Berichten

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Klik hier voor het volgende deel

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

De Conscriptie, de algemene dienstplicht onder Napoleon

Napoleon voerde in 1810 de algemene dienstplicht in om tegen de russen te vechten. Alle  jongemannen geboren in 1788 in oa Lisse moesten zich melden. Er waren uitzonderingen. Lisse moest 17 manschappen leveren. Zij moesten zich in de Witte Zwaan inschrijven. Namen en omstandigheden van de Lissese rekruten worden beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Als in 1810 Napoleon zich, ondanks alle gesloten verdragen, bedreigd voelt door de Russische tsaar Alexander en zijn legers, besluit hij de tsaar voor te zijn en met een enorme legermacht Rusland binnen te trekken en Rusland aan zich te onderwerpen. Hiervoor waren soldaten nodig, heel veel soldaten. In het diepste geheim begon hij troepen en materialen samen te trekken in Oost Pruissen om van daar uit Rusland binnen te trekken. Alle door hem veroverde landen, welke toen deel uit maakten van het Franse Keizerrijk, kregen bij Keizerlijk decreet de order soldaten te leveren. Zo ook in Nederland. Hiervoor werd de “Conscriptie” ingevoerd, wat vertaald betekent “Loteling”.
Hiermee werd de invoering van de algemene dienstplicht een feit, ook in Lisse. Heel Nederland was ingedeeld in Arrondissementen, naar Frans voorbeeld, en deze waren weer opgedeeld in Kantons, kleinere bestuurlijke eenheden. Lisse lag in het Arrondissement ” Département des Bouches de la Meuse”, ofwel Departement van de Monden van de Maas, en was begin 1811 de Hoofdplaats van het 11e Kanton Lisse.
Verplicht dienst nemen in Leger of Marine was altijd een niet te bespreken issue geweest in de Republiek en ook nu verwachtte men massaal verzet hier tegen. Maar buiten enige schermutselingen in met name de Zaanstreek werd de invoering van de dienstplicht gelaten geaccepteerd. Zo verscheen op de voorpagina van de Leydse Courant, ofwel “ Gazette de Leide” van 20 maart 1811, in zowel het Frans als in het Nederlands, de oproep te verschijnen door het navolgende, door de Prefect, Baron de Stassart, geplaatste bericht:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect der Monden van den Maas, heeft door eene Circulaire, geadresseerd aan den Heeren Maires van het Eerste Arrondissement (die van den Haag) de dagen en uuren van de Loting van de Conscriptie bepaald.”

G. de Stassart

De Prefect, Baron G. de Stassart

Voor het 11e Kanton, Lisse, gold dat de opgeroepen jongelieden zich op 22 maart 1811 om acht uur ’s morgens moesten melden in Lisse, om vervolgens in het Rechthuis van Lisse, “Logement de Witte Zwaan”, een lot te trekken uit de grote schaal met nummers. Alle jonge mannen welke in 1788 waren geboren uit de dorpen Warmond, Oegst- en Poelgeest, Rijnsburg, Voorhout, Noordwijkerhout, Noordwijk, Noordwijk aan Zee, Sassenheim, Lisse en Hillegom, de Lichting 1808, werden met terug werkende kracht aan loting en keuring onderworpen. Om onder de dienstplicht uit te komen waren wat regels opgesteld. Was een Loteling voor februari 1811 gehuwd, werd hij vrijgesteld. Was hij de enige of oudste zoon van een weduwe, werd ook vrijstelling verleend. Ook kon men gebruik maken van een vervanger, de z.g. Remplaçant. Dat was iemand die zich voor veel geld bereid verklaarde om de plaats van de dienstplichtige over te nemen, meestal arme sloebers welke de koopsom heel goed konden gebruiken. Maar ook hier aan waren regels verbonden. Zo lezen we verder in de bovengemelde Courant:

“Myn Heer den Auditeur by den Staatsraad, Prefect van het Departement der Monden van de Maas. Vermeend zyne onderhorigen te moeten waarschouwen, dat Myn Heer den Staatsraad, Directeur-Generaal der Conscriptie, beslist hebbende, dat de klassen voor gaande aan die van 1808, vrijgesteld zyn, zullende de opgeschrevenen, die zich willen doen vervangen,hunne plaatsvervangeners moeten nemen , onder de Mannen, die voor 1 January 1788 geboren zyn en het 30e jaar nog niet bereikt hebben. Zy moeten de lengte van 1 meter 649 millimeter ten minste hebben, van een sterke gesteldheid zyn, hoegenaamd geene gebreken hebben, in dit Departement geboren zyn. Zy moeten bovendien niet alleen tot geen schande of straffe ten lyve verwezen geweest zyn,maar nog een goede naam genietenen te dien einde een Certificaat van den Maire van hun verblyf inleveren, bewijzende hun zedelyk gedrag. De slegte keus der Plaatsvervangers,steld de vervangenen bloot dezelven ten hunne kosten van de Regimenten te zien terug gezonden en er anderen te moeten leveren. Zy waarborgen dezelven gedurende twee jaren.

Den Haag den 17 maart 1811.

G. de Stassart”

Een Remplaçant kopen was maar voor zeer weinigen weggelegd gezien de enorme kosten welke dit met zich meebracht. Was het in vroeger tijden een makkie om de pastoor of dominee om te kopen om een vervalst doopbewijs te verkrijgen, met de invoering der Burgerlijke Stand was dit onmogelijk geworden. Verder wordt in dezelfde Courant vermeld dat de Loting op 22 maart 1811 ten 08.00 uure in het Rechthuis te Lisse zal worden bestierd door de onder-Prefect van het 1e Arrondissement. Ook wordt beschreven dat het 1e Arrondissement in totaal 217 mannen zal moeten leveren waarvan het Kanton Lisse er 17 voor zijn rekening neemt. Het moet een drukte van belang zijn geweest die morgen op het lommerrijke Vierkant. Honderden jongemannen, zenuwachtig, misschien prikkelbaar, maar ook hongerig, zodat vermoedelijk de plaatselijke winkeliers en horeca een flink graantje mee pikten van het Loting gebeuren. In de Witte Zwaan was een lange tafel geplaatst waaraan de sous-Prefect zitting had geflankeerd met enige Griffiers. Ook was in en om de Zwaan een groot aantal Franse Gendarmes aanwezig om ieder teken van opstand of weigerachtigheid de kop in te kunnen drukken. De meesten van deze jongens welke voor de Loting kwamen waren nog nooit buiten hun dorp geweest en wisten nog niets van de wereld, al zullen er ook wel zijn geweest welke verlangden naar de veronderstelde vrijheid welke de militaire dienst met zich mee bracht.

