te voorkomen dat zij met elkaar, of met wie dan ook een woord zouden wisselen. Zo werden zij ‘illegaal’ naar Rotterdam vervoerd, begeleid door zoon Theo. Onderweg deden zich angstige situaties voor, maar ze bereikten Rotterdam veilig. Daar werden de piloten opgevangen en verder begeleid. Hoe het hen is vergaan? Een prachtige oorkonde met dankbetuiging vanuit Engeland en een certificaat van dank ondertekend door niemand minder dan Generaal, en later president van de USA, Dwight Eisenhower getuigen daarvan.

Als klein meisje kwam ik ook over huis bij de familie van der Linden. De woonkamer vond ik altijd heel bijzonder. Want daar, in de buitenmuur, aan weerszijden van de schouw, blonken twee kleurige raampjes met afbeeldingen van scheepjes. Iets om ademloos naar te kijken. Het pekineesje Mikado, in zijn mandje naast de haard stond dichterbij komen niet toe. Mikado had het niet zo op een klein meisje dat juist heel veel van honden hield. Maar, zelfs van een afstand waren die veelkleurige raampjes fascinerend!
Herinneringen, vanuit een verschillende invalshoek en om uiteenlopende redenen allemaal belangrijk. Ik denk dat ze daarom zo nadrukkelijk een plek innemen in mijn herinnering.
Echter, zijn kinderlijke herinneringen zoals dezen wel correct? Klopt het wel of ging mijn fantasie met me op de loop? De enige die het zou kunnen weten was Mevrouw M. van der Linden – van Ruiten.
Het bezoek aan haar werd een ervaring van warme belangstelling en herkenning. Zij kon mijn herinneringen bevestigen!
Daarmee werd de tijd voor Aktie; het plan Havenkwartier diende zich immers aan!
Die prachtige raampjes, door de tijd al zwaar beschadigd, mochten niet onder de slopershamer vallen!,

Restaurateur John v/d Meij in gesprek met initiatiefneemster Else Wesseling.

Onderstaand stond een van de vorige Nieuwsbladen

Een van de 2 verwijderde raampjes

Vorig jaar november kregen we een mailtje van mevr. Else Wesseling waarin ze aandacht vroeg voor twee kleine glasin-lood ramen in de zijmuur van het V.V.V. kantoor. Vroeger was dit het woonhuis/annex kantoor van beurtschipper M. van der Linden. De raampjes waren ernstig beschadigd. Mevr. Wesseling stelde voor om actie te ondernemen om de raampjes te behouden. Een prachtig initiatief waar de vereniging zich meteen in kon vinden. Half februari volgde de toestemming van het V.V.V. bestuur om de raampjes te verwijderen. Op voorwaarde natuurlijk dat de raampjes voor het nageslacht bewaard blijven. Inmiddels zijn de raampjes uit het pand verwijderd en is begonnen aan een plan voor restauratie.

Slag bij het Manpad in Lisse?

In Heemstede op de hoek van de Manpadslaan  staat een herdenkingsnaald, waarmee de slag tussen de Vlamingen en de Hollanders wordt herdacht. Maarten van Bourgondiën meent dat de slag ook in Lisse kan hebben plaatsgevonden aan de hand van een kroniek uit de 15e eeuw, de Johan Huyssens van Kattendijke kroniek. Deze kroniek wordt uitgebreid behandeld.

door Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Inleiding

Op de hoek van de Manpadslaan te Heemstede bevindt zich een herdenkingsnaald waarmee onder andere wordt herdacht dat daar op 25 april 1304 strijd werd geleverd tussen Vlamingen en Hollanders. Dat Holland en Vlaanderen in deze tijd in oorlog met elkaar waren lijdt geen twijfel. Het is echter nog maar de vraag of deze zogenoemde “Slag bij het Manpad” uit 1304 ooit heeft plaatsgevonden. Daarnaast bestaat er ook onzekerheid over de locatie van deze slag. De kroniekschrijver Johannes a Leydis maakt in een uit omstreeks 1490 daterende kroniek melding van de gebeurtenissen in 1304. Hij is de eerste die expliciet spreekt over de “Slag bij het Manpad”. Johannes a Leydis was kloosterling (en later ook prior) van het klooster van de Karmelieten te Haarlem, en zal bij het schrijven van zijn kroniek het “Manpad” in Heemstede voor ogen hebben gehad. Dit oude pad wordt namelijk al in de tweede helft van de veertiende eeuw als zodanig aangeduid en stond ook in de zestiende eeuw bekend als het “Mannepat”. [1]

Herdenkingsnaald aan de Manpadslaan te Heemstede (foto auteur).

In dit artikel wil ik een andere vijftiende-eeuwse kroniek behandelen die eveneens melding maakt van de veldslag uit 1304, maar daarbij met geen woord rept over het Manpad. Er wordt namelijk een heel andere locatie genoemd: Lisse! Het gaat om de zogenoemde “Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek”. Deze kroniek van de geschiedenis van Holland, Zeeland, West-Friesland en het Sticht Utrecht werd geschreven aan het eind van de vijftiende eeuw en was in 1614 eigendom van Johan Huyssen van Kattendijke. [2] De tekst van deze kroniek lijkt gebaseerd te zijn op het Gouds Kroniekje uit circa 1440. Dat is niet alleen de eerste kroniek waarin wordt gesproken over een veldslag in 1304 tussen Vlamingen en Hollanders op Hollands grondgebied, maar tevens de eerste kroniek waarin Lisse wordt vermeld als locatie van deze veldslag. Om de verwarring over de exacte locatie compleet te maken, wil ik tot slot nog even melden dat de uit 1517 daterende Divisiekroniek de veldslag uit 1304 niet in Lisse of bij het Manpad plaats laat vinden, maar in Hillegom. [3] Dat alle drie de bovengenoemde locaties aan de Heereweg gelegen zijn, is volgens mij geen toeval. Tijdens hun tocht door het graafschap Holland zullen de Vlaamse soldaten zeker gebruik hebben gemaakt van deze belangrijke verbindingsweg tussen Leiden en Haarlem. Een eventuele veldslag zal dan ook hoogstwaarschijnlijk op of nabij de Heereweg zijn geleverd.

Strijd om Zeeland

Nadat de Vlamingen in 1302 tijdens de beroemde Gulden Sporenslag een leger van de Franse koning vernietigend hadden verslagen, zagen zij hun kans schoon en vielen zij Zeeland binnen. De heerschappij over Zeeland ten westen van de Schelde werd namelijk al eeuwenlang betwist door de Hollandse en Vlaamse graven. [4] In 1303 werd Zierikzee belegerd door de Vlamingen. Een wapenstilstand bracht tijdelijk enige rust, maar toen het bestand in maart 1304 afl iep volgde een nieuwe Vlaamse inval waarbij Zierikzee voor een tweede maal werd belegerd. Daarnaast trok een deel van het Vlaamse leger het graafschap Holland binnen en veroverde daar stad na stad zonder daarbij op al teveel tegenstand te stuiten. Ook de stad Utrecht viel in Vlaamse handen. Alleen Dordrecht en Haarlem wisten de Vlaamse soldaten buiten de poorten te houden. Ondanks deze successen vertrokken de Vlamingen nog geen maand later ineens hals over kop uit Holland. Dat zou het gevolg zijn geweest van de slag bij het Manpad, waarbij de Hollanders onder leiding van Witte van Haamstede het Vlaamse leger in de pan hakten.

