Berichten

Streepje en JAS

Over kunstenaar JAS (Johan Ariaan Smit) worden zijn schilderijen en gedichten belicht.

door K. Noordermeer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Een jongen was ik nog, toen de inmiddels 100-jarige Marius Montagne mij accepteerde als bediende. In de lente van 1959 stapte ik de wereld van Hollands Bloembollen Genootschap binnen. Stoere Paardekooper architectuur, uit baksteen en gietijzer, maakte direct grote indruk. Aan de Tulpenstraat te Lisse beleefde ik vele harmonieuze uren. Ca. 1965 mocht ik op de afdeling reclame een 6-tal Lisser jong volwassenen in toom houden. Het venster waarachter ik opereerde keek uit op de Crocussenstraat. Beschenen door een milde zomerzon liep een slank meisje op dat venster toe. Gekleed in een gestreepte jurk. Elke keer wanneer ik haar op mij toe zag lopen zei ik: “Kijk lui, daar komt STREEPIE”! In mijn herinnering was het altijd zomer wanneer Janny Goossens vanuit de Crocussenstraat de Tulpenstraat naderde. Ineens was zij niet meer alleen. Aan de arm van een blonde Adonis sloeg zij, voor mijn vensterruit, linksaf richting Grachtweg. 1985 maakte ik kennis met kunstenaar JAS. Bij Galerie Catharina in Hillegom stelde JAS zijn schilderijen ten toon. Mij viel de eer te beurt de expositie met een speech te openen. Later nodigde galeriehouder Piet Blokker mij uit om in België op atelierbezoek te gaan bij JAS. We belden aan, de deur werd opengedaan en het eerste wat ik tot onze gastvrouw zei was: “Barst, jij bent STREEPIE”. Janny Goossens was opgebloeid tot een allerhartelijkste mevrouw Smit-Goossens.

JAS (Johan Adriaan Smit) verraste 29-11-1992 de Hillegomse Fanfare Crescendo met het drieluik: “Une visite imaginaire de F Léger – à la région des fleurs”. Dit bloemrijke werk is een eerbetoon van JAS aan de Franse schilder Fernand Léger. Twee jaar later nodigde JAS mij uit om de monografie: ”EMOTIONS” op schrift te stellen. Op verzoek van de kunstenaar sprak ik dat jaar de kunstliefhebbers toe bij de onthulling van de GRANDE ARCHE MU. Met de uit witte en blauwe hyacinten opgebouwde stijlvolle triomfboog creëerde JAS een doorkijk op de Lisser Donjon “’t Huys Dever”.

19-06-2002 kwam er een einde aan de kunstenaars carrière van JAS. Enige dagen later werd in België afscheid genomen van JAS onder de pianoklanken van de componist Erik Satie. JAS liefde voor muziek en schilderkunst leeft echter voort met een visite aan zijn

Fanfare drieluik J A. Smit (JAS)

op de buitenmuur van de Mijnzaal van voorheen Hollands Bloembollen Genootschap nu cultuurhuis Floralis. Dit jaar betrad “STREEPIE” deze florale wereld, om het creatieve vermogen van haar echtgenoot JAS voort te laten leven.

Wie kleuren zaait zal schilders oogsten.

Kees Noordermeer

In memoriam Frits Treffers. Frits was medeoprichter van de Vereniging “Oud Lisse”.  

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)   

17 december 2019

 door Nico Groen en Wim Bosch

 

Op 21 november 2019 is Frits Treffers (27 oktober 1932–21 november 2019) na een langdurige ziekte overleden. N.a.v. zijn geweldige bijdragen aan de Vereniging “Oud Lisse” werd Frits in 2015 tot erelid van onze vereniging benoemd. Hij werd benoemd tot lid van de Orde van Oranje Nassau tijdens het 25 jarig jubileum van de Vereniging ”Oud Lisse” in 2016.

Frits is in 1932 in Ned. Indië (Batavia) geboren en heeft daar zijn jeugd doorgebracht. Zijn vader, die beroepsofficier bij de KNIL was, werd in 1942 door de Japanners geëxecuteerd.  Hij is na de oorlog in 1947 met zijn moeder en zus naar Nederland teruggegaan. Frits is zijn leven lang verknocht geweest aan zijn jeugdervaringen in Ned. Indië. In Nederland werd Frits ingenieur door zijn studie aan de TU in Delft en werd daarna bouwkundig architect.

De dreigende sloop van de mooie bollenvilla’s Merenburgh, Magnolia en Buitendorp tegenover zijn huis Somalo was de aanleiding voor de oprichting van de Vereniging “Oud Lisse” in januari 1991.  Frits Treffers werd als medeoprichter bestuurslid van de Vereniging “Oud Lisse”. De villa Merenburgh werd eind 1991 helaas onverwacht gesloopt terwijl de bezwaarprocedure nog liep.

Station Lisse

Daarna heeft Frits zich als architect intensief ingezet voor het behoud van het oude monumentale station Lisse uit 1905, dat ook met sloop bedreigd werd. Na diverse gesprekken met NS werd er uiteindelijk overeenstemming bereikt. Daartoe werd, naast de Vereniging Oud Lisse, de Stichting Oud Lisse opgericht voor de restauratie en onderhoud van monumentale panden zoals het station. Frits speelde hierin een leidende rol. De Stichting Oud Lisse kwam met de NS overeen het stationscomplex tegen een gering bedrag te huren met als verplichting dat het pand op eigen kosten gerenoveerd en onderhouden zou worden.

Rijksmonument

Het prachtige resultaat was, dat met medewerking van de gemeente Lisse, het pand zelfs werd aangewezen als Rijksmonument! Om de restauratie te bekostigen werd de benedenverdieping van het station door de Stichting Oud Lisse verhuurd aan restaurant “De Verloren Koffer”, van John Nederstigt.

Daarnaast heeft Frits de leiding gehad van de werkgroep Bouwkundige Zaken, die in 1996 alle monumentwaardige panden in Lisse geïnventariseerd heeft. Het resultaat was het prachtige, uitgebreid beschreven boek “Registratie Waardevolle Panden in Lisse”.  Groepswandelingen door het dorp met Frits waren door zijn enthousiaste en flamboyante betoog een waar feestje. Frits was ook actief betrokken bij de totstandkoming van de gemeentelijke monumentenlijst in 2008. Hij werkte ook mee aan de uitgave van het boek “Wandel- en fietsroutes langs Monumenten in Lisse” uit 2010. Kortom Frits is voor heel Lisse en omgeving van grote betekenis geweest met zijn grote kennis van bouwzaken en monumentale panden.

Met het overlijden van Frits Treffers hebben we afscheid moeten nemen van een zeer gedenkwaardig bestuurslid, die we echter blijvend zullen gedenken en nooit zullen vergeten!

Foto: Een samengestelde foto van Frits Treffers met het station op de achtergrond
Foto’s: Frits Treffers van Arie in ’t Veld en het station van de Vereniging “Oud Lisse”

VAN VER GEKOMEN: Hongaarse roots van de familie Paardekooper

In de serie ‘Van Ver Gekomen. wordt deze keer de voorouders van Kees Paardekoopen onder de loep genomen. Op 17 februari 1924 is zijn moeder op 12 jarige leeftijd naar Nederland gekomen.

door Wim Bosch

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Kees Paardekooper en zijn vrouw Elly ontvingen mij en mijn vrouw Rina hartelijk in hun woning aan de Heereweg bij het Bevrijdingsbeeld. Kees legde mij met zijn notities van het levensverhaal van zijn
Hongaarse moeder Ottilia uit hoe zij in Nederland terecht is gekomen, zijn vader Arie Paardekooper heeft ontmoet en later met hem is getrouwd. Arie Paardekooper was bloembollenkweker. Nelly, de zus van Kees, heeft de prachtige oude foto’s verstrekt voor dit verhaal.

Otillia Valeria Gyurasko, was de officiële meisjesnaam van Ottilia, de vrouw van Arie Paardekooper en
moeder van Kees. Zij is in Hongarije geboren op 11 december 1911 als enigst kind van haar ouders. Haar moeder heette Borbala Guyrasko-Sas, geboren in Hongarije en in 1913 overleden aan longontsteking. De vader van Ottilia heette Istvan Gyurasko. Hij werd geboren in Eperjes (Tsjechië) in 1867 en was drukker bij de krant Pesti Hirlap in Boedapest. Hij overleed in 1917 aan een hartaanval. Ottilia werd dus al op zesjarige leeftijd wees. Zij werd in huis genomen en opgevoed door haar tante Róza en oom Istvan, die woonden in Dunapentele aan de Donau, ca. 60 km ten oosten van Boedapest. Haar oom en tante waren goed voor haar. Ottilia kreeg een goede opvoeding, volgde de lagere school en leerde zwemmen in de Donau.