De honger naar soldaten was zo enorm groot dat bij Keizerlijk decreet was bepaald dat alle jongens, ongeacht de leeftijd, welke in Arm- of Weeshuizen werden opgevoed ter beschikking van het Keizerrijk zouden worden gesteld en in Versailles een militaire opvoeding zouden krijgen in de Kazerne-scholen van de pupillen van de Keizerlijke Garde. Zo verdwenen uit Nederland in totaal 1039 kinderen. Niet bekend is of zich hierbij ook kinderen uit Lisse bevonden. Voor zo ver mij bekend is hier naar nooit onderzoek gedaan. Wie waren deze 17 jongelingen uit Kanton Lisse welk het ongeluk hadden een nummer te trekken welke je van het ene op het andere moment van landarbeider tot soldaat veranderde. Er zal veel hartverscheurend afscheid zijn genomen, voor de meesten voorgoed. Zo vertrok een trieste colonne jonge mannen, bewaakt door Franse Gendarmes ten einde desertie te voorkomen, uit Lisse richting Frankrijk om daar een korte militaire opleiding te krijgen en vervolgens ingezet te worden aan een van de vele fronten. Een langdurige zoektocht langs allerlei archieven bracht me op een website van het Franse Ministerie van Defensie waar ik de stamboeken vond van enige militaire eenheden uit die tijd en met verbazing vond ik daar honderden Nederlanders welke ingelijfd waren in de Franse Cohorten. Het is het topje van een enorme ijsberg waarin ik enige jongens uit Kanton Lisse terug vond. Daar voor had ik een overlijdakte van een van hen gevonden, in de overlijdregisters van Lisse. Hierin wordt vermeld dat Guillaume Jacques van der Son, inwoner van Lisse, fuselier bij het 124e Regiment Infanterie Linie, 2e bat. 3e Comp. sinds 17 Junij 1811 ingelijfd bij dit regiment in Abbeville, opgenomen was in het Militair Hospitaal in Leiden en aldaar op den 31 Mei 1812 was overleden. (Lisse.1813.folio.9). Jacob was de ochtend van de loting nog optimistisch en vol vertrouwen geweest. Hij had lot nummer 28 getrokken en dacht ruim veilig te zijn. Tot zijn afgrijzen was hij niet veilig genoeg en ook hij werd op mars gezet naar de stad Abbeville, waar zich de kazerne bevond van het 124e Regiment Infanterie Linie. Hij staat vermeld in de Stamboeken als No: 3269.

 

De waert en zijn gasten in 1589

In 1589 zijn ze vertrokken. Jacob Heemskerck is uitbater van de herberg Aan het kerkhof. Later heette de herberg Het wapen van Lisse. Diverse wetenswaardigheden worden besproken.

 door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

We schrijven 1589. De Spanjaarden zijn vertrokken en lieten door plundering en brandstichting in Lisse en omgeving een arme bevolking achter, afgebrande boerderijen en een uitgebrande kerk zoals in alle omringende dorpen het geval was. De oorlog heeft een grote impact gehad, ruim honderd jaar later wordt nog steeds over de afgebrande boerderijen geschreven die zijn “geamoveert”.
Jacob Florisz.Heemskerck, waert aan het kerkhof geboren in 1537 met zijn vrouw Arendje Dirksdr.Duycker, dochter van Dirck Cornelisse Duycker, zijn de uitbaters van de herberg aan het kerkhof. Arendje was dienstbode geweest bij haar oom en tante Jan Cornelisse Duycker en Maritje Willemsdr., de vorige eigenaars van de herberg aan het kerkhof. Uit dankbaarheid voor alle zorg maakte het echtpaar, bij testament van 12 mei 1564 bij Notaris Storm in Leiden, Arendje tot enige erfgenaam. Het echtpaar is kinderloos overleden. De herberg, in de volksmond steeds “herberg aan het kerkhof” genoemd, werd later “het wapen van Lisse”. Het had al een goede naam, schout en burgemeesters vergaderden er lange jaren. Later, na 1600, werd dit overgenomen door “de Swaen”. Was deze herberg er al of was die net gebouwd? Voor 1600 wordt er niet over gesproken en na 1600 komt deze telkens in akten terug. Jacob en Arendje hebben de herberg zo’n dertig jaar gerund. Zij kregen samen 6 kinderen. Na haar overlijden trouwde Jacob opnieuw en kreeg nog een dochter, Annetje. In 1604 was Jacob Florisz.Heemskerck reeds overleden en heeft zijn tweede vrouw, Maertge Engelsdr. Duijndam de herberg voortgezet tot dat haar stiefzoon Engel Heemskerck, geboren in 1586 oud genoeg was om de
Het herberg over te nemen. De schout en schepenen zetelden toen al in “ De Witte Zwaan”, of de “Swaen”. De gasten waren rond die tijd niet altijd betalende gasten. Er trokken vreemde troepen door de streek, een Engels vaendel dat van Beverwijck naar Den Haag passeerde op doorreis, vroeg onderdak, drank en eten. Over betalen werd niet gesproken, daar had men al meer mee te maken gehad. Er staat: ”LXI mannen op ten huysman gelogeert in december 1589”. Eerst dacht ik dat dit een herberg was, maar het ligt anders. Het is een uitdrukking uit de 16e eeuw van soldaten, loopende op den huysman,” afteeren ende doende alderhande quaet “. Of wel leg de kosten maar bij een ander, en wel bij de belastingbetaler. De waard werd er mee opgezadeld. Vandaar diende Jacob Heemskerck zijn rekening van gemaakte kosten in bij de schout, voor het vaendel 5 pond en 13 stuivers, en verder van de nodige vergaderingen van o.a. Item noch bij den voors. Ambtsbewaerders, gesworens, kerckmeesters ende meer ander, tot twee reysen verteert opte examinatie van den nyeuwen schoolmeester, zoe daer een yge faulten waren, tsamen een somma van 23 pond 10 stuyvers en 8 dinars. Het vaendel werd over verschillende herbergen verdeeld en bestond uit 56 man, later kwamen er nog 5 drostenknechten bij. Ook bij Harman de Vryes, Wipkesz. waert in “het Rode Hart” geboren in 1545 en gehuwd met Anna Wybens. Hij komt voor op de lijst van weerbare mannen van 1585 en was uitgerust met hellebaert en ponyaert. Herberg “het Rode Hart” is later omgedoopt naar “ in de Drie Wouldt-vriesen”, naar zijn drie zonen genoemd. Ook Cornelis Pietersz.Backer diende zijn rekening in en berekende dat iedere man van het vaendel verteert hadde acht stuuvers, tsamen XXIIII pond VIII stuivers . Hij was waert in een herberg waarvan we de naam nog niet hebben gevonden. Was het “in de Groene Valck”, of in de deftige herberg “ in de koning van Bohemen” of “De Couden Oven”? Alle gemaakte kosten werden wel vergoed, misschien van hogerhand of wel uit ’s lands kas betaald. Arendje Duycker, dienstbode en herbergierster overleed na de geboorte van haar zesde kind in 1590 en werd bij de kerk begraven.

Bron. G.A.Lisse inv.nr.55

OORLOGSGRAVEN IN LISSE

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)                             

3 mei 2016

door Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Dit is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.

Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Deze erebegraafplaats bestaat sinds 1992. Toen werden stoffelijke resten van vier gevallenen  herbegraven. Daarvóór lagen de gesneuvelden her en der verspreid over de begraafplaats en bij de Engelenkerk. Het kerkbestuur reageerde daarmee op een voorstel van de Stichting Oorlogsgraven. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Een van hen is Teun Kulk, geboren op 11 mei 1915. Teun Kulk overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940.