Slag bij Lisse

Witte van Haamstede was een bastaardzoon van de in 1296 vermoorde graaf Floris V (verwekt bij een dochter van de heer van Heusden). Volgens de Kattendijke-kroniek wist hij tijdens het tweede beleg van Zierikzee met een bootje te ontsnappen, waarna hij met een klein aantal manschappen bij Zandvoort landde en naar Haarlem trok. Daar ontrolde hij zijn banier met daarop de rode leeuw van de graven van Holland. Volgens Witte van Haamstede was het een grote schande dat men Holland zomaar zonder slag of stoot opgaf. Zijn toehoorders waren het daarmee hartgrondig eens en ook uit de directe omgeving kwamen al snel vele mensen naar Haarlem die mee wilden helpen om de Vlamingen gewapenderhand uit Holland te verdrijven. Onder leiding van Witte van Haamstede verlieten zij Haarlem, waarna zij “te Lis” een grote groep Vlamingen tegen het lijf liepen. Er volgde een hevig gevecht dat overtuigend door Witte van Haamstede werd gewonnen. Volgens de Kattendijke-kroniek vonden daarbij zoveel Vlamingen de dood dat men de tel is kwijt geraakt. De wapenuitrusting en kleren van de gedode Vlaamse soldaten werden op een grote hoop gegooid: “Dit sel een teyken wesen dat den Vlaminghen den wech wijsen sel op een ander tijt als zij wedercommen sellen” [dit teken – de stapel wapenuitrustingen en kleren – zal de Vlamingen de weg wijzen als zij in de toekomst ooit nog eens terugkeren in Holland]. Na deze glorieus gewonnen veldslag kwamen de door de Vlamingen veroverde Hollandse steden in opstand tegen hun bezetters en duurde het niet lang voordat de laatste Vlaamse soldaten uit het graafschap verdreven waren.

Feit of mythe?

Dat is in ieder geval wat de Kattendijkekroniek en andere vijftiende-eeuwse kronieken ons willen doen geloven. Tegenwoordig wordt echter ernstig betwijfeld of de slag bij het Manpad wel heeft plaatsgevonden. Zo is het opvallend dat twee kroniekschrijvers die de Vlaamse inval van 1304 min of meer als tijdgenoten hebben meegemaakt (Melis Stoke en Willem Procurator) in hun geschiedwerken nergens melding maken van een speciale bevrijdingsslag op Hollandse bodem. Zij vertellen wel dat Witte van Haamstede naar Haarlem trok en daar vreugdevol werd ontvangen (waarna diverse Hollandse steden in opstand kwamen), maar een slag bij het Manpad wordt niet genoemd. Dat geldt eveneens voor de kort na 1346 voltooide “Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Holland” (geschreven door Johannes de Beke). Daarin reist Witte van Haamstede wel via Zandvoort naar Haarlem, alwaar hij hulp krijgt van de Kennemers en West-Friezen, maar vervolgens wordt slechts in algemene termen verteld dat zij er met schepen en paarden op uit trokken om de door de Vlamingen gegijzelde personen te bevrijden, waarbij zij alle Vlaamse soldaten doodsloegen die zij onderweg tegenkwamen. Dit lijkt dus meer te wijzen op verschillende kleine schermutselingen en niet op één beslissende veldslag. Daarnaast is het opvallend dat in de Lissese geschiedenis nergens verhalen opduiken die (heel in de verte) verwijzen naar een beroemde slag die bij dit dorp plaats zou hebben gevonden. Volgens de kronieken uit de vijftiende eeuw moet het een indrukwekkende strijd zijn geweest: zo’n veldslag waarvan je verwacht dat die van generatie op generatie door wordt gegeven en op die manier in het collectieve geheugen van de dorpelingen blijft zitten. Tot nu toe is er in de Lissese archieven (of in de archieven van naburige dorpen) echter niets gevonden dat in die richting wijst. Doorslaggevend bewijs tegen de slag bij het Manpad is dat natuurlijk niet: archiefstukken kunnen verloren zijn gaan en er zijn wel meer belangrijke gebeurtenissen uit het collectieve geheugen van de Lissenaren gewist. Zo is het bijvoorbeeld aan de geschriften van de abdij van Egmond te danken dat wij tegenwoordig op de hoogte zijn van het feit dat in 1182 in Lisse met veel pracht en praal het huwelijk werd gevierd van Margaretha van Holland (dochter van graaf Floris III en Ada van Schotland) en Dirk van Kleef. [5] In de Lissese archieven is hierover namelijk niets meer terug te vinden. Vlaamse kroniekschrijvers uit de veertiende eeuw reppen eveneens met geen woord over een veldslag op Hollands grondgebied. Zij geven de Frans-Hollandse overwinning in de zeeslag van 10 augustus 1304 bij Zierikzee als reden voor de defi nitieve nederlaag van het Vlaamse leger. [6] Daarnaast ontbreken in de doorgaans zeer gedetailleerde Vlaamse stadsrekeningen posten die verband zouden kunnen houden met oorlogshandelingen in het graafschap Holland. Mr. J.W. Groesbeek bespreekt in zijn boek over de geschiedenis van Heemstede twee oorkonden uit 1306, waarin Haarlem en naburige dorpen verklaarden dat zij doden en gewonden te betreuren hadden in de strijd tegen de Vlamingen en dat zij daarnaast ook materiële schade hadden geleden. [7] Dat wijst wel op oorlogshandelingen, maar vormt op zichzelf geen overtuigend bewijs dat de slag bij het Manpad daadwerkelijk plaats heeft gevonden. Zo ontbreekt in de bovengenoemde oorkonden bijvoorbeeld het dorp Lisse, terwijl daar volgens diverse kronieken toch ook strijd zou zijn geleverd. Daarnaast is ook nergens iets terug te vinden over een beleg van het slot Teylingen. Dit was veruit het belangrijkste militaire steunpunt tussen Leiden en Haarlem. Zouden de Vlamingen dat zomaar zonder slag of stoot in Hollandse handen hebben gelaten? Of vormden kastelen als Teylingen misschien geen bedreiging meer omdat de garnizoensbezetting verzwakt was vanwege de strijd in Zeeland?
Een ander punt dat twijfel zaait over de betrouwbaarheid van de vijftiendeeeuwse kronieken is het zelfstandige en krachtige optreden van Witte van Haamstede. Met het kinderloos overlijden van graaf Jan I (zie onderstaande fragmentgenealogie) kwam het graafschap Holland via de zus van graaf Willem II in handen van de graven van Henegouwen uit het huis van Avesnes. Indien Witte van Haamstede door de bevolking zou worden beschouwd als de grote bevrijder van Holland bestond het risico dat de Avesnes het graafschap weer kwijt zouden raken aan deze buitenechtelijke nakomeling van graaf Floris V (die als bastaardzoon eigenlijk niet voor opvolging in aanmerking kwam). In navolging van een kroniekfragment uit de periode 1337-1350 gaat de historicus F.W.N. Hugenholtz er dan ook van uit dat Witte van Haamstede pas in Holland arriveerde nadat de steden in opstand waren gekomen. [8]

Conclusie

Hoewel het een mooi en meeslepend verhaal is, hoeven we in Lisse nog niet meteen een monument op te richten om de veldslag uit 1304 te herdenken. Wat de slag bij het Manpad betreft is er namelijk voldoende reden om aan de betrouwbaarheid van de vijftiende-eeuwse kronieken te twijfelen. Misschien was er ook niet één grote veldslag, maar ging het om een serie kleine schermutselingen, die later door kroniekschrijvers zijn samengevoegd tot één heroïsche slag bij het Manpad. Dat zou in ieder geval al die verschillende locaties verklaren. Gezien de periode waar het om draait, zal het erg moeilijk zijn om nieuwe aanwijzingen te vinden die iets meer kunnen zeggen over deze veldslag. Zolang concrete bewijzen uitblijven, kunnen we het verhaal dan ook het beste beschouwen als een leuke anekdote in plaats van een historisch feit.