Ottilia naar Nederland

Otillia op jonge leeftijd

Hongarije was toen nog een onderdeel van het Oostenrijkse Habsburgse keizerrijk, de dubbelmonarchie. Die viel in 1918 uit elkaar nadat met Duitsland de Eerste Wereldoorlog was verloren. Hongarije verarmde toen snel en leefde van de opbrengst van de landbouw, maar moest ook schulden aan de geallieerden betalen. Veel gezinnen geraakten toen onder het bestaansminimum. Ook Ottilia’s tante Róza en oom Istvan konden de opvoeding van Ottilia financieel niet meer opbrengen. Het Hongaarse Rode Kruis en de ‘Liga’-organisatie hebben toen besloten om 150.000 kinderen, vooral wezen en kinderen uit zeer verarmde gezinnen, een half jaar lang te laten onderbrengen bij Nederlandse gastouders. Dit was een nationale hulpactie log neutrale Nederland! Ze gaven aan deze Hongaarse kinderen een rustperiode van een half jaar. Zo kwam Ottilia op 17 februari 1924 als twaalfjarig kind naar Nederland. Ze werd toen ondergebracht bij ‘tante Pietje’ van den Berg in Voorhout.

Oma van den Berg, tante Pietje en Ottilia.

Adoptie van Ottilia
De bedoeling van het Rode Kruis was dat de Hongaarse kinderen hier een half jaar zouden blijven. ‘Tante Pietje’ van den Berg had geen kinderen en gaf te kennen dat ze Ottilia graag wilde adopteren. Mede door de hulp van de krant ‘Pesti Hirlap’ in Boedapest, waar Ottilia’s vader jarenlang drukker was geweest, en met behulp van officiële instanties slaagde de adoptie en werd Ottilia de pleegdochter van ‘tante Pietje’. Ottilia kreeg van ‘tante Pietje’ een gedegen katholieke opvoeding: doordeweeks ging ze naar een katholieke school, ‘s zondags naar de kerk en elke dag naar de ochtendmis voor de school begon. Later ging ze naar de huishoudschool en kreeg daar lessen in koken, naaien, breien en alles wat met de huishouding te maken had. Ze slaagde met vlag en wimpel voor de opleiding van coupeuse en
kon geweldig goed kleren maken, jurken, jasjes enz. Tante Pietje trouwde op zestigjarige leeftijd met
weduwnaar Leen van der Geer en Ottilia kreeg toen in een keer tien broers en zussen en werd helemaal
in het gezin opgenomen.

Verkering van Ottilia
Arie Paardekooper, zoon van een herenboer uit Oegstgeest, wilde het bloembollenvak leren en fietste elke dag naar zijn stageadres aan de Boekhorstlaan in Voorhout. Jawel, daar woonde ook Ottilia van
den Berg! Ze leerden elkaar kennen en het ’klikte’. Ze werden verliefd en de liefde tussen Ottilia en Arie bleek hecht. Toen de vader van Arie hoorde van de verkering werd hij woest! Voor zijn zoon had hij als vrouw een dochter van een rijke bollenboer in gedachte en zeker niet een arme vluchtelinge uit Hongarije. Het verhaal gaat dat ze plechtig moesten beloven dat ze elkaar twee jaar lang niet zouden zien, spreken of schrijven en op geen enkele wijze nog met elkaar contact zouden hebben. Als de twee jaar voorbij waren en ze waren nog steeds verliefd op elkaar, zou opa zijn zegen geven. Na twee jaar hadden ze dus echt verkering en Arie heeft heel wat afgefietst naar Voorhout. Arie en Ottilia zouden nu trouwen. Maar dit was niet eenvoudig! Veel instanties moesten dit huwelijk goedkeuren en werden daarvoor benaderd, tot en met een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken Hendrik van Boeijen, door Ottilia geschreven. Ook de krant ‘Pesti Hirlap’ in Boedapest verleende veel medewerking en tenslotte was aan alle voorwaarden voldaan.

Huwelijk van Arie en Ottilia
Arie en Ottilia trouwden op 11 mei 1938 en gingen wonen in Lisse aan de Heereweg 57. Op de volgende pagina staat de trouwfoto met links naast de bruid ‘tante Pietje’, die toen getrouwd was met Leen van der
Geer, die naast haar staat. Rechts van bruidegom Arie staat zijn moeder Clara en zijn vader Kees Paardekooper. Ze kregen zeven kinderen: Carla, Nelly (doopnaam Borbala, de naam van Ottilia’s
moeder), Kees, Tilly (doopnaam Ottilia!), Truus, Ad (doopnaam Adrianus Istvan, naar de vader van Ottilia) en tenslotte de jongste die Marian heet. Ad overleed op 1 januari 2002 na een ziekbed op 55-jarige leeftijd.

Latere voorvallen in Ottilia’s leven
Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, was er op het platteland best nog wat verkrijgbaar. Arie Paardekooper pachtte land aan de Loosterweg en teelde naast bollen ook aardappelen, bonen en tabak. Ottilia naaide de kleren van haar kinderen en verstelde ze, want ze was ontzettend goed met naald en draad! Aan het einde van WO II maakte ze voor Kees uit een lange onderbroek een pakje, mooi blauw geverfd en geborduurd. Tijdens de oorlogsjaren waren de contacten van Ottilia met haar familie in Hongarije heel beperkt. Ook na de oorlog bleef het moeizaam: Hongarije was door de Russen bezet, maar er was wel een briefwisseling van Ottilia met haar nichten Irma en Margit, totdat in 1956 de Hongaarse Opstand uitbrak. Er ontstond chaos in Boedapest met veel doden, gewonden en vluchtelingen. Toch werd door Ottilia nog wel contact gezocht d.m.v. brieven aan Irma en Margit. Er kwam toen een telegram met de tekst: ’Wij leven, help ons’. Er was namelijk aan alles gebrek in Hongarije. Ottilia’s man Arie stuurde een groot pakket met zaken die in Hongarije moeilijk of niet te verkrijgen waren, zoals nylons, lingerie, kleding en voedingswaren. Via de post werd een lijst gestuurd met alles wat er in het pakket moest zitten. Helaas bleek dat meer dan de helft was gestolen! De douane zelf had het gejat! Evengoed hebben Arie en Ottilia nog vele jaren kleding en andere goederen naar Irma en Margit en hun vriendin Erzi gestuurd.

Op 4 februari 1969 overleed Ottilia’s man Arie Paardekooper plotseling aan een hartstilstand, terwijlhij ter observatie in het Marinehospitaal in Overveen lag. Hij werd maar 56 jaar oud. Daarna brak een zware tijd aan voor moeder Ottilia en haar kinderen. Wel heeft ze veel steun gehad van familie en vrienden. Het woonhuis aan Heerewe 57 werd verkocht aan Ad Paardekooper, de broer van Kees. Ottilia ging in 1971 wonen in een toen nieuwgebouwd huis aan de Nassaustraat 1a in Lisse. Ze kon goed wennen in de Nassaustraat en had veel aanloop van haar kinderen en kleinkinderen, wat voor haar echt een grote troost was. Eind 1969 zei Ottilia tegen haar zoon Kees dat het haar heel grote wens was om nog een keer terug te gaan naar Hongarije. Want ja, er zat al zo’n 45 jaar tussen haar vertrek uit
Hongarije en 1969. Maar Hongarije was in 1969 nog bezet, dus erg moeilijk te bezoeken. Visa, reisdocumenten, verblijf en valuta moesten geregeld worden. Uiteindelijk is Ottilia in 1970 met Kees en zijn vrouw Elly vertrokken naar Hongarije. Ze reisden via Duitsland, Zwitserland (Schaffhausen), Oostenrijk (Salzburg en Wenen) naarbBoedapest. De grenscontrole was wel pittig, maar niet zo erg als in Oost-Duitsland en Oost-Berlijn. Op weg naar Irma in Dunapentele aan de Donau hadden ze prachtig
weer en reden over mooie landweggetjes en langs wilde rozenstruiken. Ottilia werd heel zenuwachtig,
want ze herkende de omgeving, de kerk, de school en natuurlijk het huisje waar ze was opgegroeid
met het nog steeds daarbij aanwezige varkenskot. Uit het boerderijtje tegenover haar oude huis kwam een oud vrouwtje, heel armoedig met slechte tanden, maar wel heel aardig. Ze zei tegen Ottilia: Ik ken
je wel niet, maar jij bent Ottilia, die na de grote oorlog naar Holland is gegaan! Toen brak bij beide vrouwen veel emotie los! In het boerderijtje van die oude vrouw was niets veranderd: dezelfde hoekbank en kruisbeeld. Het vrouwtje was wel veranderd, maar toch was ze nog steeds het vroegere buurmeisje. Ook bij haar nicht Irma werd Ottilia later hartelijk ontvangen. Op tafel stond zelfs een foto van Kees’
dochter Ilse, die oma Ottilia aan Irma gestuurd had. Na aankomst gingen ze meteen de boomgaard in, plukten kersen en praatten met elkaar. Kees en Elly waren verbaasd dat moeder Ottilia toch nog redelijk Hongaars sprak! Het was een mooie reis, vooral voor hun moeder. Ze mochten zelfs in de kerk in Dunapentele het originele doopregister van moeder Ottilia inzien! Later zijn Erzi en Irma nog verschillende keren in Nederland geweest bij de familie. Van het communistische bewind mochten oudere mensen die niet meer werkten, het buitenland bezoeken.