Bert Kroon stierf op 1 februari 1944, nog geen 21 jaar oud, in een barakkenkamp voor militairen in Amersfoort. Hij had een gevaarlijke vorm van difterie. Hij was na verraad van NSB’ers in het Groningse Doezum opgepakt door de Duitsers. Hij is ook op Duinhof begraven.

Rinus Warmerdam, is geboren op 25 januari 1918. Op 10 mei 1940, de eerste oorlogsdag, is hij ernstig gewond geraakt. Als militaire koerier is hij van zijn motor geschoten. Hij overleed op 12 mei 1940 in Wassenaar, waar hij eerst is begraven. Op 22 januari 1944 is hij herbegraven op de begraafplaats van de Agathakerk.

Aart van Dijk is geboren op 2 januari 1914 en overleden op 19 januari 1945 Tijdens een razzia in Hillegom werd hij door de SD doodgeschoten.

Jan de Haan was gemeentesecretaris van Lisse. In de oorlog hielp hij vele mensen. Op 19 februari 1944 werd hij gearresteerd en naar het beruchte kamp Vught gebracht. In september 1944 is hij onverwacht vrijgelaten. Hij was volkomen uitgeput en is daar niet meer overheen gekomen. Hij overleed op 9 oktober 1946.

Willem Heemskerk is in de nacht van 2 op 3 mei 1945, net voor de bevrijding, neergeschoten door dronken, gedeserteerde Duitse soldaten bij zijn huis in de Engel. De Duitsers waren op strooptocht. Hij was 55 jaar.

Als laatste staat op de gedenksteen van het eregraf de naam van Frans Snaar. Zijn naam staat ook op het familiegraf van Snaar. Hij is geboren op 20 april 1924 en overleden op 10 november 1943 in Rudisleben, Landkreis Arnstadt. Hij was tewerkgesteld in Duitsland.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over de omstandigheden waaronder bovenstaande en andere oorlogsslachtoffers zijn omgekomen.

Rechts ligt het eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Foto: Nico Groen

Herinneringen naar aanleiding van een foto

Hubert Peepenkorn heeft een uitgebreid artikel over zijn vader en moeder tijdens de oorlog

Hubert Peeperkorn

Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Elly en Hubert Peeperkorn in 1944

Deze beide peuters, op dat moment 3 en nog geen 2 jaar, zijn de kinderen van H.G.J. Peeperkorn (10 juli 1911, Noordwijk aan Zee) en G.H. Peeperkorn-Vink (1 september 1910, Noordwijk Binnen). Het paar trouwde op 24 januari 1940 in Noordwijk. Het was bar koud winterweer en er lag een dik pak sneeuw. Daarom werd het bruidspaar, met de hele trouwstoet, vervoerd in acht arrensleden. Ze haalden er zelfs het Polygoon Journaal mee. (Zie: http://noordwijksevillas.blogspot.nl/2011/03/per-arreslee-door-noordwijk.html ) Mijn ouders hadden Hotel Restaurant Centraal in de Hoofdstraat 67 in Noordwijk aan zee overgenomen van de ouders van mijn vader (zie: http://noordwijksevillias.blogspot.nl/2008/10/hotel-centraal.html ). Daar werd ik op 29 oktober 1940 geboren (mijn moeder vertelde altijd dat precies op dat moment, 8 uur ’s avonds, de eerste bom op Noordwijk viel). Mijn zus Elly werd er op 12 september 1942 geboren.

De Duitse bezetter dwong de inwoners van de kuststreek te vertrekken vanwege de bouw van de Atlantikwall. Dit lot trof ook mijn ouders en hun gezin. Op 8 februari 1943 werden we geëvacueerd naar Lisse, Heereweg 214, naar Café Restaurant ’t Vierkant, waar ze het werk, waar ze in Noordwijk mee waren begonnen, samen voortzetten. Op 21 augustus 1944 is in Lisse mijn broer Peter geboren. Ondanks de oorlog liepen de zaken goed. Totdat het noodlot toesloeg. Omstreeks 20 september van dat jaar moest mijn vader naar Den Haag om geldzaken af te handelen. Vervoer was in die dagen een groot probleem. Daarom ging hij op de fiets. Ter hoogte van Wassenaar vond er een beschieting plaats door Engelse vliegtuigen. Het doel waren de raketinstallaties van de Duitsers die van daaruit hun V2-raketten afvuurden op de Engelsen. Mijn vader zocht, samen met enkele andere mensen, beschutting bij een boom, in een greppel. Dat mocht niet baten. Een verdwaalde kogel trof hem in zijn rug, ter hoogte van de schouderbladen, precies in zijn ruggenmerg. Hij kwam, meer dood dan levend, uiteindelijk terecht in het Academisch Ziekenhuis in Leiden. Daar bleek dat hij verlamd was vanaf zijn middel en nooit meer zou kunnen
lopen. Mijn moeder zette het café in Lisse voort onder moeilijke omstandigheden. Drie kleine kinderen, de Hongerwinter en haar ernstig gewonde man in het ziekenhuis. Een van haar zussen uit Noordwijk Binnen kwam haar helpen. Wanneer mijn ouders teruggingen naar Noordwijk aan zee, weet ik niet precies. at gebeurde waarschijnlijk omstreeks de bevrijding, begin mei 1945. Het hotel in Noordwijk konden ze niet meer runnen. Ze verhuurden het. Mijn vader ‘woonde’ tot ongeveer 1960 in het Academisch Ziekenhuis Leiden. Op een gegeven moment kon hij zodanig revalideren dat hij voortaan weer thuis, in Noordwijk, kon wonen. Hij leerde autorijden en werkte jaren in de Blindenbibliotheek in Den Haag. Mijn vader overleed op 66-jarige leeftijd. Mijn moeder werd 94 jaar en overleed in 2004. Mijn zus Elly overleed op 44-jarige leeftijd aan een hersentumor. Ze liet een dochter en een zoon achter. Uit mijn tijd in Lisse heb ik nog een rijmpje dat ik ter gelegenheid van mijn moeders verjaardag op 1 september 1944 aan haar heb gegeven. Ik herinner me niet dat ik op de kleuterschool heb gezeten en dat het daar is gemaakt. Het zou heel goed kunnen zijn dat Corrie van der Vlugt, die in die jaren op mij en mijn zusje paste (en die de aanleiding is voor dit stukje), dit mooie werkje heeft verzorgd!

