Berichten

SCHRAMA, GROSSIER IN LEVENSMIDDELEN HEEREWEG 191

Ooit was Heereweg 191 een aantrekkelijk huis. Nu is het erg vervallen. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. De bewoners worden besproken. Antonius Schrama is in 1876 naar Lisse gekomen. In 1919 koopt zijn zoon Cornelis de woning op Heereweg 191. Hij begint daar een grossierderij in levensmiddelen.

door Laura Bemelman

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Ooit was dit een mooi en aantrekkelijk huis in het hart van het dorp, maar jammer genoeg is het tot een bouwval verworden, dichtgetimmerd, wit gekalkt, rotte kozijnen en een gebladderde gevel. Alle allure voorgoed verdwenen. Er is van alles geprobeerd om het huis voor sloop te behoeden, maar helaas heeft het nu plaats moeten maken voor nieuwbouw. (zie afb. omslag) Er wordt gezegd en geschreven dat dit wellicht het oudste huis van Lisse is geweest. Het zou gebouwd zijn tussen 1622 en 1626. Onderzoek aan het huis en de oudste onderdelen ervan, door de heren Pex en Plantenberg vanuit de Vereniging Oud Lisse, ondersteunen deze datering. Rond 1635 zou er een bakker gewoond en gewerkt hebben en rond de Franse Tijd zijn er enkele generaties zadelmakers in het huis geweest, maar hiervan zijn bij het onderzoek geen sporen meer gevonden. Oorspronkelijk zou het huis slechts een enkele woonlaag hoog geweest zijn. De tweede bouwlaag is veel later aangebracht, mogelijk al rond 1830 maar misschien pas kort voor de Eerste Wereldoorlog. Toen zou ook de bepleistering aan de voorzijde van de woning zijn aangebracht. De oudste foto’s van het huis tonen in elk geval steeds een witgepleisterde woning met twee woonlagen. Het pand is door de werkgroep Bouwkundige Zaken van de Vereniging Oud Lisse beschreven in het boek ‘Registratie Waardevolle Panden in Lisse. Deze werkgroep heeft ‘deze mooie woning’ in 1995 gewaardeerd als gemeentelijk monument, c.q. ‘karakteristiek om zijn unieke beeld in de straat’.

Bij de presentatie in 2008, van zijn tiende en laatste kalender met aquarellen van oude panden en monumenten in Lisse en omgeving, overhandigt Carl Daudeij een originele aquarel van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191(zie omslag), aan de voorzitter van de Vereniging Oud Lisse, die zich sterk gemaakt heeft om het voormalig gemeentelijk monument van de slopershamer te redden. Maar helaas is dan de sloopvergunning al een maand eerder afgegeven, in afwachting van de daadwerkelijke sloop. Het was toen nog niet duidelijk dat het nog zó lang zou aanlopen. In januari 2014 is het oude huis echt gesloopt en verdwenen.

Hannes van Berkel en ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen

Vóór de oprichting van het Kadaster bestaat het huis Heereweg 191 al. Op een heel oude minuutplan is het perceel met huis ingetekend en in de lijst van oorspronkelijke tenaamstellingen voor de invoering van de grondbelasting in 1832 staat Johannes van Berkel, bouwman in Lisse, genoteerd. In het Bevolkingsregister van 1830-1840 staat deze man geregistreerd als Hannes van Berkel, geboren in Hazerswoude en vierenzestig jaar oud. Hij woont aan de ‘Heereweg in ’t dorp’, op nummer 171, samen met zijn vrouw Antonia de Vries. Schuin aan de overkant woont het gezin van geneesheer Van Hasselaar. Het gezin bestaat uit de arts zelf, zijn vrouw en zeven kinderen. Het oudste kind is de dan zeventienjarige dochter Maria. Verder wonen daar nog een dienstbode en de nog jonge en ongehuwde ‘doctor’ Thomas Nieuwenhuizen. De oude geneesheer overlijdt in 1838 en zijn weduwe vertrekt met de kinderen naar Leiden. Alleen Maria blijft in Lisse achter, zij trouwt met de jonge dokter. Hannes van Berkel woont nog steeds op nummer 171 als zijn vrouw komt te overlijden. Dokter Nieuwenhuizen en zijn vrouw Maria wonen dan naast hem, op nummer 172, in het huis waar later Jan van der Geest zijn winkel ‘in galanterieën’ begonnen is. Als Hannes zelf in augustus 1852 overlijdt, wordt zijn woning verkocht aan dokter Thomas Nieuwenhuizen en zijn vrouw. Het jonge doktersgezin verhuist naar het huis naast hen, naar Dorpsstraat 171.

Antonius Schrama, van boerenknecht tot vrachtrijder

In 1876 komt Antonius Schrama als boerenknecht vanuit de Haarlemmermeer naar de boerderij van zijn oom op de Achterweg. Oom Carolus overlijdt in hetzelfde jaar en Antonius verhuist naar een adres op het Oosteinde in Lisse, het noordelijk deel van de huidige Heereweg. Hij is getrouwd met de Lissese Cornelia van der Reep. In 1878 wordt hun zoon Cornelis geboren. Het gezin vertrekt naar de Dorpsstraat en gaat wonen in het rechterdeel van de grote dubbele woning, net voorbij de hoek met Het Vierkant. Naast hen woont Clara Schrama, de nicht van Antonius, die met koperslager Antonie van Engelen getrouwd is. Antonius is nu vrachtrijder en woont met zijn gezin in huis nummer 311, nicht Clara woont met haar man op 312 en enkele huizen verder woont nog steeds het doktersgezin Nieuwenhuizen, in het oude witte huis dat nu adres Dorpsstraat 318 draagt. Er worden uiteindelijk vijftien kinderen in het gezin van Antonius Schrama en Cornelia van der Reep geboren, maar de meeste ervan worden niet volwassen. Twee dochters worden levenloos geboren, tweemaal wordt een tweeling geboren maar deze kinderen overlijden kort na hun geboorte. En nog eens vier andere kinderen sterven tussen twee en tien maanden. Van de jongens zet alleen de oudste zoon, de eerder genoemde Cornelis, het geslacht voort. Antonius Schrama overlijdt in 1917.

