Berichten

Aagje Deken- en Betje Wolffstraat

Betje Wolff en Aagje Deken zijn femistische schrijvers uit de 18e eeuw.

Sporen van vroeger Lisser Nieuws

4 juni 2019

door Nico Groen

De Vrouwenpolder is een wijk met straatnamen van bekende Nederlandse dames. De Gemeente Lisse heeft deze wijk ‘Vrouwenpolder’ genoemd. Dat is een heel misleidende naam. De wijk ligt niet in een speciale polder met die naam, Het is gewoon een wijk van Lisse en zou eigenlijk ‘Vrouwenwijk’ of ‘Vrouwenbuurt’ moeten heten. Hopelijk wordt dit nog eens veranderd. Maar wie zijn al die vrouwen in de Vrouwenpolder?

De kruising van de Betje Wolffstraat met de Aagje Dekenstraat.

Zo is er bijvoorbeeld de Aagje Dekenstraat, een zijstraat van de Ruishornlaan richting het oosten naar de Rooversbroekdijk en de Betje Wolffstraat, die de Aagje Dekenstraat kruist. Aagje Deken was een bekende schrijfster. Agatha Pieters werd geboren in 1741 in Nes aan de Amstel in het huidige Amstelveen en overleed in 1804 op 62-jarige leeftijd. Volgens Wikipedia waren haar ouders arm en al jong overleden. Daarom werd zij opgevoed in een weeshuis van de Collegianten, een vrijzinnige stroming waar geestelijke literatuur op een hoog niveau stond. Ook werd daar gediscussieerd over theologie en filosofie. Zij verbleef daar tot 1767, toen zij al 26 jaar was. In 1769 werd zij doopsgezind.

In één van haar 9 boeken schrijft zij over dit weeshuis: “De meisjes hebben het daer voor hunnen stand in de waereld al te wel: men leert haer daer denken!” In het weeshuis is dus de grondslag voor haar latere literaire werk gelegd. Ze had eerst verschillende dienstbetrekkingen. Later begon ze een koffie- en theehandeltje.

Haar eerste boek ‘Stichtelijke gedichten’, uitgegeven in 1775, schreef zij samen met Maria Bosch, die in 1773 was overleden. Aagje was enkele jaren mantelzorgster geweest voor Maria, die ernstig ziek was.

Aagje ontmoette in 1776 Betje Wolff-Bekker. Zij wisselden literaire informatie uit. Betje had een onstuimig karakter en wilde ideeën. Haar moeder had ze al jong verloren en haar vader was haar opvoeder. Ze trouwde op 21 jarige leeftijd in 1759 met de 52-jarige dominee en weduwnaar Adriaan Wolff uit de Beemster. Zijn enige dochter uit zijn eerste huwelijk ging toen het huis uit. Het nieuwe echtpaar bleef kinderloos.

In 1763 debuteerde Betje met de bundel ’Bespiegelingen over het genoegen’. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Betje samenwonen in De Rijp met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. Hun eerste gemeenschappelijke werk was ‘Brieven’. In 1781 erfde Aagje ruim 13.000 gulden en de twee gingen in het buiten ‘Lommerlust’ in Beverwijk wonen. Ze schreven daar samen nog de ‘Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart’, dat een groot succes werd, en de ‘Historie van den heer Willem Leevend’.

Vanwege hun patriottische sympathieën en uit onvrede met de situatie in eigen land (na het neerslaan van de opstand van de patriotten in 1787) verhuisden zij in 1788 naar Trévoux bij Lyon. In 1789 verscheen ‘Wandelingen door Bourgogne’. Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haag gingen wonen. Aagje Deken stierf daar uiteindelijk, op 14 november 1804, negen dagen na Betje Wolff, die in 1738 was geboren. Beiden werden begraven op de begraafplaats’Ter navolging’ in Scheveningen.

Zowel in Amstelveen als in Vlissingen (geboorteplaats van Betje) zijn monumenten opgericht; respectievelijk een bronzen beeld van een zittende en staande vrouw die samen een boek lezen en een fontein. Ook is er sinds 1952 in de Beemster een Betje Wolffmuseum in de pastorie waar zij en haar en haar man van 1759 tot 1777 hebben gewoond.

Foto: De kamer van Betje Wolff in het Betje Wolffmuseum in De Beemster
Foto: Historisch Genootschap Beemster

Kruising van de Aagje Dekenstraat met de Betje Wolffstraat.

 

Bert Kölker

In memoriam Bert Kölker

Bert heeft het boekje grenspalen en het boek Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839) geschreven.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

24 april 2018

Door: Nico Groen

Onlangs ontving de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” het trieste bericht dat dr. A.J. Kölker (Bert) op 20 januari 2018 was overleden. Bert is 87 jaar geworden.
Bert is in 2015 vanuit Lisse (Jan Steenstraat 41) verhuisd naar  het verpleeghuis Mariënhaven te Warmond vanwege zijn Alzheimer ziekte. Hij is begin  2017 door zijn ernstiger wordende dementie, verhuisd naar een gesloten afdeling in het verpleeghuis Van Wijckerslooth in Oegstgeest, waar hij is overleden. Hij heeft in zijn leven vele archieven geïnventariseerd en onderzocht, wat geresulteerd heeft in vele boeken en artikelen.

Bert Kölker

Bert Kölker

Zijn betekenis voor de VOL

Bert heeft na zijn pensioen als provinciaal archivaris van de provincie Noord Holland veel onderzoek gedaan voor “Oud Lisse”. De resultaten hiervan zijn o.a. in twee boeken uitgegeven: in 2010 verscheen het boekje “Grenspalen te Lisse” en daarop aansluitend in 2013 het boek “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839)”. Beide boeken zijn nog verkrijgbaar bij de VOL. Het boekje over grenspalen is in A5 formaat met kleurenfoto’s van alle bekende grenspalen in Lisse met een omschrijving van iedere grenspaal en waar deze te vinden is. Ook worden er voormalige Hekpalen van Donjon Dever en van de buitenplaatsen Roozendaal, Grotenhof en van Veenenburg beschreven. Daarnaast zijn in het boekje van de wapenstenen van huize Halfweg en Zandvliet interessante gegevens opgenomen.

Cornelis van der Zaal had zijn werkplaats aan het Vierkant, waar nu museum De Zwarte Tulp is gevestigd. Hij maakte aan het einde van zijn leven een compleet overzicht (kroniek)  voor zijn zoon van de door hem verrichte werkzaamheden aan alle (ca 22!) door hem gebouwde  en/of onderhouden molens in Lisse en omgeving. Naast molenmaker  was Cornelis ook  als timmerman betrokken bij diverse bouwprojecten. Het handschrift is door Bert Kölker getranscribeerd (hertaald)  en voorzien van commentaar bij de geschiedenis van de in de Kroniek genoemde molens, geïllustreerd met ca. 100 oude prenten, foto’s en andere afbeeldingen. Kortom een uniek manuscript van belang voor de lokale en regionale historie. Dat schrijven over molens was aan Bert goed besteed, want hij was jarenlang bestuurslid van de ‘Vereniging Hollandsche Molen’. Een beter geschikt persoon om het dagboek van Cornelis van der Zaal deskundig te transcriberen en relevante archieven te onderzoeken was er niet te vinden.

Ook heeft Bert heel veel vrijwilligerswerk gedaan voor het Westfries Genootschap. Voor het vrijwilligerswerk werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau. De Vereniging Oud Lisse heeft hem tot Erelid van de vereniging benoemd op 10 februari 2016 en hem toen een ereoorkonde van Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” verstrekt.
Wij zullen hem altijd blijven herinneren als een vriendelijke, beschaafde en bijzonder aardige man en zeer deskundig op gebied van archiefonderzoek.

Gerrit van der Meij krijgt geleidehond in Lisse

In dit tweede artikel over blinde wis- en natuurkundige Gerrit van der Meij worden zijn belevenissen in Lisse met zijn geleidehonden beschreven. Hij heeft diverse lezingen over geleidehonden gehouden.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Inleiding

In het Nieuwsblad van januari stond het verhaal ‘Gerrit van der Meij, een ongekend talent uit Lisse’ door Arie de Koning. Aan het slot van het verhaal meldden we dat we in contact waren gekomen met zijn dochter, Machteld van der Meij. Zij heeft een uitgebreid archief over haar vader. Gerrit van der Meij heeft in zijn leven veel gecorrespondeerd en gelukkig is daarvan veel bewaard gebleven. Uitermate interessant en waard om een boek over te schrijven. Want wat een bijzonder gegeven is het: een buitengewoon slimme, maar gelukkig ook zeer innemende doof-blinde man, die er in slaagt een prachtige maatschappelijke carrière op te bouwen, levend in een tijd, die ook nog eens snel veranderde en vele dieptepunten kende. Denk maar aan zijn jongenstijd in het Duitsland van voor de oorlog, aan de oorlogstijd in Nederland waar hij studeerde en waarin hij getroffen werd door de ziekte die hem totaal doof maakte, aan de opbouwperiode van Nederland, waarin het steeds drukker werd en aan de technische vooruitgang waaraan Gerrit van der Meij actief zijn steentje kon bijdragen. Voor Oud Lisse is natuurlijk de periode in Lisse het meest belangrijk. Maar ook dan is het ‘’krenten uit de pap halen’. Dat doen we voor een groot deel aan de hand van de gegevens uit het archief van het Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds. Met dank aan mevr. Van der Meij voor het gebruik van het materiaal en in de hoop dat er nog eens een boek of studie zal verschijnen over de boeiende persoonlijkheid die haar vader was.

Dossier 51, Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds

Dit dossier begint op 10 april 1936 met een formulier voor de aanvraag van een geleidehond voor Gerrit van der Meij. Dat honden veel kunnen betekenen voor blinden was al heel lang bekend. Er bestaat zelfs een muurschildering uit de 1e eeuw na Christus van een blinde, geleid door een hond. Maar het systematisch opleiden van honden voor ondersteuning van blinden dateert eigenlijk pas van na de 1e wereldoorlog. Toen kwamen er duizenden soldaten blind terug van het front en in 1916 ontstaat een geleidehondenschool in Duitsland. In Nederland wordt in 1934 het Nederlandsche Blinden Geleidehonden Fonds opgericht op initiatief van het Rode kruis en Het Nederlandse Blindenwezen. In september 1935 wordt door prinses Juliana de school voor geleidehonden in Amsterdam geopend. Honden die opgeleid worden zijn honden uit het asiel, politiehonden die niet agressief genoeg zijn of ook wel afdankertjes van particulieren. Vaak zijn het herdershonden. Voor Gerrit komt de geleidehondenschool precies op tijd. Hij heeft het gymnasium voor blinden in Marburg met zeer goed gevolg afgerond en wil in Leiden gaan studeren en daarbij zal een hond een enorme steun zijn. Dat hij volop meedoet aan de samenleving blijkt wel uit een krantenbericht uit die tijd. Het koor ‘Looft den Heer’ geeft een uitvoering in het net gerestaureerde Rehoboth. Met de aankondiging dat er maar liefst 5 solisten uit Lisse aan meedoen. Eén daarvan is dhr. G.vd Meij, net met vakantie in Nederland. Hij speelt onder meer de Sonate Pathétique van Beethoven.
Op het aanvraagformulier voor de hond schrijft vader van der Meij nog als toelichting: ”………dat mijn zoon Gerrit zijn rechter oor volkomen normaal is, echter kan hij met zijn linker oor niets opnemen, zoodat Gerrit zijn geleidehond liefst aan de linkerzijde zal hebben”. Wat zal Gerrit gelukkig zijn geweest met het bericht dat er een hond beschikbaar komt. In dossier 51 zit voorin een lijst met de honden die Gerrit gehad heeft. Bij de eerste hond Bertha staat 33. Ook de andere honden, behalve de laatste, hebben een nummer en de nummers zijn oplopend. Zou het kunnen zijn dat Gerrit de drieëndertigste hond van de school krijgt. We hebben het niet kunnen verifiëren, maar dat er toen nog weinig geleidehonden afgeleverd waren mag duidelijk zijn. Er volgt voor hond en baas een week training in Amsterdam en daarna krijgt Gerrit zijn eerste herdershond, Bertha dus. In die tijd was men natuurlijk helemaal niet gewend aan een geleidehond. Dus plaatst Gerrit oproepen in de krant om de mensen er op te wijzen geen hulp te bieden bij het oversteken. Hij stelt ‘..deze hulpvaardigheid, hoe goed ook bedoeld, is voor den hond zeer ongewenscht……’

Gewend aan honden

Gerrit van der Meij met zijnhond Bertha

Gerrit woont in 1936 op Veldhorststraat 28. Thuis hebben ze een hond als gezelschapsdier. Op diverse jeugdfoto’s zie je Gerrit met een hond. Om als blinde goed met een geleidehond om te kunnen gaan moet je de omgeving aardig in je hoofd hebben. Om dat te bereiken dankt hij veel aan zijn ouders. Vader van der Meij ontwerpt op een plank een prachtige plattegrond (zie binnenkant omslag), waarop hij de wegen aangeeft met soldeertin, de belangrijke huizen met kopspijkers aanduidt en de vaarten worden uit gegutst. Gelukkig heeft Gerrit ondanks zijn handicap een uitstekend ruimtelijk geheugen en is hij in staat om met Bertha lange wandelingen te maken. Omdat hij de omgeving goed kent laat hij Bertha vaak ook los lopen. Maar Bertha is dan niet altijd betrouwbaar. Wanneer in april 1943 Bertha gestorven is schrijft hij daarover naar het fonds “dat Bertha wel eens valsch is tegen vreemden en zij heeft meermalen een broek stukgescheurd”. In diezelfde brief schrijft hij “Ik ben altijd trotsch geweest op mijn woonplaats: Hier was meer natuurschoon dan in elke andere der omliggende plaatsen. Ik kon de bijzonder mooie plekken zo voor den voet op noemen. Eigenaardig genoeg, dat zie ik nu achteraf, waren het uitsluitend de plaatsen, waar Bertha bijna nooit vast liep, waar wij uit vrijen wil samen opliepen. Die plaatsen waren wel zoo mooi: Bosch, bouw- en weiland wisselden elkaar daar af en dat zag ik net zoo goed voor mij als ieder ander. En nu kom ik tot de ontdekking, dat ik eigenlijk me verbeeld heb, dat natuurschoon te zien. Ik heb het heelemaal niet gezien. Wat alles glans gaf, dat is alleen maar Bertha geweest”. Het is wel duidelijk hoeveel een geleidehond voor hem betekent. Het is veel meer dan de mogelijkheid om zelfstandig te functioneren. Het is vooral ook levensgenot. Gerrit wil graag weer een geleidehond, liefst weer een herder. Hij moet ook in de stad kunnen werken, want daar moet Gerrit voor zijn wiskundestudie aan de universiteit naar toe. Vader van der Meij heeft met soldeertin en kopspijkers ook van Leiden en Amsterdam plattegronden gemaakt, net zoals die van Lisse, zodat Gerrit ook daar zijn routes met de hond goed kan vinden. Gerrit beseft dat het moeilijk is om in die tijd, in de oorlog, aan een nieuwe geleidehond te komen. Hij schrijft naar het Geleidehonden Fonds “Wij zullen hier zelf ons best doen een hond te vinden.