Krantenartikel over Hongarije in 1956

De rolbrug over de Ringvaart rond 1920

Op een foto uit 1920 staat de de draaibrug over de Ringvaart.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

door de Redactie

De foto op de voorpagina is van ongeveer 1920. De Ringvaart, hier stijf bevroren, werd gegraven om uiteindelijk het grote meer leeg te malen en leeg te houden. Deze brug is van 1877. De eerste brug van 1843 was een rolbrug, die rolde open op rails in de richting van de Kanaalstraat. De foto laat goed zien dat de Dorpskerk veel hoger staat dan het ervoor liggende gebied. Zo kun je bedenken dat als je op het meer voer bij Abbenes dat je opkeek naar Lis. De eerste brugwachter was Albert Alders die dienst deed van 1843 tot 1877, hij waakte over die oude rolbrug. Zijn zoon Aart Jacobus Alders was de eerste brugwachter van de draaibrug. Hardnekkig bleef men die brug rolbrug noemen en ook “Brug der Zuchten”. In 1915 nam Gerrit Wesselius de draaistang over tot 1953. Na hem mocht Nol de Keijzer met het klompje hengelen, en ook nog na 1968 toen deze brug werd vervangen door de ophaalbrug.

Lisserbrug rond 1920

Memoriam Frits Treffers

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

27-10-1932 – Batavia – †21-11-2019 – Lisse.
Medeoprichter van de Vereniging “Oud Lisse”.
Op 21 november is Frits Treffers na een langdurige ziekte overleden.

Frits werd in 1932 in Ned. Indië geboren en heeft daar zijn jeugd doorgebracht. In 1947 kwam hij met zijn moeder en zus naar Nederland. Zijn vader werd door de Japanners geëxecuteerd. Frits is zijn leven lang verknocht geweest aan zijn Ned. Indië. Na zijn studie aan de TU in Delft werd hij bouwkundig architect. De dreigende sloop van de bollenvilla’s Merenburgh, Magnolia en Buitendorp tegenover zijn huis Somalo was eind 1990 aanleiding voor de oprichting van Vereniging “Oud Lisse”. Frits kwam in het bestuur.
Lopende de bezwaarprocedure werd Merenburgh onverwacht gesloopt.

Frits Treffers

Daarna zette Frits zich intensief in voor het behoud van het oude monumentale station Lisse uit 1905 dat ook met sloop bedreigd werd. Uiteindelijk werd er met de NS overeenstemming bereikt. Het stationscomplex werd tegen een gering bedrag gehuurd met als verplichting het pand op eigen kosten te renoveren en onderhouden. Frits speelde hierin een leidende rol. Het prachtige resultaat was, dat met medewerking van de gemeente Lisse, het pand zelfs werd aangewezen als Rijksmonument! Om inkomsten te verwerven en de restauratie te bekostigen werd de benedenverdieping van het station verhuurd aan restaurant “De Verloren Koffer”. Daarnaast had Frits de leiding van de werkgroep Bouwkundige Zaken, die in 1996 alle monumentwaardige panden in Lisse inventariseerde. Het resultaat was het prachtige uitgebreid beschreven boek “Registratie Waardevolle Panden in Lisse”. Het gidsje “voettocht door het kleine dorp” was daar een uittreksel van en werd gebruikt voor rondwandelingen. Die groepswandelingen met Frits waren door zijn enthousiaste en flamboyante betoog een waar feestje. Frits was ook actief betrokken bij de totstandkoming van de gemeentelijke monumentenlijst in 2008 en werkte mee aan het boek “Wandel- en fietsroutes langs Monumenten in Lisse” uit 2010.

Frits is met zijn originele, humoristische en boeiende persoonlijkheid van grote betekenis geweest voor Lisse en omgeving. In 2015 werd Frits erelid van onze vereniging. Hij werd benoemd tot lid van de Orde van Oranje Nassau tijdens het 25 jarig jubileum van de Vereniging ”Oud Lisse” in 2016. Helaas was zijn vrouw Ria kort daarvoor overleden.

Met het overlijden van Frits Treffers hebben we afscheid moeten nemen van een van de oprichters van onze vereniging en van een gedenkwaardig bestuurslid. Wij zullen hem blijvend gedenken en nooit vergeten!

Burgemeester Von Bönninghausen stierf 100 jaar geleden

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                             

 3 december 2019

 door Nico Groen

Deze oud-burgemeester van Lisse stierf 100 jaar geleden in de trein op weg naar zijn familie.

Dokter Haase uit Lisse schreef een in memoriam in het Leidsch Jaarboekje van 1920. Deze voor de geschiedenis van Lisse belangrijke gebeurtenis is herontdekt door Ed Olivier. Het in memoriam is geplaatst in het laatste Nieuwsblad van 2019 van de Vereniging Oud Lisse. Dit Nieuwsblad is gratis voor leden en voor anderen voor € 5.00 te verkrijgen tijdens de inloop op dinsdagmorgen in de Vergulde Zwaan.  De volledige letterlijke tekst uit het Leidsch jaarboekje 1920, het orgaan van de toenmalige vereniging “Oud-Leiden”, staat hieronder.

 

In memoriam door dokter F.G.M. Haase

“Den 15 Maart 1919, op reis naar zijne familie te Tubbergen, overleed plotseling in den trein tusschen Deventer en Bathem Jhr. P. F. A. J. von Bönninghausen tot Herinckhave, burgemeester van Lisse. De heer von Bönninghausen, die gedurende ruim dertig jaren het burgemeestersambt heeft vervuld, stond bij de burgerij van Lisse in hoog aanzien. Hij werd geboren te Tubbergen op 9 Aug. 1858 op het landgoed Herinckhave, uit een adellijk geslacht. Hij genoot zijne opleiding aan het gymnasium te Rolduc en werd den 28en September 1888 benoemd tot burgemeestersecretaris van Lisse. Onder zijn bewind ging Lisse zeer vooruit en kwam ‘t meer en meer tot bloei. Het zielental verdubbelde, en de welvaart van de bevolking nam steeds toe. Het nieuwe postkantoor en raadhuis, de gasfabriek en de monumentale Rijkslandbouwwinterschool werden onder zijn beheer gebouwd. De gemeentezaken, met name de financiën, gingen hem zoo ter harte als golden ‘t zijne privébelangen. Door gepaste zuinigheid was hij er steeds op uit het belastingcijfer op een laag peil te houden. Nooit heeft hij zich zelf gezocht, doch was altijd vervuld van ijver voor zijne gemeente: zelfs in de latere jaren van zijn leven, toen een slepende kwaal zijne geestelijke en lichamelijke krachten langzaam sloopte. Zijne ziekte noodzaakte hem op een 1 December 1916 het secretariaat neer te leggen en over te dragen aan zijn opvolger den heer de Haan. Burgemeester von Bönninghausen was een edelman van den ouden stempel. In voorkomen en optreden was hij op en top de aristocraat en gezagsman, die een ieder respect wist af te dwingen. Hij bezat de gave met een ieder, zonder onderscheid van rang of stand om te gaan. Het ,,noblesse oblige” verloor hij daarbij nooit uit ‘t oog. Hij was overtuigd Katholiek: als burgemeester strikt rechtvaardig en onpartijdig. Onoprechtheid en draaierij waren hem een doorn in ‘t oog. Zijn prikkelbaar temperament leidde hem, vooral in zijne hoedanigheid als hoofd der politie, niet zelden tot uitvallen van rechtmatigen toorn, die den verdachte tot de orde, en niet zelden tot bekentenis brachten. Een krachtige persoonlijkheid als de ontslapene, die zulk een groot deel van zijn welbesteed leven heeft gegeven voor het welzijn zijner gemeente, zal niet licht worden vergeten en zijne nagedachtenis zal ongetwijfeld, vooral bij de ouderen in de gemeente Lisse, in hoog aanzien blijven.