 

Pastoor Hugo van der Vlugt: verzet in Noorwegen in oorlogstijd

Pastoor Hugo van der Vlugt was tijdens de oorlog in het verzet in Noorwegen. Hij was in de Engel geboren als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. In 1942 is hij door de Duitsers gearresteerd. Hij is overleden in Sachenhausen.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

In Hamar in Noorwegen staat de kerk waar pastoor Hugo van der Vlugt tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was. Pia Isakaetre woont nu in Oslo maar is geboren in Hamar en gaat tijdens familiebezoek nog altijd naar deze katholieke kerk in het centrum van de stad, vlak bij het huis van haar grootouders. In die kerk heeft ze over de vroegere pastoor, Hugo van der Vlugt, gehoord en ze raakte geboeid door het verhaal over hem. Pia is verbonden aan het Holocaust Centre, even buiten Oslo.
Hugo van der Vlugt is in 1904 geboren in De Engel in Lisse, als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. Hugo heeft tijdens zijn priesterstudie gekozen voor uitzending naar de ‘missie’ in Noorwegen. In 1929 is hij tot priester gewijd en in datzelfde jaar is hij naar Noorwegen vertrokken. Dat was geen gemakkelijke taak. Het was een dunbevolkt, groot en in de winter onherbergzaam land. Bovendien waren de mensen daar indertijd nogal terughoudend tegenover het katholieke geloof, haar missie en haar priesters. Na enkele jaren als kapelaan in Bergen, via Stabbek en Haugesund kwam pastoor Hugo aan in Hamar. Hij was daar ‘bouwpastoor’ van een nieuwe kerk. Hij heeft later gezegd dat hij zijn leven ‘in Gods handen’ heeft willen leggen, want hij wist aanvankelijk in de nieuwe parochie niet goed waar of hoe te beginnen.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog een groep katholieke jongeren gevangen gehouden werd in een kamp bij Oslo, lukte het de Noorse priesters niet meer om contact met hen te leggen. Hugo heeft zich vrijwillig opgeofferd door een arrestatie uit te lokken, zodat hij als medegevangene van deze jongeren de mogelijkheid kreeg ze bij te staan in hun lot.
In 1942 is Hugo door de Duitsers gearresteerd en naar het gevangenkamp in Oslo gebracht waar hij in contact wist te komen met de jongeren. Later is hij via Hamburg en Berlijn in Sachsenhausen-Oranienburg terechtgekomen.

Pastoor Hugo van der Vlugt (1904-1943)

Ook de jongeren uit Oslo zijn uiteindelijk op transport gezet naar dit kamp. Als gevolg van honger, kou, slechte kleding en zware arbeid, was de weerstand van Hugo sterk verminderd waardoor hij ziek geworden is en uiteindelijk overleden. Een pater die met hem in dit kamp heeft gezeten en het wel heeft overleefd, beschrijft na de oorlog hoe Hugo toen ziek werd en kwam te overlijden, maar ook hoe hij in het kamp gewaardeerd werd door de medebewoners. Daaronder waren vele ruwe bolsters die de ‘stille, goede en bleke Hollandse pastoor’ zeer hoog hadden zitten. Op 5 maart 1943 is Hugo van der Vlugt in Duitsland gestorven.
Nadat bovengenoemde Pia Isakaetre besloten had het verhaal van Hugo van der Vlugt te willen vertellen en zijn opoffering voor zijn geloof en Noorse katholieken te gedenken, is ze alle informatie gaan verzamelen die er in Noorwegen voorhanden was. Daarop ontstond ook het plan om een herdenkingssteen bij de kerk in Hamar te plaatsen voor pastoor Hugo van der Vlugt. Eerder is een vergelijkbaar monument buiten de Sankt Olavs Domkirke in Oslo geplaatst, voor verschillende Noorse omgekomen geestelijken, en waarop ook de naam van Hugo van der Vlugt voorkomt.
Via de Nederlandse Ambassade zijn verschillende mensen benaderd en is een artikel in het Lisser Nieuws geplaatst, met een oproep voor informatie en om familieleden te vinden die belangstelling hebben voor de plaatsing van de herdenkingssteen. Dit zal naar verwachting volgend voorjaar in Hamar plaatsvinden. Voor die tijd hoopt Pia Isakaetre naar Nederland te komen om een lezing te houden over haar initiatief voor Hugo van der Vlugt en als informatie aan familie en geïnteresseerden.
Hebt u na het lezen van dit artikel nog vragen, of interessant materiaal of aanvullende gegevens voor dit initiatief? Dan kunt u contact opnemen met de Genealogische Werkgroep van Vereniging Oud Lisse. We zullen u op de hoogte houden van de voortgang van dit bijzondere project.

Tulpen eten in de Tweede Wereldoorlog

Heeft u een verhaal over de Tweede Wererlog, meldt het aan aan de VOL.

Frans van der Veld

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Wereldoorlog uit noodzaak tulpenbollen gegeten. De kleur maakte daarbij niet veel verschil als ze de honger maar stilden. Frans en Truus van der Veld maken een herinneringsreliëf in brons, voor aan een nog te bepalen muur ergens in de Bollenstreek. Daarbij willen ze een boekje samenstellen, met verhalen van mensen die bloembollen gegeten hebben om te overleven: was er echt niets anders meer, hoe smaakte het, hoe werden ze klaargemaakt? Veel mensen hebben in feite veel ‘rood, wit of oranje’ gegeten, en die verhalen vormen een document voor het nageslacht. Die moeten niet verloren gaan, maar de ooggetuigen worden ouder, dus het is nu de hoogste tijd die belevenissen vast te leggen. Heeft u een verhaal en wilt u dit delen, neem dan contact op met fransvdveld@gmail.com of 06-20964222 of 06-22275275.
Maar u kunt het ook in de brievenbus van de Vergulde Zwaan in de Havendwarsstraat doen of contact opnemen met de Vereniging Oud
Lisse. En heeft u een verhaal maar weet u niet hoe u het moet opschrijven, dan willen wij u daar graag bij helpen.

Het ontwerp, hier nog in was, wordt nog uitgewerkt in brons

Wim Randsdorp, een Lissese jongen tewerkgesteld in Duitsland

Nu zie ik je nooit meer” is een boek, geschreven door Marjon Griffioen over Wim Randsdorp, overleden in 1943 in Duitsland. Van hem zijn er 70 brieven bewaard, geschreven aan zijn zus.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘Nu zie ik je nooit meer …’ zegt Wims moeder bij het afscheid van haar zoon, als deze in het najaar van 1942 naar Duitsland vertrekt om daar tewerkgesteld te worden. Haar slechte voorgevoel over de afloop ervan wordt helaas werkelijkheid als hij eind november 1943 bij een bombardement om het leven komt. Na het overlijden van de zus van Wim, blijkt zij bijna zeventig brieven van haar broer uit zijn periode in Duitsland te hebben nagelaten. Brieven die Wim heeft geschreven aan zijn ouders, broers en zussen. Schoondochter Marjon Griffioen is ervan overtuigd dat ze een verhaal vormen dat verteld moet worden. Door een boek te schrijven over Wim Randsdorp wil ze hem een stem geven, een stem die het verhaal van zijn laatste levensjaar vertelt. Hoewel er volgens Marjon tussen 200.000 en 300.000 tewerkgestelde Nederlanders geweest zijn, waarvan er ongeveer 29.000 zijn omgekomen, is er weinig over hen bekend geworden. Over onderduikers hebben we geleerd door bijvoorbeeld het dagboek van Anne Frank. In de vele brieven van Wim Randsdorp schrijft ook hij, als in een dagboek, over alledaagse dingen zoals de smaak van het eten en het grote gebrek aan voldoende ervan, over zelf kleding moeten wassen, kapotte sokken en schoenen en zijn behoefte aan warme klompen, over behoefte aan wat geld voor kleine uitgaven. Hij wil echter vooral niet laten zien dat hij het soms zó moeilijk heeft en weigert bij de pakken neer te gaan zitten. Zijn heimwee naar Holland, familie, vrienden, verjaardagen en zijn toenemende angst blijken tussen de regels door steeds duidelijker. Hij put een enorme hoop en steun uit zijn geloof en probeert zo vaak mogelijk troost in de katholieke kerk te vinden. Hoop en wanhoop strijden om een plek, hij blijft proberen de moed erin te houden, telt af naar de jaarwisseling van 1942-1943 en naar zijn verlof, waarvan hij steeds meer gaat inzien dat dit er nooit gaat komen … Het is een aangrijpend en invoelbaar document geworden, met een verhaal dat niet alleen voor de familie belangrijk is, maar ons allemaal een beeld geeft van de worsteling van deze Wim en vele andere tewerkgestelden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Absoluut een aanrader. Zie het als een vorm van eerbetoon aan hem en zijn familie dat we in het Nieuwsblad van dit kwartaal zijn Lisses Kwartiertje geplaatst hebben. In onderstaand artikel gaat het vooral om de voorouders van Wim Randsdorp.