Noten

[1] Mr. J.W. Groesbeek. Heemstede in de historie, leven, werken, handel en koehandel in de woonplaats van Emece (z.pl. 1972) 39.

[2] Antheun Janse en Ingrid Biesheuvel, Johan Huyssen van Kattendijkekroniek. Die historie of die cronicke van Hollant, van Zeelant ende van Vrieslant ende van den Stichte van Utrecht Rijks Geschiedkundige Publicatiën Kleine Serie nr. 102 (Den Haag 2005).

[3] F.W.N. Hugenholtz, “Historie en historiografi e van de slag aan het Manpad (1304)”, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1953-1955), 31-47, aldaar 39.

[4] Ibidem, aldaar 32.

[5] Marijke Gumbert-Hepp, J.P. Gumbert en J.W.J. Burgers, Annalen van Egmond. De Annales Egmundenses tezamen met de Annales Xantenses en het Egmondse Leven van Thomas Becket Middeleeuwse Studies en Bronnen CVII (Hilversum 2007) 277.

[6] Hugenholtz, Historie en historiografi e, 31-47, aldaar 37-38.

[7] Groesbeek, Heemstede in de historie, 23. [8] Hugenholtz, Historie en historiografi e, 31-47, aldaar 43-44. Het is overigens nog interessant om te vermelden dat Arend van Haamstede, zoon van Witte van Haamstede, vanaf 30 maart 1339 enige tijd ambachtsheer van Hillegom en De Vennip is geweest.

 

Herinneringen en belevenissen van de 2e Wereldoorlog.

Henk Schalk vertelt over zijn belevenissen  in en herinneringen aan de 2e wereldoorlog.

door Henk Schalk

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding.

Wat zou het goed zijn, als er personen zijn die de 2e Wereldoorlog, met name in ons dorp Lisse, heel bewust hebben meegemaakt en daarvan ook nog hun herinneringen en belevenissen op papier willen zetten. Die vraag kwam een poosje geleden bij mij op. Op verjaardagen hoor je vaak de verhalen over de periode die je zelf niet meegemaakt hebt. Ik vroeg het aan mijn zwager, Henk Schalk ( 1929). Geboren en getogen Lisser en zoon van een bakker.
De winkel en daar achter de bakkerij in de Kanaalstraat had als huisnummer 149. Tegenwoordig staat op die plek het bedrijf en winkel van Electrotechnisch Installatie Bureau Jan van der Reijden. Toen de oorlog uitbrak was Henk Schalk 10 jaar oud. Veel kan hij zich nog herinneren van de 5 jaar bezetting. Zie hier zijn verhaal dat hij voor de Vereniging Oud Lisse op papier zette.
Chris Balkenende.

Hier volgt het relaas van Henk Schalk.

10 mei 1940

We worden wakker van het lawaai in de lucht, kijken naar buiten en zien een vliegtuigje brandend naar beneden storten. Hebben de laatste maanden veel oefeningen van de soldaten gezien, maar dit is OORLOG. We gaan wel naar de kerk, want het is 2e Pinksterdag. Mogen dinsdag van vader niet naar school. Die blijkt trouwens gesloten te zijn. We brengen 4 dagen door met beplakken van de ramen met stevig papier/ karton, zodat ze niet in scherven uit elkaar kunnen springen.

15 mei 1940

De Duitsers hebben het hart van Rotterdam weggebombardeerd en dreigen hetzelfde te doen met Utrecht als Nederland niet capituleert. De regering moet het land wel overgeven, tegen criminelen valt niet te vechten. Na een paar dagen komt het bezettingsleger ook in Lisse. Wàt een legerauto`s, zo groot en hoog. Een paar Lissese meiden komen gelijk ook al lol maken met de chauffeurs : de eerste moffenmeiden !

