Berichten

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 1)

Anna (1869-1960) woonde in Lisse tot 1903 in het pand Heereweg 296. Zij schreef in 1904 een boek met de titel ‘In het bloembollenland’. Het speelt in de Bollenstreek en beschrijft op een eenvoudige manier de bollenteelt.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Veelal zijn het schenkingen van leden van de VOL. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

De schrijfster zelf was geen vreemde in het bloembollenland. Zij trouwde in 1899 met bollenkweker Willem J. van Gogh, een neef van Vincent. Willem was politiek actief als lid van de SDAP en ook Anna was een overtuigd socialiste. Het paar bewoonde tot 1903 het pand Heereweg 296 in Lisse.

Tekening uit het boek In het bloembollenland  van W.K. de Bruin

In het boekje geeft zij in verhaalvorm een realistisch beeld van de gang van zaken in het bollenvak. Alle facetten van de bollenteelt komen voorbij in een voor kinderen begrijpelijke taal. De dertienjarige weesjongen Dirk uit Amsterdam, bleek, met grote blauwe ogen, komt in huis bij zijn oom Niezand, meesterknecht op kwekerij “Bloemlust” bij bollenkweker Van Erk. Dirk heeft nooit een bol gezien, maar de goedige oom neemt zich voor de jongen het vak te leren en op te leiden tot een flink werkman. Zijn aanvangsloon is drie gulden vijftig in de week met de afspraak dat dat op kan lopen tot vijf gulden vijftig. In het vorige nummer van het Nieuwsblad vermeldde Arie in ’t Veld het gemiddelde loon van een bollenarbeider in 1903: acht gulden vijftig per week. Voor een dertienjarige lijkt Dirks loon naar verhouding niet slecht. Dirk betaalt zijn oom kostgeld en heeft een dubbeltje zakgeld in de week. Wil hij het boekje In het bloembollenland kopen, dan zal hij vijftien weken moeten sparen. Dirk is een leergierige jongen. De vele vragen die hij zijn oom stelt, beantwoordt deze uitgebreid. Via Dirk krijgt de lezer informatie over dwaallingen, bollenziekten, rattenplagen.

Anna huwde de Lissese bollenkweker Willem van Gogh en zij woonden op Heereweg 296.

Vangt Dirk voor de patroon een rat, dan wordt hij beloond met twintig cent. Voor het Amsterdammertje, gewend te leven in een zonloze, donkere steeg, is het voorjaar met zijn bloemenpracht een feest van kleur en geur. Staan de bollen in bloei, dan komen de andere bloemisten kijken. Ze lopen tussen de bloembedden “als groote donkere torren op een kleurig kleed”. Druk is het in deze tijd op de straatweg met een uitpuilende stoomtram en overvolle wegen met fietsen, rijtuigen, wandelaars en automobielen. In het vroege voorjaar laat Van Erk zijn mensen werken van zes tot zes, bij andere kwekers werkt men door tot het donker is. De bollenrooitijd is zeer vermoeiend en zwaar: “Ze werkten ’s morgens en ’s avonds òver en lagen den heelen dag in het heete zand, met de zon brandend op hun rug, terwijl de heggen elk windzuchtje afweerden. Ze kregen eelt op hunne knieën, en door het voortdurend wroeten in het zand, werden hunne vingers vreemd-wit, waarbij scherp de gebruinde handen afstaken”. Dirk werkt dapper mee, maar “in zijne beenen kwam soms zoo’n vreemde tinteling alsof ze zijn lichaam niet meer konden dragen”. De jonge jongen verliest zijn eetlust, maar smacht de hele dag naar drinken. In tegenstelling tot andere kwekers, die hun personeel nu tweemaal per dag een borrel schenken, geeft Dirks baas de arbeiders koffie en bessensap met water. Sterke drank werkt verwoestend in de uitgeputte lichamen, vindt hij.Na het rooien volgt het hollen, pellen en planten en als het vriest het dekken. Maar juist strenge vorst zorgt even voor een adempauze in dit harde bestaan. Dan kan op het veld niet gewerkt worden en geeft Van Erk zijn arbeiders ’s middags vrij. Of er wordt doorbetaald, lezen we niet. In het bloembollenland is na meer dan honderd jaar nog zeer leesbaar. Hoe het ontvangen werd door tijdgenoten, daarover een volgende keer. ►

 

Geboren te Velzen op 31 december 1869, overleden te Haarlem op 28 januari 1960

 

Pareltje over een vooruitstrevende geneesheer.