Lisse,  31 Jan. 1920.                                                 F. G. M. HAASE”

 

Aldus het in memoriam van dokter Haase. In 1934 werd de burgemeester voor al zijn verdiensten voor Lisse geëerd doordat een straat naar hem genoemd werd: de Von Bönninghausenlaan. Dit was en is een statige straat met zijn karakteristieke jaren dertig huizen.

Foto: De Von Bönninghausenlaan uit 1934 ziet er nog steeds beeldbepalend uit voor die bouwperiode.
Foto Nico Groen

 

Burgemeester von Bönninghausen: 100 jaar geleden gestorven

 

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

door E. Olivier

In het Leidsch jaarboekje staat een memoriam. Dit wordt in zijn geheel weergegeven.

Ed Olivier bracht dit als knipsel in. Dank daarvoor.
Een eeuw geleden stierf onze oud burgemeester in de trein!
De knipsels komen uit het Leids jaarboek van toen.

MYSTERIEUS MEESTERWERK in Lisse

De schilder Johannes Simonisz van der Beeck allias Torrentius was bevriend met van der Laen van huis ter Specke. De wetenswaardigheden van deze schilder en zijn bijzondere schildertechniek zonder perseelstrepen wordt besproken.

Jaargang 18 nummer 3 oktober 2019

Door Ria Grimbergen

Het mysterie zat in de techniek die Torrentius gebruikte.
Men kon geen penseelstreken ontdekken en onder de microscoop lijkt het zelfs een fotografische emulsie te zijn. Onderzoekers zijn er nog steeds niet achter wat zijn procedé was.

In het Rijksmuseum in Amsterdam hangt een wonderlijk stilleven, getiteld Emblematisch stilleven met kan, glas, kruik en breidel. Het ronde paneeltje en zijn schepper zijn onderwerp van de tweedelige documentaire Mysterious Masterpiece.
Het vertelt het verhaal van de schilder Johannes Symoonisz van der Beeck alias Torrentius en zijn meesterwerk, dat experts nu nog voor raadsels stelt. Hoe kan het dat een schilder die zo onmatig leefde een schilderij maakte met als thema matigheid? Welk bindmiddel voor zijn verf gebruikte Torrentius? Hoe kan het dat geen penseelstreek te zien is? Een goed antwoord op deze vragen is nog niet gegeven. Het schilderij is onderzocht met de modernste technieken, maar geeft zijn geheimen niet prijs.
Van Torrentius’ hand resten slechts een aquarel in een vriendenboek en dit stilleven uit 1614, dat na eeuwen spoorloos te zijn geweest in 1923 werd ontdekt in een kruidenierswinkel in Enschedé. Daar diende het jarenlang als deksel van een krentenvat. In de documentaire valt opeens het woord Lisse.
Wat heeft Lisse te maken met dit meesterwerk.

Torrentius schilder

De Amsterdamse schilder Torrentius (1588-1644) verhuisde in 1620 naar Haarlem en trok in bij de rijke koopman Coppens. Torrentius verdiende goed met zijn schilderijen. Hij vertelde graag over zijn bijzondere schildertechniek, zonder zijn geheim te verklappen. Een getuige zou later verklaren dat hij vertelde dat hij geen ezel en penseel gebruikte. Hij legde zijn panelen plat neer en schilderde niet zelf, maar had een andere “wetenschap”, waarbij een zoet muzikaal geluid over het paneel kwam, alsof er een zwerm bijen boven zweefde. De schilder liet het geld rollen en kleedde zich volgens de mode van die tijd in kostbaar fluweel en kant. Hij was welbespraakt en geestig en werd het middelpunt van een groep jongeren die zich onweerstaanbaar tot hem voelden aangetrokken en hem bewonderden, vereerden zelfs. Tot in de late uurtjes maakten ze “goede sier” in de herbergen. Onder zijn vrienden bevonden zich twee zoons van Gerard van der Laen, Nicolaes en Adriaen. De aanhang van deze meesterlijke charlatan bestaat merendeels uit onbenullen, oordeelde tijdgenoot Constantijn Huygens over Torrentius en
zijn vrienden.

Gerard van der Laen (1552-1635)
Hij had een kinderrijk gezin: dertien kinderen uit twee huwelijken. Nicolaes en Adriaen waren nummer 11 en 12 uit zijn tweede huwelijk met Magdalena van Berensteyn. Het gezin woonde in Haarlem in de Jacobijnestraat, maar Gerard was ook eigenaar van Huis ter Specke in Lisse. Het was een man met een enorme bestuurlijke ervaring. Hij was tot 1618 een van de vier burgemeesters van Haarlem. Toen werd hij uit zijn functie gezet.
De jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd tijdens het Twaalfjarig Bestand verscheurd door godsdiensttwisten binnen de Gereformeerde Kerk. De strijd ging onder andere om de leer der predestinatie. De contraremonstranten of gomaristen, volgelingen van Gomarus, geloofden dat God van tevoren al had bepaald of de mens in de hemel of in de hel komt. De remonstranten of arminianen, genoemd naar hun voorman Arminius, dachten dat de mens door zijn levenswijze daarop wel enige invloed had. De contraremonstranten vonden hun aanhang onder het gewone volk en de voorgangers. De elite sloot zich aan bij de remonstranten. Belangrijk was ook de vraag of de strijd met de Spanjaarden zou worden voortgezet. De remonstranten wilden vrede, de contraremonstranten vochten liever verder. En wie moet de baas zijn in de Kerk? Wie benoemt de voorgangers? De Staat volgens de remonstranten,
de Kerk in de visie van de contraremonstranten. Stadhouder Maurits van Oranje koos voor de
contraremonstranten en ontsloeg in heel Holland de remonstrantse bestuurders. In 1618 kregen de remonstrantse Gerard van der Laen en zijn Haarlemse medebestuurders hun congé en daarna
maakten de contraremonstranten de dienst uit. De nieuwe bewindvoerders hielden Torrentius
scherp in de gaten en verdachten hem van “gruwelijke” ketterijen. Ook het Hof van Holland wantrouwde de schilder. Hij zou een van de leiders zijn van een geheime broederschap, de Rozenkruisers, een mystieke beweging die een gevaar zou zijn voor de Republiek. Het Hof van Holland gaf de Haarlemse magistraten opdracht bewijsmateriaal tegen Torrentius te verzamelen. De band met de broederschap van Rozenkruisers kon niet worden bewezen, maar er was nu wel een dik dossier met belastende
verklaringen.

Nicolaes van der Laen (1597-omstreeks 1646) studeerde in Leiden filosofie, evenals zijn oudere broer Cornelis. Gerard van der Laen zond in 1616 deze twee zonen naar het Italiaanse Padua om daar hun studie af te ronden met een graad in de rechten. De universiteit aldaar stond bekend om zijn uitstekende juridische opleiding. Beroemde wetenschappers doceerden in Padua en de studenten kwamen uit de beste milieus. De twee jongensvzijn in 1618 weer terug in Holland, want in dat jaar trouwde Cornelis. In 1619 trad Nicolaes als advocaat in dienst van het Hof van Holland, maar voor hoe lang is onbekend. In het dossier-Torrentius bevindt zich een brief van ene Jacob Canter. Torrentius heeft hem geportretteerd. 27 februari 1627 schreef hij een brief aan zijn neef Isaac Massa in Lisse. Massa was getrouwd met Beatrix van der Laen, een zus van Nicolaes. Zij woonden in een pand van hun zwager Adriaen Block, naast Rosendaal. Frans Hals schilderde een huwelijksportret van Isaac en Beatrix, nu een van de topstukken van het Rijksmuseum. Canter schreef dat hij graag zou zien dat Massa’s schoonvader Gerard van der Laen de “goddeloze” schilder Torrentius de toegang tot zijn huis ontzegt, dat de “fielt” niet meer over Van der Laens drempel komt en dat hij zijn zoon Nicolaes de omgang met Torrentius verbiedt. Torrentius is een spotter, beweerde Canter. Tijdens het schilderen van Canters portret sprak hij over duivels, toverij, vrijgeesten. Hij heeft geen religie, erger, “mijn begeerte is uw vlees” is zijn religie. Massa mag de brief aan iedereen laten lezen, ook aan Nicolaes.