Het zoeken naar een hond in de oorlog.

Uit de brieven naar het Geleidehonden Fonds blijkt dat Gerrit dan woont op Stationsweg 158 (nu Von Bonninghausenlaan 56). Dat is villa Veldhorst, het huis dat al werd gebouwd voor de opa, naar wie Gerrit vernoemd is. Het huis ligt zelfs nog iets dichter bij het bos waar hij zo graag wandelt.  In de oorlog was het houden van honden natuurlijk niet makkelijk. Bovendien zijn geleidehonden grote honden en dus ook grote eters en er was al gebrek aan voedsel. Voor geleidehonden zijn er speciale brood- en rijstbonnen. Het is dus heel moeilijk voor de school om aan geschikte honden te komen. Vandaar dat Gerrit actief op zoek gaat naar een hond. Voor zich zelf of eventueel voor een ander. Zo schrijft hij bijvoorbeeld over Kazan en Trixy die, blijkbaar na actief speurwerk door Gerrit, bekeken zijn door iemand van de organisatie. Kazan komt uit Haarlem, maar zijn baas kan geen voer meer voor hem krijgen. En Trixy is oorspronkelijk een regimentshond uit Duitsland die Truus Duivenvoorde wel wil afstaan voor een opleiding tot geleidehond. Truus heeft de hond de naam Trixy gegeven, oorspronkelijk heette de hond Rex. Ook vertelt Gerrit dat ze naar boeren in Friesland en Drente hebben geschreven om daar naar geschikte honden uit te zien. Ze kennen de boeren omdat die in de mobilisatietijd in Lisse soldaat waren en vaak bij hun koffie kwamen drinken. In augustus van hetzelfde jaar meldt Gerrit aan de school dat de heer Van Schoten zijn hond aan de school wil af staan, maar dat hij eerst nog een nest jongen wil hebben. In oktober is er weer een brief waaruit blijkt dat Gerrit driftig op zoek is naar geschikte honden. Dat het moeilijk is om geschikte honden te krijgen blijkt ook wel uit het feit dat in de begintijd van de geleidehondenschool maar liefs 90 % van de honden uiteindelijk ongeschikt blijkt voor het geleidewerk. Voor Gerrit wordt eind 1943 een geschikte hond gevonden: Tonny. Hij schrijft over haar: “Hier in de gemeente kan ik nu weer overal komen. Ook in Hillegom en Noordwijkerhout ben ik al weer geweest. ……..ik ga Tonny ook eens in Leiden laten zien. Het is een weelde vrij te kunnen rondlopen”. In 1946 komt Gerrit nog een keer terug op het probleem om aan honden te komen in de oorlog. Dan vraagt hij of de hond van boer Molenaar bevalt en vertelt meteen hoe spannend hij het zoeken naar geschikte honden heeft gevonden. De geleidehondenschool meldt terug dat de hond goed bevalt, dat er gelukkig meer honden zijn, maar dat de oorlogssituatie nog hinderlijk nawerkt.

Het noodlot slaat weer toe

In januari 1945 wordt Gerrit weer getroffen door meningitis. Gevolg daarvan is totale doofheid en bovendien het verlies van het evenwichtsgevoel. Communicatie is eigenlijk niet mogelijk, maar vader van der Meij maakt meteen een alfabet-kaart. Op het deksel van een oud sigarendoosje. Met kopspijkers worden er grote brailleletters op aangebracht, met de corresponderende letter erboven. Vader drukt Gerrit’s handen op het braille alfabet en laat hem zo merken dat er toch gecommuniceerd kan worden. Gelukkig werkt het want al gauw kan met het verplegend personeel ‘gepraat worden’. Langzaamaan komen ook technische hulpmiddelen beschikbaar. De behandelend chirurg, prof. Noordenbos die de oorzaak van zijn ziekte ontdekt, heeft er plezier in en leert in 2 dagen de braille schrijfmachine te gebruiken. In die tijd heeft Gerrit veel aan het devies dat hij mee kreeg van het gymnasium uit Marburg: “er zijn maar weinig lichamelijke handicaps die een mens niet kan overwinnen – als hij maar wil”. Gelukkig heeft Gerrit de juiste mensen om zich heen, maar zelf legt hij zich een ijzeren discipline op van zeer veel oefenen. In mei ’45 komt hij weer thuis. Een immens probleem is het beschadigde evenwichtsgevoel. Met hulp van zijn ouders leert Gerrit weer lopen, maar hij heeft zijn geleidestok meer nodig als steun dan als oriëntatiemiddel. Op 3 augustus wordt de eerste naoorlogse verjaardag van koningin Wilhelmina gevierd. Heel Lisse viert feest en iedereen dompelt zich onder in de feestvreugde. De Stationsweg en de Veldhorststraat zijn leeg want de feestelijkheden zijn in het centrum. Een mooie gelegenheid om stiekem toch even met Tonny te gaan lopen. En wat blijkt. Tonny wordt niet zenuwachtig van het vreemde lopen van Gerrit. Tonny heeft dan 7 maanden geen geleidewerk meer gedaan, maar verleerd is ze het allerminst. Het is Gerrit zelf die weer opnieuw moet leren met een hond te durven lopen. Gerrit is bang dat hij, omdat hij het zelf niet kan horen, de bevelen aan de hond niet goed geeft, maar ook dat blijkt mee te vallen. Bovendien valt hem op dat hij ondanks zijn 3 dubbele handicap toch nog bepaalde herkenningstekens onderweg kan ontdekken, zoals straathoeken en garage uitritten. Dit is natuurlijk fantastisch en Gerrit besluit veel te gaan oefenen. Met succes. Een half jaar later waren de meeste wegen in het dorp en omgeving weer goed te doen. Het vele wandelen heeft nog een positief effect: het lopen zonder goed functionerend evenwicht wordt steeds beter. Oefening baart kunst. De hond brengt nog een positief effect. Gerrit praat, hoewel hij het zelf niet kan horen, veel met de hond. Door steeds te blijven praten boet je niet zo gauw in aan verstaanbaarheid. Van Ludwig Cohn, een vluchteling uit Duitsland, leert hij het Lorm alfabet. Zijn ouders blijven de voorkeur geven aan het apparaatje met de 6 toetsen waaruit braillepunten omhoog komen. Daar zijn ze totaal vertrouwd mee geraakt. Maar wanneer je Lorm goed beheerst is de snelheid van een gesprek praktisch gelijk aan dat van een gesprek met horenden. Omdat Gerrit gewoon terug praat is een gesprek met Gerrit heel natuurlijk. Gerrit promoveert in ’46 . Eind ’47 krijgt hij van PTT een elektrische communicatie machine, die zijn mogelijkheden nog weer sterk vergroot.

Gerrit laat de hond graag los lopen. Dat deed hij met Bertha al, ook niet altijd zonder problemen, maar toen kon hij tenminste nog horen. Hij vindt dat loslopen zelf ook prettig als oefening voor zijn evenwicht en ook Tonny gunt hij dat graag. Maar op een kwade dag blijkt Tonny een motorrijder gegrepen te hebben. Gerrit hoort, noch ziet er iets van en reageert dus helemaal niet. De boswachter (van Keukenhof) heeft het toevallig zien gebeuren. Gerrit bekent de geleidehondenschool wat er gebeurd is en vraagt daarom de geleidehondenschool om hulp. Het advies luidt onomwonden: houdt haar vast langs alle wegen. In zijn latere leven en ook met andere honden doet zich hetzelfde probleem voor. Gerrit loopt graag alleen terwijl de hond los loopt. Maar steevast gaat het fout. Door zijn dubbele handicap kan hij zijn hond toch niet voldoende onder appel houden. Lisse krijgt in de naoorlogse periode veel nieuwe straten die Gerrit met de hond verkent. Dat blijkt prima te gaan. De zus van Gerrit heeft een hond die Robbi heet. Ze woont in Hillegom. Tonny is blijkbaar erg gesteld op Robbi (of op de koektrommel van zijn zus, veronderstelt Gerrit). Wanneer hij zegt: “Gaan we naar Robbi toe” dan hoeft Gerrit verder geen commando meer te geven, maar komt met een uur op de goede plek in Hillegom aan.

Keukenhof

Gerrit wandelt heel veel. Dat was hij al gewend uit de tijd dat hij nog kon horen. Hij wandelt vaak met zijn vriend, Mart Steenland, (een van de eerste professoren en daarmee een van de kwartiermakers van de technische universiteit Eindhoven), in het Keukenhofbos (Zandvliet). Dat is in die tijd echt alleen het privéterrein van de Van Lyndens. Op een keer ontmoet Gerrit gravin van Lynden. Zij is zo genereus om Gerrit toe te staan om op het landgoed te wandelen. Gerrit vertelt maar niet dat hij dat al heel vaak illegaal doet. Wanneer Gerrit in ’55 trouwt draagt vriend Mart een gedicht voor waarin dit leugentje nog eens wordt aangehaald: –De Graaf nam ons zelf mee naar Zandvliet, Zei: “Ik sta toe dat ge voortaan hier rondziet.” Wij hielden ons dom, Maar lachten ons krom, Want we kenden al lang, wat hij zien liet. –Januari 1950 meldt Gerrit aan de geleidehondenschool “…. ….het verkeer zal hier in het voorjaar ongekend sterk gaan toenemen. Men is namelijk bezig een groot bloemenpark in te richten in het Lisser bos. De toegangswegen en in het bijzonder de Stationsweg moeten verbreed en verbeterd, het station opgeknapt, nadat het jaren lang buiten dienst is geweest voor personenvervoer……..het zal voor de buitenlandse deviezen uitstekend geschikt zijn, maar voor mij zal het op zijn minst een flinke last worden.” Het is goed om nog even naar de mooie kaart van Gerrit’s vader te kijken om je te realiseren hoe landelijk het in die tijd nog was en dat al het verkeer door de Stationsweg kwam. In maart meldt Gerrit weer opgebroken wegen vanwege Keukenhof, maar ook dat de tramrails opgebroken worden omdat er een autobusdienst komt. Wanneer de bloemententoonstelling open gaat wordt het veel drukker in de Stationsweg waar Gerrit woont. Eind mei meldt Gerrit dat het wel heel druk is geweest, maar dat de hond en hij het toch aardig aankonden. Bovendien stond er op drukke tijden een verkeersagent op de kruising bij de Heereweg.

Voor de Geleidehondenschool

In oktober 1951 meldt Gerrit dat zijn vader wat bloembollen aan de school geeft. Het voorjaar erop staat in een brief te lezen hoe mooi de bollen in bloei staan. ’s Zomers worden de bollen verhandeld. Gerrit loopt dan langs de veiling en merkt op hoe mooi Tonny hem langs vrachtauto’s loodst die geladen of gelost worden. Het Geleidehonden Fonds is afhankelijk van giften. Daarom vraagt Gerrit propagandamateriaal voor de scholen in Hillegom en Lisse. Ook oud papier wordt ingezameld voor dat doel.

Verhuizing

Veldhorststraat en Stationsweg 1928 Vooraan villa Veldhorst met bollenschuur

Sinds 1952 heeft Gerrit een baan als programmeur bij de PTT. Bovendien is hij inmiddels verloofd, dus het gaat hem prima. Programmeerwerk is geheel nieuw in die tijd en door de nieuwste technieken, zoals de brailletelefoon, kan hij dat thuis doen. Een wandeling door het bos is voor Gerrit ideaal om over puzzels voor het werk na te denken. Gerrit is zeer begaan met de geleidehondenschool. Hij is er dan ook bij wanneer er voor de opleiding van pups een vooropleidingsschool op de Middenweg wordt geopend. Wanneer zijn eigen hond ruim 12 ½ jaar oud is, schrijft hij hoe goed het nog gaat: “We lopen met gemak naar brievenbus en kapper enz. en maken onze dagelijkse wandeling in en nabij Keukenhof”. In 1954 verhuist familie van der Meij weer van Stationsweg 158 (villa Veldhorst) naar Veldhorststraat 28. Daar hebben ze vroeger (tot 1942) ook gewoond. Het huis ligt iets gunstiger omdat Gerrit dan, zonder hulp van anderen, het bos kan bereiken. Gerrit schrijft het fonds: “Het land hier was vroeger van boer Veldhorst. Later kwam het in het bezit van onze zaak en werd tenslotte bouwgrond, vandaar de naam Veldhorst”. In nov. 1954 legt Gerrit een probleem aan het fonds voor. Hond Tonny is dan 13 jaar, maar kan eigenlijk niet goed meer werken. Vader is onlangs overleden en ze zijn net verhuisd. Gerrit heeft trouwplannen dus er moet gespaard worden en dan is de aanschaf van een hond van fl 350 eigenlijk te veel en zou zo lang mogelijk uitgesteld moeten worden. Maar hij heeft wel een hond nodig en het zou het beste zijn om die in zijn nieuwe woonplaats pas te krijgen. Want ze gaan meer in het oosten wonen. Hier wordt het toch wel erg druk en lastig om vrij te wandelen. Maar hond Tonny weg doen is natuurlijk uitgesloten. En twee grote honden in huis is wel bezwaarlijk. Toch gooit hij maar vast een balletje op over een volgende geleidehond. Antwoord van het fonds: geen zorgen over betaling.

Toch nieuwe hond.