De Rotterdamse arts Lambertus Bicker publiceert in 1777 een pleidooi voor het inenten tegen de pokken. Op de titelpagina presenteert hij zichzelf al als parel van de wetenschap. Het is deze man die in 1793 Meer en Duin in Lisse koopt.

door Ria Grimbergen

Jaargang 20 nummer 2, 2021

De Rotterdamse arts Lambertus Bicker publiceert in 1777 een pleidooi voor het inenten tegen de pokken. Op de titelpagina presenteert hij zichzelf al als parel van de wetenschap. Het is deze man die in 1793 Meer en Duin in Lisse koopt. De nieuwe eigenaar van de buitenplaats heeft in de tussenliggende jaren een formidabele reputatie als medicus en wetenschapper opgebouwd. Een jaar later verhuist hij voorgoed naar het buiten, gelegen tussen het Haarlemmermeer en de duinen. Bicker adverteert dat hij in Lisse nog wel beschikbaar is voor consulten en inentingen. Het laatste een specialisatie van deze wetenschappelijke alleskunner.

Arts in Rotterdam
Lambertus Bicker wordt op 11 april 1732 in Rotterdam geboren als zoon van een lid van het bierdragersgilde. Zijn
vader overlijdt in hetzelfde jaar. Zijn moeder, Hendrina van Schilfgaarde, hertrouwt met een weduwnaar met vier kinderen. Bicker studeert medicijnen in Leiden, waar hij 8 augustus 1757 promoveert. Hij keert terug naar de Maasstad en bouwt daar een artsenpraktijk op. Zeven jaar later trouwt hij op 26 februari 1764 met de achttienjarige Johanna Geertruida Caarten (1746-1821). De stad Rotterdam eert Bicker in 1787 met een ereprofessoraat in de medicijnen en de fysica.

Meer en Duin
Al lang voordat Bicker Meer en Duin koopt, huurt hij het buiten in de zomermaanden. Vermoedelijk al kort na zijn huwelijk, want zijn derde kind Alida Sophia wordt in Lisse geboren op 24 september 1767. Aanvankelijk huurt hij de
buitenplaats van de familie Van der Stel. Vanaf 1790 van Carolina S. L. F. gravin van Gronsveld. De eerste maal overigens dat de buitenplaats met Meer en Duin wordt aangeduid is in de overlijdensadvertentie van de 88-jarige Simon van de  Stel. Van der Stel overlijdt op Meer en Duin op 6 september 1780. Op Bickers geliefde buiten wordt later nog een kleinkind geboren. Terwijl zij logeert op Meer en Duin bevalt Aletta Jacoba Top, getrouwd met Bickers jongste zoon Arnold, op 27 mei 1798 onverwacht van een gezonde zoon, Frederik Cornelis Bicker.

Een begaafde wetenschapper
Zou Bicker wel ooit hebben geslapen? Naast zijn werk als geneesheer is hij secretaris van het Rotterdamse Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, een gezelschap geleerden en artsen met een groot enthousiasme voor de natuurwetenschappen. Bicker is een van de oprichters van dit gerenommeerde gezelschap, dat nu nog bestaat. Voor dit en andere genootschappen houdt hij lezingen op uiteenlopend terrein. Hij begint zijn voordracht altijd met een stichtelijk woord. Hij gelooft in de eenvoud van de natuur en Gods ondoorgrondelijke wijsheid en almacht. Zijn lezingen worden gedrukt en uitgegeven, tellen vaak honderden pagina’s en handelen over onderwerpen roeden, vuurmachines, stoommeters, de dubbele luchtpomp, rivierkundige grondwaarheden en over de noodzaak ventilatoren te plaatsen op schepen. In 1772 al publiceert hij anoniem een verhandeling over de voordelen van het gebruik van een stoommachine, dan nog vuurmachine genoemd, boven dat van molens bij het bemalen van polders. Mede dankzij zijn inspanningen wordt de Rotterdamse polder Blijdorp drooggelegd met een van de eerste stoommachines in ons land. Bicker schrijft over het zog der vrouwen, met een gedetailleerde uitleg over de ontwikkeling van vrouwenborsten van puberteit tot overgang. Over de oorzaken, de aard en genezing van zenuwziekte, roodvonk, ziekten gerelateerd aan de droogmaking van polders en over de behandeling van drenkelingen.