Torrentius gevangen genomen

30 augustus 1627 werd Torrentius gevangengezet in de kerkers onder het stadhuis van Haarlem, beschuldigd van goddeloosheid, schandelijke levenswijze, ketterijen en godslasteringen. In zijn atelier nam de schout vier aanstootgevende schilderijen in beslag. Twee maanden daarna ging Gerard van der Laen naar de Haarlemse notaris Schoudt en legde een verklaring af ten gunste van de schilder.
Wat bewoog Gerard hiertoe? Zouden zijn zoons in de slipstream van deze rechtszaak gevaar hebben kunnen lopen? In elk geval nam hij het op voor Torrentius én voor zijn zoons.
Nicolaes en Adriaen, liet hij optekenen, gaan al lange tijd met Torrentius om. Hem bereikten geruchten over diens slechte gedrag. Hij heeft zijn zoons daarover aan de tand gevoeld en niet tevreden met hun excuses en verdedigende woorden, heeft hij zelf een grondig onderzoek ingesteld naar de gedragingen, gesprekken en handel en wandel van Torrentius. Hij sprak met díe mensen, die de zwaarste beschuldigingen hebben geuit en heeft ze vriendelijk gevraagd naar de waarheid en de grond van alle opschudding. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat men alles had van horen zeggen. Hij is zelf met Torrentius gaan praten om hem te waarschuwen voor de verdachtmakingen die de gewone man over hem verspreidt. Torrentius gaf tot zijn voldoening een serieus antwoord, maar was daarbij zo geestig, dat hij lust kreeg meer keren met hem te spreken, zodat hij hem verzocht bij hem thuis te komen. Hij vroeg niet alleen Torrentius, maar ook de hele familie Coppens (de familie bij wie Torrentius inwoonde, R.G.) bij zich te logeren. Tot zijn genoegen en tevredenheid gebeurde dat ook. Hij voerde gesprekken met Torrentius zonder dat deze ooit enige losbandige taal liet horen, maar zich juist betrouwbaar toonde. Nooit hoorde hij enige blasfemie, schandalige of lasterlijke woorden van God of zijn zoon Jezus Christus onze Heer of oproerige taal jegens de overheid. In waarheid heeft hij de heer Torrentius door zijn oprechte woorden altijd moeten houden voor een “wijs, vernuft, aandachtich en verresiende persoon”.
Bekennen deed Torrentius niet en zonder bekentenis kon hij niet worden veroordeeld. Eind december werd de arme man wreed gemarteld om een confessie af te dwingen. Nicolaes drong die dag het stadhuis binnen. Hij had ontlastende verklaringen verzameld, maar de burgemeester stuurde hem weg. Een geruchtmakend proces volgde. De eis tot doodstraf werd omgezet in een veroordeling tot twintig jaar tuchthuis op eigen kosten. Torrentius was het slachtoffer van de hoogoplopende religieuze spanningen in de Republiek. Een proces met een sterk politieke lading.

Nicolaes beleend met Huis ter Specke

Het Huis ter Specke in 1730.

Op 4 augustus 1628 verschijnen Gerard en Nicolaes van der Laen voor Bartholomeus van de Velde, procureur bij het Hof van Holland. Nicolaes wordt bij overdracht beleend met Huis ter Specke. Van diezelfde dag 4 augustus dateert een schuldverklaring van Nicolaes en Adriaen, broers, bewonende op “heur hofstede van der Specke”. Zij belenen 6000 gulden van Cornelis van Lockhorst met Ter Specke als onderpand en de clausule dat hun vader Gerard van der Laen het vruchtgebruik van de hofstede behoudt. Gerard van der Laen gaat hiermee akkoord (Rechterlijk archief van Lisse, inv. No. 7).
Torrentius verzocht eind augustus de nieuwe stadhouder Frederik Hendrik of hij zijn straf niet in een plaats buiten Haarlem mocht uitzitten. Zijn vrienden kunnen hem dan helpen te herstellen van de folteringen en hij kan weer gaan schilderen. Gerard van der Laen was een van de twee mensen die
garant voor hem wilde staan. (Hadden de Van der Laens Ter Specke op het oog als plaats waar Torrentius kon bijkomen van de martelingen? Was Ter Specke daarom overgedragen aan Nicolaes? Niet onmogelijk.) Frederik Hendrik stemde ermee in, maar de Haarlemse stadsbestuurders weigerden. De schilder zou weer de gelegenheid krijgen zijn ketterse ideeën en “grouwelycke godtloosheyden” te verspreiden en de jeugd te verpesten.

Trouwe vrienden
De Van der Laens bleven hun vriend steunen. 23 oktober 1628 legde de Haarlemse notaris Schoudt
een lange verklaring vast van de “edele Mr. Nicolaes van der Laen, de rechten licentiaet, en jonker Adriaen van der Laen, zijn broer”. Zij refereren aan de meedogenloze marteling die Torrentius heeft ondergaan en zij hebben met de schilder gesprokenv over de punten die hem bij zijn verhoren ten laste
werden gelegd. Adriaen en Nicolaes laten het volgende vastleggen.
Torrentius verklaarde dat hij tot zijn 25ste levensjaar katholiek was, dat hij daarna de bijbel had bestudeerd en dat de gereformeerde godsdienstvdaarmee het best in overeenstemming was. Daar
hij zichzelf zag als zwak en zondig voelde hij zich onwaardig zich te voegen bij deze gemeenschap en het avondmaal te gebruiken en zich naar de verdoemenis te eten en te drinken (hij wil hiervoor niet voor straf branden in de hel, R.G.). Bovendien wasv hem gebleken dat aanhangers van bedoelde religie zich overgaven aan grote zonden als overspel, hoererij, dronkenschap, woekeren, leugentaal, achterklap en nog veel meer. Dat hield hem tegen zich bij hen aan te sluiten. Nooit had hij zich in gesprekken overgegeven aan godslastering. Hij wist wel wie tegen hem getuigd hadden. Daaronder waren lieden die getracht hadden hem te doden met pistolen.vHij verklaarde tijdens de verhoren dat hij geloofde in alle artikelen van het geloof, de Drievuldigheid, de sacramenten, etc. Voor, tijdens en na de foltering was hij hierbij gebleven. Burgemeester Voocht had hem na het verhoor toegevoegd: “Toch weten wij wel dat je geblasfemeerd hebt en de Heilige Schrift voor fabelen houdt”. Nicolaes getuigt dat hij sprak
met mensen die veelvuldig met Torrentius omgingen over met name de godslasteringen. Hij beschikt
over verklaringen van mensen die veel met Torrentius hadden gesproken en die eendrachtig verklaarden nooit dergelijke taal van hem gehoord te hebben. Nicolaes was met hun ontlastende getuigenissen op de dag dat Torrentius zo wreed werd gemarteld naar het stadhuis gegaan. Om 11 uur inmde morgen vervoegde de jonge jurist zich met zijn bewijsmateriaal bij burgemeester Voocht, die hem woedend onderbrak en gebood naar buiten te gaan met de woorden: “Het mach ons nu niet beuren de
stucken te lesen, soo ghy wilt ghij meucht die mergen brengen”.

Mysterieus meesterwerk op Huis ter Specke

De Engelse koning Karel I was een verwoed kunstverzamelaar en had grote belangstelling voor het werk van Torrentius. In de State Papers van Karel I bevindt zich een “note” uit 1629. Schilderijen van Torrentius, zo staat in deze note, bevinden zich in het huis van een vriend in Lisse. “Of Torrentius
pictures there be at a frends house in Liss near Leyden, 7 peeces”. Deze lijst is opgesteld door Dudley Carleton, diplomaat in dienst van Karel I en wonend in Den Haag. Na Torrentius’ gevangenneming zijn diens schilderijen blijkbaar naar Lisse overgebracht. Mogelijk verhandelden Adriaen en Nicolaes zijn kunst. Hofstede ter Specke wordt niet met name genoemd in de State Papers. In het verleden is wel eens gesuggereerd dat Isaac Massa de Lissese vriend was. De inzet van de Van der Laens voor Torrentius die zo overduidelijk blijkt uit de documenten in het dossier, wijst toch meer in de richting van Ter Specke. Dankzij de State Papers beschikken we over een beschrijving van de schilderijen op naar we aannemen Ter Specke. Althans, degene die Carleton te zien kreeg. Het stilleven met breidel uit het Rijksmuseum staat op de lijst, omschreven als zijn beste werk. Verder drie stillevens met als centraal element een doodshoofd; een onafgemaakt schilderij met een aarden pot die de beeltenis van de schilder weerspiegelt; een vrouw op de rug gezien met een beurs in haar hand; een afbeelding van Maria Magdalena met een doodshoofd, waarvan de mond wordt doorboord met een pijl. Dan zijn er volgens Carleton liederlijke schilderijen, waarvan zijn vrienden zeggen dat Torrentius niet wilde dat ze gezien werden en die zich of in Haarlem of in Lisse bevonden: een naakte Adam en Eva, zijn vlees blozend en hun gezichten zijdelings te zien, een (naakte) vrouw in een vreemde houding met haar hand onder haar been en tot slot een vrouw plassend in het oor van een man. Nu zal het zeker niet de naaktheid van de figuren zijn die terughoudendheid gebood. De zeventiende-eeuwse schilderkunst wemelt van naakten, veelal in een mythologische context. Nee, het was de onzedelijke wijze waarop ze waren afgebeeld