Situatie op de hoek van de Broekweg en de Kanaalstraat na het bombardement

Op een avond in het begin van de oorlog zijn er plotseling laag over razende vliegtuigen en drie enorme explosies. Broer Frans van 14 jaar komt naar binnen hollen : “moeder…..moeder…..”. Het blijkt dat hij met Izak Leemans, de knecht, met een zaklantaarn in de lucht heeft staan schijnen. Ze dachten dat de bommen op het lampje gericht waren…. Een Engelse jachtbommenwerper werd achterna gezeten door een Duitse jager en had, om sneller te kunnen vliegen, zijn bommen afgeworpen ; één op de hoek Kanaalstraat/Broekweg -drie ? doden, één vlak voor de villa “De Driesprong” en één in het weiland daarnaast.
Al gauw start `s avonds vanaf Schiphol een vloot bommenwerpers om Londen te bombarderen. Dat betekent iedere avond/ nacht een paar uur wakker liggen van de vliegtuigherrie. Je komt absoluut niet in slaap. Maar er worden boven Engeland zoveel Duitse vliegtuigen neergeschoten, dat ze er mee moeten stoppen. De Engelsen gaan wraak nemen met nog veel meer en grotere bommenwerpers, die ook nog beschermd worden door snelle jachtvliegtuigen. Dus nog veel langer wakker liggen. Gelukkig namen ze op de terugweg een andere route.
Toen Amerika aan de oorlog ging deelnemen gingen ze helpen om Duitsland te bombarderen, maar: gewoon overdag! Vanuit Engeland. Ze vlogen zo hoog dat de vliegtuigen bijna niet te zien waren, maar wel de bevroren uitlaatstrepen van de viermotorige toestellen. Soms kwam een aangeschoten toestel laag vliegend terug in een poging om Engeland te halen. De Duitsers schoten daar met hun luchtafweergeschut vanuit de duinen als razenden op. Het was beter om dan binnen te blijven, omdat de granaatscherven soms letterlijk in het rond vlogen. Op mijn verjaardag in december 1943 bombardeerden de Amerikanen Schiphol. Overdag. De bovenramen van de klas stonden open. Bij ieder salvo van de Duitse afweerkanonnen kletterden ze vreselijk. Mijnheer Koppenaal wilde ze daarom dicht doen. Maar iedere keer als hij er dichtbij was dreunde er weer een salvo en sprong hij haastig terug. Je zag in de lucht bij ieder salvo een serie zwarte wolkjes komen van de ontploffende granaten, zodat het zonlicht er minder door werd.
Eten, brandstof, kleding, eigenlijk alles werd al gauw gerantsoeneerd en kwam “op de bon”. Zogenaamd om alles eerlijk te verdelen. Maar in werkelijkheid omdat het bezettingsleger een aandeel van onze voorraden eiste, en om zoveel mogelijk naar Duitsland te slepen. Voor de middenstand in de voedselvoorziening was dat een ramp ; bij onze bakkerszaak moest de klant voor ieder broodje distributiebonnen inleveren. Die kregen ze bij het distributiekantoor op de Heereweg, voor een bepaalde periode en dan werd voor de week van de zoveelste tot de zoveelste van de maand in de kranten aangegeven welke bonnen er geldig waren. En zo zat de Familie Schalk de hele zaterdagavond bonnen te plakken op opplakvellen. De volle opplakvellen moesten worden ingeleverd bij het distributiekantoor en daarvoor kreeg je dan coupures waarmee je bij de meelhandel balen meel kon kopen. Al gauw werd de kwaliteit van het meel miserabel, want er werd van alles doorgemengd: erwtenmeel, roggemeel ; er was geen brood van te bakken. De mensen die aan tarwemeel wisten te komen kwamen dat bij ons inleveren en later hun brood afhalen.
In 1944 kregen de kleinere bakkers geen brandstof meer om in hun eigen bakkerij te blijven bakken. Zo moesten wij en bakker Schakenbos bij de Protestantse Coöperatie op “De Gracht” intrekken. Tot dat er bijna niets meer was en de mensen broodblikken kwamen brengen waarin deeg kon zitten, gemaakt van roggemeel, gemalen spinaziezaad, tulpenbollen, pulp van suikerbieten en nog meer ellende. En dat in allerlei formaten zodat de bakker de grootste exemplaren achter in de oven moest schuiven, omdat die het laatst gaar waren en hoe kleiner, hoe meer naar voren en het eerst gaar. We hebben wel meegemaakt dat de klanten een stok op de bodem van het blik gelegd hadden, om te controleren of het echt wel hun deeg was en of er niets was afgehaald. Ook wel dat ze een aantal bonen in het blik gelegd hadden. Met Kerstmis 1944 kwam een Duitse militaire bakker koek bakken bij de Coöperatie, onder begeleiding/controle van een sergeant… Een levensgrote bol koekdeeg lag op de werkbank. Toen de eerste plaat koek uit de oven kwam kreeg de sergeant er één van. “Hmm, schmeckt gut”. Maar de bakker bromde : “Mit Eier wäre`s besser gewesen”. En dat terwijl de bevolking hongeroedeem had. Thomas Gort uit de Beatrixstraat wachtte tot bakker en sergeant even in het magazijn waren, kneep een groot stuk koekdeeg van de berg af, stopte het weer netjes toe en verborg het in zijn tas. Toen de Duitsers klaar en weg waren zei hij tevreden : “Ziezo, nou ga IK koek bakken”. Link genoeg, want dat was stelen van legervoorraden !
De honger was groot, ik meen dat het rantsoen in de hongerwinter (december-maart 1944-1945 ) een roggebrood van 800 gram was voor een hele week en dat terwijl er verder nagenoeg niets was. De mensen die zelf aardappelen hadden waren nog betrekkelijk goed af. Toen in die winter mijn bakkerskar bij iemand voor de deur stond waar ik binnen was, kwamen er een jongen en een meisje aanrijden, haalden allebei een brood uit de kar, wikkelden die in een jutezak en reden weg. Toen ik schreeuwend naar buiten rende lieten ze het gauw op straat vallen en vluchtten weg. Dat waren geen echte dieven, die waren “De Meer” in geweest om een beetje eten proberen te kopen en dat was niet gelukt. Waarschijnlijk Leidenaars. Een andere keer kwamen er twee zwarthandelaars bij mijn kar staan : “Bakker, je hebt nog wel een broodje over ; zestig gulden”….
In de herfst van 1944 was, om de bevolking wat beter te kunnen voeden op de Haven een gaarkeuken ingericht. De bevolking had geen brandstof en kon daar met inlevering van hun distributiebonnen een aanvankelijk nog voedzame maaltijd kopen. Later werd de spoeling heel dun en moesten er ook suikerbieten verwerkt worden. Neef Henk Brussé had daar de administratie van.
Hoe de Duitse militairen aan hun vis kwamen ? Ze vorderden bij brugwachter Wesselius een roeiboot en gingen een eindje het Kanaal op, trokken de slagpin uit een handgranaat en gooiden die weg en als de waterzuil van de ontploffi ng was uitgebruist kwamen de verdoofde en de dode vissen vanzelf boven drijven…
Een aardig voorval uit 1941. De Duitsers lagen in onze school in de Schoolstraat. Er moest een aanval met rubberboten geoefend worden, juist toen de school bijna aan zou gaan. Het starten was op de plaats waar vroeger expediteur M. van der Linden was, aan de Gracht. Eén rubberboot was al van de kant afgestoken toen er nog een soldaat aan kwam rennen. Hij moest van de commandant toch springen, maar: half er naast en werd op het bootje gehesen. En lachen de schoolkinderen en woest de commandant.
Die soldaten werden `s avonds en `s nachts ingekwartierd bij de burgerij. Het hele dorp was geïnspecteerd en als je een kamertje of ruimte had waar er wel een paar konden slapen, kwam je er niet onder uit om ze te nemen. Wij kregen er twee uit Beieren : de ene was houthakker van beroep, vingers als worsten en een trouwring zo groot als een hoepel ( ietsje overdreven ). Na een paar maanden moesten ze weer weg, ze wisten niet waar naar toe. Een half jaar later stond de troep ineens weer op het Asveld, nu parkeerterrein t.o. onze school. Ook onze August Benedict en Hans Hecker. Ze waren duidelijk blij om ons weer te zien en of we aan onze Vater und Mutter wilden vragen “of ze weer bij ons mochten”. Dan mocht het van de commandant ook. Het waren echt aardige kerels. Ze brachten van de dienst altijd “drups” mee, druivensuikersnoepjes, erg lekker. Wij hadden al snel geleerd om te vragen “Haben sie noch Drups ?” Ze waren toen in Frankrijk geweest bij het bezettingsleger.
De avond voor Kerstmis 1942 kwamen ze in de bakkerij, thuis van een dienstfeestje, Hans half aangeschoten, tenminste : Hans had de klompen van mijn vader aangetrokken en stond op de neus te drukken of ze wel pasten… Dat was wel lachen natuurlijk. Maar toen hij daarna ook de Hitlergroet maakte, met uitgestrekte rechterarm “Heil Hitler” riep, had je moeten zien hoe woedend August op hem werd… Waarschijnlijk meer omdat hij wist hoe de Hollanders over Hitler dachten, dan om zijn eigen gevoel voor Hitler. Want de inwoners van Beieren waren uiterst Rooms Katholiek en ze geloofden heilig wat Hitler altijd propageerde over Rusland, de Communistische Godloochenaars en de strijd daar tegen. Kort daarna moesten ze weer weg, wisten zogenaamd weer niet waar naar toe. Dat ze bang waren dat het naar Rusland zou zijn, durfden ze niet eens hardop te zeggen. Het Duitse leger in Rusland had zware verliezen geleden en moest en zou aangevuld worden, desnoods met tweederangs troepen. Later kwamen van Frau Benedict en Frau Hecker de bidprentjes, “Gefallen für das Vaterland”. En zo ook bij andere mensen die inkwartiering hadden gehad.
Jonge mannen waren al gauw niet meer veilig voor de bezetters en de N.S.B. Die moesten als ze zo`n 18 jaar waren en maar enigszins gemist konden worden, in de Arbeidsdienst, een op militaire leest geschoeide organisatie. Ze moesten in uniform allerlei klussen doen. Met hun als een geweer over de schouder gedragen scheppen, leerden ze exerceren en marcheren, allerlei domme commando`s opvolgen en werk doen in de voedselvoorziening of zelfs ten behoeve van het Duits leger.
In de tweede helft van 1944 was er geen enkele man meer veilig. De Duitsers gingen razzia`s houden en haalden iedere man uit huis of van de straat die ze konden vinden. Waar ze naar toe gingen wisten ze nooit, maar dat kon van alles zijn: werken aan Duitse verdedigingsinstallaties, naar Duitsland enz. Als ze gepakt werden bij een poging om te ontsnappen waren ze heel slecht af.
Werkelijk miserabel en angstig werd het toen in het Keukenhofbos een startbaan van de V-1 was aangelegd; zeg maar zo`n vijftig meter voorbij ( nu ) de van Lyndenweg links, tien of twintig meter van de Stationsweg. Wij wisten van de aanleg niets af, alleen dat de Stationsweg was afgesloten vanaf het “zandpad” tot de Loosterweg. Reken maar uit hoe ver je om moest lopen als je bij Lammetje Groen moest zijn. De eerste keer dat zo`n ding werd gelanceerd lagen we stijf van schrik in bed; een geluid alsof er twintig tractors tegelijk werden gestart vlak voor je deur. Dat was de eerste keer dat ik begon te