Gijsbertus Ransdorp en Jannigje van Zoelen

Waarschijnlijk rond 1810 trouwen Gijsbertus Randsdorp en Jannigje van Zoelen, mogelijk in Jutphaas. Er worden uit dit huwelijk in elk geval zeven kinderen geboren. Aanvankelijk woont het gezin in IJsselstein – waar de eerste vier kinderen geboren worden – en verhuist dan naar Jutphaas. Beide plaatsen liggen onder de rook van Utrecht, niet ver van elkaar vandaan. In Jutphaas overlijden begin 1818 de kleine Jan van vijf jaar en Kaatje van twee jaar oud. In oktober van het jaar daarop, komt als vijfde kind Jan Randsdorp ter wereld. Hij is later de overgrootvader van Wim Randsdorp. Na Jan worden nog twee dochters geboren. Het beroep van vader Gijsbertus is hoepelmaker. Van zijn overlijden in 1839 doet zoon Willem aangifte op het gemeentehuis, ook hij is hoepelmaker.

Overgrootvader Jan Randsdorp en zijn vrouw Barbara

In 1850 trouwt Jan Randsdorp, als dertigjarige kleerbleker in Utrecht met Barbara Maarschalkerweerd, een kleerbleekster van 26 jaar oud. Na zijn vader is nu ook de moeder van Jan overleden, net als beide ouders van de bruid. Als getuigen van het huwelijk zijn alleen een oom en een broer van Barbara en een neef van Jan aanwezig als nauwste verwanten. De bruidegom schrijft zijn naam onder de huwelijksakte, de bruid verklaart niet te kunnen schrijven. Het gezin woont in Utrecht, daar worden de eerste kinderen geboren, waaronder Gijsbertus Johannes in 1852. Tegen het jaar 1860 verhuist het gezin naar Jutphaas. De naam Johannes Gijsbertus moet in het gezin heel belangrijk geweest zijn, want er zijn maar liefst vier kinderen met die voornamen geboren: het eerste kindje in 1851 wordt slechts 10 maanden oud; het jongetje daarna geboren in 1855 wordt maar vier jaar oud; het derde naamgenootje leeft nog geen drie maanden en alleen de zoon die in maart 1866 wordt geboren, is volwassen geworden en pas op middelbare leeftijd overleden. Vader Jan Randsdorp is nog lange tijd kleerbleeker gebleven en wordt later hoepelmaker. Voordat ook hij in 1866 overlijdt, woont en werkt hij als hoepelmaker in Jutphaas.

Grootvader Gijsbertus Johannes Randsdorp

In 1877, trouwt Gijsbertus Johannes Randsdorp met dienstbode Kornelia van Breukelen uit IJsselstein. Vader Jan Randsdorp is al overleden maar moeder Randsdorp is bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en geeft haar toestemming. Oom Willem Randsdorp, de broer van vader treedt op als getuige voor de bruidegom, hij is 60 jaar en nog steeds hoepelmaker. Naast de veldwachter zijn er nog twee getuigen, bekenden van het bruidspaar, inwoners van Jutphaas en beiden hoepelmakers. De moeder van de bruidegom, zijn oom Wim en ook de ouders van de bruid verklaren door onkunde niet te kunnen schrijven of hunne namen te teekenen. Het bruidspaar vestigt zich in Jutphaas waar in augustus 1878 het eerste kind geboren wordt. In Jutphaas volgen nog vier kinderen, alleen zoontje Jan wordt slechts 15 maanden oud. Vader Gijsbertus Johannes (Gijs) wordt in de aktes aanvankelijk steeds als arbeider aangeduid – een niet specifieke beroepsnaam – maar staat vanaf 1883 genoteerd als hoepelmaker. Het gezin verhuist naar IJsselstein waar in november 1886 Johanna geboren wordt. Zij overlijdt echter al na drie dagen. Ook haar zusje Cornelia wordt een jaar later maar enkele dagen oud.

Hoepelmakers en griendcultuur

Vooral langs de lagere delen van de rivieren vinden we de hoepelmakers. Het griendhout, of wilgenhout, gedijt heel goed op akkers die regelmatig onder water komen te staan en vochtig blijven. Door de grote toename van de bevolking in de 19e eeuw, is er steeds meer vraag naar levensmiddelen. Die worden dikwijls vervoerd in vaatjes, bijeengehouden door hoepels van wilgenhout. De grote vraag naar deze hoepels leidt tot grootschalige aanplant van grienden en tot een bloei van het beroep hoepelmaker. De hoepelmaker klooft geschilde tenen of stokken wilgenhout in tweeën, en buigt die na het weken tot hoepels, die vooral gebruikt worden rond haring- of botervaatjes. Rond IJsselstein en Jutphaas zijn veel grienden en hoepelmakers geweest.

Houten tonnen met wilgen hoepels in de visverwerking (coll. Het Geheugen van Nederland)

Rond 1900 wordt het aantal hoepelmakers echter zó groot dat dit van negatieve invloed is op de prijs van de hoepels en de lonen van de hoepelmakers blijven daardoor laag. Vlees zou er in hun gezinnen nog maar zelden op tafel komen, de knolraap die ze in plaats daarvan dikwijls eten, wordt dan ook wel hoepmakers spek genoemd. De industrie van het hoepelmaken verdwijnt dan ook meer en meer rond het begin van de 20e eeuw en de grienden zijn weer weilanden geworden.

Familie Randsdorp van kerk naar kerk

De lage lonen voor de hoepelmakers zullen van invloed geweest zijn op het vertrek van de familie Randsdorp uit hun woonplaats IJsselstein. Volgens het Bevolkingsregister van hun oude woonplaats is het gezin in juni 1888 naar Hengelo vertrokken. In 1893 blijkt het gezin in Enschede te wonen. Vader Gijs komt met vrouw en vier kinderen voor in het Bevolkingsregister van deze stad. In juni 1893 wordt op den Berkenkamp, wijk C nog een zoon Gijsbertus Johannes geboren. Vader is dan geen hoepelmaker meer, maar staat als arbeider geregistreerd. Hoewel hij later in documenten voorkomt als timmerman en metselaar, wordt in deze akte geen specifiek beroep genoemd.

