Berichten

Belgische burgervluchtelingen in Lisse in de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918)

Ongeveer vijfhonderd Belgische burgervluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog werden tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 in Lisse opgevangen.

Bert Kölker

In memoriam Bert Kölker

Bert heeft het boekje grenspalen en het boek Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839) geschreven.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

24 april 2018

Door: Nico Groen

Onlangs ontving de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” het trieste bericht dat dr. A.J. Kölker (Bert) op 20 januari 2018 was overleden. Bert is 87 jaar geworden.
Bert is in 2015 vanuit Lisse (Jan Steenstraat 41) verhuisd naar  het verpleeghuis Mariënhaven te Warmond vanwege zijn Alzheimer ziekte. Hij is begin  2017 door zijn ernstiger wordende dementie, verhuisd naar een gesloten afdeling in het verpleeghuis Van Wijckerslooth in Oegstgeest, waar hij is overleden. Hij heeft in zijn leven vele archieven geïnventariseerd en onderzocht, wat geresulteerd heeft in vele boeken en artikelen.

Bert Kölker

Bert Kölker

Zijn betekenis voor de VOL

Bert heeft na zijn pensioen als provinciaal archivaris van de provincie Noord Holland veel onderzoek gedaan voor “Oud Lisse”. De resultaten hiervan zijn o.a. in twee boeken uitgegeven: in 2010 verscheen het boekje “Grenspalen te Lisse” en daarop aansluitend in 2013 het boek “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839)”. Beide boeken zijn nog verkrijgbaar bij de VOL. Het boekje over grenspalen is in A5 formaat met kleurenfoto’s van alle bekende grenspalen in Lisse met een omschrijving van iedere grenspaal en waar deze te vinden is. Ook worden er voormalige Hekpalen van Donjon Dever en van de buitenplaatsen Roozendaal, Grotenhof en van Veenenburg beschreven. Daarnaast zijn in het boekje van de wapenstenen van huize Halfweg en Zandvliet interessante gegevens opgenomen.

Cornelis van der Zaal had zijn werkplaats aan het Vierkant, waar nu museum De Zwarte Tulp is gevestigd. Hij maakte aan het einde van zijn leven een compleet overzicht (kroniek)  voor zijn zoon van de door hem verrichte werkzaamheden aan alle (ca 22!) door hem gebouwde  en/of onderhouden molens in Lisse en omgeving. Naast molenmaker  was Cornelis ook  als timmerman betrokken bij diverse bouwprojecten. Het handschrift is door Bert Kölker getranscribeerd (hertaald)  en voorzien van commentaar bij de geschiedenis van de in de Kroniek genoemde molens, geïllustreerd met ca. 100 oude prenten, foto’s en andere afbeeldingen. Kortom een uniek manuscript van belang voor de lokale en regionale historie. Dat schrijven over molens was aan Bert goed besteed, want hij was jarenlang bestuurslid van de ‘Vereniging Hollandsche Molen’. Een beter geschikt persoon om het dagboek van Cornelis van der Zaal deskundig te transcriberen en relevante archieven te onderzoeken was er niet te vinden.

Ook heeft Bert heel veel vrijwilligerswerk gedaan voor het Westfries Genootschap. Voor het vrijwilligerswerk werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau. De Vereniging Oud Lisse heeft hem tot Erelid van de vereniging benoemd op 10 februari 2016 en hem toen een ereoorkonde van Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” verstrekt.
Wij zullen hem altijd blijven herinneren als een vriendelijke, beschaafde en bijzonder aardige man en zeer deskundig op gebied van archiefonderzoek.

DE WINKEL VAN TISSING EN ZIJN VOORGANGERS Deel I: Eerste eigenaren en bewoners, 1860-1905

Het huidige gebouw op de hoek van de Kanaalstraat en de van der Veldstraat is in 1938 gebouwd. Het huis daarvoor was in 1911 gebouwd. Daarvoor stond er ook al een gebouw van rond 1860. Dit is gebouwd door Karel Lindaart. Zijn wel en wee wordt besproken. Johannes Barnhoorn was de eerste bewoner. De overige eigenaren tot 1905 komen aan de orde.

Door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Inleiding

De laatste tijd is de fraaie, typisch jaren dertigachtige, winkel van Tissing, gelegen op de hoek van de Kanaalstraat en de Van der Veldstraat, even onderwerp van debat geweest. Even was men bevreesd dat het, daar het gebouw recentelijk een nieuwe eigenaar heeft gekregen, met het markante bouwwerk dezelfde kant op zou gaan als bijvoorbeeld het sigarenmagazijn Juliana, er vlak tegenover. Dat zou dan neerkomen op….sloop! Gelukkig zijn de plannen van de kersverse eigenaar niet zodanig ingrijpend dat dit gedeelte van de Kanaalstraat opnieuw ontdaan zou worden van een op zich fraai monument en beeldbepalend pand. Men ontkomt er echter niet aan om het inwendige aan een verbouwing te onderwerpen, maar me dunkt dat we daarmee kunnen leven…
Reden te meer echter om eens terug te blikken met betrekking tot dit interessante stukje van Lisse. Er is daarbij – gelukkig! – zoveel informatie tevoorschijn gekomen dat we dit ´terugblikken´ vervatten in meerdere delen.
In dit eerste deel komt de negentiende eeuw aan bod.

Daarbij moet evenwel niet het idee ontstaan bij de ongetwijfeld zeer geïnteresseerde lezer dat de huidige ´winkel van Tissing´ al uit die tijd zou stammen. Zoals reeds opgemerkt stamt het huidige gebouw uit de jaren dertig (bj. 1938). Het heeft echter een tweetal voorgangers gekend. Zo heeft er vóór 1938 ook een winkel gestaan die wat betreft datering terugging tot in 1911. Het huis dat daar weer voor gestaan heeft, stamde echter inderdaad uit de negentiende eeuw. Het was rond 1860 gebouwd door Karel Lindaart als arbeiderswoning. Maar wie is nu die Karel Lindaart?

Karel Lindaart (1817-1862)

Karel werd in 1817 geboren te Schermerhorn als zoon van een chirurgijn. Zijn ´roots´ lagen dus niet op Lissese bodem. Hij heeft het in het leven niet altijd even makkelijk gehad. Als de kleine Karel nog maar 13 jaar oud is, overlijdt zijn vader. Zijn moeder volgt op Oudejaarsavond van het jaar 1847. De feeststemming op de overgang naar het nieuwe jaar zal dus wel enigszins getemperd zijn geweest. Toch weet Karel zich weer te ´herpakken´ en op 7 mei 1848 treedt hij te Zaandam in het huwelijk met Geertje Timmerman. Bij die gelegenheid wordt hij voor het eerst timmerman genoemd. In hetzelfde jaar, om onbekende redenen tot dusver, verhuist hij naar Lisse. Hij neemt zijn intrek in een huis aan de Kanaalstraat (die tot omstreeks 1910 Broekweg werd genoemd), aangeduid met het huisnummer 177. Daar we weten, vanuit reeds eerder gedaan ´naarstig´ onderzoek, dat huisnummer 180 was toegekend aan Het Hofje, moet nummer 177 drie huizen verderop in de richting van de Heereweg gestaan hebben. Daar wordt ook het eerste kind geboren, genaamd Brigitta. We schrijven dan 24 december 1849. De gevoelens van Klaas zullen wel zeer gemengd zijn geweest, daar bijna exact twee jaren ervoor zijn moeder het leven liet in het sterfbed. We hebben echter de indruk dat Karel Lindaart niet bepaald de persoon was die bij de pakken neer ging zitten. Het wordt ´gezellig druk´ daar in huisnummer 177, want in de komende jaren worden er nog drie zonen en twee dochters geboren. Ook fi nancieel gaat het onze timmerman voor de wind en zo koopt hij dan in 1857 een huis met grond aan de andere zijde van de Kanaalstraat, ter plaatse van de huidige pizzeria en Dreijer Optiek. De verkoper van het huis is Pieter Hendrik Koppeschaar. 1

 Het jaar 1858

Het jaar 1858 verloopt voor Lindaart niet zo heel voorspoedig. In april komt zijn negenjarig dochtertje Brigitta te overlijden. De maand november verloopt zelfs nog slechter. Binnen een periode van 10 dagen (16 november-19 november 1858) overlijden zijn twee zusters Antje en Aagtje én zijn broers Jan en Willem! Een oorzaak is moeilijk aan te geven. Het is echter mogelijk dat er een epidemie gewoed heeft in de Haarlemmermeerpolder, waar Antje en Aagtje stierven. Juist in 1858 brak daar namelijk moeraskoorts uit. Jan overleed echter te Schermerhorn. Het is onbekend door welk lot hij getroffen werd. Of moeten we denken aan een landelijke epidemie? Zo was er in 1859 sprake van een choleraepidemie in Nederland. Hoewel de genoemde sterfgevallen allen in 1858 plaatsvonden, kan het zijn dat de eerste verschijnselen zich al aan het einde van laatstgenoemd jaar openbaarden. Overigens bracht het jaar 1859 voor Karel Lindaart ook al geen prettig nieuws: nog maar net was zijn vrouw bevallen van een dochter, Brigitta (genoemd naar het in april van het vorige jaar gestorven dochtertje), of ook dit kind komt hem op 27 augustus te ontvallen. Tenslotte overlijdt ook zijn echtgenote op 17 december 1859. Karel zal wel gedacht hebben, waar hij het allemaal aan verdiende. Zoveel ongeluk in zo weinig tijd…

Bouwactiviteiten,

1860 Karel Lindaart leefde in een tijd waarin alles maar heel relatief was: op het ene moment was er sprake van geluk door de geboorte van een kind of een andere blijde gebeurtenis en het andere moment bracht hoofdzakelijk ziekte en tenslotte de dood met zich te weeg. Karel wist er alles over te vertellen. Misschien – wie zal het nog kunnen navertellen? – was dat de reden dat hij in 1860 iets wilde doen om het leven van de arbeider wat aantrekkelijker te maken, door voor hen een woning op te trekken aan de andere kant van de Kanaalstraat. En dit is precies op de plek van de latere winkel van Tissing. 2

We weten niet precies hoe deze woning er uit heeft gezien. Wél beschikken we over een aantal kadastrale minuutplannen van Lisse uit 1888. Ook de Kanaalstraat is in beeld gebracht (zie afb. 1). Deze bevindt zich aan de rechterzijde van de kaart. Helemaal bovenaan loopt de Heereweg. Links tenslotte de Grachtweg met zijn typische bocht ter hoogte van het ´kaaspakhuisje´. Wij concentreren ons echter op de Kanaalstraat. Lindaart woonde in het huis, kadastraal aangeduid met het nummer 960. Een aantal huizen verderop, richting de Kapelstraat, bevindt zich het in 1883 gebouwde Hofje.3 De afzonderlijke woningen staan op de kaart aangeduid met de kadastrale nummers 829 en 1183 tot en met 1186. De woningen daaronder werden in 1881 door Jan Jacob Guldemond gebouwd. Hier eindigde de bebouwing aan de Kanaalstraat. Aan de andere zijde van de straat hield de toenmalige bebouwing op bij de nummers 1211 en 1212. Op laatstgenoemd perceel bevindt zich de in 1888 nog vrij nieuwe woning van kaashandelaar Martinus Romijn. De woning daarboven is de in 1860 door Karel Lindaart gebouwde arbeiderswoning. Daarnaast zou in 1905 de Van der Veldstraat aangelegd worden. Zoals we zien, bevindt zich ter plaatse van de pizzeria en Dreijer Optiek een blok woningen, eveneens gebouwd door Karel Lindaart in 1860.