Boerderij uit 1942 van de boerderij van familie de Wit, boerderij ‘de Phoenix’

wanhopen of de Duitsers de oorlog wel echt zouden verliezen. Eén is er toen nog dicht bij de boerderij van de Wit neergestort en ontploft. Geen ruit meer heel en geen pan meer op het dak.
Wij hebben toen voor de mensen die alles kwamen repareren nog met meel van de Wit brood gebakken en geleverd. Gebracht op een handkar. Toen ik met onze geëvacueerde knecht uit Bruinisse vlak bij de boerderij was kwam er een aanval met Spitfires op de spoorlijn, vlak bij het station, je zag de bommen vallen, zo dichtbij, alsof ze op je hoofd zouden komen. Vreselijk angstig.

Als de Duitse Abteiling ging marcheren liep voorop een Feldwebel. Die had een paar oorlogsonderscheidingstekens en een ( gemeen ) gezicht, verminkt door een enorm litteken. Die gaf het tempo aan en brulde zo nu en dan: “Ein_Lied_ _ _zwei_vier_ _ _” en dan zong de hele troep gehoorzaam zo`n Heimatliedje mee. Dat was bij de Duitsers gebruikelijk, om bij iedere afdeling minstens één echte NAZI te zetten. Broers en neven van een schoolkameraadje waren op de Tuinbouwschool op de Heereweg en hadden daar met scheikunde een explosief mengsel leren maken. Zij noemden dat Calium/Magnesium en haalden dat gewoon bij de drogist. Ze hadden daar een leuk spelletje mee verzonnen. Ze deden dat in pakjes en legden die op de tramrails vóór de Rooms Katholieke school op de Heereweg. Zelf kropen ze ( en wij..) achter de struiken in de tuin van de Bollenkwekers Gebr. Segers.

Als de tram er overheen reed hoorde je een stel daverende knallen, werd de schildwacht die voor de bezette school stond héél erg zenuwachtig en ging staan zwaaien en dreigen met z’n geweer; een niet ongevaarlijk spelletje!
Toen de voedselvoorziening onvoldoende werd – al in 1943 – kon je van de Gemeente Lisse gratis een volkstuintje krijgen. Er was een braakliggend terrein, begrensd door de Broekweg-( nu ) Hyacintenstraat- Gladiolenstraat en ( nu ) Irissenstraat, waar je dan een stukje van mocht bebouwen. Tabak was er al gauw helemaal niet meer. In het begin van de oorlog waren er nog “Blazertjes” te koop, een soort sigaretten van Joost-mag-weten wat voor soort van gedroogde bladeren. Een gruwelijke smaak en stank… Wie een beetje tuinruimte had ging zelf tabak verbouwen en dat groeide hier eigenlijk best aardig. Als de bladeren groot genoeg waren werden ze geoogst, de nerven er uit gehaald en gedroogd. Dan in heel smalle reepjes gesneden en gefermenteerd. Dat was dan de “Eigen Teelt”. Als de shag helemaal klaar was kwam het probleem van de vloeitjes die niet meer te koop waren. Krantenpapier was wel een heel slechte vervanger. Het is bekend dat er menig dun papierig bijbeltje en psalmboekje voor misbruikt is.
De Duitse bezettingsmacht bestond aanvankelijk uit parate troepen. Toen die allemaal naar Rusland verdwenen waren, kwam er “tweede keus” voor in de plaats, ouderen en minder validen. Die bleken op den duur niet mobiel genoeg en gingen fi etsen vorderen. Ik stond een keer in de Kanaalstraat, voor de brug rechtsaf dus, aan deze kant van het Kanaal. Net over de brug stond zo`n Duitser en daar kwam van de kant van De Kaag een mij bekende Lisserbroeker aan fi etsen op een fi ets met luchtbanden. Die werd aangehouden en daar stonden ze allebei aan de fi ets te trekken. “Mot je mijn Fahrrad hebbe ?” de één, en: “Ja Mensch, das ist beständigt für die Wehrmacht” de andere. Maar omdat de Duitser in z`n ene hand dat zware geweer had, wist de Dijker z`n fi ets toch los te rukken, er op te stappen en terug te rijden richting huis. Nageschreeuwd en gedreigd door de soldaat en die had toch niet het lef om te schieten.
Er is nog een gelegenheid geweest dat de Zweden, met toestemming van de Duitsers, schepen met balen bloem mochten lossen in Delfzijl. Hoe dat bij ons terecht kwam weet ik niet meer, wel dat het als een groot geschenk werd gezien. Toen kon er weer even echt goed brood worden gebakken. Later, maart of april mochten Engelsen en Amerikanen voedselpakketten droppen in de buurt van de steden: Rotterdam, Den Haag, Leiden, Haarlem, Vogelenzang. Dat werd een grote uitkomst. Mensen stonden met lappen en vlaggetjes te zwaaien naar de laagvliegende voedselbommenwerpers. Je kon soms echt de bemanning zien zitten, vooral de Amerikanen waarvan de Vliegende Forten veel meer glas in de voorkant hadden. Bij de Protestantse Coöperatie stond Koos van Leeuwen op het dak van het magazijn naar ze te zwaaien. In zijn enthousiasme deed hij een stapje achteruit, nog een stapje en nog één en viel achterover naar beneden waar Horsman zijn broodkar stond te laden en Koos werd ongedeerd door hem opgevangen.
Eén of twee weken voor het einde van de oorlog op 5 mei konden de Duitsers geen V-1 ‘s meer bij de startbaan krijgen. De spoorlijn was verwoest en misschien hadden ze er ook niet meer. De gigantische dreun van het opblazen klonk ons als muziek in de oren, want je begreep: “nou duurt het echt niet lang meer”. En de enorme rookwolk die langzaam naar het Noorden dreef werd zo lang mogelijk nagekeken. Toen je na het einde van de oorlog op 5 mei 1945 weer in het bos mocht komen, kon je zien wat voor een onding het eigenlijk was: een betonnen baan waarop een stalen buis van 30 of 40 meter lang, met aan de bovenkant een gleuf. Daar werd een soort overmaatse ijzeren bot doorheen geschoten. Aan dat bot zat aan de bovenkant een haak die boven de gleuf uitstak en het projectiel/vliegtuigje meenam, waarvan de primitieve reactie-motor van tevoren was gestart. Alles maakte een heidens kabaal en het heette dat er zoveel vuur uit de gleuf en de motor kwam dat ze daar hun soldaten niet aan waagden, maar er krijgsgevangenen voor gebruikten.
Maar op 5 mei capituleerde het Duitse leger onvoorwaardelijk en braken er betere tijden aan.