St. Agathakerk in Lisse – bouw 1902 -1903

Lisette van der Lans schrijft in haar boek ‘St. Agatha 1903-2003’ over Gijs(bertus) Randsdorp dat hij heeft meegebouwd aan kerken in Enschede, Vilsteren en Den Haag. Het lijkt aannemelijk dat hij eveneens betrokken geweest is bij de bouw van de noodkerk in Hengelo. Deze wordt in 1888 gebouwd in de tuin van de pastorie en wordt gebruikt, voorafgaand aan de bouw van de Sint-Lambertusbasiliek. In 1893-1894 heeft Gijs in Enschede waarschijnlijk bijgedragen aan de bouw van de St. Jozefkerk, een Rooms Katholieke kerk die in die jaren gebouwd is, vooral om kerkruimte te bieden aan de textielarbeiders die zich daar eind 19e eeuw in groten getale vestigden. Heel bijzonder aan het bestek voor de bouw van deze St. Jozefkerk zijn de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werklieden krijgen een verzekering tegen ongelukken op de bouw en er worden schriksteigers aangebracht. Goed drinkwater en behoorlijke privaten moeten op de bouwplaats beschikbaar zijn en er mag niet langer dan elf uur per dag gewerkt worden. Maar er staat óók in de voorwaarden dat het vloeken verboden is!

Familie Randsdorp, middenonder Kornelia van Breukelen met kinderen en aangetrouwde kinderen (coll. Lisette van der Lans)

Later zijn in Vilsteren tussen 1896 en 1897 de Sint Willibrorduskerk gebouwd en in Den Haag is in 1898 de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raadkerk geconsacreerd. Ook aan deze katholieke kerken heeft Gijsbertus Johannes waarschijnlijk meegebouwd. Volgens Lisette van der Lans, in haar bovengenoemde boek, trekken in die periode vaklieden uit alle delen van het land, van plek naar plek om te kunnen meewerken aan de bouw van grote, nieuwe RK kerken. Als je het geluk had te worden aangenomen, dan had je minstens een jaar werk. Zo zou ook Gijs Randsdorp als metselaar met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. Rond 1902 heeft hij zijn woonwagen geparkeerd, naast die van de anderen, op het terrein van de nieuw te bouwen Sint Agathakerk. Op 1 november 1905 staat het gezin volgens het Bevolkingsregister van Lisse op C70 officieel ingeschreven in een ‘echte’ woning, op de Grachtweg nummer 37. Alleen zoon Johannes Gijsbertus is in Jutphaas gebleven en is daar getrouwd, de overige kinderen komen naar Lisse. Barbara, Huibert en Johannes Cornelis trouwen in Lisse, maar de jongste zoon Gijsbertus Johannes blijft voorlopig nog op de Grachtweg wonen. Vader Gijs overlijdt in 1915 en zijn weduwe in 1934. Volgens Erik Vergunst in zijn boek ‘de Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’, is het huis in 1959 verkocht aan Franciscus Johannes Hogervorst. Gedurende lange tijd heeft deze een schoenwinkel op dit adres gehad.

Grachtweg 37, na de familie Randsdorp kwam hier Hogervorst schoenen (coll. Beeldbank Lisse)

 

 

 

Johannes Cornelis Randsdorp

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen

Net als zijn vader is Johannes Cornelis metselaar geworden. Hij trouwt in 1908 met Klazina Elisabeth Koelewijn, die met haar ouders al geruime tijd in Lisse woont, op het stukje Heereweg tussen de Nieuwstraat en Julianastraat. Het jonge gezin trekt voor enige tijd in op Grachtweg 37, waar de eerste twee kinderen geboren worden. Daarna woont het gezin enkele jaren in de Van der Veldstraat, waar nog in elk geval vier van de kinderen geboren worden. Uiteindelijk neemt het gezin haar intrek in Julianastraat 113. Over dit gezin waaruit in totaal veertien kinderen geboren zijn, en waarvan helaas één kindje al heel jong is overleden, heeft Marjon Griffioen zelf al een heleboel verteld in haar boek over Wim Randsdorp.

Bronnen:

Nu zie ik je nooit meer – Marjon Griffioen;

St. Agatha 1903-2003 – De glorie en roem van katholiek Lisse – Lisette van der Lans;

Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden – Erik Vergunst;

Utrechts Archief; Bevolkingsregisters IJsselstein, Enschede, Lisse; Canon van IJsselstein, Hoepelmakers; Monumentenregister Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Hoepelmakerij P. v.d. Brand en zoon;

Beeldbank Lisse – Genealogie; ProGen VOL;

FamilySearch; Wikipedia, Encyclo – online Encyclopedie Ons erfgoed, oude beroepen

Naschrift

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen is verkrijgbaar bij boekhandel Grimbergen. Prijs € 20,20 Het is te leen in de bibliotheek en bij Vereniging Oud Lisse ter inzage. Ook te bestellen via https://vermeer. mijnbestseller.nl/shop/index.php/historyand-politics/biographies-and-memoirs. html.

DE OMWENTELING: dagboek van Van der Zaal

De bevrijding van de Fransen in 1913 wordt beschreven naar aanleiding van een dagboek van Cornels van der Zaal. De Prins van Oranje kwam ook nog langs.

Door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

In het jaar 1813 is ons land verlost van het Franse juk. Geallieerde legers onder bevel van Lord Wellington versloegen definitief Keizer Napoleon en er kwam een omwenteling. Ook in Lisse. Op de 10e van de maand november kwam er een gerucht dat ons land had gecapituleerd, met wie en hoe wist niemand. De Maire, de heer van der Staal, was die dag bij de Prefect ontboden waar hem werd gelast de goede rust in Lisse te handhaven want er kwamen eerdaags vreemde troepen naar deze regio. De Maire ging bij alle burgers in het dorp langs om te verzoeken zich rustig te houden. Geruchten bleven zich verspreiden tot maandag de 15e, toen kreeg het gemeentebestuur een brief dat het alle valse geruchten waren en Keizer Napoleon weer op zijn troon zetelde. Toch namen enkelen het zekere voor het onzekere en vertrokken. Douanen en Fransche Heeren namen de wijk, toch bevreesd voor eventuele vergelding. In Amsterdam braken op de 15e om 19.00 uur relletjes uit en onder het scanderen van Oranje, Oranje begon men huizen van douanen in brand te steken. Lisse lag op de route Den Haag – Amsterdam en aan doorkomende koetsen en ruiters meende men op te maken dat het alles Oranje was geworden. Ook hier begon men op de 12e ’s avonds luidkeels oranje te roepen maar rellen bleven uit. Maire van der Staal had op de 15e een man naar Leiden gestuurd om te zien welke vlag er op de toren stond. Deze kwam terug en meldde dat de hele stad versierd was met Oranje. Cornelis van der Zaal werd op donderdag verzocht de Nederlandse vlag op de toren van Lisse te zetten. Deze had de avond ervoor een Franse vlag verbouwd tot een Nederlandse door de strook rood te vervangen voor een oranje strook. Het was niet mogelijk gebleken om in Leiden een vlag te kopen want op woensdagavond waren de stadspoorten gesloten. Drie dagen lang zong de bevolking van Lisse uitbundig Oranjeliederen en gingen ze rond bij burgers en boeren voor een drinkpenning of om getrakteerd te worden. Het was een vrolijke boel in het anders zo rustige dorpje. Maar zondag en maandag veranderde de sfeer toen grote groepen deserteurs in het dorp verschenen. Ook waren er een boel jonge mannen uit Lisse onder de wapenen van Napoleon opgenomen of werkten in werkbataljons, zij waren nog niet terug.

Maar nog steeds waren er geen vreemde troepen verschenen en begonnen de talrijke bossen rond Lisse zich te vullen met stroopbenden van deserteurs, het werd gevaarlijker. Op woensdagavond, toen men de kerkdienst bijwoonde hoorde men van buiten een trompetgeschal en enkelen gingen eens buiten kijken. Het was een kapitein van de Nationale Garde, welke vroeg om vrijwilligers om op te treden tegen de stroopbendes in de omgeving. Een menigte Fransen kwam plunderend vanuit Utrecht richting Leiden. Zeventien personen van Lisse meldden zich en ook in Hillegom sloot zich een groep aan. In Lisse zelf werd er een wacht geformeerd, zeventien bewapende mannen zouden Lisse verdedigen.

Het hoofdkwartier werd strategisch ingericht in de Witte Zwaan en telkens werden patrouilles van twee man uitgezonden. Nog steeds werden er geruchten verspreid en niemand wist waar men aan toe was. Eindelijk op maandag de 29e november kwamen er bij Scheveningen Engelse schepen aan welke 250 soldaten ontscheepten welke naar Den Haag marcheerden. De Engelsen vertelden dat de Prins van Oranje zou volgen. Dinsdagmiddag om vijf uur kwam de prins aan land en ging per koets naar Den Haag. Op twee december is de prins naar Amsterdam gegaan en in Lisse aangekomen werden de paarden ververst en ging het gezelschap in de Witte Zwaan naar de Rechtkamer om zich te verfrissen. Opvallend was dat Zijne Hoogheid de aangeboden wijn niet aanraakte waarop de andere heren het zich goed lieten smaken. Het was voor het dorp Lisse een heuglijke dag. Na een half uur vertrok het gezelschap naar Amsterdam.

Diezelfde 2e december 1813 verschenen dan de eerste vreemde troepen, drie stuks “koezakken”, imponerende figuren op hun kleine paardjes. De Fransen waren doodsbang van deze taaie soldaten. Heel Lisse liep uit om hen te zien, het blijven natuurlijk gaapstokken, en men bood de overigens uiterst vriendelijke soldaten een glas jenever aan. Het hele dorp deed hen daarna uitgeleide tot buiten het dorp. De vrijdag daaropvolgend kwam er een expresse brief waarin werd meegedeeld dat de Prins weer door Lisse kwam en verse paarden verlangde. Rond het middaguur verschenen de koetsen van de Prins, gevolgd door een dertigtal kozakken. Zij hielden halt en vroegen om hooi en haver voor de paarden en vlees en brood voor hen zelf. Bovendien werd er drank verlangd want zij lustten daar wel pap van. Bij de slager werd 50 pond vlees gehaald en in ketels gekookt. Maar voor dat klaar was waren de kozakken de huizen ingegaan en vroegen de mensen om voedsel. Toen de 50 pond klaar was zette Van der Zaal schragen met planken neer bij Vreeburg en vielen de kozakken aan. Volop besproeid met jenever en bier. Het vervelende was dat men hen niet kon verstaan maar een passerende heer uit Amsterdam sprak hun taal en was bereid te tolken. Toen de soldaten de tafel hadden leeggegeten en alle flessen leeg waren verscheen het rijtuig van de Prins. Deze keer stapte hij niet uit maar deed wel zijn raam open en de heer Entink (schout) en de Maire converseerden met Z.H. Toen de paarden waren ingespannen vertrok het gezelschap onder het geroep van Oranje boven, gevolgd door de kozakken waarvan er vier in Lisse bleven om ordonnans te rijden. Men had gedacht ze bij Jan Lemmers onder te brengen maar de kozakken wilden niet bij Vreeburg vandaan en wilden weer vlees en brood hebben. Die middag was een aardige middag en niemand geschiedde enig leed. Zaterdagmorgen trokken grote groepen kozakken en een menigte Russische infanterie door Lisse, maar Lisse heeft daar geen hinder van gehad. Zij waren op weg naar Leiden. Zondag nog enige formaties kozakken op doortocht en ook de vier ordonnansrijders vertrokken maandag. Ook diezelfde maandag besloot het dorpsbestuur het dorp te “limmeneeren” versieren met verlichting, en daar is Lisse die middag druk mee geweest. ’s Avonds vierde men feest. Dinsdag in de namiddag kwamen er 1500 Spaanse krijgsgevangenen door welke voor de Fransen hadden moeten werken bij Den Helder en nu vrijgelaten waren. Ze hadden allen dienst genomen tegen de Fransen. Het dorpsbestuur besloot hen allen een slok jenever te geven, als ze maar door liepen.

Op vrijdag 10 december is ter poeje van ’t Regthuijs van Lisse afgelezen dat de Prins tot Soeverein Vorst was uitgeroepen. Daarna werden de doortochten van militairen minder. Wel moesten er iedere dag 10 wagens en 20 paarden gereed gehouden worden. Die moesten van vijf dorpen betrokken worden. Toen kwam eindelijk de definitieve wapenstilstand. Napoleon deed zijn kroon af en werd verbannen. Toen konden ook alle militairen naar hun vaderland terugkeren, ook de jongens en mannen uit Lisse. In de Kerk werd een dankzegging gedaan en kon Lisse weer verder.

Opvallend is dat patriottische mannen als de heren Steengracht, Van der Staal, Entink e.a. die aanvankelijk voor de Fransen hadden gewerkt na de bevrijding weer dadelijk een rol konden spelen. Dit was te danken aan de proclamatie van 1813 van de Prins van Oranje. Hierin stelt hij nadrukkelijk: “Alle partijschap heeft opgehouden, Al het geledene is vergeten en vergeeven”

Een bewerking naar het dagboek van Cornelis van der Zaal bijgehouden in de periode 178-1838.

Kozak in 1813 in de buurt van Lisse

EEN PLANKJE VAN HONDERD JAAR GELEDEN

Heereweg 115 werd verbouwd. Op zolder werd een plankje met tekst gevonden geschreven door Jac. Van Biezen en Andries Mastenbroek. Laura onderzocht de familierelaties van hen en de bewoningsgeschiedenis van Heereweg 115.

Door Laura Bemelman van Werkgroep Genealogie

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Bijna heel Europa in Oorlog Dit zoldertje er op gelegen 6 Maart 1915 Jac. Van Biezen Andries Mastenbroek, Lisse’

Onlangs schreef de heer de Jong aan ons Nieuwsblad over de grondige verbouwing van hun nieuwe huis op de Heereweg 115. Tijdens sloopwerkzaamheden op de zolder is ergens achter het rachelwerk een plankje gevonden met enkele regels tekst. Hij heeft een foto ervan naar ons toegestuurd omdat hij deze vondst heel bijzonder vond en met ons wilde delen. We wilden de foto graag in het Nieuwsblad plaatsen, maar direct ontstond ook het idee om vanuit de Vereniging Oud Lisse te onderzoeken of er iets interessants over te vertellen zou zijn.