Cornelis Schrama van vrachtrijder tot grossier

Cornelis is de oudste zoon van Antonius Schrama. Hij trouwt in 1906 met Petronella Brouwer uit Hillegom. Cornelis is vrachtrijder, net als zijn vader. De bevolking van Lisse groeit, er zijn meer woningen nodig en een school. Op een groot stuk weiland achter het Vierkant wordt de christelijke lagere school gebouwd en een huis voor de hoofdonderwijzer. Dat wordt de Schoolstraat. Ook Cornelis koopt daar grond en bouwt er een huis op, schuin tegenover de nieuwe school. Daar gaat hij met zijn gezin wonen en daar worden de meeste van de kinderen uit het gezin geboren. Het zesde kind in het gezin is dochter Johanna, ze wordt Jo genoemd. In 1919 wordt het huis aan de Schoolstraat verkocht. Op de Heereweg overlijdt dokter Thomas Nieuwenhuizen en anderhalf jaar later ook zijn vrouw. Hun zoon en zijn inwonende tante vertrekken uit Lisse en het huis wordt verkocht. Veehouder Theodorus van Leeuwen en zijn vrouw zijn de nieuwe bewoners. Dan overlijdt ook veehouder Van Leeuwen en het huis wordt verkocht aan Jan Hendrik Elisa de Brero, een nog jonge kapelaan die in de pastorie bij de Sint Agathakerk woont. Hij heeft het huis aan zijn Lissese collegakapelaan Van den Berg verhuurd, voor diens vereniging die zich inzet voor de bevordering van het Katholieke Geloof. Maar als de jonge kapelaan De Brero in 1919 alweer naar Haarlem vertrekt, verkoopt hij het huis op de Heereweg aan Cornelis Schrama. Cornelis verhuist met zijn gezin van de Schoolstraat naar de Heereweg. Daar worden nog twee zoons geboren, de op één na jongste zoon wordt slechts drie maanden oud. Cornelis wordt grossier in levensmiddelen. De zaken gaan goed en het bedrijf breidt zich in de loop der jaren verder uit, er wordt een pakhuis gebouwd en een garage.

Grossierderij Schrama op Heereweg 191

De vijf zoons zetten het bedrijf voort als oprichter en vader Cornelis Schrama in 1932 overlijdt. De oudste zoon Piet wordt directeur. De grossierderij ligt dan nog steeds achter het woonhuis en is zowel via een heel smalle poort vanuit de Heereweg als via een bredere poort vanuit de Kanaalstraat te bereiken. Door het steeds groter en breder worden van de vrachtwagens, blijkt de poort toch echt te smal. Op de muren aan beide zijden van de poort ontstaan slijtsporen. Het wordt tijd voor meer geschikte huisvesting van het bedrijf en iin 1964 wordt een nieuw bedrijfspand aan de Eerste Poellaan betrokken. Als Piet Schrama in 1982 overlijdt, is hij vijftig jaar directeur van het grossiersbedrijf geweest. Jo(hanna) Schrama, de zus van de broers van de grossierderij, blijft ongehuwd en is de laatste Schrama die in het huis op de Heereweg gewoond heeft. Als haar jongste broer Jan kort na de Tweede Wereldoorlog trouwt, wordt de woning in twee wooneenheden gesplitst en verhuist Johanna met haar moeder naar Heereweg 191a, bereikbaar via de smalle poort links naast het huis aan de weg. Volgens een adresboekje van Lisse uit 1994 woont Jo Schrama dan nog op 191a, terwijl op nummer 191 Jan de Kooker als bewoner staat genoteerd. Johanna Schrama is enkele jaren voor haar dood naar een aanleunwoning bij Berkhout gegaan. In 2007 is zij in Sassenheim overleden. Jan de Kooker is de allerlaatste bewoner geweest van het oudste huis aan de Heereweg.

Bronnen

o.a.: Onderzoeksresultaten R. Pex en E.J. Plantenberg; Informatie Arie in’t Veld; Registratie Waardevolle Panden, Vereniging Oud Lisse; MIP-rapport; Minuutplan Lisse 1811-1832; OAT 1832; Lisse in oude ansichten en plattegronden, Eric Vergunst; Bevolkingsregisters 1830 – 1920 Lisse; Wassergeest, R.J. Pex; De Aagtenkerk van Lisse, A.M. Hulkenberg; Stamboom en website Schrama-Gravenmade-Bollenstreek; Informatie Gerard Schrama; GenealogieOnline v. Breevaart – v. Nierop; Adresboekjes Lisse.

