Berichten

VOL draagt bij aan video over ‘De kracht van Linked Data’

Bij de ontwikkeling van LisseTijdReis heeft Vereniging Oud Lisse gebruik gemaakt van een techniek die ‘Linked Data’ heet. Die techniek maakt het eenvoudig om verschillende gegevens met elkaar te verbinden. De website LisseTijdReis krijgt in de erfgoedsector veel belangstelling en wordt gezien als een goed voorbeeld voor andere instellingen. Vandaar dat het Erfgoedhuis Zuid-Holland en het Netwerk Digitaal Erfgoed aan VOL heeft gevraagd om bij te dragen aan een promotievideo. Het resultaat vind je via deze link: https://youtu.be/V88-wHcqGe0 .

Voor het Netwerk Digitaal Erfgoed is Linked Data de aangewezen techniek om de bruikbaarheid van digitale erfgoedcollecties te vergroten. In deze video legt de cultuur-historische Vereniging ‘Oud Lisse’ uit wat zij met Linked Data heeft bereikt. En waarom het belangrijk is dat zo veel mogelijk digitaal erfgoed als Linked Data beschikbaar komt.

Meer weten over de kracht van Linked Data? Ga naar www.netwerkdigitaalerfgoed.nl/linkeddata

Deze video is een productie van het Netwerk Digitaal Erfgoed i.s.m. Erfgoedhuis Zuid-Holland.

Meer weten over LisseTijdReis, de website is bereikbaar via http://data.oudlisse.nl

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller kwam van achter het IJzeren Gordijn (deel 2)

Ditmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

De heer Müller ontving ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we het Vierkant. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal verder vertellen.

Hier waren we gebleven

Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord- Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje.cDe nachten bracht hij door in een katholiek Jugendheim, geleid door nonnen. Zestig jongens – Oost-Duitsers, Polen, Russen – sliepen in driehoge stapelbedden. De nonnen maakten de lunchpakketjes klaar, waar de jongens overigens wél voor betaalden, evenals voor het onderdak. Dietmar Müller: “Op een dag ging ik naar buiten met mijn lunchpakketje en daar lag een non op de grond, met haar gezicht naar beneden, met een mes in haar rug, dat mes stak er nog uit, allemaal bloed. Dat vergeet je je hele leven niet. Ze heeft misschien iets tegen een van die jongens gezegd.” De dader werd niet gevonden. Dietmar wilde nu weg uit het Jugendheim. De sfeer was dreigend. De Russische jongens sliepen met pistolen onder hun kussens.

Rüdesheim en Rüsselsheim.
Zijn werk beviel hem niet en hij verdiende te weinig naar zijn zin. Via een krantenadvertentie kreeg hij werk in Rüsselsheim. Als machinebankwerker kon hij aan de slag bij een bedrijf dat ontluchtingssystemen plaatste in de hallen van de Opel-fabriek.Hij liep door Rüsselsheim, een baan had hij, maar nog geen slaapplek. Bij een willekeurig huis belde hij aan met de vraag of de bewoners kamers verhuurden. Daar kreeg hij het adres van een vriendin des huizes. “Zij kwam uit mijn geboortestreek, had medelijden met mij en gaf mij onderdak. Daar heb ik een paar jaar gewoond, ook nog met mijn vrouw en mijn zoon Paul”. De ontluchtingssystemenfabrikant verplaatste zijn activiteiten vervolgens van Rüsselsheim naar Rüdesheim op het terrein van Asbach Uralt, de wijndistillateur. Hier zou hij nog een aantal jaren blijven werken. Hij bleef wonen in het veertig kilometer verderop gelegen Rüsselsheim.

Bloemendaal
Een bevriende collega, een Duitser uit Erfurt, vroeg hem in 1960 of hij met hun beider vriendinnen mee wilde naar Bloemendaal, naar zijn jarige zus. In twee aparte wagens reisden de paartjes naar de Hollandse kust, de jonge machinebankwerker in een Karmann Ghia, een blitse sportwagen uit de Volkswagenfabriek. In de kamer vol visite flirtte hij met een leuk meisje, een vriendin van de zus van zijn collega. Zijn Duitse vriendin, een bakkersdochter, was daarover zo boos, dat zij de volgende dag zonder een woord te zeggen uit nijd een brandende sigaret op zijn arm uitdrukte. Daarop kon zij haar spullen pakken en reed hij terug naar Rüsselsheim – de stemming in de auto beneden vriespunt – en nadat hij haar bij de bakkerij had afgezet, keerde hij direct om richting Bloemendaal, naar Villa Mignon aan de Duinlustparkweg, naar de familie Engel en vooral naar de aantrekkelijke dochter Cocke.

Dietmar trouwt met een Engel

Dieter Müller en Cocke Engel

Het gezin Engel, vader en moeder Engel, twee zoons en twee dochters, woonde in een van die mooie, grote Bloemendaalse villa’s. De heer Müller laat een foto zien van een kleine Cocke Engel en haar moeder in een besneeuwde tuin voor Villa Mignon. Vader Simon Engel was fotograaf. In 1929 opende hij fotohuis “De Camera’” aan de Spaarnwouderstraat in Haarlem. Later volgden zaken aan de Kleverparkweg, Anegang en Cronjéstraat in Haarlem, en in Santpoort- Zuid, Heemstede en Baarn. Na een verloving van een jaar trouwden Cocke Engel en Dietmar Müller in 1962 in Bloemendaal. Twee dagen later vertrokken ze naar Rüsselsheim. Ze woonden op Dietmars zolderkamer, die inmiddels was verbouwd. Zoon Paul, de man die nu Fotovak Engel runt, werd hier in 1963 geboren. Mevrouw Müller had heimwee naar haar familie en ging met haar zoontje weer bij haar ouders in Bloemendaal wonen. Haar man bleef in Duitsland en bezocht haar elk weekend. In maart 1964 werd zoon Frank geboren. Zijn schoonvader belde hem op zijn werk in Duitsland dat hij er een zoon bij had. Aan deze ongewenste situatie – zijn vrouw en kinderen in Nederland, hij in Duitsland – kwam een einde toen hij van een relatie vernam dat een Duitse firma bij de Hoogovens in IJmuiden plaats had voor een machinebankwerker. Het bedrijf maakte reusachtige walsen, zo groot als een huis, voor de Hoogovens. Müller trok in bij zijn schoonouders in Bloemendaal. Hij werkte in een vierploegendienst en had nu tijd om Nederlands en Engels te leren.