In maart 1915 is ‘bijna heel Europa in oorlog’. We hebben het dan over de 1e Wereldoorlog. Hoewel Nederland in die oorlog haar neutraliteit wist te behouden, had die oorlog behoorlijk veel impact op het leven van de Nederlanders en de Lisser bevolking. In een eerder artikel in het Nieuwsblad zijn de Belgische oorlogsvluchtelingen al uitgebreid aan bod gekomen. Als het plankje wordt beschreven zijn die 500 mensen die vanaf begin oktober 1914 in ons dorp onderdak hebben gekregen nog maar net weer vertrokken, de meesten naar vluchtelingenkampen elders in ons land. De beide schrijvers van dit plankje hebben een grote betrokkenheid bij deze grote oorlog gevoeld. We weten eigenlijk niet of het gebruik was, zo’n verborgen plankje. Er is in elk geval één vergelijkbaar voorbeeld. Mogelijk zijn er nog anderen die ervan hebben gehoord of het hebben meegemaakt? Was er ook niet een schilder die zijn naam ooit in de kerktoren van de Hervormde dorpskerk op het Vierkant achterliet? Als een lang verstopt geweest plankje wordt teruggevonden is het een curiositeit en krijgt het meer kans op aandacht. Dit plankje heeft precies honderd jaar moeten wachten om in handen van een belangstellende terecht te komen en gelukkig is het door de vinder ook onder de aandacht van onze vereniging gebracht. Onze vrijwilligers, geïnteresseerd in historie en genealogie, zijn ervan overtuigd dat de tekst op het plankje is geschreven door twee Lisser timmermannen. Jacobus van Biezen, dan 51 jaar, geboren op 7 september 1863 in Lisse, van beroep timmerman. Hij is afkomstig uit een gezin van 9 kinderen, zijn ouders zijn Willem Spruijt van Biezen en Jacoba Hoek. Hij trouwde op 21 november 1895 in de NH kerk in Lisse met Johanna Theresia de Vries, geboren in Velsen. Jacobus is overleden op 18 oktober 1922 in Lisse. Andries Mastenbroek, dan 30 jaar, geboren op 10 oktober 1884 in Leiden, van beroep timmerman. Ook hij is afkomstig uit een gezin van 9 kinderen, zijn ouders zijn Barend Mastenbroek en Marigje Dragt. Hij trouwde op 28 juni 1906 in de NH kerk in Lisse met Ida Catharina Kaak, geboren in Voorhout. Andries is overleden op 3 januari 1960 in Lisse. Het gezin Mastenbroek en dus ook Andries, heeft enige tijd op de Heereweg ongeveer huisnummer 116 gewoond, dus schuin tegenover het huidige huis van familie De Jong. Vader was winkelier en ook behanger en had nog een zoon die timmerman was en een andere zoon die behanger was. Op nummer 120 woonde Jacob van Biezen, hij was koopman en een broer van timmerman Jacobus van Biezen. Het huis is gesloopt en herbouwd en Van Biezen is vertrokken, daar kwam toen de winkel van Reeuwijk, nu is het een appartementencomplex. De twee mannen staan elk als timmerman in het Bevolkingsregister. Als ze daarin voorkwamen als timmermansknecht hebben ze een ‘baas’ gehad, nu is dat niet zeker. Gezien het leeftijdsverschil is het mogelijk dat Andries in dienst geweest is bij Barend. Of waren ze beiden in dienst van bijvoorbeeld timmerman-aannemer Moolenaar? In elk geval was er tijdens die eerste Wereldoorlog schaarste aan allerlei goederen en veel werkloosheid. Deze klus moet ‘brood op de plank’ betekend hebben voor de gezinnen van deze timmerlieden.

Het ‘land van Blokhuis’ zicht op Heereweg

Op Heereweg 115 woonde Cornelis Blokhuis (1859), dan al enige tijd weduwnaar van Geertruida van Parijs. Cornelis en Geertruida hebben tien kinderen gekregen, vijf daarvan waren in 1915 al overleden. In dat jaar woonden nog twee kinderen, ongehuwd bij hun vader in huis: zoon Cornelis (1877) en de jongste dochter Geertje (1891). Hun adres is dan: C104. Op de nummers C101, C102 en C103 woonden de drie overige kinderen: zoons, en allemaal bloemist. Naast zijn vader, op C103, woonde Gerrit Blokhuis (1878), getrouwd maar zonder kinderen. Dit was het huis ‘Irene’ dat eerst nog als ziekenhuis in gebruikt geweest is en later is afgebroken voor de aanleg van de Nassaustraat. Twee huizen meer noordelijk, op C101 woonde Marie Jacobus (1889), hij was in 1912 getrouwd maar ook (nog) zonder kinderen. En op C102, tussen zijn beide broers in, Gijsbert Blokhuis (1883). Hij was getrouwd met Francina Elisabeth Servaas, en zij kregen drie kinderen: Cornelis (genoemd naar opa Blokhuis) in 1909; Francina Elisabeth van 1911 en Geertruida van januari 1913. Echtgenote en moeder Francina is op 20 februari 1915 overleden en Gijsbert bleef achter met de drie heel jonge kinderen. Gijsbert is met de kinderen verhuisd naar het huis van zijn vader. Mogelijk  heeft Gijsberts’ zus Geertje de dagelijkse zorg voor de kleintjes op zich willen nemen. Een eenvoudiger oplossing was er waarschijnlijk niet. Ongetwijfeld had Geertruida daar ook al de zorg voor haar vader en andere broer. De drie mannen, vader en twee zoons, konden zich dan concentreren op waar ze goed in waren: bloembollen kweken en die verhandelen. De verhuizing moet wel bliksemsnel in gang gezet zijn. Want het plankje is van slechts veertien dagen ná het overlijden van Gijsberts vrouw Francina. Dit zal haast wel de aanleiding geweest zijn voor het opknappen van de zolderverdieping, waar de timmermannen hun plankje achter de rachels gestoken hebben.

De ‘Pruimenhof’ van Gijsbert Blokhuis

Heereweg 115 is samengesteld uit het huis zoals het in 1906 voor Cornelis Blokhuis is gebouwd en de uitbreiding tot dubbel woonhuis in 1929. Het werd in de zestiger jaren van de vorige eeuw een hoekpand toen de Nassaustraat werd aangesloten op de Heereweg. Vóór 1906 heeft op deze plek een ander huis van de familie Blokhuis gestaan ´de Pruimenhof´. De allereerste Blokhuis, Gijsbert, woonde daar vanaf ongeveer 1817. Later hebben in het gesplitste hoekhuis een reeks bewoners gewoond. Het is nog geruime tijd in gebruik geweest als pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk. Ook heeft later de Lisser wethouder Moolenaar er nog gewoond. Waarschijnlijk zit de charme van dit verhaal in de conclusie, die je alleen kunt trekken door gegevens uit verschillende bronnen en bestanden te combineren met wat kennis van zeden en gewoonten uit die tijd.

 

Bronnen: De Grote Oorlog in een Hollands Dorp – Nieuwsblad 1/2105; ProGen VOL; Bevolkingsregister Lisse 1910-1920; Registratie Waardevolle Panden in Lisse – VOL; A.M. Hulkenberg – Lisse, rommeling