Vervolg

Laura Bemelman tekende n.a.v. een gesprek met mevrouw Walenkamp-Schrama over ‘Wie Weet Raad’ (april 2014) het volgende op: Mevrouw is geboren in Lisse, in 1942, als dochter van Cornelis (Kees) Schrama, een van de zoons van de grossier Cornelis Schrama waarover ik in het 2e kwartaalblad van dit jaar schreef. Zij is vernoemd naar zijn vrouw, en haar oma, Petronella Maria Schrama-Brouwer. Haar peettante, Cornelia Adriana Helena (Corrie) Hulsebosch, is de vrouw van de oudste zoon en opvolgend directeur van de grossierderij Petrus (Piet) Schrama. Haar vader was samen met zijn broers eigenaar van de grossierderij. En heel erg toevallig, is ze ook nog geboren in het huis, afgebeeld in de rubriek “Wie weet raad?”. Op de foto staat het huis, tegenwoordig adres Heereweg 90 in Lisse. In dat huis is zij in 1942 geboren, dus ze weet precies waarover ze het heeft, ze heeft er lange tijd met haar ouders gewoond.

De op de foto witte aanbouw is volgens mevrouw al voor haar geboorte gesloopt ten behoeve van de bouw van het huis op nummer 92. Om de lelijk geworden muur na deze sloop te verbergen, is de muur gestuct en de deur naar het balkon is vervangen door een raam. De mooie teakhouten dubbele voordeur aan de Heereweg, van het merk Norhtgo, is er nog steeds en een blijvende herinnering aan de fabriek van de broers van haar moeder. Deze gelijknamige fabriek Norhtgo, middeleeuws voor de oorspronkelijke vestigingsplaats, stond toen nog in Noordwijk. Een andere bijzondere herinnering, vertelt ze, is dat als je indertijd bij haar thuis op je tenen op een keukenstoel ging staan en naar het westen keek, je in het voorjaar de bezoekers door de Keukenhof kon zien lopen. Via de achtertuin was daar nog vrij uitzicht op. Volkomen onvoorstelbaar, nu met de hele wijk De Blinkerd ertussen en de Westelijke Randweg.

Heereweg 86, 88 en 90

Het perceel waarop nu de nummers 86,88 en 90 staan, is indertijd in 1898 gekocht door Jacobus Matthijs van Til. De twee oude huizen die op het perceel stonden zijn gesloopt en hij liet het blok van de huidige drie huizen nieuw bouwen. In 1906 komen alle drie de woningen in eigendom van Jacob Groet, die ze in de loop der tijd weer verkoopt.

Heereweg 90

Voordat de familie Schrama in de woning van de foto kwam wonen hebben daar volgens het Bevolkingsregister eerst Jacob Louis Veldhuizen van Zanten gewoond, daarna Hendrikus en Gerrit Blokhuis en vervolgens nog Jacob Groet. Deze laatste verhuisde naar het nieuw te bouwen huis op nr 92.

Heereweg 92

Hier heeft aanvankelijk naast de bollenschuur het huis van Jan Jacob Guldemond gestaan. In 1943 zou dat huis gesloopt zijn en uiteindelijk vervangen door het huidige pand. Jacob Groet is in 1951 overleden, zijn zoon Hendrik, woonde volgens de telefoonlijst van 1950 toen in dit huis. Hier was lange tijd het Arbeidsbureau gevestigd en later het Algemeen Maatschappelijk Werk.

Heereweg 94

Links naast het huis op nummer 92 heeft een klein huis, vlak aan de straat, gestaan. Het komt tot 1921 niet voor in de bevolkingsregisters of het belastingkohier van Lisse. Maar mevrouw herinnert zich dat hier de familie Tromp woonde, een gezin met zes kinderen, vijf dochters en een zoon. Ze kwam daar met haar zusje regelmatig thuis. Het gezin verhuisde later naar de Von Bönninghausenlaan. Dit adres komt niet voor in de telefoonlijst van 1950 maar dat bewijst alleen dat de bewoner geen telefoonaansluiting had in die periode. Vóór 1972/1973 is het mogelijk gesloopt of in elk geval niet bewoond, want het komt dan niet (meer) in die adreslij st voor. Op een oude foto is nog wel het huisnummer ’94’ te lezen. In dit huis moet na het vertrek van de familie Tromp het kantoor van Joh. Roozen gevestigd geweest zijn. Naast het huis stond de bollenschuur van de firma Roozen. Nu is daar de kleinschalige wijk ‘De Rozentuin’.

OokR.C.J. Boot ontrafelde het raadsel van het huis op de Heereweg/
Hij stuurde deze foto mee.

 

Lisse 825 jaar en de inwoners van Lisse

Sporen van vroeger  (LisserNieuws

19 december 2023

Door Nico Groen

 In deze laatste aflevering van Lisse 825 jaar worden de bewoners en hun werkzaamheden beschreven. Vóór 1500 is het moeilijk iets over inwoners van Lisse te vinden. Jan Beenakker doet in zijn boek ‘LISSE, op de grens van droog en nat’ een poging. Beenakker vond wat gegevens. In 1494 had Lisse 50 woningen en in 1512 waren dat er 87. Beenakker gaat er vanuit dat het aantal gezinsleden per huis op bijna 6 lag. Dat komt neer op een totale bevolking van 300 inwoners in 1494 en 515 inwoners in 1512. De schatting voor 1369 komt neer op ruim 500 inwoners. De bevolking daalde na 1369 sterk door oorlogen en armoede. Zoals gezegd is bovenstaande niet meer dan een grove schatting. De bevolking was zo armlastig geworden dat in 1494 ongeveer de helft dagelijks om brood moest bedelen.