Dynastie Lefeber

Joseph Willem Lefeber, geboren in 1860, werkte bij Gebroeders Segers. Omstreeks 1885 begint hij een bloembollenkwekerij met Van Kampen. Later ging hij alleen verder. Zijn oudste zoon J.W.A. Lefeber begon een eigen kwekerij. Hij ging hyacinten en narcissen veredelen. De belevenissen van de zoons van J.W.A.  worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

De bollenteelt in de omgeving van Lisse is betrekkelijk nieuw. Zij ontstond hier zo’n 1 á 1 ½ eeuw geleden. Soms hadden kwekers een agrarische achtergrond, bijv. van boer of groenteteler. Maar hoe zat dat met de familie Lefeber? In dit artikel willen we ingaan op het gezin Lefeber. D.W. Lefeber, de bekende veredelaar aan wie ons nieuwsblad een viertal artikelen wijdde, is telg van deze familie. De geschiedenis geeft een mooi tijdsbeeld weer. We gaan terug naar 1809. Naar Den Haag. Daar trouwt J.M. Lefeber, die bakker is, met de weduwe van een bakker. Een economisch huwelijk, want zo worden twee bakkerswijken samengevoegd.
Korenmolenaars en bakkers zijn in die tijd hechte groepen (soort kartels) met een sterke sociale controle. Zij beschermen elkaar tegen tegenslagen, de gevolgen van ziekte en de zorgen van ouderdom. De kartels beperken de concurrentie, onderling en van buitenstaanders. Brood is tot ongeveer het midden van de negentiende eeuw uitsluitend gebakken door bakkers in kleine bedrijven. Een meester-bakker met één of meer leerling-gezellen (soms zoon des huizes) doen het werk. Er zijn afspraken over de verdiensten en over de prijzen. Dat heeft tot gevolg dat de broodprijzen in de steden en daarmee ook de kosten van levensonderhoud hoog zijn. Sinds de tweede helft van de 18e eeuw is de industriële bereiding van meel en brood bekend. Dat zou de kosten voor een brood aanzienlijk kunnen drukken. In Nederland staat echter de ’wet op het gemaal’ het ontstaan van meel- en broodfabrieken in de weg. De strenge ’wet op het gemaal’ is afgestemd op het traditionele kleinbedrijf. Zo belast de wet de eerste levensbehoeften van de bevolking. Brood behoort immers, met aardappelen, tot het hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding. Dat wordt ook erkend door regering en parlement. Maar hoewel de wet regelmatig onder vuur ligt, komt het maar niet tot een afschaffing ervan.
Bakker Lefeber wacht de concurrentie van fabrieken niet af. Het bakkersechtpaar besluit uit te zien naar een dorp waar plaats is voor een bakker. Dat wordt Lisse, waar zij zich in 1826 vestigen aan de Heereweg 195.

J.W. Lefeber (1813- 1898) J.W. Lefeber (1860- 1952)

Dat J.M. Lefeber een vooruitziende blik heeft blijkt uit het feit dat Den Haag de stad wordt met de meeste en de meest geavanceerde broodbedrijven. Zoon J.W. Lefeber (geb. 1813) is dan leerling-bakker en zet later de bakkerij van zijn vader in Lisse voort. In die tijd hebben de mensen nog niet zo’n hoge levensverwachting. J.W. Lefeber trouwt zelfs 3 keer. Zijn eerste twee echtgenotes sterven op jonge leeftijd. Uit alle huwelijken worden kinderen geboren, 14 in totaal. Een zoon uit het laatste huwelijk, met Maria van Loon, wordt de stamvader van een echte bollendynastie. Deze zoon, Joseph Willem (geb.1860), gaat niet in de bakkerij van zijn vader werken, maar hij toont interesse voor het bloembollenvak. Hij gaat in de leer bij de firma Gebroeders Segers en na een aantal jaren besluit hij voor zichzelf te beginnen. Omstreeks 1885 begint hij met compagnon Van Kampen een bloembollenkwekerij. Van de firma Segers ontvangt hij bij zijn vertrek een horloge met inscriptie voor bewezen diensten. De samenwerking met Van Kampen duurt niet zo lang en Lefeber zet de kwekerij alleen voort. Niet onverdienstelijk overigens. In 1888 wordt een stuk land van ruim 7 hectaren gekocht voor een prijs van 7100 gulden. Ook in 1888 treedt hij in het huwelijk met Jacoba van Ruiten (geb.1863) en komen zij te wonen aan de Achterweg 14.

Achterweg 5. De villa werd in 1975 afgebroken t.b.v. de uitbreiding van de huishoudschool

In dit gezin worden 8 jongens en 1 meisje geboren. In 1902 verhuist de familie naar de overkant, naar Achterweg 5. Bij het huis is ook een grote boomgaard met alle mogelijke soorten fruitbomen en achter het huis loopt een menagerie van eenden, pauwen, duiven en zwanen. J.W. Lefeber is een kweker die zich met hart en ziel inzet voor zijn vak. In die tijd is er nog geen sprake van een voorlichtingsdienst of vaktechnisch onderwijs. De kwekers komen bij elkaar om over het vak te spreken. Ziektebestrijding, behandeling van plantgoed, bemesting, waterhuishouding, allemaal onderwerpen die ter sprake komen. De Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur ter behartiging van de algemene vakbelangen bestaat al en er wordt door deze vereniging gepleit voor het oprichten van een tuinbouwschool. Haarlem maakt grote kans de school te krijgen. Lisser kwekers ijveren voor een school in Lisse. Ook J.W. Lefeber speelt daarbij een rol en uiteindelijk wint Lisse de strijd van Haarlem.
In die tijd is meester Ch. De Meulder hoofd van de R.K. jongensschool, de Josephschool.

Ingekleurde kaart van de fi rma J.W. Lefeber uit 1913 voor de Russische markt

Meester De Meulder (vader van Frederique, de oprichter van de ruim 100-jarige bloembollenfi rma De Meulder) is een natuurliefhebber en hij leert zijn leerlingen, waaronder de zonen Lefeber, het hybridiseren, het winnen van zaad, het kruisen van bolbloemen. Meester Beumer, hoofd van de lagere school in Sassenheim speelt ook een speciale rol. J.W.A. Lefeber(geb. 1890) heeft dat in 1962 beschreven in een artikel voor Kwekerij en Handel. Meester Beumer maakt in 1906 een aantal kwekers attent op een betere methode om nieuwe hyacinten te winnen. Tot die tijd werd bij een bed gemengde bloeiende hyacinten een bijenkorf geplaatst en de bijen zorgden voor de bestuiving. Gevarieerde kleuren waren het resultaat. Meester Beumer leerde de kwekers een gerichtere methode. Enkele voor de bestuiving geschikte cultivars werden onder een kooi van vliegengaas geplaatst zodat ze elkaar konden bestuiven. “Dit voorstel werd graag aanvaard en de heer Beumer liet zien hoe de bestuiving moest worden volbracht”, schrijft J.W.A. Lefeber.
Vader Lefeber is een strenge leermeester voor zijn zonen. Na de lagere school moet er worden aangepakt. Met avondcursussen worden de vakkennis en de talen bijgeleerd. Dat hij trots kan zijn op al zijn kinderen wordt hieronder wel duidelijk.