Pleidooi voor inenting

Verhandeling over kinderpokken uit 1777 door Lambertus Bicker

Een van zijn belangrijkste artikelen verschijnt in 1777, een verhandeling over de inenting tegen kinderpokjes. In
Turkije had de flamboyante Engelse ambassadeursvrouw Lady Mary Wortley Montagu, zelf getekend door de pokken, kennis gemaakt met de oosterse techniek van inenting tegen pokken. Via de Engelsen raakten Nederlandse
artsen bekend met de inenting of variolatie. Met een lancet maakte de inenter een krasje in de bovenarm. Etter uit de
pokken van een besmet persoon werd in de huid gebracht en de ingeënte patiënt kreeg in lichte mate de ziekte. Vaccineren met koepokken kwam pas in de negentiende eeuw in zwang). Rotterdam worstelde in de jaren 1775 en 1776 met uitbraken van pokken. De ziekte laaide periodiek op en woedde vooral in de steden met zijn benauwde stegen en volgepakte huizen. Deze pokkenexplosies motiveren Bicker tot een gloedvol Vertoog. De arts oreert over het belang van inenting tegen de kinderpokjes, zoals men toen de pokken  noemde (niet te verwarren met de waterpokken). Bicker besluit ook zijn jongste dochtertje van twee jaar in te enten, de oudere vijf kinderen waren al beschermd door inenting. Had je pokken gehad, dan was je er immuun voor. Het virus trof vooral kinderen, maar ook volwassenen konden er heel ziek van worden en eraan sterven. Besmetting met het virus verliep via de luchtwegen, een druppeltjesbesmetting zoals bij verkoudheid en covid. Tijdens de uitbraken in Rotterdam stierven omtrent 830 patiënten van de naar schatting 6000 besmettingen. Van de 183 ingeënte overleed er niet één.

Gravure 1797 van James Phipps. Afgebeeld is Edward Jenner, die een vaccinatie verricht met vocht uit koepokken, een ongevaarlijke rundveeziekte. Jenner ontdekte dat melkmeisjes die deze koeien molken, immuun waren voor pokkenbesmettingen. De techniek is dezelfde als die Lambertus Bicker toepaste, een krasje in de bovenarm waarin entstof wordt ingebracht. Bicker gebruikte etter uit pokken van een besmette patiënt, waarbij de ingeënte de ziekte in lichte mate kreeg. Een behandeling die niet zonder risico was. Jenners veel veiliger methode betekende een revolutie in de strijd tegen de pokken

De pokken veroorzaakten grote zwerende puisten over gezicht en lichaam. In Arthur Japins roman ‘Een schitterend gebrek’ overleeft de mooie Lucia de pokken, maar haar schoonheid is geruïneerd. Haar gezicht is ontsierd door afgrijselijke littekens. Zij ontvlucht haar geliefde, wetend dat zij beiden door haar lelijkheid outcasts zouden worden. Of, zoals Bicker schrijft in zijn Vertoog, ‘Het is een wreede en moorddadige ziekte met jammerlijke verwoestingen’. Het virus zocht via de bloedbaan een weg door het lichaam en kon vitale organen aantasten. Blindheid was een veel voorkomende complicatie. De behandeling was niet zonder risico. Van de duizend ingeënten overleden er vijf tot tien. Toch schrijft Bicker, inenting is ‘het heilzaamste, vermogendste en zekerste van alle welke geneeskunst ooit heeft uitgevonden’. Het is vooral de elite die zich laat inenten. De ‘gemeene man’ heeft vooroordelen, gevoed door de angst om te sterven. Traag van aard, houdt hij niet van nieuwigheden. Schoolmeesters, dokters, predikanten praten op hem in en beweren dat inenten levensgevaarlijk is. Inenters zouden moedwillig de besmetting verspreiden en hun ‘beurs vullen ten koste van het leven van hun evenmens’. Nu worden in de Filipijnen vaccinatiehuiverige armen overgehaald zich te laten inenten tegen corona in ruil voor zakken rijst. De VS beloont twijfelaars met bier en geld. Verlotingen in priklokalen moeten Russen over de streep halen. En Bicker hoopt vergeefs dat de Staten Generaal geld of voorrechten beschikbaar stellen aan mensen die zich laten inenten.