Eerste bewoners

Het is goed mogelijk dat Lindaart in deze nieuwe arbeiderswoning zijn personeel ondergebracht heeft. Zoals we weten oefende hij het beroep van timmerman uit. Eén van de eerste bewoners, te weten Johannes Barnhoorn, was inderdaad timmermansknecht. Dat hij ook nog een band had met Lindaart blijkt wel uit de vermelding van een tweetal kinderen uit het gezin van Lindaart op dit adres. Het gaat om Hermanus (geb. 1855) en Johannes (geb. 1856). De redenen voor deze inwoning door twee van de kinderen Lindaart is niet duidelijk geworden tijdens het onderzoek. Maar Johannes Barnhoorn en Karel Lindaart moeten in ieder geval een zeer nauwe en vriendschappelijke band met elkaar onderhouden hebben. Hoogstwaarschijnlijk werkte Johannes in het timmermansbedrijf van Lindaart.
Johannes Barnhoorn is overigens de grootvader van de bekende Lissese architect Cornelis Willibrordus (Cees) Barnhoorn (1895-1980). Hij was de oudste in een gezin van zes kinderen. Zijn vader, Simon Franciscus, was een zoon van Johannes, de timmermansknecht uit het bedrijf van Karel Lindaart. Johannes werd in 1827 geboren te Hillegom. Hij trad in 1858 in het huwelijk met Cornelia Schuts, die ook in het Hillegomse was geboren in 1830. Zijn gezin bestond anno 1872 uit vier dochters en drie zonen. In hetzelfde jaar koopt hij de woning Grachtweg 5 van Johannes van Beek. Hoogstwaarschijnlijk is hij daar ook gaan wonen, wat hem ongetwijfeld wat meer comfort gebracht zal hebben dan de arbeiderswoning aan de Kanaalstraat. In deze woning is hij in 1906 ook overleden. Zijn vrouw was hem reeds eerder in de dood voorgegaan, namelijk in 1895. In 1924 werd Grachtweg 5 verkocht aan onder meer Cornelis Willibrordus (de architect), die het nog in hetzelfde jaar overdroeg aan Clara Ottilia Maria Paardekooper. Was zij familie van de bekende Aad Paardekooper? Ook hij was architect. In 1946 ging hij een samenwerkingsverband aan met Barnhoorn onder de naam Architectenbureau Paardekooper en Barnhoorn. Zij hebben onder deze naam een aantal markante gebouwen ontworpen in Lisse, zoals de Mariakerk.
Een andere bewoner van het eerste uur was Gerardus Marseille, geboren te Lisse in 1836. Hij staat te boek als ´arbeider´. Verder komen we rond 1860 als bewoner tegen Cornelis Hassing (1839-1902). Daarover wat meer in de volgende paragraaf.

Eigenaren van 1860 tot 1905

Inmiddels was in 1862 Karel Lindaart op zijn verjaardag (7 april) overleden. Hij had als lidmaat van de Rooms-Katholieke Kerk wél het H. Oliesel ontvangen, maar hij was ´te zwak voor de laatste sacramenten’. Zo ging dan degene met wie we de geschiedenis van het latere Tissing zijn begonnen op de relatief jonge leeftijd van 45 jaar heen.

De nalatenschap was met schulden belast, want op 23 mei 1862 wordt in de Opregte Haarlemsche Courant melding gemaakt van de openbare verkoop ten sterfhuize van Karel Lindaart van ´meubelen en verderen inboedel, houtwaren, timmermansgereedschappen etc.´. Tenslotte werd ook de arbeiderswoning verkocht. Dirk Dominé mocht zich de nieuwe eigenaar noemen. Hij verkocht het op zijn beurt in 1864 aan Cornelis Louwen en in 1865 werd Johannes van Rossum eigenaar. In 1867 kwam de woning in handen van Cornelis Hassing, die we hiervoor al als – kennelijk niet geheel onfortuinlijke – bewoner zijn tegengekomen. Tot zijn dood in 1902 is hij eigenaar gebleven. Zijn weduwe, Helena Francina Versteege (1837-1919), is na die tijd gaan wonen ter plaatse van het huidige Heereweg 249 en in de zogenaamde ´huisjes van Steenvoorden´ tegenover de Ned.-Herv. Kerk.

Conclusie

Ter plaatse van de latere winkel van Tissing stond in de negentiende eeuw een vrij eenvoudige arbeiderswoning, gebouwd rond 1860 door Karel Lindaart. Helaas beschikken we niet over een afbeelding van dit huis. Na zijn dood in 1862 ging de woning over in verschillende handen, totdat het in 1867 gekocht wordt door één van de bewoners, namelijk Cornelis Hassing. Erg opvallende zaken lijken er op dit interessante plekje van Lisse nooit te zijn gebeurd, maar interessant is wel te vernemen dat één van de eerste bewoners de grootvader van architect Kees Barnhoorn is geweest. Ook de naam Marseille komen we in Lisse nog veel tegen. In het volgende deel zullen we de periode na 1905 behandelen.

Bronvermelding

Erik Vergunst, Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden (Schoonhoven 2007).
Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters en DTB-registers.

  1. Hij was in 1838 aangesteld door ´Burgemeester en Assessoren´ (College van BenW) als bode, aanplakker en omroeper en woonde met zijn gezin van 1850 tot 1856 in de woning Grachtweg 1a. Eén van de affi ches die hij aan had moeten plakken, vond uiteindelijk een weg in een grote spleet van een balk van het huis dat hij bewoonde. Vele decennia later haalde de huidige bewoner van het huis hem weer tevoorschijn.
  2. In hetzelfde jaar liet hij overigens de in 1857 gekochte woning (ter plaatse van de huidige pizzeria) slopen en er een blok van vier woningen bouwen.
  3. Over de geschiedenis van Het Hofje en zijn bewoners kan de lezer meer vernemen in het Dever Bulletin (meerdere afl everingen) en de monografi e daarover, waarin deze afl everingen zijn samengebracht door de heer Dol te Lisse.

In de collectie van Tissing bevindt zich deze foto van een winkelpand op een onbekende locatie, dat sterke gelijkenis vertoont met de winkel van Tissing zoals deze in 1938 tot stand kwam. Heeft Egbert zich hierdoor laten inspireren?

De geschiedenis van de boerderij De Phoenix te Lisse.

De relatie met de buitenplaatsen Wassergeest en de Grotenhof (Knappenhof) in Lisse en de bewoners van de boerderij.

Door G. Schrama

Een samenvatting staat in het Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

Tijdens mijn stamboomonderzoek kwam ik een roman tegen genaamd ”In de schaduw der molenwieken, een Lisser familieroman uit de Patriottentijd (1774-1796)” door Joh. Dekker. Ter afwisseling van het jarenlang zoeken in archieven, Internet, literatuur e.d. heb ik dit boek gelezen. Maar zelfs in dit boek kwam ik een Schrama tegen en wel Karel Schrama. De auteur omschrijft in zijn boek Karel als volgt : “Hij was de kromme, maar olijke pachter van de grote boerderij genaamd ”de Phoenix” welke beschut gelegen was tussen de uitlopers van het Reigersbos aan de (oude) Es(ch)laan.” In eerste instantie kon ik nergens iets vinden over een Karel die boer was op De Phoenix in de Patriottentijd (1774-1796). Ik had wel een Karel in mijn stamboom, maar die was geboren in 1799, na de Patriottentijd. Ik ga ervan uit dat het over dezelfde Karel ging en het “een dichterlijke vrijheid” was van Joh. Dekker in zijn boek. Ook kwam er iets totaal onverwachts “boven water”. Verderop in deze publicatie is dat te lezen in de paragraaf “De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)”

Algemeen

In deze publicatie wordt de geschiedenis van de boerderij De Phoenix gevolgd middels de eigenaren van de boerderij, die meestal niet zelf op de boerderij woonden, en middels hun pachters met als belangrijkste pachter uiteraard Karel Schrama. De eigenaren van de buitenplaats Grotenhof (tot circa 1765 Knappenhof genaamd) en van de buitenplaats Wassergeest waren in de loop der eeuwen tot 1959 vaak ook eigenaar van de boerderij De Phoenix.
Op de eerste regel van de hierna volgende hoofdstukken staat tussen haakjes de periode waarop het hoofdstuk betrekking heeft.
Jonkheer Adriaen van der Laen / Adriaen Maertensz. Block (1630-1662)
Het begon met Jonkheer Adriaen van der Laen, hij kwam uit een Haarlems geslacht, was stadhouder 1) der lenen van Dever en rentmeester van Rijnland. De Jonkheer koopt in 1630 van Jacob van Bouxtel een duinmeierswoning 2) gelegen aan de rand van het Keukenduin tussen de huidige Es(sen)laan 3) en de Spekkelaan 4). Deze duinmeierswoning werd later De Phoenix genoemd.

Wassergeest

Ligging van vaarten, wegen, huizen en sloten die deel hebben uitgemaakt van het Wassergeest-bezit, getekend door Th.J.M. Pex. Bron : boek Wassergeest te Lisse, R.J. Pex

Deze woning werd toen (in 1630) bewoond door Dirk Gerritsz de Monninck. Voor die tijd woonde er in 1603 de duinmeier Jan Gerritsz de Monninck, zij waren waarschijnlijk broers. Van der Laen geraakte echter in financiële moeilijkheden en in 1644 werd zijn zwager Adriaen Maertensz. Block eigenaar van de duinmeierswoning. Block was niet van adel, maar had geluk gehad “op zee”. Hij had zich zo een belangrijke positie verworven, was eigenaar van het Huis Ter Specke en stichter van de buitenplaats Keukenhof. Adriaen van der Laen was in 1660 de stichter van de buitenplaats Wassergeest. De nieuw gebouwde woning op de buitenplaats zag er uit als een herenboerderij. Blijkbaar verwisselen beide heren weer qua eigenaarschap van de duinmeierswoning want van der Laen was in 1662 weer verkoper van de duinmeierswoning. De verwisseling van eigenaar is (nog) niet onderbouwd door gegevens uit bronnen, maar is gebaseerd op de hierna volgende verkoop aan Pieter Six.
Pieter Six / Pieter Six Pietersz. / Pieter Six Pietersz. Jr. (1662-1763)
Pieter Six erfde in 1654 de Lissese goederen (waaronder Knappenhof) van zijn moeder Anna Wijmer en heeft het bezit aanzienlijk uitgebreid. Hij slaat in 1662 een grote slag en koopt onder andere van Adriaen van der Laen de duinmeierswoning aan de rand van het Keukenduin. Dit was het begin van drie generaties Six als eigenaar van de buitenplaats Knappenhof en de duinmeierswoning. Achtereenvolgens waren dat :
Pieter Six van 1662 tot zijn overlijden in 1680 en daarna zijn weduwe tot haar dood in 1689
hun zoon Pieter Six Pietersz. van 1689 tot zijn dood in 1703
Pieter Six Pietersz. Jr. was in 1703 nog minderjarig, maar in 1712 nam hij de erfenis dankbaar in ontvangst. Hij trouwde in 1716 met Geertruid van der Lijn, hij overleed in 1755 en zijn weduwe in 1763.

De buitenplaats Knappenhof.
Bron : het boek “Rhynlands fraaiste gezichten” door Abraham Rademaker, uitgegeven in 1732, maar gebaseerd op oudere prenten o.a. van 1630.

Pieter Six Pietersz. Jr. heeft diverse hoge posten bekleed zoals schepen en burgemeester van Amsterdam, kapitein der Burgerij, Commissaris van de Artillerie en Fortificatie, ambachtsheer van Amsterdam, Sloten en Sloterdijk, bewindhebber van de VOC, heemraad, schepen en hoofdingeland 5) van de Watersgraafmeer.
Achtereenvolgens waren de volgende personen van 1693 tot 1730 bewoners van de duinmeierswoning : Floris Cornelisz. de Vlieger, Engel Jansz. Koster en Crijs Arisz. van Breedloosbergen (of Brelofsbergen).
Floris Cornelisz. de Vlieger was vanaf 1693 de pachter en van beroep was hij duinmeier. In die functie moest hij het Keukenduin, voor zover dat in handen was van de heer Six, beheren. En daar hoorde uiteraard bij dat hij regelmatig de nodige konijnen op de Knappenhof moest bezorgen. Maar Floris zal zelf ook wel van dat kostelijke wild genoten hebben. Floris huurde ook loosters 6) ter grootte van circa vijf morgen. Hij verbouwde dus ook een en ander of had misschien koeien. Na onenigheid met de Heer Six over het betalen van de huur is Floris in 1697 vertrokken.
Floris werd opgevolgd door Engel Jansz. Koster, die in 1698 alweer was vertrokken, naar Haarlem.
Van 1698 tot circa 1730 was Crijs Arisz. Van Breedloosbergen de pachter. Hij moest vanaf 1699 tien jaar lang 330 gulden per jaar betalen voor de huur van een stuk Keukenduin en de duinmeierswoning.
Vrouwe Geertruid van der Lijn / Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria (1763-1784)
Vrouwe Geertruid van der Lijn , de weduwe van Pieter Six Pietersz. Jr, was een tante van Cornelis Jacob van der Lijn en zijn zuster Anna Maria. Na het overlijden van tante Geertruid erfde in 1765 Cornelis Jacob onder andere het huis Knappenhof en Anna Maria onder andere de duinmeierswoning. In 1764 werd de buitenplaats nog “Knappenhoeff” genoemd maar in 1765 wordt het buiten van Cornelis Jacob de naam “Grootenhoff” toegedicht. In 1776 is Anna Maria van der Lijn overleden en komt haar bezit, conform het testament van Vrouwe Geertruid Six – van der Lijn, in handen van haar broer Cornelis Jacob. Door schulden moest Cornelis Jacob van der Lijn in 1782 Grotenhof verkopen en in 1784 de duinmeierswoning.
Cornelis Jacob was een zoon van een belangrijk ambtenaar in Alkmaar en als kind vallen hem al ereambten ten deel. Hij was kerkmeester van de Nieuwe kerk, later regent van het Burgerweeshuis, koopman, assuradeur en Kapitein van de Amsterdamse Burgerij. Meer informatie over het geslacht van der Lijn is te vinden op de site van de gemeente Alkmaar.