De 80-jarige oorlog was in 1573 volop aan de gang tussen de Prins van Oranje en de koning van Spanje, die tevens heer der Nederlanden was. Na het beleg van Haarlem in 1573 waren er veel negatieve gevolgen voor de bewoners van Lisse. Huurlingen namen alles van waarde mee en staken de huizen en de kerk in brand. Er is toen mogelijk 40% van de huizen verwoest. De jaren daarna stonden er namelijk veel erven zonder huis te koop.

In de 16e tot en met de 18e eeuw waren er bijna 250 huizen in Lisse. Bijvoorbeeld in 1600 210 huizen, in 1730 waren dat er 230. Bij een gemiddeld aantal gezinsleden per huis van bijna 6 komt dat neer op een inwonertal van rond 1300.

Kostwinners in 1674

In de Lissese bijdrage aan het familiegeld in 1674 werden in totaal 121 families vermeld en werd ook het beroep van de kostwinner genoemd. Zo werkten er 52 personen in de landbouw. Het beroep van vlasbewerker  werd 23 keer genoemd en 9 inwoners lieten noteren, dat zij arbeider waren. Bakker kwam 4 keer voor. Biersteker (biertapper), schipper, schoenmaker en timmerman werden 3 keer genoteerd. Kuiper (tonnenmaker), metselaar, wagenmaker en winkelier kwamen 2 keer voor in de lijst.

Je ziet pas een bevolkingsgroei ontstaan met de opkomst van de bollencultuur. Dit is ongeveer vanaf 1800. De bevolking liep op van 1116 inwoners in 1811 tot 2099 in 1874. Bij de volkstelling van 1870 waren er 1309 rooms-katholieken, 498 Nederlands hervormden, 115 christelijk gereformeerden, 8 evangelisch lutherse leden en  4 doopsgezinden. Er waren geen mensen, die opgaven dat zij niet bij een geloof hoorden.

De voornaamste middelen van bestaan waren in 1870 landbouw, bloemkwekerij en warmoezerij (groentekwekerij), veeteelt en zuivelbereiding. Door de uitbreiding van de bloembollenteelt na 1900 groeide de hele economie en ook de bevolking. In 1930 waren er 1651 woningen met 8478 inwoners met een gemiddeld aantal gezinsleden van 5,1 personen. Pas na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking heel hard. Dat kwam door de geboortegolf en betere medische zorg. Door bebouwing van de Lisser Poelpolder in de jaren zestig verdubbelde het aantal inwoners ongeveer. Hierdoor veranderde het soort beroepen erg, mede als gevolg van de mechanisatie in de bollenteelt. Nu heeft Lisse ongeveer 23000 inwoners.

Foto: In 1674 waren er 2 wagenmakers in Lisse.Foto:  Uit het boek ‘Het menselijk bedrijf’ door Jan Luyken uit 1694

 

 

 

C

Onverwacht aftreden Alfred Pop

Nieuwsflits

Nieuwsblad 22 nummer 4  2023

 

Alfred Pop

Alfred Pop is onverwacht afgetreden als voorzitter van het Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG). Voor de zomer van 2023 is Alfred Pop opgestapt bij het CHG vanwege persoonlijke problemen met het bestuur over zaken die men niet in de openbaarheid wil brengen. Alfred is ongeveer 20 jaar voorzitter geweest en heeft zeer veel goede dingen gedaan voor het genootschap, zoals het initiatief tot het maken van de Cultuurhistorische Atlas van de Duin- en Bollenstreek en het vervaardigen van de Cultuurhistorische waardenkaarten per gemeente die door de nieuwe Omgevingswet wordt voorgeschreven. Piet Goemans trekt nu tijdelijk de CHG-kar.
Natuurlijk blijft Alfred Pop wel voorzitter van de Stichting Oud Sassenheim, de SOS

Sandra Bechtholt directeur Keukenhof

Nieuwsblad 22 nummer 3  2023

Nieuwsflits

Het bestuur van Stichting Graaf Carel van Lynden benoemde per 1 oktober 2023 Sandra Bechtholt tot algemeen directeur van Keukenhof. Sandra was directeur van museum ‘Huis van het boek’ in Den Haag en werkte sinds 2003 in diverse marketing- en communicatiefuncties in de erfgoedsector. Zij startte haar carrière bij het Rembrandthuis en ging daarna aan de slag bij het Spoorwegmuseum in Utrecht als hoofd Marketing en Communicatie. Bij ‘Huis van het boek’ was zij verantwoordelijk voor de herpositionering van het museum, het vernieuwde tentoonstellingsbeleid en de herinrichting van de interne organisatie. Sinds 2021 is zij lid van de Raad van Toezicht van Stichting Werelderfgoed Kinderdijk. Daarnaast is ze adviseur bij het Programma Kunstpodia 2022 & 2023 van het Mondriaanfonds en is ze voorzitter van de Stichting Museumnacht Den Haag. Sandra Bechtholt gaat samen met de directeur bedrijfsvoering de directie van Keukenhof vormen. Sandra wordt benoemd tot algemeen directeur. De werving van de tweede directeur is recent gestart. Sandra Bechtholt is blij met haar benoeming: “Bezoekers uit de hele wereld worden overweldigd door de bloemenpracht in het park. De tulp spreekt tot de verbeelding van velen en zeker tot die van mij. Er is in Keukenhof ruimte voor een spectaculaire storytelling, er gebeurt hier iets verrassends. Het veelzijdige landgoed, het prachtige kasteel, een wereldberoemd bloemenpark en een gemotiveerde organisatie vormen de stevige fundamenten. Het is een eer en een uitdaging om hier samen met de mensen binnen en buiten Keukenhof een vervolg aan te geven!”

