Berichten

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 2)

 

We vervolgen het verhaal in 1944. Vader Rudz is inmiddels tankschutter bij het Poolse 2e korps en via allerlei omzwervingen in Italië beland. Hoe Polen een speelbal werd tussen de grootmachten en gewone mensen daar de dupe van werden en ontbering op ontbering moesten doorstaan. Na de oorlog kwamen vader en moeder naar Lisse.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

De strijd in Italië

De strijd van de geallieerden tegen naziDuitsland was al geruime tijd gaande maar ze ondervonden enorme problemen om Monte Cassino te nemen. Dit was een bijna onneembare vesting, die overwonnen moest worden wilde men vanuit het zuiden de Italiaanse hoofdstad Rome kunnen bereiken. Vanaf mei’44 voegden de Poolse strijdkrachten zich actief bij de strijdende geallieerden. Zodra de Duitsers in de gaten kregen dat er Polen meestreden volgden er via luidsprekers oproepen in het Pools om de Polen over te halen om over te lopen naar het Duitse kamp met de belofte naar Polen terug te kunnen. Dat had geen enkel effect, hoewel het voor de Polen wel langzamerhand duidelijk werd dat de geallieerden het acceptabel vonden dat het oostelijk deel van Polen in Russische handen zou blijven. Maar de hoop op een vrij Polen bleef. Dankzij de Polen kwam er een doorbraak bij Monte Cassino. De enige weg naar Rome voerde onderlangs het bergmassief waar de abdij van Monte Cassino op ligt. Daar lagen de Duitsers en de geallieerden hadden de vijand in het kloostergebied niet kunnen bereiken en overmeesteren doordat het er steil omhoog gaat. Tanks omhoog krijgen zou mogelijk een doorbraak forceren. De tan
keenheid, waarbij vader Rudz tankschutter was, paste een soort truc toe. Zelfstandig konden de tanks niet omhoog komen. Een vrachtauto ging een stuk omhoog, een lier werd gebruikt en zo werd de tank omhoog getrokken. Vervolgens op dezelfde manier weer een stuk omhoog. Zo kwamen de tanks omhoog en konden zij de infanterie ondersteunen. De abdij was door voorafgaande bombardementen al volledig verwoest. Wat vader Rudz altijd vertelde was dat, terwijl er van de abdij nauwelijks iets over was, het altaar ongeschonden was gebleven. De strijd was zeer hevig. Onder de Duitsers deed het gerucht de ronde dat de Polen geen krijgsgevangenen zouden maken. Onzin natuurlijk, maar door deze propaganda was het voor de Duitsers nog meer een wanhoopgevecht geworden. Op 18 mei veroverden de Poolse troepen de abdij en werd de Poolse vlag op de ruïnes van de abdij gezet. Dat duurde maar een paar dagen want de Engelse vlag moest in top. De Poolse vlag werd er wel bij geplaatst. De strijd had veel slachtoffers gekost. Ongeveer 4.000 Poolse soldaten sneuvelden bij deze verovering.

Rode klaprozen

Het was mei, de klaprozen bloeiden volop op de hellingen waar deze heroïsche, maar bloedige strijd zich voltrok. Zo ontstond het lied waarvan het refrein hierboven staat. Op de helling van de Monte Cassino is een enorm Pools ereveld. Dit veld en het monument werd op 10-sept.’45 de 6e gedenkdag van de Duitse inval in Polen, geopend. De gewonnen slag was de opmaat naar de overgave van Rome, waar de hiërarchie van de winnende eenheden duidelijk werd bij het binnentrekken: eerst de Amerikanen, daarna Engelsen, dan de Polen en dan volgden nog andere eenheden die meegevochten hadden zoals de Gurkha’s. Het Poolse leger was onderdeel van de geallieerde strijdkrachten die de Duitsers verder noordwaarts dwongen. Ancona werd veroverd. Voor de Poolse strijdkrachten was de zegening door Paus Pius XII heel belangrijk. In de herfst van 1944 was de taak voor de Polen in Italië volbracht. Vader Rudz was nog even in de Alpen, in een kazerne van de Franse bergjagers, om wat aan te sterken. Daar kocht hij een Zwitsers horloge waar hij heel trots op was. Op politiek gebied liep het voor de Polen heel slecht. Het werd steeds duidelijker dat Rusland met een eigen programma met de geallieerden meedeed en dat een vrij Polen er niet zou komen. Terwijl de nazi’s uit Polen waren verdreven, werd over het lot van het land beslist aan de onderhandelingstafel, op 4 februari 1945 op de Krim. Er werd besloten tot het vaststellen van nieuwe grenzen (oost- en westgrens). Bovendien zou een groot gebied van Polen aan de Russen toevallen.

De strijd is over

De Poolse troepen bleven hun taak doen, hoe wrang de afloop ook zou zijn. Er volgden nog verscheidene veldslagen. Het werd geen V-day voor de Polen. Toen de capitulatie een feit was werden de Poolse troepen bijna genegeerd. Er was alleen het “Russische” Polen. Het was zelfs zo dat toen in Londen in juni 1946 een overwinningsparade werd georganiseerd, waaraan troepen van alle landen die mee hadden geholpen aan de overwinning mochten deelnemen, de Poolse troepen niet werden uitgenodigd. De toekomst voor de Poolse strijdkrachten was zeer onzeker. Ze konden naar Polen terugkeren, maar dat zou betekenen terug naar het gehate Rusland of naar het deel van Polen dat onder direct regime van Rusland viel. Het grootste gedeelte gaf hier geen gehoor aan. Ook gevluchte burgers die niet meer terug konden naar Polen meldden zich bij de Poolse legereenheden toen ze nog in Italië waren. Het Poolse leger zou worden gedemobiliseerd en naar Engeland worden overgebracht. In ’45 kwam vader Rudz in Engeland aan en heeft daar nog 2 jaar op het hoofdkwartier gediend. Ze kregen voedsel, onderdak en zakgeld, geen salaris. In september 1946 startte men met de demobilisatie. In 1947 werd het Poolse legercorps opgeheven. Maar hoe ging het nu met al die Polen. Er waren behalve de Poolse militairen nog veel andere groepen “displaced persons”, van allerlei nationaliteiten, waarvoor een oplossing bedacht moest worden. Er werd besloten dat de Poolse militairen konden emigreren naar een van de westerse landen en zo kwam vader Rudz in Lisse in Nederland terecht.

Moeder Rudz in Polen De moeder van Jozef Rudz werd geboren in zuid Polen. Daar hadden haar ouders een boerderij. Ze trouwde en verhuisde door haar huwelijk naar Lemberg, wat in die tijd Lwów heette. Deze stad heet nu Lviv en ligt in de Oekraïne. Misschien herinnert u zich die naam omdat er het EK voetballen 2012 werd georganiseerd. Lemberg was voor de oorlog een kosmopolitische stad. Zeer welvarend en de verschillende bevolkingsgroepen als Galiciërs, Polen, Joden, Duitsers, Russen, Armeniërs en Oekrainers leefden naast elkaar. Wel met eigen scholen en culturele instellingen. Lemberg had het oudste Joodse gebedshuis van Europa. Door de oorlog met Rusland in 1939 werd deze samenleving totaal anders. De stad werd Russisch. Veel Duitse joden vluchtten zelfs naar Lemberg toe om aan het nazibewind te ontkomen. Maar met de Duitse aanval op Rusland in 1941 veranderde de situatie weer helemaal. De echtgenoot van moeder Rudz werd waarschijnlijk in het begin van de Poolse oorlog met Rusland al krijgsgevangen gemaakt en naar Rusland afgevoerd. Zijn vrouw wist niet of hij nog leefde en waar hij zou kunnen zijn. Voor haar was het overleven onder zeer moeilijke omstandigheden. Het drama sloeg helemaal toe toen zij in 1942 verraden werd omdat zij 2 joodse kinderen hielp onderduiken. Dat werd bestraft met gevangenschap in Dachau.

Dachau

Concentratiekamp Dachau ligt zo’n 20 km. van München. Oorspronkelijk was het voornamelijk een kamp voor politieke tegenstanders. De gevangenen werden later veelal gedwongen ingezet voor de oorlogsindustrie. De Poolse vrouwen moesten een P op hun kleding dragen. Ook moeder Ludz werd ingezet als dwangarbeidster. Ze werd tewerkgesteld bij een afdeling van Siemens waar ze isolatoren maakten. Het leven in het kamp was heel slecht. Weinig voedsel en dan moesten ze te voet naar de fabriek op zo’n 15 km afstand. Van Duitse vrouwen die ook in de fabriek werkten kregen ze soms een stukje brood, er waren ook nog goede mensen. Op appel werden de vrouwen geteld en wanneer er een probleem was moesten ze blijven staan, soms wel 15 uur in de vrieskou. In april 1945 bevrijdden de Amerikanen het kamp. Pal voor de bevrijding kwamen in Dachau nog transporten aan uit andere kampen. De gevangenen van Dachau, waaronder Jozef’s moeder, mochten niet kijken toen de Amerikanen de deuren van de wagons eindelijk konden openen. Het mensonterende wat te zien was is niet te beschrijven. Jozef’s moeder kreeg er ondanks het verbod toch heel veel van mee.

Amerikaanse leger

Het Amerikaanse leger zorgde er voor dat ze weer een betere conditie kregen. Voedsel werd uitgedeeld en daar moesten ze voorzichtig mee zijn, want ze waren behoorlijk ondervoed. Langzamerhand wordt men weer ‘mens’. Voor het eerst van haar leven ziet moeder Rudz een neger, een Amerikaanse militair die meegevochten heeft met de bevrijding. Moeder Rudz is een van de vele vrouwen die eigenlijk niet terug kunnen naar hun vaderland. Het is Russisch gebied en ze weet over het lot van haar man niks. Zij kan gelukkig aan het werk als serveerster in de officiersmess in Ingolstadt. In deze stad was een “displaced persons” kamp ingericht. In 1947 kwam er een eind aan haar werk bij het Amerikaanse leger; zij kreeg een nieuwe taak in Nederland.

Naar de Mariastichting

Waarom het voor moeder Rudz Nederland en de Mariastichting werd is niet helemaal duidelijk. Wellicht speelde een rol dat het RK. ziekenhuis in Haarlem geleid werd door een Duitse orde van de Franciscanessen en het ziekenhuis in de oorlog een prominente rol had gespeeld in de opvang van onderduikers en joden. Het probleem van de duizenden ontheemden was gigantisch. Mei 1947 kopt een krantenbericht: “Verplaatste personen in bedrijf of huishouding”. We lezen verder dat er een onderzoek is ingesteld bij de arbeidsbureaus. Het Haarlemse bureau meldt dat er 50 meisjes uit de Baltische staten worden verdeeld over de Amsterdamse ziekenhuizen en dat daarna de inrichtingen in Haarlem aan de beurt zijn. Ook in de Bollenstreek is men dan al bezig, We lezen: “In Hillegom en ook elders heeft al een lijst gecirculeerd, waarop de ‘dienstbodeloze’ huisvrouwen hun verlangens over Godsdienst e.d. van de buitenlandse hulp kenbaar kunnen maken”. Nederland helpt. We zaten midden in de opbouwperiode na de ellende van de oorlog, maar dat bracht ook met zich mee dat er veel arbeidskrachten nodig waren. Dus werd er een beroep gedaan op bedrijven om ontheemde mensen op te vangen. Wat vaak lastig was omdat het mensen waren zonder opleiding, een andere taal spraken (soms wat Duits of Engels) en flink beschadigd door alles wat ze hadden meegemaakt. Bovendien is er het probleem van de huisvesting. Er zijn al onvoldoende woningen! Daarom gaat men proberen ze als kostgangers onder te brengen. Haarlems Dagblad meldt in een bericht van 12 augustus 1947 dat ambtenaren van arbeidsbureaus verschillende kampen voor ontheemden in Duitsland zullen bezoeken en dat er 8000 zullen worden uitgekozen voor werk in de Nederlandse industrieën. Dezelfde krant meldt op 19 sept. de komst van de eerste trein met D.P.’s (Displaced persons) in Venlo, 230 mannen en vrouwen die 36 uur reizen achter de rug hadden, nauwelijks hadden gegeten en niet geslapen. De meesten bezaten alleen de kleren die ze aanhadden. Het Rode Kruis van Venlo verzorgde een buffet op het stationsplein en er waren mensen van de arbeidsbureaus en van diverse bedrijven aanwezig ter verwelkoming. 107 mensen gingen naar de mijnstreek. De rest
ging verder naar Amsterdam, Haarlem, Leiden en Twente. Er werden ook nog wat verstekelingen ontdekt, maar die werden weer over de grens gezet. De Nederlandse selectiecommissie was streng. Het Parool schrijft in 1947: “Nederland is ook kieskeurig. Kandidaten worden grondig ondervraagd naar hun morele en politieke gezindheid, maar vooral ook naar vakbekwaamheid. Ons land wil uitsluitend vakarbeiders gastvrijheid bieden.” Na die eerste trein met ontheemden volgden er meer. Bij welke groep de moeder van Jozef naar Nederland kwam weten we niet. Er waren in ieder geval nog 3 Poolse vrouwen die in de Mariastichting als schoonmaakster aan de slag gingen.

Vader Rudz naar Lisse

Of vader Rudz ook door een selectiecommissie is ondervraagd is niet bekend. Hij kwam in de kost bij mevr. van der Doe-Dijkman aan de Heereweg op nr. 106. Daar had al een andere Pool onderdak gevonden, nl. Cas Hoek die in de Bollenstreek bekend zou worden als keeper van Hillegom. Hij werkte bij garagebedrijf Jan Mens in Lisse. Er kwam nog een derde Pool in de kost, Jan Pazola die bij bollenbedrijf De Graaff aan het werk kwam. Ook Jan Pazola had gediend in het Poolse 2e legerkorps en had ook bij Monte Cassino gevochten. Hij was bij de infanterie. Zij waren niet de eerste Polen die in Lisse of in Nederland kwamen wonen. Al voor de 2e wereldoorlog was Frans Godilla in Lisse neergestreken. Hij was schoenmaker in de Kanaalstraat en had later een dumpzaak. Ook in Limburg werkten voor de oorlog een heleboel Polen. Dat waren een soort gastarbeiders. En dan was er nog die Pool die noodgedwongen in het Duitse leger diende, bij de Ruigenhoek deserteerde, een meisje uit De Engel trouwde en in onze streek bleef.

 

Vader Rudz kwam bij Sikkens (nu Akzo-Nobel) in Sassenheim te werken. Hij was bij het onderhoudsteam. Dat zal wel te maken hebben gehad met de ervaring die hij had opgedaan als tankschutter. In het proces van verf maken werden verschillende zeven gebruikt, klontjes tijdens het proces zijn uit den boze. Vader Rudz stond bekend om het fijne soldeerwerk dat hij afleverde. Blijkbaar beviel het werk, van beide kanten, prima. Met de bus ging hij naar zijn werk, fietsen heeft hij nooit geleerd. Zijn werk was wel zijn houvast. Het gebeurde een keer dat het zo glad was dat de bus zelfs niet reed. Maar wie was er als eerste van zijn ploeg op het werk: vader Rudz. Komen lopen vanuit Lisse, zo hoorde het gewoon! Hij heeft er tot zijn pensionering, 27 jaar later, gewerkt. Die pensionering was niet goed voor hem, hij viel echt in een zwart gat. Gelukkig kon hij wel erg genieten van de kleinkinderen die hij zou krijgen.

Getrouwd

Er waren dus nogal wat Poolse ontheemden in deze regio opgenomen. Hoewel, in Haarlems Dagblad van maart ’48 werd opgemerkt “dat er in Haarlem 30 mannen en vrouwen waren opgenomen, een mager aantal”. Maar met de regio er bij geteld zijn het er toch heel wat. Er waren ook Poolse priesters in de regio. Die zorgden voor het geestelijk welzijn. Een van hen, kanunnik Kowalski, droeg in de Mariastichting een Heilige Mis op. Ook Rudz uit Lisse woonde de mis bij. En zo is het gekomen, vader en moeder Rudz ontmoeten elkaar daar en besluiten al snel samen verder te gaan. Door al die oorlogsellende zijn er al veel jaren voorbij gegaan. Ze worden in 1949 in de Agathakerk getrouwd door kapelaan J. Keet. Mevrouw Rudz werkt nog tot 1950 in de Mariastichting en ze werkt ook nog in de huishouding in Heemstede. Maar wanneer zoon Jozef in 1950 wordt geboren wordt ze huisvrouw.

Huis

De Blauwe druif Heereweg behorende bij 131 gesloopt ca.1951.Hier woonde de familie Rutz met nog 4 gezinnen

Er was een gigantische woningnood in die tijd. In veel woningen had men verplicht inwoning en ook panden, die eigenlijk slooprijk waren, werden bewoond. Familie Rudz gaat wonen in “De Blauwe Druif”, bij Heereweg 131. Dat was eerder een café geweest, maar op dat moment woonden er in het pand wel 5 gezinnen. (in 1950 kocht de gemeente het pand en voor 1954 was het gesloopt). De familie Rudz huurde van Johannes Nicolaas van der Splinter, de vroegere uitbater en woonde beneden. Er stonden steunpalen in de kamer omdat de zaak anders wel eens in kon storten. Op een gegeven moment kraakte het zo vervaarlijk dat mevr. Rudz niet meer durfde te gaan slapen. De maatschappelijk werkster van Sikkens kwam poolshoogte nemen en constateerde dat wonen niet verantwoord was. Ze toog naar burgemeester De Graaf. Die vond het nog niet zo schrikbarend. Bovendien waren er geen huizen. Maar de maatschappelijk werkster was vasthoudend en De Graaf moest bakzeil halen.

De Irenestraat

In de Irenestraat kwamen woningen beschikbaar. Deze waren al toegezegd aan woningzoekenden. Maar vanwege de urgentie moest de familie Rudz een woning toegewezen worden. Het werd nr. 51. Er was weinig begrip voor de tragische achtergrond van de familie Rudz. Van oorlogstrauma’s had niemand nog gehoord en psychologische hulp bestond niet. Gewoon doorgaan en werken, dat was de norm. Dat er later een Duitse buurvrouw in de Irenestraat kwam wonen maakte heel wat los bij moeder Rudz. De haat tegen de Duitsers zat heel diep.►

Wordt vervolgd in het herfstnummer. 

 

DAAR BIJ DIE MOLEN: stukje Lisse in Nieuw-Zeeland

Sientje en Cor Slobbe emigreerden begin vijtiger jaren naar Nieuw-Zeeland. Na zijn pensionering bouwde hij een molen, Die lijkt op de korenmolen van Lisse. Hij woonde oorspronkelijk op Vreeburg.

Deen Boogerd – Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

In de jaren vijftig van de vorige eeuw verlieten veel mensen Nederland om elders hun geluk te beproeven. In de periode 1947-1963 bereikte het aantal overzeese emigranten een peil van 410.000. zo’n 3,5% van de Nederlandse bevolking. De meerderheid (147.000) ging naar Canada. Australië (119.000) en de Verenigde Staten (76.000) waren populair. Overige emigranten vestigden zich in Zuid-Afrika, Brazilië maar ook gingen er veel naar Nieuw-Zeeland. Zo ook onze buren van Vreewijk 35.

A. Leentje Vrijburg-Blom met dochter Ida op schoot, Cobie Boogerd staat te kijken links op schommel Sientje Slobbe. B. Links Deen en Cobie Boogerd en rechts Hans Slobbe. Het werkplaatsje achterin. C. Vreewijk richting Heereweg D. Vreewijk richting Wilhelminastraat E. Poort tussen Vrijburg 37 en de Rooi 39 F. De “werft“, in onze tijd moest je in de schuur naar de poepdoos.

“Beste buurtjes we komen jullie vertellen dat we gaan emigreren naar Nieuw-Zeeland en komende maand is het al zover”. Zo ongeveer zullen Sientje en Cor Slobbe het in ons buurtje verteld hebben. Zij woonden toen ongeveer vijf jaar naast ons in Vreewijk. Ik (Deen) kan mij nog herinneren dat buurman Cor altijd bezig was in zijn schuurtje achter in de tuin. Hij was timmerman en bouwde daar o.a. een roeiboot. Toen de boot klaar was sjouwde een groepje buurtbewoners de boot via de Willemskade naar de Nieuwsloot voor een proefvaart. Wij mochten een stukje meevaren, er was geen lekje te bekennen, stukje vakwerk. Dat vakmanschap was welkom in Nieuw-Zeeland. Met een bal in de hand legden ze ons uit dat ze ongeveer aan de andere kant van die grote ronde aardbol gingen wonen. Best wel raar want daar aan de onderkant loop je wel op z’n kop, dat is toch stom! Een maand later vertrokken zij uit Rotterdam met nog heel veel meer Nederlanders die hun geluk ergens anders gingen zoeken. Cor had al zeebenen want in 1951 kwam hij terug van een 10 maanden durende missie langs de Koreaanse kust. Hij was toen uitgezonden op één van de schepen van de Nederlandse Marine die deelnamen aan de Koreaanse oorlog onder de vlag van de V.N. Net na zijn terugkomst trouwde hij met zijn Sientje (Stien) en ze gingen wonen in Vreewijk, daar werden hun eerste twee kinderen geboren, in Nieuw-Zeeland kregen ze nog twee kinderen. Hans kan ik me nog wel voor de geest halen, hij had een vergroeiing in zijn rug en moest iedere avond in een krom bedje vast gelegd worden om die vergroeiing te verhelpen. We hebben vernomen dat hij nu in Thailand woont, de rest van het gezin woont wel in Nieuw-Zeeland; ook onze oude buurvrouw Sientje zou nog in leven zijn. Buurman Cor is in 2007 gestorven op 78-jarige leeftijd. Cor Slobbe heeft daar wel iets heel moois mogen bouwen. Een prachtige stellingmolen die wel heel erg veel gelijkenis heeft met de graanmolen van Beelen “De Korenbloem”.

Waarom emigreren

Belangrijke motieven om te emigreren vormden het sombere economische toekomstperspectief, het huizentekort en de dreiging van een 3e wereldoorlog. Nieuw-Zeeland ontving de emigranten met open armen terwijl voor andere landen strengere regels waren. Gezinnen mochten alleen de oversteek naar Canada maken als ze gezond waren. Nederlanders leken veel op Engelsen en assimileerden snel. Eenmaal aangekomen in het land begon er een nieuw leven wat toch minder rooskleurig was dan voorgesteld. Veel emigranten kwamen in opvangkampen. De Nederlanders werkten hard om een nieuw bestaan op te bouwen. Heimwee was een serieus probleem, veel mensen kregen daar erg veel last van. Om die reden keerde uiteindelijk een vijfde deel van de emigranten terug naar Nederand. Velen bleven hun leven lang spijt houden van de beslissing om te emigreren. Het gezin van Cor Slobbe was een blijvertje en zij hebben daar een nieuw bestaan opgebouwd.

Overgehaald

Helena, de zus van Cor, was al in 1951 samen met haar man Jan Turk uit Sassenheim vertrokken naar Nieuw-Zeeland. Jan Turk werkte zich in Nieuw-Zeeland op van melkboer tot eigenaar van één van de grootste kippenbedrijven van dat land. Zij haalde Cor over om ook te komen en ze vertelde dat het er economisch gezien een stuk beter was. De impressie van Vreewijk op de vorige pagina laat wel een beetje zien dat het niet de meest florissante straat van Lisse was. Er was wel saamhorigheid, men zat immers allemaal in hetzelfde schuitje. Niemand had een cent te makken, als vrijdags het loonzakje van pa binnen kwam moest er eerst afgerekend worden bij de buurtsuper van Knook. Zomeravonden speelden zich buiten af  op de “werft”. Je kon er vanuit je bed tot laat in de avond sterke verhalen meeluisteren en ook soms serieuze praatjes horen van de buurtjes onder elkaar. Cor en Sientje woonde met hun 2 kinderen naast ons op Vreewijk 35. In 1957 is het gezin ook geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland. De zussen van Cor, Ria en Greet, kunnen zich niet zoveel herinneren, ze waren te jong om het goed te begrijpen. Ze wisten nog wel dat er een grote touringcar in De Engel stond met heel veel mensen erin. Daar werden ze uitgezwaaid door de familie, ruim een maand later kwamen ze aan in Wellington waar ze verwelkomd werden door zus Helena met haar man. In Wellington werden nog twee kinderen geboren en later vestigde het gezin zich in Foxton, gelegen aan de grote verkeersweg van Auckland naar Wellington op het Noorder Eiland. Cor was een timmerman en een harde werker, door zijn vakmanschap en studie is hij opgeklommen tot adjunct-directeur van de Gemeentewerken aldaar.

Dirk van Til en Jan Langen

Dirk en Jan waren ook geëmigreerde bollenstrekers. Dirk kocht een stuk grond bij Foxton om samen met Jan Langen een bloembollenkwekerij te beginnen. De streek deed ze sterk aan Holland denken, zo kwamen zij op het idee om daar een echte Hollandse molen te bouwen. Het bollenavontuur kwam niet van de grond een virus in de bollen was niet klein te krijgen en het klimaat werkte ook niet mee. Dirk van Til gooide het bijltje er bij neer en vertrok naar Australië. Jan Langen bleef achter met nog steeds die belofte een molen te gaan bouwen. Eigenlijk had hij er niet zo veel zin meer in. Maar Corrie, de vrouw van Jan, zei tegen hem dat hij toch niet iedereen zo kon laten vallen. Er waren mensen die er al veel energie in hadden ingestoken. Ook was al heel wat geld binnen gekomen om dit project te steunen. Zo motiveerde zij haar man om er toch weer mee aan de slag te gaan. Hij zocht hulp bij familie, vrienden en kennissen in Nederland. Via hen kwam hij in contact met molenrietdekker Kleinjan uit Den Ham. Zo kreeg Jan zijn bouwtekeningen.

Timmerman en molenmaker Cor Slobbe

Replica van de korenmolen De Korenbloem

Het vakmanschap van Cor Slobbe was daar ook niet ongezien gebleven en als adjunct directeur wist hij hoe je mensen moest aansturen en organiseren. Daarom peilde Corrie Langen Sientje, de vrouw van Cor Slobbe, want ze wist dat Cor met pensioen zou gaan. Dus Cor werd aan het denken gezet en vroeg aan Jan de tekeningen en het bestek van de molen. Na een grondige studie zei hij “ik maak deze molen”. Zo zijn de raderen weer gaan draaien. Er werden vrijwilligers enthousiast gemaakt om de klus te klaren. Terwijl Cor begon met een molen op schaal te bouwen ging Jan Langen aangespoord door zijn vrouw op subsidiejacht en klopte hij bij allerlei instanties en bedrijven aan. Cor ging niet over één nacht ijs maar bouwde eerst een schaalmodel 1:5. Helaas bleek het schaalmodel te groot en moest de vloer worden uitgediept om het model naar buiten te krijgen. Niet veel later begon hij aan de bouw van de echte molen. Door het grote vakmanschap van Cor kon de molen wel tegen een stootje en is een lust voor het oog. Het is een toeristentrekker geworden. Tegenwoordig is er een winkeltje in gevestigd. Daar worden Hollandse produkten verkocht, zoals hagelslag dropjes, delftsblauw en natuurlijk klompen. Sinds kort is er ook een Hollands restaurant “The Dutch Oven”, waar worstenbroodjes en allerlei stamppotjes op de menukaart staan. Cor is inmiddels overleden, zijn vrouw Sientje leeft nog. Sientje is daar bekend als Cecillia Slobbe en woont in East Foxton Beach. De molen zal nog lang aan Cor Slobbe doen denken. ■
Nostalgie op Queen’s Day in Wellington

Klein stukje uit een interview door Hans van Kregten
Dit portret van Cor hangt in de entree van “De Molen”. Een trotse man die bezoekers welkom heet in een stukje Holland aan de andere kant van onze aarde. Een Lisser!
,,Ja, dat doet je toch wat”, zegt John Turk na het zingen van het Wilhelmus. ,,We voelen ons Kiwi, maar op zo’n moment ben je toch weer Nederlander”, zegt de eigenaar van een pluimveebedrijf in Foxton, 100 kilometer van Wellington. Turk zegt een speciale band met koningin Beatrix te hebben. ,,Ik heb haar als prinses samen met prins Claus in Nieuw-Zeeland ontmoet. Daar heb ik nog een foto van. Daar kun je in Nederland deuren mee openen.”
Zijn plaatsgenoot Cor Slobbe, net als Turk een halve eeuw in Nieuw-Zeeland, glimlacht. In zijn pensioenjaren leidde Slobbe de bouw van een heuse Nederlandse molen in zijn dorp. ,,Molens zijn toch typisch iets van Nederland en we hadden hier een symbool van onze immigratie nodig. ‘  NRC 30-april-2004.

Klein stukje familiegeschiedenis

Cornelis Petrus Nicolaas Slobbe geboren te Lisse op 06-12-1929. Als kind van Johannes Hubertus Slobbe geboren te Lisse op 16-04-1901, overleden te Lisse op 10-12-1968, en van Johanna de Vries, geboren te Haarlemmermeer 02-10-1904 overleden op 23-05-1985 te Lisse. Cor kwam uit een gezin met 13 kinderen. 1. Petrus Jacobus geboren 1927 2. Johanna Maria geboren 1928 3. Cornelis Petrus Nicolaas geboren 1929 4. Helena Johanna geboren 1931, overleden 1932. 5. Helena Johanna geboren 1932 getrouwd 1953 met Johannes Turk geboren 1930 6. Jacobus Petrus Joannes geboren 1934 7. Thomas Joannes geboren 1935 8. Johannes Franciscus geboren 1939, overleden 1947 9. Bernardus Jacobus geboren 1938 10. Hendrikus Johannes geboren 1939 11. Fransiscus Johannes geboren 1942 12. Maria Johanna Apolonia geboren 1945 13. Margaretha Maria geboren 1946. Van dit gezin zijn 4 kinderen geëmigreerd.

Interieur van “The Dutch Oven”, zuurkool met worst, jus in een kuiltje erbij meneer? “De Molen” lijkt echt op die van Beelen.

 

Bert Kölker

In memoriam Bert Kölker

Bert heeft het boekje grenspalen en het boek Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839) geschreven.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

24 april 2018

Door: Nico Groen

Onlangs ontving de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” het trieste bericht dat dr. A.J. Kölker (Bert) op 20 januari 2018 was overleden. Bert is 87 jaar geworden.
Bert is in 2015 vanuit Lisse (Jan Steenstraat 41) verhuisd naar  het verpleeghuis Mariënhaven te Warmond vanwege zijn Alzheimer ziekte. Hij is begin  2017 door zijn ernstiger wordende dementie, verhuisd naar een gesloten afdeling in het verpleeghuis Van Wijckerslooth in Oegstgeest, waar hij is overleden. Hij heeft in zijn leven vele archieven geïnventariseerd en onderzocht, wat geresulteerd heeft in vele boeken en artikelen.

Bert Kölker

Bert Kölker

Zijn betekenis voor de VOL

Bert heeft na zijn pensioen als provinciaal archivaris van de provincie Noord Holland veel onderzoek gedaan voor “Oud Lisse”. De resultaten hiervan zijn o.a. in twee boeken uitgegeven: in 2010 verscheen het boekje “Grenspalen te Lisse” en daarop aansluitend in 2013 het boek “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839)”. Beide boeken zijn nog verkrijgbaar bij de VOL. Het boekje over grenspalen is in A5 formaat met kleurenfoto’s van alle bekende grenspalen in Lisse met een omschrijving van iedere grenspaal en waar deze te vinden is. Ook worden er voormalige Hekpalen van Donjon Dever en van de buitenplaatsen Roozendaal, Grotenhof en van Veenenburg beschreven. Daarnaast zijn in het boekje van de wapenstenen van huize Halfweg en Zandvliet interessante gegevens opgenomen.

Cornelis van der Zaal had zijn werkplaats aan het Vierkant, waar nu museum De Zwarte Tulp is gevestigd. Hij maakte aan het einde van zijn leven een compleet overzicht (kroniek)  voor zijn zoon van de door hem verrichte werkzaamheden aan alle (ca 22!) door hem gebouwde  en/of onderhouden molens in Lisse en omgeving. Naast molenmaker  was Cornelis ook  als timmerman betrokken bij diverse bouwprojecten. Het handschrift is door Bert Kölker getranscribeerd (hertaald)  en voorzien van commentaar bij de geschiedenis van de in de Kroniek genoemde molens, geïllustreerd met ca. 100 oude prenten, foto’s en andere afbeeldingen. Kortom een uniek manuscript van belang voor de lokale en regionale historie. Dat schrijven over molens was aan Bert goed besteed, want hij was jarenlang bestuurslid van de ‘Vereniging Hollandsche Molen’. Een beter geschikt persoon om het dagboek van Cornelis van der Zaal deskundig te transcriberen en relevante archieven te onderzoeken was er niet te vinden.

Ook heeft Bert heel veel vrijwilligerswerk gedaan voor het Westfries Genootschap. Voor het vrijwilligerswerk werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau. De Vereniging Oud Lisse heeft hem tot Erelid van de vereniging benoemd op 10 februari 2016 en hem toen een ereoorkonde van Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” verstrekt.
Wij zullen hem altijd blijven herinneren als een vriendelijke, beschaafde en bijzonder aardige man en zeer deskundig op gebied van archiefonderzoek.

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 1)

De Poolse roots van Jozef Ruds worden beschreven. Hij heeft 40 jaar bij openbare werken in Lisse gewerkt. Zijn vader was voor zijn geboorte naar Nederland gekomen. Het wel en wee van zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog komt aan de orde. 

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Het Nieuwsblad laat verhalen horen van Lissers met een niet Nederlandse achtergrond. Het verhaal van de Lisser Jozef Rudz mag daar niet aan ontbreken. In Nederland zijn we wel gewend aan personen van buitenlandse afkomst. In een rapportage uit 2016 bleek dat van iedere 14 Lissers er 1 in het buitenland was geboren. Een deel van hen is buitenlander en de grootste groep vormen de mensen met een Poolse achtergrond. De meesten van hen kwamen hier met het idee om geld te verdienen en dan terug te gaan naar hun geboorteland, als arbeidsmigrant.

Jozef met collega aan het straten.

Jozef Rudz is een geboren en getogen Lisser. Veel Lissers zullen hem kennen, want hij werkte 40 jaar bij openbare werken in Lisse. Hij kent Lisse op zijn duimpje. Met het wagentje om Lisse schoon te houden leer je de straten wel kennen. En niet te vergeten de jaren met de vuilniswagen door het dorp: eerst nog met zinken emmers, toen plastic zakken en vervolgens de containers. Openbare werken zat oorspronkelijk in de Kanaalstraat aan de Ringvaart, later werd het de milieustraat aan de Venneweg waar Rudz de laatste 12 jaar van zijn werkzame leven te vinden was. Daarnaast was hij actief bij de vrijwillige brandweer. Een echte Lisser die veel verhalen over Lisse kent en al weer een tijd als vrijwilliger bij Oud Lisse is betrokken. Maar in het kader van deze serie gaat het over zijn wel heel bijzondere familiegeschiedenis.
De naam Rudz Aan de naam Rudz kun je al zien dat die geen Nederlandse oorsprong heeft. Bij een telling van 1947 werd die naam nog niet in Nederland gevonden. Je vindt die naam in Polen, maar ook in Wit-Rusland en Litouwen. Een gebied waar de landsgrenzen nogal eens verschoven zijn. De ouders van Jozef Rudz groeien op in de republiek Polen, een land dat na de 1e wereldoorlog weer een zelfstandige staat is geworden (Eind 18e eeuw was het gebied van Polen verdeeld over Rusland, Oostenrijk en Pruisen). Moeder Bronislawa Osobka werd vlak na de verzelfstandiging van Polen geboren in Borek Stary, een plaats in het zuiden. Vader Wladyslaw werd geboren in 1909 in het dorp Kazarzy bij Wilna in het noorden van Polen. De zelfstandigheid van de jonge Poolse staat werd echter steeds bedreigd. De buurlanden waren het niet eens met de bij het verdrag van Versailles vastgestelde landsgrenzen voor Polen. In 1919 ontstond strijd met de Russen, een strijd die de Polen in hun voordeel wisten te beslissen. De Polen verwachtten in 1938, na de bezetting van Tsjecho-Slowakije door Duitsland, problemen met Duitsland. Gelukkig had Engeland met Polen een bijstandspact afgesloten waarvan men hoopte dat het een bescherming zou bieden voor een Duitse aanval. Polen had een leger en intussen was het Poolse leger versterkt met dienstplichtigen, want vanwege de dreiging was er een mobilisatie. Ook vader Rudz moest zijn land verdedigen. Tot die tijd had hij bij zijn ouders gewoond. Hij werkte in de houtkap op het groot landgoed, in dienst van een baron. Daar zat hij in de bosbouw. In dienst kwam hij als ordonnans terecht bij een motorbrigade. De troepen waren geconcentreerd aan de westgrens, daar kwam de dreiging vandaan. Duitsland en Rusland sloten echter in augustus 1939 een niet-aanvalsverdrag, het Molotov-Ribbentroppact. Later kwam uit dat in dat pact een geheime afspraak was gemaakt om Polen tussen deze beide landen te verdelen. De aanval van Duitsland op Polen volgde op 1 september 1939 en begon met luchtaanvallen, maar ook over land werd aangevallen. Er werd zwaar gevochten. Hoewel de Polen dappere strijders waren hadden ze geen schijn van kans tegen de militaire overmacht van Duitsland. De Polen hoopten dat ze door de strijd te rekken nog een kans hadden wanneer Engeland en Frankrijk zich aan de westkant van Duitsland in de strijd zouden mengen. Tenslotte was er dat pact tussen Polen en Engeland. Helaas, er kwamen wel oorlogsverklaringen, maar militaire acties bleven uit. Toen gebeurde het drama van het oostfront. Op 17 september trokken de Russen Polen binnen, iets waar het Poolse leger niet op gerekend had. De Poolse strijdkrachten waren min of meer ingesloten en dachten nog een ontsnapping te kunnen forceren door naar het zuiden terug te trekken en zich via die route weer bij de geallieerden aan te sluiten. Een deel van het Poolse leger ontkomt zo ook via Roemenië naar Frankrijk en ook Poolse vliegers ontkomen naar Engeland wanneer de strijd verloren is. Zij vechten tot het einde van de oorlog met de geallieerden tegen nazi-Duitsland. Het overgrote deel van de Poolse strijdmacht heeft die kans niet. Op 28 september valt Warschau in handen van de Wehrmacht en was Polen verslagen en letterlijk vernietigd. Oostelijk Polen werd Russisch. Naar schatting werd een miljoen Polen verbannen naar Rusland. Tienduizenden Poolse krijgsgevangenen werden direct gedeporteerd naar de werkkampen van de Goelag. Bij deze groep hoorde ook vader Rudz. Ook burgers, met vrouwen en kinderen, werden wel naar de kampen gestuurd. Goedkope arbeidskrachten en bovendien, ze vormden geen gevaar meer in het verzet tegen de Russen.

Siberië

Eind september 1939 werd vader Rudz krijgsgevangen gemaakt, er volgde deportatie naar Siberië. De reis er heen was een verschrikking, maar het verblijf in de Goelag tart alle beschrijving. Hij werd tewerkgesteld in de bossen, waardoor hij misschien een beetje in het voordeel was omdat hij gewend was aan bosbouw. Maar werken bij -30 C0 is nog wel wat anders. De huid van je gezicht bevriest en gaat ontsteken, de etter druipt wanneer je binnen komt van je gezicht. Eten is zwaar op rantsoen. Een homp(je) brood ’s ochtends, een soort thee van ontdooide sneeuw en dan was er nog een waterige massa die wel afwaswater leek, maar voor soep moest doorgaan. Gelukkig had je dan nog eten gehad, want het kwam ook voor dat er 3 dagen geen eten werd uitgedeeld. Het was een feest wanneer er een paard dood ging, dan konden ze het vlees verdelen. Er heerst een beestachtig regime dat velen niet overleefden. Deze ellende duurde zo’n anderhalf jaar. Politiek was er inmiddels veel gebeurd. Al in 1939 was een Poolse regering in ballingschap ontstaan. Medio ’41 lanceerde Duitsland operatie ‘Barbarossa’: Rusland werd aangevallen. Daarmee werd Rusland min of meer in de westerse gelederen getrokken en dat opende ook de mogelijkheid om iets voor de vele krijgsgevangenen in Rusland te doen. Sikorski, Pools premier in ballingschap die inmiddels in Londen zetelde, bereikte met de Russische ambassadeur in Londen een overeenstemming. Stalin ontbond alle oude afspraken tussen Duitsland en Rusland en stemde er ook mee in dat Poolse staatsburgers, inclusief de krijgsgevangenen, een leger, het 2e Poolse korps, konden vormen dat aan de zijde van de geallieerden kon meevechten, onder bevel van de Poolse regering in ballingschap. Als bevelhebber werd generaal Anders aangewezen, een generaal die in 1939, bij de strijd tegen de Russen gewond was geraakt, krijgsgevangen was gemaakt en al die tijd onder barre omstandigheden in Rusland gevangen zat.

De vorming van een leger

Op 4 augustus 1941 hoort Anders wat er van hem verwacht wordt. Het is een volkomen verrassing voor hem. Hij komt uit de gevangenis in zijn gevangenisbroek en zonder sokken en wordt met een limousine van de geheime dienst naar een flat gebracht van waaruit hij met de organisatie kan beginnen. Hij is nog zo zwak dat hij zelfs gewoon voedsel niet kan verdragen. Hij moest dus een leger zien te vormen, maar over hoeveel Polen het zou gaan en waar ze verbleven was onduidelijk. In ’39 was er een getal van 300.000 man Poolse troepen gemeld dat gevangen was genomen, maar hoeveel waren er niet in gevangenschap omgekomen? En dan waren er nog de Poolse burgers die naar Rusland gedeporteerd werden. De Polen waren verdeeld over diverse gevangenissen en kampen. Het was schier onmogelijk om een leger te formeren. Er werd echter wel een datum genoemd waarop de formaties gevechtsklaar moesten zijn: 1 oktober 41. Volkomen onhaalbaar natuurlijk. Het leger zou samengesteld worden in Buzuluk. Dat ligt in Zuid Rusland, aan de zuidkant van het Oeralgebergte. Uit allerlei uithoeken van Rusland kwamen Polen die zich bij het leger wilden aansluiten. Lopend, met veewagens, per spoor. Vanuit Siberië ging ook vader Rudz op pad om zich aan te melden. Veel mensen hadden nauwelijks kleding of schoeisel. Maar in hun lompen waren ze zeer gemotiveerd om zich bij het leger te voegen. Voor kleding en voedsel zouden de Russen zorgen. Maar dat was meteen al een probleem. Mondjesmaat werd er voor kleding gezorgd, maar de afgesproken hoeveel
heid voedsel werd niet geleverd. Dat was nog extra moeilijk omdat er zich ook vrouwen en kinderen meldden die hiermee de kans wilden grijpen om uit Rusland weg te komen. Zij werden door de Russische organisatoren niet meegeteld voor de voedselrantsoenen. Ze kwamen uit de ellende en het bleef bijna hetzelfde: het povere wat er was moest gedeeld. De ellende was natuurlijk veel beter te dragen want er was uitzicht op het verlaten van het gehate Rusland en men zou de strijd aangaan tegen nazi-Duitsland. Generaal Anders neemt op 14 sept. een eerste defilé af: 17.000 soldaten, in lompen gehuld, vaak in resten van Poolse uniformen, uitgemergeld en met zweren overdekt vanwege de geleden honger, maar wel allemaal netjes geschoren en met een fiere militaire houding. Toen was er de eerste mis die ze konden bijwonen, waarbij ook gezongen werd: “oh heer, geef ons vrije land aan ons weerom”. Diepe ontroering was er en de beloning, terug naar een vrij Polen, leek in zicht. Ondertussen bleven zich nog steeds Polen aanmelden. De eerste militaire oefeningen begonnen, er kwam langzamerhand lijn in de organisatie. Maar van de kant van de Russen werd duidelijk getraineerd. De kwestie van wat nu de grens tussen Polen en Rusland moest worden ging weer meespelen. Het begon er op te lijken dat Ruslands eigenlijke doel was de hoogste macht in Polen te bereiken. Geen vrij Polen dus. Gelukkig voegde Amerika zich in dec. ‘41 in de strijd. Dat gaf de Poolse strijders weer moed.

Eerst Perzië, dan via Palestina en Egypte naar Italië

Begin ‘42 werd besloten dat de Poolse eenheid verplaatst zou worden naar het zuiden, van Buzuluk naar Yangi-Yul bij Tasjkent. Ook de burgers zouden meegaan. De militairen kregen Engelse uniformen. Maar de gezondheidstoestand was nog abominabel. Er kwam overeenstemming over verplaatsen van de Polen naar Teheran in Perzië (heet nu Iran). In het late voorjaar tot in de laatste weken van augustus ’42 werden de troepen en burgers verplaatst. Een hele onderneming, deels per trein en per boot over de Kaspische zee. Door bombardementen werd dat later noodgedwongen een langere route over land per trein. Er werden meer dan 100.000 personen gerepatrieerd. Het Anders’ leger telde toen zo’n 74.000 militairen en werd samengevoegd met Poolse eenheden die al in het westen waren. In Perzië werd het Poolse leger omgevormd tot een echt leger. De conditie van de soldaten was verbeterd, men had Engelse uniformen en was bewapend en getraind. Het Poolse leger was gevechtsklaar en werd verplaatst naar Gaza. Vader Rudz kreeg hier zijn training als tankschutter. Daar werden ook oefeningen gehouden (kerst werd gevierd in Bethlehem).

Een verhaal dat vader Rudz vaak vertelde ging over de zandstorm. Er was een troepentransport. Ze hadden zich er tijdens het transport over verwonderd dat ze nergens tegenstand ondervonden van Duitse troepen. Het transport vond plaats tijdens een woestijnstorm. Zo’n storm is heel heftig, je wordt door het zand gegeseld en ziet geen hand voor ogen. Daar trokken ze dus doorheen. Toen de storm eindelijk ging liggen en ze weer wat zicht kregen bleek dat de vijand ook door de zandstorm was getrokken. Alleen in de andere richting. Ze hadden elkaar ongemerkt gepasseerd. Van Gaza ging het leger via Egypte naar Italië. Afrika was toen inmiddels totaal in geallieerde handen en via Italië moest nazi-Duitsland bedwongen worden. ▶

Wordt vervolgd in het zomernummer.

VAN VER GEKOMEN: Guicherituit Indië (deel 2)

Magda Guicherit woont in de van der Veldstraat. Magda is een telg uit een familie, die rond 1950 Indonesië ontvluchtte. De geschiedenis vóór die tijd wordt beschreven.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Het vervolg van het verhaal van Magda Guicherit over haar familie, die door de machtsovername van Soekarno gedwongen werd hun Indië te verlaten. Hoe zij met vele anderen na een lange bootreis in Nederland van boord gingen. De familie Guicherit vond haar plek uiteindelijk in Lisse.

Magda hoe verliep de opvang in Nederland? “Mijn vaders moeder had haar eigen ticket betaald van Tandjong Priok Batavia naar Rotterdam, een bedrag van 1800 gulden. Vader heeft de overtocht van ons gezin zelf betaald, een bedrag van 7650 gulden. Mijn ouders hebben heel veel moeten verkopen om alles te betalen. Er waren in Indonesië mensen die voor ons de spullen gingen verkopen, daar zijn mijn ouders ook mee bedrogen. Het inkomen van vader was best heel goed, maar zo waren wij wel meteen door al het gespaarde geld heen”. Magda laat foto’s zien van het contractpension Hotel “Zee en Duin” in Katwijk aan Zee,  waar de familie negen maanden woonde en vervolgt: De periode in het contractpension, daar kregen ze wel een vergoeding voor, maar het grootste deel moesten ze zelf betalen. Daarna kregen ze toen ze in Lisse kwamen wonen meubelvoorschotten en kledingvoorschotten, maar het woord zegt het al: je moest het wel terugbetalen. Van het Rode Kruis kregen we een soort trainingspakken, van die kriebelpakken.” Magda zegt lachend: “Daar kan ik me ook nog wel iets van herinneren. Het kriebelde. Ik was nog maar een baby, maar ik zal best wel van die afgedragen pakken hebben gehad.”

Hoe hebben je ouders de opvang beleefd?

“Vader en moeder klaagden niet. Je moet je voorstellen: vader had als dwangarbeider aan de Birma-spoorlijn gewerkt. Hij was helemaal vermagerd teruggekomen, kon bijna niet meer op zijn benen staan, kreeg een uniform aan en nam in 1946/1947 deel aan de politionele acties en dat is ook weer heel heftig geweest. Bali was zijn eerste standplaats en daar werd hij na bijna vier jaar herenigd met ons gezin. Die militairen werden steeds verplaatst en die gezinnen hobbelden er maar achteraan. Mijn moeder is van Bali, naar Lombok, naar Sumatra en al die eilanden meegegaan. Ze moest steeds afwachten waar ze terecht kwam en ging elke keer met alle spulletjes en kinderen op sjouw. Ze hebben zo’n hectische tijd meegemaakt, dus als je hier in Nederland niet goed behandeld werd, dat was dan peanuts. Je leven liep hier geen gevaar. Alles was in wezen een verademing”. Een dag na Magda’s eerste verjaardag, 18 mei 1951, verhuisde het gezin van het pension in Katwijk naar een gloednieuw huis in de Romijnstraat in De Engel.

Hoe zijn jullie in Lisse terechtgekomen?

“Dat we in Lisse zijn gaan wonen, kwam door burgemeester De Graaf. Vader kende hem al in Indië. Onze pa was in Indië gouvernementsambtenaar en werkte de laatste jaren in Makassar bij de politie. Hij werkte niet in uniform, maar hij was daar hoofd van het kantoor. De Graaf woonde met zijn gezin ook in Indië. Hij had indologie gestudeerd, hij was indoloog. De familie De Graaf moest daar natuurlijk ook weg, vlak na de oorlog. In Nederland kwamen zij elkaar weer tegen. Toen wij hier in 1950 naar toe kwamen, was De Graaf inmiddels kamerlid voor de KVP en was hij net benoemd tot burgemeester van Lisse. In die periode heeft hij contact gehad met mijn vader en heeft hij gezegd ‘waarom kom je niet naar Lisse?’. Het zat niet in de planning dat we naar Lisse zouden komen. Ze wilden ergens in Nederland gaan wonen, niet in Den Haag, want daar woonde een grote groep Indische Nederlanders. Ze wilden eigenlijk integreren, dat was het hoogste doel.”

Was het aanpassen moeilijk voor je ouders?

“Nee. Mijn ouders waren al in Nederland geweest, hadden in Nederland op de lagere school gezeten. In de jaren twintig gingen ze om met Nederlandse kinderen. Je had toen helemaal geen bruine kinderen of bijna niet. Ze wisten hoe het zat. In de Anemonenstraat woonden vier andere Indische families, Heineken, Kramer, Vogel en Kater. Maar daar hadden mijn ouders geen aansluiting bij. Ze gingen niet om met de Nederlandse, maar ook niet met de Indische families.” Magda zegt met enige aarzeling: “Ze waren in Indië echt van een hoge sociale klasse. Ze hadden aanzien en ze hadden goede banen. Ze verdienden heel veel geld. Ze hadden bediendes. Toen kwamen ze hier in De Engel in een heel andere sociale omgeving. Er was wel onbegrip en onkunde, maar mijn ouders hadden een soort kracht van binnen. Dat ze dachten van nou ja, die mensen weten niet beter. Lisse was een klein dorp, De Engel was een volksbuurt. Dan zeiden ze “pindapoepchinees” en dan zei je wat terug, witte kaaskop of rooie stier. Het was ook niet onderhuids. Het was niet gemeen. Het was geen vijandigheid. Er waren wel vijf, zes Indische families in de Engel. Voor onze ouders en ons gezin is het goed geweest dat we in Lisse terecht zijn gekomen. Ik kan het een beetje vergelijken met familieleden van mijn moederskant. Een groot deel van haar familie is bij elkaar gaan wonen in Almelo. Een paar broers en een zus. Die klitten bij elkaar en die ervoeren veel meer discriminatie en achterstelling. Daar klaagden de tantes nogal over en mijn moeder zei altijd ‘dat ligt aan jezelf’. Mijn ouders hamerden op integratie en zeiden ‘zorg dat je er sterker van wordt als iemand je kwaad doet en verval niet in een slachtofferrol’. Mijn ouders hadden weinig aansluiting in de buurt, ook omdat ze daar geen tijd voor hadden. Mijn vader was wel actief in de Hervormde Kerk. Ze gingen om met familie en met mensen van de kerk. Mijn moeder was actief in het verenigingsleven. Zij zat in het bestuur van de padvinderij. Moeder zat ook bij de hervormde vrouwenvereniging. Ik denk dat het een sociaal probleem was. Pa en ma hadden altijd in hogere kringen verkeerd en voelden zich niet zo op hun gemak in de buurt. Ik ben erin opgegroeid, voor mij lag dat anders. Maar ze konden wel met iedereen goed opschieten. Er was bij ons wel een grote gastvrijheid. De melkboer, de bakker en de slager kregen koffie. Ze hebben het er nog over.

Was er een vorm van begeleiding voor jullie gezin?

“Nee, we hadden wel te maken met een sociaal werkster, dat was juffrouw De Vries, maar dat had te maken met het feit dat mijn moeder in 1955 naar het ziekenhuis ging. Ze had bot-tbc en heeft tweeënhalf jaar in een gipsbed gelegen. Ruth, de jongste, was net een jaar. We kregen steeds een andere gezinsverzorgster. Ze mochten niet langer dan zes weken blijven, anders kregen ze een band met ons gezin en dat was niet wenselijk. Een anekdote: mijn vader was naar het sanatorium, het was op zaterdag. Mijn oudste broer was thuis uit militaire dienst. Toen hadden we een draak van een gezinsverzorgster. Zij kookte warm voor de kinderen tussen de middag. Ik vergeet het nooit, het is een trauma geweest. Ze had spinazie gekookt met allemaal zand erin en het was heel stug, het was niet fijngesneden, heel grof. Ik voel het nog glibberen in mijn keel en het kwam er zo weer uit. Ze was zo boos, ik moest het opeten. Mijn broer zei: ‘Je bent toch niet gek geworden, je laat dat kind toch niet haar eigen overgeefsel opeten’. Ik was zo blij dat mijn broer thuis was. Daarna hebben twee vrijgezelle tantes twee jaar voor ons gezin gezorgd. Pas toen we naar de Anemonenstraat verhuisden in 1957, kwam mijn moeder weer thuis.” Magda herinnert zich dat zij en haar broer Theo twee keer in de week op bezoek gingen bij haar moeder in het sanatorium in Katwijk. Op zaterdag met vader en op woensdagmiddag gaan ze, vijf en zes jaar oud, zelfstandig met de bus. Ze stapten op bij Juffermans. “We konden toen nog niet lezen, maar wisten wel welke bus we moesten hebben. Er ging een bus naar Leiden en één over Katwijk naar Den Haag. Bij Den-Haag stond er een streepje tussen de woorden, zo wisten we welke bus we moesten nemen.”

Naar welke school gingen jullie?

Magda zegt vol trots: “Onze oudste broer is van 1935 en mijn moeder heeft hem in de oorlog en tijdens de Bersiap-tijd zelf onderwezen. In Makassar heeft hij een diploma gekregen van de lagere school daar. Hier kon hij zo naar de HBS. Mijn broer Bert was acht toen hij naar Nederland kwam. Hij is in Katwijk gewoon doorgegaan met het Indische rapportboekje. Dat is wel grappig. Kijk, mijn moeder heeft het nog keurig gekaft. Ik heb zelf een jaar op de openbare lagere school gezeten.

Christelijke Nationale School “ De School met de Bijbel” Broekweg 112. De kinderen uit de meeste andere Indische families zoals Benjamins, De Pineda, Douglas kwamen hier ook naar school.

Daarna gingen we naar de School met de Bijbel op de Broekweg. Dat was om de hoek. Daar zaten ook alle andere kinderen met een Indische achtergrond. De meeste mensen uit Indië waren protestant.
Voelden je ouders zich verraden door de staat? “Ja, dat wel. Mijn vader was aan het begin van de oorlog gemobiliseerd, hij was soldaat. Toen is hij in het kamp terechtgekomen. Hij werkte aan die Birma-spoorlijn. En al die tijd heeft hij geen soldij gekregen. En die vrouwen moesten maar zien hoe ze rondkwamen. Mijn moeder had geluk dat ze uit een rijke familie kwam. Ze moesten hun bezittingen verkopen. Mijn vader heeft ook later nooit een vergoeding gekregen voor de jaren dat hij als militair gevangen heeft gezeten. Door burgemeester De Graaf heeft mijn vader werk gekregen als gemeenteambtenaar met onder andere de functie van meteropnemer.

Webmaster:

De rest van het verhaal plaatsen we hier niet in verband met de privacy. Dat kunt u lezen in het Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018, in te zien tijdens de inloop op dinsdagmorgen.

Even stilstaan bij Leo van der Zon

In memoriam Leo van der Zon

De voorzitter van het Corso van de Bloembollenstreek is plotseling overleden. Het was een bevlogen man voor de gemeenschap van de Bollenstreek

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Op maandag 29 januari kwam het bericht dat Leo van der Zon plotseling en voor iedereen onverwacht op 59-jarige leeftijd is overleden. Kort daarvoor was hij opgenomen in het LUMC Leiden vanwege een aanval van acute malaria vermoedelijk eerder in januari opgelopen bij een bezoek aan Oeganda, waar hij voor zijn werk als directeur van bloemenveredelingsbedrijf Floritec naartoe was. Hij was voor velen een zeer bekende persoonlijkheid vanwege zijn activiteiten in de bloemensector, met name in de Bollenstreek. Hij was onder andere voorzitter van het Bloemencorso van de Bollenstreek en van de Omroep van de Bollenstreek (BO) maar vervulde ook nog talloze andere functies. Hij bezat veel bestuurlijke kwaliteiten. Hij heeft als voormalige voorzitter van de Openbare Bibliotheek in Voorhout in 2005- 2007 actief meegewerkt aan de fusie van de plaatselijke bibliotheken tot één Openbare Bibliotheek Bollenstreek. Ook was hij zeer sportief en jarenlang voorzitter van de judovereniging. Leo van der Zon heeft ook een lange politieke carrière achter de rug. Hij was van 2006 tot 2014 wethouder voor de VVD in Teylingen. Hij heeft in april 2015 voor de Ver. Oud Lisse een zeer interessante lezing gehouden over de historie van het Bloemencorso. Naar aanleiding hiervan waren we als Vereniging Oud Lisse druk bezig om op zijn initiatief historische foto’s te verzamelen van oude bloemencorso’s. De bedoeling was/is om een groot corso-archief aan te leggen met alle aan de corsoroute liggende gemeenten. Zijn plan was om bij het 75-jarig jubileum van het voorjaarsbloemen Corso een boek uit te geven. Ook een expositie met film en fotomateriaal over al de jaren bloemencorso zat in de koker. Leo van der Zon zou op 3 februari 60 jaar zijn geworden en hij was van plan dat met een groot feest te vieren met al zijn vrienden en relaties, waarvoor hij de uitnodigingen al verstuurd had. In plaats van dit feest moest nu door zijn onverwacht overlijden afscheid van hem genomen worden. Hij laat een dochter achter.

Bert Kölker overleden

Bert Kölker is overleden. Hij heeft veel voor de VOL gedaan. Hij schreef het boek over ‘Grenspalen in Lisse’ en  ‘Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal’. Hij is 87 jaar geworden.

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Nieuwsflitsen

Op 11 februari ontvingen wij van de verantwoordelijk verpleegkundige Miranda Focke uit het verpleeghuis Van Wijckerslooth in Oegstgeest waar dr. A. J. Kölker (roepnaam Bert) verzorgd werd, het trieste bericht dat Bert daar op 20 januari 2018 was overleden. Bert was 87 jaar en is overleden op zijn kamer en gecremeerd zonder dat zijn nabestaanden of vrienden erbij mochten zijn. De familieleden die hij nog had zijn op leeftijd en zagen nl. af van de nalatenschap. Zijn vele boeken en prenten en andere dingen zijn door het verpleeghuis Van Wijckerslooth overgedragen aan VOL omdat men vond dat ze daar goed terecht komen. Bert is in 2015 vanuit Lisse (Jan Steenstraat 41) verhuisd naar het verpleeghuis Marienhaven te Warmond vanwege zijn Alzheimer ziekte en heeft onze Ver. Oud Lisse al voor en tijdens zijn verhuizing vele boeken uit zijn archief geschonken. Hij is begin 2017 door zijn ernstig wordende dementie, verhuisd naar een gesloten afdeling in het verpleeghuis Van Wijckerslooth in Oegstgeest. Bert heeft na zijn pensioen als provinciaal archivaris van de provincie Noord Holland veel onderzocht voor “Oud Lisse”. De resultaten hiervan zijn o.a.  in twee boeken uitgegeven: in 2010 verscheen het boekje “Grenspalen te Lisse” en daarop aansluitend in 2013 het boek “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal (1762-1839)”. Ook heeft Bert heel veel vrijwilligerswerk gedaan voor het Westfries Genootschap. Voor dit vele vrijwilligerswerk werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau. De Ver. Oud Lisse heeft hem voor zijn vele vrijwilligerswerk Erelid van onze vereniging gemaakt op 10 februari 2016 in Mariënhaven te Warmond en hem toen een ereoorkonde en een erespeld van Vereniging Oud Lisse verstrekt. Wij zullen ons hem altijd blijven herinneren als een vriendelijke, beschaafde en bijzonder aardige man.

JOHANN(JO) DE KOOKER

Johannis De Kooker geboren in 1904 was rijwielhersteller. Zijn levensverhaal wordt vertelt. Hij richtte een solexclub op.

Door Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Grootvader Johannis was in Breskens geboren en werkte al voor 1885 als grondwerker in de Haarlemmermeerpolder die al in 1852 was drooggelegd. Voor het verder geschikt maken van het land was veel arbeidskracht nodig. Dat trok jonge kerels aan uit gebieden waar minder werk was, ook uit het Zeeuwse. Toen Johannis hier een plekje had verworven, liet hij in 1885 zijn gezin overkomen, eerst in Abbenes en in 1902 zijn zij verhuisd naar Lisserbroek. Willem was het 7e kind uit dit huwelijk en trouwde met Jaantje Scheering. Vader Willem verdiende zijn geld als bloembollen-controleur. Jo was de oudste van de negen kinderen, twee zijn al vroeg gestorven en één kindje werd levenloos geboren. De kinderen gingen naar de openbare school in Lisserbroek. Een schoolfoto (1914) laat wel zes kinderen met De Kooker als achternaam zien, het was inmiddels al een grote familie geworden. Zie pagina 123 van “Zo was het in Lisserbroek”.

Hoe het begon

Jo bracht zijn diensttijd door bij het Regiment Wielrijders. Zo zou zijn voorliefde voor de fiets kunnen zijn ontstaan en heeft hij er later zijn beroep van gemaakt. Maar zijn grootste liefde ging later uit naar Trijntje (Truus) van Houten, waarmee hij trouwde en zij kregen twee dochters. In oktober 1925 startte hij zijn eigen zaak. Hij begon met het repareren van fietsen in het schuurtje bij zijn ouders achter Kanaalstraat 157. Dat is het punt waar nu de Oranjelaan (die was er nog niet) met de Kanaalstraat kruist.

Nelson en Stokvis

Jo startte zijn loopbaan als rijwielhersteller maar daar kwam al snel ook de verkoop bij. Het was dan wel crisistijd, maar een fiets moest je in die tijd toch wel hebben. Het moesten wel degelijke fietsen zijn en we vinden de naam Jo De Kooker al vermeld als agent voor Nelson rijwielen in de Nieuwe Leidsche Courant van begin 1929. Deze Nelson rijwielen kwamen van de rijwielfabriek Alt uit Leiden. Degelijke fietsen, je ging er in die tijd nog vanuit dat een fiets je leven lang mee zou gaan. De vernikkelde delen van deze fietsen werden “vercadminiumd” en zouden niet meer roesten. Deze Leidse fabriek vervaardigde ook voor de Firma Stokvis te Rotterdam, dit bedrijf zullen we verderop nog tegenkomen. Rond 1930 kon hij een pand huren op het adres Kanaalstraat 179. Daar begon hij zijn fietsenwinkel. Daar heeft hij ongeveer 5 jaar gezeten. Op 15-03-1935 opende hij een andere winkel op het adres Kanaalstraat 50. Later werd dit uitgebreid naar het pand van de buurman sigarenwinkelier Hendrik van Voorst, te weten Kanaalstraat 52.

Oorlogstijd

In de oorlog was het natuurlijk moeilijk in de rijwielbranche. Materiaal werd schaars, maar hersteld moest er natuurlijk worden. Het waren de Duitsers die de belasting op de fiets en dus het fietsplaatje afschaften in 1941, maar wat had je er aan. Nieuwe fietsen werden toen eigenlijk al niet meer gemaakt. Nieuwe banden waren ook niet meer te krijgen want het rubber werd niet meer geleverd. De houten band was een mogelijkheid om dat probleem op te lossen.

Stiekeme foto vanachter de gordijnen. Duitse soldaat met twee ingepikte fietsen in de Kanaalstraat. Wat zouden die jongens daar zachtjes tegen elkaar zeggen?

Eind 1944 volgt dan de maatregel dat fietsen ingeleverd moeten worden. Daar werd natuurlijk niet mee akkoord gegaan, veel fietsen verdwenen naar een onvindbare plek. De fiets kreeg ook wel een andere bestemming. Elektriciteit werd problematisch, maar met een fietsdynamo kon je wel stroom opwekken. Dus fiets in de kamer en trappen maar. Na de oorlog nam de vraag naar fietsen weer snel toe. Maar een nieuwe fiets kopen was niet voor iedereen weggelegd. Heel wat oudjes werden opgeknapt in de reparatie bij De Kooker. Een kinderfiets was echt een luxe waar je niet zo snel aan begon. De oude fiets van opoe voldeed prima. Met houten klossen natuurlijk want anders kon je de trappers niet rond krijgen. Er zijn vast nog wel lezers die zo aan het fietsen begonnen.

Solex dealer

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

Gelukkig ging het voorspoedig met de wederopbouw. Men kon zich weer iets permitteren. Soms zelfs een Solex. Een Solex is van oorsprong een Frans ontwerp. In 1948 kwam de eerste Solex in Nederland aan bij de firma Stokvis te Rotterdam. Jazeker, dezelfde firma waar Jo de Kooker ook ver voor de oorlog al contacten mee had via rijwielfabriek Alt uit Leiden. Natuurlijk duurde het niet lang of ook in Lisse werd de “nieuwe” vinding getoond. Bij De Kooker uiteraard. Hij werd rayondistributeur. Animo om een Solex te kopen was er genoeg. Men kon zelfs niet meteen aan de levering voldoen. In 1949 was er zelfs een wachttijd van ruim 8 maanden! Wanneer Jo in oktober 1950 het jubileum viert ter ere van het 25-jarig bestaan van de zaak wordt ook het Solex-Service-Station geopend. In 1951 wordt door de Solex-maatschappij een Solex-rally georganiseerd vanuit allerlei plaatsen in Nederland met als eindpunt Schiphol. Dat bracht de Solexrijders bij elkaar. Iedereen vond het zo leuk dat er diverse Solexclubs in ons land werden opgericht. Als rayondistributeur van Solex nam Jo de Kooker hiervoor het initiatief in Lisse voor de Bollenstreek. Hier enkele namen van leden: dhr. Riedijk, dhr. Koordes en zijn vrouw T. Koordes–van Hoven, R. Moolenaar, dhr. Witte, dhr. Schaap, dhr. L.v. Dijk, de heren J. en M. van Zelst, en mvr. A.van Zelst-Bekkers.

De Solexclub staat startklaar voor de winkel,.. follow the leader.

Tijdens het seizoen werden dan door de Solexclub verschillende puzzelritten gereden en werden er ook andere activiteiten georganiseerd. Met de routebeschrijving in de hand leek de rit erg makkelijk. Maar soms viel het toch wat tegen en doolde men door de straten van Heemstede. De controleposten deelden met gulle hand de nodige strafpunten uit. Sommige deelnemers waren zo de weg kwijt dat ze niet in Bloemendaal maar bij Schiphol in de rondte reden. Maar toch overleefden 13 deelnemers de rit zonder strafpunten. Er lagen aardige prijzen te wachten op de winnaars. Levensgrote taarten, banden, fietstassen, blikjes brandstof e.d. De Solex bleef zeer succesvol en zo ook de verkoop hiervan.

 

Jo had 2 dochters maar geen opvolger in de zaak. Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper. De Solexclub herdacht Jo in de jaarvergadering van februari 1964, die zoals gewoonlijk in De Witte Zwaan werd gehouden. De winkel en de werkplaats werden overgenomen. En natuurlijk ook het dealerschap van Solex. Kuijper had al een zaak in Sassenheim en stond al tijden samen met Jo de Kooker en andere distributeurs vermeld in de advertenties van Solex. De zaak in Sassenheim bestaat nog steeds. In mei 1966 vierde de Solexclub haar 15-jarig bestaan in gebouw Salvatori. Voorzitter Van Duijnhoven memoreerde natuurlijk Jo de Kooker als initiatiefnemer van de club en meldde trots dat de saamhorigheid bij de leden groot was. Ook leden die inmiddels een auto als vervoermiddel hadden bleven vanwege die saamhorigheid nog steeds lid van de club. Ook de jaarvergadering van 1969, weer in De Witte Zwaan, verhaalt van een goed jaar en kondigt weer diverse activiteiten aan voor het volgende jaar. Op 10-02-1970 meldde de Nieuwe Leidsche Courant echter dat de Solexclub was opgeheven. De avond ervoor was de laatste officiële vergadering in De Witte Zwaan gehouden. Voorzitter Van Duijnhoven gaf aan dat het steeds moeilijker werd om als club tochten te ondernemen. Daarom werd

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

besloten de Solexclub op te heffen. Men wilde nog wel doorgaan als gezelligheidsclub maar of die nog lang bestaan heeft is ons niet bekend. De Solex bleef nog een tijdje erg populair. Er volgde nog een verhuizing van het merk naar Hongarije. Sommige modellen werden daar en ook in China nog lang gebouwd. Dan was er ook nog een Frans bedrijf dat de oude modellen opnieuw produceerde, maar om juridische redenen niet onder de naam Solex maar als Black ’n Roll. In totaal schijnen er meer dan 8 miljoen exemplaren van de Solex verkocht te zijn. Solex rijden is puur nostalgie en de oude modellen doen het nog steeds goed. Organisaties die toertochten organiseren zijn als paddenstoelen uit de grond gerezen. Zou er nog een Solex rondrijden die ook al meedeed met de toertochten van de Solexclub? Ik wacht vol spanning op eventuele reacties. ■

Webmaster Nico Valstar. Een maatschappelijk bevlogen mens

Een memoriam over zijn leven wordt weergegeven.

Redactie

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Op 30 september overleed Nico Valstar. Hij verzorgde tot halverwege dit jaar onze website. Aan een half woord had hij genoeg om uitvoering te geven aan wensen en aanpassingen voor de site en kwam ook zelf met suggesties. Begin ’93 waren er wereldwijd pas 50 websites. Daarna ging het snel. We kunnen ons nu al niet meer voorstellen hoe het was om geen informatie via sites te kunnen bemachtigen. In oktober 2003 stond in ons Nieuwsblad een Nieuwsflits met als onderwerp “Wie maakt de website”. Die maker werd snel gevonden. Nico Valstar natuurlijk. Valstar had zich vanaf de begintijd al geworpen op de techniek van het maken van sites. Al die handige tools, content management systems, die er nu zijn om een site te maken moesten toen nog ontwikkeld worden. Het was werken bij de bron. Hij had inmiddels al de nodige ervaring met sites maken en bijhouden opgedaan, dus om met de suggesties van bestuurslid Hans Smulders een site te maken was een leuke uitdaging. Meerdere maatschappelijke en culturele organisaties hadden hem al weten te vinden voor zo’n klus. Voor Museum de Zwarte Tulp zette hij bijvoorbeeld in 2001 een site op, voor het Gehandicaptenplatform was dat al in 2000. Dan waren er ook al snel de sites voor de bollenschuren en Stichting Welzijn Ouderen Lisse en er zal nog wel meer geweest zijn. Nico Valstar was sinds de oprichting in 1992 secretaris van wat officieel heet Platform Gehandicapten Beleid Lisse. In de negentiger jaren werden in diverse gemeentes vrijwilligersorganisaties opgericht die zich bezighielden met gelijke kansen voor gehandicapten. Dit hield verband met de resolutie van de Verenigde Naties “STANDAARDREGELS BETREFFENDE HET BIEDEN VAN GELIJKE KANSEN VOOR GEHANDICAPTEN” die in maart 1994 werd ingediend. Mensen met een beperking komen veel obstakels tegen in hun dagelijks leven om volwaardig als ieder mens mee te kunnen doen in de samenleving. Zo zijn openbare gebouwen, winkels en restaurants niet altijd even goed bereikbaar en toegankelijk. Reizen per openbaar vervoer, onderwijs volgen, sporten en zelfstandig wonen is niet altijd voor iedereen met een beperking even makkelijk en soms zelfs onmogelijk. Nico Valstar werd via het platform een waar pleitbezorger in Lisse voor deze zaak. Hij kwam ook in het bestuur van de Stichting Welzijn Ouderen Lisse (SWOL, nu Welzijnskompas Hillegom-Lisse) en de Seniorenraad. Deze organisaties konden de knelpunten, waar mensen met een beperking tegenaan lopen, bespreken in hun regelmatig overleg met de gemeente Lisse. Ook van de mogelijkheden om ongevraagd advies te geven werd ruim gebruik gemaakt. Begin 2007 werd de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van kracht. Burgers moeten mee kunnen doen en wanneer dat niet op eigen kracht lukt moet er ondersteuning geboden worden via de gemeente. Zaken waar Nico Valstar zich al tijden mee bezig hield, dus was het logisch dat hij zitting nam in de Wmo-adviesraad en wel als secretaris. Deze Wmo-wet had voor gemeentes nogal wat consequenties en zorgde ook voor de nodige beroering voor mensen die met de gevolgen van deze wet te maken hadden. Door zijn jarenlange ervaring had Valstar heel veel kennis opgebouwd. Wanneer er een probleem was en iets moest voorgelegd worden bij de rechtbank dan ging hij vaak mee. Zijn kennis van jurisprudentie op dit gebied was enorm en bleek vaak van groot nut te zijn. Lisse doet het niet slecht op het gebied van de Wmo-uitvoering. En dat is zeker ook toe te schrijven aan maatschappelijk bevlogen mensen als Nico Valstar. Vereniging Oud Lisse is Valstar dankbaar voor de hulp aan onze website, maar het belang van zijn vrijwillige en onvermoeibare inzet voor mensen die het wat minder gaat is van een heel andere orde en daar mag heel Lisse hem dankbaar voor zijn. ■

VAN VER GEKOMEN: Guicherit uit Nederlands Indië (deel 1)

Magda Guicherit woont in de van der Veldstraat. Magda is een telg uit een familie, die rond 1950 Indonesië ontvluchtte. De geschiedenis vóór die tijd wordt beschreven.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het verhaal van een familie die door de machtsovername van Soekarno hun vaderland moest verlaten en een plek  vond in een voor hen vreemde maatschappij.Dit is het eerste deel van een serie verhalen over mensen die vanuit een ander land kwamen om in Lisse een nieuw bestaan op te bouwen. Vaak werden zij door omstandigheden gedwongen hun vaderland te verlaten, anderen zochten een beter bestaan.

Op een mooie, zonnige maar koude dag in november ontvangt Magda Guicherit ons met koffie in haar gezellige jaren 20-huis in de Veldhorststraat. Vanuit de kamer kijken we op de speelse tuin met niveauverschillen. Magda is een telg uit de familie Guicherit, een van de families die in de jaren vijftigvan de vorige eeuw Indonesië ontvluchtten en in
Lisse terecht kwamen. Hoe verging het ze hier? Hoe hebben zij hun weg gevonden in de Nederlandse samenleving? Op deze en andere vragen geeft Magda openhartig en uitvoerig antwoord.

Franse en de Sumatraanse roots

Magda Guicherit is in 1950 geboren in Indonesië, het voormalige Nederlands-Indië. Vlak daarna vertrok de familie naar Nederland. Na het overlijden van haar vader besefte Magda dat zij niet zoveel van de geschiedenis van haar familie afwist. Zij vroeg haar moeder die op te schrijven en zij is heel blij dat haar moeder en ook haar moeders zusje dat hebben gedaan. Wij mochten de memoires van Magda’s moeder Irene Daniela Guicherit-Schift gebruiken als inleiding op het interview met Magda. Grootvader Rudolph Theodoor Guicherit stamt uit  een Frans hugenotengeslacht. Magda’s vader Hans Guicherit is in 1914 in Indië geboren, maar zijn lagereschooltijd brengt hij door in Amsterdam. De familie keert terug naar Indië en daar gaat hij naar de HBS. Magda’s grootvader van moederskant is afkomstig van de Riau-archipel behorende bij Sumatra. Hij wordt geboren in 1893 als zoon van een inlandse vorst en krijgt de naam Mohammed Ali Nurpiah. Zijn titel is Raden, een aanspreektitel voor adellijke personen. Zijn familie brengt hem voor zijn schoolopleiding onder bij een rijk, kinderloos, Hollands echtpaar, de familie Schift. Zij laten het jongetje niet meer gaan en adopteren hem officieus. Magda vertelt dat hij wel een opleiding kreeg, wel mocht leren, maar niet teveel. Hij moest niet te ontwikkeld worden. Hij zou het niet verder brengen dan een baantje als stationschef.
Vreemd verhaal van moeder Irene “Het vreemde was” schrijft Irene Daniela Guicherit “dat alhoewel mijn vader al op heel jonge leeftijd bij de familie in huis kwam en zijn adoptief moeder hem tegenover anderen altijd haar pleegzoon noemde, hij van zijn kant altijd ‘mevrouw’ tegen haar bleef zeggen. Er was dus nooit een toonbare liefdesband tussen hen geweest. Heel vaag herinner ik mij nog een voorval met betrekking tot mijn vader. Er heerste op een of andere dag opschudding, want een oom van mijn vader had zijn bezoek aangekondigd. Hij kwam in een rijtuig aan en ik herinner me dat achter hem aan een man liep, die een gouden pajung (paraplu) boven zijn hoofd hield, dat was het teken van heel hoge adel. Hoe hij er zelf uitzag, kan ik me niet meer herinneren, alleen die pajung had grote indruk gemaakt”. In 1913 trouwt Noerpia met Magda’s oma, de 15-jarige Maria Theresia, de natuurlijke dochter van de Nederlander J.M. van Amstel en een inlandse onderwijzeres, Raden Ajoe Soemiah, ook afkomstig uit een aristocratisch geslacht.
Het jonge paar woont in bij de familie Schift en neemt in 1915 ook de naam Schift aan. Irene Daniela Guicherit-Schift: “Ik ben geboren op 8 mei 1914 in Cheribon. Mijn moeder was nog heel jong, nauwelijks zestien jaar en mijn vader nog geen twintig. Of zij mij met blijdschap ontvangen hebben, weet ik niet. Dat zal wel, want ik was de eerste. Maar wie er wel dolgelukkig waren, dat waren hun pleegouders. Zij waren van mening dat ik HUN kind was en leerden mij van jongs af aan, dit zo te zien. Mijn ouders moest ik als broeder en zuster beschouwen. Ik moest tegen hen, de pleegouders van mijn vader, “pappie” en “mammie” zeggen en tegen mijn werkelijke ouders “Jozef en Trees”. Het waren zeer welgestelde mensen. Hij was assistent-resident, een hoge bestuursfunctie in die tijd. Ruim een jaar na mijn geboorte werd er een tweede dochter geboren en ook hiermee gebeurde hetzelfde. Toen ik twee jaar was verhuisden wij van Cheribon naar Batavia. Daar hadden zij een huis laten bouwen in – voor die tijd – moderne stijl. Het was een heel groot en mooi huis. We hebben er na de oorlog wel met 45 personen in gewoond. Op de voorgevel stond in mooie letters “IRENE”, mijn naam, want dat huis zou na hun dood alleen voor mij bestemd zijn.
Mijn ouders bleven ook in het huis wonen en kregen het paviljoen. Daar werd ook een derde kind geboren, mijn zusje Nita. Wij, mijn zusje De en ik, sliepen in het hoofdgebouw, bij mijn grootouders” [de familie Schift, red.] De familie Schift, zegt Magda, pikten de drie meisjes als het ware in. Voor de twee later geboren jongetjes had het echtpaar Schift geen belangstelling. Die mochten bij hun ouders blijven wonen. De drie meisjes leiden een luxeleventje, met veel pretjes en uitjes. Ze worden opgevoed voor een leven in de hogere kringen. Ze krijgen vioolles en pianoles. Mevrouw Guicherit wordt een uitstekende pianiste. Magda’s moeder brengt een deel van haar lagere schooljaren door in Nederland, in Den Haag. Terug in Indië gaat ook zij naar de HBS. Op 10-04-1941 trouwde de ouders van Magda. Vader Hans Guicherit en moeder Irene Daniela Schift vormen vanaf nu een paar, samen met René eigenlijk al een klein gezin.

Oorlog in Nederlands Indië

VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung,  oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.

Een verschrikkelijke tijd breekt aan voor het jonge gezin als in 1941 Nederland Japan de oorlog verklaart. Het gezin Guicherit telt één zoon, een tweede kind is op komst. Tijdens zware bombardementen op Batavia wordt eind februari 1942 zoon Bert geboren. De gemobiliseerde Hans Guicherit, die de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt kort daarna krijgsgevangene van de Japanners. Die transporteren hem naar
VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung, oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.
Thailand, waar hij als dwangarbeider zwoegt aan de aanleg van de beruchte Birma-spoorlijn, de Dodenspoorlijn. Bijna vier jaar duurt het voor hij vrouw en kinderen weer ziet. Mevrouw Guicherit leeft al die tijd in onzekerheid over zijn verblijfplaats. Zij trekt in bij haar ouders, haar echte. Haar vader heeft nu profijt van zijn Indonesische afkomst en houdt zijn baan bij de Spoorwegen en zo zijn er nog enige inkomsten. Als Indische Nederlandse, als Indo, wordt Irene Guicherit niet geïnterneerd in een kamp, maar woont ze aan de rand daarvan, ze is een “Buitenkamper”. Ze slaagt erin met de kinderen de oorlog door te komen.
Bersiap-periode Uit de memoires van Magda’s moeder: “Maar eindelijk kwam voor ons toch ook een einde aan de ellende…? Ja dat dachten we. We merkten dat de bevolking, de Indonesiërs, zich plotseling heel vijandig tegenover ons gingen opstellen. Niet allen natuurlijk, maar wel de jongeren. Die hadden een leger opgericht. Ze wapenden zich voorlopig nog met bamboespietsen en messen. Er brak toen een tijd voor ons aan, die nog veel onzekerder en onveiliger was dan we in de bezettingsjaren gekend hebben. Tassen en fietsen werden uit je handen gerukt. Ze sloegen je vaak, zodat je niet meer alleen de straat opdurfde. Families die een beetje verder van de Engelse Militaire Commando woonden (deze bestond slechts uit enkele honderden mensen), werden volkomen uitgemoord. De Engelsen konden met zo’n handjevol niet optreden en daardoor werd de situatie hoe langer hoe gevaarlijker. De verkopers aan de deur mochten hun waar niet meer aan ons verkopen. Zo werd de voedselsituatie hoe langer hoe moeilijker. Was dit nu VREDE??” Onder de mensen die nog geïnterneerd zijn in de kampen, vallen in deze Bersiap-periode betrekkelijk weinig slachtoffers. Zij vallen onder de bescherming van de Japanners. Juist de Buitenkampers lijden zwaar onder het extreme geweld. “Wij woonden toen nog in de Struiswijkstraat, maar verhuisden al heel gauw nadat we zagen hoe Indonesische jongeren het huis tegenover ons helemaal leeghaalden. Ze stonden met messen en bamboespietsen voor het huis.” Onder bescherming van de Engelsen verhuist de familie naar de eigen villa ‘Irene’. “We zaten daar toen met 45 mensen. Het was zo’n gespannen toestand dat ruzies natuurlijk niet uitbleven. Het was een hele nare tijd. Beschietingen van extremisten op ons huis, dat pal naast het interneringskamp stond en waar Jappen zaten, die voor de veiligheid van van de ex-geïnterneerden garant moesten staan. Het was een complete chaos eigenlijk”. Als vele andere ex-krijgsgevangenen komt Hans Guicherit weer in dienst van het Nederlandse leger en neemt deel aan politionele acties. Eerst op Bali, waar hij herenigd wordt met zijn gezin, en
later op andere eilanden. Eind maart 1947 wordt dochter Trix geboren. Een maand later volgt de demobilisatie en verhuizen ze naar Makassar op het eiland Celebes.
Behouden vaart Hans Guicherit komt in dienst van het Nederlands gouvernement en bevordering op bevordering volgt. In Makassar ziet in 1948 zoon Theo het levenslicht. In mei 1950 breken in Makassar bloedige gevechten uit tussen de soldaten van Soekarno en opstandige Molukse groeperingen. Magda’s vader kan vanuit zijn werk zijn huis en zijn hoogzwangere vrouw niet meer bereiken. Het huis van de Guicherits ligt in de vuurlinie van de strijdende partijen. Na vijf dagen is er een staakt-het-vuren en bereikt hij zijn huis via de muur van het huis van de directeur van het ‘krankzinnigenwezen’. Die zegt hem: “U bent meneer Guicherit, ik feliciteer u met de geboorte van uw dochter”. Die dochter is Magda, door de directeur ter wereld geholpen. Op 30 augustus 1950 gaat de familie Guicherit met oma Guicherit in Tandjong Priok scheep aan boord van het Engelse stoomschip de Ormonde. Het schip vaart via het Suezkanaal over de Middellandse Zee langs Portugal naar Rotterdam. Een plezierreisje met kinderfeestjes, dinertjes, bal masqués en een captains dinner. 24 september legt het schip aan in Rotterdam en verlaat de familie de Ormonde. Magda Guicherit vertelt hoe het de familie verder verging, in de wintereditie van 2018.

Wordt vervolgd.