Appolonius Jan Cornelis Lampsins (1784-1796)
In 1784 kocht Appolonius Jan Cornelis Lampsins de duinmeierswoning met de bijbehorende 26 morgen grond. Hij was zowel eigenaar van de buitenplaats Grotenhof (1782) als van de buitenplaats Wassergeest (1783). Gerrit Pietersz. Langeveld was in 1784 en ook nog in 1786 de pachter van de duinmeierswoning. De naam De Phoenix komen we voor het eerst tegen in 1789 als de boerderij door Appolonius Jan Cornelis Lampsins te koop wordt aangeboden. In een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 2 mei 1789 staat “Een capitale BOERENGEBRUIKER, genaamd DE PHOENIX (…)”. In de jaren daarna leest men ook wel eens “De Phenix” of “De Phaenix”. “Phoenix” betekent zoveel als “uit de as herrezen”. Blijkbaar is de boerderij, ergens tussen 1786 en 1789, afgebrand en daarna weer opgebouwd. De boerderij is later nog een keer afgebrand toen Karel Schrama de pachter was.
Appolonius Jan Cornelis Lampsins moest, wegens schulden, in 1790 zowel Grotenhof als Wassergeest verkopen. In de verkoop van Grotenhof is begrepen ‘Een kapitale BOERENBRUIKER (pachthoeve), genaamd DE PHOENIX, met deszelfs Huismans Wooninge, Stallinge, Schuur, Bergen, etc’.! De Grotenhof wordt echter zonder De Phoenix verkocht. De Phoenix blijft in het bezit van Lampsins tot hij het in 1796 verkoopt aan het tweetal Willem Walman en Cornelis Heemskerk, beide afkomstig uit de Vogelenzang. 7)
Appolonius Jan Cornelis Lampsins was kerkmeester van de Oosterkerk, Kapitein van de Burgerij, Bewindhebber van de West-Indische Compagnie, directeur van de kolonie Suriname en lid van de Raad van de Vroedschap van Amsterdam. Daarna was hij Baljuw van Vlissingen.
Willem Walman en Cornelis Heemskerk / zijn zoon Cornelis (1796-1805)
In 1800 en 1801 staat het tweetal hun aandeel in De Phoenix af aan Cornelis Heemskerk junior, de zoon van Cornelis Heemskerk. 8) In het begin gaat het heel goed met het boerenbedrijf van Cornelis Jr., maar op 18 juli 1805 is hij genoodzaakt zijn gehele bezit af te staan aan Daniel Pompejus Johannes van der Staal van Piershil.

Daniel Pompejus Johannes (D.P.J.) van der Staal van Piershil en zijn zoon Guillaume Charles (1805-1852)
D.P.J. van der Staal van Piershil was sinds 1804 eigenaar van Wassergeest en toen hij in 1805 het boerenbedrijf kocht, wordt dat omschreven als “De Huismanswooninge genaemt de Phoenix met desselvs bargen, Schuuren, Zomerhuis, Stalling voor dertig à veertig Koebeesten, Kaarnhuys, Item Erven, Boomgaard met en benevens de nombre van vijff en Twintig Morgen zoo weij, hooy, als teelland”. 9)
Daar Heemskerk junior van D.P.J. van der Staal van Piershil de garantie wilde hebben dat hij op De Phoenix kon blijven wonen is er tegelijk met de verkoop op 18 juli 1805 een uurcontract afgesloten met een huurprijs van 1100 gulden per jaar. 10) In de lijst van de personele quotisatie uit 1808 11) 12) komen we de naam van boer Heemskerk nog tegen evenals in het volkstellingsregister uit 1809. 13) In 1812 blijkt hij echter vertrokken te zijn en in 1814 treffen we hier een zekere Pieter Dirkse Langeveld als pachter aan. 14)
Op 20 april 1839 heeft D.P.J. van der Staal van Piershil de boerderij De Phoenix en omliggende landerijen (in totaal zo’n 25 morgen) overgedragen aan zijn zoon Guillaume Charles. Het geheel wordt in de acte, opgesteld door de Lissese notaris Jan Gerard Cramers, omschreven als “Den Bouwmanswooning genaamd De Phoenix met verdere getimmertens, Erven, Tuyn, Boomgaard en eenig boschhakhout (…) met alle na te melden partijen lands”. 15)

 

In augustus 1852 heeft Guillaume de latere Vennesloot er nog bijgekregen. Deze strekte zich uit vanaf boerderij De Phoenix , onder de Jannetjesbrug door, tot in de Ringsloot van de Lisserpoelpolder. Hij kreeg deze sloot erbij daar de bewoners van De Phoenix hiervan altijd gebruik hadden gemaakt “volgens vroegere Titels en bescheiden”. 16) Hier heeft Karel ook vast wel gebruik van gemaakt voor transport van zijn produkten en / of voor het ophalen van hooi als hij grond had in de Lisserpoelpolder.
D.P.J. van der Staal van Piershil moest wegens schulden zijn deel van het landgoed Wassergeest op 16 september 1852 verkopen. 17) Ook het aandeel in het landgoed van Guillaume Charles, zijn zoon, werd verkocht. Het omvatte onder andere de “Bouwmanswoning genaamd De Phoenix”. Karel Schrama kocht toen een perceel land dat niet nabij het huis Wassergeest lag. Dit zou heel goed land in de Lisserpoelpolder geweest kunnen zijn.
Van der Staal sr. was ambachtsheer, hoogheemraad 18) van het Hoogheemraadschap van Rijnland en burgemeester van Lisse. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Meer informatie over de famiie van der Staal van Piershil is te vinden op de site gahetna.nl (van het Nationaal Archief) onder toegang 3.20.54.

Karel Schrama (1824-1876)

Boerderij De Phoenix vanuit het zuidoosten gezien (Achterweg-zijde), schilderij door W. Schouten 1942, collectie P. de Wit, fotograaf F. v.d. Veen

In de eerste decennia van de 19e eeuw blijkt het met de boerenstand op De Phoenix niet zo voorspoedig te gaan. Er was een hele reeks van pachters geweest die steeds gedurende korte tijd het hoofd boven water hadden weten te houden. Karel Schrama 19) was vanaf 1824 pachtboer op De Phoenix en het zou hem beter vergaan. 20) Gedurende enige tijd liep het boerenbedrijf van Karel en zijn vrouw Marytje Riggel zeer voorspoedig totdat de gehele boerderij in 1830 in de as werd gelegd. In de memoires die Johannes Rotteveel, boer bij Dever, tussen 1830 en 1878 heeft opgetekend, lezen we dat op “den 6 september” van eerstgenoemd jaar ” (1830) de wooning van de Heer van der Staal, bewoond door Karel Schrama, (is) verbrand door het broeien van het hooi “. 21) In een kroniek opgesteld door Cornelis van der Zaal, de zeer bekende Lisser timmerman en molenmaker, schrijft hij dat in de nacht van 11 op 12 september 1830 het woonhuis en de stal van de boerderij De Venne, waar Carel Schrama woonde, in volle vlam stond. Opvallend is dat de boerderij niet De Phoenix maar De Venne genoemd werd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat er een sloot genaamd de “Vennesloot” vanaf de Phoenix in de richting van de Haarlemmermeer liep. Ook is opvallend dat in de memoires van Rotteveel een andere datum van de brand genoemd wordt dan in de kroniek van Van der Zaal. Na opdracht van de heer Van der Staal senior is door de heer van der Zaal binnen 10 weken de schade aan de boerderij hersteld en kon boer Schrama zijn boerenbedrijf hervatten. 22) In de jaren 1844 tot 1867 kwamen er uitbraken van veepest voor en boer Karel deed dan ook diverse malen aangifte van gestorven vee. 23) Onder andere kwam Karel in 1849 op een dag melding maken van liefst vijftien koeien die bij hem aan longziekte waren overleden. De schade was echter niet van dien aard dat hij zijn boerenbedrijf moest beëindigen en Karel heeft zichzelf redelijk door deze moeilijke periode heen kunnen slepen. In ieder geval heeft hij tot zijn dood (in 1876) op De Phoenix het boerenbedrijf uitgeoefend. 24) 25)

Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht (1852-1899)
Nieuwe eigenaar van Wassergeest en De Phoenix werd op 16 september 1852 de Jonkheer Nicolaas Johan Steengracht als curator van zijn (geestelijk gestoorde) broer Johan Frederik. Bij de verkoop werd bepaald dat bij de gronden van de tuinmanswoning “ten behoeve van de bouwmanswooningen de Hoogewerf en De Phoenix (….) voor den duur van den tegenwoordigen verhuring (wordt) voorbehouden een overpad ten dienste van melkers”. 26) Nicolaas Johan en zijn broer Johan Frederik kwamen uit een heel rijke Zeeuwse “regenten-familie”.

Hun vader had in 1809 Keukenhof gekocht. Nicolaas Johan kocht Wassergeest kennelijk niet voor zijn broer. Het werd namelijk in 1853 verhuurd aan Carel Anne Adriaan baron van Pallandt gehuwd met Jonkvrouw Cecilia Maria Steengracht (zuster van beide broers en eigenaresse van Keukenhof). Toen echter Jonkheer Johan Frederik Steengracht in 1862 overleed, kreeg de jonkvrouw in 1863 ook Wassergeest in eigendom toebedeeld. De Jonkvrouw was de laatste van de vier eigenaren van de Phoenix waar Karel als pachter mee te maken had. Eerst had hij te maken met vader en zoon van der Staal van Piershil en daarna met broer en zus Steengracht.