Sandra Bechtholt directeur Keukenhof

Arie in ’t Veld (1944-2023)

Door de jaren heen was er geen nieuws uit Lisse dat aan Arie voorbij ging. Zijn column “Arie Bombarie” werd graag gelezen. “Wie schrijft die blijft”, gaat bij Arie in ’t Veld zeker op, want zijn boeken 6 zullen we nog heel lang blijven lezen.

Nieuwsflits

Nieuwsblad 22 nummer 2 2023

 

Arie in ’t Veld geschilderd
door Iet Langeveld in 2020

Op 8 mei 2023 is ons redactielid Arie in’t Veld op 78-jarige leeftijd overleden. Diverse artikelen van zijn hand verschenen in ons Nieuwsblad en vele ervan zijn nog steeds in te zien op onze website. Zijn droge, sarcastische humor verlevendigde onze redactievergaderingen en dat wordt gemist. Arie tobde al een hele tijd met zijn gezondheid en had een longziekte. Hij wilde als Lissese dag- en weekbladcorrespondent in zijn afscheidsinterview uit 2020 niet meer neergezet worden als mopperaar, en beloofde nu alleen nog maar positieve commentaren te geven. Arie is jarenlang actief geweest als journalist in de Bollenstreek en werkte voor de Lisser en de Weekendkrant van de Buijze Pers. Daarin gaf Arie in’t Veld jarenlang zijn ongezouten kritiek in de rubriek Arie Bombarie. Na problemen met de hoofdredacteur Loe Buijze werkte hij aan zijn rubriek onder dezelfde naam nog een paar jaar bij het blad LisserNieuws van Uitgeverij Verhagen. Hij was ook corsobestuurslid, schreef voor diverse bulletins en was een uitstekende fotograaf. Kortom, hij was onlosmakelijk verbonden met Keukenhof en zijn camera. Ook heeft hij op verzoek van de gemeente Lisse gewerkt en werd de geschiedenis van Lisse (van 1940 tot en met 1980) in vijf delen uitgegeven. Zijn 40-jarig werkjubileum vierde hij in 2015 met zijn (ex)collega’s van Uitgeverij Verhagen. Aries familie wordt namens de Vereniging Oud Lisse heel veel sterkte toegewenst om dit verlies te dragen.

Pareltje: over de strijdbare Gerard van der Laan

Gerard van der Laan (1552-1635) woonde op Ter Specke. Zijn belevenissen wordt besproken.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad 21 nummer 4, 2022

Held in de Tachtigjarige Oorlog, burgemeester van Haarlem, eigenaar van Ter Specke en strijdbaar tot zijn laatste snik, maar in twee pamfletten belasterd door de contrareformisten.

De Spanjaarden worden afgeslacht bij de Boshuizer schans. Op de achtergrond de drijvende schans, die onder bevel stond van Gerard van der Laan. Een afgehakt Spaans hoofd of een deel daarvan leverde een premie op. Anonieme kunstenaar. Lakenhal Leiden.

Held tijdens Leidens ontzet
Gerard van der Laan, ook wel Gerrit van der Laen of Verlaen, vocht in de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog tijdens het beleg van Leiden. Van der Laan werd op 14 februari 1552 in Leiden geboren als zoon van Cornelis van der Laan en Beatrix van Montfoort in een van oorsprong Haarlemse familie van bierbrouwers. Vader Cornelis is al vanaf 1535 eigenaar van de Lissese hofstede Ter Specke. Gerard studeerde in Leuven, destijds na de Sorbonne de belangrijkste universiteit van het Europese vasteland. Hij was pas 22 jaar oud toen hij op 26 april 1574 tijdens het beleg van Leiden als kapitein het bevel voerde over vijfhonderd Engelsen en een grote groep vrijbuiters bij Alphen. Hij verdedigde het versterkte dorp en de sluizen van Gouda tegen de Spanjaarden onder de Spaanse legerleider Valdez. Drie stormlopen weerstonden Van der Laan en zijn mannen, maar bij de vierde leden zij zware verliezen en vluchtten naar Leiden. Valdez, die via een tactiek van uithongeren de stad tot overgave wilde dwingen, bouwde een vesting bij de brug van Boshuizen, die zeer hinderlijk was omdat de stadsmuren van daaruit met vuur konden worden beschoten. De Leidenaars besloten een uitval te wagen en in de vroegte van 29 juli trokken troepen de stad uit richting het verdedigingswerk. Gerard van der Laan kreeg het bevel over een drijvende schans, bemand door musketiers. Het spectaculaire gevaarte, gebouwd op boten, werd naar de krijgshandeling geroeid. De overval slaagde. De zestig overwonnenen werden op een na bruut afgeslacht. De laatste maal dat Van der Laan met zijn mannen in actie zou komen was op 3 oktober. Een dichte mist hing over het land en de groep vrijbuiters stond klaar om uit te vallen naar de schans Lammen. De schans was echter door de Spanjaarden al verlaten en het ontzet van Leiden was een feit.1

De burgemeester belasterd

Familiewapen in blauw met een keper vergezeld van drie liggende vaten met beugel in zilver. Helmteken: een vat tussen vleugels gedeeld van blauw en zilver.
Wapen met helmteken in grafsteen gebeiteld.