Via de huisvestingsdienst van PTT wordt dus gezocht naar een woning meer in het oosten. Dat is nog niet zo eenvoudig, want Gerrit moet werkruimte thuis hebben en zijn boeken en elektrische apparatuur beslaan al een hele kamer. Naar het fonds meldt Gerrit “Het verkeer wordt steeds drukker en in het voorjaar is het hier een halsbrekende tour.” Het ziet er naar uit dat een woning in Amerongen kans van slagen heeft. Wanneer je trouwt wordt de kans op een woonvergunning groter. In december ’54 trouwt Gerrit met Suus. Zij is verpleegster in Rotterdam en hij heeft haar leren kennen omdat zij voor hem brailleerde. In jan ‘55 wordt de woonvergunning in Amerongen verkregen. De woning is nog niet klaar en ze weten dan ook nog niet precies welk huis ze krijgen. Suus blijft nog in Rotterdam als verpleegster en Gerrit blijft in Lisse wonen en werken. Van het geleidehonden Fonds horen ze al voor hun huwelijk dat een te zoeken nieuwe hond het huwelijksgeschenk wordt van het Geleidehonden Fonds. Nog steeds maakt Gerrit dagelijks wandelingen met hond Tonny. Ook bijvoorbeeld naar de tandarts kan Tonny hem nog goed geleiden. Maar Ton wordt doof. Ze merken dat ze niet meer reageert op achteropkomende bromfietsen. Intussen bereiden ze zich voor op Amerongen. Ze gaan er dikwijls heen en oefenen dan systematisch de straten. De zus van Gerrit past een plattegrond van de boekwinkel voor Gerrit aan door wegen met een naaimachine op de kaart te naaien. Suus borduurt op die manier een plattegrond van Amerongen zodat de straten op voorhand bekend zijn. In april vraagt Gerrit of er al begonnen is aan de dressuur van zijn toekomstige hond. Maar de gezochte hond voor Gerrit blijkt er nog niet te zijn. Een nieuwe geleidehond vinden is een hele toer, vooral ook omdat Gerrit een 3 dubbele handicap heeft. Het Fonds stelt een dog voor. Maar de tijd begint te dringen want er is altijd nog een periode nodig om de hond op te leiden. Gerrit laat het Fonds weten: “Liever middelmatige hond dan maanden wachten op geniale hond.”

Het certificaat van Tonny

Een paar dagen voor verhuizing naar Amerongen, op 9 juni, sterft de trouwe hond Tonny. En dan komt in Amerongen de vraag of ze naar Amsterdam willen komen. Voor een tijdelijke oplossing wat mogelijk de oplossing is. Die tijdelijke oplossing wordt een blijvertje. Half september komt Cita, hond nr. 1086. Op 22 september schrijft Gerrit aan het bestuur van de Kon. Ned. Geleidehondenschool: ”Op het ogenblik dat ik deze brief aan u schrijf, om u voor het geschenk te danken dat het geleidehondenfonds mij n.a.v. mijn huwelijk gaf, ligt het bedoelde geschenk naast mij te slapen………  Cita voelt zich bij ons al volkomen thuis…”

Zijn leven na Lisse

Het bestek van dit Nieuwsblad is te kort om uitgebreid op de volgende 47 jaar van het leven van Gerrit van der Meij in te gaan. Een hond heeft Gerrit nodig om aan de maatschappij mee te kunnen doen, om te kunnen “zien en horen”, om de problemen met het evenwicht in balans te houden, om zelf goed te blijven spreken en bovenal als maatje. Na Tonny volgen nog Wenny, Edith , Happy en Rayah. Behalve Rayah allemaal herders. Tegenwoordig heeft men bij het Blindengeleidehonden Fonds eigen fokprogramma’s. In 1986 werd de laatste “straathond” afgeleverd. Herders zijn zeldzaam geworden als geleidehond. In de loop der jaren heeft Gerrit van der Meij diverse toespraken, in verschillende landen, gehouden waarin hij zijn bijzondere levensloop belichtte. Hij benadrukte steeds hoe blij hij was met zijn honden en met de kansen die hem geboden zijn en het geluk dat hij heeft gehad een gezin en liefhebbende, trouwe mensen om zich heen te hebben. Dat zal hij zeker ook verdiend hebben aan zijn eigen inzet. Reclame maakte hij altijd voor het Geleidehonden Fonds en bij werd nooit moe om te benadrukken hoe een hond van die organisatie de gebruikers een hoop kansen en levensvreugde zou schenken. Want, om Gerrit van der Meij nog een keer te citeren: “…dat het tot ’s mensen grootste goed behoort zich een doel in het leven te stellen en te proberen dat doel te bereiken, en tevens dat het van het grootste belang is om zich nuttig te voelen in het leven en om verantwoordelijkheid te dragen………”

Bronnen

Voor het artikel over Gerrit van der Meij is naast de gegevens uit het archief van het Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds, beschikbaar gesteld door mevr. van der Meij, ook gebruik gemaakt van gegevens uit het boek “De geleidehond. Een vriendschap die ergens toe leidt” van Irma Metzger.

Opschriften door bollenarbeiders op Oud Zandvliet

Op een wand en op de zolder van de bollenschuur van boerderij Oud Zandvliet, Westelijke Randweg 2, zijn vele teksten van arbeiders gevonden. De foto’s geven een goede impressie.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘ Met hevigen storm en regenvlagen is de deur van het schijthuis weggeslagen’

Inleiding

Het gebeurde vroeger nog weleens: het aanbrengen van allerlei opschriften op wanden, balken etc. Soms betrof het een aardig rijmpje. Een andere keer voelde men de behoefte bepaalde gebeurtenissen te vermelden. Weer een andere categorie bestaat uit namen van timmerlui die net een verbouwing hadden uitgevoerd en dat op de een of andere manier wilden vastleggen. In Lisse zijn er van alle categorieën wel voorbeelden te vinden. In dit artikel wil ik u bekend maken met teksten die ik, samen met F.W. van de Veen, in 2007 aantrof op Oud Zandvliet, tegenwoordig Westelijke Omleidingsweg 2. De foto’s van de opschriften die in dit artikel staan weergegeven, zijn van laatstgenoemde, waarvoor mijn dank. Ik wil ook de vorige eigenaar van de woning Oud Zandvliet dank zeggen voor het verlenen van zijn toestemming voor het fotograferen en publiceren van de teksten

De voormalige boerderij Oud Zandvliet in 2015. Foto Nico Groen

Locatie en geschiedenis

Oud Zandvliet bevindt zich aan de noordzijde van Lisse aan de Westelijke Omleidingsweg, niet ver verwijderd van de Bloemententoonstelling Keukenhof. Reeds in 1544 bevond zich hier een boerenwoning. Later werd hier een wat fraaier en ruimer huis tegenaan gebouwd, zodat de eigenaar van Zandvliet zich hier in de zomermaanden kon terugtrekken. In 1797 werd het buiten gesloopt, zoals dat met meer ‘hofsteden’ gebeurde in deze tijd (de Franse Tijd). Alleen de aloude boerderij bleef bestaan. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw was deze in handen van Coenraad Jacob Temminck, die ook het nabijgelegen Wildlust bezat. Na zijn overlijden in 1858 erfde zijn zoon Marinus het bezit, waardoor vanaf die tijd de boerenwoning in de Lissese volksmond ook wel ‘Marinus’ werd genoemd. In 1869 werd ‘Marinus’ aangekocht door de eigenares van Keukenhof, mevrouw Van Pallandt-Steengracht. In de boerderij woonde toen al heel lang de familie Van Graven. In 1892 vertrokken ze naar boerderij Middelburg. Al het land rondom de boerderij werd nu bollenland. Op de voormalige boerderij kwamen nu de landbazen van de nabijgelegen firma Gebr. Driehuizen te wonen, zoals Belder, De Kooker en Hein Evers. In 1925 kwam Piet Wassenaar naar Zandvliet vanaf de Stationsweg. We komen zijn naam tegen op één van de houten wanden van de bollenschuur (zie verderop in dit artikel). De Wassenaars hebben tot 1953 op Zandvliet gewoond. Daarna treffen we hier de familie Beelen aan, die het recentelijk verkocht aan de Bloemententoonstelling Keukenhof.

Over een houten wand in een bollenschuur (en wat erop te zien is…)

Ook op Oud Zandvliet hebben diverse bollenarbeiders in de loop der jaren allerlei teksten achtergelaten op een houten wand en op de bollenstellingen op de zolder van de schuur. De houten wand is hierbij het meest in het oog springende element, vanwege de vele opschriften. Deze laten we hier dan ook eerst aan bod komen.

‘Regen en wind. Watersnoot in Holland’

De meeste opschriften dateren uit de jaren twintig en dertig. Ze maken soms gewag van bepaalde gebeurtenissen in die tijd. Zo schrijft een onbekende op 7 januari 1926: ‘Regen en wind. Watersnoot in Holland’.

Een ander opschrift maakt melding van de ‘harddraverij tot Lisse’ op 1 oktober 1934. Er staat bij vermeldt: ‘Pracht weder’ (Prachtig weer).

In 1939 hangt er oorlog in de lucht. Duitsland valt in dat jaar Polen binnen en Engeland en Frankrijk verklaren daarop de oorlog. We lezen:
‘Mobilisatie. Engeland en Frankrijk verklaren den oorlog aan Duitsland’.

Een veel recenter opschrift, gedateerd 2 juni 1982, luidt:
‘Thijs bestelt 20 staalmatten te veel’.

Op 22 juli 1986 is er iemand ‘op z’n smoel’ gegaan ‘bij blote bertus’. Ook daar lezen we over.

Een andere categorie opschriften betreft allerlei bedrijfsgebonden activiteiten. Zo schrijft een onbekende:
‘1 November 1922 waren den laatsten bollen den schuur uit’.
Daaronder staat een slecht leesbare handtekening. Hij gaat verder: Pride of Haarlem [en] Bismarck waren de laasten’.

Op 11 september 1925 is men ‘begonnen met bollen klaarmaken voor de Planterij’. Eronder lezen we onder meer de naam van G. v. Meijgaarden. Helaas hebben we niet kunnen achterhalen wie deze persoon was.

Op 28 november van hetzelfde jaar zijn ‘de laaste bollen uit de schuur’ gegaan.

De volgende twee opschriften dateren uit 1939. Tenminste, als we het juist interpreteren:
‘Donderdag 20 October: schoffelen’.
Daaronder opnieuw een onleesbare naam. De betreffende persoon is echter zo vriendelijk om te vermelden dat hij ‘17 jaar oud’ is en geboren is op ‘2 mei 1922 te Lisse’.

Soms staan er alleen namen vermeld, zonder dat deze worden gekoppeld aan bepaalde gebeurtenissen.

Op ‘St. Franciskus’, dus 4 oktober, hebben de volgende personen hun namen vastgelegd voor het nageslacht:

‘A. Groen A. Grimbergen D. Evers G. Spaargaren’.
A. Grimbergen is mogelijk identiek aan Adrianus Grimbergen, die tussen 1910 en 1920 aan de Meer en Houtstraat woonde. Hij was geboren in 1888 en huwde in 1913 met Joanna van Opzeeland. Was D. Evers familie van Hein, die als landbaas op Zandvliet woonde in dienst van Gebr. Driehuizen (zie hiervoor)? En is G. Spaargaren identiek met een Gijsbertus Spaargaren die tussen 1900 en 1910 woonachtig was in ’t Hofje aan de Kanaalstraat?

Andere namen die we tegenkomen zijn onder meer een zekere J. Veldhoven en H. van Drunen. Met betrekking tot hen hebben we geen nadere gegevens kunnen vinden.

Wanneer de navolgende persoon nu precies geboren is, wordt uit de tekst niet geheel duidelijk: ‘L. v.d. Berg Lisserweg (huisnr. onleesbaar) oud 13 jaar geb. te Leiden 4 Juli 1934’.Heeft de betreffende persoon ondertekend met de op dat moment geldende datum (4 juli 1934) of is hij toen geboren?

Met het opschrift ‘P. Wassenaar’ lijkt de in de inleiding genoemde Piet Wassenaar, die zich op Zandvliet vestigde in 1925, te worden bedoeld. Vooral ook omdat er een (slecht leesbaar weliswaar) adres bij vermeld staat: Heereweg 26. Dit moet Zandvliet zijn geweest, daar nummer 28 de nabijgelegen villa Somalo betrof.

Het laatste opschrift op de houten wand dat we hier vermelden is een rijmpje, dat de landbaas van de firma Gebr. Driehuizen waarschijnlijk niet mocht zien:
‘Met hevigen storm en regenvlagen is de deur van het schijthuis weggeslagen. Nu sta ik voor het open front te roepen aan mijn blote kondt’. Maakte de houten wand waarop dit gedichtje staat, oorspronkelijk deel uit van een toilet voor de arbeiders op Oud Zandvliet? Het heeft er alle schijn van…

Over houten planken op een zolder (en wat ze ons te vertellen hebben…)

Ansicht van de winkel van Van der Geest aan de Heereweg, verstuurd door ‘ P. Maat’, ca. 1905. Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 13.

De activiteiten van het bollenbedrijf op Zandvliet strekten zich uit tot op de zolder van de bollenschuur. Ook daar hebben de harde werkers van zich doen spreken in de vorm van allerlei namen op de houten stellingen waarin de bloembollen bewaard werden. Ze zijn iets vroeger gedateerd dan de opschriften op de houten wand. Zo heeft een zekere ‘P. Maat’ (of is het ‘Maas’?) op 3 januari 1917 zijn naam geplaatst op één van de stellingen. Als het ‘Maat’ betreft (dus met een ‘t’) dan gaat het mogelijk om Piet Maat die omstreeks 1897 werd geboren. Zijn naam komt voor op een ansicht uit omstreeks 1900-1905. Ook ontmoeten we hem op een klassenfoto uit ca. 1905/06, genomen bij de ‘School van Meester Kingma’, oftewel de Openbare School tegenover de Grote Kerk. Tenslotte ontmoeten we hem ook nog op een foto van het personeel van Gebr. Driehuizen uit 1929, wat weer heel goed kan kloppen met de aanwezigheid van zijn naam op de zolder van Oud Zandvliet, daar veel personeel van Driehuizen daar werkte (zoals we reeds vermeldden). Ook hier op de zolder van de bollenschuur komen we weer oude bekenden tegen, zoals G. van Meijgaarden. Hij heeft samen met W. v. Blitterswijk op 25 oktober 1924 zijn naam aangebracht op één van de bloembollenstellingen.
Een aantal arbeiders zijn ook bezig geweest met ‘snotzoeken’2, zoals een zekere M. Kuyper (augustus 1919) en E.H. v.d. Snoek (6 augustus 1926).
Helaas geen leuke rijmpjes hier, zoals we op de begane grond van de bollenschuur aantroffen…

Foto van de eerste klas van de Openbare School uit 1905/06. Op de tweede rij van bovenaf, geheel links, zien we P. Maat (hij trekt een beetje een raar gezicht). Uit: A.M. Hulkenberg, Kent u ze nog…de Lissers (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 45.

 

Besluit

Allemaal namen uit het verleden. Allemaal hebben ze iets van henzelf achtergelaten; zeker op het vermeende toilet op de begane grond van de schuur… (Excuses voor de wat dubbele lading van deze uitspraak). Doorheen al die opschriften krijgen we toch een beeld van wat zo’n bollenarbeider nu zoal bezighield. Het zou wat dat betreft een interessant idee zijn indien met name de houten wand op de één of andere wijze voor het nageslacht behouden kan blijven. Kan er wellicht een plekje voor worden vrijgemaakt in Museum De Zwarte Tulp?
We hebben niet van alle arbeiders gegevens beschikbaar, zoals overduidelijk blijkt uit dit stuk. Misschien dat er bij de lezer van dit artikel nog iets te binnen schiet. Indien dat zo is, kunt u reageren via de redactie van dit nieuwsblad. Alvast hartelijk dank!
2 Snot is een bacterie die de bol aantast. Met behulp van een metalen koker werd de zieke bol verwijderd.

Naschrift.

De foto’s van de plankjes werden in 2007 gemaakt door F.W. van de Veen
In het Nieuwsblad van juli 2015 vertelde Laura Bemelman over de vondst van “Een plankje van honderd jaar geleden”. Ook al met ontboezemingen van personen gemaakt op hun werk. Het vermoeden bestaat dat er wel vaker door timmerlieden of, zoals in bovenstaand artikel, door bollenwerkers of anderen mededelingen werden vastgelegd. Hebt u daar een voorbeeld van, laat het ons weten!

Uit het archief gelicht: Verdronken in het Haarlemmermeer 1688

Ermpje Munnik verdronk in 1688 in het Haarlemermeer. De zoekacties worden beschreven.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Uit de archieven komen niet alleen mooie maar ook trieste verhalen te voorschijn. In de 17e eeuw was de Haarlemmermeer nog een gevaarlijk water. In de verpondingsboeken lezen we vaak dat de inwoners geen belasting hoeven te betalen voor hun land omdat het wegens afkalving door het water, in de golven van het meer was verdwenen. Zo’n triest verhaal komt voor in de heijligengeest boeken van Lisse. In het jaar 1688 had het echtpaar Cornelis Willemsz.van der Codde gehuwd met Maertje Pietersdr. van Oosten een dienstmaagd. Maertje was biersteker en had twee opgroeiende dochters. De dienstmaagd Mensje, haar achternaam is nog niet achterhaald, was verdwenen. Dan staat er ineens, ontvangen van Vrank Janse van Kats armmeester 15 stuijvers dat gegeven was voor het opvissen van Mensje, dienstmaagd van Maertje Pieters van Oosten. Maar ze was echter niet alleen. Waarschijnlijk met haar vriendin Ermpje Munnik, die was nog niet gevonden. Wat de oorzaak was van het ongeluk lezen we nergens. Er werd een zoekactie op touw gezet en de broer van Ermpje, Cornelis Pieterse Munnik loofde 10 gulden uit voor degene die zijn zuster vond. De helft ervan zou naar de armen gaan. Voor die tijd een aardig bedrag. In een kleine gemeenschap die Lisse toen was, zal het zeker het gesprek van de dag zijn geweest. Met stokken langs de rietkragen van het meer lopen zoeken, dan is het meer ineens heel groot. Jan Philipse van Vossen, Cornelis Cornelisse Geervliet, Gerrit Willemse en Maerten Willemse, knecht van Jacob Engelse Broekhuijsen die woonde op een hofstede aan de graft. Zij allen namen aan de zoekactie deel. Maerten Willemse vond haar na lang zoeken. Wat nu zo onbaatzuchtig was, dat er was afgesproken om het vindersloon af te staan aan de heijligen geest armen en de andere helft gegeven werd aan Gerrit Willemse aan de brugge in het oostijnde die mede gesogt hadde, ende in groote armoede was. Maertje Pieters van Oosten waar Mensje dienstmaagd was,overleed in datzelfde jaar 1688

Bron.G.a.Lisse inv.nr.292

DE WINKEL VAN TISSING EN ZIJN VOORGANGERS Deel I: Eerste eigenaren en bewoners, 1860-1905

Het huidige gebouw op de hoek van de Kanaalstraat en de van der Veldstraat is in 1938 gebouwd. Het huis daarvoor was in 1911 gebouwd. Daarvoor stond er ook al een gebouw van rond 1860. Dit is gebouwd door Karel Lindaart. Zijn wel en wee wordt besproken. Johannes Barnhoorn was de eerste bewoner. De overige eigenaren tot 1905 komen aan de orde.

Door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Inleiding

De laatste tijd is de fraaie, typisch jaren dertigachtige, winkel van Tissing, gelegen op de hoek van de Kanaalstraat en de Van der Veldstraat, even onderwerp van debat geweest. Even was men bevreesd dat het, daar het gebouw recentelijk een nieuwe eigenaar heeft gekregen, met het markante bouwwerk dezelfde kant op zou gaan als bijvoorbeeld het sigarenmagazijn Juliana, er vlak tegenover. Dat zou dan neerkomen op….sloop! Gelukkig zijn de plannen van de kersverse eigenaar niet zodanig ingrijpend dat dit gedeelte van de Kanaalstraat opnieuw ontdaan zou worden van een op zich fraai monument en beeldbepalend pand. Men ontkomt er echter niet aan om het inwendige aan een verbouwing te onderwerpen, maar me dunkt dat we daarmee kunnen leven…
Reden te meer echter om eens terug te blikken met betrekking tot dit interessante stukje van Lisse. Er is daarbij – gelukkig! – zoveel informatie tevoorschijn gekomen dat we dit ´terugblikken´ vervatten in meerdere delen.
In dit eerste deel komt de negentiende eeuw aan bod.

Daarbij moet evenwel niet het idee ontstaan bij de ongetwijfeld zeer geïnteresseerde lezer dat de huidige ´winkel van Tissing´ al uit die tijd zou stammen. Zoals reeds opgemerkt stamt het huidige gebouw uit de jaren dertig (bj. 1938). Het heeft echter een tweetal voorgangers gekend. Zo heeft er vóór 1938 ook een winkel gestaan die wat betreft datering terugging tot in 1911. Het huis dat daar weer voor gestaan heeft, stamde echter inderdaad uit de negentiende eeuw. Het was rond 1860 gebouwd door Karel Lindaart als arbeiderswoning. Maar wie is nu die Karel Lindaart?

Karel Lindaart (1817-1862)

Karel werd in 1817 geboren te Schermerhorn als zoon van een chirurgijn. Zijn ´roots´ lagen dus niet op Lissese bodem. Hij heeft het in het leven niet altijd even makkelijk gehad. Als de kleine Karel nog maar 13 jaar oud is, overlijdt zijn vader. Zijn moeder volgt op Oudejaarsavond van het jaar 1847. De feeststemming op de overgang naar het nieuwe jaar zal dus wel enigszins getemperd zijn geweest. Toch weet Karel zich weer te ´herpakken´ en op 7 mei 1848 treedt hij te Zaandam in het huwelijk met Geertje Timmerman. Bij die gelegenheid wordt hij voor het eerst timmerman genoemd. In hetzelfde jaar, om onbekende redenen tot dusver, verhuist hij naar Lisse. Hij neemt zijn intrek in een huis aan de Kanaalstraat (die tot omstreeks 1910 Broekweg werd genoemd), aangeduid met het huisnummer 177. Daar we weten, vanuit reeds eerder gedaan ´naarstig´ onderzoek, dat huisnummer 180 was toegekend aan Het Hofje, moet nummer 177 drie huizen verderop in de richting van de Heereweg gestaan hebben. Daar wordt ook het eerste kind geboren, genaamd Brigitta. We schrijven dan 24 december 1849. De gevoelens van Klaas zullen wel zeer gemengd zijn geweest, daar bijna exact twee jaren ervoor zijn moeder het leven liet in het sterfbed. We hebben echter de indruk dat Karel Lindaart niet bepaald de persoon was die bij de pakken neer ging zitten. Het wordt ´gezellig druk´ daar in huisnummer 177, want in de komende jaren worden er nog drie zonen en twee dochters geboren. Ook fi nancieel gaat het onze timmerman voor de wind en zo koopt hij dan in 1857 een huis met grond aan de andere zijde van de Kanaalstraat, ter plaatse van de huidige pizzeria en Dreijer Optiek. De verkoper van het huis is Pieter Hendrik Koppeschaar. 1

 Het jaar 1858

Het jaar 1858 verloopt voor Lindaart niet zo heel voorspoedig. In april komt zijn negenjarig dochtertje Brigitta te overlijden. De maand november verloopt zelfs nog slechter. Binnen een periode van 10 dagen (16 november-19 november 1858) overlijden zijn twee zusters Antje en Aagtje én zijn broers Jan en Willem! Een oorzaak is moeilijk aan te geven. Het is echter mogelijk dat er een epidemie gewoed heeft in de Haarlemmermeerpolder, waar Antje en Aagtje stierven. Juist in 1858 brak daar namelijk moeraskoorts uit. Jan overleed echter te Schermerhorn. Het is onbekend door welk lot hij getroffen werd. Of moeten we denken aan een landelijke epidemie? Zo was er in 1859 sprake van een choleraepidemie in Nederland. Hoewel de genoemde sterfgevallen allen in 1858 plaatsvonden, kan het zijn dat de eerste verschijnselen zich al aan het einde van laatstgenoemd jaar openbaarden. Overigens bracht het jaar 1859 voor Karel Lindaart ook al geen prettig nieuws: nog maar net was zijn vrouw bevallen van een dochter, Brigitta (genoemd naar het in april van het vorige jaar gestorven dochtertje), of ook dit kind komt hem op 27 augustus te ontvallen. Tenslotte overlijdt ook zijn echtgenote op 17 december 1859. Karel zal wel gedacht hebben, waar hij het allemaal aan verdiende. Zoveel ongeluk in zo weinig tijd…

Bouwactiviteiten,

1860 Karel Lindaart leefde in een tijd waarin alles maar heel relatief was: op het ene moment was er sprake van geluk door de geboorte van een kind of een andere blijde gebeurtenis en het andere moment bracht hoofdzakelijk ziekte en tenslotte de dood met zich te weeg. Karel wist er alles over te vertellen. Misschien – wie zal het nog kunnen navertellen? – was dat de reden dat hij in 1860 iets wilde doen om het leven van de arbeider wat aantrekkelijker te maken, door voor hen een woning op te trekken aan de andere kant van de Kanaalstraat. En dit is precies op de plek van de latere winkel van Tissing. 2

We weten niet precies hoe deze woning er uit heeft gezien. Wél beschikken we over een aantal kadastrale minuutplannen van Lisse uit 1888. Ook de Kanaalstraat is in beeld gebracht (zie afb. 1). Deze bevindt zich aan de rechterzijde van de kaart. Helemaal bovenaan loopt de Heereweg. Links tenslotte de Grachtweg met zijn typische bocht ter hoogte van het ´kaaspakhuisje´. Wij concentreren ons echter op de Kanaalstraat. Lindaart woonde in het huis, kadastraal aangeduid met het nummer 960. Een aantal huizen verderop, richting de Kapelstraat, bevindt zich het in 1883 gebouwde Hofje.3 De afzonderlijke woningen staan op de kaart aangeduid met de kadastrale nummers 829 en 1183 tot en met 1186. De woningen daaronder werden in 1881 door Jan Jacob Guldemond gebouwd. Hier eindigde de bebouwing aan de Kanaalstraat. Aan de andere zijde van de straat hield de toenmalige bebouwing op bij de nummers 1211 en 1212. Op laatstgenoemd perceel bevindt zich de in 1888 nog vrij nieuwe woning van kaashandelaar Martinus Romijn. De woning daarboven is de in 1860 door Karel Lindaart gebouwde arbeiderswoning. Daarnaast zou in 1905 de Van der Veldstraat aangelegd worden. Zoals we zien, bevindt zich ter plaatse van de pizzeria en Dreijer Optiek een blok woningen, eveneens gebouwd door Karel Lindaart in 1860.

Eerste bewoners

Het is goed mogelijk dat Lindaart in deze nieuwe arbeiderswoning zijn personeel ondergebracht heeft. Zoals we weten oefende hij het beroep van timmerman uit. Eén van de eerste bewoners, te weten Johannes Barnhoorn, was inderdaad timmermansknecht. Dat hij ook nog een band had met Lindaart blijkt wel uit de vermelding van een tweetal kinderen uit het gezin van Lindaart op dit adres. Het gaat om Hermanus (geb. 1855) en Johannes (geb. 1856). De redenen voor deze inwoning door twee van de kinderen Lindaart is niet duidelijk geworden tijdens het onderzoek. Maar Johannes Barnhoorn en Karel Lindaart moeten in ieder geval een zeer nauwe en vriendschappelijke band met elkaar onderhouden hebben. Hoogstwaarschijnlijk werkte Johannes in het timmermansbedrijf van Lindaart.
Johannes Barnhoorn is overigens de grootvader van de bekende Lissese architect Cornelis Willibrordus (Cees) Barnhoorn (1895-1980). Hij was de oudste in een gezin van zes kinderen. Zijn vader, Simon Franciscus, was een zoon van Johannes, de timmermansknecht uit het bedrijf van Karel Lindaart. Johannes werd in 1827 geboren te Hillegom. Hij trad in 1858 in het huwelijk met Cornelia Schuts, die ook in het Hillegomse was geboren in 1830. Zijn gezin bestond anno 1872 uit vier dochters en drie zonen. In hetzelfde jaar koopt hij de woning Grachtweg 5 van Johannes van Beek. Hoogstwaarschijnlijk is hij daar ook gaan wonen, wat hem ongetwijfeld wat meer comfort gebracht zal hebben dan de arbeiderswoning aan de Kanaalstraat. In deze woning is hij in 1906 ook overleden. Zijn vrouw was hem reeds eerder in de dood voorgegaan, namelijk in 1895. In 1924 werd Grachtweg 5 verkocht aan onder meer Cornelis Willibrordus (de architect), die het nog in hetzelfde jaar overdroeg aan Clara Ottilia Maria Paardekooper. Was zij familie van de bekende Aad Paardekooper? Ook hij was architect. In 1946 ging hij een samenwerkingsverband aan met Barnhoorn onder de naam Architectenbureau Paardekooper en Barnhoorn. Zij hebben onder deze naam een aantal markante gebouwen ontworpen in Lisse, zoals de Mariakerk.
Een andere bewoner van het eerste uur was Gerardus Marseille, geboren te Lisse in 1836. Hij staat te boek als ´arbeider´. Verder komen we rond 1860 als bewoner tegen Cornelis Hassing (1839-1902). Daarover wat meer in de volgende paragraaf.

Eigenaren van 1860 tot 1905

Inmiddels was in 1862 Karel Lindaart op zijn verjaardag (7 april) overleden. Hij had als lidmaat van de Rooms-Katholieke Kerk wél het H. Oliesel ontvangen, maar hij was ´te zwak voor de laatste sacramenten’. Zo ging dan degene met wie we de geschiedenis van het latere Tissing zijn begonnen op de relatief jonge leeftijd van 45 jaar heen.

De nalatenschap was met schulden belast, want op 23 mei 1862 wordt in de Opregte Haarlemsche Courant melding gemaakt van de openbare verkoop ten sterfhuize van Karel Lindaart van ´meubelen en verderen inboedel, houtwaren, timmermansgereedschappen etc.´. Tenslotte werd ook de arbeiderswoning verkocht. Dirk Dominé mocht zich de nieuwe eigenaar noemen. Hij verkocht het op zijn beurt in 1864 aan Cornelis Louwen en in 1865 werd Johannes van Rossum eigenaar. In 1867 kwam de woning in handen van Cornelis Hassing, die we hiervoor al als – kennelijk niet geheel onfortuinlijke – bewoner zijn tegengekomen. Tot zijn dood in 1902 is hij eigenaar gebleven. Zijn weduwe, Helena Francina Versteege (1837-1919), is na die tijd gaan wonen ter plaatse van het huidige Heereweg 249 en in de zogenaamde ´huisjes van Steenvoorden´ tegenover de Ned.-Herv. Kerk.

Conclusie

Ter plaatse van de latere winkel van Tissing stond in de negentiende eeuw een vrij eenvoudige arbeiderswoning, gebouwd rond 1860 door Karel Lindaart. Helaas beschikken we niet over een afbeelding van dit huis. Na zijn dood in 1862 ging de woning over in verschillende handen, totdat het in 1867 gekocht wordt door één van de bewoners, namelijk Cornelis Hassing. Erg opvallende zaken lijken er op dit interessante plekje van Lisse nooit te zijn gebeurd, maar interessant is wel te vernemen dat één van de eerste bewoners de grootvader van architect Kees Barnhoorn is geweest. Ook de naam Marseille komen we in Lisse nog veel tegen. In het volgende deel zullen we de periode na 1905 behandelen.

Bronvermelding

Erik Vergunst, Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden (Schoonhoven 2007).
Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters en DTB-registers.

  1. Hij was in 1838 aangesteld door ´Burgemeester en Assessoren´ (College van BenW) als bode, aanplakker en omroeper en woonde met zijn gezin van 1850 tot 1856 in de woning Grachtweg 1a. Eén van de affi ches die hij aan had moeten plakken, vond uiteindelijk een weg in een grote spleet van een balk van het huis dat hij bewoonde. Vele decennia later haalde de huidige bewoner van het huis hem weer tevoorschijn.
  2. In hetzelfde jaar liet hij overigens de in 1857 gekochte woning (ter plaatse van de huidige pizzeria) slopen en er een blok van vier woningen bouwen.
  3. Over de geschiedenis van Het Hofje en zijn bewoners kan de lezer meer vernemen in het Dever Bulletin (meerdere afl everingen) en de monografi e daarover, waarin deze afl everingen zijn samengebracht door de heer Dol te Lisse.

In de collectie van Tissing bevindt zich deze foto van een winkelpand op een onbekende locatie, dat sterke gelijkenis vertoont met de winkel van Tissing zoals deze in 1938 tot stand kwam. Heeft Egbert zich hierdoor laten inspireren?

Belgische burgervluchtelingen in Lisse in de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918)

Ongeveer vijfhonderd Belgische burgervluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog werden tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 in Lisse opgevangen.

De geschiedenis van de boerderij De Phoenix te Lisse.

De relatie met de buitenplaatsen Wassergeest en de Grotenhof (Knappenhof) in Lisse en de bewoners van de boerderij.

Door G. Schrama

Een samenvatting staat in het Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

Tijdens mijn stamboomonderzoek kwam ik een roman tegen genaamd ”In de schaduw der molenwieken, een Lisser familieroman uit de Patriottentijd (1774-1796)” door Joh. Dekker. Ter afwisseling van het jarenlang zoeken in archieven, Internet, literatuur e.d. heb ik dit boek gelezen. Maar zelfs in dit boek kwam ik een Schrama tegen en wel Karel Schrama. De auteur omschrijft in zijn boek Karel als volgt : “Hij was de kromme, maar olijke pachter van de grote boerderij genaamd ”de Phoenix” welke beschut gelegen was tussen de uitlopers van het Reigersbos aan de (oude) Es(ch)laan.” In eerste instantie kon ik nergens iets vinden over een Karel die boer was op De Phoenix in de Patriottentijd (1774-1796). Ik had wel een Karel in mijn stamboom, maar die was geboren in 1799, na de Patriottentijd. Ik ga ervan uit dat het over dezelfde Karel ging en het “een dichterlijke vrijheid” was van Joh. Dekker in zijn boek. Ook kwam er iets totaal onverwachts “boven water”. Verderop in deze publicatie is dat te lezen in de paragraaf “De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)”

Algemeen

In deze publicatie wordt de geschiedenis van de boerderij De Phoenix gevolgd middels de eigenaren van de boerderij, die meestal niet zelf op de boerderij woonden, en middels hun pachters met als belangrijkste pachter uiteraard Karel Schrama. De eigenaren van de buitenplaats Grotenhof (tot circa 1765 Knappenhof genaamd) en van de buitenplaats Wassergeest waren in de loop der eeuwen tot 1959 vaak ook eigenaar van de boerderij De Phoenix.
Op de eerste regel van de hierna volgende hoofdstukken staat tussen haakjes de periode waarop het hoofdstuk betrekking heeft.
Jonkheer Adriaen van der Laen / Adriaen Maertensz. Block (1630-1662)
Het begon met Jonkheer Adriaen van der Laen, hij kwam uit een Haarlems geslacht, was stadhouder 1) der lenen van Dever en rentmeester van Rijnland. De Jonkheer koopt in 1630 van Jacob van Bouxtel een duinmeierswoning 2) gelegen aan de rand van het Keukenduin tussen de huidige Es(sen)laan 3) en de Spekkelaan 4). Deze duinmeierswoning werd later De Phoenix genoemd.

Wassergeest

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex. Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Deze woning werd toen (in 1630) bewoond door Dirk Gerritsz de Monninck. Voor die tijd woonde er in 1603 de duinmeier Jan Gerritsz de Monninck, zij waren waarschijnlijk broers. Van der Laen geraakte echter in financiële moeilijkheden en in 1644 werd zijn zwager Adriaen Maertensz. Block eigenaar van de duinmeierswoning. Block was niet van adel, maar had geluk gehad “op zee”. Hij had zich zo een belangrijke positie verworven, was eigenaar van het Huis Ter Specke en stichter van de buitenplaats Keukenhof. Adriaen van der Laen was in 1660 de stichter van de buitenplaats Wassergeest. De nieuw gebouwde woning op de buitenplaats zag er uit als een herenboerderij. Blijkbaar verwisselen beide heren weer qua eigenaarschap van de duinmeierswoning want van der Laen was in 1662 weer verkoper van de duinmeierswoning. De verwisseling van eigenaar is (nog) niet onderbouwd door gegevens uit bronnen, maar is gebaseerd op de hierna volgende verkoop aan Pieter Six.
Pieter Six / Pieter Six Pietersz. / Pieter Six Pietersz. Jr. (1662-1763)
Pieter Six erfde in 1654 de Lissese goederen (waaronder Knappenhof) van zijn moeder Anna Wijmer en heeft het bezit aanzienlijk uitgebreid. Hij slaat in 1662 een grote slag en koopt onder andere van Adriaen van der Laen de duinmeierswoning aan de rand van het Keukenduin. Dit was het begin van drie generaties Six als eigenaar van de buitenplaats Knappenhof en de duinmeierswoning. Achtereenvolgens waren dat :
Pieter Six van 1662 tot zijn overlijden in 1680 en daarna zijn weduwe tot haar dood in 1689
hun zoon Pieter Six Pietersz. van 1689 tot zijn dood in 1703
Pieter Six Pietersz. Jr. was in 1703 nog minderjarig, maar in 1712 nam hij de erfenis dankbaar in ontvangst. Hij trouwde in 1716 met Geertruid van der Lijn, hij overleed in 1755 en zijn weduwe in 1763.

De buitenplaats Knappenhof.
Bron : het boek “Rhynlands fraaiste gezichten” door Abraham Rademaker, uitgegeven in 1732, maar gebaseerd op oudere prenten o.a. van 1630.

Pieter Six Pietersz. Jr. heeft diverse hoge posten bekleed zoals schepen en burgemeester van Amsterdam, kapitein der Burgerij, Commissaris van de Artillerie en Fortificatie, ambachtsheer van Amsterdam, Sloten en Sloterdijk, bewindhebber van de VOC, heemraad, schepen en hoofdingeland 5) van de Watersgraafmeer.
Achtereenvolgens waren de volgende personen van 1693 tot 1730 bewoners van de duinmeierswoning : Floris Cornelisz. de Vlieger, Engel Jansz. Koster en Crijs Arisz. van Breedloosbergen (of Brelofsbergen).
Floris Cornelisz. de Vlieger was vanaf 1693 de pachter en van beroep was hij duinmeier. In die functie moest hij het Keukenduin, voor zover dat in handen was van de heer Six, beheren. En daar hoorde uiteraard bij dat hij regelmatig de nodige konijnen op de Knappenhof moest bezorgen. Maar Floris zal zelf ook wel van dat kostelijke wild genoten hebben. Floris huurde ook loosters 6) ter grootte van circa vijf morgen. Hij verbouwde dus ook een en ander of had misschien koeien. Na onenigheid met de Heer Six over het betalen van de huur is Floris in 1697 vertrokken.
Floris werd opgevolgd door Engel Jansz. Koster, die in 1698 alweer was vertrokken, naar Haarlem.
Van 1698 tot circa 1730 was Crijs Arisz. Van Breedloosbergen de pachter. Hij moest vanaf 1699 tien jaar lang 330 gulden per jaar betalen voor de huur van een stuk Keukenduin en de duinmeierswoning.
Vrouwe Geertruid van der Lijn / Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria (1763-1784)
Vrouwe Geertruid van der Lijn , de weduwe van Pieter Six Pietersz. Jr, was een tante van Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria. Na het overlijden van tante Geertruid erfde in 1765 Cornelis Jacob onder andere het huis Knappenhof en Anna Maria onder andere de duinmeierswoning. In 1764 werd de buitenplaats nog “Knappenhoeff” genoemd maar in 1765 wordt het buiten van Cornelis Jacob de naam “Grootenhoff” toegedicht. In 1776 is Anna Maria van der Lijn overleden en komt haar bezit, conform het testament van Vrouwe Geertruid Six – van der Lijn, in handen van haar broer Cornelis Jacob. Door schulden moest Cornelis Jacob van der Lijn in 1782 Grotenhof verkopen en in 1784 de duinmeierswoning.
Cornelis Jacob was een zoon van een belangrijk ambtenaar in Alkmaar en als kind vallen hem al ereambten ten deel. Hij was kerkmeester van de Nieuwe kerk, later regent van het Burgerweeshuis, koopman, assuradeur en Kapitein van de Amsterdamse Burgerij. Meer informatie over het geslacht van der Lijn is te vinden op de site van de gemeente Alkmaar.

Appolonius Jan Cornelis Lampsins (1784-1796)
In 1784 kocht Appolonius Jan Cornelis Lampsins de duinmeierswoning met de bijbehorende 26 morgen grond. Hij was zowel eigenaar van de buitenplaats Grotenhof (1782) als van de buitenplaats Wassergeest (1783). Gerrit Pietersz. Langeveld was in 1784 en ook nog in 1786 de pachter van de duinmeierswoning. De naam De Phoenix komen we voor het eerst tegen in 1789 als de boerderij door Appolonius Jan Cornelis Lampsins te koop wordt aangeboden. In een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 2 mei 1789 staat “Een capitale BOERENGEBRUIKER, genaamd DE PHOENIX (…)”. In de jaren daarna leest men ook wel eens “De Phenix” of “De Phaenix”. “Phoenix” betekent zoveel als “uit de as herrezen”. Blijkbaar is de boerderij, ergens tussen 1786 en 1789, afgebrand en daarna weer opgebouwd. De boerderij is later nog een keer afgebrand toen Karel Schrama de pachter was.
Appolonius Jan Cornelis Lampsins moest, wegens schulden, in 1790 zowel Grotenhof als Wassergeest verkopen. In de verkoop van Grotenhof is begrepen ‘Een kapitale BOERENBRUIKER (pachthoeve), genaamd DE PHOENIX, met deszelfs Huismans Wooninge, Stallinge, Schuur, Bergen, etc’.! De Grotenhof wordt echter zonder De Phoenix verkocht. De Phoenix blijft in het bezit van Lampsins tot hij het in 1796 verkoopt aan het tweetal Willem Walman en Cornelis Heemskerk, beide afkomstig uit de Vogelenzang. 7)
Appolonius Jan Cornelis Lampsins was kerkmeester van de Oosterkerk, Kapitein van de Burgerij, Bewindhebber van de West-Indische Compagnie, directeur van de kolonie Suriname en lid van de Raad van de Vroedschap van Amsterdam. Daarna was hij Baljuw van Vlissingen.
Willem Walman en Cornelis Heemskerk / zijn zoon Cornelis (1796-1805)
In 1800 en 1801 staat het tweetal hun aandeel in De Phoenix af aan Cornelis Heemskerk junior, de zoon van Cornelis Heemskerk. 8) In het begin gaat het heel goed met het boerenbedrijf van Cornelis Jr., maar op 18 juli 1805 is hij genoodzaakt zijn gehele bezit af te staan aan Daniel Pompejus Johannes van der Staal van Piershil.