Als Bicker in 1794 Rotterdam verlaat en in Lisse gaat wonen, verliest de stad een gewaardeerd geneesheer, maar vooral een kundig inenter. Zevenhonderd mensen heeft hij ingeënt en niet een heeft hij verloren. Daaronder zeer veel heel jonge kinderen, sommige twee of drie weken oud. Voorloper gezondheidszorg Bicker heeft veel aandacht voor ziekmakende omgevingsfactoren. Hij pleit voor verse lucht, zoals in zijn artikel over het plaatsen van ventilatoren op schepen. Bij Oost-Indiëvaarders en ‘slaafhaalders’ verblijven de mensen opgepropt tussendeks en is de lucht bedorven en ziekmakend. Ventilatoren kunnen verse lucht blazen in de ruimtes en zo sterfte tegengaan. Bicker en zijn medestanders zijn ervan doordrongen dat de medische zorg moet worden hervormd en onder centraal gezag moet komen. Die kans komt met de Bataafse Revolutie in 1795. Een jaar daarna biedt Bicker de Staten van Holland zijn plan aan voor een Geneeskundige Staatsregeling. Een goede medische opleiding voor artsen en anderen die zich met de geneeskunst bezighouden, tegengaan van kwakzalverij, toezicht op voedsel en aandacht voor ziekmakende factoren in de leefomgeving zijn de speerpunten.

Op 15 juni 1801 verkoopt Bicker zijn ‘hofstede genaamd Meer en Duin met deszelfs stallingen, koetshuis, tuinmanswoning, koepel aan de Heerenweg, bossen, plantagiën, tuinen en omrasterde duinen aan de overzijde van zijn hofstede’ voor f 23.500 aan Jacob Elias Smissaert. De oppervlakte van de hofstede bedroeg ruim vijf hectare, van de duinen zes hectare. Drie maanden daarna overlijdt hij op 14 september 1801 in Rotterdam.

Zie hiervoor: LJB, 1951, p. 119.

Bicker en zijn dochter Hermina

Strofe uit het gedicht ‘De dochter van Bicker’

Op een dag rijdt Bicker met een jonge patiënte, die hij zojuist heeft ingeënt, ter ontspanning in een open rijtuig langs de Schie naar Schiedam. Zijn oudste dochter Hermina volgt met familie van het meisje in een tweede rijtuig. Bij Schiedam schrikken de paarden en het rijtuig raakt te water. De drenkelingen worden uit het water gehaald. Bicker is ‘als in een gerusten slaap gevallen’, wordt naar een herberg gebracht en voor een groot vuur gelegd, geklisteerd en adergelaten. Zijn dochter doet al het mogelijke voor haar vader om hem door wrijven weer tot bewustzijn te brengen. Hij komt bij, kan nauwelijks ademen, het vuur voelt onaangenaam aan en hij brengt uit ‘natuurlijke warmte’. Zijn dochter herinnert zich dat haar vader beweerde dat natuurlijke warmte in geval van drenkelingen het beste is. Zij ontbloot haar boezem en valt met haar ontblote borst op die van haar ontklede vader, die door de warmte nu geheel bijkomt. In 1794 bezingt Adriaan Loosjes PZ deze hartroerende gebeurtenis in het lange gedicht ‘De dochter van Bicker”. Dochter Hermina Hermina wordt ziek en Bicker behandelt zijn geliefde dochter. Hij doet verslag van haar lijdensweg in een boek met de titel ‘Waarneeming van een oogenschijnlijk bevrucht eijernest’. Tijdens haar ziekte bezoekt zij haar vader op zijn buiten in Lisse om gezonde lucht in te ademen. Na haar dood wordt in zijn bijzijn het ontleedmes ter hand genomen en haar lijk ontleed. Hij komt tot de conclusie dat zij gestorven is aan een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Zou het met haar dood te maken hebben dat hij zich kort daarna permanent vestigt in Lisse?

Gebruikte literatuur:
Lambertus Bickers nog zeer leesbare publicaties, waarvan er veel zijn gedigitaliseerd en te lezen via Google Books.
Geslachtslijst van de families Bicker (Rotterdam) en Bicker-Caarten. 1914.
J. Belonje, ‘Meer en Duin te Lisse’, met een naschrift van R. van Roijen. In: Leids Jaarboekje, 1951. P. 110-121.
Willibrord Rutten, ‘De vreselijkste aller harpijen, Pokkenepidemieën en pokkenbestrijding in de 18e en 19e eeuw’. Houten, 1997. J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt, ‘1800. Blauwdrukken voor een samenleving’. Den Haag 2001.