Gedeelte van het familiewapen van Van der Laen

Twee jaar later, in 1576, trouwde Van der Laan met Catharina Oem, een moeder van twee kinderen en weduwe van zijn neef Gerrit, overleden tijdens het beleg van Haarlem in 1573. Het paar vestigde zich in Haarlem en Van der Laan behoorde al snel tot de mannen die de dienst uitmaakten in de stad. Zijn carrière verliep voorspoedig. In 1588 werd hij aangesteld als schepen en benoemd in de vroedschap van de stad en later tot een van de vier burgemeesters. Van der Laan verkeerde in kringen van arminianen, de volgelingen van de remonstrant Arminius, en van vrijdenkers als Coornhert. Zijn oom Nicolaas van der Laan was beschermheer en vriend van deze grote humanist en schrijver, die lange tijd in Haarlem woonde. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), de wapenstilstand in de Tachtigjarige Oorlog, braken de Bestandstwisten uit tussen remonstranten en contraremonstranten. Ook in Haarlem barstte de strijd tussen de beide partijen los. De remonstrantse regenten wensten geen inmenging van contraremonstrantse predikanten in het stadsbestuur. De laatsten wilden niet alleen baas zijn in hun kerk, maar ook politieke en maatschappelijke invloed hebben. Het Haarlemse stadsbestuur verlangde daarom inspraak bij het beroepen van predikanten. Een lastercampagne tegen Van der Laan als vertegenwoordiger van dit standpunt volgde. Koopman Abraham de Block verspreidde dus roddels over de burgemeester. Hij was gezien in het gezelschap van twee hoeren in het bordeel ’t Rode huys. Hij zou een geslachtsziekte hebben opgelopen en de vader zijn van een buitenechtelijk kind. Zware beschuldigingen aan het adres van een regent, in een tijd waarin overspel werd bestraft. De Block kreeg als oproerkraaier een veroordeling tot een verbanning van twaalf jaar uit de stad.2

Wulpsche lichtveerdicheyt

Grafsteen van Gerard van der Laan in de Grote kerk aan’t Vierkant

Hoewel de Hoge Raad het vonnis over De Block vernietigde, schreef een woedende anonieme pamflettist in 1618 het schotschrift ‘Den Haerlemschen Harminiaen’, gericht tegen de remonstranten in het stadsbestuur en vooraltegen Van der Laan, de ‘Harminiaen” uit de titel. Zijn geloof is gevoed door Coornhert, Arminius en Socinius  en dergelijke spotters, beweert de pamflettist. Hij wordt vergeleken met de minderbroeder Cornelis Brouwer van Dordrecht, die de reputatie had wraakzuchtig en seksueel pervers te zijn: ‘Broeder Cornelis van Dordrecht schijnt wederom tot Lisse verresen te sijn’. Volgens de schrijver heeft Van der Laan ook in Lisse een kwalijke reputatie: ‘Want ick niet alleen over de 40 jaren kennisse aan u gehadt hebbe / maar ben veeltijdts tot Haerlem ende kome oock dicmaels tot Lisse, daar uwe wulpsche lichtveerdicheyt een ander ten exempel dickwils vermaent worden’.3

Het stadsbestuur loofde op 13 juni 1618 vergeefs een beloning van 300 gulden uit voor het aanbrengen van de schrijver van het pamflet. De Lisser die volgens het pamflet Van der Laans levenswandel publiekelijk afkeurde is mogelijk Johannes van Middelhoven, predikant van de gereformeerde kerk in Lisse. Hij was beroepen in 1612, maar in 1619 vertrok hij naar Haarlem. Hij werd daar aangesteld als rector van de Latijnse school en verving de humanistische schrijver Theodorus Schrevelius, die ontslagen was vanwege zijn remonstrantse sympathieën. Van Middelhoven stond te boek als contraremonstrant. Eveneens in 1618 verscheen het curieuze schotschrift ‘Copye van den lasterlijcken brief van Verlaen’. Het pamflet drukt twee brieven af die in augustus 1615 waren geschreven door Gerard van der Laan, op zijn hofstede in Lisse. De eerste brief is gericht aan predikant Hendrik Geesteranus. Van der Laan beklaagt zich over de Vlaamse nieuwkomers binnen de stad, felle contraremonstranten. Het zijn lieden die het geheugen hebben van vliegen, die vijf, zes keer aan het mes ontsnapt zijn en dan weer op dezelfde plaats gaan zitten om aan stukken te worden geslagen. Zij zijn door de stad vriendelijk ontvangen, maar willen politieke invloed. De stad heeft hiermee als het ware een vijand binnen de poorten gehaald. De brief is omlijst door de woedende commentaren van de pamflettist, die Van der Laan onder meer onder de neus wreef dat de zuiderlingen bijgedragen hadden aan zijn welvaart en aan die van Haarlem. De tweede brief is gericht aan de heren burgemeesters. 4