De opvolgers van Karel als pachter van De Phoenix (1876-1892)
Karel Schrama is overleden op 7 mei 1876. 27) Zijn vrouw was al eerder overleden in1871.
Op 23 mei 1876 heeft notaris van Stockum uit Lisse zich naar “het huis gemerkt met nr. 71” (De Phoenix) begeven om een inventaris op te maken van de door Karel nagelaten roerende goederen. 28) “In den Paardenstal” bevindt zich wat stro, paardentuigen en gereedschap niet veel. “In de Wagenloods” twee wagens, en een tilbury, naast nog “een partij aardappelen”, tonnen, een ladder etc. In een andere wagenloods is nog een “kapwagen” aanwezig. Verder is er nog een schuur met zolder, waarin zich een wagen bevindt, kruiwagens, turf en een rattenval. Zelfs in de “Barg” (hooiberg) bevindt zich nog een en ander. Er is ook een afzonderlijk karnhuis, alsmede een zomerhuis, waarin de boer ’s zomers met zijn gezin trok. In de boerenwoning zelf bevond zich ook de kelder, waarin zich nog voorraden melk, boter en room bevonden. Troffen we op Grotenhof in de 18e eeuw nog ledikanten aan voor de welgestelde heren en dames, Karel en zijn gezin moesten het doen met bedsteden “met stroozakken”. Op de zolder bevinden zich onder meer turfmanden, “een partij rogge en gerst”, een muizenval, een partijtje “stamboonen”, een “gemakje” (verplaatsbaar toilet), kazen en nog veel meer. In de keuken vinden we een elftal schoorsteenborden en “ornamenten” (kleine beeldjes en andere siervoorwerpen) en natuurlijk is er veel aardewerk. Tegen een wand hangen een spiegeltje en diverse schilderijtjes en in de open haard vinden we een haardijzer en een tang. Ook in de opkamer hangen enige schilderijen. Verder bevinden zich er een tafel, een bureau en een kastje met glas en aardewerk, porselein en een crucifix. Ook hier is er een bedstede aanwezig. Kennelijk had Karel schulden nagelaten want reeds op 24 augustus 1876 worden diverse partijen wei- en hooiland, die Karel in de loop der jaren verworven had, verkocht. 29) En op 18 april van het volgende jaar heeft notaris van Stockum zich nogmaals naar de “Bouwmanswooning De Phoenix te Lisse” begeven om daar een aantal roerende goederen van Karel te veilen. 30) Tenslotte werd op 19 september 1877 de boedel van wijlen Karel gescheiden. 31) De schulden van Karel hadden misschien te maken met het goedkoop lenen van gelden aan de Aagtenkerk en ook deed hij een gift / verleende hij een legaat aan de kerk. Misschien stond hij daarom bij zijn dood “in het rood”, maar hij is vast naar de hemel gegaan.32)
Toen ik Karel zocht in het bevolkingsregister over de periode 1870-1880 ontdekte ik totaal onverwacht iets verrassends. Bij huis 71 (De Phoenix ) staat allereerst Karel met twee dochters vermeld en vervolgens staan (ingaande 1876) Antonius Schrama en Cornelia van der Reep vermeld. Karel was een oom van Antonius. Antonius is mijn overgrootvader. Mijn overgrootouders verhuisden van de Haarlemmermeer naar de Phoenix. En op 14 mei (één week na het overlijden van Karel) gaan zij in ondertrouw en zij trouwen op 1 juni in Lisse. Waarom hadden zij ineens zo’n haast ? Op 26-1-1877 wordt hun eerste kind geboren op de Phoenix. Negen maanden terug geeft april ! Cornelis, hun tweede kind, was mijn grootvader. Totaal werden er drie kinderen geboren op de Phoenix (in 1877, 1878 en eind 1879). Antonius heeft tijdens zijn leven op diverse plaatsen gewerkt als boerenknecht, arbeider en ten slotte was hij vrachtrijder. Ook zijn oudste zoon (Cornelis, mijn Opa) werd vrachtrijder en later grossier in levensmiddelen. Aan het einde van 1879 verhuisde het gezin van Antonius naar het Oosteinde in Lisse en kort daarna naar een huis dichtbij Het Vierkant. 33) Mijn overgrootouders kregen totaal vijftien kinderen waarvan er twee levenloos waren en negen kinderen binnen 150 dagen na de geboorte zijn overleden. Dat kwam in vroegere tijden wel vaker voor.

Mijn overgrootvader Antonius Schrama, mijn overgrootmoeder Cornelia v.d. Reep en mijn Opa Cornelis Schrama. Bron : eigen archief.

Jacobus Schrama was een zoon van Karel. 34) 35)Hij huwde met Grietje Meyer. Laatstgenoemde was een dochter van Hendrik Meyer, veehouder op de boerderij Bloemhof aan het Mallegat. In 1862 kwam boer Meyer te overlijden waarna zijn dochter Margaretha (Grietje) het boerenbedrijf (Bloemhof) overnam. 36) Het was een “klein wereldje” waarin men vaak trouwde met “de buurjongen om de hoek” of met “de dochter van die rijke boer”. Op slechts 41-jarige leeftijd overleed Jacobus op 7 maart 1870.37) 38) Niet lang daarna, op 27 augustus 1872, hertrouwde de weduwe (Grietje) met Hendrik van Schie. 39) Grietje Meyer overleed in 1877. Aan het einde van 1879 kwam veehouder Hendrik van Schie als weduwnaar naar De Phoenix. 40) In april 1880 hertrouwde hij met Adriana Langeveld.

Van Pallandt / van Lynden / van Rechteren Limpurg (1899-1925)

Naam in muur Foto G. Schrama 2014

Na het overlijden van de baronesse Cecilia Maria Van Pallandt-Steengracht erfde in 1899 haar dochter Cornelia Johanna barones van Pallandt (gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden) de Keukenhof en Wassergeest. De barones verkocht in de jaren 1900 tot 1902 De Phoenix met bijbehorende gronden aan haar twee zoons (Jan Maurits Dideric van Lynden en Carel Anne Adriaan Willem van Lynden). 41) In 1914 hebben de broers dit bezit onder elkaar verdeeld. “De Boerderij genaamd De Phoenix met bijbehorende schuren, hooibargen en verdere getimmerten benevens partijen weiland” ging naar Carel Anne Adriaan Willem. 42) Hij was in 1898 getrouwd met Adolphine Wilhelmina Anne gravin van Limburg Stirum. Na het overlijden van Carel Anne in 1923 kwam De Phoenix in 1925 in het bezit van zijn dochter Carola Elisabeth Aurelia Anna barones van Lynden. Zij trouwde in 1937 met Adolph Reinhard Zeyger graaf van Rechteren Limpurg en kregen in 1938 een dochter genaamd Elisabeth Marguérite Carole. Het oud-adellijke geslacht Van Pallandt stamt uit het Gulikse, oostelijk van de provincie Limburg.

Vervolg van de opvolgers van Karel als pachter / eigenaar van De Phoenix (1892-1991)
Hendrik van Schie is in 1892 overleden en zijn tweede vrouw in 1907. Bij zijn tweede vrouw had hij een zoon genaamd Adrianus. Adrianus volgde zijn moeder op in het boerenbedrijf. Hij had nog lang op De Phoenix kunnen blijven wonen en boeren, ware het niet, dat het op een kwade dag uitkwam dat hij zand uit het Reigersbos had gehaald ! Dit kwam barones Carola Elisabeth Aurelia Anna ter ore en kort daarna (in 1926) kon van Schie vertrekken.43) In hetzelfde jaar volgde Willem de Wit Adrianus op als pachtboer op De Phoenix.

Phoenix, bron Chris Balkenende

In 1959 werd De Phoenix door de baronesse Elisabeth Marguérite Carole van Rechteren Limpurg van de hand gedaan. De koper was Willem de Wit of zijn zoon Pieter. Pieter de Wit woonde samen met zijn vader Willem de Wit op De Phoenix tot vader Willem overleed.
Bron : Chris Balkenende / Facebook

In 1991 droeg Pieter De Phoenix over aan de apotheker R.E. van der Vliet.44) Hij heeft erg veel verbouwd aan de hoeve wat ten koste ging van de authenticiteit. Momenteel (2014) is de heer A. Peterse eigenaar van de Phoenix. 45)

Foto G. Schrama 2014

 

Nawoord
Allereerst wil ik Rob Pex hartelijk danken voor al zijn hulp bij het tot standkomen van deze publicatie. Veel van de informatie in deze publicatie heb ik mogen putten uit twee boeken van R.J. (Rob) Pex over twee buitenplaatsen in Lisse namelijk :
“Knappenhof of Grotenhof te Lisse”, in 1999 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse.
“Wassergeest te Lisse”, in 2004 uitgegeven door Grimbergen Boeken Lisse en de Stichting Historische reeks Duin – en Bollenstreek.
Meer informatie over de buitenplaatsen Wassergeest en Knappenhof (of Grotenhof) is te vinden op de site home.tiscali.nl/~kastelenzuidholland.
Tevens wil ik (in willekeurige volgorde) Maarten van Bourgondiën, Laura Bemelman, Janny de Wit en niet met name genoemde medewerkenden danken voor hun bijdrage.
Ik heb niet alles in deze publicatie kunnen verifiëren. Graag verneem ik Uw commentaar en / of aanvulling(en) op deze publicatie.

Opvallend is het aantal faillissementen bij de “hoge heren”, wegens schulden moesten zij hun bezittingen verkopen. Hadden zij het te “hoog in de bol” of was het toen ook “crisis” en moesten zij verkopen wegens de economische omstandigheden.
G. Schrama

1. Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten tijdelijk het gezag uitoefende. Bron : Wikipedia

2. Vroeger liet de adel de jacht op konijen in de duinen over aan een “duinmeier” (of duinmeijer, duinmeyer en duinmaaijer) die er zijn broodwinning van maakte. De duinmeiers waren pachters van de duinen van de toen rechtmatige eigenaren. Het gebied dat aan een duinmeier werd verpacht heette een “warande”. Elk dood konijn leverde vlees , maar ook een konijnenvel voor de bontjas. Bron : het boek Perikelen in de duinen, H.J. Min.
Claes Maertensz van ’s Gravenmade (een van de voorvaders van de Schrama’s), geboren in 1533, was een duinmeier in de Zilker duinen

3. De vroegere Es(sen)laan is niet de tegenwoordige Es(sen)laan, maar lag meer noordelijk. Het was een zeer landelijke weg die liep van De Phoenix naar de Loosterweg. In 1755 schijnt het gedeelte Trijnelaan (Catharijnelaan) dat liep van de Achterweg tot aan het Keukenduin een ander naam te hebben gekregen : de “Neslaen”. In de latere jaren is de naam verbasterd tot Eslaan of Essenlaan.

4. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 74, fol. 333.

5. Hoofdingeland = lid van het algemeen bestuur van een waterschap.

6. De stroken zandgrond langs de duinen waarover het water afvloeide werden “loosters” genoemd.

7. Bron : NA, RA Lisse, inv.nr. 26, fol. 273 d.d. 31 augustus 1796, zie ook het huisarchief Keukenhof, inv.nr. 56

8. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d. 16 juli 1800 en 24 juni 1801

9. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

10. Bron : Huisarchief Keukenhof , inv.nr. 56 d.d.18 juli 1805

11. Bron : GA Lisse inv.nr. 225

12. Bij een wet van 30 maart 1808 is een belasting op het inkomen , de zogenaamde Quotisatie, ingesteld.

13. Bron : GA Lisse inv.nr. 10

14. Bron : .GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1814).

15. Bron : Huisarchief Keukenhof, inv.nr.56.

16. Bron : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10 d.d. 19 augustus 1852

17. Bron : NA, Notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 120

18. Lid van het dagelijks bestuur van een waterschap

19. Carolus (Karel) Schrama is op 17 juni 1799 gedoopt in Hillegom en op 7 mei 1876 overleden in Lisse. Hij trouwde in Lisse op 29 februari 1824 met Maria Riggel. Maria was gedoopt in Lisse op 12 november 1797 en is overleden in Lisse op 21 december 1871. Een van hun zoons was Jacobus, geboren op 6 september 1829 op de Phoenix en op 7 maart 1870 in Lisse overleden. Bron : www.genealogie-stamboom-schrama-gravenmade-bollenstreek.nl

20. Bron : GA Lisse, inv.nr. 998 (personele omslag 1824).

21. Bron : Boek met perkamenten omslag uit de 18e eeuw , in het bezit van de heer J.Rotteveel (1981), veehouder bij Dever, waarin diens betovergrootvader J.Rotteveel (1804-1880) enige memoires heeft genoteerd.

22. Bron : “Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762-1839”, dr. A.J. Kölker

23. Bron : GA Lisse inv.nr. 1126

24. Bron : idem

25. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

26. Bron : Veilingakte d.d. 2 september 1852 in : NA, notarieel Noordwijk 1843-1895, inv.nr. 10, akte 124.

27. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister 1870-1880

28. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 23 mei 1876

29. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 44, d.d. 24 augustus 1876

30. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 18 april 1877

31. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 45, d.d. 19 september 1877

32. Bron : boek van Hulkenberg over de Aagtenkerk (blz. 133 en blz. 145)

33. Bron : Laura Bemelman

34. Zie noot 19

35. Bron : GA Lisse, geboorteregister, geboren 6 september 1829 in huisnummer 45 (De Phoenix) als zoon van Karel Schrama en Maria Riggel.       terug

36. Bron : GA Lisse, bevolkingsregister, 1860-1870

37. Zie noot 19

38. Bron : NA, notarieel Lisse 1843-1895, inv.nr. 38, d.d. 1 juni 1870, hierin de inventaris van de gemeenschappelijke boedel van wijlen Jacobus Schrama en zijn weduwe Grietje Meyer.

