Posts

BIERSTEKER BETRAPT IN DE ENGEL

Inhoud Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

Door D. Floorijp

In 1689 werd de biersteker Willem Klaverweijde betrapt op het ontduiken van belasting (impost) op boter. De deurwaarders werden ingeschakeld, maar de boter was ondertussen verdwenen. Daardoor kon de boter niet in beslag worden genomen.

Willem Jansz. Klaverweijde, biersteker en herbergier in de Engel, ca 1660-1701, was weduwnaar van Geertje Gerrits Erffort en sinds een jaar getrouwd met Geertje Dammes van der Beek. Hij kreeg plotseling bezoek van Dammes Dammisse Raaphorst, schepen, op verzoek van Maarten Dirkse van “t Hoog, burgemeester en pachter van den impost (belasting) op boter over Lisse en Sassenheim.
Op dinsdag 23 augustus 1689 omstreeks de klokke van drie á vier uuren stonden ze voor de deur, met het voornemen om in van Klaverweijdes bierstekers kelder te peilen of de hoeveelheid bier aanwezig was zoals die op de formulieren was aangegeven. De belasting moest kloppen op de verschillende soorten bier. Er bestond bier in verschillende smaken en prijzen. Het water was niet altijd te drinken daarom werd er veel bier gedronken. Het hopmengsel werd met heet water overgoten, daarna nogmaals, wat een lichter en goedkoper bier opleverde. Wat overbleef was niet meer dan een slap aftreksel dat men dunbier of scharrebier noemde, met een laag alcohol percentage, dat ging naar de armen.
In de Engel aangekomen vonden zij de kelder op slot en men verzocht de herbergier de sleutel te gaan halen. De genoemde Klaverweijde kwam met de sleutel die hij uit huis moest halen en ontsloot de deur. In gedachten zag hij de bui al hangen. In de kelder gekomen zagen Dammes Raaphorst en Maarten van ’t Hoog tijdens het peilen van de vaten, uit hun ooghoeken achter in de kelder een vierendeel vol boter, hiervoor werd Klaverweijde bekeurd omdat de boter buiten de impost gehouden werd. Het bier werd met de peilstok gemeten en bleek in orde te zijn. De heren vertrokken er met een bode werden de deurwaarders in Leiden ingelicht, deze kwamen spoorslag naar Lisse. En omstreeks de klokke over negen uren stonden Raaphorst en van ’t Hoog opnieuw voor de herberg in de Engel, maar nu met de deurwaarders Jacob Dirkse van Spieringshoek en Barend van der Heijden. Om na de bekeuring
ook beslag te leggen op de boter. Zij gelastten opnieuw de kelder te ontsluiten. Nadat de kaarsen waren aangestoken en naar binnen was gegaan om de boter te controleren, werd de hele kelder doorzocht maar nergens boter te vinden. Willem Klaverweijde had die bui al zien hangen en de boter vlug afgevoerd. Op het ontduiken van de impost stonden flinke straffen en kon het gebeuren dat je je vergunning kwijtraakte. Willem had dus voorzorgsmaatregelen getroffen voor als het fout ging. Op de vraag: waar is de boter gebleven? antwoordde van Klaverweijde dat de boter naar Haarlem was. Daarna werden er getuigen opgeroepen, Jan Jorisse ’s Gravenmade oud omtrent 30 jaren en door de geregtsbode gedaagd om getuigenisse der waarheid te geven. Hij had op versoek van de heer Klaverweijde zondag 21 deser des avonds de boter met een schuitje gebracht voor de kinderen van Jan Janse van de Fits een achtste deel boter en voor Maarten Hubertse Koning een vierde deel, het schuitje aan de wal bij Klaverweijde gebracht en de voornoemde Klaverweijde gevraagt: is alles wel? En was toen heengegaan. Nu kwam Geertje Cornelisdr. Heemstede oud omtrent 30 jaar voor dochter van wijlen Jan Janse Fits en Geertje Dammes Rode oud omtrent 37 jaar huisvrouw vanMaarten Hubertse Koning, waar de boter eerst was
gebracht, en verklaarde dat het achtste deel boter naar de doctor in de Jansstraat tot Haarlem moest en het vierendeel naar Lijsbetje Hugaart in de grote Houtstraat. Zo werd de boter van hot naar her verplaatst totdat niemand meer wist waar de boter gebleven was. Laat staan dat er nog boter in beslag kon worden genomen. De afloop wordt niet vermeld.

Bron: ORA nr.30

Moord in Lisse 100 jaar geleden

Sporen van vroeger (LisserNieuw)

22 september 2020

 door Nico Groen

 Op 12 september1920, precies 100 jaar geleden, vermoordde een vrouw in Lisse samen met haar kostganger haar echtgenoot. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij, na rijp beraad en in kalm overleg met haar kostganger, haar man een kop chocolade heeft gegeven. Dit, terwijl zij wist, dat in die chocolade door de kostganger een dodelijke dosis arsenicum was gedaan. De man overleed aan de gevolgen. Aan de kostganger werd medeplichtigheid ten laste gelegd.

Bij de berechting stroomde de publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank vol. Dicht aaneen geschaard stonden de luisteraars. Niet alle nieuwsgierigen konden naar binnen. Toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat te wachten. Vele belangstellenden waren uit Lisse gekomen.

In de krant stond: “De vrouw was een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar, maar ziet eruit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse met een donker uiterlijk”.

De vrouw vertelde de rechter dat haar kostganger al anderhalf jaar bij haar woonde. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen. Zij meenden dat haar man  te veel in het gezin was. Met haar kostganger had zij er meermalen over gesproken dat haar man maar opgeruimd moest worden.

De eerste getuige J.P. Berbee, had aan de kostganger een zakje arsenicum gegeven. Deze vertelde aan Berbee dat het nodig was om ratten te doden.

Op goede voet

Een buurvrouw, juffrouw van den Berg had wel eens gezien dat vrouw  op goede voet stond met haar kostganger. Op een zekere dag was de man ziek. De vrouw zei toen: “als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man”.

Getuige heeft de kostganger na 12 september eens horen zeggen: “Mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat de kostganger geregeld naar de vrouw toeging. Vooral was het haar opgevallen, dat hij meestal even overwipte voor haar man kwam eten. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum. Daarna verklaarde Professor van Itallie, hoogleraar te Leiden, dat  er arsenicum in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden was.

Zij werden beiden tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. De kostganger zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis.

Bovenstaande komt uit een artikel van Arie de Koning, dat op de website OudLisse.nl staat.

Op de website staan honderden artikelen van uiteenlopende aard.

 

Foto: Het gerechtsgebouw in Haarlem was 100 jaar geleden het toneel van een tragedie.
Foto: Wikipedia

 

VERGIFTIGINGSDRAMA TE LISSE VERGIFTIGINGSDRAMA TE LISSE

Voor de rechtbank in Haarlem verschenen Hendrica van der M. en Casparus van de L. Zij worden beschuldigd van het vergiftigen van J.L. van den B., voormalig echtgenoot van Van der M. Via een kop chocolademelk met arsenicum was hij vergiftigd. Beide daders werden veroordeeld.

door Arie de Koning

De publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank stroomde weer eens vol. Dicht aaneengeschaard stonden de luisteraars. Toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden nieuwsgierigen voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat. Geduldig stonden ze te wachten, maar kans om binnengelaten te worden was er niet. Velen waren uit Lisse gekomen, ook de gereserveerde tribune was geheel bezet. De beklaagden in dit drama waren Gerarda Hendrica van der M. de weduwe van
J.L. van den B. en haar vroegere commensaal Casparus van der L. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij op 12 september 1920 te Lisse, tezamen met Van der L.,-nadat zij na rijp beraad en in kalm overleg besloten hadden, haar echtgenoot J.L. van den B. van het leven te beroven, haar man een kop chocolade heeft gegeven, terwijl zij wist, dat in die chocolade door Van der L. een dodelijke dosis arsenicum was gedaan, aan welke gevolgen van den B. is overleden. Aan Van der L. was medeplichtigheid ten laste gelegd.

