Berichten

Aagje Deken- en Betje Wolffstraat

Betje Wolff en Aagje Deken zijn femistische schrijvers uit de 18e eeuw.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

4 juni 2019

door Nico Groen

De Vrouwenpolder is een wijk met straatnamen van bekende Nederlandse dames. De Gemeente Lisse heeft deze wijk ‘Vrouwenpolder’ genoemd. Dat is een heel misleidende naam. De wijk ligt niet in een speciale polder met die naam, Het is gewoon een wijk van Lisse en zou eigenlijk ‘Vrouwenwijk’ of ‘Vrouwenbuurt’ moeten heten. Hopelijk wordt dit nog eens veranderd. Maar wie zijn al die vrouwen in de Vrouwenpolder?

De kruising van de Betje Wolffstraat met de Aagje Dekenstraat.

Zo is er bijvoorbeeld de Aagje Dekenstraat, een zijstraat van de Ruishornlaan richting het oosten naar de Rooversbroekdijk en de Betje Wolffstraat, die de Aagje Dekenstraat kruist. Aagje Deken was een bekende schrijfster. Agatha Pieters werd geboren in 1741 in Nes aan de Amstel in het huidige Amstelveen en overleed in 1804 op 62-jarige leeftijd. Volgens Wikipedia waren haar ouders arm en al jong overleden. Daarom werd zij opgevoed in een weeshuis van de Collegianten, een vrijzinnige stroming waar geestelijke literatuur op een hoog niveau stond. Ook werd daar gediscussieerd over theologie en filosofie. Zij verbleef daar tot 1767, toen zij al 26 jaar was. In 1769 werd zij doopsgezind.

In één van haar 9 boeken schrijft zij over dit weeshuis: “De meisjes hebben het daer voor hunnen stand in de waereld al te wel: men leert haer daer denken!” In het weeshuis is dus de grondslag voor haar latere literaire werk gelegd. Ze had eerst verschillende dienstbetrekkingen. Later begon ze een koffie- en theehandeltje.

Haar eerste boek ‘Stichtelijke gedichten’, uitgegeven in 1775, schreef zij samen met Maria Bosch, die in 1773 was overleden. Aagje was enkele jaren mantelzorgster geweest voor Maria, die ernstig ziek was.

Aagje ontmoette in 1776 Betje Wolff-Bekker. Zij wisselden literaire informatie uit. Betje had een onstuimig karakter en wilde ideeën. Haar moeder had ze al jong verloren en haar vader was haar opvoeder. Ze trouwde op 21 jarige leeftijd in 1759 met de 52-jarige dominee en weduwnaar Adriaan Wolff uit de Beemster. Zijn enige dochter uit zijn eerste huwelijk ging toen het huis uit. Het nieuwe echtpaar bleef kinderloos.

In 1763 debuteerde Betje met de bundel ’Bespiegelingen over het genoegen’. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Betje samenwonen in De Rijp met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. Hun eerste gemeenschappelijke werk was ‘Brieven’. In 1781 erfde Aagje ruim 13.000 gulden en de twee gingen in het buiten ‘Lommerlust’ in Beverwijk wonen. Ze schreven daar samen nog de ‘Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart’, dat een groot succes werd, en de ‘Historie van den heer Willem Leevend’.

Vanwege hun patriottische sympathieën en uit onvrede met de situatie in eigen land (na het neerslaan van de opstand van de patriotten in 1787) verhuisden zij in 1788 naar Trévoux bij Lyon. In 1789 verscheen ‘Wandelingen door Bourgogne’. Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haag gingen wonen. Aagje Deken stierf daar uiteindelijk, op 14 november 1804, negen dagen na Betje Wolff, die in 1738 was geboren. Beiden werden begraven op de begraafplaats’Ter navolging’ in Scheveningen.

Zowel in Amstelveen als in Vlissingen (geboorteplaats van Betje) zijn monumenten opgericht; respectievelijk een bronzen beeld van een zittende en staande vrouw die samen een boek lezen en een fontein. Ook is er sinds 1952 in de Beemster een Betje Wolffmuseum in de pastorie waar zij en haar en haar man van 1759 tot 1777 hebben gewoond.

Foto: De kamer van Betje Wolff in het Betje Wolffmuseum in De Beemster
Foto: Historisch Genootschap Beemster

Kruising van de Aagje Dekenstraat met de Betje Wolffstraat.

De vrijheid in zicht: Willem Heemskerk één dag voor de bevrijding vermoord.

Je verheugt je al op de dag die er aan zit te komen. Dan slaat het noodlot toe. Willem Heemskerk werd vermoord door plunderende Wehrmachtsoldaten. Hij stierf een dag voor de afkondiging van de capitulatie. Lees het hele verhaal op Tragedie in De Bollenstreek aan’ t eind van de 2de wereldoorlog

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller van achter het IJzeren gordijn (deel 1)

Dietmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

In de serie VAN VER GEKOMEN voeren we dit keer een gesprek met een man die jarenlang het gezicht was van een bekende fotohandel in Lisse. Een van de winkels op het Vierkant die klanten uit de wijde omgeving trekt. De heer Müller ontvangt ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we via vijf grote ramen, aangebracht over de breedte van het pand, het Vierkant. Voorwaar het mooiste uitzicht dat je je bedenken kunt. En, zo verzekert hij, een belevenis om van hieruit het corso te bekijken. Voor de plaats van het interview kiezen we voor de ronde tafel in de gezellige keuken. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal vertellen.

Dietmar Georg Müller werd geboren op 7 juli 1938 in Hilbersdorf, een voorstadje van Chemnitz in het oosten van Duitsland, aan de voet van het Ertsgebergte. In een gezin met drie jongens was hij de middelste. De familie woonde op de tweede verdieping van een driehoge flat. Twee jaar voor de geboorte van Dietmar had vader Paul meegedaan op het onderdeel tienkamp tijdens de fameuze Olympische Spelen in Berlijn, overschaduwd door het nationaalsocialisme. Speerwerpen was het onderdeel waarop hij uitblonk. De heer Müller laat een beeldje zien van een speerwerper dat zijn vader kreeg uitgereikt: “Veel dingen zijn in de oorlog verloren gegaan, deze trofee heb ik nog”. Moeder zorgde thuis voor de kinderen en vader werkte bij de spoorwegen. Hij maakte brandkasten met speciale vergrendelingen, enorme kasten waren dat. Vader was niet veel thuis. Hij werkte als vrijwilliger bij een sportschool als instructeur van een groep van rond de 25 jonge meisjes die gymden met een nieuw apparaat: een Rhönrad. Een groot rad met dubbele hoepels waarin je met gespreide armen en benen alle kanten kunt opdraaien en kunstjes kunt uitvoeren. Een ware hype en een spectaculair gezicht. De meisjes demonstreerden hun kunnen tijdens bedrijfsfeestjes en voor de aanvang van voetbalwedstrijden. En moeder mocht na de voorstelling de kleding van de jongedames wassen. Het gezin was evangelisch-luthers, de kinderen werden gedoopt, de christelijke feestdagen gevierd. Een doorsnee Duitse familie, die geen gebrek kende, totdat het noodlot toesloeg.

Noodlot

Het gezin Müller vlak voor der dood van vader

Chemnitz was en is een belangrijk knooppunt in het Duitse spoorwegnet en Dietmars vader was als instructeur werkzaam bij de spoorwegen bij het RAW, Reichsausbesseringswerk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zwoegden hier vooral Franse krijgsgevangenen uit het “Arbeitslager” ‘Stammlager IV F’, een kamp vlakbij de werkplek van vader Müller. De resten uit de ketels van de bedrijfsgaarkeuken werden tussen de rails van de spoorbaan gedumpt, waar hongerende Fransen wat eetbaar was van de grond schraapten. Paul Müller kon deze mensonterende toestanden niet aanzien. “En wat deed mijn vader. Hij gaf ze een grote pot en zei, hier, eten jullie hier maar uit”. Deze humane daad kostte hem het leven. “Iemand heeft het gezien en hij werd direct naar het front gestuurd in de laatste week van de oorlog. Voor straf stuurden ze hem naar het OderNeisse-front ten oosten van Berlijn. Mijn vader kreeg geen militaire opleiding. Hij sneuvelde al na een week.” Twee dagen voor zijn vertrek werd een foto van het gezin gemaakt, een soldaat, zijn vrouw, twee opgroeiende jongens, een kleine in een kinderwagen…

Kinderjaren

Dietmar Müller als kind

Op moeder Gertrude rustte de zware taak de kost voor haar en haar drie jongens te verdienen. Ook zij ging werken bij de spoorwegen. De Russen bezetten na afloop van de Tweede Wereldoorlog het oosten van Duitsland. In de ogen van de communisten was zij de weduwe van een “Kriegsverbrecher” en had zij geen recht op ondersteuning. “Mijn grootmoeder ving mij op, mijn oudste broer zorgde voor mijn kleine broertje”. Chemnitz lag inmiddels niet meer in Duitsland, maar in de DDR, de Deutsche Demokratische Republik, de communistische vazalstaat van de Sovjet-Unie, waar de kinderen op school Russisch leerden. De stad zelf werd in 1953 omgedoopt tot Karl-Marx-Stadt, vernoemd naar de grondlegger van het communisme.

De jonge Dietmar Müller ging naar de Grundschule in een nabijgelegen plaats. In de wintermaanden bond hij de skis onder en met zijn rugzakje om skiede hij naar school. Zijn leven lang heeft hij de skisport beoefend, tot twee jaar geleden knieproblemen dat verhinderden. Na de lagere school ging hij naar de Berufsschule voor een theoretisch-praktische opleiding voor machinebankwerker.

Weltfestspielen der Jugend

In 1951 werden in Oost-Berlijn de Weltfestspielen der Jugend gehouden. Doel van de massabijeenkomst van veertien dagen was onderling begrip te kweken tussen jongeren van alle volkeren en zo de wereldvrede te bevorderen. Een ideale propagandagelegenheid voor de piepjonge DDR om internationaal indruk te maken. 26.000 deelnemers uit 104 landen verbleven in tentenkampen en namen deel aan discussies, massale parades, muziek- en dansdemonstraties. De jongeren werden met goederenwagons naar Berlijn getransporteerd. Dietmar Müller was een van hen. Dietmar werd ondergebracht in een tentenkamp aan de Müggelsee, een Berlijns binnenmeer. “Ik had een tante wonen in Charlottenburg, in de Britse sector van Berlijn. Ik wou mijn tante in het Westen bezoeken en ben stiekem met de U-Bahn naar Charlottenburg gegaan. ’s Avonds kwam ik terug in het tentenkamp en iemand had mij gezien. Toen moest ik mijn rugzak inpakken en terug naar Karl-Marx-Stadt. Ik mocht daar niet meer blijven. Ik leerde het vak van machinebankwerker bij een bedrijf met 2500 mensen in dienst. Die werden bijeengeroepen voor een ‘Betriebsversammlung’ speciaal voor mij, omdat ik naar West-Duitsland was gegaan op kosten van de Oost-Duitse staat. Ik was fout geweest. Ik zat op een stoeltje op het podium. En toen trokken ze van leer. Ik moest alles terugbetalen. De reis in de goederenwagon naar Berlijn, de reis terug. Dat geld had ik niet. Dus moest ik de gevangenis in voor drie dagen. Ik was bijna klaar met mijn opleiding, die liep nu een half jaar vertraging op.” Na deze traumatische gebeurtenissen trad Dietmar vervolgens als machinebankwerker in dienst van het laatste bedrijf in Karl-Marx-Stadt dat niet onteigend was. Ook zijn oudere broer werkte daar. Tijdens de lunchpauze sprak hij wel met een jonge collega, een jehova’s getuige. “Zeugen Jehovas” werden vervolgd in de communistische heilstaat en de jongen wilde naar het vrije Westen. Na zijn ervaringen met het DDR-systeem wilde ook Dietmar graag weg en hij vroeg of hij mee mocht.

Gevlucht

Dietmar Müller op de fiets

De tweede dag na zijn 18de verjaardag gingen ze samen op de fiets door heuvelachtig land naar het Oost-Duitse grensstadje Plauen, in het Vogtland. In de rugzak een korte en een lange broek en twee of drie hemdjes. Bij Plauen werden ze opgevangen door hulpjes van de jehova’s. Via sluiproutes werden ze midden in de nacht naar de grensgovergang gegidst. Een gevaarlijke tocht, het gebied lag vol mijnen. Over de grens namen de twee jongens
afscheid en Dietmar meldde zich bij de politie in het plaatsje Hof in West-Duitsland, waar hij vouchers kreeg voor voedsel en overnachtingen in jeugdherbergen. Hij fietste alleen verder, naar Frankfurt am Main – 500 kilometer – en meldde zich ook daar bij de politie, werd verhoord en naar een luxe hotel in Bad Nauheim gebracht. Daar werd hij een week lang verhoord door de bezettende machten van West-Duitsland: de Fransen, Canadezen, Amerikanen en Engelsen. “In het voorstadje van Karl-MarxStadt waar ik woonde, was een Russische kazerne. De Amerikanen projecteerden een kaart op de muur en wezen aan, dáár is uw huis, en dáár is de kazerne. Ze wisten dat ik elke ochtend met de tram naar mijn werk was gegaan. Op een dag was op een kruispunt een Russische vrachtwagen omgekieperd, de straat lag vol munitie. Ik moest beschrijven wat ik allemaal gezien had.” Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord-Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje. ►

volgend nummer deel 2

In memoriam Jan van der Linden (1934-2019)

Jan van de Linden (1934-2019) was actief vrijwilliger van de VOL. Hij was een nauwgezet archivaris.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Jan was actief vrijwilliger van onze vereniging. Jan is op 08-01-2019 vrij onverwachts overleden op de leeftijd van 84 jaar. Op 14-01-2019 was er een zeer drukke afscheidsdienst in de Grote Kerk in Lisse voorafgaand aan de begrafenis van deze markante vrijwilliger. Jan, alias “Jantje Beton”, gezien zijn werkzame leven in de betonindustrie. Vele vrijwilligers van VOL en koorleden van “De Kasteelheeren”, waar Jan ook lid van was, hebben deze kerkdienst bijgewoond. Jan meldde zich zo’n 7 jaar geleden aan bij VOL als vrijwilliger en ontpopte zich als een zeer nauwgezet archivaris die op zich had genomen het Persoons Register van Lisse digitaal om te zetten, met behulp van het computerprogramma “Pro-Gen”. Hij hechtte hier grote waarde aan. Met zijn collegavrijwilliger Arie de Koning is hij aan de slag gegaan, met veel passen, puzzelen, zoeken, ruziën en lachen om het onderhavige Pro-Gen-bestand te completeren. Na zo’n 7 jaar zijn ze heel ver gekomen, maar nog lang niet ver genoeg. Ja, 50.000 personen blijkt nog lang niet genoeg. We vermoeden dat Jan de laatste twee jaar zich al realiseerde dat hij tekort aan tijd zou krijgen om dit levenswerk af te krijgen. Daarom dient het project Pro-Gen nu zo snel mogelijk voortgezet te worden, al is het alleen maar ter nagedachtenis aan onze overleden, zeer vriendelijke vrijwilliger, Jan van der Linden!

In de serie Briljante Lissers: Professor Wander Johannes de Haas (1878-1960)

door A. de Koning

29 oktober 2018

In de serie Briljante Lissers: Professor Wander Johannes de Haas (1878-1960)

Wander Johannes de Haas, natuurkundige, geboren in Lisse op 2 Maart 1878 en overleden in Bilthoven op 26 April 1960. Zoon van Albertus de Haas, hoofd van de Middelburgse Rijksleerschool, en Maria Efting. Gehuwd op 22 December 1910 in Leiden met Geertruida Luberta Lorentz, geboren in 1885 in Leiden, dochter van Hendrik Antoon Lorentz en Aletta Catharina Kaiser. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

De Haas doorliep de lagere school en de HBS te Middelburg en ving in 1895 een studie voor kandidaat-notaris aan. Na van het examen twee van de drie onderdelen te hebben afgelegd en enige tijd werkzaam te zijn geweest op een notariskantoor, besloot hij alsnog natuurkunde te gaan studeren, waartoe het vereiste staatsexamen werd afgelegd. In 1900 begon zijn studie te Leiden.
Van 1905 tot 1911 was De Haas als assistent verbonden aan het natuurkundig laboratorium bij H. Kamerlingh Onnes en J.P. Kuenen. Ondertussen legde hij op 10 maart 1910 het doctoraal examen af.
Van 1911 tot 1913 werkte hij als assistent bij prof. H.E.J.G. du Bois op het Bosscha-Laboratorium in Berlijn. In deze periode vond op 11 juli 1912 zijn promotie bij Kamerlingh Onnes plaats op een proefschrift, getiteld Metingen over de compressibiliteit van waterstof, in hel bijzonder van water stofdamp bijen beneden het kookpunt. In dat zelfde jaar heeft De Haas, samen met P. Drapier een vernuftige methode bedacht voor de bepaling van de diamagnetische susceptibiliteit van water. Het resultaat behoort tot de standaardbepalingen van deze grootheid. Van 1913 tot 1915 werkte hij als ‘wissenschaftlicher Mitarbeiter’ aan de Physikalisch Technische Reichsanstalt, eveneens in Berlijn.

In verband met de Eerste Wereldoorlog verliet De Haas Duitsland en werd in het cursusjaar 1915-1916 leraar in de natuurkunde aan de HBS en het gymnasium te Deventer. In 1916 kwam daarop de aanstelling tot conservator aan het natuurkundig laboratorum van Teyler’s Stichting in Haarlem, waar prof. H.A. Lorentz toen curator was.

Reeds in 1915 begon De Haas met Einstein een onderzoek, dat het bewijs moest leveren van het bestaan van de moleculaire stroompjes van Ampère, aanleiding gevende tot permanente moleculaire magneetjes. Deze proeven leidden tot wat tegenwoordig het Einstein-De Haas-effect wordt genoemd. Doordat met het magnetisch moment, het gevolg van een rondlopend stroompje, noodzakelijkerwijze ook een mechanisch draaimoment moet zijn verbonden, zal een ferro- of paramagnetische stof, waarvan het magnetisch moment verandert, ook een hiermee evenredige impuls-momentverandering ondergaan; bij de betreffende proef wordt een cilindertje van de magnetische stof opgehangen in een wisselend magneetveld evenwijdig aan de cilinderas.
Als gevolg hiervan gaat het cilindertje schommelingen om de as uitvoeren in hetzelfde ritme als het wisselende veld. Om dit zeer zwakke effect waarneembaar te maken diende de frequentie van het wisselende veld gelijk te worden genomen aan de eigen torsieslingertijd van het cilindertje aan zijn ophangdraad. Naar aanleiding van deze subtiele proeven werd door de Weense Academie van Wetenschappen in 1917 aan Einstein en De Haas de Baumgärtnerprijs verleend.

In hetzelfde jaar werd De Haas benoemd tot hoogleraar in de theoretische en toegepaste natuurkunde aan de Technische Hogeschool in Delft, waar hij zijn ambt aanvaardde met een rede over Het magnetisme. Een professoraat aan de Universiteit van Groningen werd in 1922 aanvaard met een oratie, getiteld Grepen uit den ontwikkelingsgang der atoomtheorie.
Op grond van zijn wetenschappelijke werk werd hij op 23 mei 1922 gekozen tot lid van de afdeling natuurkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en in 1923 tot lid van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen. Op 3 december 1924 volgde zijn ordinariaat in de natuurkunde en de meteorologie aan de Leidse Universiteit met een intreerede over Electrische en andere stroomen.

Als opvolgers van Kamerlingh Onnes en Kuenen hebben De Haas en de in 1923 benoemde W.H. Keesom tot na de Tweede Wereldoorlog het – sinds 15 maart 1932 (ter gelegenheid van de officiële ingebruikneming van de grote magneet van het laboratorium) naar Kamerlingh Onnes genoemde natuurkundig laboratorium geleid. Het werd in twee afdelingen gesplitst: afdeling I onder Keesom met voornamelijk thermodynamische onderzoekingen en afdeling II onder De Haas, waar hoofdzakelijk werd gewerkt aan elektrische en magnetische verschijnselen. Tot 1923 was Leiden de enige plaats ter wereld waar helium vloeibaar kon worden gemaakt en de ermee te bereiken zeer lage temperaturen beschikbaar waren. Kamerlingh Onnes en daarna zowel Keesom als De Haas hebben op voortreffelijke wijze van de mogelijkheden gebruik gemaakt en op vele gebieden der lage temperatuur fysica prachtig pionierswerk verricht. Ook kwamen vele buitenlandse geleerden onderzoekingen verrichten in Leiden, dat zodoende een centrum werd van het natuurkundig onderzoek bij lage temperaturen. De Haas behoorde in de eerste helft van deze eeuw, ondanks zijn zwakke gezondheid (o.a. verbleef hij al voor de Eerste Wereldoorlog geruime tijd in een sanatorium in Putten), tot de belangrijke lage temperatuur fysici.

Hoewel het hier niet de plaats is om uitgebreid in te gaan op het wetenschappelijk onderzoek van De Haas, moeten er toch enkele opmerkingen over worden gemaakt, o.a. om uit te doen komen, van welk een opmerkelijke gevarieerdheid dit was. Hoewel het werk vrijwel steeds werd verricht in samen werking met een of meer medewerkers, buitenlandse onderzoekers of leerlingen, van wie de bijdrage soms van overwegende, soms van ondergeschikte aard was, moet zijn eigen invloed zeker niet worden onderschat. Hij wist zijn medewerkers te inspireren en door zijn opmerkingen tot resultaten te leiden, die zonder zijn fysisch inzicht waarschijnlijk niet zouden zijn verkregen.
De namen van deze medewerkers zullen hier op een enkele na niet worden genoemd; zij kunnen in de publikaties worden gevonden. Vele onderzoekingen werden verricht op het gebied van het magnetisme. De paramagnetische metingen gaven een duidelijker beeld dan tevoren over de atoombouw en de wisselwerking der magnetische momenten der ionen in kristallen met hun omgeving. Deze onderzoekingen leidden o.a. in 1932 tot de proeven over adiabatische demagnetisatie, samen met E.C. Wiersma, volgens een door P.J.W. Debije en W.F. Giauque aangegeven methode. Bij deze proeven werden temperaturen verkregen in het millikelvin gebied. Gedurende enkele jaren werden deze bijzonder lage temperaturen alleen in het laboratorium van De Haas gerealiseerd. Hierbij werden weer diverse eigenschappen der betreffende zouten onderzocht. Zeer sterke, kort durende magneetvelden werden door kort durende stromen verkregen. Magnetisatie van paramagnetische verbindingen geeft aanleiding tot magnetorotatie, draaiing van het polarisatievlak van een lineair gepolariseerde lichtstraal. Prof. J. Becquerel uit Parijs heeft samen met De Haas vele zeer nauwkeurige metingen op dit gebied verricht. Zo werd de theoretisch voorspelde evenredigheid tussen paramagnetische susceptibiliteit en magnetorotatie (constante van Verdet) bevestigd. Samen met de Russische fysicus L. Schubnikow werd de invloed van een magneetveld op de weerstand van bismut, o.a. in afhankelijkheid van de richting van dit veld, onderzocht (Schubnikow-De Haas-effect). Deze metingen hingen ook samen met het zoeken naar relaties tussen elektrisch geleidingsvermogen en diamagnetische susceptibiliteit. Op het gebied van het diamagnetisme werd het De Haas-Van Alphen-effect gevonden, nog altijd van veel belang voor het inzicht in de elektronenstructuur der metalen. Bij de warmtegeleiding was het mogelijk in bismut de bijdragen van de elektronen en het rooster te scheiden met behulp van een magnetisch veld en werd o.a. het vormeffect gevonden.
Bij de elektriciteitsgeleiding werd bij een aantal metalen een minimum in de weerstand aangetroffen, tegenwoordig bekend als Kondo-effect naar degeen die een theoretische verklaring gaf. Veel onderzoekingen werden ook verricht in het gebied van de supergeleiding, o.a. de indringing van een magnetisch veld in supergeleiders. Met duurproeven van een aantal dagen over de sterkte van een kringstroom resp. van de diamagnetische susceptibiliteit werd de maximaal mogelijke waarde van een eventuele weerstand van een supergeleider resp. van de elektronen in hun banen in bismut tot een uiterst lage waarde teruggebracht.

De Haas’ wetenschappelijke kwaliteiten vonden zowel in binnen- als buitenland erkenning. Zo werd hij in 1921 en 1930 uitgenodigd voor het Solvay Congres en in 1932 om als ruilhoogleraar colleges te geven in Brussel, waar men hem de eremedaille van de Vrije Universiteit toekende. In 1934 ontving hij de gouden Rumford medaille van de Royal Society in Londen. De Haas was membre honorair van de Société française de physique. Als Scott lecturer hield hij in 1937 een aantal voordrachten aan de Universiteit van Cambridge. In dat zelfde jaar ontving hij ook zijn benoeming tot corresponderend lid van de Academie van Technische Wetenschappen van de Universiteit van Warschau en in het jaar daarop van de Franse Academie van Wetenschappen. Zijn voorkeur ging overigens niet uit naar grote wetenschappelijke bijeenkomsten, zoals congressen, die hij dan ook vrijwel nooit bezocht.

De Haas had een sterk gevoel voor humor en in het natuurkundig onderzoekingswerk speelde zijn intuïtieve visie een belangrijke rol. Zijn ideeën getuigden vaak van een grote oorspronkelijkheid. Dikwijls kwam hij op ongebruikelijke uren in zijn werkkamer om samen met een amanuensis allerlei onderzoekingen te doen. Maar hij liet zich nooit verleiden om onvoldoend geverifieerde metingen te publiceren. Ook t.a.v. de nauwkeurigheid van de onder zijn leiding door zijn medewerkers verrichtte metingen had hij een zeer kritische instelling en pas nadat allerlei fouten in bronnen waren nagegaan en de metingen eventueel waren herhaald om de reproduceerbaarheid te controleren, mocht tot publikatie worden overgegaan.

Zijn intuïtie bracht hem er o.a. toe, de Nederlandse regering in 1939 te adviseren, een hoeveelheid uraniumoxide, die op de markt verscheen, te kopen, welk advies werd opgevolgd. Gedurende de oorlog kon deze aankoop in een Delfts laboratorium verborgen worden gehouden en na de bevrijding werd hiermee de grondslag gelegd voor de Noors -Nederlandse samenwerking op het gebied van de kernenergie. Voor het ‘Joint Establishment for Nuclear Energy Research’ in Kjeller leverde Nederland het uranium, Noorwegen het zware water.

Gedurende de oorlog onderhield De Haas, enerzijds om iets over de activiteiten van de bezetters te weten te komen, anderzijds om zich een grotere bewegingsvrijheid, ook buiten Nederland, te verschaffen, relaties met de voor de Duitsers werkende organisatie Cellastic, die zich o.a. met de verrijking van uranium bezighield. Van deze bewegingsvrijheid heeft hij met zijn echtgenote gebruik gemaakt om via Zwitserland naar Engeland te ontsnappen. Na de oorlog veroorzaakte de ‘operation Cellastic’ ook voor De Haas enige opspraak. Hij diende zijn hoogleraarfunctie van 18 juni tot 19 oktober 1945 voor een nader onderzoek te staken, maar kon daarna tot zijn emeritaat op 20 september 1948 zijn ambt ongemoeid uitoefenen.

De waardering en bewondering, die De Haas ook na de oorlog ondervond, waren behalve aan zijn wetenschappelijke verdiensten mede aan zijn karakter en persoonlijkheid te danken. Ook buiten de natuurkunde had hij een zeer brede belangstelling. Zijn sociale bewogenheid kwam o.a. tot uitdrukking in zijn houding t.o.v. de leerlingen van de Leidse Instrumentmakerschool. Van 1926 tot 1951 was hij voorzitter van de Vereniging tot bevordering van de opleiding tot Instrumentmaker, die deze school beheert. Voor zijn gezin en ook voor degenen, die onder zijn leiding werkten had hij een groot verantwoordelijkheidsgevoel; voor velen van zijn leerlingen trad hij niet slechts als leermeester, maar evenzeer als vriend en helper op.

Vanaf zijn studententijd heeft De Haas een zwakke gezondheid gehad en hij kon dan ook vaak niet op zijn laboratorium zijn. Maar hij was grenzeloos toegewijd aan de wetenschap, de Leidse Universiteit en vooral het Kamerlingh Onnes Laboratorium. Ook als hij ziek thuis was, bleven de problemen van zijn medewerkers – naar eigen zeggen – hem geen tien minuten uit zijn gedachten. Dat De Haas, ondanks zijn vele kwalen, zo veel wetenschappelijk werk van hoog niveau heeft kunnen doen, dankte hij ook aan de voortdurende zorgen van zijn vrouw. Om zijn warme, originele persoonlijkheid en zijn toewijding droegen zijn vele assistenten en leerlingen hem op handen.

HET KAN VRIEZEN EN HET KAN DOOIEN

Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal strenge winters in de eerste helft van de twintigste eeuw.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Al winterkriebels? Een gezegde luidt: Is oktober warm en fijn, het zal een scherpe winter zijn, maar is het nat en koel, ’t is van een zachte winter een voorgevoel. Dat belooft wat! Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal van die strenge winters.

Koos Groen in ‘t Woud

Wie was Koos Groen in ’t Woud

Koos groeide op aan de Lisserdijk. Het huis staat er nog, onderaan de dijk bij restaurant Puck. Drie broers had hij, bonken van kerels en daarom geschikt voor het zware veenwerk. Zelf was hij een klein ventje, ongeschikt voor dat werk, dus maar naar de ulo voor een kantoorbaan. Zo begon hij, als 18-jarige in 1922 bij de Hobaho en na 4 jaar bij de H.B.G. aan de Gracht. Tegen hetzelfde salaris als bij de concurrent, nl. 960 gulden per jaar. Bij de H.B.G. werkte hij tot zijn vroege dood in 1950. Zijn dagboek en zijn fotoalbums worden gekoesterd door dochter Ina van Leeuwen, zelf inmiddels op de leeftijd der zeer sterken. Koos beschrijft strenge winters in de eerste helft van de 20e eeuw. Daar worden stukken van weergegeven. Om het tijdsbeeld een beetje extra te duiden zijn wat inleidende teksten toegevoegd. De liefde voor schaatsen had Koos niet van een vreemde. Zijn vader, ook Koos, was in 1914 een van de oprichters van de ijsclub “Kagermeer”. Koos jr. kwam na zijn huwelijk in 1930 op de Broekweg in Lisse te wonen.

De winter van 1916/1917

Op internet is een leuke film “Holland in ijs – 1917” te zien. Houten schaatsen, kinderen op klompen, priksleeën, klederdrachten, hoeden, petten, wollen kousen, nog veel scheepvaart. De film geeft een mooi sfeerbeeld van ijsplezier 100 jaar geleden. Ook in onze omgeving heerst ijskoorts. Een ijsbaan wordt sneeuwvrij gemaakt bij de Hellegatsmolen. Een groentekist met blokjes om de afstanden uit te zetten staat klaar. Maar wanneer dat aan de beurt is blijkt de kist verdwenen. Opgestookt in een kachel. Nederland was dan wel neutraal, maar de Grote Oorlog bracht ook hier brandstof- en voedseltekorten en armoede met zich mee.

Uit het dagboek

Op 16 januari werd onze grootmoeder begraven en toen was het al zeer koud met bovenwind. Alle vaarten en meren zijn toen sterk geworden. Zoo reden er auto’s, wagens links en rechts over het Kagermeer. De winter duurde toen wekenlang en wel ongeveer de geheele maand februari uit. Op een nacht vroor het 23o wat wel de strengsten vorst was in dien winter. Dooi kwam eindelijk en zonder regen of wind is het ijs vergaan.

De winter van 1921-1922

De schoolkinderen uit de Buitenkaag gingen in deze tijd meestal naar school in Sassenheim, door weer en wind, over de Sassemerpont en dan lopend over de 3e Poellaan verder naar school. Ook onze dagboekschrijver ging in Sassenheim naar school. Mensen waren indertijd veel meer met het weer bezig. De Enkhuizer Almanak wordt vaak geraadpleegd. Nov. ‘21 stond in het Leidsch Dagblad een stuk met allerlei weerwijsheden. Zoals “Wanneer Kerstmis op Zondag valt, dan volgt er een zwakke winter, wanneer Kerstmis op Maandag valt enz. enz”. In 1921 viel Kerstmis op zondag. Het dagboek laat van de voorspelling weinig heel. In 2018 valt Kerst op dinsdag en volgens het krantenbericht is het “Valt Kerstmis op Dinsdag dan is de winter zeer koud” . Daarentegen voorspelt de Enkhuizer Almanak geen strenge winter. We zullen zien. Terug in de tijd een deel uit het dagboek .

Uit het dagboek

De winter van 1921-1922 was ook streng te noemen en kwam verschillende malen in een periode terug. Begin Nov. begon het te vriezen. Den 28en November hebben we toen al schaatsen gereden. 4 Dec. waren er al 2 arren op het ijs achter de Binnen-Kaag. Ik kan mij nog heel goed herinneren hoe mooi toen het ijs was. Ik ben toen over de geheele Kagerplassen gereden en op sommige plaatsen was het ijs zoo zwart en doorschijnend dat men de visschen zag zwemmen en ook andere waterbewoners zooals torren enz. Op ondiepe plaatsen zag men den bodem. Het was een eng rijden, want het geleek alsof er geen ijs lag, zoo glad en hard was het. 2 Febr. was het ijs bijna weg. Den geheelen dag regende het zeer hard met een binnen wind. Langs deze kant van het Faljerel hadden nog geen booten gevaren. Toen zeilde een schipper met zijn schuit er het eerst door want er zat nog maar een dun laagje ijs. ‘s Middags draaide de wind en ’s avonds vroor het weer. Dien nacht jachtsneeuwde het en den volgenden morgen vroor het ontzettend. Woensdag 15 Febr. dooide het en ’s avonds kladsneeuwde het uit het Zuiden. Op 5 April sneeuwde het den heelen middag. ’s Morgens alles onder 1d.M. sneeuw. Op goeden Vrijdag 14 April was de eerste zoele dag. Boomen en gras, alles was nog kaal.

De winter van 1928/1929

Begin maart 1929. Tussen de wedstrijden door is er tijd voor koek en zopie, tijdens de nationale ringrijders wedstrijden. De man in het midden met hoed is Koos Groen in ‘t Woud.

Het waren goede tijden voor de bollenteelt. De H.B.G. bood in oktober een diner aan omdat een recordomzet van 1.500.000 gulden was bereikt. Het seizoen bood volop werk, maar voor wie in de wintermaanden geen werk had werd het sappelen. IJspret is heerlijk, maar zo’n lange winter is eendrama voor wie thuis kwam te zitten. Bijverdienen als baanveger was zeer welkom. Er waren ook speciale wedstrijden voor behoeftigen. De ijsclub organiseerde in Lisse 2 wedstrijden voor hen, goed voor 700 gulden aan levensmiddelen en kleren als prijzengeld.

Uit het dagboek

 

De 180 meter hardrijden was spannend tot aan de meet bij het Leeghwater gemaal.

Dit is de winter die alle records van de laatste jaren heeft geslagen. In deze periode zijn alle koudste temperaturen overtroffen en is de veelbesproken winter van 1891 verslagen. Op Nieuwjaarsdag is het begonnen met vriezen, zoodat op 6 Januari voor het eerst op slooten en tochten werd gereden. Het was in het eerste begin erg kwakkelig. Als het ijs goed was begon het weer te dooien en dan weer te vriezen. Op 8 Jan. was het mistig, vriezend weer. ’s Nachts kwamen wij van de soirée bij v. Eerden (de Nachtegaal) en toen was alles dik onder den ijzel. 10 Jan. ben ik op Keukenhof geweest om naar de ijzel te zien. Het was een onvergetelijk gezicht als men hier vanaf den Achterweg naar Keukenhof ging. Alles was zoo zeldzaam mooi.

Zwieren en zwaaien of liever schoonrijden bij de Hellegatsmolen. Onder de armen door is de Grote Poelmolen te zien. De wedstrijden waren zo een beetje daar waar wel vijf gemeenten hun grenzen kruisten. Lisse, Warmond, Sassenheim, Binnen/Buiten Kaag en Abbenes, een soort vijf landen punt.

Vooral de Spekkelaan was mooi. En ook in het bosch de diverse groepen boomen en dennen en hagen enz. 12 Jan. was er hardrijden op de Gracht. Na afloop reden de drie beste Sassenheimers tegen de beste Lissers. De Sassenheimers wonnen alle drie. 18 Jan. is er hardgereden in de Binnen-Kaag. De baan was van Bart Loogman naar Lombok (eilandje). Het ijs was met een dikke laag sneeuw bedekt. Het was nog zoo dun dat als er 5 á 6 personen bij elkaar stonden, het begon te kraken van nog eens zoo. De gevolgen bleven dan ook niet uit. De geheele ijsbaan liep onder water. 31 Jan. ben ik naar een uitvoering in de Binnen-Kaag geweest. Het zat daar zo vol drijfijs dat Verhoog zijn pont naar Tromp gesleept had en probeerde de menschen zonder draad over te zetten. Maar het ging niet. ’s Nachts waren wij bij de eerste pontlading. Wij zaten midden op het Kanaal en ik dacht dat wij nooit meer aan den kant zouden komen, maar wij kwamen toch aan wal. Nu krijgen wij de befaamde koudegolf van Zondag 10 Febr. tot Zaterdag 16 Febr. 10 Feb. den geheelen dag vriezend. s’Nachts harder dan in de laatste 35 jaar. Men sprak dat er 7 cM. ijs gevormd was. In dezen nacht is de groote Bloemententoonstelling bevroren. Deze werd gehouden bij gelegenheid van het 50 j. bestaan der Alg. ver.v.Bl. Cult. in H.B.G. Alle bloemen hingen slap. Vele konden het nog ophalen maar veel moest vernieuwd worden. Alle palmen welke de zaal opsierden waren weg en dit was een waarde van 4 á 5000 gulden. 11/12 Febr. is het Leidsche stadhuis afgebrand. De brandweerlieden werden levende ijspoppen. Alles bevriest binnenshuis. De lucht blijft helder en sterken boven wind. Woensdag 13 Febr. geraakte nog een 7 tal personen in een open slob bij de Binnen-Kaag. Alle werden gered. Dat dit slob nog open was kwam omdat daar Zondags een busboot gedraaid was en dat gat ging door den sterken wind niet dicht al vroor het nog zoo hard. Donderdag begint het uit het Zuiden fijn te sneeuwen. De sneeuw was zoo fijn als stof en schitterend. Vrijdag 15 febr. sneeuwstorm. Geen weer om schaatsen te rijden. 18 Febr. was het hardrijden voor de armen. 20 Febr. ging ik ’s avonds om 8 uur in de lichte sneeuw naar Warmond. Daar was het gecostumeerd ijsfeest op de Leede. Er was veel volk op het ijs. Onderweg reden de auto’s en fietsen met licht op, op het ijs voorbij. Het was helder vriezend weer. Op ons kantoor uit den wind, in de zon en de kachel full speed brandend, bleven de bloemen op de ramen staan tot 12 uur. ’s Avonds als de zon zakte kwamen ze er weer op. Alle huizen hadden de dikste bloemen op de ramen, den geheelen dag. Verschillende malen werd men wakker van de kou. Toch sliep ik onder 6 dekens, plus jassen enz. ’s Morgens naar Lisse op de fiets had ik mijn geheele gezicht in een wollen sjaal waar steeds een plakkaat ijs op zat. Soms moest ik van de fiets om mijn handen te beuken, bang dat ik was dat de vingers bevroren. De lucht was zoo ijl dat men op de fiets naar zijn adem hijgde. De tranen die uit de oogen vielen bleven als ijs op het gezicht zitten. In verschillende steden in Holland zetten de gemeentebesturen kachels en stookplaatsen in de openlucht. Ook werden op verschillende plaatsen groote hoeveelheden warme maaltijden verschaft aan arme menschen, zoo b.v. door de Vincentius ver. welke groote ketels erwtensoep kookte en groote hoeveelheden grauwe erwten met spek. Verschillende bloemisten hielden hardrijderijen voor hun personeel en stelden daarvoor geld beschikbaar. De dooi is langzaam ingetreden, zonder wind of regen. 7 Maart gingen de eerste booten er door en ruim een week later zag je geen ijs meer. We hadden dezen winter 2 maal lichte maan, en met de 3e maan zat er nog van het oude ijs, hier en daar. 19 Maart waren de boomen om elf uur nog wit van den ijzel. 17 April eerste mooie dag. Zondag 28 April ben ik in de Roversbroek wezen kijken naar de bevroren bollen. Verschillende hoeken narcissen zijn geheel weg. Bij de een alles, bij de ander zoo goed als niets. Crocussen ook veel geleden, vooral gele. Tulpen minder last. Het kweekersblad verzameld opgaven van de schade om een overzicht samen te stellen.

Winter 1938/1939

Vrouw en dochters van Koos, in de sneeuw. Waar? 23-12-1938

Nog steeds veel werkloosheid in Nederland. Het is een onzekere tijd. De spanningen in de wereld lopen op. Duitsland beleeft in november de Kristallnacht. Vanwege de Sudetenkwestie was er in Nederland al een gedeeltelijke mobilisatie, maar Nederland hoopte neutraal te kunnen blijven.

Uit het dagboek

Op Vrijdag 16 Dec. begon het met sterken wind te vriezen. 21 dec. begon het te sneeuwen. Volgens de krant is de koude periode bijna even streng geweest als in 1929.

Er is ontzaglijk veel bevroren omdat de vorst onverwacht kwam en ook omdat er door strenge wind niets tegen te doen was. Bijna overal was de waterleiding en wc bevroren. 1e Kerstdag prachtig winterweer, alles wit en zonnig. 2e kerstdag is het ’s avonds gaan dooien met natte sneeuw. Nadien heeft het niet meer gewinterd.

Winter 1939/1940 Oorlogsdreiging.

Januari 1940 auto gestrand bij het Kager viaduct

Veel economische problemen door de crisis. In Lisse zijn vanwege de mobilisatie soldaten gelegerd.

Uit het dagboek

De vorstperiode is thans begonnen op 15 Dec. Zondag 17 Dec. met sterken vorst, was precies dezelfde datum als de koude Zondag van vorig jaar. Heden zijn de sloten reeds sterk en wordt geschaatst. Zaterdag 23 Dec. koud weer en hardrijden voor de armen. De soldaten uit de Noord winnen gemakkelijk van de Lissers. 1 en 2 Jan helder vriezend zoodat de Gracht en de ringsloten sterk zijn en de ijsbaan de 2e maal geopend werd. Zondag 28 Jan. ben ik naar de Kaag gewandeld. De Lisserdijk was buiten de huizen onbegaanbaar van de sneeuw. Op sommige plaatsen 1M. hoog. Deze sneeuw is uit de Meer opgewaaid en de dijk is totaal onbegaanbaar voor alle verkeer. Er wordt nu in bijten veel paling en visch gevangen. Deze zijn geheel versuft.Bij de Sassemerpont vangt men wel 20 pond paling achter elkaar. 1 Febr. wind N.O. Het ijzelt den geheelen dag bij 8o vorst, zoodat de wegen totaal onbegaanbaar zijn. Op 4 Feb. stonden bij de dooi alle straten blank omdat de rioolputten bevroren waren en vol met sneeuw. Sloten en vaarten waren allen met de kanten gelijk vol met sneeuw. Onder die dikke sneeuw was het ijs soms verraderlijk zwak, zoodat er slechts enkele cm. ijs over was geschoten. Dit kwam veel door het spuien en omdat het onder die dikke sneeuw weg dooide. Alle menschen probeerden om zoo goed mogelijk de sneeuw voor hun huis op te ruimen en de putten open te steken. Want van rijkswege mochten geen werkloozen aan de sneeuwopruiming gezet worden. 21 Febr. valt een sterken dooi in. Thans worden alle daken en landerijen weer zwart. Het is een buitengewoon lange en strenge winter geweest die alle records sloeg. Toch was er weinig pleizier voor de schaatsenrijders. De soldaten welke in Lisse lagen hadden een kwaden winter met hun wachtloopen ’s nachts en in hun slaapkwartieren.

Winter 1940/1941

Nederland was bezet, maar die eerste oorlogsperiode voerde de bezetter nog een voorzichtig beleid. Het leven ging nog min of meer zijn oude gang.

Uit het dagboek

Deze winter heeft ook veel ijs en sneeuw gebracht, doch was afwisselend vorst en dooi. De Lisser ijsbaan werd 4 keer geopend. Op 10 Jan. heb ik op het Kagermeer gereden en was alles prachtig onder de rijp. Geregeld kwam nog nachtvorst voor in Maart en sterke nachtvorst op 8 en 9 April. Op 15 en 16 Mei hagelbuien en veel sterke nachtvorst. Na half Mei is het weer geleidelijk zachter geworden. Met Pinksteren op 1 en 2 Juni de kachel gestookt.

Jan. feb. maart 1942

Opnieuw een oorlogsjaar. De Duitse maatregelen worden steeds strenger, het leven steeds moeilijker.

Uit het dagboek

Deze winter heeft de kroon gespannen van de laatste jaren en was in koude en sneeuw van langen duur de ergste van de laatste jaren. Zondag nacht 25 Jan. weer veel jachtsneeuw gevallen. Maandagnacht en overdag geheelen dag sneeuwjacht met een vorst van – 14o. Het is boosaardig koud en bijna ondoenlijk om de deur uit te gaan. De sneeuw ligt op plaatsen 1 M. hoog. Alle wegen zijn versperd, geen tram geen auto rijdt meer en melk is niet meer te bekomen, tenzij bij de boeren die thans uit de deur mogen verkoopen. De geheele week zijn werkloozen aan het sneeuwruimen hetgeen geschiedt door de heide maatschapij. Het heeft onafgebroken gevroren van 9 Jan. tot 13 Mrt. Op 23 maart is op de Braasemermeer met een ijsschuit gezeild. In deze schuit was de datum 21/3-1890 gegrift, welke nu met 2 dagen werd geslagen. Het vroor door het geheele huis, in de gang vroor de wasch stijf, in de keuken vroor het ’s morgens 7 graden. Het ijs zat in de slaapkamer aan de muren. De Gracht in Lisse werd 23 Mrt opengebroken. Nog 10 c.M. dik. In de poorten van de H.B.G. gebouwen lag de sneeuw in de schaduw tot en met Paschen op 5 april. Bieten en wortelenpetten benevens de meeste aardappelpetten waren bevroren.

Recordwinter 1946-1947

Nederland is bevrijd, er wordt begonnen met de opbouw, maar er is nog gebrek aan van alles. Veel is nog op de bon.

Uit het dagboek

Zus Cora op de Lisserdijk vlakbij het huis van haar opa en oma. Ongeveer daar waar nu restaurant Puck is

We moeten volgens de gegevens teruggaan tot 1789 om de winter te vinden welke dezen in langen duur en hevigheid overtrof. Er zijn dezen winter geen uitzonderlijk lage temperaturen voorgekomen zodat de strenge vorsten van 1940 en 1942 niet geëvenaard zijn. Maar de duur van den winter is bijzonder lang geweest. Begonnen op 14 Dec. tot heden 16 Mrt. De kolennood is groot geweest. Tot heden is verstrekt op de bonnen 10 H.L. brandstof waar velen al te spoedig door waren. Honger is er niet geleden, want er is brood en eten genoeg. Op de feestavond van Canite Tuba op 29 Jan. was het zeer koud. De uitvoering van de zangver. de operette De Klokken van Corneville werden in de Hobaho gehouden bij strenge koude. De menschen gingen op klompen en pantoffels en namen warme voetenkruiken en dekens mee.

Eindelijk de dooi, minder mooi die zooi, daar op de Broekweg . We kijken vanaf het huis van de familie Groen in ‘t Woud richting de Greveling, rechts zie je de Zemelpoldermolen.

Mijn aardappelpet heb ik op 11 maart opengebroken, de piepers waren niet bevroren. De pet was goed afgedekt en buiten een flinke laag riet en stengels van mais en tabak.

Dit is de laatste winter die in het dagboek, waaruit we steeds gedeeltes hebben overgenomen, is beschreven. Wat zou ons de komende winter te wachten staan? We moeten 22 december in de gaten houden. Dan is het volle maan en een volkswijsheid zegt “Noordenwind met volle maan kondigt een strenge winter aan.” Mocht het streng worden, wij hebben thermo ondergoed in plaats van lange Jaeger onderbroeken en borstrokken, we hebben geïsoleerde huizen en bloemen op de ramen zijn verleden tijd. Door de supermarkt deert een bevroren petgat niet meer. Wat zou het leuk zijn om weer eens te genieten van zwart doorschijnend ijs en een zo zeldzaam mooi beijzelde Spekkelaan! ‘t Kan vriezen en ‘t kan dooien. Bronvermelding: We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ‘t Woud lang geleden heeft gemaakt. De introfoto komt uit het archief van VOL.

Het handigste vervoersmiddel was bij uitstek de slee, daar kwam je ook overal mee.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief). Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer. ■

Bronvermelding

We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ‘t Woud lang geleden heeft gemaakt.

De introfoto komt uit het archief van VOL.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief).

Ook de rolbrug over de ring vaart lag zo vast als het maar kon. Gerrit Wesselius de brugwachter had voorlopig even niets te doen.

Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer.

Over het vrachtvervoer regeerde een heel strenge vorst die alles vast legde!

 

 

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 3)

De Poolse roots van Jozef Rudz worden beschreven. Hij heeft 40 jaar bij openbare werken in Lisse gewerkt. Zijn vader was voor zijn geboorte naar Nederland gekomen. Het wel en wee van zijn vader na de oorlog komt aan de orde.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

De afgrijselijke donkere periode van de Tweede Wereldoorlog is voorbij. Aan de onzekerheid kwam een eind. Men kon weer een toekomst tegemoet zien, er was weer licht aan de horizon. Wederopbouw was het devies. Eindelijk gemoedsrust. Het prille echtpaar Rudz was ook toe aan die vredige rust.

Een Pools gezin in Lisse

In het gezin Rudz werd thuis Pools gesproken. Vader Rudz leerde Nederlands vooral van zijn collega’s bij Sikkens. Hij kon het goed verstaan, maar spreken was een probleem. Moeder Rudz leerde ook in de dagelijkse omgang met buren, in winkels en zo. Zij sprak een eigen Nederlands, doorspekt met veel Duitse woorden. Daardoor werd ze wel eens, heel pijnlijk natuurlijk, uitgescholden voor mof. Inburgeringscursussen? Dat bestond nog niet, je moest je zelf zien te redden. Er was wel ambtelijke hulp van de gemeente. De naam van de heer Willemsen, van de afdeling bevolking, valt een paar keer. Hij heeft heel veel gedaan voor nieuwkomers bij de gemeente. De Rudzen waren stateloos, het Polen waar ze ooit bij hoorden bestond niet meer en het Nederlandse staatsburgerschap konden ze nog niet krijgen. Er waren door de Nederlandse regering wel toezeggingen gedaan. Maar dat was nog een heel gedoe en er waren nogal wat voorwaarden waar aan voldaan moest worden. Gelukkig was daar meneer Willemsen die als het moest afreisde naar Den Haag om zaken rond te krijgen. In 1968 kreeg de heer Rudz het Nederlanderschap. Ook zoon Jozef was stateloos. Hij kreeg gelijk met zijn vader het Nederlanderschap, dat voor hen samen werd gepubliceerd in het Staatsblad. Vader Rudz kreeg zijn Nederlandse paspoort gratis, zoon Jozef moest het zelf betalen. Tot die tijd hadden ze een soort identiteitskaarten. De eerste jaren moesten ze daarvoor op het politiebureau komen waar dan ook vingerafdrukken werden afgenomen. Dat vond men bij de politie blijkbaar gênant, brave burgers op het bureau ontbieden voor vingerafdrukken, dus kwam men daarvoor in het vervolg bij hen thuis. Bij dit soort zaken werd wel de hulp van Frans Godilla als tolk ingeroepen. Ook Jan Pazola hielp weleens met formulieren. Hij trouwde een Nederlandse en leerde daardoor de taal beter. Op een gegeven moment waren de vingerafdrukken niet meer nodig, identiteitskaarten wel, tot ze bij het officiële Nederlanderschap vervangen werden door het paspoort. Bij moeder Rudz lag het krijgen van een paspoort lastiger. Zij was huisvrouw en dus economisch afhankelijk. Bovendien bleek nog iets heel bijzonders. Mevrouw Rudz was voor de oorlog getrouwd, maar over haar man had ze sinds 1939 niets meer gehoord. Ze was er al die tijd van uitgegaan dat hij gesneuveld was, maar bewijzen waren er niet. Pas veel later kwam hiervan een mededeling. Officieel was hij alleen vermist. De heer en mevrouw Rudz waren dan wel in de Agathakerk getrouwd, maar voor de Nederlandse wet bleken ze niet gehuwd. In het Polen dat ze gewend waren was een huwelijk in de kerk meteen een wettelijk huwelijk. Nu waren ze dus officieel niet samen gehuwd. Mevrouw Rudz was officieel wel gehuwd, weliswaar met iemand die waarschijnlijk omgekomen was, maar toch. Weer was de hulp van de heer Willemsen onontbeerlijk. De oplossing was via een advocaat een scheiding aanvragen. Toen de scheiding uitgesproken was zijn ze in 1972 voor de wet getrouwd. Zoon Jozef hoorde dit pas op de dag dat ze voor de wet trouwden. Nu zou je zeggen, waar maakten ze zich druk over, maar in die tijd schaamden ze zich zo voor het feit dat ze eigenlijk ongehuwd waren dat ze dat stil wilden houden. Gelukkig was de weg naar het Nederlanderschap nu ook mogelijk.

Rode Kruis

Na de Tweede Wereldoorlog werd de verdeling in Europa ”het westen” en “het oosten”. Hoe wist je of je familie de oorlog overleefd had? Waar waren ze nu? Zoveel vragen, maar waar begin je. Het Rode Kruis biedt uitkomst. Over de lotgevallen van de familie van vader Rudz is niks concreets naar boven gekomen. Alleen een vaag verhaal over de enige zus Lodzja van vader Rudz Zij zou door de Russen meegenomen zijn en gedwongen te werk gesteld in de goudmijnen. De strafkampen van de Kolyma liggen in Siberië. ’s Winters zakt de temperatuur er onder de -50 graden. De winter duurt erg lang, werken in de mijnen is zeer zwaar, het is praktisch een doodsvonnis wanneer je er naar toe verwezen wordt. Er zijn zeker 10.000 Polen omgekomen in de Kolyma. De strafkampen van de Kolyma, wat wel het Russische Auschwitz wordt genoemd, en waar mogelijk dus ook de zuster van vader Rudz bezweek, eisten onder het regime van Stalin miljoenen slachtoffers. Voor mevr. Rudz is het vinden van familieleden wel gelukt. Eerst ontdekt men neven die nog in Barek Stary wonen en er blijken ook nog ooms en tantes te zijn. Dan volgt een wonderlijke ontdekking. Mevr. Rudz heeft een oudere broer die al voor de oorlog Polen verliet om werk te zoeken in West-Europa. Die blijkt in Frankrijk te wonen en aan het begin van de oorlog al mee te hebben gevochten aan de Franse kant. Daarvoor ontving hij ook enkele Franse militaire onderscheidingen. Vader Rudz kreeg voor zijn aandeel in de strijd meerdere Engelse onderscheidingen. De broer van moeder Rudz woonde net over de Belgische grens. Daar kon zonder problemen contact mee gelegd worden.

Jozef Rudz groeit op

Jozef blijft enig kind. Hij gaat naar de St. Willibrordschool. Natuurlijk is het lastig, thuis Pools spreken, met vriendjes buiten Nederlands praten en op school Nederlands leren schrijven. Met ouders die, dat kan niet anders, beschadigd zijn door wat zij allemaal hebben meegemaakt. Maar wanneer er iets op school te bespreken viel dan zorgde moeder Rudz wel dat ze er was. Desnoods moest Jozef tolken, maar moeder wist van wanten! Sinterklaas wordt niet gevierd, maar Jozef krijgt wel een cadeautje. Kerst is in Polen een echt familiefeest en het belangrijkst is Kerstavond. Maar helaas, familie is er niet. Wel wordt er die avond traditioneel gegeten. Dat betekent vis (karper). En zuurkool die op een speciale manier wordt klaargemaakt en paddenstoelen. Zuurkool wordt veel gegeten, vaak met veel vlees, of zelfs als zuurkoolsoep, maar met Kerst wordt er minder vlees bij gegeten.

Jozef Ruts op de Willibrordschool

Er komen wel Poolse lotgenoten op bezoek, maar er zijn in deze regio niet, zoals er wel zijn in bijv. Breda of de mijnstreek, verenigingen van Polen. Jozef is wel nieuwsgierig naar de Poolse achtergrond. Zijn vader vertelt wel het een en ander, maar zijn moeder heeft waarschijnlijk te veel meegemaakt. Zij kan er tegen haar zoon blijkbaar niet over spreken. Wanneer Jozef al volwassen is weet hij zijn ouders te overtuigen om een keer naar Polen te gaan. We schrijven dan 1970. Het IJzeren Gordijn is er dan nog, dat viel pas zo’n 20 jaar later. Ze gaan voor 2 weken, met de trein. Ze hebben dollars en Nederlands geld en moeten 2 dollar per dag besteden. Vader heeft zijn Nederlandse paspoort, maar moeder is nog stateloos. Zij heeft papieren met een wit kaft. Bij de Oost-Duits/Poolse grens worden ze uitgebreid gecontroleerd en mevrouw Rudz wordt door de Vopo’s zeer onheus benaderd. Met een trap tegen haar zitting en de uitroep “Schwein”! Moeder Rudz was toch al niet zo blij om terug te gaan en dit was genoeg om te verzuchten: “ik ga hier nooit meer naar toe”. Vader Rudz is verbaasd over de achterstand die in het Oostblok heerst. “Ze rijden hier nog met stoomtreinen”. Aan de Duitsers hadden ze een grondige hekel, maar vader Rudz had een nog grotere hekel aan de Russen. Aan de grens moesten ze in een lange rij wachten door toedoen van Russen. Vader Rudz maakte zich kwaad, stoof op de Russen af en er volgde in het Russisch een scheldkanonnade. Het had wel effect: ze mochten vooraan komen.

Jozef Rudz op eigen benen

Vader en moeder Rudz hebben nog wel van hun pensioen en AOW kunnen genieten. Maar omdat veel jaren in het leger doorgebracht waren was er geen volledig pensioen. Er is, o.a. door de afdeling bevolking van de gemeente en door de huisarts, nog geprobeerd om via Londen een uitkering over die legerjaren te krijgen, maar dat is niet gelukt. Moeder Rudz overleed in hetzelfde ziekenhuis als waar ze in 1947 in Nederland was begonnen. Daar kreeg ze nog bezoek van zuster Zita. Deze zuster werkte in de Mariastichting in de wasserij toen mevr. Rudz er begon Zuster Zita sprak wel Pools, maar met een raar accent. Het is mogelijk dat zij van de Hongaarse grens kwam. Bij die laatste ontmoeting in het ziekenhuis was de zuster al in de 90. Ze kwam de ziekenhuiskamer binnen en de vrouwen glimlachten naar elkaar. Moeder Rudz overleed die dag en, heel merkwaardig, zuster Zita overleed 3 uur later. Jozef is, zoals in de inleiding al gezegd is, een echte Lisser. Maar Polen heeft natuurlijk een speciaal plekje in zijn hart. Hij trouwde ook met een Poolse, is nog dikwijls, ook met zijn ouders, naar Polen geweest en spreekt de taal uitstekend. Zijn kinderen zijn ook met Pools opgegroeid en het was voor de grootouders een groot geluk dat ze daardoor met hen een goed contact konden opbouwen. De oudste dochter werd ook vernoemd naar de grootouders, iets dat in Polen niet echt gebruikelijk is. Ze kreeg de namen Barbara (naar haar moeder), Janina (naar haar oma van moeders kant), Bratislava (naar de moeder van Jozef). Tegenwoordig krijgen Poolse kinderen die hier opgroeien de kans ook onderwijs te krijgen in de Poolse taal. Jozef vindt het jammer dat hij de Poolse taal niet kan schrijven. Met de brandweer, waar hij sinds 1-10-75 actief voor was, is hij in 2001 naar Polen geweest, naar concentratiekamp Auschwitz. Dat was eerst wel heel moeilijk voor hem. Hij voelde de dreiging enorm en realiseerde zich heel erg wat zijn moeder allemaal had meegemaakt. Het bezoek ging verder wel goed. De contacten met de brandweer in Polen kwamen een beetje bij toeval tot stand. De oudste dochter van Jozef had een peettante die in Rytro woonde. Ze waren er op bezoek, Jozef ging een eindje lopen en kwam toevallig langs de brandweerkazerne. Als brandweerman moest hij natuurlijk een praatje maken. Het werd een gezellige boel en hij werd zelfs met de brandweerwagen naar het huis van de peettante teruggebracht. In die tijd was er in Polen nog gebrek aan van alles. Dit bezoekje zorgde voor allerlei stromen van hulpgoederen. Het brandweerkorps in Rytro werd via de regionale brandweer Leiden eigenaar van allerlei brandweermateriaal dat hier overbodig was geworden. Ook kinderhuizen werden geholpen, bijvoorbeeld met dekens. Diverse keren reden ze met de brandweer naar Rytro. Ze overnachtten dan bij mensen thuis. Daar werden ze altijd zeer gastvrij ontvangen. Soms zelfs een beetje te veel, zoals die keer dat ze in de goede week (week voor Pasen) kwamen. De hele week werden ze onthaald met gerechten met, hoe kan het anders, kip, kip en nog eens kip. Prima contacten, en dan word je op een bepaalde dag zelfs uitgeroepen tot ereburger van Rytro. Deze eretitel werd bij die gelegenheid ook toegekend aan een Pool die na de Tweede Wereldoorlog wel terug was gegaan naar Polen (hij wilde naar zijn jonge vrouw terug). Toen hij Jozef’s achtergrond hoorde vertelde hij hoe slecht hij het in Polen had gehad na zijn terugkeer. Als teruggekeerden werden ze gezien als vijanden en riskeerden ze dat ze het slachtoffer van schijnprocessen werden. Je moest altijd op je hoede zijn. Jozef’s ouders hadden gelukkig voor het westen beslist, hoewel ook zij het zeker heel zwaar gehad hebben. De andere brandweermannen die de transporten naar Rytro begeleidden kregen ook het ereburgerschap van Rytro, want, zoals Jozef het zegt, je doet het met elkaar. ■

behorende bij 131, gesloopt in 1951. Hier kwam de bloemenwinkel van Grimme

Bronnen

Een leger in ballingschap en de geschiedenis van het tweede Poolse legercorps door luitenant-generaal W. Anders. Diverse internetsites.

Fotomateriaal uit gemeentelijk-archief, familie archief, VOL-archief, Nationaal Archief het Publiek Domein. Gijs Roem foto Irenestraat.

 

 

 

 

De Blauwe druif Heereweg 131. Hier woonde de familie Rutz met nog 4 gezinnen

De Irenestraat. Daar is het gezin Rudz uiteindelijk gaan wonen. Foto 1978

 

Inhoud Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

 

Bij de voorplaat Schilderij Dorpskerk Op de voorpagina staat een schilderij van de Dorpskerk uit 1880 van Pieter Adrianus Schippus
Oud Nieuws Van der Saal wilde niet op wacht Op 23 augustus 1726 krijgt Cornelis Pieterse van der Saal een boete omdat hij niet op wacht wilde. Hij was in ondertrouw gegaan in Lisse op 31 augustus 1730.
Oud Nieuws Meevaller van het pensioen en eervol ontslag Johannes Petrus Zijlmans, geboren op 1 november 1819 was politieman in Lisse en gaat op 20 mei 1890 met pensioen. Hij was ook gemeentebode, wijkmeester en aanplakker.
Oud nieuws Opstekertje van 5 gulden Dirk van der Horst werd betaald voor het aansteken van 3 lantaarns, een bij het wachthuisje aan de Achterweg, een bij de beek en de 3e bij de Waag.
Pex, R. Jan Ponsioen (1921-1987) (1) Jan Ponsioen woonde jarenlang op de vuilnisbelt in de Rooversbroek en later in een vervallen huis aan het einde van de 2e Poellaan. Hij was een bekend figuur in Lisse. Zijn levensloop wordt besproken.
Pex, R. Woonwagenkamp (1945-1972) Oorspronkelijk lag het woonwagenkamp tussen de Ringvaart en de Broekweg. In 1956 ging het kamp naar de Rooversbroekpolder bij de vuilnisbelt aan de Ringvaart en in 1966 naar de Middenweg. Begin zeventiger jaren verhuisde het kamp naast de flat aan het Ruisdaalplein.
Floorijp, D. Arm en naamloos begraven Een arm en naamloos man werd gevonden in een schuur van Willem Adrianus van der Stel. Hij werd door gemeente begraven. Een paar jaar later werd van der Stel vol pracht en praal begraven.
Floorijp, D. Een unieke vondst Het verloren gewaande Diaconie boek van de Ned. Herv. Kerk uit Lisse uit de periode 1638 tot 1651 is gevonden bij het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Koning, A. de Rijke stinkerds Op 7 september 1825 doet George Golphin Osborne aangifte van de geboorte van een dochter. Hij woonde op Keukenhof. Beschreven wordt hoe de familie in Lisse terecht kwam.
Brouwer, L. Daar aan de Haven: Jan van der Linden Van de Linden woonde in het voormalige VVV-gebouw aan de Grachtweg. De familiegeschiedenis wordt besproken, evenals de gerestaureerde glas-in-lood raampjes.
Lisser kwartiertje Martinus van der Linden Martinus van der Linden is geboren op 11 mei 1895 en overleden op 4 januari 1974.
Redactie Luchtfoto Lisse 30 jaar geleden Een luchtfoto uit 1988 van het gebied rondom Blokhuis laat zien dat er veel veranderd is.
Boogerd, D. De Gribus bij de Engel Op de hoek van de 2e Poellaan/Heereweg lagen vroeger 9 arbeidershuisjes. Daar was het armoede. Het heette daar de Gribus. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.
Koning, A. de Grand Prix de Lis Het had weinig gescheeld of in het Langeveld was in 1925 een Automobiel Renbaan gerealiseerd.
Groen, N. 100 jaar bloembollenonderzoek in Lisse Op 12 april 1917 werd Egbert van Slogteren aangesteld als wetenschappelijk ambtenaar in Wageningen en gedetacheerd in Lisse. De 1oo-jarige geschiedenis wordt besproken.
Nieuwsflitsen Grenspaal Bij werkzaamheden aan de Grachtweg is een grenspaal met Lisse er op gevonden. De paal ziet er hetzelfde uit als de 2 grenspalen aan de Loosterwegen. De vraag is waar deze paal vandaan komt.
Nieuwsflitsen Museum wil Oude School kopen Museum de Zwarte Tulp heeft plannen om de Openbare School aan de Heereweg te kopen.
Nieuwsflitsen Erepenning voor Zwanendrift De erepenning 2017 voor een mooi gerestaureerd gebouw is dit jaar naar de familie Zeldenthuis  gegaan. Zij hebben de monumentale boerderij Zwanendrift prachtig in goede staat gebracht.
Nieuwsflitsen Uitreiking Vrijwilligersspeld VOL De vrijwilligersprijs 2016 is naar Rob Pex gegaan voor zijn werkzaamheden voor de VOL.
Wie weet raad? Reactie op kindercorso 1955 In het vorige Nieuwsbrief stond een foto van het kindercorso in 1955. diverse mensen op de fotoworden  genoemd. Het was een wagen van de HoBaHo.
Wie weet raad? Reactie op groepsfoto Leen Boogaard Diverse reacties zijn binnengekomen op de groepsfoto van Leen Boogaard, een ongehuwde man, die bij de gemeente Lisse werkte en muziekles gaf.
Wie weet raad? Namen bij heropening LBO in 1930 Veel namen worden genoemd op de groepsfoto bij de heropening van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in 1930.
Wie weet raad? Info gevraagd over turbulente jaarwisselingen Burgemeester de Graaf wilde het vuurwerk  in de nacht van oud op nieuw verbieden. Ludieke acties volgden. Meer info wordt gevraagd.

 

OUD NIEUWS: HERBERG AAN DE HEEREWEG “In den Coning van Bohemen”

Heereweg 191 was het oudste gebouw in Lisse en is een paar jaar geleden helaas gesloopt. Ooit stond hier Herberg Coning van Bohemen op deze plaats. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

In het begin van deze eeuw stond op het adres Heereweg 191 het oudste woonhuis van Lisse. Inmiddels is er nieuwbouw op deze plaats. Leden van de bouwhistorische werkgroep de heren R.Pex en E.J. Plantenberg hebben indertijd de bouwgeschiedenis en chronologie van het pand onderzocht. In de jaren 1622-1625 moet op deze plek zijn gebouwd. Ene Carel Jansz van Asselborn kocht toen een leeg perceel. In 1635 nam een bakker zijn intrek in het huis. Aldus de bevindingen van de heren Pex en Plantenberg.

Heereweg 191 was eens het oudste woonhuis van Lisse.

De naam Carel Jansz. van Asselborn deed een belletje rinkelen. In Lisse heeft ooit een herberg gestaan ‘In den Coning van Bohemen’, die stond aan de Heereweg nabij het Vierkant. Waar precies wist niemand. Een van de weinige bewijzen dat de herberg er ooit was, staat in het kohier ‘Hoofdgeld Lisse 1623/1624’. De waard van de herberg ‘In den Coning van Bohemen’ is Carel Jansz. van Asselborn. De vraag kwam op: zou het huidige adres Heereweg 191 de locatie kunnen zijn van de vroegere herberg? Verder onderzoek in de oude
archiefstukken van Lisse leverde het volgende antwoord op: Vóór de komst van Carel Jansz. van Asselborn is er op het huidige adres Heereweg 191 nog een leeg erf te zien. Op 7 december 1618 koopt Carel dit erfje van Dammas Willem Thomasz (Dammas is getrouwd met Aeltje IJsbrantsdr. Van der Codden). Het stukje grond maakt deel uit van een groter perceel dat in het bezit van Dammas is. Elk jaar moet Carel 30 stuivers erfpacht aan Dammas betalen. Het erfje is ten NW begrensd aan de Heereweg, en ten NO en ZO aan bezittingen van verkoper Dammas. Aan de ZW-zijde woont Carel zelf in een klein huisje. Zeven maanden daarvoor heeft Carel dit huisje van een andere eigenaar gekocht.

Geld lenen kost geld

Carel bouwt een huis op het kleine lapje grond, en de bouw verloopt vlot, want 5 maanden later heeft hij het nieuwe huis betrokken, en kan hij het kleine buurhuisje waar hij tijdens de bouw even gewoond heeft, doorverkopen, en wel aan Willem Cornelisz. Velsen, een linnenwever. Carel maakt ruim 25% winst op de verkoop. Maar blijkbaar heeft hij meer geld nodig, want hij leent 400 gulden van een Haarlemse lakenkoper. Het zal een zakelijke kennis zijn, want ook Carel is lakenkoper van beroep. Als onderpand dient Carels nieuwe huis met het aanwezige laken in zijn winkel. Elk jaar moet hij 24 gulden rente betalen aan de Haarlemse leningverstrekker. Wil hij het geleende geld gebruiken voor een verbouwing of aanbouw van een herberg? Het lijkt erop, want in het hoofdgeld Lisse (een soort personele belasting die voor elk gezinslid betaald moest worden) van 1623/1624 vinden we Carel terug, met vrouw Lijsbeth Woutersdr en 4 kinderen, als ‘waert in den Coning van Bohemen’. De overstap van beroep, van lakenkoper naar herbergier, komt ons nu wat wonderlijk voor, maar is voor die tijd zeker niet uniek. De latere eigenaar van het pand, Jacob Jacobsz van Hopbergen, is bakker van beroep. Ook hij maakt een carrièreswitch als hij, jaren later, herberg ‘Het Rode Hart’ koopt en zelf achter de tap gaat staan.

In den Coning van Bohemen

Frederik van de Paltz 1596-1632

De naam van de herberg verwijst naar keurvorst Frederik V van de Paltz (1596 – 1632), getrouwd met Elisabeth, prinses van Engeland, dochter van koning Jacobus I.
Na een opstand van het protestantse Bohemen tegen de roomse vorst, wordt Frederik aangesteld als koning van Bohemen. Hij wordt ook wel de winterkoning genoemd omdat hij maar één winter regeert en na een nederlaag moet uitwijken. Deze neef van prins Maurits en Frederik Hendrik komt op zijn vlucht in Den Haag terecht, waar hij in 1632 overlijdt. De vele herbergen in die tijd worden bezocht door doortrekkende reizigers en kooplieden, die tussen Den Haag, Haarlem en Amsterdam via Lisse reizen. Voor de eigen bevolking zijn die niet allemaal nodig, al speelt het openbare leven zich veelal af rond de herbergen. Lisse bestaat in die tijd uit 230 huizen, het hele buitengebied meegerekend.

Uit een ander vaatje tappen…

Helaas, de pogingen van deze 17e eeuwse ondernemer om een florerende herberg uit te baten, lijken geen lang leven beschoren. Het ziet ernaar uit, dat Carel het hoofd niet boven water kan houden. In maart 1625 verkoopt hij zijn huis aan Jacob Jacobsz van Hopbergen, (getrouwd met Elsgen Henricxdr). De 30 stuivers erfpacht aan Dammas Willem, en de 24 gulden aan de Haarlemse geldschieter rusten nog op het huis en moeten door de koper worden overgenomen. Van de herberg wordt niet gerept, het wordt een huis genoemd. Hebben Carel en zijn gezin nu geen huis meer? Zo erg is het gelukkig niet, want Carel kan het kleine buurhuisje waar hij begin 1619 woonde, terugkopen van Willem Velsen. Voor het lenen van de aankoopsom wordt een schuldbrief opgemaakt, waarin de nieuwe buurman Jacob Jacobsz van Hopbergen en ene Joris Maertensz Langevelt (beide mannen komen we hierna weer tegen) borg staan voor Carel. Mogelijk heeft de koper van de voormalige herberg, Jacob Jacobsz van Hopbergen, van het huis een bakkerij gemaakt. Hij wordt vermeld in het haardstedengeld Lisse 1628 als eigenaar en gebruiker met 2 haardsteden, met oven. Tien jaar later, in 1635 verkoopt bakker Jacob Jacobsz van Hopbergen het huis met bakkerij door aan Joris Maertensz Langevelt (getrouwd met Maertgen Pietersdr. Cool), de beide eerdergenoemde borgen voor Carel van Asselborn in 1625. De 30 stuivers erfpacht en de 24 gulden rente rusten nog immer als last op het huis. Joris Langevelt is de bakker genoemd in het historisch onderzoek van Pex en Plantenberg. En met deze aansluiting op de voorgeschiedenis van het adres thans Heereweg 191, is de vraag uit het begin van dit stukje beantwoord. Het is wel zeker, dat je op dit adres in 1623/1624 en misschien ook nog een paar jaar ervoor, het glas kon heffen in herberg ‘In den Coning van Bohemen’. Proost!

Gevelsteen Egelantiersgracht 153 Amsterdam