Gratie
Torrentius kreeg gratie op verzoek van Karel I en na tussenkomst van stadhouder Frederik Hendrik vertrok hij in 1630 naar Engeland als hofschilder van de Engelse koning. Het fameuze stilleven met breidel dat daarvoor in Lisse op Huis ter Specke hing, belandde in diens koninklijke kunstverzameling. In 1642 keerde Torrentius terug naar Amsterdam en overleed daar in 1644. Het geheim van zijn schilderkunst nam hij mee in zijn graf. Gerard van der Laen ontsliep op Huis ter Specke in 1635 op 83-jarige leeftijd en ligt begraven in de Grote Kerk in Lisse. Adriaen en Nicolaes van der Laen bleven ongetrouwd en hun naam duikt op in het rechterlijk archief van Lisse bij grondaankopen en
-verkopen en bij het afsluiten van leningen. Van Nicolaes is verder niet veel bekend. Hij stierf rond 1646 en na zijn dood werd zijn oudere broer Cornelis beleend met Ter Specke, waarna Cornelis en Adriaen Ter  Specke overdragen aan hun zwager Adriaen Block, die de hofstede hierna bewoonde. Hoe weinig we weten over Nicolaes, des te meer weten we over Adriaen. Hij liet Wassergeest bouwen en deed als corrupte rentmeester van het Hoogheemraadschap van Rijnland veel stof opwaaien. Adriaen overleed op 83-jarige leeftijd in 1861.

Gebruikte literatuur.
Over Adriaen van der Laen, zie R. J. Pex: Wassergeest te Lisse, Lisse 2004.

De verklaringen van de Van der Laens uit het dossier Torrentius zijn te vinden in Bredius:

Johannes Torrentius, schilder, 1589-1644. Den Haag 1909.

Gegevens over de familie Van der Laen in M. Thierry de Bye Dólleman en O. Schutte:

Het Haarlemse geslacht Van der Laen. Overdruk “De Nederlandsche Leeuw”, 1969.

In het Torrentius-jaar 2014 verscheen van Wim Cerutti De schilder en vrijdenker Torrentius 1588-1644. Haarlem, 2014

De documentaire Mysterious Masterpiece kan worden bekeken via Uitzending gemist.

VERGIFTIGINGSDRAMA TE LISSE VERGIFTIGINGSDRAMA TE LISSE

Voor de rechtbank in Haarlem verschenen Hendrica van der M. en Casparus van de L. Zij worden beschuldigd van het vergiftigen van J.L. van den B., voormalig echtgenoot van Van der M. Via een kop chocolademelk met arsenicum was hij vergiftigd. Beide daders werden veroordeeld.

door Arie de Koning

De publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank stroomde weer eens vol. Dicht aaneengeschaard stonden de luisteraars. Toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden nieuwsgierigen voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat. Geduldig stonden ze te wachten, maar kans om binnengelaten te worden was er niet. Velen waren uit Lisse gekomen, ook de gereserveerde tribune was geheel bezet. De beklaagden in dit drama waren Gerarda Hendrica van der M. de weduwe van
J.L. van den B. en haar vroegere commensaal Casparus van der L. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij op 12 september 1920 te Lisse, tezamen met Van der L.,-nadat zij na rijp beraad en in kalm overleg besloten hadden, haar echtgenoot J.L. van den B. van het leven te beroven, haar man een kop chocolade heeft gegeven, terwijl zij wist, dat in die chocolade door Van der L. een dodelijke dosis arsenicum was gedaan, aan welke gevolgen van den B. is overleden. Aan Van der L. was medeplichtigheid ten laste gelegd.

De vrouw is een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar maar ziet er uit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse, iemand met een donker uiterlijk. Eerst werden, nadat de dagvaarding was voorgelezen, de rapporten van de deskundigen, die het lijk van de vergiftigde onderzocht hebben, voorgelezen. Hiermede was een half uur gemoeid. De beklaagden zaten dit stil aan te horen, ze begrepen natuurlijk niets van de aaneenrijging van medische termen die de deskundigen op schrift gesteld hadden om tot de conclusie te komen, dat Van den B. ten gevolge van arsenicumvergiftiging was overleden. Door het Openbaar Ministerie was een twintigtal getuigen gedagvaard. Als verdedigers traden op voor Van der L. Mr. Pliester en voor vrouw Van den B. Mr. C. van Sprang. Eerst was de bedoeling geweest om de zaken gescheiden te behandelen, om Van der L. als getuige te kunnen horen in de zaak van vrouw van den B. en deze weer in de zaak tegen Van der L. Op het laatst is evenwel van dit voornemen afgezien en besloten de zaken gelijktijdig te behandelen. Hierop had het verhoor van de beschuldigden plaats. De vrouw vertelde dat Van der L. reeds anderhalf jaar bij haar woonde als commensaal. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen, zodat zij meenden dat Van den B. teveel in het gezin was. Met Van der L. had zij er meermalen over gesproken dat Van den B., in huis Jan genoemd, maar ‘opgeruimd’ moest worden. In april of mei had Van der L. arsenicum in huis gebracht. Later had hij gezegd ‘dat is om je man op te ruimen’. Op 10 September zou Van den B. thuis komen van zijn werk als stoker op de Gasfabriek te Lisse. – Ik had toen, – zo vertelde de
vrouw, in een pannetje chocolade voor mijn man klaargemaakt. Ik had Van der L. met een kopje arsenicum zien lopen. Later heb ik dat kopje uitgespoeld omdat ik het nog niet doen wou. – Daarop heeft Van der L. weer poeder in dat kopje gedaan en zelf het poeder in de chocolade gedaan.- Toen heb ik, toen mijn man thuis kwam, hem de chocolade gegeven. President: Terwijl u wist dat Van der L. er arsenicum in had gedaan?….. Beklaagde: Ja !…… President: Het was de bedoeling uw man te doden. Wou u dan later met Van der L. trouwen? Beklaagde: Dat niet, ik wist dat Van der L. getrouwd was…. President: maar hij kon scheiden, hij leefde als geheel gescheiden van zijn vrouw. Verder vroeg de president waarom beklaagde haar man vergiftigd had. Beklaagde: Ik had geen leven met mijn man…… Van der L. daarop gehoord, verklaarde dat hij het arsenicum in de chocolade had gedaan. Eerst wilde hij beweren dat hij zich ’t niet herinnerde, maar toen de president zijn verklaring voor de rechter-commissaris voorlas, gaf hij toe dat hij het gedaan had. Bovendien zei hij dat hij vroeger al eens arsenicum in de koffie van Van den B. had gedaan. Daarvan was hij wel ziek geweest maar niet gestorven. Van der L. vervolgde: ik heb op die zondag 12 september niet zoveel in de chocolade gedaan. Ik vermoed dat de vrouw nu die zondag enige keren vergift aan haar man gegeven heeft. Zij heeft ook gezegd ‘ik ben er nu maar mee opgehouden omdat hij alles er uitbraakt’. Vrouw Van den B. ontkende dit. Van der L. hield vol geen dodelijke dosis gegeven te hebben. Eén der rechters: U hebt verklaard voor de rechter-commissaris, dat het een theelepeltje was. Beklaagde: Het was niet zoveel, anders was Van den B. dezelfde dag al gestorven. Nadat nog eens de verklaring van vroeger voorgelezen was, erkende de beklaagde, het was iets minder dan een theelepeltje. President: Niet veel minder? Beklaagde: Ja, nogal wat minder zou ik zo zeggen. De vrouw vertelde nog, nadat haar man enige dagen ziek thuis was geweest, de dokter het nodig oordeelde, dat de patiënt naar het ziekenhuis te Leiden werd overgebracht. Toen haar man daar was heeft ze hem een keer opgezocht, maar ze kwam te laat, Van den B. was toen al overleden.

Hierop begon het getuigenverhoor.

De eerste getuige J. P. Berbee, had aan Van der L. een zakje arsenicum gegeven. Hij vertelde dat het nodig was om ratten te doden. De drogist Schouten, daarna gehoord, verklaarde, dat hij arsenicum aan Berbee verkocht had. De directeur der Lissesche Gasfabriek, de heer H. S. A van Beek, vertelde dat Van den B. op die bewuste zondag gezond naar zijn huis ging. Maandag en dinsdag was hij ziek geweest. Op woensdag was hij weer gekomen, maar nog ziek. Toen hij weer naar huis ging, met de mededeling dat hij nog braakte, gaf getuige in overweging om een dokter te laten komen. Getuige kende Van den B. al vele jaren, het was een oppassend man, die voor het welzijn van zijn gezin ijverde. Dokter F. G. M. Haase, de huisarts te Lisse, heeft Van den B. op woensdag behandeld. Ik dacht aan vergiftiging, bijvoorbeeld door gas of vlees. Aan de patiënt heeft getuige nog gevraagd: “heb je niets gegeten dat niet in orde was”? De patiënt zei toen nee, en half glimlachend voegde hij er aan toe, ”of mijn vrouw moet me wat ingegeven hebben”. Op een vraag van de verdediger verklaarde dokter Haase, dat de vrouw Van den B. eens tegen hem geklaagd had over het gedrag van haar man, die teveel naar andere vrouwen keek. Verdediger Mr. Pliester: Is er u iets van bekend dat te Lisse het gerucht gaat, dat in het gezin Van den B. kinderen gestorven zijn aan vergiftiging? Dokter Haase: Ik herinner mij alleen dat er zes jaar geleden een jong kindje plotseling gestorven is: de verschijnselen kan ik mij niet meer goed voorstellen. Van Mechelen, stoker op de Gasfabriek, heeft met Van den B. gewerkt. “Hij klaagde de laatste tijd over zijn gezondheidstoestand, dikke benen, braken enz. Vroeger was Van den B. een opgewekte vrolijke kerel, die wel eens dolde, maar nooit onfatsoenlijk was. Hij was een goede man, een goed vader. Alleen de laatste tijd was hij mismoedig. Het Openbaar Ministerie: Maar toen was hem ook gebleken dat zijn vrouw het eens was met een ander. Een buurvrouw, juffrouw Van den Berg had wel eens gezien dat vrouw van den B. op goede voet stond met Van der L. Op een zekere dag was Van den B. ziek. Vrouw van der B. zei toen: als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man. Verder verklaarde deze getuige dat Van den B. wel eens een grapje maakte maar steeds binnen de grenzen bleef. Getuige
heeft Van der L. na 12 september eens horen zeggen: “mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat Van der L., nadat er twist was geweest in het huis Van den B., bij haar commensaal was geweest. Hij ging toen evenwel geregeld naar Vrouw van den B. toe. Vooral was het haar opgevallen, dat Van der L. meestal even overwipte voor Van den B. kwam eten. Zij zag hem dan wel eens naar boven lopen waar zijn kist stond, waarin zoals later gebleken is, de arsenicum verstopt was. Een veldwachter te Lisse deelde mede dat hem bij onderzoek gebleken was dat Van der L. op zedelijk gebied laag stond. O.a. moet hij zich misdragen hebben tegenover het 12-jarige dochtertje van Van den B. hetgeen aan de moeder bekend was. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning van Van den B. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum. Mr. Pliester vroeg aan getuige J. P. L. Hulst, arts te Leiden, of hij kan mededelen hoeveel minimum en maximum tijd iemand nog leeft na het innemen van een dosis arsenicum. Getuige Hulst: Bij een acute vergiftiging door arsenicum gebeurt dit in een minimum tijd van enige uren en bij een maximum tijd 8 tot 10 dagen, dit kan echter ook wel twaalf dagen zijn. Dit hangt ook wel af van de hoeveelheid arsenicum die ingenomen is. Iemand die vaak onder arsenicum invloed verkeert, zal niet zo spoedig hinder er van hebben als iemand die slechts in een enkel geval arsenicum inneemt. De Officier van Justitie nam nota van deze verklaring. Daarna werden enkele artsen als getuige gehoord, zo ook Professor Van Itallie, hoogleraar te Leiden, welke verklaarde dat het vergift wat in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden is, arsenicum was. Op een desbetreffende vraag antwoordde de deskundige dat hij in deze zaak aan een subacuut vergiftigingsgeval moet denken. Na het horen van nog enkele getuigen wordt de zitting geschorst.

Uitspraak op 28 februari 1921.
Het Openbaar Ministerie had gezegd in zijn requisitoir: “het heeft geen nut meer deze mensen, die zich aan zo een ernstig misdrijf hebben schuldig gemaakt, nog eens in de maatschappij te laten terugkeren”. “Daarom stel ik de rechters voor hen te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf”. Toen de beklaagden deze eis hoorden waren zij gebroken. De verdedigers putten zich uit te betogen dat al hebben de mensen zwaar misdreven, hen nog in elk geval een kans moet gegeven worden om nog eens in de maatschappij terug te keren. Heden zou de rechtbank vonnis geven. De publieke belangstelling was ook deze keer heel groot. Honderden luisteraars – waar onder vooral veel jonge vrouwen en meisjes – stonden voor de benedendeuren van het Paleis van Justitie. Allen stonden in rijen geschaard . Enige rijksveldwachters en politieagenten zorgden vor de orde. Even voor tienen werden de deuren geopend en de eerste bezoekers stormden naar boven. Een zeer luidruchtig volkje, die Lissers, het was of het een schouwburgvoorstelling was en de mensen blij waren een goede plaats te hebben veroverd. Meisjes
en vrouwen hadden een “snoepje” mee genomen……. Die publieke belangstelling, zich op deze wijze uitend, maakte een stotende indruk. Hier zou tenslotte worden beslist of twee mensen voor ’t gehele verdere leven naar de gevangenis verwezen zouden worden. De veldwachters geboden stilte waarna de beklaagden binnen werden geleid, elk bewaakt door een veldwachter. Ze namen plaats in het bankje, even elkaar schuw aankijkend. De rechters kwamen uit de raadskamer en namen plaats. Nu zou men het horen……. De president deelde dadelijk mede: – de rechtbank heeft beide beklaagden, de 34-jarige weduwe Van den B. en haar 45-jarige gewezen commensaal Van der L. – veroordeeld tot 15-jaar gevangenisstraf. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. Vooral bij de passages in het vonnis waarin werd geconstateerd dat zij met haar commensaal afgesproken had om met arsenicum haar man ´op te ruimen´. Ook bij de passages over het lijden van haar man, thuis en in ´t ziekenhuis.
Van der L. zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis. 15 jaren, de vrouw zal 49
jaar zijn als zij vrijkomt, de man 60 jaar. En jaren in de gevangenis tellen dubbel…….. Toen de president het vonnis mede deelde, klonk van de tribune een kreet van ontzetting. Na het voorlezen van het vonnis werden de veroordeelden weggeleid. Een verwoest gezin…. Vader vergiftigd, gestorven en begraven, moeder in de gevangenis. De kinderen verstrooid en overgelaten aan de goedheid van andere mensen. Ook het kindje dat voor enkele maanden in de gevangenis het levenslicht heeft aanschouwd……..

Rechtbank Haarlem

Resumé:
Het aandeel van vrouwen onder de zware criminelen was in de negentiende en vroeg twintigste eeuw opvallend groot en niet gebonden aan enige regio. Wel waren in de havensteden de aantallen wat hoger door de prostitutie en gauwdieverij onder vrouwen. Ook in Lisse en omgeving zijn er gevallen waarbij de vrouw zich van haar man ontdeed bekend. Fysiek zwakker, bedienden zij zich meestal van enigerlei vergift, meestal in de vorm van arsenicum, welke in die dagen vrijelijk bij de apotheek verkrijgbaar was ter bestrijding van ratten. Zo ook boven beschreven Gerarda Hendrica (Ger) van der M. Blijkens de verhoren komt naar voren dat haar huwelijk met Jan L. van den B. behoorlijk ontwricht was en Jan zich ontpopte als huistiran. Zij kreeg in totaal tien kinderen van hem waarvan de laatste, Hendrikus, op 17 januari 1921 in de Haarlemse Koepelgevangenis werd geboren, waar Ger, hangende het moordonderzoek in voorarrest zat. Slechts drie kinderen zijn volwassen geworden……. Gerarda Hendrica van der M. was geboren op 21 mei 1886 in Rijnsaterwoude als dochter van Pieter van der M., arbeider, en Cornelia van K. Zij trouwde op 12 september 1906 met Jan L. van den B., een 28-jarige arbeider bij de Gasfabriek in Lisse. Hij was geboren in Groningen op 3 april 1878 als natuurlijke zoon van Antje van den B. Hij is overleden in het ziekenhuis te Leiden op 24 september 1920. Niet bekend is waar Gerarda Hendrica van der M. haar straf heeft uitgezeten, maar zij is teruggekeerd naar Lisse en aldaar op 3 maart 1957 overleden op 70-jarige leeftijd. Casparus van der L. is niet gevonden in de archieven.

Bronnen:
Strafvonnissen Arr. Rechtbank Haarlem
Haarlems Dagblad 21-02-1921 Blz.2/3
Haarlems Dagblad 28-02-1921 Blz. 1
Persoonsarchief Vereniging Oud Lisse
Crime and gender 1600-1900 Universiteit van Leiden

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller kwam van achter het IJzeren Gordijn (deel 2)

Ditmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

De heer Müller ontving ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we het Vierkant. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal verder vertellen.