De vrouw is een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar maar ziet er uit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse, iemand met een donker uiterlijk. Eerst werden, nadat de dagvaarding was voorgelezen, de rapporten van de deskundigen, die het lijk van de vergiftigde onderzocht hebben, voorgelezen. Hiermede was een half uur gemoeid. De beklaagden zaten dit stil aan te horen, ze begrepen natuurlijk niets van de aaneenrijging van medische termen die de deskundigen op schrift gesteld hadden om tot de conclusie te komen, dat Van den B. ten gevolge van arsenicumvergiftiging was overleden. Door het Openbaar Ministerie was een twintigtal getuigen gedagvaard. Als verdedigers traden op voor Van der L. Mr. Pliester en voor vrouw Van den B. Mr. C. van Sprang. Eerst was de bedoeling geweest om de zaken gescheiden te behandelen, om Van der L. als getuige te kunnen horen in de zaak van vrouw van den B. en deze weer in de zaak tegen Van der L. Op het laatst is evenwel van dit voornemen afgezien en besloten de zaken gelijktijdig te behandelen. Hierop had het verhoor van de beschuldigden plaats. De vrouw vertelde dat Van der L. reeds anderhalf jaar bij haar woonde als commensaal. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen, zodat zij meenden dat Van den B. teveel in het gezin was. Met Van der L. had zij er meermalen over gesproken dat Van den B., in huis Jan genoemd, maar ‘opgeruimd’ moest worden. In april of mei had Van der L. arsenicum in huis gebracht. Later had hij gezegd ‘dat is om je man op te ruimen’. Op 10 September zou Van den B. thuis komen van zijn werk als stoker op de Gasfabriek te Lisse. – Ik had toen, – zo vertelde de
vrouw, in een pannetje chocolade voor mijn man klaargemaakt. Ik had Van der L. met een kopje arsenicum zien lopen. Later heb ik dat kopje uitgespoeld omdat ik het nog niet doen wou. – Daarop heeft Van der L. weer poeder in dat kopje gedaan en zelf het poeder in de chocolade gedaan.- Toen heb ik, toen mijn man thuis kwam, hem de chocolade gegeven. President: Terwijl u wist dat Van der L. er arsenicum in had gedaan?….. Beklaagde: Ja !…… President: Het was de bedoeling uw man te doden. Wou u dan later met Van der L. trouwen? Beklaagde: Dat niet, ik wist dat Van der L. getrouwd was…. President: maar hij kon scheiden, hij leefde als geheel gescheiden van zijn vrouw. Verder vroeg de president waarom beklaagde haar man vergiftigd had. Beklaagde: Ik had geen leven met mijn man…… Van der L. daarop gehoord, verklaarde dat hij het arsenicum in de chocolade had gedaan. Eerst wilde hij beweren dat hij zich ’t niet herinnerde, maar toen de president zijn verklaring voor de rechter-commissaris voorlas, gaf hij toe dat hij het gedaan had. Bovendien zei hij dat hij vroeger al eens arsenicum in de koffie van Van den B. had gedaan. Daarvan was hij wel ziek geweest maar niet gestorven. Van der L. vervolgde: ik heb op die zondag 12 september niet zoveel in de chocolade gedaan. Ik vermoed dat de vrouw nu die zondag enige keren vergift aan haar man gegeven heeft. Zij heeft ook gezegd ‘ik ben er nu maar mee opgehouden omdat hij alles er uitbraakt’. Vrouw Van den B. ontkende dit. Van der L. hield vol geen dodelijke dosis gegeven te hebben. Eén der rechters: U hebt verklaard voor de rechter-commissaris, dat het een theelepeltje was. Beklaagde: Het was niet zoveel, anders was Van den B. dezelfde dag al gestorven. Nadat nog eens de verklaring van vroeger voorgelezen was, erkende de beklaagde, het was iets minder dan een theelepeltje. President: Niet veel minder? Beklaagde: Ja, nogal wat minder zou ik zo zeggen. De vrouw vertelde nog, nadat haar man enige dagen ziek thuis was geweest, de dokter het nodig oordeelde, dat de patiënt naar het ziekenhuis te Leiden werd overgebracht. Toen haar man daar was heeft ze hem een keer opgezocht, maar ze kwam te laat, Van den B. was toen al overleden.

Hierop begon het getuigenverhoor.

De eerste getuige J. P. Berbee, had aan Van der L. een zakje arsenicum gegeven. Hij vertelde dat het nodig was om ratten te doden. De drogist Schouten, daarna gehoord, verklaarde, dat hij arsenicum aan Berbee verkocht had. De directeur der Lissesche Gasfabriek, de heer H. S. A van Beek, vertelde dat Van den B. op die bewuste zondag gezond naar zijn huis ging. Maandag en dinsdag was hij ziek geweest. Op woensdag was hij weer gekomen, maar nog ziek. Toen hij weer naar huis ging, met de mededeling dat hij nog braakte, gaf getuige in overweging om een dokter te laten komen. Getuige kende Van den B. al vele jaren, het was een oppassend man, die voor het welzijn van zijn gezin ijverde. Dokter F. G. M. Haase, de huisarts te Lisse, heeft Van den B. op woensdag behandeld. Ik dacht aan vergiftiging, bijvoorbeeld door gas of vlees. Aan de patiënt heeft getuige nog gevraagd: “heb je niets gegeten dat niet in orde was”? De patiënt zei toen nee, en half glimlachend voegde hij er aan toe, ”of mijn vrouw moet me wat ingegeven hebben”. Op een vraag van de verdediger verklaarde dokter Haase, dat de vrouw Van den B. eens tegen hem geklaagd had over het gedrag van haar man, die teveel naar andere vrouwen keek. Verdediger Mr. Pliester: Is er u iets van bekend dat te Lisse het gerucht gaat, dat in het gezin Van den B. kinderen gestorven zijn aan vergiftiging? Dokter Haase: Ik herinner mij alleen dat er zes jaar geleden een jong kindje plotseling gestorven is: de verschijnselen kan ik mij niet meer goed voorstellen. Van Mechelen, stoker op de Gasfabriek, heeft met Van den B. gewerkt. “Hij klaagde de laatste tijd over zijn gezondheidstoestand, dikke benen, braken enz. Vroeger was Van den B. een opgewekte vrolijke kerel, die wel eens dolde, maar nooit onfatsoenlijk was. Hij was een goede man, een goed vader. Alleen de laatste tijd was hij mismoedig. Het Openbaar Ministerie: Maar toen was hem ook gebleken dat zijn vrouw het eens was met een ander. Een buurvrouw, juffrouw Van den Berg had wel eens gezien dat vrouw van den B. op goede voet stond met Van der L. Op een zekere dag was Van den B. ziek. Vrouw van der B. zei toen: als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man. Verder verklaarde deze getuige dat Van den B. wel eens een grapje maakte maar steeds binnen de grenzen bleef. Getuige
heeft Van der L. na 12 september eens horen zeggen: “mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat Van der L., nadat er twist was geweest in het huis Van den B., bij haar commensaal was geweest. Hij ging toen evenwel geregeld naar Vrouw van den B. toe. Vooral was het haar opgevallen, dat Van der L. meestal even overwipte voor Van den B. kwam eten. Zij zag hem dan wel eens naar boven lopen waar zijn kist stond, waarin zoals later gebleken is, de arsenicum verstopt was. Een veldwachter te Lisse deelde mede dat hem bij onderzoek gebleken was dat Van der L. op zedelijk gebied laag stond. O.a. moet hij zich misdragen hebben tegenover het 12-jarige dochtertje van Van den B. hetgeen aan de moeder bekend was. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning van Van den B. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum. Mr. Pliester vroeg aan getuige J. P. L. Hulst, arts te Leiden, of hij kan mededelen hoeveel minimum en maximum tijd iemand nog leeft na het innemen van een dosis arsenicum. Getuige Hulst: Bij een acute vergiftiging door arsenicum gebeurt dit in een minimum tijd van enige uren en bij een maximum tijd 8 tot 10 dagen, dit kan echter ook wel twaalf dagen zijn. Dit hangt ook wel af van de hoeveelheid arsenicum die ingenomen is. Iemand die vaak onder arsenicum invloed verkeert, zal niet zo spoedig hinder er van hebben als iemand die slechts in een enkel geval arsenicum inneemt. De Officier van Justitie nam nota van deze verklaring. Daarna werden enkele artsen als getuige gehoord, zo ook Professor Van Itallie, hoogleraar te Leiden, welke verklaarde dat het vergift wat in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden is, arsenicum was. Op een desbetreffende vraag antwoordde de deskundige dat hij in deze zaak aan een subacuut vergiftigingsgeval moet denken. Na het horen van nog enkele getuigen wordt de zitting geschorst.

Uitspraak op 28 februari 1921.
Het Openbaar Ministerie had gezegd in zijn requisitoir: “het heeft geen nut meer deze mensen, die zich aan zo een ernstig misdrijf hebben schuldig gemaakt, nog eens in de maatschappij te laten terugkeren”. “Daarom stel ik de rechters voor hen te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf”. Toen de beklaagden deze eis hoorden waren zij gebroken. De verdedigers putten zich uit te betogen dat al hebben de mensen zwaar misdreven, hen nog in elk geval een kans moet gegeven worden om nog eens in de maatschappij terug te keren. Heden zou de rechtbank vonnis geven. De publieke belangstelling was ook deze keer heel groot. Honderden luisteraars – waar onder vooral veel jonge vrouwen en meisjes – stonden voor de benedendeuren van het Paleis van Justitie. Allen stonden in rijen geschaard . Enige rijksveldwachters en politieagenten zorgden vor de orde. Even voor tienen werden de deuren geopend en de eerste bezoekers stormden naar boven. Een zeer luidruchtig volkje, die Lissers, het was of het een schouwburgvoorstelling was en de mensen blij waren een goede plaats te hebben veroverd. Meisjes
en vrouwen hadden een “snoepje” mee genomen……. Die publieke belangstelling, zich op deze wijze uitend, maakte een stotende indruk. Hier zou tenslotte worden beslist of twee mensen voor ’t gehele verdere leven naar de gevangenis verwezen zouden worden. De veldwachters geboden stilte waarna de beklaagden binnen werden geleid, elk bewaakt door een veldwachter. Ze namen plaats in het bankje, even elkaar schuw aankijkend. De rechters kwamen uit de raadskamer en namen plaats. Nu zou men het horen……. De president deelde dadelijk mede: – de rechtbank heeft beide beklaagden, de 34-jarige weduwe Van den B. en haar 45-jarige gewezen commensaal Van der L. – veroordeeld tot 15-jaar gevangenisstraf. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. Vooral bij de passages in het vonnis waarin werd geconstateerd dat zij met haar commensaal afgesproken had om met arsenicum haar man ´op te ruimen´. Ook bij de passages over het lijden van haar man, thuis en in ´t ziekenhuis.
Van der L. zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis. 15 jaren, de vrouw zal 49
jaar zijn als zij vrijkomt, de man 60 jaar. En jaren in de gevangenis tellen dubbel…….. Toen de president het vonnis mede deelde, klonk van de tribune een kreet van ontzetting. Na het voorlezen van het vonnis werden de veroordeelden weggeleid. Een verwoest gezin…. Vader vergiftigd, gestorven en begraven, moeder in de gevangenis. De kinderen verstrooid en overgelaten aan de goedheid van andere mensen. Ook het kindje dat voor enkele maanden in de gevangenis het levenslicht heeft aanschouwd……..

Rechtbank Haarlem

Resumé:
Het aandeel van vrouwen onder de zware criminelen was in de negentiende en vroeg twintigste eeuw opvallend groot en niet gebonden aan enige regio. Wel waren in de havensteden de aantallen wat hoger door de prostitutie en gauwdieverij onder vrouwen. Ook in Lisse en omgeving zijn er gevallen waarbij de vrouw zich van haar man ontdeed bekend. Fysiek zwakker, bedienden zij zich meestal van enigerlei vergift, meestal in de vorm van arsenicum, welke in die dagen vrijelijk bij de apotheek verkrijgbaar was ter bestrijding van ratten. Zo ook boven beschreven Gerarda Hendrica (Ger) van der M. Blijkens de verhoren komt naar voren dat haar huwelijk met Jan L. van den B. behoorlijk ontwricht was en Jan zich ontpopte als huistiran. Zij kreeg in totaal tien kinderen van hem waarvan de laatste, Hendrikus, op 17 januari 1921 in de Haarlemse Koepelgevangenis werd geboren, waar Ger, hangende het moordonderzoek in voorarrest zat. Slechts drie kinderen zijn volwassen geworden……. Gerarda Hendrica van der M. was geboren op 21 mei 1886 in Rijnsaterwoude als dochter van Pieter van der M., arbeider, en Cornelia van K. Zij trouwde op 12 september 1906 met Jan L. van den B., een 28-jarige arbeider bij de Gasfabriek in Lisse. Hij was geboren in Groningen op 3 april 1878 als natuurlijke zoon van Antje van den B. Hij is overleden in het ziekenhuis te Leiden op 24 september 1920. Niet bekend is waar Gerarda Hendrica van der M. haar straf heeft uitgezeten, maar zij is teruggekeerd naar Lisse en aldaar op 3 maart 1957 overleden op 70-jarige leeftijd. Casparus van der L. is niet gevonden in de archieven.

Bronnen:
Strafvonnissen Arr. Rechtbank Haarlem
Haarlems Dagblad 21-02-1921 Blz.2/3
Haarlems Dagblad 28-02-1921 Blz. 1
Persoonsarchief Vereniging Oud Lisse
Crime and gender 1600-1900 Universiteit van Leiden

OUD NIEUWS: Kwaadaardige honden op Dever

Heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699) had veel problemen met zijn windhonden. Zij vielen schapen en zelfs een bezoeker aan, die ernstig aan zijn been verwond werd.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

De heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699), gehuwd met Agatha Adriaansdr. Bijl (1634-1694), heeft heel wat te stellen met zijn liefhebberij, het houden van windhonden. Er lopen er zeker al vier los op zijn erf, van aanlijnen wetenv ze nog niet. Hij gebruikt zijn honden waarschijnlijk voor de jacht en bewaking.
Of er daarvoor ook al problemen zijn geweest weten we niet, maar in 1682 verschijnen er een aantal dorpsgenoten voor schout en schepenen met ernstige klachten. ‘Voor schout mr. Adriaan van Gorcum en de schepenen Jacobus Dirkse van ’t Hoog en Jacob Ottense Cranenburg verschijnen Jacob Dirkse Uijtermeer, oud omtrent 36 jaren (geb. ca 1646 en gehuwd met Marijtje Cors Langevelt), en Cornelis Pieterse desselfs bouwknecht, oud omtrent 20 jaren, beide onze inwoners, en Sijmon Cornelisse Oostdam, (ca 1632-) gehuwd met Jannetje Pietersdr Van der Plas, wonende in Noordwijkerhout, oud omtrent 50 jaren’. Cornelis Pieterse verklaart, op verzoek van de hoogedele heere Willem Benting, houtvester van Holland, dat hij, komend op maandag 8 juni 1682 van de Delftse paardenmarkt, heeft gezien dat twee windhonden waarvan hij later vernam dat zij toebehoorden aan jhr. Willem de Wael van Vronesteijn, heer van Dever, door de wei van zijn baas Jacob Uijtermeer de beesten achterna zaten. Hij heeft gezien dat een schaap in de sloot lag en een lammetje zeer verwond was. Cornelis vertelt dit aan zijn baas Jacob Uijtermeer, die zich naar Dever spoedt en jhr. Willem verzoekt de heer de geleden schade door zijn honden aangedaan te vergoeden. De zaak wordt in der minne geschikt voor vijf gulden en twee stuivers.
De derde getuige Simon Oostdam doet zijn verhaal voor schout en schepenen. Afgelopen september ging hij naar de wei van Willem Ariense in Noordwijkerhout, waar zijn ram liep, die hij naar zijn eigen weide wilde overbrengen. Het dier was echter zo ernstig gebeten dat het moest worden afgemaakt. Ene Cornelis Jacobse uit Noordwijkerhout wist hem te vertellen, dat de windhonden van de heer van Dever de ram zo hadden toegetakeld. Ook hij vervoegt zich bij jhr. Willem, heer van Dever, die prompt de schade voldoet van vier gulden en tien stuivers. Het wordt nog erger. Claas Joosten van Diest, 64 jaar, tuinman van beroep (getrouwd met Grietje Hermans Cuijper), legt een verklaring af. Schout en schepenen moeten ervoor naar het huis van Claas, omdat hij zwaar gewond op bed ligt. Onder ede verklaart Claas het volgende (en mocht hij niet de waarheid spreken, dat God hem dan van deze wereld wegneemt): zijn neef, Mathijs van Bambergen, wijnkoper te Amsterdam, was op 9 augustus j.l. naar jhr. Willem gekomen om een rekening te innen voor geleverde wijn en azijn. Hij trof echter de heer van Dever niet thuis. Daarom was hij naar Claas gegaan en had hem gevraagd voor hem nog een keer naar Dever te gaan met de rekening, omdat Mathijs weer terug naar Amsterdam moest. Claas was zijn neef

Huys Dever door Roeland Roghman (1627-1692.
De windhonden zijn ingezet.

graag ter wille en begaf zich op vrijdag 16 oktober met de rekening naar Huis Dever. Wij laten het opgetekende verslag letterlijk volgen: ‘Ende komende op desselfs werf de vier winthonden van den voornoemde heere van Deveren die los over de werf liepen aanstonts seer furieus op hem sijn aangevallen, ende dat een van de swarte honden hem op drie bijsondere plaatsen in sijn slinkerbeen seer ellendig heeft gebeten, ende de laatste reys een groot stuk vleesch daar uytgerukt, soo dat de kuyt uit sijn been liep ende hij onder de voet viel.’ Waarop hij, om hulp schreeuwende, door Jochem de knecht en twee dienstmaagden van de heer van Dever werd ontzet. Ondanks zijn zware verwondingen heeft Claas het nog een poosje op aarde uitgezongen. In 1688 wordt hij nog in het hoofdgeld aangeslagen.

Bron

ORA nr. 30 scan 55.

Gracht te Lisse ca. 1910

Oud Nieuws: GESJOEMEL MET BELASTING OVER ROGGE

Molenaar Adriaan Luck van de Korenmolen aan de Grachtweg werd in 1739  in staat van beschuldiging gesteld van wegen fraude. Hij wordt er van verdacht belasting op het malen van meel te hebben ontdoken. Hij krijgt een boete en wordt voor een half jaar verbannen.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Aan het eind van de Grachtweg stond van 1569 tot 1964 molen “De Korenbloem” in Lisse. Bij ons bekend als de molen van Beelen. De molen heeft vele eigenaars gekend. Met wisselend succes probeerden zij er hun dagelijks brood te verdienen. Één van hen had daar een minder gelukkige hand in, Adriaan Johannes Luck deed zijn naam geen eer aan. We treffen hem aan in november 1736 in Leiden, waar hij wordt gegijzeld (vastgehouden) op beschuldiging van fraude. Het verhaal gaat over zijn misstap.

Craqueel dingboek van zaken

Arij Luck, korenmolenaar, geboren in Monster 1704, getrouwd met Lucretia de Hoij, moet verschijnen voor schepenen van Leiden. Hij is aangeklaagd door Cornelis van der Cocq, pachter van de impost (belasting) op het gemaal. Over alle graan dat gemalen wordt, moet impost worden betaald, het zogeheten ‘gemaal’. Arij wordt ervan beschuldigd deze impost ontdoken te hebben. De schepenen van Leiden hebben ook tot taak recht te spreken over zaken die betrekking hebben op de invordering van deze belasting. Zij heten in die functie heel chique: commissarissen van de gemene landsmiddelen over Leiden en Rijnland. De zaak is vastgelegd in het craqueelboek. Volgens Cornelis van der Cocq, de eiser, heeft molenaar Arij op een nacht stiekem 6 zakken door hem gemalen rogge, waarop de impost is betaald, afgevoerd met zijn wagen en vervangen door 6 zakken nog ongemalen rogge, die niet in de boeken van de impost vermeld staan. De procureur die Cornelis van der Cocq vertegenwoordigt eindigt zijn betoog met de eis, dat Arij wordt veroordeeld tot verbeurdverklaring van de 6 zakken ongemalen rogge en van de wagen waarmee het delict zou zijn gepleegd, een boete van 6 x 300 gulden voor elke zak, een boete van 200 gulden en van 1.000 gulden wegens overtreding van verschillende wetten. Hij verlangt ook nog dat Arij in het openbaar zal worden gegeseld, en voor altijd verbannen uit Holland en West-Friesland. Met deze rechtszaak is de kous nog niet af voor Arij. Ook in Lisse zijn er mensen die een appeltje met hem en zijn partners in crime te schillen hebben. Zoals de eigenaresse van de 6 zakken gemalen rogge, de piepjonge broodbakster Aagje Ottensdr Cranenburg (1720 dochter van Otto Cranenburg (1690 -1773) en Adriana Simonsdr. Hoogkamer (1691 – 1751). Uit haar naam treedt haar vader Otto op (tot een jaar of  60 geleden werden vrouwen voor de wet als handelingsonbekwaam beschouwd). Arij moet getuigen ten overstaan van schout en schepenen van Lisse. Dit verslag is bewaard gebleven.