Daniel Pompejus Johannes (D.P.J.) van der Staal van Piershil en zijn zoon Guillaume Charles (1805-1852)
D.P.J. van der Staal van Piershil was sinds 1804 eigenaar van Wassergeest en toen hij in 1805 het boerenbedrijf kocht, wordt dat omschreven als “De Huismanswooninge genaemt de Phoenix met desselvs bargen, Schuuren, Zomerhuis, Stalling voor dertig à veertig Koebeesten, Kaarnhuys, Item Erven, Boomgaard met en benevens de nombre van vijff en Twintig Morgen zoo weij, hooy, als teelland”. 9)
Daar Heemskerk junior van D.P.J. van der Staal van Piershil de garantie wilde hebben dat hij op De Phoenix kon blijven wonen is er tegelijk met de verkoop op 18 juli 1805 een uurcontract afgesloten met een huurprijs van 1100 gulden per jaar. 10) In de lijst van de personele quotisatie uit 1808 11) 12) komen we de naam van boer Heemskerk nog tegen evenals in het volkstellingsregister uit 1809. 13) In 1812 blijkt hij echter vertrokken te zijn en in 1814 treffen we hier een zekere Pieter Dirkse Langeveld als pachter aan. 14)
Op 20 april 1839 heeft D.P.J. van der Staal van Piershil de boerderij De Phoenix en omliggende landerijen (in totaal zo’n 25 morgen) overgedragen aan zijn zoon Guillaume Charles. Het geheel wordt in de acte, opgesteld door de Lissese notaris Jan Gerard Cramers, omschreven als “Den Bouwmanswooning genaamd De Phoenix met verdere getimmertens, Erven, Tuyn, Boomgaard en eenig boschhakhout (…) met alle na te melden partijen lands”. 15)

 

In augustus 1852 heeft Guillaume de latere Vennesloot er nog bijgekregen. Deze strekte zich uit vanaf boerderij De Phoenix , onder de Jannetjesbrug door, tot in de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Hij kreeg deze sloot erbij daar de bewoners van De Phoenix hiervan altijd gebruik hadden gemaakt “volgens vroegere Titels en bescheiden”. 16) Hier heeft Karel ook vast wel gebruik van gemaakt voor transport van zijn produkten en / of voor het ophalen van hooi als hij grond had in de Lisserpoelpolder.
D.P.J. van der Staal van Piershil moest wegens schulden zijn deel van het landgoed Wassergeest op 16 september 1852 verkopen. 17) Ook het aandeel in het landgoed van Guillaume Charles, zijn zoon, werd verkocht. Het omvatte onder andere de “Bouwmanswoning genaamd De Phoenix”. Karel Schrama kocht toen een perceel land dat niet nabij het huis Wassergeest lag. Dit zou heel goed land in de Lisserpoelpolder geweest kunnen zijn.
Van der Staal sr. was ambachtsheer, hoogheemraad 18) van het Hoogheemraadschap van Rijnland en burgemeester van Lisse. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Meer informatie over de famiie van der Staal van Piershil is te vinden op de site gahetna.nl (van het Nationaal Archief) onder toegang 3.20.54.

Karel Schrama (1824-1876)

Boerderij De Phoenix vanuit het zuidoosten gezien (Achterweg-zijde), schilderij door W. Schouten 1942, collectie P. de Wit, fotograaf F. v.d. Veen

In de eerste decennia van de 19e eeuw blijkt het met de boerenstand op De Phoenix niet zo voorspoedig te gaan. Er was een hele reeks van pachters geweest die steeds gedurende korte tijd het hoofd boven water hadden weten te houden. Karel Schrama 19) was vanaf 1824 pachtboer op De Phoenix en het zou hem beter vergaan. 20) Gedurende enige tijd liep het boerenbedrijf van Karel en zijn vrouw Marytje Riggel zeer voorspoedig totdat de gehele boerderij in 1830 in de as werd gelegd. In de memoires die Johannes Rotteveel, boer bij Dever, tussen 1830 en 1878 heeft opgetekend, lezen we dat op “den 6 september” van eerstgenoemd jaar ” (1830) de wooning van de Heer van der Staal, bewoond door Karel Schrama, (is) verbrand door het broeien van het hooi “. 21) In een kroniek opgesteld door Cornelis van der Zaal, de zeer bekende Lisser timmerman en molenmaker, schrijft hij dat in de nacht van 11 op 12 september 1830 het woonhuis en de stal van de boerderij De Venne, waar Carel Schrama woonde, in volle vlam stond. Opvallend is dat de boerderij niet De Phoenix maar De Venne genoemd werd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat er een sloot genaamd de “Vennesloot” vanaf de Phoenix in de richting van de Haarlemmermeer liep. Ook is opvallend dat in de memoires van Rotteveel een andere datum van de brand genoemd wordt dan in de kroniek van Van der Zaal. Na opdracht van de heer Van der Staal senior is door de heer van der Zaal binnen 10 weken de schade aan de boerderij hersteld en kon boer Schrama zijn boerenbedrijf hervatten. 22) In de jaren 1844 tot 1867 kwamen er uitbraken van veepest voor en boer Karel deed dan ook diverse malen aangifte van gestorven vee. 23) Onder andere kwam Karel in 1849 op een dag melding maken van liefst vijftien koeien die bij hem aan longziekte waren overleden. De schade was echter niet van dien aard dat hij zijn boerenbedrijf moest beëindigen en Karel heeft zichzelf redelijk door deze moeilijke periode heen kunnen slepen. In ieder geval heeft hij tot zijn dood (in 1876) op De Phoenix het boerenbedrijf uitgeoefend. 24) 25)

Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht (1852-1899)
Nieuwe eigenaar van Wassergeest en De Phoenix werd op 16 september 1852 de Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht als curator van zijn (geestelijk gestoorde) broer Johan Frederik. Bij de verkoop werd bepaald dat bij de gronden van de tuinmanswoning “ten behoeve van de bouwmanswooningen de Hoogewerf en De Phoenix (….) voor den duur van den tegenwoordigen verhuring (wordt) voorbehouden een overpad ten dienste van melkers”. 26) Nicolaas Johan en zijn broer Johan Frederik kwamen uit een heel rijke Zeeuwse “regenten-familie”.

Hun vader had in 1809 Keukenhof gekocht. Nicolaas Johan kocht Wassergeest kennelijk niet voor zijn broer. Het werd namelijk in 1853 verhuurd aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt gehuwd met Jonkvrouw Cecilia Maria Steengracht (zuster van beide broers en eigenaresse van Keukenhof). Toen echter Jonkheer Johan Frederik Steengracht in 1862 overleed, kreeg de jonkvrouw in 1863 ook Wassergeest in eigendom toebedeeld. De Jonkvrouw was de laatste van de vier eigenaren van de Phoenix waar Karel als pachter mee te maken had. Eerst had hij te maken met vader en zoon van der Staal van Piershil en daarna met broer en zus Steengracht.

De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)
Karel Schrama is overleden op 7 mei 1876. 27) Zijn vrouw was al eerder overleden in1871.
Op 23 mei 1876 heeft notaris van Stockum uit Lisse zich naar “het huis gemerkt met nr. 71” (De Phoenix) begeven om een inventaris op te maken van de door Karel nagelaten roerende goederen. 28) “In den Paardenstal” bevindt zich wat stro, paardentuigen en gereedschap niet veel. “In de Wagenloods” twee wagens, en een tilbury, naast nog “een partij aardappelen”, tonnen, een ladder etc. In een andere wagenloods is nog een “kapwagen” aanwezig. Verder is er nog een schuur met zolder, waarin zich een wagen bevindt, kruiwagens, turf en een rattenval. Zelfs in de “Barg” (hooiberg) bevindt zich nog een en ander. Er is ook een afzonderlijk karnhuis, alsmede een zomerhuis, waarin de boer ’s zomers met zijn gezin trok. In de boerenwoning zelf bevond zich ook de kelder, waarin zich nog voorraden melk, boter en room bevonden. Troffen we op Grotenhof in de 18e eeuw nog ledikanten aan voor de welgestelde heren en dames, Karel en zijn gezin moesten het doen met bedsteden “met stroozakken”. Op de zolder bevinden zich onder meer turfmanden, “een partij rogge en gerst”, een muizenval, een partijtje “stamboonen”, een “gemakje” (verplaatsbaar toilet), kazen en nog veel meer. In de keuken vinden we een elftal schoorsteenborden en “ornamenten” (kleine beeldjes en andere siervoorwerpen) en natuurlijk is er veel aardewerk. Tegen een wand hangen een spiegeltje en diverse schilderijtjes en in de open haard vinden we een haardijzer en een tang. Ook in de opkamer hangen enige schilderijen. Verder bevinden zich er een tafel, een bureau en een kastje met glas en aardewerk, porselein en een crucifix. Ook hier is er een bedstede aanwezig. Kennelijk had Karel schulden nagelaten want reeds op 24 augustus 1876 worden diverse partijen wei- en hooiland, die Karel in de loop der jaren verworven had, verkocht. 29) En op 18 april van het volgende jaar heeft notaris van Stockum zich nogmaals naar de “Bouwmanswooning De Phoenix te Lisse” begeven om daar een aantal roerende goederen van Karel te veilen. 30) Tenslotte werd op 19 september 1877 de boedel van wijlen Karel gescheiden. 31) De schulden van Karel hadden misschien te maken met het goedkoop lenen van gelden aan de Aagtenkerk en ook deed hij een gift / verleende hij een legaat aan de kerk. Misschien stond hij daarom bij zijn dood “in het rood”, maar hij is vast naar de hemel gegaan.32)
Toen ik Karel zocht in het bevolkingsregister over de periode 1870-1880 ontdekte ik totaal onverwacht iets verrassends. Bij huis 71 (De Phoenix ) staat allereerst Karel met twee dochters vermeld en vervolgens staan (ingaande 1876) Antonius Schrama en Cornelia van der Reep vermeld. Karel was een oom van Antonius. Antonius is mijn overgrootvader. Mijn overgrootouders verhuisden van de Haarlemmermeer naar de Phoenix. En op 14 mei (één week na het overlijden van Karel) gaan zij in ondertrouw en zij trouwen op 1 juni in Lisse. Waarom hadden zij ineens zo’n haast ? Op 26-1-1877 wordt hun eerste kind geboren op de Phoenix. Negen maanden terug geeft april ! Cornelis, hun tweede kind, was mijn grootvader. Totaal werden er drie kinderen geboren op de Phoenix (in 1877, 1878 en eind 1879). Antonius heeft tijdens zijn leven op diverse plaatsen gewerkt als boerenknecht, arbeider en ten slotte was hij vrachtrijder. Ook zijn oudste zoon (Cornelis, mijn Opa) werd vrachtrijder en later grossier in levensmiddelen. Aan het einde van 1879 verhuisde het gezin van Antonius naar het Oosteinde in Lisse en kort daarna naar een huis dichtbij Het Vierkant. 33) Mijn overgrootouders kregen totaal vijftien kinderen waarvan er twee levenloos waren en negen kinderen binnen 150 dagen na de geboorte zijn overleden. Dat kwam in vroegere tijden wel vaker voor.

Mijn overgrootvader Antonius Schrama, mijn overgrootmoeder Cornelia v.d. Reep en mijn Opa Cornelis Schrama. Bron : eigen archief.

Jacobus Schrama was een zoon van Karel. 34) 35)Hij huwde met Grietje Meyer. Laatstgenoemde was een dochter van Hendrik Meyer, veehouder op de boerderij Bloemhof aan het Mallegat. In 1862 kwam boer Meyer te overlijden waarna zijn dochter Margaretha (Grietje) het boerenbedrijf (Bloemhof) overnam. 36) Het was een “klein wereldje” waarin men vaak trouwde met “de buurjongen om de hoek” of met “de dochter van die rijke boer”. Op slechts 41-jarige leeftijd overleed Jacobus op 7 maart 1870.37) 38) Niet lang daarna, op 27 augustus 1872, hertrouwde de weduwe (Grietje) met Hendrik van Schie. 39) Grietje Meyer overleed in 1877. Aan het einde van 1879 kwam veehouder Hendrik van Schie als weduwnaar naar De Phoenix. 40) In april 1880 hertrouwde hij met Adriana Langeveld.

Van Pallandt / van Lynden / van Rechteren Limpurg (1899-1925)

Naam in muur Foto G. Schrama 2014

Na het overlijden van de baronesse Cecilia Maria Van Pallandt-Steengracht erfde in 1899 haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt (gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden) de Keukenhof en Wassergeest. De barones verkocht in de jaren 1900 tot 1902 De Phoenix met bijbehorende gronden aan haar twee zoons (Jan Maurits Dideric van Lynden en Carel Anne Adriaan Willem van Lynden). 41) In 1914 hebben de broers dit bezit onder elkaar verdeeld. “De Boerderij genaamd De Phoenix met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” ging naar Carel Anne Adriaan Willem. 42) Hij was in 1898 getrouwd met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Na het overlijden van Carel Anne in 1923 kwam De Phoenix in 1925 in het bezit van zijn dochter Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Zij trouwde in 1937 met Adolph Reinhard Zeyger graaf van Rechteren Limpurg en kregen in 1938 een dochter genaamd Elisabeth Marguérite Carole. Het oud-adellijke geslacht Van Pallandt stamt uit het Gulikse, oostelijk van de provincie Limburg.

Vervolg van de opvolgers van Karel als pachter / eigenaar van De Phoenix (1892-1991)
Hendrik van Schie is in 1892 overleden en zijn tweede vrouw in 1907. Bij zijn tweede vrouw had hij een zoon genaamd Adrianus. Adrianus volgde zijn moeder op in het boerenbedrijf. Hij had nog lang op De Phoenix kunnen blijven wonen en boeren, ware het niet, dat het op een kwade dag uitkwam dat hij zand uit het Reigersbos had gehaald ! Dit kwam barones Carola Elisabeth Aurelia Anna ter ore en kort daarna (in 1926) kon van Schie vertrekken.43) In hetzelfde jaar volgde Willem de Wit Adrianus op als pachtboer op De Phoenix.

Phoenix, bron Chris Balkenende

In 1959 werd De Phoenix door de baronesse Elisabeth Marguérite Carole van Rechteren Limpurg van de hand gedaan. De koper was Willem de Wit of zijn zoon Pieter. Pieter de Wit woonde samen met zijn vader Willem de Wit op De Phoenix tot vader Willem overleed.
Bron : Chris Balkenende / Facebook

In 1991 droeg Pieter De Phoenix over aan de apotheker R.E. van der Vliet.44) Hij heeft erg veel verbouwd aan de hoeve wat ten koste ging van de authenticiteit. Momenteel (2014) is de heer A. Peterse eigenaar van de Phoenix. 45)

Foto G. Schrama 2014

 

Nawoord
Allereerst wil ik Rob Pex hartelijk danken voor al zijn hulp bij het tot standkomen van deze publicatie. Veel van de informatie in deze publicatie heb ik mogen putten uit twee boeken van R.J. (Rob) Pex over twee buitenplaatsen in Lisse namelijk :
“Knappenhof of Grotenhof te Lisse”, in 1999 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse.
“Wassergeest te Lisse”, in 2004 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse en de Stichting Historische reeks Duin – en Bollenstreek.
Meer informatie over de buitenplaatsen Wassergeest en Knappenhof (of Grotenhof) is te vinden op de site home.tiscali.nl/~kastelenzuidholland.
Tevens wil ik (in willekeurige volgorde) Maarten van Bourgondiën, Laura Bemelman, Janny de Wit en niet met name genoemde medewerkenden danken voor hun bijdrage.
Ik heb niet alles in deze publicatie kunnen verifiëren. Graag verneem ik Uw commentaar en / of aanvulling(en) op deze publicatie.