Hier waren we gebleven

Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord- Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje.cDe nachten bracht hij door in een katholiek Jugendheim, geleid door nonnen. Zestig jongens – Oost-Duitsers, Polen, Russen – sliepen in driehoge stapelbedden. De nonnen maakten de lunchpakketjes klaar, waar de jongens overigens wél voor betaalden, evenals voor het onderdak. Dietmar Müller: “Op een dag ging ik naar buiten met mijn lunchpakketje en daar lag een non op de grond, met haar gezicht naar beneden, met een mes in haar rug, dat mes stak er nog uit, allemaal bloed. Dat vergeet je je hele leven niet. Ze heeft misschien iets tegen een van die jongens gezegd.” De dader werd niet gevonden. Dietmar wilde nu weg uit het Jugendheim. De sfeer was dreigend. De Russische jongens sliepen met pistolen onder hun kussens.

Rüdesheim en Rüsselsheim.
Zijn werk beviel hem niet en hij verdiende te weinig naar zijn zin. Via een krantenadvertentie kreeg hij werk in Rüsselsheim. Als machinebankwerker kon hij aan de slag bij een bedrijf dat ontluchtingssystemen plaatste in de hallen van de Opel-fabriek.Hij liep door Rüsselsheim, een baan had hij, maar nog geen slaapplek. Bij een willekeurig huis belde hij aan met de vraag of de bewoners kamers verhuurden. Daar kreeg hij het adres van een vriendin des huizes. “Zij kwam uit mijn geboortestreek, had medelijden met mij en gaf mij onderdak. Daar heb ik een paar jaar gewoond, ook nog met mijn vrouw en mijn zoon Paul”. De ontluchtingssystemenfabrikant verplaatste zijn activiteiten vervolgens van Rüsselsheim naar Rüdesheim op het terrein van Asbach Uralt, de wijndistillateur. Hier zou hij nog een aantal jaren blijven werken. Hij bleef wonen in het veertig kilometer verderop gelegen Rüsselsheim.

Bloemendaal
Een bevriende collega, een Duitser uit Erfurt, vroeg hem in 1960 of hij met hun beider vriendinnen mee wilde naar Bloemendaal, naar zijn jarige zus. In twee aparte wagens reisden de paartjes naar de Hollandse kust, de jonge machinebankwerker in een Karmann Ghia, een blitse sportwagen uit de Volkswagenfabriek. In de kamer vol visite flirtte hij met een leuk meisje, een vriendin van de zus van zijn collega. Zijn Duitse vriendin, een bakkersdochter, was daarover zo boos, dat zij de volgende dag zonder een woord te zeggen uit nijd een brandende sigaret op zijn arm uitdrukte. Daarop kon zij haar spullen pakken en reed hij terug naar Rüsselsheim – de stemming in de auto beneden vriespunt – en nadat hij haar bij de bakkerij had afgezet, keerde hij direct om richting Bloemendaal, naar Villa Mignon aan de Duinlustparkweg, naar de familie Engel en vooral naar de aantrekkelijke dochter Cocke.

Dietmar trouwt met een Engel

Dieter Müller en Cocke Engel

Het gezin Engel, vader en moeder Engel, twee zoons en twee dochters, woonde in een van die mooie, grote Bloemendaalse villa’s. De heer Müller laat een foto zien van een kleine Cocke Engel en haar moeder in een besneeuwde tuin voor Villa Mignon. Vader Simon Engel was fotograaf. In 1929 opende hij fotohuis “De Camera’” aan de Spaarnwouderstraat in Haarlem. Later volgden zaken aan de Kleverparkweg, Anegang en Cronjéstraat in Haarlem, en in Santpoort- Zuid, Heemstede en Baarn. Na een verloving van een jaar trouwden Cocke Engel en Dietmar Müller in 1962 in Bloemendaal. Twee dagen later vertrokken ze naar Rüsselsheim. Ze woonden op Dietmars zolderkamer, die inmiddels was verbouwd. Zoon Paul, de man die nu Fotovak Engel runt, werd hier in 1963 geboren. Mevrouw Müller had heimwee naar haar familie en ging met haar zoontje weer bij haar ouders in Bloemendaal wonen. Haar man bleef in Duitsland en bezocht haar elk weekend. In maart 1964 werd zoon Frank geboren. Zijn schoonvader belde hem op zijn werk in Duitsland dat hij er een zoon bij had. Aan deze ongewenste situatie – zijn vrouw en kinderen in Nederland, hij in Duitsland – kwam een einde toen hij van een relatie vernam dat een Duitse firma bij de Hoogovens in IJmuiden plaats had voor een machinebankwerker. Het bedrijf maakte reusachtige walsen, zo groot als een huis, voor de Hoogovens. Müller trok in bij zijn schoonouders in Bloemendaal. Hij werkte in een vierploegendienst en had nu tijd om Nederlands en Engels te leren.

Fotovak Engel
We komen te spreken over de reacties van Nederlanders op zijn Duitserschap. In de jaren zestig sluimerden in Nederland anti-Duitse sentimenten, die bijvoorbeeld bij het huwelijk van Claus en Beatrix in 1966 sterk de kop opstaken.
Voor zijn schoonfamilie was zijn Duitse afkomst geen probleem. Zij begrepen hem, maar zijn schoonvader werd er door familie wel op aangesproken. “Siem, hoe kun je een Duitser in huis halen”, luidde het dan. Dat wij in Lisse een Fotovak Engel hebben in plaats van een Fotovak Müller, heeft te maken met de weerstand die een Duitse naam begin jaren zeventig nog op zou roepen. Inmiddels woonde het gezin boven een klein filiaal van Fotovak Engel in Santpoort-Zuid. Bij de schoonfamilie draaide alles om fotografie. Müller werd meegenomen in hun enthousiasme en haalde in de jaren zestig zijn vakdiploma’s fotohandel en fotografie. Daarnaast volgde hij uit interesse een avondopleiding aan de Zeevaartschool. Hiervan heeft hij later veel plezier gehad en samen met zijnvrouw heeft hij met een eigen schip veel gevaren op de Duitse rivieren.

Op het Vierkant

In 1970 hoorde zijn schoonvader van een vertegenwoordiger dat op het Vierkant in Lisse de zaak van Foto Koning te koop was en het echtpaar Müller waagde de stap naar Lisse. “De beginperiode was erg zwaar. Ik moest toch het vertrouwen van de bevolking zien te krijgen. Er hingen gordijnen voor de ramen, want in het weekend deed de heer Koning alles dicht voor de gereformeerde klanten. De gordijnen verdwenen en de etalage was dus ook in het weekend te bekijken. Daar was niet iedereen even blij mee. De gereformeerde klanten vertrokken massaal naar Foto Mieloo. Er was zware concurrentie!”
Ondanks de concurrentie deed Müller goede zaken in Lisse. In 1970 kreeg hij een perskaart en was hij een paar jaar persfotograaf voor het Witte Weekblad. Lucratief waren de vijf zaken die Fotovak Engel acht jaar lang in Keukenhof
exploiteerde. In samenwerking met Henk Koster, de toenmalige directeur en tuinarchitect van Keukenhof, maakte Müller een film van Keukenhof in vele talen, waarvan er duizenden werden verkocht. Films van het jaarlijkse Corso vonden hun weg naar Frankrijk en Duitsland. Na de introductie van de euro stopte hij met de Keukenhof-zaken. Door de vele aanpassingen die daarvoor gedaan moesten worden, was dat niet meer haalbaar. Veel heeft Müller gefotografeerd voor de gemeente Lisse. Voor bekende Lissese bedrijven als Sierex, Hobaho en CNB maakte hij bedrijfsreportages.

Ramkraak
Fotovak Engel kreeg drie keer te maken met een overval. De schokkendste ervaring was een ramkraak in de vroege ochtend van 10 december 1990. Een bestelbusje ramde de pui en de inbrekers sloegen de vitrines kapot. In een vluchtauto verdwenen ze met een buit van 60.000 gulden aan camera’s. De winkel was een ravage en dat net voor de start van de kerstverkopen. Een zware tegenslag in het persoonlijke vlak in 2009. Samen met haar bouwde hij de zaak uit tot een
bloeiende onderneming.

Dietmar Müller heeft Lisse in een halve eeuw zien veranderen. De landelijke Poelpolder werd volgebouwd. Het kleine dorp werd een grote gemeente die met winkelcentrum Blokhuis een streekfunctie kreeg. De Oost-Duitse tiener die tijdens de Koude Oorlog een tante in West-Berlijn bezocht, in ongenade viel bij de machthebbers en een onmenselijk systeem ontvluchtte, bouwde energiek een nieuw leven op aan het karakteristieke Vierkant. Daar woont hij nog steeds
met veel plezier boven de zaak waar zoveel Lissers zijn lens inkeken. ■