De calvinistische religie is mij suspect

Oktober 1618 volgde in Haarlem de wetsverzetting van prins Maurits. Hij ontsloeg de burgemeesters, leden van de vroedschap en officieren van de schutterij. Gerard van der Laan verloor op 66-jarige leeftijd zijn bestuursfuncties. De remonstrantse godsdienst werd in 1619 officieel verboden. Van der Laan bleef een dwarse persoonlijkheid. Voor de Haarlemse kerkenraad verklaarde hij in 1620 dat de calvinistische religie
hem altijd ‘suspect’ (verdacht) was. Hij had zich erbij aangesloten uit opportunistische overwegingen. Kerkgang, ach hij ging ter kerke om een goed voorbeeld te geven, maar hemzelf zei het niets. Hij kon ook zelf wel de bijbel lezen. Een redenering die getuigt van die van een libertijn en vrijgeest en niet van een waardig lid van de gereformeerde gemeente, oordeelde de kerkenraad. 5

Later verklaart hij dat hij in het geheel niet meer kerkt, hij zou het alleen doen als dat werd verplicht. Zeven jaar na zijn ontslag als burgemeester schrijft hij een lang betoog waarin hij zich uitspreekt over de staat van het land, de religie en vooral de rol van de gehate predikanten. Zij bouwen een machtspositie op waardoor de regenten geen goed bestuur kunnen uitoefenen. Politie, regering en gouvernement kunnen niet regeren als zij overal hun ‘kloeten’ insteken. Ze draaien en verdraaien alles en bewerken het grauw. Het probleem is dat de predikanten van lage komaf zijn, ‘gesproten uitet schuim ende gespuis van ’t gemeene onbesnoeit ende onwetende volk, die
van naturen alle overheit haten’. Canaille is het. 6

Het noodlot vindt zijn weg
Van der Laan bewoonde met zijn zich steeds uitbreidende gezin, hij was een jaar na de dood van Catharina Oem in 1589 hertrouwd met Magdalena van Beresteijn, een huis in de Jacobijnestraat. Mogelijk heeft hij zich na alle perikelen in 1618 teruggetrokken op Ter Specke. Daar overlijdt in 1620 zijn tweede vrouw. In 1623 woont hij volgens het Hoofdgeld 1623 met twee inwonende dienstmeiden op zijn hofstede in Lisse. Van der Laan steekt nog eenmaal zijn nek uit in de zaak van de gevangengenomen kunstschilder Torrentius, die om zijn opvattingen
en erotisch getinte schilderijen in diskrediet was geraakt en gevangengezet. In oktober 1627 attesteert hij ten gunste van Torrentius en in 628 staat hij ervoor garant dat de schilder niet zal vluchten als hij buiten de gevangenis zijn straf uitzit. Gerard van der Laan overleed op Ter Specke op 16 februari 1635. In de Grote Kerk bij het Vierkant ligt zijn fraaie grafsteen met het wapen van de Van der Laans en als zinspreuk een citaat van Vergilius ‘Fata viam invenient’, Het noodlot vindt zijn weg. 7

Noten

I H. A. van Oerle ‘De rol van schansen bij het beleg van 1572-1574.’ In: Leids jaarboekje 1974. P.34-50
II Gabrielle Dorren ‘Eenheid en verscheidenheid, De burgers van Haarlem in de Gouden Eeuw’. Amsterdam 2001, p.188-189.
III Haerlemschen Harminiaen, p. 14,15. Digitaal te raadplegen via Google Books
IV Lasterlycke brief, p. 12. Digitaal te raadplegen via Google Books.
V A. Th. van Deursen ‘Bavianen en slijkgeuzen’. Franeker 1998. P.224-225.
VI G. Groenhuis ‘De predikanten’ p. 114-115. Geciteerd naar G. Brandts ‘Historie der Reformatie’. Deel 4, P.632-642
VII Zie voor Gerard van der Laan 1. LisseTijdReis, tabel Index van Pex. Onder andere over de vele grondaankopen in Lisse. 2. M. Thierry de Bye Dólleman en O. Schutte ‘Het Haarlemse geslacht Van der Laen’. Overdruk De Nederlandsche Leeuw, 1969. P.20-25. Raadpleegbaar in de bibliotheek van de VOL.

 

Beeldverhaal ‘Wederopbouw in Lisse: naoorlogse sociale woningbouw’

Wederopbouw in Lisse: naoorlogse sociale woningbouw

Na de Tweede Wereldoorlog was de woningnood volksvijand nummer één. Tijdens de oorlogsjaren was er vrijwel niet gebouwd, terwijl veel woningen verwoest of beschadigd werden. Het duurde een aantal jaren voordat de woningproductie weer op gang kwam. Intussen maakte een geboortegolf het woningtekort nog groter. Een groot deel van de bevolking was aangewezen sociale woningbouw, de zogenaamde woningwetwoningen. In Lisse waren het vooral de twee woningbouwverenigingen die in de jaren vijftig (de jaren van de “wederopbouw”) flink gingen bouwen. Volksbelang breidde eerst uit in de Oranjebuurt en bouwde daarna de Bloemenbuurt, om onmiddellijk verder te gaan in de Zeeheldenbuurt. Het Gezinsbelang bouwde vooral in De Engel, maar daarna ook in de Zeeheldenbuurt. In dit beeldverhaal ziet u foto’s van de woningbouw in de Oranjebuurt en de Bloemenbuurt. Volksbelang en Het Gezinsbelang zijn in 2000 opgegaan in Trias Woondiensten. Trias is vervolgens onderdeel geworden van Woningstichting Stek.

RUZIE IN DE WITTE ZWAAN

Een slaande ruzie in 1640 is helemaal uit de hand gelopen. De rechtzaak wordt beschreven.

Door Dirk Floorijp

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 1, 2022

We horen door de eeuwen heen mooie verhalen rondom de herberg De Witte Zwaan. Er zijn echter ook minder mooie verhalen te vinden. Slaande ruzie die helemaal uit de hand loopt.