Opvallend is het aantal faillissementen bij de “hoge heren”, wegens schulden moesten zij hun bezittingen verkopen. Hadden zij het te “hoog in de bol” of was het toen ook “crisis” en moesten zij verkopen wegens de economische omstandigheden.
G. Schrama

1. Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten tijdelijk het gezag uitoefende. Bron : Wikipedia

2. Vroeger liet de adel de jacht op konijen in de duinen over aan een “duinmeier” (of duinmeijer, duinmeyer en duinmaaijer) die er zijn broodwinning van maakte. De duinmeiers waren pachters van de duinen van de toen rechtmatige eigenaren. Het gebied dat aan een duinmeier werd verpacht heette een “warande”. Elk dood konijn leverde vlees , maar ook een konijnenvel voor de bontjas. Bron : het boek Perikelen in de duinen, H.J. Min.
Claes Maertensz van ’s Gravenmade (een van de voorvaders van de Schrama’s), geboren in 1533, was een duinmeier in de Zilker duinen

3. De vroegere Es(sen)laan is niet de tegenwoordige Es(sen)laan, maar lag meer noordelijk. Het was een zeer landelijke weg die liep van De Phoenix naar de Loosterweg. In 1755 schijnt het gedeelte Trijnelaan (Catharijnelaan) dat liep van de Achterweg tot aan het Keukenduin een ander naam te hebben gekregen : de “Neslaen”. In de latere jaren is de naam verbasterd tot Eslaan of Essenlaan.

4. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 74, fol. 333.

5. Hoofdingeland = lid van het algemeen bestuur van een waterschap.

6. De stroken zandgrond langs de duinen waarover het water afvloeide werden “loosters” genoemd.

7. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 26, fol. 273 d.d. 31 augustus 1796, zie ook het huisarchief Keukenhof, inv.nr. 56

8. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d. 16 juli 1800 en 24 juni 1801

9. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

10. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

11. Bron : GA Lisse inv.nr. 225

12. Bij een wet van 30 maart 1808 is een belasting op het inkomen , de zogenaamde Quotisatie, ingesteld.

13. Bron : GA Lisse inv.nr. 10

14. Bron : .GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1814).

15. Bron : Huisarchief Keukenhof, inv.nr.56.

16. Bron : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10 d.d. 19 augustus 1852

17. Bron : NA, Notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 120

18. Lid van het dagelijks bestuur van een waterschap

19. Carolus (Karel) Schrama is op 17 juni 1799 gedoopt in Hillegom en op 7 mei 1876 overleden in Lisse. Hij trouwde in Lisse op 29 februari 1824 met Maria Riggel. Maria was gedoopt in Lisse op 12 november 1797 en is overleden in Lisse op 21 december 1871. Een van hun zoons was Jacobus, geboren op 6 september 1829 op de Phoenix en op 7 maart 1870 in Lisse overleden. Bron : www.genealogie-stamboom-schrama-gravenmade-bollenstreek.nl

20. Bron : GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1824).

21. Bron : Boek met perkamenten omslag uit de 18e eeuw , in het bezit van de heer J.Rotteveel (1981), veehouder bij Dever, waarin diens betovergrootvader J.Rotteveel (1804-1880) enige memoires heeft genoteerd.

22. Bron : “Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762-1839”, dr. A.J. Kölker

23. Bron : GA Lisse inv.nr. 1126

24. Bron : idem

25. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

26. Bron : Veilingakte d.d. 2 september 1852 in : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 124.

27. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

28. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 23 mei 1876

29. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 24 augustus 1876

30. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 18 april 1877

31. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 19 september 1877

32. Bron : boek van Hulkenberg over de Aagtenkerk (blz. 133 en blz. 145)

33. Bron : Laura Bemelman

34. Zie noot 19

35. Bron : GA Lisse, geboorteregister, geboren 6 september 1829 in huisnummer 45 (De Phoenix) als zoon van Karel Schrama en Maria Riggel.       terug

36. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister, 1860-1870

37. Zie noot 19

38. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 38, d.d. 1 juni 1870, hierin de inventaris van de gemeenschappelijke boedel van wijlen Jacobus Schrama en zijn weduwe Grietje Meyer.

39. Bron : GA Lisse, huwelijksregisters

40. Bron : Laura Bemelman

41. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

42. Bron : NA,notarieel Lisse 1909-1915, inv.nr.7

43. Bron : de heren A. en W. de Wit (1995) te Lisse

44. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

45. Bron : Janny de Wit

 

POELEWAY EN ZWANENDRIFT

De bewoners van Poeleway, Zwanendrift, Phoenix en Bloemhof komen aan de orde.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 13 nummer 4, oktober 2014

De Lisser Poelpolder was in 1624 drooggemalen, het nieuwe land werd in elf kavels verdeeld die werden verloot aan de belangstellenden. Op een van de kavels is boerderij Poeleway gebouwd. In 1966 heeft de gemeente deze boerderij gekocht en gesloopt ten behoeve van grootschalige woningbouw in dat gebied. Enkele generaties van de familie Verdegaal hebben op deze boerderij hun bedrijf gehad. Daarvoor was deze van Jacob Huijbertse van der Voort en via zijn dochter kwam de boerderij in de familie Verdegaal.
Ook de historie van Zwanendrift gaat een eind terug in de tijd. Ooit stond deze aan de rand van de Poelpolder met vrij uitzicht over het hele poldergebied en op de Zemelpoldermolen. De oude kastanjebomen staan er nog altijd prachtig bij, de oude vijver voor de boerderij is helaas bij de aanleg van de Laan van Rijckevorsel gedempt. Aan de zwanendrift, ofwel het adellijk recht op het houden van zwanen, dankt deze boerderij zijn naam. Zwanen hadden sierwaarde en het houden ervan duidde op welstand. Willem Verdegaal (geboren in 1837) is de eerste uit zijn familie die intrek neemt op deze boerderij, hij wordt veehouder.
De oude boerderij, in later jaren in bezit van de familie Schrama, is nu verkocht en mag van de Monumentencommissie verbouwd worden. De architect, Diederik van Egmond, heeft zijn plannen in een overtuigende presentatie uiteengezet. De commissie is positief, maar wil ‘de voortgang op detailniveau’ nog wel goed in de gaten houden.

Cornelis Symen Verdeger

De stamvader van de familie Verdegaal is Cornelis Symen Verdeger (Verdega), vermoedelijk circa 1680 geboren in Rijnsburg, daar rond 1715 wonend als bouwman. Dat is het uitgangspunt van de uitgebreide genealogie van Bert Hogervorst over deze familie. Cornelis Symen noemde zichzelf Vertegaal en liet zijn negen kinderen ook met deze achternaam dopen, hoewel de verschillende pastoors ze in wisselende spellingsvarianten in de doopboeken geschreven hebben. Een deel van de nakomelingen heeft daardoor de naam Verdegaal gekregen en gehouden. De zoon van Cornelis Symon is Symon Cornelisz Verdegaal. Deze trouwt en krijgt tien kinderen. Twee ervan spelen een belangrijke rol in dit verhaal, dat zijn Hendrik, geboren in 1737 en zijn jongere broer Jan, geboren in 1744.

Jan Verdegaal en kleindochter Maria Riggel

Jan Verdegaal (1744) trouwt in 1769 in Lisse met Willemijntje Juriaansdr Vreeburg. Hun dochter Maria Verdegaal trouwt met Jacob Maartensz Riggel, bouwman op boerderij Welgelegen aan de Heereweg. Uit dit huwelijk wordt dochter Maria Riggel geboren. Zij trouwt met Carolus Schrama – zie linkeronderhoek van het Lisses Kwartiertje in dit blad – die boerderij de Phoenix aan de Achterweg in Lisse in pacht heeft. Carolus Schrama en Maria Riggel staan samen aan de basis van de vaderlijke kant van de kwartierdrager Wilhelmus Johannes Schrama.

Petrus Verdegaal, geboren in 1809

Foto van boerderij de Poeleway voor de sloop

De oudere broer Hendrik Verdegaal (1737) trouwt met Ermpje, de dochter van Jacob Huijbertse van der Voort van de Poeleway in Lisse, een huismanswoning in de Poelpolder te Lisse met landerijen in de Sasbeeksepolder en de Roversbroekpolder. Hendrik koopt deze boerderij later van de erfgenamen van zijn schoonvader. Hendrik en Ermpje krijgen elf kinderen, een ervan is Willem Verdegaal, geboren in 1778. Uit zijn huwelijk met Maria Bergman wordt Petrus Verdegaal in 1809 geboren. En hij is eveneens een voorouder van dezelfde Wilhelmus Johannes Schrama, uit het Lisses Kwartiertje, maar dan langs moederskant.

Hendriks zoon Willem Verdegaal

Willem Verdegaal (1778) en Marijtje Bergman wonen in Vogelenzang en krijgen zes kinderen. Na het overlijden van zowel Willem als zijn vrouw moet de erfenis worden afgehandeld. Uit de stukken daarover blijkt dat dan alleen Petrus (1809) en Hendrik (1814) nog in leven zijn.

Hendrik (1814 – 1865) erft de ouderlijke woning, de boerderij ’s Gravenweg in Vogelenzang. Hij trouwt maar krijgt geen kinderen. De boerderij is uiteindelijk naar neef Rutgerus (Rutger) Verdegaal (1842) uit Lisse gegaan. Rutger is een zoon van Hendriks broer Petrus.
Petrus (1809-1873) erft boerderij de Poeleway in Lisse en trouwt in 1836 met Geertje Lommerse uit Hillegom. Zij gaan op de boerderij wonen op Grachtweg 145, het adres wordt later gewijzigd in Poel(polder) 145.
Het echtpaar Verdegaal-Lommerse staat bekend als weldoeners van de Agathakerk, de parochie en de armen. Petrus Verdegaal schenkt o.a. een ‘Petrus’ luidklok. Op die klok stond ‘gegeven door W. Verdegaal’ gegraveerd. In 1842 is deze klok geschonken uit de erfenis van zijn vader Willem die in datzelfde jaar overleed. Volgens de heer Hulkenberg wilde Petrus zijn eigen zoon Willem de eer geven de klok – namens zijn opa – te schenken. Tot 1938 heeft de ‘Petrus’ klok dienst gedaan, daarna is de klok verkocht of ingeruild voor een nieuwe klok.
Uit dit huwelijk Verdegaal-Lommerse worden twaalf kinderen geboren. Als de kinderen na het overlijden van Geertje Lommerse in 1885 bij elkaar geroepen worden voor het afhandelen van de nalatenschap, blijken er nog zeven kinderen in leven.

Poeleway na overlijden van Petrus Verdegaal

In een oude akte, na het overlijden van de vader van Petrus Verdegaal, werd boerderij de Poeleway als volgt omschreven: een Huismans of Boerenwoning, met Erf, Werf, Bargen, Schuren, Stalling voor Koebeesten, Karnmolen en verder getimmerte, benevens 26 bunders, 51 roeden en 24 ellen zoo wie Bosch, Hooie en Teellande alles staande en gelegen in de Poelpolder te Lisse en voorts ruim 3 bunders in de Roversbroekpolder te Lisse. Dit bezit was door Notaris Jan Gerard Cramers te Lisse in 1843 gewaardeerd op 5.700 gulden. Na het overlijden van Petrus Verdegaal in 1873 blijft zijn weduwe Geertje op de Poeleway, met zoon Piet (1854) die het bedrijf van zijn vader overneemt. Willem (1837) woont al op Zwanendrift en Rutger gaat naar Vogelenzang, naar de boerderij van zijn oom. Gerrit (1852) trouwt en vertrekt naar Zoeterwoude. In 1885 overlijdt ook moeder Lommerse.

Piet (1854 – 1934)

Berg en Poel aan Heereweg 305

De jongste zoon Piet heeft na het overlijden van zijn vader boerderij de Poeleway voortgezet tot zijn broer Gerrit (1852) rond 1900 uit Zoeterwoude terugkomt en de boerderij in huur overneemt. Piet blijft ongehuwd en het gaat hem fi nancieel goed. Hij heeft voor zichzelf een huis aan de Heereweg gebouwd en verlaat de Poeleway. Het nieuwe huis staat op een ‘hoogje’, tegenwoordig Heereweg 305, maar heet eigenlijk ‘Berg en Poel’. De gevelsteen zit nog hoog in de rechterzijgevel, en verwijst naar de kunstmatig aangelegde ‘berg’ en de vijver of ‘poel’ erachter. De vrijgezel Piet Verdegaal kon vanuit zijn huis uitkijken op de boerderij de Poeleway en zien of daar wel gewerkt werd. Het huis staat vanuit de Heereweg gezien, links van de oude oprijlaan naar Zwanendrift, tegenwoordig de Marconilaan.

Gerrit (1852-1930)

Rond 1900 is Gerrit als weduwnaar met negen – van de veertien – kinderen weer in Lisse teruggekomen en vestigt zich op de Poeleway als huurder van zijn broer Piet, die naar ‘het hoogje’ gaat. Gerrit blijft op de boerderij tot zijn jongste zoon Jan (1887) het bedrijf overneemt. Vader Gerrit en drie van zijn dochters verhuizen dan naar een huis op de Heereweg vlak bij de huidige Nassaustraat.

Boerderij Poeleway tijdens de sloop

Jan blijft ook na het overlijden van zijn oom Piet (in 1934) en de schenking van de Poeleway uit diens nalatenschap aan de Agathaparochie, op de boerderij, nu dus als huurder van de kerk. Als het kerkbestuur in de Tweede Wereldoorlog de boerderij wil verkopen, komt deze in bezit van Jan. Na het overlijden van Jan is zijn zoon Gerrit (1915) de volgende op deze boerderij. Maar in de jaren zestig van de vorige eeuw worden grootschalige plannen voor woningbouw voor de Poelpolder ontwikkeld en moet de boerderij in 1966 aan de gemeente Lisse verkocht worden. Daarna is de Poeleway helaas gesloopt en Gerrit is naar een boerderij in Noord-Holland vertrokken.