Gezin Lefeber 1908 Vlnr. Arie, Dirk, Annie, Marinus, mevr. Lefeber-van Ruiten, Willem, Koos, hr. J.W. Lefeber, Toon, Paul, Theo

Joseph Willem Antonius (J.W.A. 1890-1973)

Oudste zoon Willem is voorbestemd om thuis op de kwekerij te komen. Maar in 1912 begint hij een eigen kwekerij. Hij legt zich ook toe op kruisen en is vooral bezig met zaadwinning van hyacinten en narcissen. In januari 1922 is er een bloembollenbeurs in Haarlem en kan hij vol trots een potje Pink Pearl tonen. Pink Pearl is sindsdien een heel belangrijke handelssoort waaruit diverse mutaties zijn ontstaan met goede broei-eigenschappen zoals White Pearl, Violet Pearl en Blue Pearl. De Pink Pearl is nu nog de hyacint met de grootste opgeplante oppervlakte. In 1944 volgt weer een belangrijke aanwinst voor de hyacintencultuur. Met de naam Delfts Blauw.
Het winnen van nieuwe soorten narcissen is een grote hobby. Nieuw gewonnen soorten, ook nu nog aanwezig in het handelsassortiment, zijn Barret Browning, Professor Einstein en Johan Strauss. Maatschappelijk maakt Willem zich zeer verdienstelijk, zowel in zijn vakgebied als in de politiek. In 1932, tijdens de crisisjaren, moet er bijvoorbeeld een oplossing gevonden worden voor de overproductie. Het kost nogal wat moeite de kwekers er van te overtuigen dat het noodzakelijk is om maatregelen te treffen. Het Bloembollen Surplusfonds komt van de grond. Als wethouder is Willem betrokken bij de oprichting van de bloemententoonstelling Keukenhof in 1949.

Antonius (1892-1980)

In 1911 wordt zoon Toon naar de Duits-Russische grens gestuurd om de beide talen te leren. In 1913 gaat hij naar Rusland om daar bloembollen te verkopen. Met nomaden trekt hij ook de bergen van Turkistan in. Gevonden bijzondere bolgewassen worden naar Nederland gestuurd om daar uit te planten en verder mee te kruisen. Op zijn verkoopreizen komt hij regelmatig in St. Petersburg. Hij bezoekt daar, met zijn Friese doorlopers, een ijsbaan en oogst veel bekijkt met deze, voor de Russen, vreemde schaatsen. Zo maakt hij kennis met zijn toekomstige bruid.en schoonfamilie. Midden in de revolutie trouwen zij in St. Petersburg en ontvluchten Rusland. Na maanden reizen via Finland, Zweden en Noorwegen komen ze aan in Lisse waar ze het oude huis op Achterweg 14 kunnen betrekken. De handel met het communistische Rusland is daarna afgelopen. Vader Lefeber verliest daarbij heel veel geld want de openstaande rekeningen voor geleverde bollen worden natuurlijk nooit meer betaald. Ook Antoon wint een belangrijke nieuwe hyacintensoort. De witte Carnegie (1935). In 1948 emigreert het gezin van Antoon naar de Verenigde Staten. Daar wordt met succes een gladiolenfarm gesticht.

Marinus (1893-1982)

De derde zoon van vader J.W. beproeft al snel zijn geluk in Amerika. In 1923 start hij aan de westkust, in Mount Vernon, een bloembollenbedrijf. In deze omgeving zitten meerdere Nederlandse bollenkwekers. De geschiedenis herhaalt zich: in Mount Vernon is ook een kwekerij van de gebroeders Segers. Kreeg vader J.W. zijn eerste lessen in het bollenvak bij deze fi rma, nu is het zoon Marinus die gebruik kan maken van hun goede kennis. Na het einde van de tweede wereldoorlog komen er bij de familie in Holland, dank zij de Amerikaanse oom en tante, heel wat pakketen aan met kleding, levensmiddelen en schoeisel. Een feest in het net bevrijde Holland! Bij gebrek aan opvolging wordt het bedrijf Lefeber Bulb Company in 1997 opgeheven.

Dirk Willem Lefeber (D.W. 1894-1979)

Over D.W. zijn in het nieuwsblad een viertal artikelen verschenen. Nadat hij Rusland tijdens de revolutie veilig heeft verlaten keert hij weer naar het ouderlijk huis terug. Daar is het een gezellige boel op de zaterdagavonden. Broer Toon speelt de balalaika, broer Theo de viool en er wordt volop gezongen. In 1923 trouwt hij Jet Nijman en belooft ook dat hij niet meer zal reizen. Samen met een Haarlemse kweker koopt D.W. een partij bolgewassen uit het Oosten. Beide vinden ze een mooie rode tulp. D.W. noemt haar Madame Lefeber, maar de Haarlemse kweker geeft de naam Red Emperor. Deze tulp heeft ook nu nog twee namen.

Theodorus Augustinus (1896-1987)

Deze zoon blijft tot op hoge leeftijd (hij is dan bijna 60) bij zijn vader. In 1956 komt een eind aan zijn vrijgezellenbestaan en trouwt hij Rie van Grieken. Hij is een der eersten die eindexamen doet aan de Rijkstuinbouwschool. Hij is een betrouwbaar bollenkweker en exporteert naar de Scandinavische landen.

Adrianus Hendricus (1897-1982)

Zoon Arie trekt als 18 jarige al naar Engeland en werkt daar bij een Londense hofl everancier. Zo spreekt hij zelfs met Queen Mary bij het arrangeren van bloemstukken in het koninklijk paleis. Tijdens de oorlog verbouwt hij tabak. Tabak is schaars en dus is hij bang voor dieven. De tabak ligt in de schuur te drogen. Arie besluit om het zekere voor het onzekere te nemen en zelf ook in de schuur te overnachten. Wanneer het een aantal nachten gewoon rustig blijft denkt Arie dat hij wel weer in zijn eigen bed kan gaan slapen. Helaas, de volgende ochtend blijkt de hele oogst spoorloos te zijn verdwenen. Arie is een echte bollenhandelaar. Hij maakt vele reizen met de Holland Amerika Lijn en ontmoet tijdens deze reizen de meest interessante personen. Hij heeft er zelfs met president Roosevelt gebridged.

Anna Maria (1898-1981)

Het enige meisje in een gezin met 8 jongens. En dan trouwt ze nog niet eens met een bollenman! In de hongerwinter van ‘44-‘45 gaat ze meerdere keren op de fi ets (met daarachter een slee gebonden) naar Lisse om eten te halen. O.a. bloembollen. Op de terugweg wordt ze een keer bij Leidschendam door de Duitsers aangehouden en moet ze alle etenswaren afstaan. Wat een drama na zo’n zware tocht.

Jacobus (1900-1995)

Zoon Koos heeft ook avonturiersbloed in de aderen. Hij trekt naar vele landen om er bollen te verkopen. In 1939 verkoopt hij bollen in Amerika. Het gaat voortreffelijk, tot de mobilisatie voor WO II uitbreekt. Hij kan niet terug naar huis en gaat noodgedwongen werken bij een bloemenzaak in New York. Van daaruit reist hij naar broer Marinus om in diens bedrijf te werken. In 1941 lukt het hem om via Spanje weer naar Lisse te komen. Na de oorlog wordt de bollenverkoop in Amerika weer hersteld. Al snel wordt besloten om de definitieve overstap naar de States te maken. In 1949 is het zo ver. Het begin is moeilijk. Praktisch de hele bollenkraam gaat het eerste jaar verloren omdat het bollenland onder water loopt. Maar Koos is vindingrijk, zoals ook blijkt uit het volgende: Koos staat met zijn bollenkraam langs de weg, maar helaas, er stopt niemand. Dan krijgt hij een idee. Koos haalt de vlag oplaag en hangt die op zijn kop bij de kraam. En jawel: er stopt iemand om te vertellen dat de ’stars and stripes’ op z’n kop hangt. Er volgt een praatje, bloemen worden verkocht en een bollenordertje is binnen. En opnieuw: de vlag op z’n kop! Ook Koos veredelt bolgewassen. De bekende narcis Flower Record is een van zijn succesvolle zaailingen.