Johanna Geertuida Caarten en Lambertus Bicker

PARELTJE met zwart randje

De onderwijzer Joh. Dekker schreef in 1952 de streekroman “Onwaardig” over de werkloosheid en armoede onder de bollenarbeiders in de crisisjaren. Het verhaal speelt zich in Lisse af.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad jaargang 19 nummer 1 2020

Uit de bibliotheek van de VOL dit keer een pareltje over het leven van een bollenarbeider in Lisse in de jaren dertig. Johan Dekker beschreef in de roman Onvolwaardig de tijd die hij als onderwijzer aan de Hervormde School in Lisse was verbonden. Het zijn de crisisjaren, de tijd van grote werkloosheid en armoede onder de arbeiders. Een parel met een zwart randje dit keer

De doodzieke Driekus Wijer slaat tijdens zijn werk tegen de grond op ceen bed “laaiend-rode Bartigontulpen”. Driftig komt bedrijfsleider Vermarck aangelopen en moppert of de man niet in het pad had kunnen vallen. De arme sloeber en de meedogenloze baas zijn twee van de hoofdfiguren in
deze roman. Wijer, een los arbeider, woont met zijn gezin in “het straatje van zeven”, een slopje waar het eens aardig wonen was: huisjes met een lapje grond, maar in de loop der jaren waren de eenkamerwoninkjes verworden tot vale, vervallen krotten. Een grote bollenschuur, daar neergezet door de machtige bollenkweker Van Tuinen, ontneemt het straatje alle licht. Wijer is een loser, een weinig
weerbaar figuur, gekweld door hevige maagpijnen. Zijn kinderen heeft hij niet in de hand, zijn slonzige vrouw bestookt hem met verwijten, zijn collega’s nemen hem in de maling. In zijn zorgelijk leven is zijn geloof in God zijn grote troost; God én zijn bedlegerige zoontje, van wie hij zielsveel houdt.
Tegenover deze tobber zet de schrijver de figuur van Vermarck, de zelfbewuste procuratiehouder en bedrijfsleider van Van Tuinen, van wie Wijer als arbeider afhankelijk is. Vermarck, in zijn regenjas
met opgezette kraag en omgeslagen broekspijpen, die de arbeiders opjaagt en afbekt, heeft Wijer in zijn macht. In de lange wintermaanden trekt Wijer van de steun en is de armoede in het gezin groot. De vrouw van Vermarck bezorgt het gezin dan koude aardappels of een stuk brood, afgedankte kleren, gedragen ondergoed, een versleten japon. Wijer draagt een streepjespak van Vermarck, dat slobbert om zijn magere lichaam. Een andere gulle gever is de juffrouw van de openbare school, die met afleggertjes Wijer en zijn vrouw probeert te paaien, zodat zij hun kinderen niet van school halen.

Roman

Achter de bollenschuur bij die hoge boom zou het straatje van zeven geweest kunnen zijn. In het kadasterkaartje zie je dat het onderdeel uitmaakte van het “Rottenest”. Deze zeven huisjes had- den een straatje achterom met achter de schuurtjes nog een stukje grond. De huizen hadden ook nog een klompenhokje bij de deur. Dit is een detail van een foto uit 1954, op een foto van P. Jonker uit 1914 staat nog een hoge muur achter de bollenschuur.

Dekker schetst in deze roman het leven op het bollenland en in de bollenschuur. De grappen en de humor van de arbeiders; de vrolijke, maar ook broeierige sfeer van de bollenschuur in de peltijd, waar jonge pelsters blootgesteld worden aan begerige blikken en handen. We lopen met Wijer mee door het Lisse van de jaren dertig, met op de achtergrond de bollenvelden en het bos; langs bekende winkels als boekhandel “De volharding”, met in de etalage leesboeken, postpapier, prentenboeken en kleurboeken, en Van der Mark, de kruidenierswinkel met de nette vakken met erwten en bonen.

Wij gaan met hem op bezoek bij zijn broer in de Narcissenstraat in “de nieuwe uitleg van het dorp”.

Schoolstrijd

Vermarck en bollenkweker Van Tuinen zijn aanhangers van de Protestantenbond, die een vrijzinnig christendom propageert. Deze vrijzinnige protestanten waren voorstanders van openbaar onderwijs. In 1920 was het bijzonder lager onderwijs, waaronder de katholieke en christelijke scholen vielen, financieel gelijkgesteld aan het openbaar onderwijs. Het Rijk betaalde de schoolbesturen van de bijzondere scholen rechtstreeks de salarissen van de onderwijzers. De leerkrachten van de openbare
scholen werden uitbetaald via de gemeenten. De gemeenten dienden voor bijzonder en openbaar onderwijs eenzelfde bedrag uit te trekken voor bouw en onderhoud van de schoolgebouwen en voor de
aanschaf van leermiddelen. Als gevolg van hun sterk verbeterde financiële situatie groeide het leerlingenaantal bij het bijzonder onderwijs explosief ten koste van het openbare. De economische neergang na de Beurskrach van 1929 noodzaakte de overheid te bezuinigen op het onderwijs. Zieltogende openbare scholen werden gesloten of samengevoegd, leerkrachten werden op wachtgeld gezet. Een paar leerlingen minder kon al het verschil uitmaken of een school werd gesloten. Deze maatregelen golden niet voor het bijzonder onderwijs, de overheid had hier geen bevoegdheid.
Achter de bollenschuur bij die hoge boom zou het straatje van zeven geweest kunnen zijn. In het kadasterkaartje zie je dat het onderdeel uitmaakte van het “Rottenest”. Deze zeven huisjes had- den een straatje achterom met achter de schuurtjes nog een stukje grond. De huizen hadden ook nog een klompenhokje bij de deur. Dit is een detail van een foto uit 1954, op een foto van P. Jonker
uit 1914 staat nog een hoge muur achter de bollenschuur. In de jaren waarin Onvolwaardig zich afspeelt, bezuinigde de overheid op het onderwijs. Zo kregen in 1931 in Lisse alle scholen een brief van burgemeester en wethouders met de opdracht in “deze donkere tijden” te bezuinigen op het onderwijs. “Voor zooveel het bijzonder onderwijs betreft, ligt deze bezuiniging evenwel niet in onze macht”. De Lissese schoolbesturen van het bijzonder onderwijs kregen op 13 december 1933 een oproep naar het gemeentehuis te komen. Het gemeentebestuur sprak de overtuiging uit dat de scholen geen misbruik maakten van hun gunstige positie, maar wilde wel overleg over sterke bezuinigingen op het onderwijs. Het teruglopende leerlingenaantal op de openbare school leidde tot noodmaatregelen. In 1933 besloot de gemeenteraad van Lisse de openbare ULO-school te sluiten en de leerlingen over te plaatsen naar
Hillegom (Algemeen Handelsblad, 26.08.1933). Met de gemeente Sassenheim werd een regeling getroffen. De openbare school daar werd gesloten en tegen een vergoeding uit de gemeentekas van Sassenheim, konden de kinderen uit de buurtgemeente de openbare lagere school in Lisse bezoeken
(De banier, 15.09.1933). De na-ijver tussen de bijzondere en openbare scholen was groot en ouders werden soms omgekocht bij hun schoolkeuze. Ook in de roman spelen deze problemen tussen de scholen.

Uit de bestuursvergadering van 18 maart 1935
Door het hoofd der school, de heer Dekker,
wordt een opgave gedaan van het aantal leerlingen en de indelingen naar de verschillende kerken:

Volgens Vermarck spelen de vrome heren vuil spel om de openbare school kapot te krijgen. Als Wijer zijn kinderen van de openbare school afhaalt en opgeeft voor de christelijke school tegen de wil van Vermarck, chanteert de bedrijfsleider hem. Bang zijn baan kwijt te raken, bezwijkt de arbeider onder de druk. “Tot me spijt ken ik de kindere niet bij uwes op ’t school sture, omrede ik anders in me brood getroffe word. Beleefd groetent, D. Wijer”. Een dergelijk briefje zal ook meester Dekker in zijn brievenbus hebben gekregen; de schrijver baseerde zich op de werkelijkheid

Johan Dekker

De schrijvende schoolmeester werd in 1897 geboren in Schiedam, waar hij zijn loopbaan als onderwijzer
begon. Op 22 september 1930 solliciteerde hij naar de functie van hoofd van de Nederlandsch Hervormde School voor L.O. en U.L.O in Lisse, nu de christelijke basisschool “De Lisbloem”. Volgens zijn sollicitatiebrief had hij drie aktes in de moderne talen Frans, Duits cen Engels en studeerde hij voor de akte Frans. MO A. Dekker werd aangenomen. Met zijn vrouw en zoontjes Daan en Johannes, geboren in 1929 en 1930, verhuisde hij 31 december 1930 naar Lisse. Transportfirma H. Eigenbrood & Zonen verzorgde het vervoer van Rotterdam naar het bollendorp. In 1933 werd een dochtertje geboren, Cornelia Tjitske. Dekkers oudste zoon Daan herinnert zich dat zij woonden op de Kanaalstraat 88, met een achtertuin die grensde aan het schoolgebouw in de Lischbloem straat. Daar fietste en speelde hij met zijn driewieler en vliegende hollander. Verdere herinneringen aan Lisse heeft Daan Dekker niet. De panden Kanaalstraat 88 en 90 waren het eigendom van de Nederlands Hervormde Schoolvereniging, die ze 1921 had gekocht. Dekker betaalde voor deze ambtswoning f 37,50 huur per maand. 29 mei 1936 diende hij zijn ontslag in en werd hoofd van een Christelijke school in Utrecht en daarna ambtenaar op een distributiekantoor en tot slot leraar aan een HBS in Amersfoort, de plaats waar hij in 1972 overleed. In het archief van basisschool de Lisbloem, dat voor een deel is ondergebracht bij de VOL, bevindt zich een brief van Dekker van 10 januari 1936. Hij beklaagt zich bitter over zijn opvolger Themmen, die schriftelijk en ongevraagd een “vernietigend oordeel uitspreekt over mijn werk en persoon te Lisse.
Daar deugt letterlijk niets van: orde – tucht – leiding – onderwijs – inkopen – administratie, niets – niets – niets goed”. Themmen dreigt op de ouderavond een doekje open te doen over “hoe de zaken ervoor staan in de Herv. School, die door mijn toedoen in een deplorabele toestand is geraakt!!!”, schrijft een gegriefde Dekker. Toch stond de school er goed voor met een sterk gegroeid leerlingenaantal.

Johan Dekker

 

Onvolwaardig is geschreven in een streektaal, die dan de taal van de Bollenstreek in de jaren dertig zou zijn. Het zou wel eens aardig zijn dit nader te onderzoeken. Ook de in het boek voorkomende figuren lijken gebaseerd op bestaande personen. Dekker zelf als meester Demmers die zo mooi kan vertellen, Vermarcks tegenpool de goede meneer Louis van der Zande, achter wie een Veldhuyzen van Zanten zal schuil te gaan, dominee Van Tegelen als de hervormde predikant G. Tichelaar. Zo krijgt de lezer een beeld van het leven in Lisse in deze crisisjaren. Dekker schreef daarnaast de historische roman In de
schaduw der molenwieken, die zich afspeelt in Lisse in de Patriottentijd en die gebaseerd is op het dagboek van de Lissese timmerman Van der Zaal.

Illustraties
De eerste druk van Onvolwaardig verscheen in 1952. Het boek behoort tot het genre van de protestants-christelijke streekromans, niet te verwarren met familieromans, die zich tot een vrouwelijk publiek richten. De christelijke uitgeverij Zomer en Keuning publiceerde het boek in de Spiegelserie met houtsneden van Rein Snapper (1907-988), een bekende houtsnijder die ook het stofomslag ontwierp in een expressionistische stijl. Heel anders zijn de realistische illustraties van Reint Tonnis de Jonge in de tweede druk, die in 1991 bij uitgeverij Den Hertog verscheen. De Jonge kende de Bollenstreek goed. Hij woonde in De Zilk, waar hij in 1993 overleed. Hij maakte omslagen en tekeningen voor een groot aantal christelijke boeken, zoals de bekende kinderbijbel van Evert Kuyt. Zijn grote liefde ging uit naar het schilderen van woeste zeeën, kusten en zeilschepen.

Uit het boek “Onvolwaardig”

 

Gebruikte literatuur:
Ned. Herv. School voor L.O. en U.L.O. Chr. Basisschool” De Lisbloem” 1922-1982. Lisse, Eigen beheer.

Inleiding: Ph. van Hoven.

Bron: Archief van basisschool De Lisbloem, VOL.

Met dank aan Ph. van Hoven voor zijn hulp

Het boel “Omvolwaardig