Fotovak Engel
We komen te spreken over de reacties van Nederlanders op zijn Duitserschap. In de jaren zestig sluimerden in Nederland anti-Duitse sentimenten, die bijvoorbeeld bij het huwelijk van Claus en Beatrix in 1966 sterk de kop opstaken.
Voor zijn schoonfamilie was zijn Duitse afkomst geen probleem. Zij begrepen hem, maar zijn schoonvader werd er door familie wel op aangesproken. “Siem, hoe kun je een Duitser in huis halen”, luidde het dan. Dat wij in Lisse een Fotovak Engel hebben in plaats van een Fotovak Müller, heeft te maken met de weerstand die een Duitse naam begin jaren zeventig nog op zou roepen. Inmiddels woonde het gezin boven een klein filiaal van Fotovak Engel in Santpoort-Zuid. Bij de schoonfamilie draaide alles om fotografie. Müller werd meegenomen in hun enthousiasme en haalde in de jaren zestig zijn vakdiploma’s fotohandel en fotografie. Daarnaast volgde hij uit interesse een avondopleiding aan de Zeevaartschool. Hiervan heeft hij later veel plezier gehad en samen met zijnvrouw heeft hij met een eigen schip veel gevaren op de Duitse rivieren.

Op het Vierkant

In 1970 hoorde zijn schoonvader van een vertegenwoordiger dat op het Vierkant in Lisse de zaak van Foto Koning te koop was en het echtpaar Müller waagde de stap naar Lisse. “De beginperiode was erg zwaar. Ik moest toch het vertrouwen van de bevolking zien te krijgen. Er hingen gordijnen voor de ramen, want in het weekend deed de heer Koning alles dicht voor de gereformeerde klanten. De gordijnen verdwenen en de etalage was dus ook in het weekend te bekijken. Daar was niet iedereen even blij mee. De gereformeerde klanten vertrokken massaal naar Foto Mieloo. Er was zware concurrentie!”
Ondanks de concurrentie deed Müller goede zaken in Lisse. In 1970 kreeg hij een perskaart en was hij een paar jaar persfotograaf voor het Witte Weekblad. Lucratief waren de vijf zaken die Fotovak Engel acht jaar lang in Keukenhof
exploiteerde. In samenwerking met Henk Koster, de toenmalige directeur en tuinarchitect van Keukenhof, maakte Müller een film van Keukenhof in vele talen, waarvan er duizenden werden verkocht. Films van het jaarlijkse Corso vonden hun weg naar Frankrijk en Duitsland. Na de introductie van de euro stopte hij met de Keukenhof-zaken. Door de vele aanpassingen die daarvoor gedaan moesten worden, was dat niet meer haalbaar. Veel heeft Müller gefotografeerd voor de gemeente Lisse. Voor bekende Lissese bedrijven als Sierex, Hobaho en CNB maakte hij bedrijfsreportages.

Ramkraak
Fotovak Engel kreeg drie keer te maken met een overval. De schokkendste ervaring was een ramkraak in de vroege ochtend van 10 december 1990. Een bestelbusje ramde de pui en de inbrekers sloegen de vitrines kapot. In een vluchtauto verdwenen ze met een buit van 60.000 gulden aan camera’s. De winkel was een ravage en dat net voor de start van de kerstverkopen. Een zware tegenslag in het persoonlijke vlak in 2009. Samen met haar bouwde hij de zaak uit tot een
bloeiende onderneming.

Dietmar Müller heeft Lisse in een halve eeuw zien veranderen. De landelijke Poelpolder werd volgebouwd. Het kleine dorp werd een grote gemeente die met winkelcentrum Blokhuis een streekfunctie kreeg. De Oost-Duitse tiener die tijdens de Koude Oorlog een tante in West-Berlijn bezocht, in ongenade viel bij de machthebbers en een onmenselijk systeem ontvluchtte, bouwde energiek een nieuw leven op aan het karakteristieke Vierkant. Daar woont hij nog steeds
met veel plezier boven de zaak waar zoveel Lissers zijn lens inkeken. ■

 Het vergiftigingsdrama in 1920 te Lisse

Op 12 december 1920 vermoorde mevrouw van den B. samen met haar commensaal C. van der L. haar man J. van den B. door vergiftiging met arsenicum. Zij stonden terecht voor de Haarlemse Gerecht. De beschuldiging, de veroordeling e.d. worden weergegeven.

door Arie de Koning

2020

Weer stroomde de publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank vol. Dicht aaneen geschaard stonden de luisteraars. Alle nieuwsgierigen konden niet naar binnen, toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat te wachten. Uren stonden zij daar geduldig te wachten, maar kans om binnengelaten te worden was er niet.

Vele belangstellenden waren uit Lisse gekomen en ook de gereserveerde tribune was geheel bezet.

Als beklaagden kwamen in dit drama, Gerarda Hendrica van der M., weduwe J.L. van den B. en haar vroegere commensaal Casparus van der L. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij op

Op 12 september 1920 te Lisse, tezamen met van der L., nadat zij na rijp beraad en in kalm overleg besloten hadden, haar echtgenoot J.L. van den B. van het leven te beroven, haar man een kop chocolade heeft gegeven, terwijl zij wist, dat in die chocolade door van der L. een dodelijke dosis arsenicum was gedaan, aan welke gevolgen van den B. is overleden.

Aan van der L. was medeplichtigheid ten laste gelegd.

De vrouw is een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar, maar ziet er uit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse, iemand met een donker uiterlijk.

Eerst werden, nadat de dagvaarding was voorgelezen, de rapporten van de deskundigen, die het lijk van de vergiftigde onderzocht hebben, voorgelezen. Hiermede was een half uur gemoeid. De beklaagden zaten dit stil aan te horen, ze begrepen natuurlijk niets van de aaneenrijging van medische termen die de deskundigen op schrift gesteld hadden om tot de conclusie te komen, dat van den B. ten gevolge van arsenicumvergiftiging was overleden.

Door het Openbaar Ministerie was een twintigtal getuigen gedagvaard.

Als verdedigers traden op voor van der L. Mr. Pliester en voor vrouw van den B. Mr. C. van Sprang.

Eerst was de bedoeling geweest om de zaken gescheiden te behandelen, om van der L. als getuige te kunnen horen in de zaak van vrouw van den B. en deze weer in de zaak tegen van der L. Op het laatst is evenwel van dit voornemen afgezien en besloten de zaken gelijktijdig te behandelen. Hierop had het verhoor van de beschuldigden plaats.

De vrouw vertelde dat van der L. reeds anderhalf jaar bij haar woonde als commensaal. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen, zodat zij meenden dat van den B. teveel in het gezin was. Met van der L. had zij er meermalen over gesproken dat van den B. in huis Jan genoemd, maar ‘opgeruimd’ moest worden.

In april of mei had van der L. arsenicum in huis gebracht. Later had hij gezegd ‘dat is om je man op te ruimen’. Op 10 September zou van den B. thuis komen van zijn werk als stoker op de Gasfabriek te Lisse. – Ik had toen, – zo vertelde de vrouw, in een pannetje chocolade voor mijn man klaargemaakt. Ik had van der L. met een kopje arsenicum zien lopen. Later heb ik dat kopje uitgespoeld omdat ik het nog niet doen wou. – Daarop heeft van der L. weer poeder in dat kopje gedaan en zelf het poeder in de chocolade gedaan.- Toen heb ik, toen mijn man thuis kwam, hem de chocolade gegeven.

President: Terwijl u wist dat van der L. er arsenicum in had gedaan?…….

Beklaagde: Ja !……

President: Het was de bedoeling uw man te doden. Wou u dan later met van der L. trouwen?

Beklaagde: Dat niet, ik wist dat van der L. getrouwd was….

 

President: maar hij kon scheiden, hij leefde als geheel gescheiden van zijn vrouw.

Verder vroeg de president waarom beklaagde haar man vergiftigd had.

Beklaagde: Ik had geen leven met mijn man……..

Van der L. daarop gehoord, verklaarde dat hij het arsenicum in de chocolade had gedaan.

Eerst wilde hij beweren dat hij zich ’t niet herinnerde, maar toen de president zijn verklaring voor de rechter-commissaris, gaf hij toe dat hij het gedaan had. Bovendien zei hij dat hij vroeger al eens arsenicum in de koffie van den B. had gedaan. Daarvan was hij wel ziek geweest maar niet gestorven. Van der L. vervolgde: ik heb op die Zondag 12 September niet zoveel in de chocolade gedaan. Ik vermoed dat de vrouw nu die Zondag enige keren vergift aan haar man gegeven heeft. Zij heeft ook gezegd ‘ ik ben er nu maar mee opgehouden omdat hij alles er uitbraakt’.

Vrouw van den B. ontkende dit. Van der L. hield vol geen dodelijke dosis gegeven te hebben.

Eén der rechters: U hebt verklaard voor de rechter-commissaris, dat het een theelepeltje was.

Beklaagde: Het was niet zoveel, anders was van den B. dezelfde dag al gestorven.

Nadat nog eens de verklaring van vroeger voorgelezen was, erkende de beklaagde, het was iets minder dan een theelepeltje.

President: Niet veel minder?

Beklaagde: Ja, nogal wat minder zou ik zo zeggen.

De vrouw vertelde nog, nadat haar man enige dagen ziek thuis was geweest, de dokter het nodig oordeelde, dat de patiënt naar het zieken huis te Leiden werd overgebracht. Toen haar man daar was heeft ze hem een keer opgezocht, maar ze kwam te laat, van den B. was toen al overleden.

Hierop begon het getuigenverhoor.

De eerste getuige J.P. Berbee, had aan van der L. een zakje arsenicum gegeven. Hij vertelde dat het nodig was om ratten te doden.

De drogist Schouten, daarna gehoord, verklaarde, dat hij arsenicum aan Berbee verkocht had.

De directeur der Lissesche Gasfabriek, de heer H.S.A van Beek, vertelde dat van den B. op die bewuste Zondag gezond naar zijn huis ging. Maandag en Dinsdag was hij ziek geweest. Op Woensdag was hij weer gekomen, maar nog ziek. Toen hij weer naar huis ging, met de mededeling dat hij nog braakte, gaf getuige in overweging om een dokter te laten komen. Getuige kon van den B. al vele jaren, het was een oppassend man, die voor het welzijn van zijn gezin ijverde.

Dokter F.G.M. Haase, de huisarts te Lisse, heeft van den B. op Woensdag behandeld. Ik dacht aan vergiftiging, bijvoorbeeld door gas of vlees. Aan de patiënt heeft getuige nog gevraagd: “heb je niets gegeten dat niet in orde was”? De patiënt zei toen nee, en half glimlachend voegde hij er aan toe,”of mijn vrouw moet me wat ingegeven hebben”.

Op een vraag van de verdediger verklaarde dokter Haase, dat de vrouw van den B. eens tegen hem geklaagd had over het gedrag van haar man, die teveel naar andere vrouwen keek.

Verdediger Mr. Pliester: Is er u iets van bekend dat te Lisse het gerucht gaat, dat in het gezin van den B. kinderen gestorven zijn aan vergiftiging?

Dokter Haase: Ik herinner mij alleen dat er zes jaar geleden een jong kindje plotseling gestorven is: de verschijnselen kan ik mij niet meer goed voorstellen.

Van Mechelen, stoker op de Gasfabriek, heeft met van den B. gewerkt. “Hij klaagde de laatste tijd over zijn gezondheidstoestand, dikke benen, braken enz. Vroeger was van den B. een opgewekte vrolijke kerel, die wel eens dolde, maar nooit onfatsoenlijk was. Hij was een goede man, een goed vader. Alleen de laatste tijd was hij mismoedig.

Het Openbaar Ministerie: Maar toen was hem ook gebleken dat zijn vrouw het eens was met een ander. Een buurvrouw, juffrouw van den Berg had wel eens gezien dat vrouw van den B. op goede voet stond met van der L. Op een zekere dag was van den B. ziek. Vrouw van der B. zei toen: als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man.

Verder verklaarde deze getuige dat van den B. wel eens een grapje maakte maar steeds binnen de grenzen bleef. Getuige heeft van der L. na 12 September eens horen zeggen: “mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat van der L., nadat er twist was geweest in het huis van den B. bij haar commensaal was geweest. Hij ging toen evenwel geregeld naar vrouw van den B. toe. Vooral was het haar opgevallen, dat van der L. meestal even overwipte voor van den B. kwam eten. Zij zag hem dan wel eens naar boven lopen waar zijn kist stond, waarin zoals later gebleken is, de arsenicum verstopt was. Een veldwachter te Lisse deelde mede dat hem bij onderzoek gebleken was dat van der L. op zedelijk gebied laag stond. O.a. moet hij zich misdragen hebben tegenover het 12-jarige dochtertje van v.d. B. hetgeen aan de moeder bekent was. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning van v.d. B. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum.

Mr. Pliester vroeg aan getuige J.P.L. Hulst, arts te Leiden, of hij kan mededelen hoeveel minimum tijd de dood na het innemen van een dosis arsenicum kan volgen en hoe groot de maximum tijd kan zijn

Getuige Hulst: Bij een acute vergiftiging door arsenicum gebeurt dit in een minimum tijd van enige uren en bij een maximum tijd 8 tot 10 dagen, dit kan echter ook wel twaalf dagen zijn. Dit hangt ook wel af van de hoeveelheid arsenicum die ingenomen is. Iemand die vaak onder arsenicuminvloed verkeert, zal niet zo spoedig hinder er van hebben als iemand die slechts in een enkel geval arseni-cum inneemt. De Officier van Justitie nam nota van deze verklaring. Daarna werden enkele artsen als getuige gehoord, zo ook Professor van Itallie, hoogleraar te Leiden, welke verklaarde dat het vergift wat in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden is, arsenicum was. Op een desbetreffende vraag antwoordde de deskundige dat hij in deze zaak aan een sub – acuut vergiftigingsgeval moet denken.

Na het horen van nog enkele getuigen wordt de zitting geschorst.

Uitspraak op 28 februari 1921.

Het Openbaar Ministerie had gezegd in zijn requisitoir: “het heeft geen nut meer deze mensen, die zich aan zo een ernstig misdrijf hebben schuldig gemaakt, nog eens in de maatschappij te laten terugkeren”. “Daarom stel ik de rechters voor hen te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf”. Toen de beklaagden deze eis hoorden waren zij gebroken. De verdedigers putten zich uit te betogen dat al hebben de mensen zwaar misdreven, hen nog in elk geval een kans moet gegeven worden om nog eens in de maatschappij terug te keren.

Heden zou de rechtbank vonnis geven.

De publieke belangstelling was ook deze keer heel groot. Honderden luisteraars – waar onder vooral veel jonge vrouwen en meisjes – stonden voor de benedendeuren van het Paleis van Justitie. Allen stonden in rijen geschaard . Enige rijksveldwachters en politieagenten zorgden vor de orde.

Even voor tienen werden de deuren geopend en de eerste bezoekers stormden naar boven.

Een zeer luidruchtig volkje die Lissers, het was of het een schouwburgvoorstelling was en de mensen blij waren een goede plaats te hebben veroverd. Meisjes en vrouwen hadden een “snoepje” mee genomen……. Die publieke belangstelling, zich op deze wijze uitend, maakte een stotende indruk. Hier zou tenslotte worden beslist of twee mensen voor ’t gehele verdere leven naar de gevangenis verwezen zouden worden. De veldwachters geboden stilte waarna de beklaagden binnen werden geleidt, elk bewaakt door een veldwachter. Ze namen plaats in het bankje, even elkaar schuw aankijkend. De rechters kwamen uit de raadkamer en namen plaats. Nu zou men het horen…….

15 jaar cel

De president deelde dadelijk mede: – de rechtbank heeft beide beklaagden, de 45-jarige weduwe van den B. en haar 35-jarige gewezen commensaal van der L. – veroordeeld tot 15-jaar gevangenisstraf. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. Vooral bij de passages in het vonnis waarin werd geconstateerd dat zij met haar commensaal afgesproken had om met arsenicum haar man´ op te ruimen´. Ook bij de passages over het lijden van haar man, thuis en in ´t ziekenhuis.

Van der L. zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis. 15 jaren, de vrouw zal 60 jaar zijn als zij vrijkomt, de man 50 jaar. En jaren in de gevangenis tellen dubbel……..

Toen de president het vonnis mede deelde, klonk van de tribune een kreet van ontzetting.

Na het voorlezen van het vonnis werden de veroordeelden weggeleid.

Een verwoest gezin….

Vader vergiftigd, gestorven en begraven, moeder in de gevangenis.

De kinderen verstrooid en overgelaten aan de goedheid van andere mensen. Ook het kindje dat voor enkele maanden in de gevangenis het levenslicht heeft aanschouwd……..

Resumé:

Het aandeel van vrouwen onder de zware criminelen was in de negentiende en vroeg twintigste eeuw opvallend groot en niet gebonden aan enige regio. Wel waren in de havensteden deze aantallen wat hoger door de prostitutie en gauwdieverij onder vrouwen.

Ook in Lisse en omgeving zijn er gevallen waarbij de vrouw zich van haar man ontdeed bekent. Fysiek zwakker, bedienden zij zich meestal van enigerlei vergift, meestal in de vorm van arsenicum, welke in die dagen vrijelijk bij de Apotheek verkrijgbaar was ter bestrijding van ratten.

Zo ook bovenbeschreven Gerarda Hendrica (Ger) van der M.  Blijkens de verhoren komt naar voren dat haar huwelijk met Jan L. van den B. behoorlijk ontwricht was en Jan zich ontpopte als huistiran. Zij kreeg in totaal tien kinderen van hem waarvan de laatste, Hendrikus op 17 januari 1921 in de Haarlemse Koepelgevangenis werd geboren, waar Ger, hangende het moordonderzoek in voorarrest zat. Slechts drie kinderen zijn volwassen geworden…….

Gerarda Hendrica van der M. was geboren op 21 mei 1886 in Rijnsaterwoude als dochter van Pieter van der M., arbeider, en Cornelia van K. Zij trouwde op 12 september 1906 met Jan L. van den B. een 28-jarige arbeider bij de Gasfabriek in Lisse. Hij was geboren in Groningen op 3 april 1878 als natuurlijke zoon van Antje van den B. Hij is overleden in het ziekenhuis te Leiden op 24 september 1920.

Niet bekend is waar Gerarda Hendrica v.d. M. haar straf heeft uitgezeten, maar zij is teruggekeerd naar Lisse en aldaar op 3 maart 1957 overleden op 70-jarige leeftijd.

Casparus van der L. is niet gevonden in de archieven.

Bronnen:

Strafvonnissen Arr. Rechtbank Haarlem

Haarlems Dagblad 21-02-1921 blz.2/3

Haarlems Dagblad 28-02-1921 Blz. 1

Persoonsarchief Vereniging Oud Lisse

Crime and gender 1600-1900 Universiteit van Leiden

 

Bevolking van Lisse van 1795 tot en met 1913 door  A. Raaphorst Hz

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913.

Opgetekend door Arie de Koning

 1 juni 2020

 

De bevolking der Gemeente Lisse bedroeg in 1795  1062 personen.

 

Jaar                       Personen

1854                          1826

1860                          1732

1870                          1994

1880                          2648

1890                          2775

1896                          3489

1897                          3643

1898                          3776

1899                          3891

1900                          4009

1901                          4184

1902                          4426

1903                          4574

1904                          4614

1905                          4769

1906                          4915

1907                          5057

1908                          5245

1909                          5483

1910                          5759

1911                          5977

1912                          6102

1913                          6309

Bron:  A. Raaphorst Hzn,  Dagblad  Correspondent te Lisse

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913

 

 

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (2)

Sporen van vroeger (Lissernieuws)                                                           

21 april 2020  

 door Nico Groen

In de vorige column werd het dagboek van Henk van Ruiten tot 31 december 1944 weergegeven. Hieronder volgt het tweede deel van zijn dagboek. Het is getranscribeerd door Erwin de Mooij. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders. Hierna leest u een aantal stukjes uit het dagboek tussen 1 januari en 1 mei 1945.

 

“Begin januari hangen er bulletins aan de muren: mannen tussen 16 en 40 jaar moeten zich komen melden. De volgende morgen hangt er een blaadje onder van de verzetsbeweging, dat je je niet moet melden. Op weg naar mijn werk hoorde ik, dat de burgemeester en de ambtenaren met de burgerpapieren ondergedoken zijn.

Op 12 januari was het een rustige dag, met angst. De burgers mogen niet meer in het Keukenhofbos bomen omhakken. De SS houdt de wacht. Je mag ook geen bomen omzagen in de straten. Als de Duitsers het zien, krijg je zonder pardon de kogel.

 

Wij hebben bloembollentaart gegeten. Het viel mij honderd procent mee. Het is machtig, en voedzaam. De taart is op zijn lekkerst als hij koud is. Het is hier winterweer met sneeuw. Ik ben nu en dan op de weg, dan weer thuis aan het zagen en als het me te koud is, heb ik schrijfwerk of leeswerk of bollen schoonmaken voor de bollentaart. Die smaakt beter dan pulppannekoek of pulpbrood. Die heb ik vandaag ook gegeten, maar dat is geen eten. Ik word niet goed van binnen en ik moet er ’s nachts mijn bed voor uit om naar nummer 100 te lopen. Geef mij maar een Weerter Vlaaitje!

Vandaag 8 februari ben ik  thuis aan het delven in de grond. Dat valt niet mee op de 900 gram brood per week. ’s Avonds ga je naar bed met een waterbuik van de aardappelen. Je moet er 3 a 4 keer uit bed. Je wordt er beroerd van.

 

7 Maart. Er is razzia in Lisse. Ik was om 7 uur de deur uitgegaan, naar de Kerk, want het was Sint Jozefdag. In de Kerk werd gewaarschuwd. Ik bleef tot het einde van de mis en toen ging ik er uit. Maar het was niet gunstig, ze hadden al wat jongens te pakken! Ik ging de Kerk weer in en toen kwam er een kapelaan naar mij toe en die zei: Ga naar de toren! Ik ging naar de toren en daar waren meer jongens. Op het eind zaten wij met zijn zessen in de toren. Een prachtig uitzicht. Je zag de floeperts op de straat lopen, maar zij zagen ons niet. Thuis wisten ze dat ik in de Kerk zat. Ik heb van 8 uur tot 5 uur in de toren gezeten! De Duitsers hebben een heleboel fietsen, frames, banden en onderdelen meegenomen. De buit was groot.

Wij  hebben  vandaag, 10 maart, van het Zweedse Roode Kruis ons cadeau gehad en dat was per persoon 8 ons wittebrood en 125 gram margarine. Het smaakte heerlijk. Je zou er je tong bij inslikken! Wij zijn er uiterst zuinig mee, elke dag nemen wij er twee sneetjes van.