39. Bron : GA Lisse, huwelijksregisters

40. Bron : Laura Bemelman

41. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

42. Bron : NA,notarieel Lisse 1909-1915, inv.nr.7

43. Bron : de heren A. en W. de Wit (1995) te Lisse

44. Bron : Kadaster, directie Zuidwest, vestiging Zoetermeer.

45. Bron : Janny de Wit

 

POELEWAY EN ZWANENDRIFT

De bewoners van Poeleway, Zwanendrift, Phoenix en Bloemhof komen aan de orde.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 13 nummer 4, oktober 2014

De Lisser Poelpolder was in 1624 drooggemalen, het nieuwe land werd in elf kavels verdeeld die werden verloot aan de belangstellenden. Op een van de kavels is boerderij Poeleway gebouwd. In 1966 heeft de gemeente deze boerderij gekocht en gesloopt ten behoeve van grootschalige woningbouw in dat gebied. Enkele generaties van de familie Verdegaal hebben op deze boerderij hun bedrijf gehad. Daarvoor was deze van Jacob Huijbertse van der Voort en via zijn dochter kwam de boerderij in de familie Verdegaal.
Ook de historie van Zwanendrift gaat een eind terug in de tijd. Ooit stond deze aan de rand van de Poelpolder met vrij uitzicht over het hele poldergebied en op de Zemelpoldermolen. De oude kastanjebomen staan er nog altijd prachtig bij, de oude vijver voor de boerderij is helaas bij de aanleg van de Laan van Rijckevorsel gedempt. Aan de zwanendrift, ofwel het adellijk recht op het houden van zwanen, dankt deze boerderij zijn naam. Zwanen hadden sierwaarde en het houden ervan duidde op welstand. Willem Verdegaal (geboren in 1837) is de eerste uit zijn familie die intrek neemt op deze boerderij, hij wordt veehouder.
De oude boerderij, in later jaren in bezit van de familie Schrama, is nu verkocht en mag van de Monumentencommissie verbouwd worden. De architect, Diederik van Egmond, heeft zijn plannen in een overtuigende presentatie uiteengezet. De commissie is positief, maar wil ‘de voortgang op detailniveau’ nog wel goed in de gaten houden.

Cornelis Symen Verdeger

De stamvader van de familie Verdegaal is Cornelis Symen Verdeger (Verdega), vermoedelijk circa 1680 geboren in Rijnsburg, daar rond 1715 wonend als bouwman. Dat is het uitgangspunt van de uitgebreide genealogie van Bert Hogervorst over deze familie. Cornelis Symen noemde zichzelf Vertegaal en liet zijn negen kinderen ook met deze achternaam dopen, hoewel de verschillende pastoors ze in wisselende spellingsvarianten in de doopboeken geschreven hebben. Een deel van de nakomelingen heeft daardoor de naam Verdegaal gekregen en gehouden. De zoon van Cornelis Symon is Symon Cornelisz Verdegaal. Deze trouwt en krijgt tien kinderen. Twee ervan spelen een belangrijke rol in dit verhaal, dat zijn Hendrik, geboren in 1737 en zijn jongere broer Jan, geboren in 1744.

Jan Verdegaal en kleindochter Maria Riggel

Jan Verdegaal (1744) trouwt in 1769 in Lisse met Willemijntje Juriaansdr Vreeburg. Hun dochter Maria Verdegaal trouwt met Jacob Maartensz Riggel, bouwman op boerderij Welgelegen aan de Heereweg. Uit dit huwelijk wordt dochter Maria Riggel geboren. Zij trouwt met Carolus Schrama – zie linkeronderhoek van het Lisses Kwartiertje in dit blad – die boerderij de Phoenix aan de Achterweg in Lisse in pacht heeft. Carolus Schrama en Maria Riggel staan samen aan de basis van de vaderlijke kant van de kwartierdrager Wilhelmus Johannes Schrama.

Petrus Verdegaal, geboren in 1809

Foto van boerderij de Poeleway voor de sloop

De oudere broer Hendrik Verdegaal (1737) trouwt met Ermpje, de dochter van Jacob Huijbertse van der Voort van de Poeleway in Lisse, een huismanswoning in de Poelpolder te Lisse met landerijen in de Sasbeeksepolder en de Roversbroekpolder. Hendrik koopt deze boerderij later van de erfgenamen van zijn schoonvader. Hendrik en Ermpje krijgen elf kinderen, een ervan is Willem Verdegaal, geboren in 1778. Uit zijn huwelijk met Maria Bergman wordt Petrus Verdegaal in 1809 geboren. En hij is eveneens een voorouder van dezelfde Wilhelmus Johannes Schrama, uit het Lisses Kwartiertje, maar dan langs moederskant.

Hendriks zoon Willem Verdegaal

Willem Verdegaal (1778) en Marijtje Bergman wonen in Vogelenzang en krijgen zes kinderen. Na het overlijden van zowel Willem als zijn vrouw moet de erfenis worden afgehandeld. Uit de stukken daarover blijkt dat dan alleen Petrus (1809) en Hendrik (1814) nog in leven zijn.

Hendrik (1814 – 1865) erft de ouderlijke woning, de boerderij ’s Gravenweg in Vogelenzang. Hij trouwt maar krijgt geen kinderen. De boerderij is uiteindelijk naar neef Rutgerus (Rutger) Verdegaal (1842) uit Lisse gegaan. Rutger is een zoon van Hendriks broer Petrus.
Petrus (1809-1873) erft boerderij de Poeleway in Lisse en trouwt in 1836 met Geertje Lommerse uit Hillegom. Zij gaan op de boerderij wonen op Grachtweg 145, het adres wordt later gewijzigd in Poel(polder) 145.
Het echtpaar Verdegaal-Lommerse staat bekend als weldoeners van de Agathakerk, de parochie en de armen. Petrus Verdegaal schenkt o.a. een ‘Petrus’ luidklok. Op die klok stond ‘gegeven door W. Verdegaal’ gegraveerd. In 1842 is deze klok geschonken uit de erfenis van zijn vader Willem die in datzelfde jaar overleed. Volgens de heer Hulkenberg wilde Petrus zijn eigen zoon Willem de eer geven de klok – namens zijn opa – te schenken. Tot 1938 heeft de ‘Petrus’ klok dienst gedaan, daarna is de klok verkocht of ingeruild voor een nieuwe klok.
Uit dit huwelijk Verdegaal-Lommerse worden twaalf kinderen geboren. Als de kinderen na het overlijden van Geertje Lommerse in 1885 bij elkaar geroepen worden voor het afhandelen van de nalatenschap, blijken er nog zeven kinderen in leven.

Poeleway na overlijden van Petrus Verdegaal

In een oude akte, na het overlijden van de vader van Petrus Verdegaal, werd boerderij de Poeleway als volgt omschreven: een Huismans of Boerenwoning, met Erf, Werf, Bargen, Schuren, Stalling voor Koebeesten, Karnmolen en verder getimmerte, benevens 26 bunders, 51 roeden en 24 ellen zoo wie Bosch, Hooie en Teellande alles staande en gelegen in de Poelpolder te Lisse en voorts ruim 3 bunders in de Roversbroekpolder te Lisse. Dit bezit was door Notaris Jan Gerard Cramers te Lisse in 1843 gewaardeerd op 5.700 gulden. Na het overlijden van Petrus Verdegaal in 1873 blijft zijn weduwe Geertje op de Poeleway, met zoon Piet (1854) die het bedrijf van zijn vader overneemt. Willem (1837) woont al op Zwanendrift en Rutger gaat naar Vogelenzang, naar de boerderij van zijn oom. Gerrit (1852) trouwt en vertrekt naar Zoeterwoude. In 1885 overlijdt ook moeder Lommerse.

Piet (1854 – 1934)

Berg en Poel aan Heereweg 305

De jongste zoon Piet heeft na het overlijden van zijn vader boerderij de Poeleway voortgezet tot zijn broer Gerrit (1852) rond 1900 uit Zoeterwoude terugkomt en de boerderij in huur overneemt. Piet blijft ongehuwd en het gaat hem fi nancieel goed. Hij heeft voor zichzelf een huis aan de Heereweg gebouwd en verlaat de Poeleway. Het nieuwe huis staat op een ‘hoogje’, tegenwoordig Heereweg 305, maar heet eigenlijk ‘Berg en Poel’. De gevelsteen zit nog hoog in de rechterzijgevel, en verwijst naar de kunstmatig aangelegde ‘berg’ en de vijver of ‘poel’ erachter. De vrijgezel Piet Verdegaal kon vanuit zijn huis uitkijken op de boerderij de Poeleway en zien of daar wel gewerkt werd. Het huis staat vanuit de Heereweg gezien, links van de oude oprijlaan naar Zwanendrift, tegenwoordig de Marconilaan.

Gerrit (1852-1930)

Rond 1900 is Gerrit als weduwnaar met negen – van de veertien – kinderen weer in Lisse teruggekomen en vestigt zich op de Poeleway als huurder van zijn broer Piet, die naar ‘het hoogje’ gaat. Gerrit blijft op de boerderij tot zijn jongste zoon Jan (1887) het bedrijf overneemt. Vader Gerrit en drie van zijn dochters verhuizen dan naar een huis op de Heereweg vlak bij de huidige Nassaustraat.

Boerderij Poeleway tijdens de sloop

Jan blijft ook na het overlijden van zijn oom Piet (in 1934) en de schenking van de Poeleway uit diens nalatenschap aan de Agathaparochie, op de boerderij, nu dus als huurder van de kerk. Als het kerkbestuur in de Tweede Wereldoorlog de boerderij wil verkopen, komt deze in bezit van Jan. Na het overlijden van Jan is zijn zoon Gerrit (1915) de volgende op deze boerderij. Maar in de jaren zestig van de vorige eeuw worden grootschalige plannen voor woningbouw voor de Poelpolder ontwikkeld en moet de boerderij in 1966 aan de gemeente Lisse verkocht worden. Daarna is de Poeleway helaas gesloopt en Gerrit is naar een boerderij in Noord-Holland vertrokken.

Willem (1837-1901) op Zwanendrift

Dirkje Verdegaal-Smeelen voor Zwanendrift

Willem Verdegaal, veehouder, trouwt in 1863 met Dirkje Smeelen uit Rijpwetering. Ze trekken naar Zwanendrift, dan Huis nummer 3 op de Heereweg. Uit dit huwelijk worden tien kinderen geboren. Willem overlijdt in 1901, zijn weduwe Dirkje Smeelen in 1921. Het adres wordt via C130 en H62 uiteindelijk Heereweg 309, want de Laan van Rijckevorsel bestond toen nog niet. De boerderij was te bereiken via de oprijlaan vanuit de Heereweg.
De broers Jan (1868) en Willem (1881) blijven op Zwanendrift met hun zus Geertje (1864). Broer Hein (1875) gaat naar een nieuw huis op de Heereweg, nu nummer 311, aan de rechterkant van de oprijlaan naar Zwanendrift. Hij wordt uiteindelijk bloembollenkweker. In 1933 overlijdt Jan (1868) en blijven Geertje (1864) en Willem (1881) over. Als Willem de boerderij aan neef Schrama overdoet, bouwt hij een nieuw huis aan de Heereweg 319 voor zichzelf en zijn zus Geertje. Willem overlijdt in 1954, zus Geertje al in 1950.

Schrama: Phoenix, Bloemhof en Zwanendrift

Even een heel eind terug in de tijd: Carolus Schrama en Maria Riggel wonen op boerderij de Phoenix aan de Achterweg en in 1829 wordt daar hun zoon Jacobus geboren. Margaretha Meijer woont een klein stukje verderop aan de Achterweg op boerderij Bloemhof. Vader Hendrik Meijer overlijdt in april 1862 en een half jaar later trouwt dochter Margaretha met Jacobus Schrama, die naar Bloemhof gaat. Maar Jacobus sterft heel jong en laat zijn weduwe achter met vier jonge kinderen. Margaretha hertrouwt met Hendrik van Schie, er komen nog vier kinderen in het gezin bij. Maar dan overlijdt Margaretha in 1877 zelf ook. Haar zoon Carolus Schrama is dan pas tien jaar. Op de Phoenix zijn oma Riggel en opa Schrama overleden en alle ooms en tantes zijn er vertrokken. Stiefvader Hendrik van Schie hertrouwt in 1880 met Adriana Langeveld uit Voorhout en alle kinderen Schrama en Van Schie trekken met hun nieuwe gezin naar de Phoenix, waar nog weer enkele kinderen geboren worden.

Carolus Schrama trouwt in april 1899 met Maria Ermina Verdegaal, dochter van Willem Verdegaal en Dirkje Smeelen en ze vertrekken naar Diemen. Carolus wordt daar veehouder op een pachtboerderij. De vijf kinderen van dit echtpaar worden allemaal ook in Diemen geboren.
Zoon Wilhelmus Johannes Schrama is in 1906 in Diemen geboren, maar brengt volgens zijn dochter vooral veel van zijn lagere schooltijd met zijn familie Verdegaal in Lisse door. Hij trouwt in 1937 met Helena Maria Sloothaak en neemt de boerderij Zwanendrift van zijn oom Willem Verdegaal over. De twaalf kinderen Schrama worden allemaal in Lisse op Zwanendrift geboren.
Bronnen o.a: Ach Lieve Tijd 1000 jaar Duin- en Bollenstreek – Deel 11: Water – Wanders Uitgeverij; Wandel/Fietsroute Monumenten Lisse – VOL; Registratie waardevolle panden in Lisse – VOL; Familieboek mevrouw M.Th. Van GravenSchrama; Van Verdeger tot Verdegaal/Van Verdeger tot Vertegaal – Bert Hogervorst; ’t Roemwaard Lisse, Lisse in Oude Ansichten (1) en De Aagtenkerk van Lisse – A.M. Hulkenberg; Wassergeest te Lisse – Rob Pex; ProGen bestand VOL; Bevolkingsregisters Gemeente Lisse; Kwartierstaat V.d. Hulst – Hogenda; Nationaal Archief; WieWasWie.

SCHRAMA, GROSSIER IN LEVENSMIDDELEN HEEREWEG 191

Ooit was Heereweg 191 een aantrekkelijk huis. Nu is het erg vervallen. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. De bewoners worden besproken. Antonius Schrama is in 1876 naar Lisse gekomen. In 1919 koopt zijn zoon Cornelis de woning op Heereweg 191. Hij begint daar een grossierderij in levensmiddelen.

door Laura Bemelman

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Ooit was dit een mooi en aantrekkelijk huis in het hart van het dorp, maar jammer genoeg is het tot een bouwval verworden, dichtgetimmerd, wit gekalkt, rotte kozijnen en een gebladderde gevel. Alle allure voorgoed verdwenen. Er is van alles geprobeerd om het huis voor sloop te behoeden, maar helaas heeft het nu plaats moeten maken voor nieuwbouw. (zie afb. omslag) Er wordt gezegd en geschreven dat dit wellicht het oudste huis van Lisse is geweest. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. Onderzoek aan het huis en de oudste onderdelen ervan, door de heren Pex en Plantenberg vanuit de Vereniging Oud Lisse, ondersteunen deze datering. Rond 1635 zou er een bakker gewoond en gewerkt hebben en rond de Franse Tijd zijn er enkele generaties zadelmakers in het huis geweest, maar hiervan zijn bij het onderzoek geen sporen meer gevonden. Oorspronkelijk zou het huis slechts een enkele woonlaag hoog geweest zijn. De tweede bouwlaag is veel later aangebracht, mogelijk al rond 1830 maar misschien pas kort voor de Eerste Wereldoorlog. Toen zou ook de bepleistering aan de voorzijde van de woning zijn aangebracht. De oudste foto’s van het huis tonen in elk geval steeds een witgepleisterde woning met twee woonlagen. Het pand is door de werkgroep Bouwkundige Zaken van de Vereniging Oud Lisse beschreven in het boek ‘Registratie Waardevolle Panden in Lisse. Deze werkgroep heeft ‘deze mooie woning’ in 1995 gewaardeerd als gemeentelijk monument, c.q. ‘karakteristiek om zijn unieke beeld in de straat’.

Bij de presentatie in 2008, van zijn tiende en laatste kalender met aquarellen van oude panden en monumenten in Lisse en omgeving, overhandigt Carl Daudeij een originele aquarel van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191(zie omslag), aan de voorzitter van de Vereniging Oud Lisse, die zich sterk gemaakt heeft om het voormalig gemeentelijk monument van de slopershamer te redden. Maar helaas is dan de sloopvergunning al een maand eerder afgegeven, in afwachting van de daadwerkelijke sloop. Het was toen nog niet duidelijk dat het nog zó lang zou aanlopen. In januari 2014 is het oude huis echt gesloopt en verdwenen.

Hannes van Berkel en ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen

Vóór de oprichting van het Kadaster bestaat het huis Heereweg 191 al. Op een heel oude minuutplan is het perceel met huis ingetekend en in de lijst van oorspronkelijke tenaamstellingen voor de invoering van de grondbelasting in 1832 staat Johannes van Berkel, bouwman in Lisse, genoteerd. In het Bevolkingsregister van 1830-1840 staat deze man geregistreerd als Hannes van Berkel, geboren in Hazerswoude en vierenzestig jaar oud. Hij woont aan de ‘Heereweg in ’t dorp’, op nummer 171, samen met zijn vrouw Antonia de Vries. Schuin aan de overkant woont het gezin van geneesheer Van Hasselaar. Het gezin bestaat uit de arts zelf, zijn vrouw en zeven kinderen. Het oudste kind is de dan zeventienjarige dochter Maria. Verder wonen daar nog een dienstbode en de nog jonge en ongehuwde ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen. De oude geneesheer overlijdt in 1838 en zijn weduwe vertrekt met de kinderen naar Leiden. Alleen Maria blijft in Lisse achter, zij trouwt met de jonge dokter. Hannes van Berkel woont nog steeds op nummer 171 als zijn vrouw komt te overlijden. Dokter Nieuwenhuizen en zijn vrouw Maria wonen dan naast hem, op nummer 172, in het huis waar later Jan van der Geest zijn winkel ‘in galanterieën’ begonnen is. Als Hannes zelf in augustus 1852 overlijdt, wordt zijn woning verkocht aan dokter Thomas Nieuwenhuizen en zijn vrouw. Het jonge doktersgezin verhuist naar het huis naast hen, naar Dorpsstraat 171.

Antonius Schrama, van boerenknecht tot vrachtrijder

In 1876 komt Antonius Schrama als boerenknecht vanuit de Haarlemmermeer naar de boerderij van zijn oom op de Achterweg. Oom Carolus overlijdt in hetzelfde jaar en Antonius verhuist naar een adres op het Oosteinde in Lisse, het noordelijk deel van de huidige Heereweg. Hij is getrouwd met de Lissese Cornelia van der Reep. In 1878 wordt hun zoon Cornelis geboren. Het gezin vertrekt naar de Dorpsstraat en gaat wonen in het rechterdeel van de grote dubbele woning, net voorbij de hoek met Het Vierkant. Naast hen woont Clara Schrama, de nicht van Antonius, die met koperslager Antonie van Engelen getrouwd is. Antonius is nu vrachtrijder en woont met zijn gezin in huis nummer 311, nicht Clara woont met haar man op 312 en enkele huizen verder woont nog steeds het doktersgezin Nieuwenhuizen, in het oude witte huis dat nu adres Dorpsstraat 318 draagt. Er worden uiteindelijk vijftien kinderen in het gezin van Antonius Schrama en Cornelia van der Reep geboren, maar de meeste ervan worden niet volwassen. Twee dochters worden levenloos geboren, tweemaal wordt een tweeling geboren maar deze kinderen overlijden kort na hun geboorte. En nog eens vier andere kinderen sterven tussen twee en tien maanden. Van de jongens zet alleen de oudste zoon, de eerder genoemde Cornelis, het geslacht voort. Antonius Schrama overlijdt in 1917.

Cornelis Schrama van vrachtrijder tot grossier

Cornelis is de oudste zoon van Antonius Schrama. Hij trouwt in 1906 met Petronella Brouwer uit Hillegom. Cornelis is vrachtrijder, net als zijn vader. De bevolking van Lisse groeit, er zijn meer woningen nodig en een school. Op een groot stuk weiland achter het Vierkant wordt de christelijke lagere school gebouwd en een huis voor de hoofdonderwijzer. Dat wordt de Schoolstraat. Ook Cornelis koopt daar grond en bouwt er een huis op, schuin tegenover de nieuwe school. Daar gaat hij met zijn gezin wonen en daar worden de meeste van de kinderen uit het gezin geboren. Het zesde kind in het gezin is dochter Johanna, ze wordt Jo genoemd. In 1919 wordt het huis aan de Schoolstraat verkocht. Op de Heereweg overlijdt dokter Thomas Nieuwenhuizen en anderhalf jaar later ook zijn vrouw. Hun zoon en zijn inwonende tante vertrekken uit Lisse en het huis wordt verkocht. Veehouder Theodorus van Leeuwen en zijn vrouw zijn de nieuwe bewoners. Dan overlijdt ook veehouder Van Leeuwen en het huis wordt verkocht aan Jan Hendrik Elisa de Brero, een nog jonge kapelaan die in de pastorie bij de Sint Agathakerk woont. Hij heeft het huis aan zijn Lissese collegakapelaan Van den Berg verhuurd, voor diens vereniging die zich inzet voor de bevordering van het Katholieke Geloof. Maar als de jonge kapelaan De Brero in 1919 alweer naar Haarlem vertrekt, verkoopt hij het huis op de Heereweg aan Cornelis Schrama. Cornelis verhuist met zijn gezin van de Schoolstraat naar de Heereweg. Daar worden nog twee zoons geboren, de op één na jongste zoon wordt slechts drie maanden oud. Cornelis wordt grossier in levensmiddelen. De zaken gaan goed en het bedrijf breidt zich in de loop der jaren verder uit, er wordt een pakhuis gebouwd en een garage.

Grossierderij Schrama op Heereweg 191

De vijf zoons zetten het bedrijf voort als oprichter en vader Cornelis Schrama in 1932 overlijdt. De oudste zoon Piet wordt directeur. De grossierderij ligt dan nog steeds achter het woonhuis en is zowel via een heel smalle poort vanuit de Heereweg als via een bredere poort vanuit de Kanaalstraat te bereiken. Door het steeds groter en breder worden van de vrachtwagens, blijkt de poort toch echt te smal. Op de muren aan beide zijden van de poort ontstaan slijtsporen. Het wordt tijd voor meer geschikte huisvesting van het bedrijf en iin 1964 wordt een nieuw bedrijfspand aan de Eerste Poellaan betrokken. Als Piet Schrama in 1982 overlijdt, is hij vijftig jaar directeur van het grossiersbedrijf geweest. Jo(hanna) Schrama, de zus van de broers van de grossierderij, blijft ongehuwd en is de laatste Schrama die in het huis op de Heereweg gewoond heeft. Als haar jongste broer Jan kort na de Tweede Wereldoorlog trouwt, wordt de woning in twee wooneenheden gesplitst en verhuist Johanna met haar moeder naar Heereweg 191a, bereikbaar via de smalle poort links naast het huis aan de weg. Volgens een adresboekje van Lisse uit 1994 woont Jo Schrama dan nog op 191a, terwijl op nummer 191 Jan de Kooker als bewoner staat genoteerd. Johanna Schrama is enkele jaren voor haar dood naar een aanleunwoning bij Berkhout gegaan. In 2007 is zij in Sassenheim overleden. Jan de Kooker is de allerlaatste bewoner geweest van het oudste huis aan de Heereweg.

Bronnen

o.a.: Onderzoeksresultaten R. Pex en E.J. Plantenberg; Informatie Arie in’t Veld; Registratie Waardevolle Panden, Vereniging Oud Lisse; MIP-rapport; Minuutplan Lisse 1811-1832; OAT 1832; Lisse in oude ansichten en plattegronden, Eric Vergunst; Bevolkingsregisters 1830 – 1920 Lisse; Wassergeest, R.J. Pex; De Aagtenkerk van Lisse, A.M. Hulkenberg; Stamboom en website Schrama-Gravenmade-Bollenstreek; Informatie Gerard Schrama; GenealogieOnline v. Breevaart – v. Nierop; Adresboekjes Lisse.

DE FAMILIES HULSBOSCH EN VAN GRAVEN

Melkboer Hulsbosch woonde in de Kanaalstraat 22 en was gehuwd met Cornelia van Graven. De voorouders worden beschreven.

 

door Laura Bemelman

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 4, oktober 2013

Het Bevolkingsregister van de gemeente is niet anders dan een reeks oude boeken met rijen voor- en achternamen van Lissers die hier hebben gewoond tussen 1830 en 1920. In tijdvakken van tien jaar staan de bewoners en hun gezin ingeschreven, in principe gerangschikt op adres, met enkele aanvullende gegevens ter herkenning. Op het eerste gezicht taaie koek maar er zijn veel bijzonderheden in te ontdekken wanneer iemand daar de tijd en een dosis geduld in steekt. Je kunt erin lezen met wie iemand getrouwd was, welke kinderen, stief- of kleinkinderen tot het gezin behoorden, en of er nog andere personen inwoonden zoals familie of personeel. De geboortedatum en –plaats geven houvast en het beroep een idee van het leven van de bewoners. Het adres in het register geeft de voorouder of familie een plek op de kaart, binnen het dorp. Met dergelijke gegevens komt deze voorouder als het ware weer een beetje tot leven.
Maar de meeste boeken van het Bevolkingsregister geven geen duidelijke adressen. Aanvankelijk werden alle huizen gewoon genummerd als langs een lint van het eerste huis in het dorp tot aan het allerlaatste. In de eerste boeken worden wel straten of wegen genoemd maar die bestaan tegenwoordig vaak niet meer en de nummering van toen is niet gelijk aan die van nu. In latere boeken staan geen straatnamen meer, alleen een nummer van het huis. Toen het dorp nog verder uitgroeide werden de nummers vervangen door wijkletters met een nieuw nummer, later gevolgd door een nog veel groter aantal wijkletters en weer andere volgnummers. Pas na 1920 werden adressen zoals wij die nu kennen gebruikelijk.

Maar waar woonde die voorouder in 1890 in huis C17 in Lisse nu eigenlijk? Dit huis dat kort ervoor nog als huis 140 in wijk C bekend stond, en dáárvoor als huis 335 op de Broekweg en in 1910 weer als G18 werd aangeduid, blijkt tegenwoordig Kanaalstraat 22/22a. Dit was het huis van melkboer Hulsbosch, van wie de voorouders in het ‘Lisses Kwartiertje’, na dit artikel in dit blad staan. De wat oudere Lissers kennen hem vast nog wel, de melkslijter die met melkbussen door de wijk trok om de losse melk uit te venten. Zelf zie ik de witte melkkring op de stoeptegel naast onze voordeur nog heel goed voor me. Daar zette de melkboer steeds de met verse melk vol geschepte melkkan neer. Pas veel later kwamen de glazen melkfl essen met hun zilverpapieren dopjes – die we voor de Missie spaarden – en pas daarna kwamen de kartonnen melkpakken zoals we die nu hebben. Deze oude boerderij van Hulsbosch is nu bekend als pizzeria en pannenkoekenhuis.
Dit voorbeeld geeft aan hoe ingewikkeld het is om uit het Bevolkingsregister af te leiden waar iemand woonde, maar dat het wel heel leuk kan zijn om erachter te komen. Kent u in dit verband het boek van Erik Vergunst: ‘Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’? Dit boek geeft een schat aan informatie over panden, over eigenaren en overdracht van bezit vanaf circa 1832 – soms eerder – en over bewoners tussen 1890 en 1920. De gegevens van Vergunst gebruik ik graag als een soort wegwijzer door het Bevolkingsregister. De informatie uit dit boek helpt om het grotere verhaal te ontdekken. De werkgroep Genealogie van de Vereniging Oud Lisse legt de laatste hand aan de bewerking van het Bevolkingsregister in een digitaal bestand. Daarna kunnen veel van die oude gegevens misschien ‘vertaald’ worden naar adressen van nu. Laat ik u meenemen in de geschiedenis van de families Hulsbosch en Van Graven en naar hun plekken op de kaart van Lisse.

Gerrit Hulsbosch

Vóór 1826 komt Gerardus (Gerrit) Hulsbosch uit Noord-Brabant naar Lisse. Hij is koopman in vee en trouwt Helena Riggel. Het gezin woont aanvankelijk op de Grachtweg, in de buurt van de oude korenmolen. Rond 1840 koopt Gerrit een boerderij, aangeduid als Huis nummer 96, op de hoek van de ‘Heere- of Straatweg’ met de ‘Delfweg’. De laatste werd later de ‘Halfwegsteeg’ genoemd, vervolgens ‘Stationsweg’ en tegenwoordig is dit de ‘Berkhoutlaan’. Moeder Helena overlijdt jong en in 1864 overlijdt vader Gerrit. Zijn zoon Jacobus Hulsbosch, hij is veehouder, krijgt de ouderlijke boerderij in eigendom. Behalve een inwonende veehoudersknecht en een dienstbode, blijft alleen zijn zus Jacoba met hem op de boerderij wonen. Het adres is nu Huis 137 op het Oosteinde, maar het is dezelfde plek en dezelfde boerderij. In 1874 trouwt Jacobus met Maria van Bregt. Zus Jacoba vertrekt en de eerste twee kinderen van de nieuwe generatie Hulsbosch worden geboren in Oosteinde 164, een nieuwe aanduiding voor de oude plek. Jacobus Hulsbosch bouwt een huis en een schuur achter de boerderij. In 1886 wordt het laatste van de vier kinderen in dit gezin geboren. Er zijn twee zoons en twee dochters.
Rond 1890 wordt de wijk waarin de boerderij ligt aangeduid als wijk A en het huis is nu genummerd 160. Op nummer A161 is de kuiperij van Daudey, op A162 de bakkerij van Lefeber, slagerij Bauer zit op A167 en bakker Vaneveld op A168. Aan het eind van dit decennium moet de boerderij echter plaats maken voor nieuwbouw en daarom verkoopt Jacobus Hulsbosch zijn bezit aan de Gemeente Lisse. Die sloopt de boerderij en bouwt op deze plek het postkantoor. Het gezin Hulsbosch verhuist naar Huis 140 in wijk C, dat rond die tijd wordt omgenummerd naar C17. Dit is dus de boerderij die we tegenwoordig kennen als de pizzeria en het pannenkoekenhuis. Nu is dat de Kanaalstraat, maar vroeger was dit de Broekweg. Op de hoek met de Heereweg zit dan Schuts, de smid, en op Broekweg C14 tappen de heren Dorrepaal en Wensveen een biertje in Café ’t Loosje, ongeveer waar nu een speelgoedwinkel zit. Rond 1900 wordt Gerardus Theodorus, de zoon van Jacobus, de volgende eigenaar van de boerderij. Hij trouwt met Cornelia van Graven in 1905 en samen krijgen ze vier kinderen: drie dochters en een zoon. Hoewel ze nu in G18 wonen, zijn ze nooit verhuisd. Vader Jacobus Hulsbosch vertrekt met de rest van zijn gezin naar een ander adres in Lisse. Dan overlijdt Gerardus Theodorus Hulsbosch in 1942 en zijn zoon Jacobus Hendrikus Hulsbosch is zijn opvolger op de boerderij. In 1950 is het mogelijk, volgens de Telefoonlijst van Lisse, om de melkhandelaar thuis, op Kanaalstraat 22, op te bellen. Bijna vijfentwintig jaar later is de boerderij, volgens het adresboekje van 1972/1973 van de Gemeente Lisse, gesplitst in twee adressen. Melkboer J.H. Hulsbosch woont op Kanaalstraat 22a, zijn zussen Maria Helena en Jacoba Cornelia Maria delen het adres Kanaalstraat 22.

Cornelis van Graven

Cornelis van Graven verhuist rond 1840 naar Huis 74 op de Heerenweg, naar de boerderij van zijn overleden oom waar nog enkele neven en nichten wonen. Cornelis is landbouwer ofwel bouwman en trouwt in 1842 met Cornelia van Tol. De boerderij ligt dan ergens tussen Huize Wildlust met Jacobus Coenraad Temminck in Huis 71 en De Tol in Huis 76 waar de ‘ontvanger aan de tolboom’ woont. De oude Tol lag ongeveer waar nu de Mendeldreef begint. In het Bevolkingsregister van 1860-1870 wordt Cornelis van Graven als veehouder ingeschreven, hun boerderij is omgenummerd naar Heerenweg Huis 105. Het gezin telt zeven kinderen, waaronder Jacobus, Maria en Hugo. In het volgende tijdvak is het adres opnieuw omgenummerd tot Heerenweg Huis 128. Hun buurman Maarten Driehuizen woont in Huis 129 en in Huis 130 wonen Arie van der Vlugt met zijn vrouw Maria Jonkheer. Daar gaat de Heerenweg over in het Oosteinde. In Huis 131 wonen de tolgaarders. Cornelis van Graven koopt in 1876 een boerderij aan de Broekweg. De vorige bewoner, Georgius Vreeburg, vertrekt daarvandaan naar de woning naast De Witte Zwaan en Cornelis van Graven verhuist naar de Broekweg. Huis 335 is dan de aanduiding voor het adres van de pizzeria met pannenkoekenhuis in de Kanaalstraat nu. Na het overlijden van zijn vrouw Cornelia, verkoopt Cornelis van Graven het complex aan zijn zoon Hugo. Hij blijft daar zelf nog met zoon Hugo en dochter Maria wonen. Cornelis’ zoon Jacobus van Graven blijft achter op de oude boerderij aan de Heereweg. Hij is landbouwer, trouwt met Helena van Ruiten en krijgt met haar vijf kinderen. Een daarvan is zijn dochter Cornelia van Graven, zij trouwt dus later, in 1905, met Gerardus Theodorus Hulsbosch.

Hugo van Graven

Hugo, de andere zoon van Cornelis van Graven, is ook veehouder. Hij trouwt en blijft met vader Cornelis, zus Maria, zijn vrouw en hun kinderen op boerderij Huis 335 op de Broekweg wonen. In 1890 is dat dus eerst Huis 140 in wijk C en daarna aangeduid als C17. In 1892 splitst Hugo het perceel waarop de boerderij staat en hij bouwt op het kleinere, linker perceel een huis met schuur. Dit wordt aangeduid als Huis 139a en daarna als C16. Hugo blijft met zijn gezin op de boerderij wonen, maar zijn vader en zus Maria verhuizen naar het nieuwe huis ernaast. Daar overlijdt dan eerst vader Cornelis en enkele jaren later ook zus Maria. Hugo verkoopt hun huis op C16 aan timmerman Van Zelst, hij koopt voor zichzelf het huis ‘Dubbelhoven’ aan de Achterweg en verhuist met zijn gezin daarheen, en hij verkoopt de boerderij op Broekweg C17 aan Jacobus Hulsbosch, veehouder en de echtgenoot van zijn nichtje Cornelia van Graven, in verband met de bouw van het postkantoor aan de Heereweg.

Bronnen:

Bevolkingsregister Gemeente Lisse – Inv.nrs. 1048 t/m 1073; Erik Vergunst – Lisse in oude ansichten en plattegronden; Het Lisses Kwartiertje van J.H. Hulsbosch – VOL 2013/ nr. 4; Telefoonlijst van Lisse – 1950; Adresboekje Gemeente Lisse 1972/1973.

Kanaalstraat 22/22a, midden rechts de boerderij van Hulsbosch

Hoe een uitgaansdag in 1845 tragisch eindigde

Na bezichtiging van het nieuwe gemaal de Leegwater sloeg de boot om. Sijmen Barnhoorn, Jacob Koopmanschaap en Cornelis van Riek verdronken  toen.

door Dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Ze gaan met hun zeilboot richting Buitenkaag om het gemaal de Leeghwater te bekijken. De machtige stoommachines in bedrijf te zien die de Haarlemmermeer moeten leegpompen, en met elke slag 88 m3 water de ringvaart in te lozen. De Leeghwater maakte op 22 juli 1845 zijn eerste slag. In 1849 kwamen de gemalen Cruquius en Lijnden erbij en was de klus in 1852 geklaard. Het was een wonder om te zien en daarvan getuige te zijn. Met vijf man waren ze vertrokken en na een enerverende dag tegen de avond huiswaarts getrokken. Ter hoogte van de Greveling sloeg echter het noodlot toe. We volgen het proces dat door de politie toen is opgetekend. Procesverbaal Op heden 10 augustus 1845 savonds ongeveer 7 ure compareerde voor ons mr. Johannis Cornelis van Rossen Burgemeester van Lisse, Anthonie Beltzer, koetsier oud 33 jaren wonende te Hillegom, en Petrus Johannes Hageman tuinman, oud 56 jaren mede aldaar woonachtig,welke ons verklaarden. Dat zij van eene zeilpartij ter bezichtiging van de leeghwater terugkerende in de ringvaart in de omtrek der Greveling waren omgeslagen en drie der hunnen verdronken waren – als- Sijmen Barnhoorn, jager oud 46 jaren Wonende te Hillegom. Jacob Koopmanschap, timmermansknecht oud 29 jaren wonende te Weespercarspel, thans werkende te Hillegom en Cornelis van Riek oud 26 jaren wagenmakersgezel, bij zijne moeder weduwe wonende te Lisse. Cornelis zijn vader Jacob Jansz van Riek was reeds in 1833 overleden, gehuwd met Maria Ariensdr. van Noort. en woonden bij het Vierkant. Dat zij omgeslagen waren, toen zij den schuit wilden wenden om een haak te krijgen die hun ontschoten was, Denkelijk door eene te hevige windvlaag, of het vast blijven houden der schoot. dat bij het omslaan hij koetsier uit gesprongen was en zwemmende de wal bereikt had. Dat onder zijn zwemmen hij door den wagenmaker was achterhaald en deze zich aan hem vastgeklampt had, dat hij zich echter losgewerkt had en daarna den wagenmaker niet meer gezien had, dat hij tuinman met den jager en de timmermansknecht bovenvermeld op den bodem der schuit waren geklommen dat de schuit daarop gezonken zijnde hij zich andermaal aan den schuit heeft vastgehouden, terwijl hij de andere twee vlak nevens elkander zwemmende gelijkelijk heeft zien zinken, dat na op het geroep van den koetsier eenige poldergasten aan de greveling wonende, waren te hulp gekomen en hem in hunne schuit geholpen hadden, dat zij als nu niets anders bij zich hebbende dan boomen zonder haken en de vermisten reeds om het half uur waren onder geweest en er andermaal teveel tijd moest verloopen eer men zich van haken had voorzien zij gemeend hadden dat aan geen redding meer te denken was en besloten hadden om van het gebeurde slechts aangifte te gaan doen. Van welke aangifte na gedane voorlezing dit relaas is ondertekend. A.Beltzer P.J.Hageman J.C.van Rossen Nog compareerde de gemelde poldergasten Willem van Genderen oud .. tig jaren wonende te Sliedrecht en Jan Gelerblom oud 22 jaren wonende te Hartingveld beiden thans aan gemelde ringvaart werkend- verklarende: dat hij op het geroep van zijn dochtertje was buiten gekomen, eenige menschen in het water had zien worstelen maar dat eer hij een schuit had losgemaakt om er heen te varen niets meer gewaar was geworden dan een man die tegen den dijk opkroop. Dat de tegenwind en stroom het naderen vrij onmogelijk en langdurig gemaakt had en hij ter plaatse komende behalve den man die tegen den dijk geklommen was nog een man even met het hoofd boven water had gevonden zich vasthoudende aan het boord van een omgeslagen schuitje, dat hij overigens uit consideratie als boven besloten dan met de geredden en zijn schuit naar het dorp te vervoeren. De comparanten verzocht dat relaas te ondertekenen verkaarden niet te kunnen schrijven. Op 12 augustus 1845 doen de overlevenden Antonie Theodorus Beltzer, koetsier en Petrus Johannes Hageman, timmerman op het gemeentehuis van Lisse aangifte van het overlijden van hun drie kameraden in de akten nr. 27, 28 en 29.

Bron:

Gemeentearchief Lisse inv.nr.1115 , Bevolkingsregister Lisse

Gemaal de Leeghwater in 1846

VAN EEN NAZAAT VAN DE TIMMERMAN-MOLENMAKER

De schrijver heeft aanvullingen op het boek Kroniek van een molenaar. Hij heeft oudere foto’s en een beschrijving van de genealogie van zijn voorouders van der Zaal en A. van Grotenhof.

door Robert van der Zaal

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Het moet zijn geweest toen achterneef Herman Buurman “de familiebijbel” van de familie Van der Zaal schonk aan het Museum voor de Bollenstreek “De Zwarte Tulp”. Mijn vader Barend (1926-2009, van Ary van het Kuykehuis) stelde me voor aan onze achternicht Penny Raggers-van der Zaal. Nu wist ik al van mijn vader en zijn broer Albertus “Bert” (19232005) dat Penny documentatie over molens had van één van onze voorvaderen, een molenbouwer. Met een vrijwillig molenaar onder mijn studievrienden was mijn belangstelling voor molens al in de jaren ’80 aangewakkerd en nu had ik de kans Penny te vragen naar de documentatie van onze voorvader. Maar Penny was, terecht, wat terughoudend de handgeschreven documentatie uit te lenen. Ze kon me wel vertellen dat er wat met de documentatie ging gebeuren.
Een jaar of twee geleden, pappa was inmiddels overleden, belde ik Penny eens om te vragen hoe het was met de documentatie. Ze vertelde me dat de manuscripten inmiddels bij een historicus van de Vereniging Oud Lisse lagen om ze te “transcriberen” en te verwerken in een boek. Later kwam ik erachter dat de historicus Bert Kölker was. Heb sindsdien de mensen bij Grimbergen de kop gek gezeurd over wat “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker” zou gaan heten, waarvoor nogmaals mijn excuses.
Toen het felbegeerde boek dan eindelijk afgelopen oktober in mijn bezit was heb ik er van zitten smullen! Uit een onderzoek van de Zwarte Tulp naar drie oude Lisser families van een jaar of 15 geleden had ik al een vrij complete stamboom vanaf het moment dat we in Lisse neerstreken en met de Kroniek heb ik alle vaders tot en met Claes uit Aarlanderveen rond 1460!
In de Kroniek zag ik foto’s waaronder de “oudst bekende foto’s van een Van der Zaal”. Nu vond ik het jammer dat ik (via Penny?) niet eerder met Bert Kölker in contact ben gekomen want oom Bert had GLASPLATEN met foto’s van de ouders van deze Van der Zalen, samen en met een hele schare aan kinderen! Van deze glasplaten heeft oom Bert rond 1989 op papier diverse afdrukken gemaakt plus een interessante beschrijving van het hoe en waarom van deze foto’s. V.O.L. heeft een kopie van deze beschrijving die publicatie in het Nieuwsblad meer dan waard is…. We zien Cornelis, aannemer/eigenaar van het bedrijf aan het Vierkant sinds 1853 (geboren 9 november 1823 in Lisse, overleden 10 maart 1897 te Lisse; zie XIII-1 in Genealogie van der Zaal in Kroniek), kleinzoon van de timmerman-molenmaker van de Kroniek, en zijn vrouw Maria, geboren Marseille, uit Haarlem. Ook zien we Arie van Grotenhof en mijn overgrootvader Albertus, de latere aannemer van het Vierkant met hun broertje Cornelis en zusje Maria op schoot bij hun ouders. De foto van de ouders, Cornelis en Maria, is uit 1853, de foto van het gezin toen kleine Maria een peuter en kleine Cornelis een baby was dus ergens rond 1857. De glasplaat uit 1853 is nog in ons bezit, waar die uit 1857 is gebleven weet ik helaas niet.
Waar pas ik in het verhaal en in Oud Lisse? Om te beginnen was timmerman-molenmaker Cornelis overgrootvader van mijn overgrootvader Van der Zaal. Enkele generaties later trouwde Barend van het Kuykehuis in juli 1957 met Cornelia “Cocky” Wesselo (1932), dochter van de kruidenier op de Herenweg en kleindochter van “Meester Wesselo”, hoofd van de Openbare Lagere School en oprichter van Harmonie Eensgezind, later Trou moet Blycken. Haar opa Wesselo overleed in 1903, een jaar na de geboorte van haar vader. Haar andere opa was Marinus Hekkers, voor de oorlog uitbater van de Witte Zwaan! De plannen van het jonge stel de werkplaats naast het Kuykehuis te verbouwen tot een bungalow werden door toenmalig burgemeester De Graaf gedwarsboomd, ze kochten maar een nieuwbouwhuis in het Nassaupark. Goedbeschouwd weggepest door de burgemeester kochten ze uiteindelijk een huis aan de Parklaan in Sassenheim.

VERHAAL ACHTER DE GLASPLATEN uit 1989 nagelaten door Bert van der Zaal.

In maart 1851 beschreef de engelse beeldhouwer/amateurfotograaf Frederic Scott-Archer in “The Chemist” een nieuwe methode van fotografi e, waarbij collodium werd gebruikt. Deze nieuw ontdekte stof werd gevormd door schietkatoen (nitrocellulose) op te lossen in ether of een mengsel van alcohol en ether. Het collodium, dat kaliumjodide bevat, werd gelijkmatig over een zorgvuldig gereinigde glasplaat gegoten,. Wanneer de ether bijna verdampt was en de collodumlaag nog kleverig werd de plaat in een oplossing van zilvernitraat gedompeld. In natte toestand werd de plaat in een camera belicht. (in droge toestand is de plaat veel minder lichtgevoelig). Na belichting werd het negatief direct ontwikkeld in een pyrogallus ontwikkelaar, gefi xeerd in hypo en gespoeld. De verbeterde lichtgevoeligheid van deze platen betekende, dat de belichtingstijd werd teruggebracht van 1 à 2 min. naar 1 á 2 sec.
In een in 1852 verschenen boekje beschreef Scott-Archer een variatie op zijn vinding, waarbij het collodium negatief werd gebleekt door een behandeling met kwikbromide. Wanneer dit gebleekte negatief op een ondergrond van zwart fl uweel werd gelegd, gaf het een positief beeld te zien. Omdat Archer zijn uitvinding niet gepatenteerd had en het procédé veel eenvoudiger was dan oudere werkwijzen, kon men nu voor een luttel bedrag kwalitatief uitstekende foto’s maken, met weinig kennis van chemie.
In de grote steden maakten kappers, sigarenwinkeliers, kruideniers en zelfs tandartsen als hobby portretten voor een paar stuivers. Op het platteland en in de dorpen werd de portretfotografi e bedreven als kermisattractie.
Toen eind september 1853 op de Lisser kermis de tent van een fotograaf door een windvlaag instortte, had mijn overgrootvader Cornelis van der Zaal met de man te doen en stutte de tent met een paar kapsparren. De fotograaf bood toen aan een portret te maken van hem en zijn vrouw, Maria Marseille. Misschien dacht de fotograaf ‘Als er één schaap over de dam is, volgen er meer’, want het laten maken van een foto was in die tijd een onderneming., die verstrekkende gevolgen kon hebben, zoals overtreding van het 2e gebod, excommunicatie uit de kerk en verlies van klanten enzomeer. Gelukkig was overgrootvader Cornelis voor zijn tijd zeer vooruitstrevend en had lak aan vooroordelen. Toch blijkt uit zijn gezichtsuitdrukking, dat zijn verwachtingen van de moderne techniek niet bijzonder hoog gespannen zijn. Toen een paar jaar later de fotograaf weer op de kermis stond, werd de 2e foto gemaakt, nu van het hele gezin. De kinderen v.l.n.r. Arie, Albertus (mijn grootvader), Cornelis Jr. en het enige zusje Maria.

Het tussen de oude pastorie en de voormalige bank gelegen Kuykehuis

Margriete so was haar name

In het Kabinet van Nederlandse en Kleefse Oudheden wordt veel over Lisse geschreven. Vele geschriften over Lisse zijn gebaseerd op wat er in bovenstaande document staat. Margariet trouwde in 1198 in Lisse met Diederik, Graaf van Kleef. Daar wordt voor het eerst over Lisse gesproken.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

LISSE TOEN (slot)

In aantal afleveringen hebben we de oude geschiedenis van Lisse gevolgd zoals die is beschreven in het standaardwerk “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden”, oorspronkelijk beschreven door Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long, tweede druk 1792.
De oorspronkelijke tekst hiervan werd behouden. Deze tekst is niet bepaald gemakkelijke kost, omdat men indertijd nogal lange zinnen maakte. In het vorige stukje werd kort verteld over het landgoed Meerenburgh dat in 1638 werd gebouwd.
“Niet onaanmerkelijk is het verhaal van den geschiedkundige P. Scriverius”, aldus de schrijvers. In zijn aanteekeningen op de levensbeschrijving der Graven van Holland,waarin hij meldt dat Diederik, Graaf van Kleef, in het jaar 1182 in den echt tredende met Margaretha van Holland, dochter van Graaf Floris den III van Holland, en van vrouwe Ada, zuster van den Koning van Schotland, (in Lisse) zijn bruiloft gehouden heeft.
In de Kronijk der Abdij van Egmond, gedrukt in kwarto, gedenkt Melis Stoke in zijn IIde boek vers 687, dit huwelijk in het leven van Graaf Floris III met deze woorden: Als LXXX en twee was beschreven, Nam Diedric de Grave van Cleven, Grave Floris dochter en vrouw Aden, Met groter feesten, met hoghen daden, Als hem heden was bekwame: Margriete so was haar name”.  Achthonderd jaar later zou Lisse naar aanleiding daarvan op grootse wijze feest vieren.

We sluiten hiermee de rondgang door beide scribenten af en zullen proberen om de middenpagina’s van uw Nieuwsblad vanaf het volgende nummer op een geheel andere manier te vullen. Een manier die bovendien iedereen de ruimte biedt om te reageren of om vooraf elementen aan te dragen.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse