Berichten

PARELTJES VAN DE BOVENSTE BOEKENPLANK: Abraham Rademakers

I

Door Ria Grimbergen

In de bibliotheek van de VOL bevindt zich een facsimile uit 1967 van Rhynlands fraaiste gezichten van Abraham Rademaker.

In de achttiende eeuw was in de Republiek der zeven Vereenigde Nederlanden grote belangstelling voor topografie. Het genre van de topografische prenten bloeide. De inwoner van de Republiek was trots op zijn land en zijn identiteit. Afbeeldingen van buitenplaatsen en kastelen waren zeer gezocht bij verzamelaars. Uitgevers speelden in op de verzamelwoede door gravures in boekvorm uit te brengen.

 

Een van hen was de Amsterdamse uitgever Leonardus Schenk, die een zaak had op de Vijgendam,
nu het Damrak. Hij trok dichter Gysbert Tyssens (1693-1732). aan voor de teksten en tekenaar Abraham Rademaker voor de prenten. Vanaf 1728 verschenen van het duo in rap tempo boeken over buitenplaatsen in de buurt van Amsterdam, zoals Hollandsche Arcadia in 1730 over de “lustplaatzen” aan de Amstel. In 1732 bracht Schenk Rhynlands Fraaiste Gezichten ofwel Vues de Rhynland op de markt, waarin de schoonheid en rijkdom van de Rijnlandse buitenplaatsen wordt getoond. De uitgave bevat honderd prenten van Rademaker, die “naar het leven” de “lustplaatzen, heerenhuizen en dorpen” van Rijnland tekende. De toevoeging naar het leven is belangrijk, want de tekenaar gebruikte ook wel bestaande oudere prenten voor zijn topografische werk. Voor de hedendaagse belangstellende in de geschiedenis van dorp of stad is dit heel verwarrend, omdat een veronderstelde situatie uit 1730 in werkelijkheid die van soms wel een eeuw eerder weergeeft. Honderd procent waarheidsgetrouw zijn de prenten niet. Rademaker voegde elementen toe en liet weg wat hem niet beviel.

Elke pagina in het boek bevat twee gravures met een kort onderschrift in het Nederlands en Frans met de naam van de buitenplaats en de eigenaar. Rademaker zal met de trekschuit naar Halfweg zijn gereisd. Hij begon zijn tocht door Rijnland volgens de titelpagina “Halfwegen Haarlem en Leyden” en de eerste prent van de honderd is dan ook die van de luisterrijke buitenplaats Merenburg, gelegen aan de Heereweg tussen Hillegom en Lisse. Vervolgens zien we afbeeldingen van Zandvliet, Rosendaal, Berkhout, Keukenhof, de kerk van Lisse (waar Radema ker zelf nog is gedoopt), Dubbelhoven en Huis ter Specke. Op de volgende prent zien we de naamloze “lustplaats van den Edele agtbare heer Pieter Six, Schepen en Raad der Stad Amsterdam”, waarmee Knappenhof, het latere Grotenhof wordt bedoeld. Tot slot het “Huys te Deveren” en Uitermeer. Op een uitzondering na zijn het namen die Lissers in enigerlei vorm nog vertrouwd in de oren klinken. Vervolgens reist Rademaker via Sassenheim en de andere dorpen in Rijnland naar Leiden en eindigt hij bij Leiderdorp.
De prenten worden voorafgegaan door een katern van zestien pagina’s met hoogdravende versregels van Gysbert Tyssens. Deze verdiende zijn brood met het schrijven van talloze toneelspelen en gelegenheidsgedichten. De man is weggezonken in de anonimiteit en Schenk gaf daartoe al een voorzetje door niet eens zijn naam te vermelden in deze druk van 1732. Het gevolg is dat zijn werk soms
wordt toegeschreven aan twee andere dichters die samen werkten met Rademaker, Matth. Brouërius van Nidek en Is. Le Lang.
De uitgave draait dan ook echt om de prenten van Abraham Rademaker, een autodidact met een enorme productie. Bladerend door “Rhynlands fraaiste gezichten” valt zijn vaardigheid in het weergeven van wolkenpartijen op. Een wolkendek is op elke prent te zien en niet een is hetzelfde, waardoor licht en schaduw steeds anders worden weergegeven. Lang werd gedacht dat Rademaker geboren was in Amsterdam, maar na de vondst van een ondertrouwacte uit 1706 kwam vast te staan dat Lisse
zijn geboorteplaats was, waarna men aannam dat hij tussen 11 september 1676 en 10 september 1677 werd geboren. Tot op verzoek van Deen Boogerd Jan van der Linden het doopregister van de Nederlands Hervormde Kerk doorvlooide en daar de vermelding vond dat op 5 september 1677 Abraham Rademaker was ingeschreven als zoon van Frederick Rademaker en Anna de Leuter.

Drie jaar na de verschijning van deze luxueuze uitgave overleed Rademaker, nadat hij in juni 1734 tijdens het tekenen in de open lucht bij Haarlem werd gemolesteerd door een groep mensen die hem bij vergissing aanzagen voor een katholieke moordenaar, en dat terwijl de man geen religie aanhing. Een uitgave als Rhynlands fraaiste gezichten was kostbaar en niet voor iedereen bereikbaar, maar de welgestelde eigenaren van de afgebeelde buitenplaatsen zullen zich zeker een exemplaar hebben aangeschaft. De prenten van Rademaker toonden hun status en dichter Tyssens bewierookte hun persoon en maatschappelijke positie en bezong het zoete buitenleven dat ze op hun lusthoven leidden.

In de bibliotheek van de VOL bevindt zich een facsimile, uitgegeven in 1967 naar de eerste druk uit 1732 door de Haagse uitgeverij Kruseman in een gelimiteerde oplage, gedrukt op zwaar papier en
gestoken in een foedraal naar ontwerp van Aldert Witte. Deze mooie uitgave toont Jos van Bourgondiën, de bibliothecaris van de VOL, u graag. Een originele uitgave uit 1732 zou een waardevolle aanvulling zijn voor onze bibliotheek!

Deen Boogerd schreef eerder over Abraham Rademaker in 2014 in jaargang 13 van het Nieuwsblad van de VOL, nummers 3 en 4. Zie verder: C. J. Kaldenbach, Abraham Rademaker [enz.], p. 165-179, in “ eeuwse kunst in de Nederlanden”. Delft, 1987.

Tekeningen van Abraham Rademaker

De Nederlandsche stad- en dorpsbeschrijver in 1799: PARELTJES uit de VOL bibliotheek

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

door Ria Grimbergen

In de bibliotheek bevindt zich een geprinte versie van het dorp Lisse uit 1799 uit de serie “De Nederlandse stad- en dorpsbeschrijving”. Rs. Bakker schreef deel 7 over Lisse. Nieuwsgierig naar de volledige tekst van de beschrijving? Jos van Bourgondiën, de beheerder van de bibliotheek, helpt u graag verder.

In de bibliotheek van de Vereniging Oud Lisse bevindt zich een geprinte versie van een beschrijving van het dorp Lisse uit 1799. Het komt uit deel zeven van de achtdelige serie “De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver”, uitgegeven door H. A. Banse in Amsterdam van 1793 tot 1801.

Lieve van Ollefen schreef de eerste delen, zijn collega Rs. Bakker nam het na deel vijf van hem over. Het deel “Rhijnland”, waarin Lisse staat, is van de hand van Bakker, over wie bekend is dat hij boekhandelaar was in Delft en een patriot. Hij zette het werk van Van Ollefen voort “in hoogst revolutionairen geest”. Bakker geeft in zijn algemene inleiding de lezer de hint zorgvuldig te lezen: de staatsveranderingen en politieke gebeurtenissen van de afgelopen zes jaar zijn in zijn beschrijving
verwerkt. Bakker doelt op de Bataafse Omwenteling, de fluwelen revolutie die een eind maakte aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarna de Bataafse Repuliek werd uitgeroepen.

Het wapen van Lisse zoals Bakker het beschrijft, een halve klimmende rode leeuw, blauw getongd en genageld op een gouden vlak. Van ouds het wapen van de heren van D’Ever, die ook de heren van Lisse waren. Het huidige wapen van Lisse is pas op 20 februari 1816 bij Koninklijk besluit vastgelegd als zijnde op een gouden vlak een klimmende halve leeuw van lazuur (Blauw). Had Bakker meer historisch besef dan de Raad van Adel

De formule van de beschrijvingen is steeds dezelfde: een ovale gravure met het wapen van de plaats, een gedichtje, gevolgd door een katern van meestal 16 pagina’s met een beschrijving van het dorp. Elk
katerntje begint opnieuw de pagina’s te nummeren. Intekenaren op de serie kregen de afleveringen in “vellen letterdruks” geleverd, als bij een tijdschrift. Zij konden dan besluiten die in te binden of zo te laten. Als zij in het voetspoor van de schrijver tochtjes wilden gaan maken was een stapeltje velletjes beter te hanteren dan een zwaar boek.

De begaafde Amsterdamse kunstenares Anna Catharina Brouwer graveerde de stads- en dorpsgezichten. Soms is het haar eigen werk en staat alleen haar naam eronder. Soms gebruikte ze een bestaande gravure als voorbeeld en dan vermeldde ze altijd de naam van de eerste graveur. Voor het ovaaltje van Lisse zal zij zelf naar het dorp zijn gereisd: Anna C. Brouwer staat er onder het prentje. We zien de kerk van Lisse met op de toren een fier wapperende vlag, huizen
en een molentje. Op de voorgrond varkens, drie mannen, een vrouw met een kind aan de hand. Bakker beschrijft het wapen onder de afbeelding als een goud schild met halve rood klimmende leeuw. Het is het wapen van de heer van Dever, de ambachtsheer van Lisse. Het speelse element in de gravures van
Anna Brouwer spreekt mensen aan. De prentjes zijn gezocht en worden vaak los verhandeld. Complete exemplaren van delen uit “De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver”, zijn daardoor kostbaar en zeldzaam.
Van Ollefen en Bakker gingen ervan uit dat men geen vreemdeling in eigen land moest zijn en kennis diende te hebben van geschiedenis en aardrijkskunde. Hoe kun je een huis bewonen dat je niet kent, stelden ze. Nu, na meer dan tweehonderd jaar, lijken de geschiedkundige verhandelingen achterhaald, maar Bakker geeft wel een aardig beeld van Lisse aan het eind van de achttiende eeuw. Het is aangenaam en uiterst bevallig gelegen, met mooie buitenplaatsen. De schrijver betreurt de afbraak daarvan, die al in volle gang is: “Men gaat continueel door met het vernietigen en sloopen der schoonste buitenplaatsen, gelijk thans met het oude vermaarde Veenenburg af te breken”. Twee jaar daarna onderging Meerenburg hetzelfde lot. De schrijver geeft een lijstje van de buitenplaatsen die er
nog wel zijn met de namen van de eigenaars/bewoners, de niet-adellijken naar de geest van de tijd burgers genoemd. Zo bewoonde burger Van Buuren (vaker gespeld Buren) Wassergeest en burger L. Bicker Meer en Duin. Van Buren was een belangrijk man in Lisse. Als baljuw van het baljuwschap Noordwijkerhout, waar ook Voorhout, Lisse en Hillegom onder vielen, behandelde Izaak van Buren civiele en criminele rechtszaken. Uit patriotse sympathieën plaatste hij in 1795 de vrijheidsboom
voor zijn buitenplaats. Volgens de Volkstelling van 1795 op last van het Uitvoerend Bewind
der Bataafsche Republiek telde Lisse 1062 “zielen”. De teelt van kruiden, bloemen, groenten, vlas en hennep was de voornaamste bron van inkomsten. Schuiten vertrekken dagelijks vanuit Lisse via het Haarlemmermeer naar Amsterdam en weer terug. De trekschuit vaart tussen Leiden en Haarlem. De postkoets deed Lisse aan op zijn tocht van Amsterdam naar Den Haag. Bakker beschrijft de kerken
en hun geestelijk leiders. Het dorpsbestuur is naar Frans voorbeeld een municipaliteit van drie leden met een schout en secretaris, die ook schepenen en brandmeesters zijn en zich daar naast bekommeren om de armen en de wezen. Zij komen bijeen in een vertrek in een gewone herberg. De schrijver noemt er twee, de Witte Zwaan, dat ook het Rechthuis is, en de Stad Rotterdam.
Nieuwsgierig naar de volledige tekst van deze beschrijving? Jos van Bourgondiën, de beheerder van de bibliotheek van de VOL, helpt u graag verder.

Het vrijheidbeeld op Wassergeest