Aanleiding en toedracht

Een van de klanten voor wie Arij maalt, is Jan Barendse Kluijt, bakker in het Oosteinde te Lisse. Jan is in mei van dat jaar getrouwd met Maartje Klaas van der Hans, heeft pas een dikke som geld geleend. Blijkbaar heeft hij nogal moeite de eindjes aan elkaar te knopen, en spreekt met Arij een handeltje af waarbij hij zonder de impost op ‘t gemaal te betalen, toch zijn rogge kan laten malen. De bakkers leveren zelf aan de molenaar de zakken met ongemalen rogge. Als bewijs dat de impost betaald is, hoort er bij die zakken een cedulle van de collecteur te zijn (bewijsbiljet). Op 3 oktober 1736 komt Jan, langs de molen lopend, ter ore, dat Aagje Cranenburg, de broodbakster, 6 zakken harde rogge (ongemalen rogge) gemerkt A.O., en voorzien van de impost-cedulle, door haar knecht naar Arij’s molen heeft laten brengen. De rogge is daar gemalen en in de 6 zakken teruggestort. Jan zegt tegen Arij dat hij dringend om gemalen rogge verlegen is, maar hij heeft geen cedulle, want hij heeft de impost op ‘t gemaal niet betaald. Hij stelt voor: ‘breng mij die 6 sakken meel’. Jan durft er alleen zelf zijn handen niet aan te branden, hij laat een ander de kooltjes uit het vuur halen: ‘Ik ben verlegen ende bevreest, om daar juyst selfs bij te wesen. Ook durf ik het met mijn knegt, die een nieuweling is, niet wagen, dan sal ik Frans van Gerwen of Abraham bij u geven. Kiest welke van beyde gij bij u wild hebben’ . Waarop Arij zegt : ‘als gij den Frans bij mij geeft, die heb ik liever als Bram’. (Frans van Gerwen, geboren in Hillegom 1695, gehuwd met Marretje Jochems Stellingwerf). Jan: ‘ik sal de sleutel van mijn schuurtje in de goot leggen. Ende ik sal 6 sakken rogge, hard goed, in dat schuurtje gereed setten, ende 2 sakken ledig, om door middel van de ledige sakken het meel over te storten in mijne sakken, ende in plaats van dat meel, het harde goed van mij wederom te storten in de sakken van Aagje Ottens’. Arij gaat akkoord met het voorstel, waarom hij dat doet verhaalt de geschiedenis niet, Jan zal hem wat geld hebben toegeschoven. Jan Barendse neemt afscheid van Arij en zegt: ‘ik sal u dan verwagten, soo als het geseyd is, ende ik sal Frans bij u geven’. Om 1 uur ‘s nachts klopt Frans van Gerwen bij Arij aan, roepende: ‘Molenaar hoor je wel?’ Arij staat op, en gaat met Frans naar zijn molen, waar hij de 6 zakken gemalen rogge van Aagje Ottens van bovenin de molen naar beneden laat zakken, met hulp van Frans de zakken op de schouders neemt en op zijn wagen laadt. Met het paard van Jan Kluijt voor de wagen gespannen, rijdt hij naar de werf van Jan, pakt de sleutel die volgens afspraak in de goot van het schuurtje is klaargelegd, doet de deur van het schuurtje open. Met behulp van 2 klaarliggende lege zakken stort hij de gemalen rogge uit de zakken van Aagje over in die van Jan, en de inhoud van de 6 zakken harde rogge van Jan stort hij over in die van Aagje. Frans helpt hem de 6 zakken met harde rogge weer op de wagen te tillen. De schuur wordt gesloten, de sleutel teruggelegd in de goot boven ‘t schuurtje. Frans klopt bij Jan aan, en vraagt om een soopje (borreltje). Jan reikt hun over de deur een fles jenever aan, waaruit Arij en Frans elk een paar slokken nemen. Arij zegt tegen Frans: ‘rijd nu met de wage henen, ik sal met u gaan’. Frans rijdt met wagen, paard en de 6 zakken waarin nu de ongemalen rogge van Jan zit, tot aan het zogeheten slop, waar Arij tegen Frans zegt: ‘ik ga de mole open doen, volgt mij soetjes na’. Frans volgt hem met de wagen tot op de molenwerf.

Arrestatie

Op hetzelfde moment wordt Frans door 4 ‘manspersonen’, waaronder ene Jan, een diender van Leiden, aangegrepen en gedwongen met wagen, paard en de 6 zakken harde rogge van daar te rijden naar het rechthuis in het dorp. Arij gaat naar huis en vertelt aan zijn vrouw Lucretia wat er is voorgevallen. Samen achten zij het raadzaam naar het huis van Jan Kluijt te gaan. Ongeveer om half 6 in de ochtend komen zij daar en vinden Jan en zijn vrouw Maartje thuis. Onthutst vertellen zij aan het echtpaar hoe Frans van Gerwen met wagen en al aangehouden is. Bakker Jan ziet het allemaal niet zo somber in, althans niet voor zichzelf. Jan, de leperd, zegt: ‘ik sal sweren, dat ik swart worde, dat ik er niet van en weet, ik hebbe er niet bij geweest’. Arij brengt in, dat Jan niet zal kunnen ontkennen dat hij er wel van móest weten, en hun zelfs een soopje over de deur heen heeft gegeven. Om 10 uur meldt Jan zich bij de molen om zijn paard op te halen (dat voor de wagen gespannen was geweest). Hij vraagt aan Arij: ‘wat seyt Ot (Otto Cranenburg, de vader van Aagje) ervan dat het harde koorn in haer sakken was.’ Waarop Lucretia antwoordt: ‘Otto sal het noch swijgen, als hij daarvan geen schade en heeft.’ Jan ziet dat anders: ‘ik dogt niet dat Ot soo goed was, maar als Arjaantje het weet, sal se het over ‘t geheele dorp brengen’. Volgens Jan zal Arjaantje, met wie Adriana Hoogkamer, de vrouw van Otto bedoeld zal zijn, het verhaal in het hele dorp rondbazuinen! Tenslotte verklaart Arij dat Frans op 5 oktober de 6 zakken harde rogge van Jan Kluijt, in de zakken die eigendom zijn van Aagje Otten, met het merk A.O., naar Leiden heeft moeten brengen, en dat Arij op 7 oktober door de pachter van het gemaal, Cornelis van der Kok, van Lisse naar Leiden is gebracht, waar hij gegijzeld is in afwachting van de rechtszaak.

De uitspraak

Craqueel dingboek van zaken

De schepenen commissarissen van Leiden doen uitspraak. De boetes zoals die door de aanklager geëist werden, moet Arij betalen, + de kosten van de afwikkeling van de zaak. Hij zal niet publiekelijk gegeseld worden. Wel wordt hij verbannen, niet voor altijd, maar voor de duur van 6 jaar uit Leiden en het gebied dat onder Rijnland valt, ‘op poene van zwaarder straffe’. Een zware straf voor het ontduiken van belasting, zeker voor onze begrippen. Daar komt het ernstiger vergrijp bij, dat de molen een ambachtskorenmolen is, waar iedereen in Lisse zijn koren moet laten malen. En als molenaar heeft Arij een eed afgelegd dat hij geen graan zal malen, waaraan het biljet van de impost ontbreekt. In hoeverre Arij’s kompanen, Jan Barendse Kluijt en zijn vrouw Maartje van der Hans en Frans van Gerwen zich moesten verantwoorden, moet nog blijken. Jan en Maartje raken uiteindelijk aan lager wal. In 1745 wordt de insolvente boedel van hun bakkerij en winkel verkocht.

Justitiële molens malen langzaam

Arij en zijn vrouw Lucretia die in tweede instantie mede wordt verbannen, verdwijnen uit het zicht. Lisse is voor hen de eerste 6 jaar verboden gebied. De torenhoge boetes kunnen zij vast niet betalen. De molen en het bijbehorende huis worden geveild. Het wordt een slepende affaire, omdat niet alleen pachter Cornelis de Cocq en de belasting zijn getild. Aagje Cranenburg, de eigenaresse van de 6 zakken verwisselde rogge, eist schadevergoeding. Maar er zijn meer gedupeerden. Een aantal crediteuren trekt gealarmeerd aan de bel, waarvan de belangrijkste zijn Lenard Willemsz Oote en Cornelis Adriaensz van der Zaal. Om de molen te kunnen kopen heeft Arij 2 jaar eerder een hypothecaire lening bij hen afgesloten. Jarenlang juridisch getouwtrek volgt, wat ongetwijfeld de kosten nog verder opdrijft.

Korenmolen te koop in Lisse

De veiling die eind januari 1737 in het rechthuis van Lisse zou plaatsvinden, wordt uitgesteld tot oktober 1738. Onder het toeziend oog van de Leidse schepenen in herberg de Burcht te Leiden, wordt de molen geveild en mag Lenard Willemsz Oote (1679-?, gehuwd met Maria Jansdr. Vlaenderen), zich voor 2.250 gulden eigenaar noemen. Pas in de herfst van 1739 wordt met een laatste ingediende onkostennota een dikke streep gezet onder deze geschiedenis.

Bronvermelding

NA ORA Lisse transportakten

RAL ORA Leiden, toegang 0508 inv 129 DD

NA gahetna kaartencollectie

VOL beeldarchief

OUD NIEUWS: HERBERG AAN DE HEEREWEG “In den Coning van Bohemen”

Heereweg 191 was het oudste gebouw in Lisse en is een paar jaar geleden helaas gesloopt. Ooit stond hier Herberg Coning van Bohemen op deze plaats. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

In het begin van deze eeuw stond op het adres Heereweg 191 het oudste woonhuis van Lisse. Inmiddels is er nieuwbouw op deze plaats. Leden van de bouwhistorische werkgroep de heren R.Pex en E.J. Plantenberg hebben indertijd de bouwgeschiedenis en chronologie van het pand onderzocht. In de jaren 1622-1625 moet op deze plek zijn gebouwd. Ene Carel Jansz van Asselborn kocht toen een leeg perceel. In 1635 nam een bakker zijn intrek in het huis. Aldus de bevindingen van de heren Pex en Plantenberg.

Heereweg 191 was eens het oudste woonhuis van Lisse.

De naam Carel Jansz. van Asselborn deed een belletje rinkelen. In Lisse heeft ooit een herberg gestaan ‘In den Coning van Bohemen’, die stond aan de Heereweg nabij het Vierkant. Waar precies wist niemand. Een van de weinige bewijzen dat de herberg er ooit was, staat in het kohier ‘Hoofdgeld Lisse 1623/1624’. De waard van de herberg ‘In den Coning van Bohemen’ is Carel Jansz. van Asselborn. De vraag kwam op: zou het huidige adres Heereweg 191 de locatie kunnen zijn van de vroegere herberg? Verder onderzoek in de oude
archiefstukken van Lisse leverde het volgende antwoord op: Vóór de komst van Carel Jansz. van Asselborn is er op het huidige adres Heereweg 191 nog een leeg erf te zien. Op 7 december 1618 koopt Carel dit erfje van Dammas Willem Thomasz (Dammas is getrouwd met Aeltje IJsbrantsdr. Van der Codden). Het stukje grond maakt deel uit van een groter perceel dat in het bezit van Dammas is. Elk jaar moet Carel 30 stuivers erfpacht aan Dammas betalen. Het erfje is ten NW begrensd aan de Heereweg, en ten NO en ZO aan bezittingen van verkoper Dammas. Aan de ZW-zijde woont Carel zelf in een klein huisje. Zeven maanden daarvoor heeft Carel dit huisje van een andere eigenaar gekocht.

Geld lenen kost geld

Carel bouwt een huis op het kleine lapje grond, en de bouw verloopt vlot, want 5 maanden later heeft hij het nieuwe huis betrokken, en kan hij het kleine buurhuisje waar hij tijdens de bouw even gewoond heeft, doorverkopen, en wel aan Willem Cornelisz. Velsen, een linnenwever. Carel maakt ruim 25% winst op de verkoop. Maar blijkbaar heeft hij meer geld nodig, want hij leent 400 gulden van een Haarlemse lakenkoper. Het zal een zakelijke kennis zijn, want ook Carel is lakenkoper van beroep. Als onderpand dient Carels nieuwe huis met het aanwezige laken in zijn winkel. Elk jaar moet hij 24 gulden rente betalen aan de Haarlemse leningverstrekker. Wil hij het geleende geld gebruiken voor een verbouwing of aanbouw van een herberg? Het lijkt erop, want in het hoofdgeld Lisse (een soort personele belasting die voor elk gezinslid betaald moest worden) van 1623/1624 vinden we Carel terug, met vrouw Lijsbeth Woutersdr en 4 kinderen, als ‘waert in den Coning van Bohemen’. De overstap van beroep, van lakenkoper naar herbergier, komt ons nu wat wonderlijk voor, maar is voor die tijd zeker niet uniek. De latere eigenaar van het pand, Jacob Jacobsz van Hopbergen, is bakker van beroep. Ook hij maakt een carrièreswitch als hij, jaren later, herberg ‘Het Rode Hart’ koopt en zelf achter de tap gaat staan.

In den Coning van Bohemen

Frederik van de Paltz 1596-1632

De naam van de herberg verwijst naar keurvorst Frederik V van de Paltz (1596 – 1632), getrouwd met Elisabeth, prinses van Engeland, dochter van koning Jacobus I.
Na een opstand van het protestantse Bohemen tegen de roomse vorst, wordt Frederik aangesteld als koning van Bohemen. Hij wordt ook wel de winterkoning genoemd omdat hij maar één winter regeert en na een nederlaag moet uitwijken. Deze neef van prins Maurits en Frederik Hendrik komt op zijn vlucht in Den Haag terecht, waar hij in 1632 overlijdt. De vele herbergen in die tijd worden bezocht door doortrekkende reizigers en kooplieden, die tussen Den Haag, Haarlem en Amsterdam via Lisse reizen. Voor de eigen bevolking zijn die niet allemaal nodig, al speelt het openbare leven zich veelal af rond de herbergen. Lisse bestaat in die tijd uit 230 huizen, het hele buitengebied meegerekend.

Uit een ander vaatje tappen…

Helaas, de pogingen van deze 17e eeuwse ondernemer om een florerende herberg uit te baten, lijken geen lang leven beschoren. Het ziet ernaar uit, dat Carel het hoofd niet boven water kan houden. In maart 1625 verkoopt hij zijn huis aan Jacob Jacobsz van Hopbergen, (getrouwd met Elsgen Henricxdr). De 30 stuivers erfpacht aan Dammas Willem, en de 24 gulden aan de Haarlemse geldschieter rusten nog op het huis en moeten door de koper worden overgenomen. Van de herberg wordt niet gerept, het wordt een huis genoemd. Hebben Carel en zijn gezin nu geen huis meer? Zo erg is het gelukkig niet, want Carel kan het kleine buurhuisje waar hij begin 1619 woonde, terugkopen van Willem Velsen. Voor het lenen van de aankoopsom wordt een schuldbrief opgemaakt, waarin de nieuwe buurman Jacob Jacobsz van Hopbergen en ene Joris Maertensz Langevelt (beide mannen komen we hierna weer tegen) borg staan voor Carel. Mogelijk heeft de koper van de voormalige herberg, Jacob Jacobsz van Hopbergen, van het huis een bakkerij gemaakt. Hij wordt vermeld in het haardstedengeld Lisse 1628 als eigenaar en gebruiker met 2 haardsteden, met oven. Tien jaar later, in 1635 verkoopt bakker Jacob Jacobsz van Hopbergen het huis met bakkerij door aan Joris Maertensz Langevelt (getrouwd met Maertgen Pietersdr. Cool), de beide eerdergenoemde borgen voor Carel van Asselborn in 1625. De 30 stuivers erfpacht en de 24 gulden rente rusten nog immer als last op het huis. Joris Langevelt is de bakker genoemd in het historisch onderzoek van Pex en Plantenberg. En met deze aansluiting op de voorgeschiedenis van het adres thans Heereweg 191, is de vraag uit het begin van dit stukje beantwoord. Het is wel zeker, dat je op dit adres in 1623/1624 en misschien ook nog een paar jaar ervoor, het glas kon heffen in herberg ‘In den Coning van Bohemen’. Proost!

Gevelsteen Egelantiersgracht 153 Amsterdam

OUD NIEUWS: Het Heijlig Sacrament

Op de tweede dondedag na Pinksteren was het Sacramentsdag. In 1532 werd in de kerk van Leeuwenhorst een nieuw Sacramentshuis, het Allerheilige genaamd, gerealiseerd. Het oude werd verkocht aan de kerk in Hillegom. Lisse kocht er ook een.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Sacramentsdag, “Sanctissimi corporis et sanguinis Christi solemnitas” in het Latijn, was vanaf de late Middeleeuwen een populaire feestdag onder gelovigen.
Dit Hoogfeest wordt in ons land gevierd op de tweede donderdag na Pinksteren. Op deze Sacramentsdag werd op veel plaatsen in Holland een processie gehouden waarbij het Allerheiligste werd mee gedragen. Ook in de Abdij van Leeuwenhorst was dit het geval. De Abdij ontving vele giften voor de verlichting van het Heilig Sacrament, zo schonk zuster Elizabeth Gunter 10 schellingen per jaar aan rente voor de verlichting en in 1512 nog maakte Margrietha, dochter van Otto van Egmond, priester, haar testament. Dat kon toen nog in die jaren dat een priester gewoon een gezin had. In haar testament kunnen we lezen dat zij ondermeer een lijfrente van 1 pond per jaar aan het klooster schonk die diende om gedurende het oktaaf van Sacramentsdag op het altaar kaarsen te kunnen laten branden.

Sacraments-huis

In de 14e en 15e eeuw werd het Sacrament in zogenaamde Wandtabernakels ofwel Sacramentshuijzen bewaard die een ereplek kregen in het koor van de kerk. Dit waren prachtige gebeeldhouwde kunstwerken die voor die tijd een echt fortuin kostten. Zo werd in 1532 voor de herbouwde Kerk van Leeuwenhorst een Sacramentshuis gebouwd door ene Cornelis, steenhouwer uit Gouda, van wie verder niets bekend is. In Oudewater werden er drie tralies die zo’n 18 voet lang waren voor vervaardigd. Het oude Sacramentshuis werd verkocht aan de Kerk te Hillegom, waar het na de Reformatie in handen kwam van de Protestanten die het uiteraard niet gebruikten. In 1929 werd er een stuk van opgegraven wat spoorloos is verdwenen in 1944. In Hillegom dacht men lang dat het opgegraven kunstwerk even oud zou zijn als het koor van de Hillegomse Kerk welke in 1500 is gebouwd. Dat hadden ze echter mis. Uit de rekeningen van Leeuwenhorst uit 1473 blijkt dat de Abdis van Leeuwenhorst bij de bouw van het Sacramentshuis een gulden onder het fundament had laten leggen. Het Hillegomse Sacramentshuis dateert dus van 1473. In de archieven, en wel RZH/ lwh-141 “accidenteel ontfang”, kunnen we lezen dat de betaling plaats zou vinden in zes jarige termijnen van 16 pond te beginnen met 1 november 1533, “ter cause van onse oude Sacramentshuys was ontfange van Hillegommerkerck XII Karolus Guldens als dat eerste termyn van sessen”. Opmerkelijk is dat in dezelfde tijd, de kerk van Lisse ook een Sacramentshuis kocht. Dat was wel erg toevallig. Men wilde klaarblijkelijk niet onder doen aan die van Hillegom. Deze aankoop weten we omdat op 5 maart 1533 Dirc van Brouckhoven, de toenmalige Schout van Lisse, vastlegde dat de Kerkmeesteren van Lisse, voor het maken van 2 nieuwe altaar kelken en een nieuw Sacramentshuis, aan mr. Dirc Pietersz Spangert, priester, 5 gouden Karolus Guldens losrente per jaar, aflosbaar met 80 Karolus Guldens schuldig waren. De Kerkmeesteren van Lisse stelden tot onderpand voor deze lening zeven hont geestgrond en drie morgens broekland. (RAZH,Lwh charter d.d. 05-03-1533)
Ook dit Sacramentshuis is nimmer teruggevonden nadat de Reformatie zijn intrede had gedaan in Lisse en de protestanten de oude kerk overnamen. Ook in Leeuwenhorst verliepen de dingen niet wenselijk. In 1546 brak er brand uit in het klooster en ook in de kerk waardoor het nieuwe Sacramentshuis beschadigd raakte. Het werd in 1549 gerepareerd door ene Cornelis Claesz en ene Gerrit Cornelisz Vink, een Leidse schilder, verzorgde het schilderwerk. In 1570 vermaakte subpriorin Elizabeth van Bemmel aan Leeuwenhorst zoveel geld, dat de zusters ieder jaar op Sacramentsdag een pint wijn konden krijgen. Zij zouden dan ter ere van het Heilig Sacrament het “Tantum ergo “ zingen. Niet vermeld is of zij voor of na het zingen hun wijn kregen. Dit “Tantum ergo“ zou niet veel meer gezongen worden op Leeuwenhorst. Het was een Zwanenzang. Want toen in 1571 een aanval van de Geuzen op Noordwijk dreigde, weken de zusters naar Leiden uit. Dit deden zij nogmaals in 1573 toen het beleg van Leiden dreigde. Hierna zijn de zusters niet meer teruggekeerd naar Leeuwenhorst. ■

Vogelvlucht van de Abdij van Leeuwenhorst uit ca. 1700. Nog veel eerder was het nog Klooster Ter Lee. Dit werk is niet gesigneerd.

OUD NIEUWS : Herberg “Den Engel” maar dan in Lisse Noord

Op een kaart uit 1685 staat bij de Lisserbeek een herberg met de naam Den Engel.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Het stukje van “de Beeck” wat hier Verboogervaert wordt genoemd, heet tegenwoordig weer de Lisserbeek en loopt nu van de Leidsevaart tot aan de Ringvaart.

Als op 3 juni 1677 Trijntje Jacobs van Ackerslooth een derde part van de herberg koopt, 2/3 had zij al in bezit, wordt er al vermeld “van outs genaamd de herberge de drie roskammen staande aan de brugge van de nieuwe santsloot”. Trijntje huwde in Lisse op 18 jan. 1678 met Philip Jeroense van der Velde, afkomstig van Hillegom. Op een kaart uit 1746 staat de herberg ingetekend bij de Lisserbrug (net voorbij waar nu het “Meisje van Lisse”, bijgenaamd Gele Naatje staat). In 1681 werd de herberg gekocht door Nicolaas Sohier de Vermandois, heer van Warmenhuijsen en eigenaar van de buitenplaats Zandvliet. Zijn land grensde aan het erf van de herberg.
De herberg ging nogal eens in andere handen over, want in 1685 koopt Antonis Cornelisz van Egmont, schipper en koopman de herberg met uithangbord waarop staat Den Engel. Dat wekt wel enige verwarring omdat er in de Engel ook reeds een herberg met die naam staat. In deze periode moet de herberg omgedoopt zijn. Een honderd jaar later in 1773 was het daar een hangplek voor jongeren, zo blijkt uit een verordening van schout en burgemeesters, dat het verboden was op oudejaarsavond of nieuwe jaars avond of nacht, nog met roerpistolen of ander schietgeweer en misbruik van buskruit hoe ook genaamd, in zonderheid aan de brugge omtrent het huis van Meerenburg af te schieten, op boete van twee en veertig stuivers, ten behoeve van den schout van Lisse, waarvan den aanbrenger zal genieten een derde part. Om iemand aan te geven leverde ook nog iets op. Het zal wel op aangeven geweest zijn van de baron Jacob Hendrik van Wassenaar van Alkemade, hoofdingeland van Rijnland. Eigenaar van Meerenburgh het grootste buiten van Lisse, een buitenplaats met maar liefst 14 haardsteden (stookplaatsen). Hij was de heibel van de jeugd zat rond zijn buitenplaats. Dever bezat 6 haardsteden om een vergelijk aan te geven. We hebben er nu geen idee meer van wat dat betekende. De vraag die opkwam, hoe kan het daar een hangplek zijn zo buiten het dorp? We wisten nog niets van een herberg die er ooit gestaan had, totdat het uit de archieven naar voren kwam en dan is het begrijpelijk. Er valt altijd wel wat te beleven bij een herberg met wisselplaats voor paarden. In Hillegom was er ook een herberg met diezelfde naam aan de Heereweg hoek Pastoorslaan maar had verder geen raakvlakken met Lisse. Er is een prachtige prent tevoorschijn gekomen waar de herberg op staat met op de achtergrond Meerenburgh. Zonder de informatie uit de archieven konden we ons er geen voorstelling van maken. ■

Herberg “Den Engel” alias “De Drie Roskammen” over de Santsloot bij Meerenburgh. tekening van A. de Haan 1730

VUURWERK geeft altijd gedonder: een verordening voor Oud en Nieuw 1773/1774

Er staat een collage van foto’s en verhalen uit het verleden in het Nieuwsblad.

 door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Schout en Burgemeesteren van Lisse. Vernieuwende de voorgaande verbooden, interdeceeren ende verbieden, alsnog het schieten op heeden zijnde oude jaarsavond, ofte morgen zijnde nieuwe jaarsavond ofte nagt, nog met roerspistoolen, oft ander schietgeweer, onder aller misbruijk van Buskruijt hoe ook genaamt insonderheijd ook aan de bruggen omtrent den huijse van Meerenburg, op een boete van twee en veertig stuijvers, ten behoeve van den schout van Lisse, daarvan den aanbrenger zal genieten een derde part, onvermindert het regt van den Hoog Ed.Heer Houtvester van Holland ende van den Heere Bailluw zullende de ouders voor haare kinderen, ende de voogden voor haare weesen moeten instaan ende betaalen. Aldus gedaan ende gearresteert int regthuijs van Lisse, bij de Heeren Willem Jacobus Sennepart schout, IJsbrand van Wateringen, Maarten van der Jagt ende Goverd van Parijs burgemeesteren van Lisse, den 31e december 1773. Inv.nr 5 gemeentearchief. (stick 25 foto 183)

De man met een vuurpijl, met toeschouwers,
1695, Jacob Gole

Oud Nieuws: Een gokje wagen met Spaanse matten

Bij een weddenschap in 1616 was de inzet 3 Spaanse matten. Een Spaanse mat was een gangbaar zilverstuk van 8 realen. Het proces voor de Vierschaar, die 3 jaar duurde, wordt beschreven.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Ook in Lisse is gokken al een oud begrip, zo blijkt uit “Oud Rechtelijke Archieven”, ORA.

Zilvere en Spaanse matten, voor en achterkant.

Reeds lang voordat de Witte Zwaan in beeld kwam als rechthuis was de herberg aan het kerkhof de zetel van het gerecht, later genoemd “Het wapen van Lisse”. In 1616 had de Witte Zwaan die taak reeds overgenomen. Men kwam echter nog graag samen bij de oude herbergierster Maertge Engelsdr., de weduwe van Jacob Florisz. van Heemskerck. Zelfs boven in de huiskamer, daar kwamen de gezworenen ende geburen bij elkaar om een pintje te drinken of eentje meer, en waar onder andere zekere woorden vielen over een zeker proces dat daar gaande was voor de hove van Holland tussen de gezworens van Lisse en die gemeene buijren, alwaar deze seide, dat de gebuijren ‘t proces winnen zouden. Waartegen Cornelis Sijmonsz. wonende tot Noordwijkerhout seijde, ick zoude wel daarom wedden dat de gezworens winnen zouden, waarop Harmen de Vries mede namens hem seijde, geef mij daarop een Spaanse mat, op drije wederom, dat op die conditie, soo het die buijren ‘t proces winnen zouden die Spaanse mat voor niet hebben, en winnen de gezworens zo moesten zij drie Spaanse matten daarvoor geven. Waar het proces over ging werd niet uit de doeken gedaan, het ging tenslotte over de weddenschap en de gevolgen daarvan. Een Spaanse mat was een gangbaar zilverstuk van 8 realen. Het komt voor de vierschaar van Lisse in 1616. Harmen de Vries als gemachtigde van Cornelis Sijmonsz. van Noordwijkerhout, als eiser, contra Claes Jacobsz. van Oosten geb. Lisse 1550. Gedaagde, Harmen de Vries heeft nu lang genoeg gewacht, er zijn drie jaar overheen gegaan en nog steeds hebben ze geen geld gezien van hun weddenschap. Eiser vraagt de drie zilveren Spaanse matten voor de vierschaar die hij heeft gewonnen. Tot heden zijn de gebuijren in gebreke gebleven om te betalen. Hij zegt: het is nu geleden omtrent drie jaren, dat hij gezeten heeft bij de herberg in gezelschap ten huizen van Maertgen Engelsdr. Weduwe bij haar leven aan ‘t kerkhof, om met malcanderen een pintje of meer te drinken. Harmen de Vries is ook niet de eerste de beste, hij was geboren in 1545 in Joure, was waard in “het rode hart” aan het Vierkant en was schout in Voorhout. De herberg was omgedoopt in “De drie Woudfriesen”, naar hem en zijn twee broers vernoemd. De schepenen vonnissen gedaagde om de drie Spaanse realen plus de kosten te betalen. Bij het lezen van deze akte moest ik gelijk denken aan een vaderlands lied wat we vroeger op school zongen over Piet Hein. Wie kent het nog?

Het portret van Piet Pietersz. Heyn (Piet Hein) is een kopie uit 1629 naar een verloren gegaan origineel uit 1625 van Jan Daemen Cool. Piet Hein was een Nederlands luitenant-admiraal en West-Indische Compagnie-commandant. Vooral bekend door de verovering van de Spaanse zilvervloot in 1628, maar vond zelf dat hij voor zijn eerdere wapenfeiten te weinig erkenning kreeg.

Heb je van de zilveren vloot wel gehoord,
De zilveren vloot uit Spanje,
Die had er veel Spaanse matten aan boord,
En appeltjes van Oranje, (dan volgde het refrein)
Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein…..

Zouden het soms de Spaanse matten zijn van de veroverde Spaanse Vloot? Die waren echter al langer in omloop en klopt dus niet. Piet Hein veroverde de zilvervloot jaren later in 1628. Hij veroverde 20 schepen met goud en zilver op de Spanjaarden aan de stranden van Cuba en kwam met miljoenen terug in Holland. Pieter Pietersz. Hein is als Luitenant-admiraal van Holland begraven 1629 in een praalgraf in de oude of Hypolituskerk van Delft. ■

Bron: ORA invnr. 45