Willem (1837-1901) op Zwanendrift

Dirkje Verdegaal-Smeelen voor Zwanendrift

Willem Verdegaal, veehouder, trouwt in 1863 met Dirkje Smeelen uit Rijpwetering. Ze trekken naar Zwanendrift, dan Huis nummer 3 op de Heereweg. Uit dit huwelijk worden tien kinderen geboren. Willem overlijdt in 1901, zijn weduwe Dirkje Smeelen in 1921. Het adres wordt via C130 en H62 uiteindelijk Heereweg 309, want de Laan van Rijckevorsel bestond toen nog niet. De boerderij was te bereiken via de oprijlaan vanuit de Heereweg.
De broers Jan (1868) en Willem (1881) blijven op Zwanendrift met hun zus Geertje (1864). Broer Hein (1875) gaat naar een nieuw huis op de Heereweg, nu nummer 311, aan de rechterkant van de oprijlaan naar Zwanendrift. Hij wordt uiteindelijk bloembollenkweker. In 1933 overlijdt Jan (1868) en blijven Geertje (1864) en Willem (1881) over. Als Willem de boerderij aan neef Schrama overdoet, bouwt hij een nieuw huis aan de Heereweg 319 voor zichzelf en zijn zus Geertje. Willem overlijdt in 1954, zus Geertje al in 1950.

Schrama: Phoenix, Bloemhof en Zwanendrift

Even een heel eind terug in de tijd: Carolus Schrama en Maria Riggel wonen op boerderij de Phoenix aan de Achterweg en in 1829 wordt daar hun zoon Jacobus geboren. Margaretha Meijer woont een klein stukje verderop aan de Achterweg op boerderij Bloemhof. Vader Hendrik Meijer overlijdt in april 1862 en een half jaar later trouwt dochter Margaretha met Jacobus Schrama, die naar Bloemhof gaat. Maar Jacobus sterft heel jong en laat zijn weduwe achter met vier jonge kinderen. Margaretha hertrouwt met Hendrik van Schie, er komen nog vier kinderen in het gezin bij. Maar dan overlijdt Margaretha in 1877 zelf ook. Haar zoon Carolus Schrama is dan pas tien jaar. Op de Phoenix zijn oma Riggel en opa Schrama overleden en alle ooms en tantes zijn er vertrokken. Stiefvader Hendrik van Schie hertrouwt in 1880 met Adriana Langeveld uit Voorhout en alle kinderen Schrama en Van Schie trekken met hun nieuwe gezin naar de Phoenix, waar nog weer enkele kinderen geboren worden.

Carolus Schrama trouwt in april 1899 met Maria Ermina Verdegaal, dochter van Willem Verdegaal en Dirkje Smeelen en ze vertrekken naar Diemen. Carolus wordt daar veehouder op een pachtboerderij. De vijf kinderen van dit echtpaar worden allemaal ook in Diemen geboren.
Zoon Wilhelmus Johannes Schrama is in 1906 in Diemen geboren, maar brengt volgens zijn dochter vooral veel van zijn lagere schooltijd met zijn familie Verdegaal in Lisse door. Hij trouwt in 1937 met Helena Maria Sloothaak en neemt de boerderij Zwanendrift van zijn oom Willem Verdegaal over. De twaalf kinderen Schrama worden allemaal in Lisse op Zwanendrift geboren.
Bronnen o.a: Ach Lieve Tijd 1000 jaar Duin- en Bollenstreek – Deel 11: Water – Wanders Uitgeverij; Wandel/Fietsroute Monumenten Lisse – VOL; Registratie waardevolle panden in Lisse – VOL; Familieboek mevrouw M.Th. Van GravenSchrama; Van Verdeger tot Verdegaal/Van Verdeger tot Vertegaal – Bert Hogervorst; ’t Roemwaard Lisse, Lisse in Oude Ansichten (1) en De Aagtenkerk van Lisse – A.M. Hulkenberg; Wassergeest te Lisse – Rob Pex; ProGen bestand VOL; Bevolkingsregisters Gemeente Lisse; Kwartierstaat V.d. Hulst – Hogenda; Nationaal Archief; WieWasWie.

SCHRAMA, GROSSIER IN LEVENSMIDDELEN HEEREWEG 191

Ooit was Heereweg 191 een aantrekkelijk huis. Nu is het erg vervallen. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. De bewoners worden besproken. Antonius Schrama is in 1876 naar Lisse gekomen. In 1919 koopt zijn zoon Cornelis de woning op Heereweg 191. Hij begint daar een grossierderij in levensmiddelen.

door Laura Bemelman

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Ooit was dit een mooi en aantrekkelijk huis in het hart van het dorp, maar jammer genoeg is het tot een bouwval verworden, dichtgetimmerd, wit gekalkt, rotte kozijnen en een gebladderde gevel. Alle allure voorgoed verdwenen. Er is van alles geprobeerd om het huis voor sloop te behoeden, maar helaas heeft het nu plaats moeten maken voor nieuwbouw. (zie afb. omslag) Er wordt gezegd en geschreven dat dit wellicht het oudste huis van Lisse is geweest. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. Onderzoek aan het huis en de oudste onderdelen ervan, door de heren Pex en Plantenberg vanuit de Vereniging Oud Lisse, ondersteunen deze datering. Rond 1635 zou er een bakker gewoond en gewerkt hebben en rond de Franse Tijd zijn er enkele generaties zadelmakers in het huis geweest, maar hiervan zijn bij het onderzoek geen sporen meer gevonden. Oorspronkelijk zou het huis slechts een enkele woonlaag hoog geweest zijn. De tweede bouwlaag is veel later aangebracht, mogelijk al rond 1830 maar misschien pas kort voor de Eerste Wereldoorlog. Toen zou ook de bepleistering aan de voorzijde van de woning zijn aangebracht. De oudste foto’s van het huis tonen in elk geval steeds een witgepleisterde woning met twee woonlagen. Het pand is door de werkgroep Bouwkundige Zaken van de Vereniging Oud Lisse beschreven in het boek ‘Registratie Waardevolle Panden in Lisse. Deze werkgroep heeft ‘deze mooie woning’ in 1995 gewaardeerd als gemeentelijk monument, c.q. ‘karakteristiek om zijn unieke beeld in de straat’.

Bij de presentatie in 2008, van zijn tiende en laatste kalender met aquarellen van oude panden en monumenten in Lisse en omgeving, overhandigt Carl Daudeij een originele aquarel van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191(zie omslag), aan de voorzitter van de Vereniging Oud Lisse, die zich sterk gemaakt heeft om het voormalig gemeentelijk monument van de slopershamer te redden. Maar helaas is dan de sloopvergunning al een maand eerder afgegeven, in afwachting van de daadwerkelijke sloop. Het was toen nog niet duidelijk dat het nog zó lang zou aanlopen. In januari 2014 is het oude huis echt gesloopt en verdwenen.

Hannes van Berkel en ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen

Vóór de oprichting van het Kadaster bestaat het huis Heereweg 191 al. Op een heel oude minuutplan is het perceel met huis ingetekend en in de lijst van oorspronkelijke tenaamstellingen voor de invoering van de grondbelasting in 1832 staat Johannes van Berkel, bouwman in Lisse, genoteerd. In het Bevolkingsregister van 1830-1840 staat deze man geregistreerd als Hannes van Berkel, geboren in Hazerswoude en vierenzestig jaar oud. Hij woont aan de ‘Heereweg in ’t dorp’, op nummer 171, samen met zijn vrouw Antonia de Vries. Schuin aan de overkant woont het gezin van geneesheer Van Hasselaar. Het gezin bestaat uit de arts zelf, zijn vrouw en zeven kinderen. Het oudste kind is de dan zeventienjarige dochter Maria. Verder wonen daar nog een dienstbode en de nog jonge en ongehuwde ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen. De oude geneesheer overlijdt in 1838 en zijn weduwe vertrekt met de kinderen naar Leiden. Alleen Maria blijft in Lisse achter, zij trouwt met de jonge dokter. Hannes van Berkel woont nog steeds op nummer 171 als zijn vrouw komt te overlijden. Dokter Nieuwenhuizen en zijn vrouw Maria wonen dan naast hem, op nummer 172, in het huis waar later Jan van der Geest zijn winkel ‘in galanterieën’ begonnen is. Als Hannes zelf in augustus 1852 overlijdt, wordt zijn woning verkocht aan dokter Thomas Nieuwenhuizen en zijn vrouw. Het jonge doktersgezin verhuist naar het huis naast hen, naar Dorpsstraat 171.

Antonius Schrama, van boerenknecht tot vrachtrijder

In 1876 komt Antonius Schrama als boerenknecht vanuit de Haarlemmermeer naar de boerderij van zijn oom op de Achterweg. Oom Carolus overlijdt in hetzelfde jaar en Antonius verhuist naar een adres op het Oosteinde in Lisse, het noordelijk deel van de huidige Heereweg. Hij is getrouwd met de Lissese Cornelia van der Reep. In 1878 wordt hun zoon Cornelis geboren. Het gezin vertrekt naar de Dorpsstraat en gaat wonen in het rechterdeel van de grote dubbele woning, net voorbij de hoek met Het Vierkant. Naast hen woont Clara Schrama, de nicht van Antonius, die met koperslager Antonie van Engelen getrouwd is. Antonius is nu vrachtrijder en woont met zijn gezin in huis nummer 311, nicht Clara woont met haar man op 312 en enkele huizen verder woont nog steeds het doktersgezin Nieuwenhuizen, in het oude witte huis dat nu adres Dorpsstraat 318 draagt. Er worden uiteindelijk vijftien kinderen in het gezin van Antonius Schrama en Cornelia van der Reep geboren, maar de meeste ervan worden niet volwassen. Twee dochters worden levenloos geboren, tweemaal wordt een tweeling geboren maar deze kinderen overlijden kort na hun geboorte. En nog eens vier andere kinderen sterven tussen twee en tien maanden. Van de jongens zet alleen de oudste zoon, de eerder genoemde Cornelis, het geslacht voort. Antonius Schrama overlijdt in 1917.

Cornelis Schrama van vrachtrijder tot grossier

Cornelis is de oudste zoon van Antonius Schrama. Hij trouwt in 1906 met Petronella Brouwer uit Hillegom. Cornelis is vrachtrijder, net als zijn vader. De bevolking van Lisse groeit, er zijn meer woningen nodig en een school. Op een groot stuk weiland achter het Vierkant wordt de christelijke lagere school gebouwd en een huis voor de hoofdonderwijzer. Dat wordt de Schoolstraat. Ook Cornelis koopt daar grond en bouwt er een huis op, schuin tegenover de nieuwe school. Daar gaat hij met zijn gezin wonen en daar worden de meeste van de kinderen uit het gezin geboren. Het zesde kind in het gezin is dochter Johanna, ze wordt Jo genoemd. In 1919 wordt het huis aan de Schoolstraat verkocht. Op de Heereweg overlijdt dokter Thomas Nieuwenhuizen en anderhalf jaar later ook zijn vrouw. Hun zoon en zijn inwonende tante vertrekken uit Lisse en het huis wordt verkocht. Veehouder Theodorus van Leeuwen en zijn vrouw zijn de nieuwe bewoners. Dan overlijdt ook veehouder Van Leeuwen en het huis wordt verkocht aan Jan Hendrik Elisa de Brero, een nog jonge kapelaan die in de pastorie bij de Sint Agathakerk woont. Hij heeft het huis aan zijn Lissese collegakapelaan Van den Berg verhuurd, voor diens vereniging die zich inzet voor de bevordering van het Katholieke Geloof. Maar als de jonge kapelaan De Brero in 1919 alweer naar Haarlem vertrekt, verkoopt hij het huis op de Heereweg aan Cornelis Schrama. Cornelis verhuist met zijn gezin van de Schoolstraat naar de Heereweg. Daar worden nog twee zoons geboren, de op één na jongste zoon wordt slechts drie maanden oud. Cornelis wordt grossier in levensmiddelen. De zaken gaan goed en het bedrijf breidt zich in de loop der jaren verder uit, er wordt een pakhuis gebouwd en een garage.

Grossierderij Schrama op Heereweg 191

De vijf zoons zetten het bedrijf voort als oprichter en vader Cornelis Schrama in 1932 overlijdt. De oudste zoon Piet wordt directeur. De grossierderij ligt dan nog steeds achter het woonhuis en is zowel via een heel smalle poort vanuit de Heereweg als via een bredere poort vanuit de Kanaalstraat te bereiken. Door het steeds groter en breder worden van de vrachtwagens, blijkt de poort toch echt te smal. Op de muren aan beide zijden van de poort ontstaan slijtsporen. Het wordt tijd voor meer geschikte huisvesting van het bedrijf en iin 1964 wordt een nieuw bedrijfspand aan de Eerste Poellaan betrokken. Als Piet Schrama in 1982 overlijdt, is hij vijftig jaar directeur van het grossiersbedrijf geweest. Jo(hanna) Schrama, de zus van de broers van de grossierderij, blijft ongehuwd en is de laatste Schrama die in het huis op de Heereweg gewoond heeft. Als haar jongste broer Jan kort na de Tweede Wereldoorlog trouwt, wordt de woning in twee wooneenheden gesplitst en verhuist Johanna met haar moeder naar Heereweg 191a, bereikbaar via de smalle poort links naast het huis aan de weg. Volgens een adresboekje van Lisse uit 1994 woont Jo Schrama dan nog op 191a, terwijl op nummer 191 Jan de Kooker als bewoner staat genoteerd. Johanna Schrama is enkele jaren voor haar dood naar een aanleunwoning bij Berkhout gegaan. In 2007 is zij in Sassenheim overleden. Jan de Kooker is de allerlaatste bewoner geweest van het oudste huis aan de Heereweg.

Bronnen

o.a.: Onderzoeksresultaten R. Pex en E.J. Plantenberg; Informatie Arie in’t Veld; Registratie Waardevolle Panden, Vereniging Oud Lisse; MIP-rapport; Minuutplan Lisse 1811-1832; OAT 1832; Lisse in oude ansichten en plattegronden, Eric Vergunst; Bevolkingsregisters 1830 – 1920 Lisse; Wassergeest, R.J. Pex; De Aagtenkerk van Lisse, A.M. Hulkenberg; Stamboom en website Schrama-Gravenmade-Bollenstreek; Informatie Gerard Schrama; GenealogieOnline v. Breevaart – v. Nierop; Adresboekjes Lisse.