Marijn Jansz zit met een gezelschap jonge lieden in de herberg De Witte Zwaan en zij worden bediend door de waard Lenart Pietersz van der Codde. Het is op 28 mei 1640, Tweede Pinksterdag. Of hij zich ergerde aan de luidruchtigheid van de jongelui staat er niet bij, maar plotseling staat achter Marijn Jansz baljuw mr. Quirijn van der Maes, schout van Voorhout en wonende in Lisse op het Vierkant op nr. 222. Hij woonde dus in het crimineel raadhuis, daar waar later het Kuikenhuis en weer later de bank was, naast het poortje naar Museum de Zwarte Tulp. Volgens omstanders slaat hij: met een seker geweer genaamt een houwer, in op Marijn die daarna half invalide blijkt te zijn. Er volgt een proces voor de Vierschaar. Eischer. Marijn Jansz. Gedaegde. Quirijn van der Maes. Door de houw in zijn linkerhand zijn enige leden verminkt, “ zulks dat hij zijn handarbeid niet hebbende kunnen plegen, ook niet geslapen, dat hij gedurende zijn leven t selve niet meer zal kunnen doen en door de quetsure vervallen is in grote dessolatie, hij zijne cost niet kan verdienen ook geen middelen heeft om daarvan te leven”. Dat de gedaagde bij vonnisse van deze geregte zal worden gecondemneert, eerst af te houden het meesterloon volgens de notitie van de chirurgijn. Ten 2e de eis te betalen voor smart en pijn door hem geleden en het teken dat hij zijn hele leven gedurende moet dragen, een somme van één hondert caroli gulden voor de verminkte leden en het benemen van desselfs gezondheid daardoor hij zijn kost niet zal kunnen verdienen, en een somme van 300 gulden gedurende zijn leven niet meer kan verdienen. Naast één honderd gulden ook de verzuimde tijd van een arbeidsman, iedere week zes gulden. Nu tien weken. Getekend voor het geregt op 7 aug.1640.

Nergens lees je het weerwoord van Quirijn van der Maes, of hij het eens is met het vonnis of het aanvecht. Hoe kon het zo uit de hand lopen? Had de baljuw zo’n kort lontje? Zou hij ook met zo’n oordeel wel schout in Voorhout en baljuw kunnen blijven. Bij het vonnis kwam hij niet opdagen. Blijkbaar is het buiten het gerecht om geregeld en bleef hij schout van 1639 tot 1664. Hij overleed te Lisse in 1672.

Oud Nieuws: Ruzie in de Witte Zwaan

Een slaande ruzie in 1640 is helemaal uit de hand gelopen. De rechtzaak wordt beschreven.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 1, 2022

We horen door de eeuwen heen mooie verhalen rondom de herberg De Witte Zwaan. Er zijn echter ook minder mooie verhalen te vinden. Slaande ruzie die helemaal uit de hand loopt.

Marijn Jansz zit met een gezelschap jonge lieden in de herberg De Witte Zwaan en zij worden bediend door de waard Lenart Pietersz van der Codde. Het is op 28 mei 1640, Tweede Pinksterdag. Of hij zich ergerde aan de luidruchtigheid van de jongelui staat er niet bij, maar plotseling staat achter Marijn Jansz baljuw mr. Quirijn van der Maes, schout van Voorhout en wonende in Lisse op het Vierkant op nr. 222. Hij woonde dus in het crimineel raadhuis, daar waar later het Kuikenhuis en weer later de bank was, naast het poortje naar Museum de Zwarte Tulp. Volgens omstanders slaat hij: met een seker geweer genaamt een houwer, in op Marijn die daarna half invalide blijkt te zijn.

Er volgt een proces voor de Vierschaar.
Eischer. Marijn Jansz.
Gedaegde. Quirijn van der Maes.
Door de houw in zijn linkerhand zijn enige leden verminkt, “ zulks dat hij zijn handarbeid niet hebbende kunnen plegen, ook niet geslapen, dat hij gedurende zijn leven t selve niet meer zal kunnen doen en door de quetsure vervallen is in grote dessolatie, hij zijne cost niet kanverdienen ook geen middelen heeft om daarvan te leven”.
Dat de gedaagde bij vonnisse van deze geregte zal worden gecondemneert, eerst af te houden het meesterloon volgens de notitie van de chirurgijn. Ten 2e de eis te betalen voor smart en pijn door hem geleden en het teken dat hij zijn hele leven gedurende moet dragen, een somme van één hondert caroli gulden voor de verminkte leden en het benemen van desselfs gezondheid daardoor hij zijn kost niet zal kunnen verdienen, en een somme van 300 gulden gedurende zijn leven niet meer kan verdienen. Naast één honderd gulden ook de verzuimde tijd van een arbeidsman, iedere week zes gulden. Nu tien weken. Getekend voor het geregt op 7 aug.1640.
Nergens lees je het weerwoord van Quirijn van der Maes, of hij het eens is met het vonnis of het aanvecht. Hoe kon het zo uit de hand lopen? Had de baljuw zo’n kort lontje? Zou hij ook met zo’n oordeel wel schout in Voorhout en baljuw kunnen blijven. Bij het vonnis kwam hij niet opdagen. Blijkbaar is het buiten het gerecht om geregeld en bleef hij schout van 1639 tot 1664. Hij overleed te Lisse in 1672.