De NSB burgemeester heeft vandaag 30 maart, de benen genomen.

28 april. De Duitsers zijn het hier zat. Ze rammelen van de honger. Ze vragen aan de burgers: Hoe staat de toestand? En als de burger zeg: Berlijn is omsingeld, dan wrijven de Duitsers in hun handen. Het gaat goed, zegt de Duitser dan.”

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.
Foto: Oud Lisse

 

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.

Foto: Oud Lisse

Het oorlogsdagboek van Henk van Ruiten (1)

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                             

7 april 2020

door Nico Groen 

Henk van Ruiten was aan het begin van de hongerwinter (1944) een jongeman van 25 jaar. Hij woonde nog bij zijn ouders en zijn halfbroer Koos in de Wagendwarsstraat, tegenover De Taveerne. Vanaf november 1944 tot aan de bevrijding in mei 1945 hield Henk een dagboek bij.

Hij verhuisde in 1977 naar Nederweert bij Weert in Midden-Limburg. Daar had hij in 1939 zijn mobilisatie doorgebracht en in die tijd veel vrienden opgedaan. Hij woonde er tot aan zijn overlijden in 1998. Zijn executeur testamentair stuurde het dagboek naar het Gemeente Archief van Lisse. Een medewerker van dit archief, Erwin de Mooij, maakte een transcriptie van de oorspronkelijke tekst. Die was sterk fonetisch  geschreven omdat Henk niet had doorgeleerd. Het Nieuwsblad van de VOL van april 2005 publiceerde dit dagboek dat Van Ruiten schreef voor zijn Limburgse vrienden. Het is ingekort en bewerkt door wijlen Hans Smulders en Hier onder leest u een samenvatting van het gedeelte vanaf het begin van het dagboek tot 31 december 1944.

Geen stroom meer

Op 21 november 1944 heeft heel  Zuid- en Noord-Holland en Utrecht al dagen geen licht meer. Ook wij hebben geen licht meer. Je zit te turen en te gluren bij een klein petrolie-lampje. Een gezellige tijd voor de jongelui, die er een vrijer op na houden. Die kunnen nu scharrelen in het duister. Ik heb wat gepraktiseerd en op mijn slaapkamer een jampotje vol gedaan met water en op het water heb ik fietsenolie gegoten met een drijvertje erop. Dat gaat best. Het rookt wel wat, maar dat mag hem niet hinderen.

Vandaag 25 november heeft het bij ons in de buurt gespookt. Een paar dagen eerder wisten wij dat er in de Bollenstreek een razzia gehouden zou worden. ’s Morgens om 5 uur hoor ik een leven op de straat! Het ritselde van de Duitsers. Ik uit bed en iedereen wakker gemaakt. Gauw aangekleed. Ik had de avond tevoren de schuur achter in de tuin opengemaakt. Daar kon ik nog in komen. Ik deed de deur achter mijn hielen op slot. Naar mij konden ze fluiten.

Geen eten meer te koop

Vandaag op 4 december waren de Duitsers ’s avonds weer bezig. Ze hadden gefuifd en je begrijpt een heel beetje teveel gedronken. Ze schoten op een dame in een hoedenwinkel dwars door de winkelruit en op het Vierkant op een elektrische klok, enzovoort. Ze moesten de andere dag toch naar het front. De volgende dag zijn ze uit Lisse en omstreken vertrokken. God zij dank! Het was me een roversbende! Tot nu toe heb ik mijn fietsen nog. Allebei!

Wat is er toch een armoe en een hongersnood! De mensen uit de stad lopen de deur plat om eten. Ze hebben van alles bij zich om te ruilen voor voedsel, maar bij ons is het hopeloos, je kunt niets kopen, maar dan ook niets!

Op 31 december werd in alle Kerken een brief voorgelezen over hongersnood in de steden en over de zwarthandelaren. Onmenselijk. Het oude en het nieuwjaar hebben wij niet gevierd. Er is tegenwoordig toch niets aan, de moed raakt uit de mensen.

Foto: Henk van Ruiten scheef tijdens de oorlog veel meer in zijn dagboek dan hier vermeld.
Foto: Oud Lisse

In memoriam Frits Treffers. Frits was medeoprichter van de Vereniging “Oud Lisse”.  

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)   

17 december 2019

 door Nico Groen en Wim Bosch

 

Op 21 november 2019 is Frits Treffers (27 oktober 1932–21 november 2019) na een langdurige ziekte overleden. N.a.v. zijn geweldige bijdragen aan de Vereniging “Oud Lisse” werd Frits in 2015 tot erelid van onze vereniging benoemd. Hij werd benoemd tot lid van de Orde van Oranje Nassau tijdens het 25 jarig jubileum van de Vereniging ”Oud Lisse” in 2016.

Frits is in 1932 in Ned. Indië (Batavia) geboren en heeft daar zijn jeugd doorgebracht. Zijn vader, die beroepsofficier bij de KNIL was, werd in 1942 door de Japanners geëxecuteerd.  Hij is na de oorlog in 1947 met zijn moeder en zus naar Nederland teruggegaan. Frits is zijn leven lang verknocht geweest aan zijn jeugdervaringen in Ned. Indië. In Nederland werd Frits ingenieur door zijn studie aan de TU in Delft en werd daarna bouwkundig architect.

De dreigende sloop van de mooie bollenvilla’s Merenburgh, Magnolia en Buitendorp tegenover zijn huis Somalo was de aanleiding voor de oprichting van de Vereniging “Oud Lisse” in januari 1991.  Frits Treffers werd als medeoprichter bestuurslid van de Vereniging “Oud Lisse”. De villa Merenburgh werd eind 1991 helaas onverwacht gesloopt terwijl de bezwaarprocedure nog liep.

Station Lisse

Daarna heeft Frits zich als architect intensief ingezet voor het behoud van het oude monumentale station Lisse uit 1905, dat ook met sloop bedreigd werd. Na diverse gesprekken met NS werd er uiteindelijk overeenstemming bereikt. Daartoe werd, naast de Vereniging Oud Lisse, de Stichting Oud Lisse opgericht voor de restauratie en onderhoud van monumentale panden zoals het station. Frits speelde hierin een leidende rol. De Stichting Oud Lisse kwam met de NS overeen het stationscomplex tegen een gering bedrag te huren met als verplichting dat het pand op eigen kosten gerenoveerd en onderhouden zou worden.

Rijksmonument

Het prachtige resultaat was, dat met medewerking van de gemeente Lisse, het pand zelfs werd aangewezen als Rijksmonument! Om de restauratie te bekostigen werd de benedenverdieping van het station door de Stichting Oud Lisse verhuurd aan restaurant “De Verloren Koffer”, van John Nederstigt.

Daarnaast heeft Frits de leiding gehad van de werkgroep Bouwkundige Zaken, die in 1996 alle monumentwaardige panden in Lisse geïnventariseerd heeft. Het resultaat was het prachtige, uitgebreid beschreven boek “Registratie Waardevolle Panden in Lisse”.  Groepswandelingen door het dorp met Frits waren door zijn enthousiaste en flamboyante betoog een waar feestje. Frits was ook actief betrokken bij de totstandkoming van de gemeentelijke monumentenlijst in 2008. Hij werkte ook mee aan de uitgave van het boek “Wandel- en fietsroutes langs Monumenten in Lisse” uit 2010. Kortom Frits is voor heel Lisse en omgeving van grote betekenis geweest met zijn grote kennis van bouwzaken en monumentale panden.

Met het overlijden van Frits Treffers hebben we afscheid moeten nemen van een zeer gedenkwaardig bestuurslid, die we echter blijvend zullen gedenken en nooit zullen vergeten!

Foto: Een samengestelde foto van Frits Treffers met het station op de achtergrond
Foto’s: Frits Treffers van Arie in ’t Veld en het station van de Vereniging “Oud Lisse”

Burgemeester Von Bönninghausen stierf 100 jaar geleden

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                             

 3 december 2019

 door Nico Groen

Deze oud-burgemeester van Lisse stierf 100 jaar geleden in de trein op weg naar zijn familie.

Dokter Haase uit Lisse schreef een in memoriam in het Leidsch Jaarboekje van 1920. Deze voor de geschiedenis van Lisse belangrijke gebeurtenis is herontdekt door Ed Olivier. Het in memoriam is geplaatst in het laatste Nieuwsblad van 2019 van de Vereniging Oud Lisse. Dit Nieuwsblad is gratis voor leden en voor anderen voor € 5.00 te verkrijgen tijdens de inloop op dinsdagmorgen in de Vergulde Zwaan.  De volledige letterlijke tekst uit het Leidsch jaarboekje 1920, het orgaan van de toenmalige vereniging “Oud-Leiden”, staat hieronder.

 

In memoriam door dokter F.G.M. Haase

“Den 15 Maart 1919, op reis naar zijne familie te Tubbergen, overleed plotseling in den trein tusschen Deventer en Bathem Jhr. P. F. A. J. von Bönninghausen tot Herinckhave, burgemeester van Lisse. De heer von Bönninghausen, die gedurende ruim dertig jaren het burgemeestersambt heeft vervuld, stond bij de burgerij van Lisse in hoog aanzien. Hij werd geboren te Tubbergen op 9 Aug. 1858 op het landgoed Herinckhave, uit een adellijk geslacht. Hij genoot zijne opleiding aan het gymnasium te Rolduc en werd den 28en September 1888 benoemd tot burgemeestersecretaris van Lisse. Onder zijn bewind ging Lisse zeer vooruit en kwam ‘t meer en meer tot bloei. Het zielental verdubbelde, en de welvaart van de bevolking nam steeds toe. Het nieuwe postkantoor en raadhuis, de gasfabriek en de monumentale Rijkslandbouwwinterschool werden onder zijn beheer gebouwd. De gemeentezaken, met name de financiën, gingen hem zoo ter harte als golden ‘t zijne privébelangen. Door gepaste zuinigheid was hij er steeds op uit het belastingcijfer op een laag peil te houden. Nooit heeft hij zich zelf gezocht, doch was altijd vervuld van ijver voor zijne gemeente: zelfs in de latere jaren van zijn leven, toen een slepende kwaal zijne geestelijke en lichamelijke krachten langzaam sloopte. Zijne ziekte noodzaakte hem op een 1 December 1916 het secretariaat neer te leggen en over te dragen aan zijn opvolger den heer de Haan. Burgemeester von Bönninghausen was een edelman van den ouden stempel. In voorkomen en optreden was hij op en top de aristocraat en gezagsman, die een ieder respect wist af te dwingen. Hij bezat de gave met een ieder, zonder onderscheid van rang of stand om te gaan. Het ,,noblesse oblige” verloor hij daarbij nooit uit ‘t oog. Hij was overtuigd Katholiek: als burgemeester strikt rechtvaardig en onpartijdig. Onoprechtheid en draaierij waren hem een doorn in ‘t oog. Zijn prikkelbaar temperament leidde hem, vooral in zijne hoedanigheid als hoofd der politie, niet zelden tot uitvallen van rechtmatigen toorn, die den verdachte tot de orde, en niet zelden tot bekentenis brachten. Een krachtige persoonlijkheid als de ontslapene, die zulk een groot deel van zijn welbesteed leven heeft gegeven voor het welzijn zijner gemeente, zal niet licht worden vergeten en zijne nagedachtenis zal ongetwijfeld, vooral bij de ouderen in de gemeente Lisse, in hoog aanzien blijven.

Lisse,  31 Jan. 1920.                                                 F. G. M. HAASE”

 

Aldus het in memoriam van dokter Haase. In 1934 werd de burgemeester voor al zijn verdiensten voor Lisse geëerd doordat een straat naar hem genoemd werd: de Von Bönninghausenlaan. Dit was en is een statige straat met zijn karakteristieke jaren dertig huizen.

Foto: De Von Bönninghausenlaan uit 1934 ziet er nog steeds beeldbepalend uit voor die bouwperiode.
Foto Nico Groen

 

IN MEMORIAM TON SCHRAMA : 4 juli 1943 – † 11 juni 2019

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

We hebben geen foto voor handen van onze zeer gewaardeerde VOL-Vriend, maar zijn beeltenis hebben we nog
scherp op ons netvlies staan. Ton was een gezellige noot binnen de vereniging. Als je Ton nodig had hoefde je nooit aan te dringen, helpen was voor Ton een vanzelfsprekendheid! De laatste tijd ging het allemaal niet meer zo vanzelf, helaas zagen we Ton steeds minder, maar als hij een goede dag had was hij toch weer van de partij en parkeerde hij zijn scootmobiel pal voor de deur. Ton hielp vaak bij het opzetten van verschillende fotoexposities bij de Bibliotheek, museum “De Zwarte Tulp” en bij de zorgcentra Rustoord en Berkhout. Het was opvallend hoeveel mensen hij daar kende. Als het even kon dan maakte hij met iederéén een praatje, vrijwel altijd haalde hij dan wel zijn truckers verleden even aan, want vrachtwagenchauffeur was hij nog steeds in hart en nieren. Ton heeft enorme afstanden afgelegd in zijn chauffeurscarrière. Ook voor deze kilometervreter kwam het tot zijn laatste rit. Veel bestuursleden en vrijwilligers hebben zijn afscheidsplechtigheid bijgewoond op 17 juni 2019 in het Crematorium Duin- en Bollenstreek in Lisse.
Wij van VOL wensen Marga en de kinderen heel veel sterkte toe.

Aagje Deken- en Betje Wolffstraat

Betje Wolff en Aagje Deken zijn femistische schrijvers uit de 18e eeuw.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

4 juni 2019

door Nico Groen

De Vrouwenpolder is een wijk met straatnamen van bekende Nederlandse dames. De Gemeente Lisse heeft deze wijk ‘Vrouwenpolder’ genoemd. Dat is een heel misleidende naam. De wijk ligt niet in een speciale polder met die naam, Het is gewoon een wijk van Lisse en zou eigenlijk ‘Vrouwenwijk’ of ‘Vrouwenbuurt’ moeten heten. Hopelijk wordt dit nog eens veranderd. Maar wie zijn al die vrouwen in de Vrouwenpolder?

De kruising van de Betje Wolffstraat met de Aagje Dekenstraat.

Zo is er bijvoorbeeld de Aagje Dekenstraat, een zijstraat van de Ruishornlaan richting het oosten naar de Rooversbroekdijk en de Betje Wolffstraat, die de Aagje Dekenstraat kruist. Aagje Deken was een bekende schrijfster. Agatha Pieters werd geboren in 1741 in Nes aan de Amstel in het huidige Amstelveen en overleed in 1804 op 62-jarige leeftijd. Volgens Wikipedia waren haar ouders arm en al jong overleden. Daarom werd zij opgevoed in een weeshuis van de Collegianten, een vrijzinnige stroming waar geestelijke literatuur op een hoog niveau stond. Ook werd daar gediscussieerd over theologie en filosofie. Zij verbleef daar tot 1767, toen zij al 26 jaar was. In 1769 werd zij doopsgezind.

In één van haar 9 boeken schrijft zij over dit weeshuis: “De meisjes hebben het daer voor hunnen stand in de waereld al te wel: men leert haer daer denken!” In het weeshuis is dus de grondslag voor haar latere literaire werk gelegd. Ze had eerst verschillende dienstbetrekkingen. Later begon ze een koffie- en theehandeltje.

Haar eerste boek ‘Stichtelijke gedichten’, uitgegeven in 1775, schreef zij samen met Maria Bosch, die in 1773 was overleden. Aagje was enkele jaren mantelzorgster geweest voor Maria, die ernstig ziek was.

Aagje ontmoette in 1776 Betje Wolff-Bekker. Zij wisselden literaire informatie uit. Betje had een onstuimig karakter en wilde ideeën. Haar moeder had ze al jong verloren en haar vader was haar opvoeder. Ze trouwde op 21 jarige leeftijd in 1759 met de 52-jarige dominee en weduwnaar Adriaan Wolff uit de Beemster. Zijn enige dochter uit zijn eerste huwelijk ging toen het huis uit. Het nieuwe echtpaar bleef kinderloos.

In 1763 debuteerde Betje met de bundel ’Bespiegelingen over het genoegen’. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Betje samenwonen in De Rijp met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. Hun eerste gemeenschappelijke werk was ‘Brieven’. In 1781 erfde Aagje ruim 13.000 gulden en de twee gingen in het buiten ‘Lommerlust’ in Beverwijk wonen. Ze schreven daar samen nog de ‘Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart’, dat een groot succes werd, en de ‘Historie van den heer Willem Leevend’.

Vanwege hun patriottische sympathieën en uit onvrede met de situatie in eigen land (na het neerslaan van de opstand van de patriotten in 1787) verhuisden zij in 1788 naar Trévoux bij Lyon. In 1789 verscheen ‘Wandelingen door Bourgogne’. Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haag gingen wonen. Aagje Deken stierf daar uiteindelijk, op 14 november 1804, negen dagen na Betje Wolff, die in 1738 was geboren. Beiden werden begraven op de begraafplaats’Ter navolging’ in Scheveningen.

Zowel in Amstelveen als in Vlissingen (geboorteplaats van Betje) zijn monumenten opgericht; respectievelijk een bronzen beeld van een zittende en staande vrouw die samen een boek lezen en een fontein. Ook is er sinds 1952 in de Beemster een Betje Wolffmuseum in de pastorie waar zij en haar en haar man van 1759 tot 1777 hebben gewoond.

Foto: De kamer van Betje Wolff in het Betje Wolffmuseum in De Beemster
Foto: Historisch Genootschap Beemster

Kruising van de Aagje Dekenstraat met de Betje Wolffstraat.