Paulus (1901-1989)

De beide jongste zonen Paul en Koos trekken veel met elkaar op. Samen zorgen ze wel eens voor consternatie. Zoals die keer dat ze bij boer Warmerdam zakken vol mussen vangen. En die in de volière loslaten om een nieuwe soort vogeltjes te kweken. Het kweken zit er al vroeg in. Het bloembollenvak leert hij vroeg. Hij mag vader naar de bollenbeurs (Krelagehuis) in Haarlem brengen. Paul heeft eerst samen met broer Koos een bedrijf en gaat later alleen als kweker door. De kwekerij ligt achter de steenfabriek. In het huis waar zijn vader in 1888 begon is hij tot het einde van zijn leven blijven wonen.
Echte bollenmensen, die Lefebers. Met zorg voor het product en gevoel voor de markt. Ook van de daaropvolgende generaties hebben velen het bollenvak uitgeoefend.

1922 De zoons Lefeber, vlnr. Willem, Antoon, Marinus, Dirk, Theo, Arie, Koos en Paul, in de bollen. Op de achtergrond de villa aan de Achterweg.

 

Aanvulling artikel Lefeber

Naar aanleiding van het artikel in het vorige nieuwsblad over de familie Lefeber ontvingen we van de heer Ignus Maes nog wat aanvullende informatie. Deze gegevens sluiten ook prima aan bij het hierna volgende artikel van Henk Schalk. In het stuk over de familie Lefeber vermeldden we de villa aan de Achterweg 5. In oktober/november 1943 moeten de Keukenhofbewoners, Graaf Carel met dochter Irene en zijn moeder, het kasteel Keukenhof verlaten De reden hiervoor is de annexatie door de Duitsers. De Duitse bezetter gebruikt het huis om Duitse soldaten onder te brengen en op het landgoed wordt een V1 installatie geplaatst. (in het bos langs de stationsweg, tussen de toegang naar het kasteel en de huidige van Lyndenweg). De grafelijke familie vindt onderdak in het woonhuis van J.W.Lefeber, Achterweg 5. De heer Lefeber en zijn huishoudster verhuizen voor de rest van de oorlogsperiode naar het huis van zijn oudste zoon aan de overkant op Achterweg nr. 15. Het verkeer werd in die tijd omgeleid via de Zwartelaan. Dat was voor de kinderen uit Halfweg een heel eindje om naar school!! (info:vrijwilligersblad Kasteel-Nieuws van maart 2008)

Tachtigjarige oorlog richtte veel schade aan in Lisse

door Arie in ‘t Veld

Uit De Lisser van 27 augustus 2008

Toen en nu: Nederlands hervormde kerk

LISSE – Het kerkgebouw van de Nederlands Hervormde kerk aan het Vierkant is eeuwenoud. Met name de toren heeft al heel wat jaren doorstaan en dateert vermoedelijk uit de periode van rond 1500. Het kerkgebouw zelf is minder oud, maar toch ook niet meer zo piep. De geschiedenis van de kerk is overigens enigszins anders dan protestants, als wordt bedacht dat de kerk oorspronkelijk een rooms katholieke kerk was. Het hoe en het wat waardoor de kerk op een gegeven moment in protestantse handen overging is nog altijd niet echt duidelijk, doch het vermoeden bestaat dat de roerige periode van de Beeldenstorm daar wellicht het nodige mee had te maken.

Het kerkgebouw had in de Spaanse tijd veel te lijden gekregen, waardoor het bedenkelijk veel op een ruïne begon te gelijken. Zo lag het koor geruime tijd er verwoest bij, maar later heeft men alles weer hersteld en ongeveer in de staat gebracht van voor de tachtigjarige oorlog. Het zal de ware Lisser niet zo leuk in de oren klinken, maar toch is het waarschijnlijk zo dat Sassenheim in de vijftiende eeuw kerkelijk blijkbaar meer te betekenen had dan Lisse. In ieder geval had Lisse tot 1460 niet eens een kerk, maar een kapel, die door Willem, Graaf van Holland, was gebouwd, maar onder de parochiekerk van Sassenheim behoorde. Door een “bulle” van Paus Pius de Tweede is Rome op de achtste November 1462 gegeven, werd deze kapel van Sassenheim afgescheiden en tot een parochiekerk verhoogd, die aan St. Agatha was gewijd.
Overigens moet dit alles los worden gezien van de huidige Agathakerk, want die is weliswaar monumentaal, maar dateert toch altijd nog van de vorige eeuw. Na de hervorming was de rk-gemeente verenigd met die van Warmond, Voorhout en Sassenheim. In de laatste plaats hield de pastoor verblijf. In 1667 “verlangde” Lisse echter een eigen pastoor en kwam de eerste in de persoon van Johan van de Werve. Op 1 juli 1697 overleed deze, en werd opgevolgd door Lambert Schaap. Op 10 April 1709 verwisselde ook deze het tijdelijke met het eeuwige en toen kwam hier als pastoor Arnoud de Leeuw.

Veranderingen
Dat er in de loop der jaren aan de Ned. Herv. kerk het een en ander veranderd is blijkt uit de beschrijving, die in het laatst der achttiende eeuw uit een ganzenveer vloeide: “Van binnen is dezelve in alle opzichten zeer wel ingericht en van een goede preekstoel, doophek, de benodigden gestoeltens en verdere zitplaatsen vrijwel voorzien. Sieraden vindt men echter niet anders dan tegen de binnenzijde der toren. Daar is een oud bord geplaatst waarop de Wet des Heeren en het volmaaktst gebed met een goede letter staat geschreven. In het koor, hetwelk van een latere bouwing als de kerk is, vindt men een aanzienlijke begraafplaats van de familie van de heer Van der Stel, voorheen Gouverneur zijnde geweest van de Kaap de Goede Hoop. De toren is zwaar vierkant en trots gebouwd, met een lage kap gedekt op welke men een windwijzer vindt; van binnen in dezelve een uurwerk en klok en van buiten met de nodige uurwijzers voorzien. Het kerkhof is rondom met een muur omvangen en aan de ene zijde met bomen beplant”. Tot zover een deel van het geschrift van de 18e-eeuwse geschiedschrijver.
En dan de toren in. Een stenen trapje van enkele treden brengt de klauteraar naar een smal en laag poortje. En als men zich daar doorheen wurmt blijkt dat de muur ruim negentig centimeter dik is! De zolders kraken griezelig als er overheen wordt gelopen. Het nog aanwezige, maarniet meer gebruikte oorspronkelijke uurwerk is destijds gemaakt bij A.H. van Bergen in Heiligerlee. Op de volgende etage bevindt zich de luidklok. De antieke klok is in 1943 door de Duitsers weggehaald en vermoedelijk tot een of ander oorlogstuig omgesmolten. In ieder geval is de klok, die nu in de stoel hangt nog niet zo oud.
Het volgende gedicht staat er op te lezen: “De oude klok, in ‘d oorlog meegenomen vervulde eeuwenlang haar grootste taak. De nieuwe, voor haar in de plaats gekomen. Roept nu weer luid: gij die nog slaapt: ontwaakt!” 1949. Hier vindt men ook de grote ijzeren hamer, die door het uurwerk van de klok in actie wordt gebracht, wanneer de klok moet slaan. Tegen het Westelijk gedeelte der toren zit nog een zonnewijzer, die het uiteraard nog “doet”. Vermoed wordt, dat deze er in 1600 of

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse