Berichten

Landgoed Meerenburgh: genen geringen luister

Matheus Brouerius van Nidik en Isaac le Long schreven over Lisse in het Kabinet van Nederlandsche en Kleefse Oudheden uit 1792 over Lisse. In deze aflevering van ‘Lisse Toen’ beschrijven zij Landgoed Meerenburgh, gebouwd in 1638.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 1, januari 2007

We volgen nog altijd het wedervaren van Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long op de voet. Zij schreven over Lisse het nodige in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden” uit 1792. Na vastgesteld te hebben dat Lisse in 1460 “Eene kapelle” had en vervolgens uitgebreid zowel de kerkelijke als “wereldlijke” besturing is uitgelegd, komt het tweetal te spreken over Meerenburgh.

Nu een woonwijk, doch in vroeger jaren een landgoed. De scribenten: “Het huis Meerenburg strekt deze heerlijkheid tot genen geringen luister. Het werd in de jare 1638 door Jonkheer Albrecht van Wassenaar, Heer van Alkemade gebouwd. Dit huis heeft het recht van visserij uit het meer, tot aan de Lisserbrug, en is gelegen tusschen den Geerit-Aven-weg, het Leidsche meer, het dorp Lis en den Heerenweg. Het heeft eenen schonen lommerlijke plantaanzijde, gadeloze uitzichten over het meer, over de omliggende landen en konijnrijke duinen, en is door den konstenaar H. de Leth, in het laatste deel van zijn zegepralend Kennemerland,in het koper afgebeeld, en aldaar breedvoerig beschreven. De stichter, die, gelijk wij zoo even gemeld hebben, de heer van Alkemade was, had ten vader Jan van Duivenvoorde, heer van Warmond, van der Woude en van Alkemade, Houtvester, en in later tijd Admiraal van Holland; zijnde moeder was Odilia van Valkenaar. In het jaar 1666, is dit huis bezeten geweest door Jonkheer Gerard van Wassenaar, heer van Alkemade, oudsten zoon van voorgemelden Jonkheer Albrecht en van vrouwe Kornelia Buitenweg, vader van der Heer Thomas Walrave van Wassenaar, Heer van Alkemade, welke het in later tijd, na het overlijden van Albrecht, in eigendom gehad heeft.”
Zo, en dan bent u weer helemaal bij waar het de bewoners van het landgoed Meerenburgh betreft.

Het vroegere Landhuis Meerenburgh

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

 

EEN MOORDJEUGD IN VREEWIJK

De wijk Vreewijk lag ooit tussen de weilanden. In 1894 zijn er 25 huizen gebouwd op land in eigendom van Pieter Marseille. De bewonersgeschiedenis wordt beschreven.

door Ine Elzinga Fotografie: Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

‘Een teil oliebollen voor de hele straat’

De wijk Vreewijk van Lisse lag ooit tussen de weilanden. Over die beginperiode is niet zoveel bekend. In de archieven valt te lezen dat er nabij de Oranjelaan in 1894 vijfentwintig huizen zijn gebouwd op land dat in eigendom is van Pieter Marseille. In 1919 verkoopt Marseille de huizen aan de familie Verduijn, die de woningen in 1927 aan Willem Potman en in 1928 aan Willem Potman en Johannes Potman & Consorten verkoopt.

Zij richten in 1935 de NV Potman’s Woning Maatschappij op. De huizen blijven tot 1979 eigendom van deze NV. Het is heel waarschijnlijk dat bovengenoemde omschrijving de oneven nummers van Vreewijk betreft. De naam Vreewijk is echter in de oude archieven niet teruggevonden. Het was een arbeiderswijk. Mensen, die daar nog over kunnen verhalen, zijn moeilijk te vinden.

Van links naar rechts Fedor Baak, Anisija van Ruiten-Baak en Piet Molkenboer in Vreewijk, waar ze zoveel gelukkige herinneringen aan heb¬ben. Geen van hen woont nu nog in de straat. De huizen aan de linkerzijde zijn vervangen door nieuwe, maar die aan de rechterzijde staan er nog bijna allemaal!

Over de periode na de Tweede Wereldoorlog halen drie geboren en geto­gen Vreewijkers aan een keukentafel jeugdherinneringen op: Piet Molkenboer, Fedor Baak en Anisija van Ruiten-Baak. ‘Vreewijk stond bekend als achterbuurt, maar wij noemden onze straat de Rue de Peu of het Peujenpark, ik weet echt niet wie dat bedacht heeft of hoe je dat schrijft, maar het klonk goed.’

Veertig huizen

In de jaren vijftig is Vreewijk een straat met aan weerszijden in totaal een veertigtal woonhuizen. Zoals een goed Nederlands gebruik betaamt, aan de ene kant de even, er tegenover, aan de noordzijde de oneven nummers. Vanaf de Heereweg smal, maar breder naar het oosten toe. Bij de hoek Wilhelminastraat is de stoep wel een meter of vier breed. Een straat met tweerichtings-verkeer en dat betekent af en toe een solex, er wonen twee trotse solexeigenaren in de straat, en op zaterdags de bakfiets van Geert van der Meij, de bloemenverkoper.

Zeker in de beleving van genoemde Vreewijkers heeft het buurtje een eigen karakter en staat wat los van de rest van Lisse. Aan de noordzijde van de Oranjelaan weilanden, daar was ook de ijsbaan in echte winters, naar het zuiden toe wel enige woningen zoals in het ‘kromme ellebogie’ (de Prins Hendrikstraat), maar de Nassaustraat is weiland, ongeveer tot aan de Wagendwarsstraat. De Nieuwsloot mondt uit in het Kanaal (Ringvaart): ‘Ooit heeft de kermis achter de Willemskade gestaan, heb ik gehoord, maar dat was voor onze tijd.’ In en rond Vreewijk zijn voldoende winkels voor de dagelijkse boodschappen, die meestal op de pof worden gedaan.

Geen voordeur

Een echte arbeiderswijk met grote gezinnen en veel saamhorigheid: ‘Als er bijvoorbeeld iemand naar het ziekenhuis moest of zo vingen de buren de kinderen op, als vanzelfsprekend.’

De oneven nummers hebben geen voordeur: ‘Je ging door de poort en dan kon je aan beide kanten drie woningen bereiken.’ Er is wel stromend water, maar voor toiletbezoek ga je naar de schuur, een put met deksel. De put wordt regelmatig leeggezogen. De gemeente legt riolering in de straat aan, maar wie een toilet wil, moet daar zelf voor zorgen, de huurbaas heeft er geen geld voor over: ‘Ik weet nog dat Castien op de hoek woonde. Daar kon je nog wel eens restjes hout krijgen. Menigeen heeft die gebruikt voor de bouw van het kleine kamertje.’ De woningen zijn klein. Vlak na de oor­log wordt wekelijks f 5,30 aan huur opgehaald. In veel huisjes is de bovenverdieping met behulp van gordijnen in slaapkamers verdeeld, voor de ouders, en voor de jongens en meiden apart: ‘Het was geen probleem om een vriendin te laten logeren, dan werd er gewoon een matras bijge­legd.’ Voor de wekelijkse wasbeurt gaat iedereen in de teil. Later heeft Solexeigenaar Vergunst van nummer 44 een douche in een houten hok achter het huis. De buurt mag hier voor veertig cent komen douchen: ‘Wel met badslippers aan, de voetschimmels tierden welig.’ Halverwege de jaren tachtig zijn de oneven nummers gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. De even nummers staan er anno 2005 nog steeds, aangepast aan de eisen van nu. Deze woningen waren altijd al wat beter en duurder. De even nummers hebben een voor- en achterdeur en boven twee slaapka­mers met een zolder daarachter. De huizen hadden gewone puntdaken, later zijn de voorgevels van de woningen opgetrokken, de huizen zijn van­daag de dag koopwoningen in de goedkopere sector. Al pratende komen steeds meer namen van buurtbewoners naar voren, buurtbewoners die doen denken aan die speciale herinneringen die je als kind bijblijven. Zoals de familie Warmerdam die als een van de eersten tv heeft. Alle buurtkinderen mogen op woensdagmiddag voor een stuiver tv komen kijken. De voormalige Vreewijkers raken op dreef: ‘Weetje nog dat Arie Tet (eigenlijk heette hij Van Steijn) aan huis een winkel in onder­goed had. We kochten daar op de pof, de lange onderbroeken van pa bij­voorbeeld. Wekelijks kwam Van Steijn langs de deur, dan werd er met centen afgelost en kregen wij een snoepje. Maar geen aflossing, geen snoepje.’ De winkeliers van toen passeren hardop de revue: ‘Op de hoek Wilhelminastraat-Emmastraat zat kruidenier Schrama. Daar kocht je ook op de pof, de klanten hadden er een boekje waarin de boodschappen keu­rig werden opgeschreven. Maar kwam je voor nieuwe boodschappen moest je eerst iets van de vorige week aflossen, anders kreeg je niets mee.’ en : ‘Eerst zat er melkboer Koot, later Knook, die is ook kruide­nierswaren gaan verkopen. En op de Heereweg tegenover waar nu het autobedrijf is gevestigd zat bakker Schakebos. Daar gingen we ’s morgens vroeg achterom warm brood halen.’ Met mooi weer doet Vios, toen geves­tigd in de Kanaalstraat met zijn ijskar de straat aan: ‘Pa trakteerde de jeugd wel eens op een ijsje van vijf cent, met de tekst ‘en daarna opsode— — allemaal.’ En met Oud en Nieuw bakt Bert van der Meij, onder het genot van een fles jenever een teil oliebollen, voldoende voor de hele straat: ‘Maar het bijzondere was dat zijn oliebollen na twee weken nog lekker waren!’

De Bomzak

Als je naar het voortgezet onderwijs gaat, krijg je een fiets, een ongeschreven wet bij veel gezinnen, ook die wordt niet contant betaald. De fïetsenzaak van Meijer, in Vreewijk beter bekend onder de onbegrijpelijke naam De Bomzak, op de Willemskade is daarvoor de aangewezen plek: ‘Hij was bijziende. Zijn zoon deed het meeste in de zaak. En een lawaai altijd bij de fïetsenreparatie, alsof er alleen met zaag en hamer werd gewerkt, zo klonk het.’

De straat is het speelterrein voor de kinderen, er is nog ruimte en geen verkeer. In de diepe achtertuinen van de oneven huizen is ook veel te bele­ven. Daarachter ligt een grote boomgaard, waar het voor de lieve jeugd goed appeltjes en zelfs druiven pikken is: ‘Kaasboer Langeveld stond altijd voor het raam. Om hem te plagen spuugden we soms de afgekloven klokhuizen tegen zijn raam. Op een dag kwam hij ons achterna door de straat, de poort door. Wij, twee meiden, wisten ons te verstoppen in het nachthok van de kippen van Janis van der Berg. Die vertelde dat hij niets gezien had. Maar toen Langeveld uit het zicht was verdwenen, liep hij rechtstreeks naar onze verstopplek, maakte het deurtje open en zei alleen, en nou opsodem….’ De tuinen worden efficiënt gebruikt. Zo houdt opa Warmerdam biggen in zijn schuur. Er is er wel eens één ontsnapt door de heg toen de vrachtwagen het dier kwam ophalen. Sensatie voor de kinde­ren in de buurt, die er allemaal achteraan rennen. En opa Komijs heeft een schuur vol konijnen.

Boterbonnetjes sparen

Wanneer de slacht met de Kerst voor de deur staat, komen de kinderen kij­ken. En soms is er een uitje, buurtvereniging Wilhelmina organiseert een uitstapje naar Diergaarde Blijdorp, mits er voldoende boterbonnetjes zijn gespaard. Of met een hele stoet kinderen met de bus naar Langevelderslag, één moeder liep voorop, één moeder sloot de rij kinders. En in de bloementijd natuurlijk slingers rijgen, bij Schoone. Pubers hangen rond, ook toen. Voor hangjongeren die overlast geven is een adequate oplossing: ‘Wij stonden altijd op de hoek Wilhelminastraat-Vreewijk. Maar als we te luidruchtig waren, kregen we vanuit het slaapka­merraam van de aangrenzende woning één waarschuwing en als dat niet hielp werd de inhoud van de po over ons uitgestort.’ Dat het welkom voor de onwelriekende puber thuis niet erg hartelijk is, laat zich raden. Lief en leed is er gedeeld. Maar alles overdenkend zegt Anisija Van Ruiten-Baak: ‘Ik heb er een moordjeugd gehad’. De beide heren knikken.

Vreewijk vanaf de Heereweg gezien, pakweg dertig jaar geleden. De huisjes links op de foto zijn gesloopt en vervangen door nieuwbouw. De huizen aan de rechterkant staan er vandaag de dag nog altijd

 

De steenfabriek vóór en in de oorlog

In het artikel in het vorige Nieuwsblad over foto’s van bakker Out uit Hillegom wordt niet gesproken over de steenfabriek omdat Out geen foto’s heeft gemaakt.

Bultink, M.

Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

Kunstschilder H. Lugt vervaarigde in augustus 1929 dit portret van de directeur van de steen-fabriek in Hillegom, baron Arnoud van Hardenbroek van Ammerstol.

Zeer recent stuitte ik op wat notities die ik maakte toen ik mocht rondneu­zen in het in verval geraakte archief van de steenfabriek. In zijn algemeen­heid gold destijds dat Van Hardenbroek (de baron), mede vanwege de ver­dere technische ontwikkeling van het kalkzandsteencomplex, al ver vóór de oorlog nauwe banden onderhield met zijn collega’s in Duitsland. Hij was daar ook meerdere keren op bezoek en er waren in Hillegom ook tegenbezoeken van Duitse kalkzandsteenspecialisten, met wie vooral veel werd gediscussieerd over de verbetering van bet productieproces. Van Hardenbroek was duidelijk onder de indruk van de Duitse ‘Gründlichkeit’ en slagvaardigheid en toen Nederland in de jaren dertig in de crisis werd ondergedompeld, ontstond bij de baron meer en meer een afkeer tegen het economische beleid in ons land en hij stak dat niet onder stoelen of banken.

Zo correspondeerde hij uitgebreid met zijn in Zeist wonende neef, jonk­heer mr. Huydecoper, die zich ook graag afzette tegen ‘de ellendige staats­bemoeiing in het industriële bedrijf’. Zij schreven uitgebreid met elkaar over dit onderwerp. Een paar passages.

Rood-roomsch regime

“De tijden zijn anders geworden ofwel veel slechter dan destijds mocht worden verwacht. Het was beginjaren twintig ondenkbaar dat het rood-roomsche regime, dat ons nationaal vermogen door verpolitiekheid opsoupeerde, zoo lang zoude aanhouden en zelfs thans nog niet van de baan is. (…)Ik zie in Den Haag veel achter de schermen en ik ben wel ged­wongen van alle wetten kennis te nemen en veelal er tegen op te trekken. Mijn conclusie is dat Colijn wel goed wil, maar tegen de rest niet op kan. In een andere brief- gedateerd 3 april 1939- schreef hij: De rede van Romme heb ik ook aangehoord en mij geërgerd aan toon en stem en het zoo duidelijke gebazel voor de balie. Natuurlijk ben ik al lang bezig bij den Premier over mijn geval, doch de premier kan zeer weinig doen om zich niet zelf politiek heelemaal onmogelijk te maken. Hij zit geheel onder (deplak van) zijn roomsche ministers. En wat deze willen?

Onder de claque van de Socialisten den volke duidelijk maken, dat men bij hen kan krijgen wat men bij de nazi’s krijgt. Inmiddels doen zij met het afvlakken naar het mindere alles beroerder dan de nazi ‘s, die – met al hun fouten – toch in elk geval het beste laten werken en de efficiency hoog houden” .

Land verhuurd

En dan nog dit. Van Hardenbroek was weliswaar pro-Duits, maar toch ook wel zo zakelijk dat hij in de tijd van de mobilisatie in de omgeving van Noordwijkerhout land verhuurde waarop Nederlandse troepen hun oefeningen konden houden.

De steenfabriek in de oorlog

In het artikel ‘De steenfabriek De Amoud in de oorlog’ dat in de vorige aflevering van dit blad stond, vroeg auteur Hans Smulders zich af waarom er in het boek Hillegom ’40-45′ van Frans Out niets vermeld is over het oorlogsverleden van de Kalkzandsteenfabriek. De belangrijkste reden is heel simpel: het boek is gebaseerd op het foto­materiaal van bakker Frans Out, dat in 1984 en 1985 op twee exposities te zien was. Frans Out woonde en werkte tijdens de oorlog in de Hillegomse Hoofdstraat. Daar was de bakkerij en daar bezorgde hij brood aan huis. Frans Out kwam met zijn camera niet in de buurt van de Kalkzandsteenfabriek en heeft daar dus ook geen foto’s van gemaakt. Uiteraard is er voor het boek de nodige research gedaan in het Gemeentearchief Hillegom en bij het RIOD. Doel daarbij was om de foto’s met informatie aan te vullen, bijvoorbeeld over oorlogsschade aan panden, beschietingen en bombardementen, de jodenvervolging e.d. Het verleden van de steenfabriek is destijds eenvoudig geen onderwerp van onderzoek geweest, maar ook en passant zijn wij niet op interessante feiten gestuit, anders hadden wij die zeker in het boek vermeld.

De woelige stal: De boeiende historie van een boerderij in hartje Lisse

De Woelige Stal aan de Grachtweg behoorde toe aan de RK kerken tot de reformatie. Toen werd het in beslag genomen en verkocht. In 1636 wordt het verkocht aan Maertensz Block, die later Keukenhof zou bouwen. De bewoners en de geschiedenis vanaf die tijd wordt besproken.

door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

De voormalige boerderij De Woelige Stal, gelegen aan de Grachtweg behoorde toe aan de rooms-katholieke kerk. Ten tij de van de reformatie werd al het roomse grondbezit in beslag genomen en verkocht om met de opbrengst de zogenaamde “kerckendienaren” te ondersteunen in hun voornaamste levensbehoeften.

In 1636 wordt het gedeelte aan de Grachtweg verkocht aan Adriaen Maertensz Block. Block was “commandeur” geweest in de Molukken in dienst van de VOC. Later, in 1641, zou hij de bouwer worden van het huis Keukenhof. Bij bovengenoemde verkoop in 1636 is ter plaatse van de latere Woelige Stal reeds sprake van “seecker woninge, als huys, barch (hooiberg) ende geboomte daerop staende”. Reeds “op den laatsten Novembris 1636” verkoopt Block zijn aandeel in de gronden tussen de Grachtweg en de Broekweg weer door. Jan Janse Werkijn wordt dan de nieuwe eigenaar.

Diverse eigenaren, 1636-1722

Na het overlijden van Werkijn hebben zijn erfgenamen de woning aan de Grachtweg verkocht aan Hubert Quirinse Geel. Hij ging op zijn beurt een grondruil aan met dorpsgenoot Claas Adriaans van der Helder. Geel stond hierbij zijn huis aan de Grachtweg af en in ruil daarvoor verkreeg hij een huis met erf in het Oosteinde van Lisse (dus aan de noordkant van het dorp). Zo was dus Claas van der Helder vanaf 1698 de nieuwe eigenaar geworden van het huis aan de Grachtweg. Niet voor lang overigens, want negen jaar later verwisselt de woning weer van eigenaar en krijgt Jan Clase van Rode het huis in bezit.

Jan Clase

Jan Clase behoort tot een zeer omvangrijke familie die afwisselend Van Rode, De Roo of zelfs Van der Jagt of Ruijs wordt genoemd. Als Katholieke familie worden ze uitgebreid genoemd in het pas uitgebrachte werk over de parochianen van St. Agatha, 1687-1812. Jan Claesz van Rode was een zoon van Claes Jorisz, chirurgijn van beroep, en Crijntje Willemsdr Brelofsbergen. Hij huwde in 1699 met Catharina Cornelisdr Duyndam, maar deze kwam al spoedig te overlijden. Hij hertrouwde in 1706. In 1727 is Jan Clase overleden. Hij overleefde zijn vader slechts zes jaar. Het moet heel gewoon zijn geweest om voortdurend met leven en dood te worden geconfronteerd. De hygiënische omstandigheden waren nu eenmaal niet optimaal en voor vele ziekten bestonden nog geen medicijnen. Zo’n vijftien jaar heeft Van Rode genoten van zijn bezit. In 1722 bracht hij het weer in de verkoop. Als koper trad naar voren Otto Jacobse Kranenburg.

Bakker Kranenburg, 1722-1749

Kranenburg was bakker van beroep. Hij was in 1715 in het huwelijk getreden met Ariaantje Symons Hoogkamer. Daaruit waren zeven kinderen voortgekomen, waarvan er drie vroegtijdig overleden. Kranenburg zat er warmpjes bij. Hij had van zijn vader een en ander aan landerijen geërfd en ook van de kant van zijn vrouw waren bezittingen ingebracht. Zo bezat hij naast het huis aan de Grachtweg een drietal andere huizen. Een van de huizen had een erf met daarop een ovenhuis. Mogelijk zal Kranenburg dus hier zijn broodbakkersbedrijf uitgeoefend hebben. Ten behoeve van zijn dochter, Aagje, had hij in 1730 nog een huis met schuur en erf gekocht in het zogenaamde Oosteinde van Lisse. Aagje is er later een broodbakkerij begonnen en trad dus in de voetsporen van haar vader.

Gestolen zakken met rogge

“Lisse 1932”. Uiterst rechts Gerrit Warmerdam sr. (1866-1947). Links van hem zijn zoon Theodorus Petrus (geboren 1901). Achter het paard een zoge-naamde tilbury. (Coll Mw. Meeuwis s en-Warmerdam, Lisse.)

Op 3 oktober 1736 heeft Otto Jacobse, als vader en voogt van zijn dochter Aagje, Jan Kluyt voor het gerecht gedaagd. Aagje had bij de korenmolen bij de Gracht zes zakken rogge doen brengen. Nadat deze door de molenaar, Adriaan Luk, waren gemalen werden de zakken klaargezet om te worden opgehaald. Voordat dat kon gebeuren had echter bakker Jan Kluyt er zijn ogen op laten vallen. Toevallig had hij het meel op dat moment hard nodig. Hij sprak dan ook met de molenaar af de zakken ’s nachts bij hem te bezorgen. Dat gebeurde inderdaad, maar er was verraad in het spel. Toen de molenaar diezelfde nacht weer terugkeerde en het erf opreed van zijn molen werd hij gearresteerd door een viertal personen. Luk kreeg een geldboete aan zijn broek en werd verbannen “uyt den Lande van Rijnland”. Bakker Kluyt kwam er beter vanaf. Hij hoefde slechts de waarde van de gestolen rogge te vergoeden aan Aagje Kranenburg, alsook de waarde van “de ses sakken selfs”.

In het krijt bij de schout

Inmiddels bevond Kranenburg zich in financiële problemen. Reeds in 1725 en vervolgens in 1733 en 1734 had hij in totaal zo’n f 6000,- geleend van schout Jacob van Dorp. De schulden stapelden zich daarna steeds meer op, want over het geleende geld moest uiteraard rente betaald worden en de grondbelasting moest hij ook nog zien op te brengen. En die was hoog, want Kranenburg bezat nu eenmaal aardig wat huizen en landerijen. Al gauw stond onze bakker dan ook diep in het krijt bij de schout. Hij slaagde er niet in het hoofd boven water te houden en in 1749 ging hij dan ook over tot de openbare verkoop van een groot deel van zijn bezittingen. Ook het huis aan de Grachtweg werd verkocht: “Een Huys ende Erve aan de Graftweg (…) met de kot ende een Hooibarg daer op staende”. Nieuwe eigenaar werd Jan van der Jagt.
Otto Jacobse Kranenburg overleed in 1773. Kranenburg stierf als een arm man. Hij liet een zeer schamele inboedel na, waarin slechts een paar voorwerpen als “een paar goude hembsknoope” nog lijken te herinneren aan de welstand van weleer. In totaal beslaat de opsomming van zijn bezittingen één enkele pagina. Aan “gereede penningen” is een bedrag van slechts twee stuivers aanwezig…

Bewoners

Inmiddels is niet duidelijk wie er zoal op de plek van de Woelige Stal woonden. Waren de diverse eigenaren van het huis tevens bewoner? We weten het niet. Slechts één enkele maal lezen we de naam van een bewoner, namelijk die van Leendert Pieterse Wassenaer. In 1728 was hij in het huwelijk getreden met Trijntje Jansdr van Rode, zodat we na lange tijd de familie Van Rode toch weer aantreffen aan de Grachtweg. Trijntje heeft Leendert vijf kinderen geschonken, waarvan er waarschijnlijk twee jong zijn overleden. Na haar vroegtijdige dood in 1736 hertrouwde Leendert met Maria Dirksdr van Beijeren. Leendert is in 1774 overleden, zijn tweede vrouw in 1776.

De familie Van der Jagt, 1749-1817

We hebben reeds vernomen dat in 1749 Jan van der Jagt de nieuwe eigenaar was geworden van het huis aan de Grachtweg. Van der Jagt was reeds schout van Voorhout. Later, na het overlijden van de Lissese schout en secretaris Jacob van Dorp in 1746, kreeg hij er ook het schout- en secretarisambt van Lisse bij. Zo was dan Van der Jagt een vermogend man geworden. We zien hem dan ook overal in de omgeving van Lisse, Hillegom en Voorhout en zelfs in Haarlem huizen en gronden aankopen, daar dit immers als een goede geldinvestering werd gezien. Maar waar woonde hij nu in deze periode? Gedurende de laatste levensjaren van de vorige schout van Lisse, Van Dorp, had Van der Jagt bij hem, op diens fraaie buitenplaats Mossenhof (tegenover de kerk aan de Heereweg), ingewoond. Waar hij na de dood van Van Dorp in 1746 heeft verbleven, hebben wij helaas niet kunnen achterhalen. Mogelijk was hij op Mossenhof blijven wonen, dat hij inmiddels zelf aangekocht had. De latere Woelige Stal zal waarschijnlijk verhuurd zijn geweest, maar aan wie is onbekend. Reeds in 1754 maakt hij te Rotterdam zijn testament op. Hij legateert hierin aan zijn jongste broer Maarten zijn bezit aan de Grachtweg. Op 31 december 1762 kwam de Lissese schout en secretaris te overlijden en trad Maarten van der Jagt in het bezit van het bovengenoemde goed. Deze werd na zijn dood in 1787 opgevolgd door Cornelis van der Jagt. Van deze persoon weten we dat hij tevens bewoner is geweest van de latere Woelige Stal. Bovendien wordt hij bij verschillende gelegenheden ook aangeduid als “Bouwman”, dus boer, waardoor we dus kunnen stellen dat het door hem verworven bezit aan de Grachtweg in deze periode de functie had van boerenbedrijf.
In 1817 heeft Van der Jagt zijn boerderij aan de Grachtweg verkocht aan Simon Langeveld. De familie Langeveld zullen we hier tot 1900 aantreffen.

Drieëntachtig jaar Langeveld

Simon Langeveld was geboren te Aerdenhout in 1774. Hij huwde met Catharina van der Pol op 17 april 1817 en betrok de boerderij aan de Grachtweg. In het bevolkingsregister over de jaren 1830-1840 staan een zestal kinderen vermeld op huisnummer 159, namelijk Johannes, Jacobus, Petrus Johannes, Maria, Geertruida en Simon. Na het overlijden van Simon nam diens zoon Jacobus het boerenbedrijf aan de Grachtweg over. In 1866 huwde hij Jacoba Duindam, maar reeds in 1877 overleed zijn echtgenote. Jacobus zelf stierf in 1888. Eén van zijn dochters, Catharina genaamd, trouwde in 1891 met Gerardus Petrus Warmerdam, geboren te Noordwijkerhout in 1866. Ze zetten samen het boerenbedrijf voort en kre­gen veertien kinderen. Op 7 december 1900 heeft Gerardus de boerderij van de erven Jacobus Langeveld gekocht en kwam er aldus een einde aan drieëntachtig jaar Langeveld.

G.P. Warmerdam sr. en jr.

Het was een groot gezin dat omstreeks 1900 in de latere Woelige Stal woonde. Gerrit Warmerdam sr. had acht zonen en zes dochters. De meisjes sliepen op de zolder boven het eigenlijke woongedeelte aan de Grachtweg, terwijl de jongens boven de stal achter het huis de nacht doorbrachten. De koeien gingen in de maanden april tot en met oktober het land op.

Aanvankelijk graasde het vee op de Hoppoel , nabij de korenmolen aan de Gracht. De Hoppoel is later verkocht aan de gemeente Lisse. Boer Warmerdam kreeg er land in de Haarlemmermeer voor in de plaats. ’s Avonds werd er muziek gespeeld of geklaverjast met de buren of eigen familie. Mevrouw Langeveld: “Het zat in de traditie van de streek. Als je niet gepandoerd (geklaverjast) had, -was het niet goed met je buren “. De jaren gaan voorbij en we bevinden ons inmiddels in 1935. In dat jaar is boer Warmerdam overgegaan tot sloop van de oude boerenwoning. Een deel van het huidige gebouw van Grachtweg 9 is hierbij totstandgekomen. Einde van het boerenbedrijf

Op 20 mei 1943 heeft Gerrit Warmerdam jr. de boerderij overgenomen van zijn vader. Het wordt dan omschreven als: “De boerderij aan de Grachtweg, bestaande uit woonhuis, koetshuis, koestal, paardenstal, var­kensstal, houten stal en erf “. Gerrit jr. was geboren te Lisse in 1911 en getrouwd in 1940 met Catharina M.P. van der Stap. Halverwege de jaren zeventig heeft Gerrit Warmerdam zijn boerenbedrijf beëindigd. In verband met de aanleg van een parkeerplaats heeft de gemeente Lisse in 1980 het overgrote deel van het erf met daar op staande stallen gekocht en vervolgens gesloopt. Gerrit is tot aan zijn dood (2001) in De Woelige Stal blijven wonen.

Met dank aan: de heer en mevrouw Langeveld te Lisse, mevrouw Meeuwissen-Warmerdam te Lisse.

Geraadpleegde bronnen: Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage, Rechterlijk Archief Lisse, Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters.

l De Hoppoel was een poeltje dat niet ver van de Gracht gelegen was. Het komt reeds op 17^e eeuwse kaarten voor.

De woelige stal begin 20e eeuw. Groepsfoto genomen vanaf de Grachtweg. Van links naar rechts: Catharina (1904-1943), Johanna en Jacobus Warmerdam (1906-1930). (Coll. J. Langeveld te Lisse.)

Drieëntachtig jaar Langeveld

Simon Langeveld was geboren te Aerdenhout in 1774. Hij huwde met Catharina van der Pol op 17 april 1817 en betrok de boerderij aan de Grachtweg. In het bevolkingsregister over de jaren 1830-1840 staan een zestal kinderen vermeld op huisnummer 159, namelijk Johannes, Jacobus, Petrus Johannes, Maria, Geertruida en Simon. Verderop in de straat richting de korenmolen woonde op nummer 158 Dirk Houwaard, gevolgd door Batha Roelofswaard. Op nummer 156 woonde molenaar Jan Jacobus van Rhijn. Daarnaast woonde metselaar Pieter Veldhoven met gezin, koopman Gerrit Hulsbosch en, ter plaatse van de huidige winkel van Tibboel, vrederechter Gerardus A. Entink, gehuwd met de uit Paramaribo afkomstige Sara Maria Andrika Bedloo. Na het overlijden van Simon nam diens zoon Jacobus het boerenbedrijf aan de Grachtweg over. In 1866 huwde hij Jacoba Duindam, maar het huwelijk was van korte duur. Reeds in 1877 overleed zijn echtgenote. Jacobus zelf stierf in 1888. Eén van zijn dochters, Catharina genaamd, trouwde in 1891 met Gerardus Petrus Warmerdam, geboren te Noordwijkerhout in 1866. Ze zetten samen het boerenbedrijf voort en kregen veertien kinderen. Op 7 december 1900 heeft Gerardus de boerderij van de ervan Jacobus Langeveld gekocht en kwam er aldus een einde aan drieëntachtig jaar Langeveld.
Dezelfde familie Langeveld is overigens ook eigenaar geweest van het zogenaamde “kaaspakhuisje”aan de Grachtweg, tegenwoordig Grachtweg 1a. Maar daarover meer in een afzonderlijke studie.

G.P. Warmerdam sr. en jr., 1900-2001

Het was een groot gezin dat omstreeks 1900 in de latere Woelige Stal woonde. Gerrit Warmerdam sr. had acht zonen en zes dochters. De meisjes sliepen op de zolder boven het eigenlijke woongedeelte aan de Grachtweg, terwijl de jongens boven de stal achter het huis de nacht doorbrachten. De koeien gingen in de maanden april tot en met oktober het land op. Aanvankelijk graasde het vee op de Hoppoel1) , nabij de korenmolen aan de Gracht. De Hoppoel is later verkocht aan de gemeente Lisse. Boer Warmerdam kreeg er land in de Haarlemmermeer voor in de plaats.
’s Avonds werd er muziek gespeeld of geklaverjast met de buren of eigen familie. Mevrouw Langeveld: “Het zat in de traditie van de streek. Als je niet gepandoerd (geklaverjast) had, was het niet goed met je buren”. De jaren gaan voorbij en we bevinden ons inmiddels in 1935. In dat jaar is boer Warmerdam overgegaan tot sloop van de oude boerenwoning. Een deel van het huidige gebouw van Grachtweg 9 is hierbij totstandgekomen.

“Lisse 1932”. Uiterst rechts Gerrit Warmerdam sr. (1866-1947). Links van hem zijn zoon Theodorus Petrus (geboren 1901). Achter het paard een zogenaamde tilbury. (Coll. Mw. Meeuwissen-Warmerdam, Lisse.)

Einde van het boerenbedrijf

Op 20 mei 1943 heeft Gerrit Warmerdam jr. de boerderij overgenomen van zijn vader. Het wordt dan omschreven als: “De boerderij aan de Grachtweg, bestaande uit woonhuis, koetshuis, koestal, paardenstal, varkensstal, houten stal en erf”. Gerrit jr. was geboren te Lisse in 1911 en getrouwd in 1940 met Catharina M.P. van der Stap.
Halverwege de jaren zeventig heeft Gerrit Warmerdam zijn boerenbedrijf beëindigd. In verband met de aanleg van een parkeerplaats heeft de gemeente Lisse in 1980 het overgrote deel van het erf met daaropstaande stallen gekocht en vervolgens gesloopt. Gerrit is tot aan zijn dood (2001) in De Woelige Stal blijven wonen.

Met dank aan: de heer en mevrouw Langeveld te Lisse, mevrouw Meeuwissen-Warmerdam te Lisse.
Geraadpleegde bronnen: Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage, Rechterlijk Archief Lisse, Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters.

1) De Hoppoel was een poeltje dat niet ver van de Gracht gelegen was. Het komt reeds op 17de eeuwse kaarten voor.

 

De boeiende geschiedenis van Nicolaas Dames deel 2

Het borstbeeld van Nicolaas Dames staat voor het nieuwe gebouw van Praktijkonderzoek Plant en omgeving Bloembollen (PPO). De familie Dames was een van de eerste, die vanuit Heemstede/Haarlem naar de Bollenstreek ging om hyacinten te telen. Zij vervroegden als een van de eersten hyacinten voor tentoonstellingen in Lisse en Haarlem. De compagnon van Dames was Gerardus van der Horst. De geschiedenis van Gerrit van der Horst wordt besproken. Het land was tegenover Wildlust

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

Het monument voor Nicolaas Dames in de tuin van nieuw PPO aan de Heereweg.

Hyacinten uit Lisse de beste ter wereld
Zijn borstbeeld staat sinds enige tijd op een opvallende plaats: in de voortuin van het nieuwe pand van Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (de opvolger van het Laboratorium voor bloembollenonderzoek) aan de Heereweg in Lisse. Maar wie was Nicolaas Dames en hoe belangrijk was hij voor de bloembollen? Wij vertellen zijn levensverhaal.

De tijd kwam dat door meerdere Lissese kwekers collecties vervroegde bolgewassen, in hoofdzaak hyacinten, werden tentoongesteld. Men ontving dan uitnodigingen om een kijkje te komen nemen en dat heeft er veel toe bijgedragen de slechte naam van de Lissese bollen weg te nemen. Dit werd nog versterkt toen enkele kwekers zo vermetel waren om zelfs op de vijfjaarlijkse tentoonstellingen te Haarlem collecties vervroegde bollen in te zenden. En alsof dit niet genoeg was, gingen ze zelfs zover, dat men ze te Lisse onder de aandacht bracht in de jaren dat er in Haarlem geen expositie was. Werden de vijfjaarlijkse exposities te Haarlem gehouden in de laatste dagen van maart, in Lisse organiseerde men ze in de eerste helft van de maand februari. Beide organisaties hadden voor deze datums hun geldende redenen. De exposities te Haarlem dienden niet alleen om hyacinten te exposeren, maar ook verschillende bijgewassen. Dit gold vooral in die tijd voor de Amarylissen. Die te Lisse wilden aantonen dat hyacinten bijzonder geschikt waren om in het vroege voorjaar te bloeien en dat de bollen uit Lisse de beste waren.

Soldaten in het gelid
De tentoonstellingen werden gehouden op de bovenzaal van het hotel de Witte Zwaan en trokken steeds veel bezoekers uit de hele regio. De tentoonstellingscommissie was nogal vrijgevig met vrijkaartjes en daardoor ontstond op sommige momenten wel eens wat te veel gedrang. En daar stonden ze dan: lange rijen hyacinthen als soldaten in het gelid, op potten of glazen. Elke plant werd beoordeeld naar de grootte en volmaaktheid van de bloem. Om een smaakvol geheel te maken moest men de paden afzetten en bij gebrek aan graszoden gebruikte men daarvoor groen geverfde houtwol. Was het wat druk, dan had die afzetting wel wat te lijden van de voeten der bezoekers, vooral van de damesbezoekers, die van elke bloem het naadje van de kous wilde zien en weten. De herinnering is dat op zulke momenten de suppoosten luid hun stem verhieven en riepen: ,,De heren worden beleefd verzocht niet op het gras te trappen”. Hoe men er toe kwam om geverfde houtwol tot levend gras te verhogen, is een raadsel gebleven, maar inmiddels is het wel zo dat men in het bloembollenvak thans bijzonder goed weet hoe men de producten op tentoonstellingen moet etaleren.

Wildlust
Tot de allereersten, zoal niet de eerste die uit de omstreken naar de Zuid trokken (een toen algemeen gebruikte aanduiding voor onze bollenstreek), behoorden Van der Horst en Dames, die voor die tijd te Heemstede gevestigd waren. Zij verplaatsten hun bloembollenkwekerijbedrijf naar Lisse naar een oude boerenwoning, met het daarbij behorende land, gelegen aan de vaarsloot tegenover de buitenplaats Wildlust.
Gerardus Franciscus van der Horst,onder de vakgenoten Gerrit, werd geboren te Haarlem. Zijn vader was timmermansknecht en zijn moeder verdiende als naaister er nog wat bij. Het waren eenvoudige centzuinige mensen die elke gulden die zij niet voor hun huisgezin nodig hadden opzij legden, om voor hun Gerrit en zijn enige zuster een toekomst te scheppen. Reeds als kind openbaarde zich bij Gerrit de liefde voor bloemen en planten en dit bracht zijn ouders ertoe om hem na de lagere school bloemistleerling te maken. Het bloembollenvak in dus. Kijk dit leek de ouders zo iets, waarin veel geld te verdienen was en geholpen dus met hun spaarpenningen meenden zij dat hun zoon het wel zeer ver, althans financieel, in de wereld zou brengen. Ofschoon dit wel het geval is geweest, hebben zijn ouders hun toekomstplannen niet verwezenlijkt gezien.

De beste leerschool

Het is december 1938. Twee dagen vo* in bloei. Dit keer op de show ‘Bloemlusl overleggen voordat ze een oordeel vellen dagen vor Kerstmis staan puike hyacinten BloemluS’ in Sassenheim. De keurmeesters leel vellei,

 

Gerrit werd op zeer jeugdige leeftijd als bloemistleerling geplaatst bij de firma A. en J.J. Roozen te Overveen. Deze firma gold in die tijd als de beste hyacintenkweker in de bloembollenstreek. In deze leerschool moest hij alle werkzaamheden doen welke voorkwamen, maar hij ontving daarvoor dan ook zaterdagsavonds zijn weekloon, dat lang geen schat was. Dit werd zorgvuldig opgespaard en aangevuld met wat dubbeltjes uit moeders spaarpot en voor dit bedrag kocht hij van zijn patroon wat hyacintenbollen. Hij holde ze uit en reeds op dertienjarige leeftijd was Gerrit dus bloembollenkweker. Hij maakte te Overveen kennis met de bij sommige vakgenoten van de oude garde nog welbekende heer P.W. Voet, die toen evenals hij, het vak leerde. Met hem begon hij gedurende de wintermaanden op zeer primitieve wijze het vervroegen van de bloembollen en vooral hierin hebben beiden bijzonder uitgemunt. Hun kennis op dit terrein ging zelfs zo ver, dat op de Internationale Tuinbouwtentoonstelling te Amsterdam hun inzendingen van vervroegde hyacinten bekroond werden met de eerste en tweede prijs. Dit voorval gaf de toenmalige mededingers nogal wat stof voor op- en aanmerkingen, hetgeen toenam toen het Van der Horst het lukte om op de Vijfjaarlijkse Tentoonstelling van 1900 te Haarlem, de eerste prijs te behalen met een collectie vervroegde hyacinten in potten. Drie stuks van elke soort. Zo iets had men nog nimmer gezien en Van der Horst kreeg toen de naam van de Koning der hyacintenvervroegers.

Koopman eerste klas
Ook op latere leeftijd heeft hij meermalen blijk gegeven van zijn kunnen op dit terrein. Langzamerhand breidde zijn kraampje hyacinten zich uit, maar met die uitbreiding kwam ook de tegenspoed. Het nieuwe- of geelziek, de toenmalige uitdrukking, richtte in zijn kraampje geduchte verwoestingen aan en daardoor raakte onze vriend een weinig aan lager wal. Hij moest dus door bijverdiensten in zijn onderhoud voorzien. Gerrit kwam in contact met de toenmalige firma J.W.Paardekoper & Co te Noordwijk. Met deze kwam hij overeen om aldaar bloembollenkweker te worden en hij ging het jaar daarop voor deze firma op reis naar Duitsland. Er was echter wel een bezwaar, want hij kende de taal niet. Nood breekt wet en dus ging hij in de winter bij een van zijn kennissen privé-les nemen. Dat was bij de heer van Dobbelen, het toenmalige hoofd der openbare lagere school te Voorhout. Na vier maanden les, meende Gerrit bekwaam genoeg te zijn om op reis te gaan en bollen te verkopen. Bij de eerste reis bleek reeds zijn talent: hij was een koopman eerste klas!!

Het Instituut Melman
Nog maar zeer kort in Noordwijk gevestigd, waar hij onder zijn vakgenoten algemene achting genoot, maakte hij kennis met mejuffrouw Anna Braun, met wie hij een paar jaar later in het huwelijk trad. Ze vestigden zich in de Koediefslaan te Heemstede. Er waren vooral twee redenen, die van der Horst ertoe brachten om zijn woonplaats van Noordwijk naar Heemstede te verplaatsen. In de eerste plaats maakte hij in kennis met de heer Melman van Bronstee. Deze boerenzoon uit de Haarlemmermeer, was gehuwd met de dochter van de landbouwer-bloembollenkweker van Dril die zich meer aangetrokken voelde tot de bloembollen dan tot de koeien en zich daarom op de cultuur daarvan toelegde. Hij was het die van der Horst ertoe aanzette om bij hem op de tuin hyacinten te trekken voor de tentoonstellingen. Hij deed dit hoofdzakelijk om van Van der Horst en van de verschillende kwekers die een bezoek kwamen brengen datgene te leren, wat hij voor de uitoefening van zijn nieuwe bedrijf nodig had. Er ontstond door het dagelijkse contact met verschillende kwekers, wat men in die dagen weleens spottend noemde: Het instituut Melman. Op het bedrijf kwamen onder anderen Nicolaas Dames (jawel, hier komt onze Nicolaas op de proppen), J.v.d. Weyden, H. Ruysenaars, P. Eldering, A. Smit, H.v.d. Zijl en anderen. Daar werden de meest actuele vraagstukken op het gebied van hyacintencultuur behandeld. En een zo’n probleem was de vraag hoe de bollen behandeld moeten worden om tegen Kerstmis te bloeien.

Duitse belangen
Het ging in de jaren 1880-1890 met de hyacinten steeds in neergaande lijn en de prijzen hielden daarmee een nauw verband. Hoofdoorzaak daarvan was de mindere afzet in Duitsland, waar de meeste bollen gebruikt werden, maar vooral gevraagd waren om tegen Kerstmis in bloei te zijn. In Duitsland zelf werden ook hyacinten voor dat doel geteeld en dat scheen te lukken. Wie in die jaren de opgeklopte advertenties in de Duitse vakbladen las, zal zich menigmaal de vraag hebben gesteld, waar ons eigen bollenvak eigenlijk bleef. Het waren slechts enkele kwekers, die het meest aan hun Duitse belangen dachten.

Kerstbloei
Een van de stilzwijgende toehoorders tijdens de gesprekken over dit soort onderwerpen was H. van Zijl, de meesterknecht van de firma C.G. van Tubergen te Haarlem (thans in Lisse gevestigd). Hij nam goede nota van wat hij hoorde en wist dat op Zwanenburg in praktijk te brengen. Melman was in het bezit van een vrij uitgebreide verzameling nieuwe hyacinten, merendeels zaailingen en afkomstig van J.H.Veen te Haarlem en het was vooral met deze soorten dat Van der Horst proeven nam om er Kerstmisbroeiers van te maken.
Toen de Algemene Vereniging voor Bloemencultuur een tentoonstelling uitschreef van vervroegde hyacinten, in te zenden op de wintervergadering omstreeks Kerstmis, deden de trekkers hun best, maar Van der Horst was de enige inzender met een drietal potten hyacinten. Dit was wel een bewijs dat men met de Kerstmisbroei nog lang niet was waar men wezen wilde. Een stap verder kwam men in 1891. Wederom waren er meerdere soorten uit de collectie Melman. En zo waar; in het Haarlems Dagblad kon men de advertentie lezen, dat men op 2e Kerstdag bij de heer Van der Horst op de Koediefslaan een drietal potten met ER. Montagne Bernard in volle bloei kon bezichtigen.

Verwondering alom
Het was een mooie heldere namiddag dat men op de Koediefslaan een file van bloemisten uit Haarlem en omstreken, ja zelfs uit Lisse, Hillegom en Noordwijk kon vinden, allen nieuwsgierig naar hetgeen daar te zien was. En wat men zag, wekte wel de verwondering van alle vakgenoten. Een volmaakte donkerrode soort met grote bloemen, juist dus dat wat men zo graag wilde, stond daar voor het raam van de huiskamer te pronken. Uit de gesprekken, die men daar hoorde, kon worden opgemaakt dat allen de mening waren toegedaan, dat men in Montagne Bernard de toekomstsoort voor de Kerstmisbroei gevonden had.
Melman de partijhouder van deze soort meende van dit gunstig oordeel een handig gebruik te moeten maken. Hij sloeg elk aanbod om te verkopen van de hand, maar zei toe te overwegen om er in het voorjaar 1892 enkele regels van in openbare veiling te brengen. En dit gebeurde ook. Een tiental regels werden aangeboden en van deze stonden een drietal bloemen, goed beschermd, nog in bloei. Het schermmateriaal werd voor de aanvang van de verkoop weggenomen en allen stonden verbaasd over de volmaakte bloemen. Zij vonden dan ook gretige kopers, tegen de toen ongekend hoge prijs van f. 70,- per regel.
De tweede reden waarom Van der Horst zijn bedrijf naar Heemstede verplaatste was zijn nadere kennismaking met Dames. Daarover een volgende keer meer.

Het is december 1938. Nog maar twee dagen voor Kerstmis en in de bollenstreek staan puike hyacinten in bloei. Dit keer niet aangedragen in het befaamde Krelagehuis in Haarlem, maar op de show ‘Bloemlust’ in Sassenheim. De keurmeesters filosoferen nog wat over de inzending voordat ze een oordeel vellen.

Nicolaas Dames , de oprichter van het bedrijf en een belangrijke bollenteler in Lisse Een foto uit 1932 van Nicolaas Dames

Wordt vervolgd

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Jan Bader verkocht bollen in alle staten van Amerika

Jan Bader verkocht bollen in alle staten van Amerika. Over zijn werkzame leven in de bollen heeft hij een boek gemaakt. Het boek is goed leesbaar en voorzien van talloze illustraties.

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

door Arie in ’t Veld

Wie een generatie lang alle ups en downs in het bloembollenvak mee­maakte en bovendien ook nog veel reisde, heeft veel te vertellen. Zo iemand is Sassenheimer Jan Bader die in het boek Jan Bader vertelt…, de wereld van de bloembollen vertelt over zijn leven in de turbulente bloembollenwereld. Het boek is goed leesbaar geschreven en voorzien van talloze illustraties.

 

Op de vraag aan Bader waarom hij zijn herinneringen te boek heeft gesteld antwoordt hij dat het idee ontstond toen hij 65 jaar was geworden. “Ik heb in de jaren dat ik in de bloembollenbemiddeling werkte ongelooflijk veel meegemaakt en dacht dat het wel de moeite waard zou zijn om die beleve­nissen vast te leggen en daarmee tevens de ontwikkelingen van de streek, maar vooral ook die van het bloembollenvak te schetsen.” Bader heeft het goed gezien want de belangstelling voor zijn boek is groot.

Start

Was het bloembollenleven Jan Bader met de paplepel ingegoten en moest hij als kleuter al de handjes uit de mouwtjes steken om bloembollen te rapen, toen hij op dertienjarige leeftijd aan de bak moest om te helpen ertoe bij te dragen dat zijn moeder (vader Henk Bader overleed op zeer jeugdige leeftijd) haar acht kinderen kon grootbrengen, startte hij bij de toenmalige drukkerij de Gruiter in Sassenheim als loopjongen. Of eigenlijk meer als fietsjongen, want jonge Jan bracht per transportfiets (met zo’n mand op het voorwiel…) het drukwerk naar de klanten. Nog voordat Jan vijftien jaar werd ging hij terug in de bollen en kwam in dienst van bloem-bollenhandelaar Gerard Meyer. Geen prettig persoon om voor te werken, maar ja voor een loon van zeven gulden vijftig per week (ca. 1949) klaag je niet. Op de bloembollenbeurs in het Krelagehuis lonkte echter en andere wereld in de persoon van Herman Schouten van de firma J. Onderwater en Co te Lisse. Hij bood Bader een baan als inkoper aan en om zijn aanbod kracht bij te zetten bood hij hem het dubbele salaris aan. Zo’n kans pakje natuurlijk met beide handen aan, maar dat het niet van een leien dakje ging

wordt door Bader in zijn boek ook uit de doeken gedaan. Het is ook de periode waarin Bader er blijk van gaf de ambitie te hebben om in het bui­tenland aan de gang te gaan. In die jaren een hele operatie, maar in het bollenvak niet zo heel erg vreemd, want de bollenreizigers zwierven toen al over de hele wereld uit. Boeiend vertelt Bader in het boek over zijn periode in Engeland om eerst de taal machtig te worden en vervolgens zijn reizen (hij was inmiddels 19 jaar) door z’n beetje alle staten van Amerika. Met zeer wisselend succes. Zijn eerste reis ging per vrachtboot. Twee weken op volle zee, met soms metershoge golven. Nadat hij zich had bewezen werd per vliegtuig gereisd. En altijd weer was er die keiharde opdracht om met zo gering mogelijke kosten zoveel mogelijk orders in het boek te krijgen. Soms lukte dat bijzonder goed, soms ook niet of nauwe­lijks. Natuurlijk werden er in die tijd ook veel mensen ontmoet en toont Bader met gepaste trots de foto waarop hij samen met de legendarische Louis Armstrong is te zien.

Regio

Uitgebreid vertelt Bader over zijn werk bij de CNB (de toenmalige HBG) in Lisse, de oprichting en ondergang van het bemiddelingsbedrij f ABM en het bemiddelingsbedrij f Bader en doorspekt zijn tekst met talloze anekdo­tes. In het boek wordt tevens uitgebreid aandacht besteed aan de ontwikke­ling van het bloembollenvak tot aan de dag van vandaag. Een tijdsbeeld, waarin de lezer niet alleen een goede indruk krijgt van de manier waarop de bloembollenbedrijven, zowel teelt als export, zich hebben ontwikkeld, maar waaruit tevens een goed beeld is op te maken over het wonen, leven en werken in de duin- en bollenstreek. Als je met Bader over zijn boek praat, belandt hij spoedig op het puntje van zijn stoel en lijkt een tweede boek al in de maak omdat het vastleggen van de herinneringen nieuwe her­inneringen heeft opgeroepen. Maar het is nog niet zo ver dat hij opnieuw de pen ter hand neemt om zijn vervolgherinneringen aan het papier toe te vertrouwen. “Eerst maar eens afwachten hoe goed dit boek aanslaat, voor­dat ik weer zo’n klus oppak”, aldus Jan Bader die intussen tevreden kan constateren dat de belangstelling voor zijn boek groot is.

Jan Bader vertelt…, de wereld van de bloembollen. Prijs €25,-

 

Nostalgie naar de hechte katholieke tijd van toen

Piet Reewijk en Jan Tempel praten over het wel en wee van buurtschap De Engel. De geschiedenis van de Engel komt aan de orde, evenals de kerk, de woningbouw, de omgeving en allerlei gebeurtenissen in de Engel. De woningen uit 1937 staan er nog steeds.

door Ine Elzinga  en fotografie: Hans Smulders

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 2, april 2004

Buurtschap De Engel

De eerste woningen die de net opgerichte woningbouwvereniging Gezinsbelang in 1937 oplevert, staan er nog steeds. Dat geldt trouwens voor de gehele wijk. Piet Rewijk, die hier zijn hele leven al woont, praat samen met Jan Tempel over het wel en wee van buurtschap De Engel: ‘Het is altijd een hechte katholieke buurt geweest. De mensen kenden elkaar allemaal. In 1974 zijn veel ouderen naar woonzorgcentrum De Eikenhorst, dat toen werd opgeleverd, verhuisd. Nu de woonverdeelcommissie de woningen toewijst, verandert er veel. Er komen hier steeds meer mensen van buiten wonen, je kent elkaar niet meer. De saamhorigheid is weg, Dat is echt jammer.’

Over de allereerste huizen van buurtschap De Engel is niet veel bekend. Piet Rewijk weet dat de naam van het buurtschap afkomstig van herberg de Witte Engel, wat rond 1600 hier een pleisterplaats moet zijn geweest. Wel is bekend dat Joris Maartensz Langeveld op 24 januari 1639 herberg de Engel heeft gekocht. Veel recenter is de informatie uit de uitgaven ’50 jaar geschiedenis van de Engelbewaardersparochie 1929-1979′ en ’50 jaar woningbouwvereniging Het Gezinsbelang1935-1985′. Er stonden hier en daar wat woningen en de laatste nieuwbouw dateerde uit 1908. De bevolking is overwegend katholiek en aangewezen op Lisse of Sassenheim of op de schuurkerk, gelegen aan de Achterweg. Op 29 december 1928 krijgt N.W.Sentenie, kapelaan in Den Haag, de opdracht van Monseigneur Aengenent, bisschop van Haarlem, een nieuwe parochie op de richten ergens tussen Lisse en Sassenheim. Hij laat zijn oog vallen op een ‘schitterend’ terrein nabij de Beekbrug, eigendom van Wilhelmus Heemskerk die gehuwd is met Maria Hoogduin. Zij geven hem het terrein ten geschenke!
Niet alles gaat van een leien dakje, maar na hard werken is in 1931 alles, behalve de tuin, gereed en staan op het terrein een noodkerk, een hoofdkerk met pastorie, een bijkerk met kosterswoning, twee scholen (een jongens- en meisjesschool), een zusterhuis en een bewaarschool.

Rijke streek
Rewijk, een man met een geheugen als een wandelend archief, gaat terug in zijn eigen geschiedenis om een beeld van de Engel te geven. Levendig vertelt hij: ‘In de jaren twintig (1920) was dit een rijke streek, er was werk, het ging goed in de bollen. Mannen van elders kwamen hier werken. Mijn vader kwam uit Kudelstaart, mijn moeder uit Nieuwveen. Zij hebben eerst in het koetshuis van Ter Beek gewoond, dat was toen trouwens al onbewoonbaar verklaard. Ik ben daar geboren. De zogenoemde Oude Griebus bestond uit een rijtje van zeven woningen langs de Heereweg, tegen de tweede Poellaan aan, vlak langs de tram. Een volwassen man kon zo bij de dakgoot, zo laag waren ze en erg bouwvallig. Dat buurtje had een slechte naam, maar toen de huizen leegkwamen, was het een heerlijk speelterrein.’
Het buurtschap heeft een eigen brandspuit, sinds 1909 tussen de panden van Onderwater en Duineveld gestald. De enthousiaste brandweergasten waren in 1928 als eerste ter plekke, met de benenwagen, toen het splinternieuwe Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in brand stond. De Engel heeft dan (waarschijnlijk vanaf 1920) ook café Juffermans (nu Restaurant Bar De Engel). Rewijk: ‘Ik weet niet precies vanaf wanneer. Maar wijlen moeder Juffermans-van der Velde was de ‘sociaal werkster’ van de Engel. Ze verloor haar man al jong, die heeft zich dood gedronken, en bleef achter met een groot gezin, leuke jongens trouwens. Ze heeft het bedrijf weer helemaal op poten gekregen en was echt de moeder van de Engel.’

Gejuich
Er is behoefte aan woningen, de jeugd vliegt uit. Voor een kleine doch hechte gemeenschap als De Engel is dat onverteerbaar. De kerk staat er al evenals de school. ‘Piet Romijn was voorzitter van het kerkbestuur en hij kwam op het idee een woningbouwvereniging op te richten.’ Dat idee wordt op een bijeenkomst van de bewoners met gejuich ontvangen. In maart 1937 levert de kersverse woningbouwvereniging Gezinsbelang de eerste woningen op, aan het Engelplein en de eerste rij aan de Nicolaas Damesstraat (37 woningen, komplex 1, er zullen er nog drie volgen) tot aan de poort. ‘In dat poortje had Gezinsbelang aanvankelijk een kantoortje. Ledenvergaderingen werden in het parochiehuis gehouden, en als een kind volwassen was geworden, werd het als vanzelfsprekend lid. De huur van die eerste woningen bedroeg f3,20, best redelijk voor die tijd. Er kwamen grote gezinnen te wonen, 12 kinderen was geen uitzondering. In de eerste 14 woningen van het Engelplein woonden op een zeker moment 137 kinderen!!!
Toen er eens drie gezinnen met elk veertien kinderen vrijwel gelijktijdig verhuisden, was dat ook een probleem voor de school,’ herinnert Rewijk zich met een grijns. Later is de Nicolaas Damesstraat doorgetrokken, die woningen waren iets anders, komplex 2. ‘Langs de Mallegatsloot was een speelterrein, een zandvlakte met een grote en een kleine schommel, een wip en een zandbak. Daar werd veel gespeeld. In de oorlogsjaren zijn die speeltoestellen opgestookt in de kachels.’ Pas in 1959 komt er een nieuw speelterrein, ‘Kindervreugd’ aan de westkant van de De Haanstraat. Na de oorlog volgen nog twee komplexen, in totaal zo’n 170 woningen. Na 1956 krijgt de woningbouwvereniging geen toestemming meer van het Provinciaal bestuur om nog verder uit te breiden.

Piet Rewijk en Jan Tempel in de Engel

Weinig veranderd
Beide heren hebben altijd met veel plezier in de Engel gewoond. Over die eerste woningen van Gezinsbelang zegt Rewijk: ‘Dit zijn mooie solide huizen, de eerste dakpannen liggen er nog op. Er is in de loop van de tijd weinig aan veranderd.’ Tempel voegt daaraan toe: ‘Vroeger was de huidige woonkamer de helft kleiner, de andere helft bestond uit een slaapkamer, een toilet en een kleine keuken. Later is er een keuken aan de achterkant aangebouwd, wat de woonkamer tweemaal zo groot maakte, je ziet dat nog aan het plafond. Op de eerste verdieping hadden we een grote overloop en vier slaapkamers. Die overloop is verkleind, de vier slaapkamers zijn er nog.’ Rewijk vertelt dat er ook een vliering is: ‘En dat was wel nodig met die grote gezinnen toen. Zelf heb ik ook lang op zolder geslapen, ik kom uit een gezin van negen.’

Geen vetpot
In de crisistijd, jaren dertig, stort de bollenhandel in. Rewijk: ‘Mijn vader was een harde werker, hij pakte alles aan. Maar hij kwam ook regelmatig in de steun terecht, f11,- per week. Met een huur van f3,25 en negen kinderen was dat geen vetpot.’ De oorlogstijd is een zware tijd. Een aantal mensen moet hun huizen verlaten, op gemeentelijk dwangbevel, om er Duitsers te huisvesten. Ook Jan Tempel moet weg: ‘Na de oorlog ben ik met de tram thuisgekomen, er was een halte bij De Engel. De tram reed elk half uur. In 1948 is de tramlijn opgeheven.’ Bovendien worden veel kustbewoners geëvacueerd, naar onder meer de Engel. De Duitsers willen de kuststrook vrij hebben. Toch komen ook ‘leuke’ verhalen uit die tijd naar boven, zoals van de buurman die twee varkentjes in de schuur hield: ‘Die beesten schreeuwden de gehele dag, er was geen voer, ze kregen alleen aardappelschillen en water. Bij varkens die honger lijden gaan de haren groeien, buurman noemde ze vanaf dat moment mijn schaapjes.’

De Nicolaas Damesstraat in De Engel. Ook hier heeft de auto zijn plaats opgeëist. Dat neemt niet weg dat de oude bewoners nog steeds vol nostalgie praten over de tijd van toen.

Dat de Engel een hechte Katholieke buurt is, verklaart ook het grote kindertal. Rewijk: ‘Vanuit het katholieke denken is het leven een groot goed, wat we zoveel mogelijk aan anderen moeten schenken.’ De kinderen gaan gescheiden naar school, de meisjes krijgen les van de nonnen, de jongens van de broeders. ‘Het was een redelijk strenge Katholieke opvoeding. Maar je zult mij nooit iets onaardigs over de broeders horen zeggen. Die hebben geweldig werk verricht. Naast de schoollessen verzorgden ze ook toneel, zang en sport. Er was een jongenskoor. Ik heb er jaren opgezeten en zing nog steeds graag.’ Vooral na de oorlog organiseert de KAJ (Katholieke arbeidersjeugd) veel sportevenementen, het kampioenschap hardlopen van de Engel, schaatswedstrijden op de Mallegatsloot.

Sociale controle
Voor buitenstaanders is het niet altijd gemakkelijk zich een plek in deze wijk te verwerven. Jan Tempels echtgenote, van huis uit Amsterdamse: ‘Het was toch een heel gesloten gemeenschap met een sterke sociale controle. In het begin was het wel moeilijk. Op zondag bleek het niet gepast als vrouw een pantalon te dragen. Zoiets was ik in Amsterdam niet gewend. Een spijkerbroek doordeweeks kon wel, maar je werd wel geacht je te verkleden voordat manlief thuiskwam. Ik heb mij dat eerlijk gezegd nooit zo aangetrokken. Ik ben nu helemaal geaccepteerd en voel mij hier echt thuis.’
Begin jaren vijftig gaat het ook in de Engel beter. De bollenarbeiders krijgen 30 Rijnlandse roeden om te bewerken en daarnaast 1,5 roede per kind, inclusief poters, om dus aardappelen te verbouwen. Dat is vastgelegd in de CAO. Als de aardappelen gerooid moeten worden, is de hele buurt eendrachtig aan het werk. In 1957 komt daar een einde aan, de arbeiders krijgen wel een compensatie, de CAO wordt aangepast. Rewijk: ‘Dat was in verband met de export naar Amerika en hun angst voor het aaltje. Het was wel jammer, die zandgrondaardappelen waren veel beter dan die later op de klei werd verbouwd.’ En er is altijd een nauwe band geweest met het bedrijf Onderwater: ‘Veel vrouwen hadden een goede bijverdienste aan het inpakken van bollen.’

Wie zijn jeugd heeft doorgebracht in De Engel, speelde in De Poort. Vooral voetbal met een tennisbal. Het buurtschap had in totaal vijf van deze poorten.

Volle kerk
De Engelbewaardersparochie heeft altijd over de Engel gewaakt: ‘Iedere zondag drie missen en de kerk was tot de laatste plaats bezet, toch wel duizend mensen. Nu is dat nog maar één mis, en als er 150 mensen zijn, is het veel.’ Tempel: ‘Ik herinner mij dat onze buurvrouw zondagmorgen om half zeven onder aan de trap alle negen kinderen bij naam het bed uitriep, ik ken dat rijtje nu nog. Om zeven uur eerst naar de mis, daarna mochten ze spelen, voetballen enzo.’ 

Kerk dicht?
Er gaan geruchten dat de Engelbewaarderkerk gaat sluiten. Dat feit mede met het gegeven dat steeds meer buitenpoorters zich in De Engel vestigen, maakt duidelijk dat ook buurtschap de Engel niet ontkomt aan de maatschappelijke veranderingen. Maar ook vandaag willen zij die in dit buurtschap zijn opgegroeid hier graag blijven. Eens Engelsman, altijd Engelsman. ‘Wat typisch van De Engel was? De hechte Katholieke gemeenschap, en … de bijnamen.
Een voorbeeldje dan. Toen Willem Goedemans ooit het riet (afkomstig van de bollenvelden) tot een schoof samenbond, bleek hij een gedeelte bijna te vergeten. Enthousiast bond hij dat er bovenop tot een punt. Sindsdien heette hij Willem Punt, en zijn kinderen waren er een van Punt. Maar van de meeste bijnamen is de herkomst onbekend.’

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Piet Rewijk en Jan Tempel in de Engel

Bert Kölker

EEN SCHANDPAAL OP HET VIERKANT: Miserabele bedelaars met schurfheyt besmet

Ieder dorp moest een schandpaal hebben. Lisse werkte daar niet van harte aan mee .Na lange tijd moest het toch gebeuren

door dr. A. J. Kölker

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

Kent u het spreekwoord ‘Iemand aan de kaak stellen?’of ‘Ieman aan de schandpaal te kijk zetten’? En kent u nog de pijptakabreclame van Van Rossums Troost waar een deftige gezette heer een arme magere sloeber die aan de schandpaal staat, even een trekje uit zijn pijp aanbiedt? Welnu, op 18 maart 1613 gaven de Gecommiteerde Raden van Holland en West Friesland aan de landdrost van Kennemerland en Rijnland opdracht om in de diverse dorpen ‘kaecken’ op te richten.

Elk dorp moest namelijk op eigen kosten zo’n schandpaal oprichten en onderhouden. Het platteland werd toen nogal geteisterd door ‘lantloop-ers, bedelaers ende vagebonden’. Deze moest men ‘verdrijven ende ver­jagen ‘. In geval een dorp zou weigeren een dergelijke paal op te stellen, dan was de drost gemachtigd op kosten van dat dorp er zelf een doen oprichten.

Heeft Lisse er nu een laten maken? Jawel, maar kennelijk niet van harte. Ook al hebben wij geen verslag van het overleg over deze kwestie, in een klein dossier vinden we een zeer gespecificeerde rekening van de ’teer-kosten’, dat zijn de kosten voor de verteringen tijdens de overlegbijeen­komsten genuttigd fter herberghe van Maritgen Engelsdr, weduwe van Jacob Florisz Heemskerck, waerdinne aent kerkckhof’. Daarnaast vinden we in de Ambachtsrekening van 1613 nog verdere aanvullingen.

Verteringen

De eerste post betreft een bezoek van de oude, scheidende landdrost op 3 en 4 juni 1612. Kennelijk heeft men toen al gesproken over de overlast van bedelaars en landlopers en is het bovengenoemde besluit voortgekomen uit de steeds toenemende klachten.

In maart 1613 komt de nieuwe landdrost, Remers Coesart, met gevolg,  waarschijnlijk om kennis te maken en zich te presenteren bij het dorpsbestuur. De verteringen belopen een bedrag van 3 guldens, l stuiver en 8 pen­
ningen (in het vervolg geciteerd als 3 l 8).

Enige dagen later komt deze hoge ambtenaar weer langs samen met enige gezworenen om de bovenvermelde opdracht van de Gecommitteerde Raden over te brengen. De verteringen bedragen dan 2 guldens 4 stuivers en 8 penningen.

Lisse moet dus aan de slag! Dat had men gedacht, want op 25 augustus, dus vijf maanden later, komt de drost eens even langs “om te sien of die voorseyde kaeck al aengemaeckt” is. De vertering bedraagt dan slechts 12 stuivers, waarschijnlijk voor hem en zijn gevolg alleen maar een biertje.

Meer dorst

Was men geschrokken? Uit de rekeningen blijkt namelijk dat er op 29 augustus overleg is geweest van gezworenen met de ambachtslui, die de klus moeten klaren. Maar van haast is nog niet veel te merken, want wan­neer de ambtenaren van de drost op weg naar Leiden op 30 september hier weer passeren, hebben zij een bevel van de landdrost bij zich “om de kaeck alsnoch sonder langer delay (uitstel) te maecken “. Dit gezelschap was groter, of ze hadden misschien meer dorst, want hun vertering is nu het dubbele, nl. 24 stuivers

Als laatste post zien we dat de landdrost samen met zijn dienaars op 6 octo-ber “in de kermisdagen ” in Lisse zijn geweest “int vervolgen van de vage­bonden. ” Ze nemen het er goed van en verteren voor een bedrag van 316 8. Het totaal bedrag van al deze consumpties beloopt de forse som van 16 9 8.

Grenen balck

Toch heeft Lisse uiteindelijk maar aan het bevel voldaan. In de ambachts­rekening 1613 vinden we de vijf volgende posten: Maerten Jacobsz Langevelt, timmerman, ontvangt 7 guldens en vijf stui­vers voor het maken van een “kaekckpael van een grenen balck” alsook voor het plaatsen van deze “opt dorps vrij dam ” of zoals in de bijlage staat “opt dorp onder de linden. ” Bedoeld is hier het Vierkant, vóór de herberg waar het gemeentebestuur en het gerecht vergaderden. Bovendien krijgt de timmerman een som van vijf guldens terug, die hij even had voorgeschoten aan Pauwels Willemsz van Breda, slotenmaker te Leiden voor vier sloten en twee sleutels.

Mr. Jan Dircxz, smid, ontvangt 12 guldens voor de levering van “vier grote sware halsbanden van ijser. “.

De stoelenmatter Heyck Heycsz declareert twee guldens voor het twee­maal verven van die paal “in wit en blaeu “.

Kennelijk moest de voltooiing en plaatsing gevierd worden, want als laat­ste post vinden we een bedrag van 20 stuivers met medeweten van de schout en de bode voor de consumptie tijdens het overleg van de gezwo­renen met de werklieden op 29 augustus en 4 oktober samen

In het Gemeente Archief Lisse zijn de nota’s rond het vervaardigen van de schandpaal bewaard gebleven. Op dit deel staat: (Te voldoen aan smid mr. Jan Dircxsz:)

een somme van twaelf gulden mme het maecken qft arbeyts loon van vier groote swarte halsbanden van yser en den aencleven yder tot drie guldens oock tot de voorz* kaeckpaal behorende, daerommehi er de voorsz —————————XII £

Het archiefstuk begint als volgt:

“vijffmengelen biers ” a vier stuivers, maakt 20 stuivers. De kaak stond er dus twee dagen voordat de landdrost hier ter kermis kwam. De totale kosten bedroegen dus 27 guldens en 5 stuivers. Samen met de consumpties tijdens het vooroverleg genuttigd kwam dat het dorp te staan op 43 gulden, 19 stuiver en 8 penningen.

Bedelaars

Maar heeft deze kaak nu ook dienst gedaan? Hoe vaak zijn er hier men­sen te kijk gezet? Onderzoek in de oud-rechterlijke archieven, die momenteel nog in het Nationaal Archief te Den Haag berusten, kan hierop mogelijk antwoord geven, maar vraagt een afzonderlijk onder­zoek.

Afgezien van het feit dat de oprichting van een kaak van hogerhand ver­plichtend werd opgelegd, waren de dorpen daar toch ook wel mee geholpen. Misschien kunnen we nu wel over een dergelijke maatregel onze wenkbrauwen fronsen. Was die bedelarij en landloperij dan zo erg?

Men moet goed beseffen dat er in de zeventiende eeuw geen sociale voorzieningen waren, zoals wij die kennen en zeker niet voor dakloze zwervers. Bedelarij was vaak een plaag, vooral op het platteland. Daarbij komt nog dat zieke bedelaars moesten worden verpleegd en in geval van overlijden begraven en dat allemaal op kosten van het betreffende dorp.

Ik wil mij beperken tot een enkel voorbeeld. In de jaarrekening van 1686 vinden we onder uitgaven een afzonderlijk hoofdstuk voor “onderhoud, meesterloon, medicamenten, assistentie ende den gevol­ge van dien van verscheyde miserabele bedelaars… ende onbekwaam om terstont te kunnen worden geweert. ”

Schurftheyt

Wat was het geval? David Panten mr.Chirurgijn tot Lisse declareert 35 gulden voor “geleverde medicamenten ende gedane visite ” op bevel van de schout en burgemeesters aan een bedelaarster die op 13 augus­tus “met een stukken gebroken been in (t duyn ” werd gevonden, naar het huis Lauris Pieterse Langeveld gebracht, daar verzorgd en op 25 augustus overleden.

Bovendien had deze geneesheer ook nog hulp verleend aan een stomme en lamme bedelaar “met schurftheijt besmet”, die in de nacht van 5 oktober 1686 in de schuur van Pieter Willemse Rode was blij­ven liggen en toen naar Maerten Pieterse Langeved overgebracht, waar hij tot 14 december werd verzorgd. Lauris Pieterse Langeveld ontvangt voor zijn geleverde verzorging en assistentie aan de bede­laarster van 13-25 augustus een bedrag van 7 guldens en 10 stuivers.

De assistent van de chirurgijn Jan de Bair, die zijn hulp verleende bij het verbinden van deze bedelaarster, declareert de som van 6 guldens 13 stuivers en 8 penningen.

Maarten Paulus Schoter leverde nog “bier, brandewijn, wijn en stroo ” ten behoeve van de bedelaarster en beurt 2 guldens en 6 stui­vers. Jan Dirkse Klinkenberg, timmerman, ontvangt voor het maken van de doodskist voor genoemde vrouw 3 guldens en 10 stuivers. Jacob Engelse Broekhuysen, biersteker, krijgt voor “een half vat bier met verschot van den impost op de begravenisse ” van haar, een belasting, tesamen 4 guldens, 3 stuivers en l penning. Pieter Willemse Rode krijgt voor onderhoud van de stomme, lamme en zieke bedelaar, die buiten zijn weten in zijn schuur is gekomen en daar is blijven liggen, veertien dagen lang, een bedrag van 5 guldens.

Luyskruyt

Maarten Pieterse Langeveld ontvangt voor zes weken onderhoud van deze arme drommel, die kennelijk ook nog onder de luizen zat, per week 2 guldens en 10 stuivers.en voor twee geleverde hemden en “luyskruyt” de lieve som van 16 guldens en 14 stuivers. Jacob Ottense Kranenburg leverde “een lake, gebruykt ten dienste van de voorz. bedelaarster ende een paardekleed voor de gemelde bedelaar” en ontvangt l gulden en 16 stuivers. Maarten Dirkse van ’t Hoog mag voor zijn geleverde brandewijn en hulp aan de twee genoemde bedelaars en aan twee anderen, waarvan er een aan vallende ziekte leed, en verder nog twee kinderen totaal 8 guldens en 12 stuivers in zijn beurs stoppen. Tenslotte ontvangt Lijsbet Willems, weduwe van Adriaen Clase van der Helder, 5 gul­dens: 13 stuivers en 8 penningen voor “verteringe op de begrave­nisse ” van de bedelaarster en de stomme bedelaar “ende nog een andere bedelaar en een bedelaarster die vallende siekte had alsook over een deken ende stroo. ” Kennelijk zijn er dus vier bedelaars overleden, maar we vinden in deze rekening slechts een vermelding voor één doodskist.

Het totale bedrag van deze noodzakelijk verleende hulp telde 96 gul­dens, 18 stuivers en 4 penningen. Dus ruim twee maal de onkosten van de kaak. Vergeleken met het totaal van de jaarrekening van 1686 te weten 901 guldens 5 stuivers en 12 penningen, is dat ruim 10% van de jaaruitgaven! En dat is toch een hele hap!

Bronnen: Archief gemeente Lisse, te weten Ambachtsrekening 1613, inv.nr. 34; 1686, inv.nr.35; Dossier: Oprichten van een schandpaal inv.nr.250.

In memoriam A.M. Hulkenberg (1915-2003) EEN GEBOREN VERTELLER

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

R.J. Pex

De heer Hulkenberg heb ik slechts de laatste 16 jaar van zijn leven dat 88 jaren lang was, meegemaakt. Het was echter een bijzonder aangename kennismaking. Ik zocht hem regelmatig op in zijn bescheiden woning aan de Eikenlaan in Lisse. We converseerden over diverse onderwerpen, maar toch wel het meest over het verleden. Het verleden in heel algemene zin dan wel te verstaan, want zijn laat­ste levensjaren blikte hij steeds vaker terug op zijn eigen leven. En dan vertelde hij met veel enthousiasme over de kostschool in Beverwijk, zijn interesse voor planten en dieren, de Joannesschool in Hillegom, de Rijks Tuinbouwschool, Dever, Keukenhof, etcetera. Pijn en verdriet waren hem in zijn leven duidelijk niet bespaard gebleven. Ook daar wist hij heel wat over te vertellen. Want vertellen kon hij als de beste. Ik moet zeggen dat ik altijd met veel belangstel­ling naar hem heb geluisterd.

Hulkenberg was ook maatschappelijk zeer betrokken. Zo richtte hij samen met anderen de zogenaamde probusclub op: een club bestaan­de uit ouderen van dagen die elkaar hielpen en ondersteunden waar mogelijk was.

Ik herinner me nog goed hoe ontdaan hij was toen hij hoorde dat het bedrijf van één van zijn vroegere leerlingen failliet was gegaan. Hij trok zich het wel en wee van zijn medemens altijd erg aan. Zoals meer mensen weten bezat Hulkenberg een ongeëvenaarde ken­nis over geschiedenis in het algemeen en in het bijzonder over de streek. Ik heb me daar meerdere malen over verbaasd. Het overlijden van de heer Hulkenberg betekent dan ook, voor zowel mij persoonlijk alsook voor Lisse, een groot gemis. Moge hij rusten in vrede.

A.M. Hulkenberg

SCHELM, GUYT, BEEST BLOEDSUYGER! Jakob van Dorp (ca 1663-1746)

Tijdens de restauratie van de grote kerk kwamen van onder de vloer veel grafzerken te voorschijn. Onder ander van Schout Jacob van Dorp (ca 1663-1746). Rob Pex gaat in op de stormachtige loopbaan, die begon in 1683. In 1707 werd hij Scout van Lisse. Vele strubbelingen in Lisse en diverse grondaankopen

door: R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Om hoeveel zerken het precies ging in de Nederlands Hervormde Kerk oftewel de Grote Kerk in Lisse bleef lange tijd onduidelijk. Totdat tijdens de jongste restauratie de houten vloer werd verwijderd en bleek dat zich eigenlijk overal in de kerk wel zerken bevonden! Een zerk die de aandacht trok was gelegen naast de verhoging bij de preekstoel. Een dubbel graf voor de schouten Jakob van Dorp en Jan van der Jagt.

Het opschrift op de steen luidt: grafstede/van den heer/ jakob van dorp/ in zijn leven/ schout en secretaris/ van/ lisse en hillegom / overleden den 3 october 1746/ oud 83 jaren/ en/ van den heer/ jan van der jagt/ in zijn leven/ schout en  secretaris/ van/ lisse en hillegom/ overleeden den 31 december 1762/ oud 57 jaaren.

In dit artikel willen we ingaan op Jakob van Dorp. In een volgend artikel zal ook zijn opvolger als schout en secretaris van Lisse en Hillegom, Jan van der Jagt, aan bod komen.

Stormachtige loopbaan

De loopbaan van Van Dorp neemt een aanvang in 1683. In dat jaar wordt hij benoemd tot notaris. Schiedam was zijn eerste residentie, doch lang is hij hier niet gebleven: reeds in 1685 treffen we hem aan als notaris van het ambacht Nieuwveen. Dit ambt bekleedde hij tot 1693. Vervolgens was hij van 1694 tot 1707 notaris van het naburige Alphen aan den Rijn. Daar het secretaris- en notarisambt dikwijls door één en dezelfde persoon werd bekleed, is het aanne­melijk dat hij in deze jaren tevens als secretaris van genoemde dorpen heeft gefungeerd. Bovendien nam hij ook het schoutambt van Alphen waar voor de jeugdige Adriaan Rosenboom, in welke hoedanigheid hij voor het laatst vermeld wordt in 1711. In de notariëlen van Van Dorp komen vanaf 1688 opvallend veel Lissese inschrijvingen voor. Hieruit mag men concluderen dat hij vanaf dat jaar tevens als secretaris en notaris van Lisse fungeerde.

Schout van Lisse, 1707

In 1704 was schout Pieter van der Codde overleden. Als voorlopig schout werd nu secretaris Jakob van Dorp aangesteld. Uiteraard was het zijn wens dat deze voorlopige benoeming na verloop van tijd in een definitieve zou worden omge­zet. Extra inkomsten waren altijd welkom! Maar daar werd Van Dorp al spoedig in teleurgesteld toen de ambachtsheer, Adriaan de Wael van Vronesteyn, een heel andere kandidaat naar voren schoof: Nicolaas de Graaf. In april 1705 werd hij voorgesteld aan de voorlopige schout en schepenen van Lisse. Al spoedig deden zich allerlei moeilijk-heden voor. Zo had de nieuwe schout de grootste moeite zich in de Lisser dorpszaken in te werken, omdat de secretaris weigerde hem daarover helderheid te verschaffen. De Graaf schrijft later aan de ambachtsheer dat hij het als “een van de grootste quellinge des waerelts” ervaarde door zo iemand verraden te worden. Op 10 augustus had de nieuwe schout de secretaris nog in de rechtkamer (in De Witte Zwaan) “in bijwesen van Burgemeesteren (schepenen) uytgescholden voor een schelm, guyt, beest, bloedsuyger van de gemeente, Judas, Pharizeer, ende diergelijke…!” Ook met het vinden van een woning in Lisse had de schout de grootste moeite gehad. Nee, hij had het niet getroffen met zijn secretaris. Al gauw is schout Nicolaas de Graaf dan ook vertrokken. Hij werd opgevolgd door Reynier Brand. Doch ook deze heeft het in Lisse maar eenjaar volgehouden. Toen kreeg Van Dorp eindelijk zijn zin: hij werd aangesteld tot schout en is dat tot 1746 gebleven. Andere functies die Van Dorp bekleedde waren die van secretaris van het bal­juwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout en schout en secretaris van Hillegom. Met al die ambten had hij het dus maar druk!

Moeilijkheden met de kerkenraad, 1709

Twee jaar na zijn aanstelling tot schout van Lisse doen zich weer nieuwe strub­belingen voor. Dit keer met de kerkenraad. Ds. Velsen vertrok naar elders en er moest een nieuwe predikant in diens plaats worden beroepen. Van Dorp had kans gezien alle kerkelijke aangelegenheden aangaande deze zaak naar zich toe te trekken. De kerkenraadsleden waren pas later gaan nadenken over de gang van zaken en vonden het wel erg vreemd dat de schout hierin zo’n grote invloed had gehad. Al gauw brak er dan ook een discussie los over deze zaak. Van Dorp eigende zich met name het recht toe om de brief op te stellen waarin de ambachtsheer door de predikant op de hoogte werd gesteld van diens beroeping naar elders. De predikant was dus in dit geval ds. Velsen en hij werd beroepen naar Deventer.

De reden waarom Van Dorp zo dacht was simpelweg gelegen in het feit dat het met de voorganger van ds. Velsen (ds. Vonk) ook zo was gegaan! De ware toe­dracht van zaken was echter dat ds. Vonk op een goede dag toevallig de schout tegen het lijf was gelopen en hem gevraagd had of hij binnenkort nog aan de ambachtsheer moest schrijven en of hij hem dan tevens op de hoogte kon stel­len van diens beroeping. Die opdracht had de sluwe Van Dorp natuurlijk met dank aanvaard en nu beweerde hij dus dat het opstellen van een dergelijke brief tot zijn taken behoorde! Zo beweerde hij ook dat hij aanwezig moest zijn bij het opstellen van de beroepingsbrief, waarbij de opvolger van ds. Velsen naar Lisse werd beroepen. Ook hierin had de kerkenraad bij het vorige beroep verkeerd gehandeld door de schout wél aanwezig te laten zijn bij het opstellen van die brief. En zo waren er meer gelegenheden geweest waarin de kerkenraad door gebrek aan kennis en ervaring verkeerd had gehandeld en waar vervolgens Van Dorp handig op had ingespeeld door zich rechten toe te eigenen die hij niet had. Maar het mooiste moest nog komen. Toen de kerkenraad naar de classis toog om goedkeuring te verkrijgen voor de beroeping van de nieuwe predikant, ging ook de bemoeizuchtige Van Dorp mee. In de notulen van de kerkenraad lezen we: “de schout was bij ’t inleveren van het beroep tegens de sin van de kerken­raad en aller voorgaande gewoontes ook binnengelopen” en werd nu door de classis “nevens de anderen” als kerkenraadslid aangetekend! Hoe het bij latere beroepingen is gegaan, staat helaas niet vermeld. Wellicht hebben de kerkenraadsleden van de gang van zaken bij het vertrek van ds. Velsen en de beroeping van ds. Ruys geleerd. Ja, men kon maar beter voorzich­tiger zijn met zo’n sluwe schout-secretaris in de buurt…

Grondaankopen, 1698-1740

Jakob van Dorp verdiende aardig wat aan de vele ambten die hij bekleedde. Zijn neef, Jakob Krighout, vermeldt in 1746 of 1747 aangaande de “revenuen” van de ambten die zijn oom jaarlijks genoot, “dat onderstelt word, dat se jaar­lijks wel 1500 guldens zouden beloopen hebben”. Hij belegde deze gelden in vele obligaties en in grond. Overal bezat hij wel huizen en landerijen. In Hillegom had hij “Een Huysmans woning genaamd het Huys in’t Veld (…) in de Oostpolder of Zandlanerpolder”, in Voorhout een huis “aan den Heereweg en de Dingsdaagse Schoubare watering” en “onder Alfen” een huis met steenoven in de Steekterpolder. Voorts verscheidene huizen en landerijen in Waverveen, Alkemade, Roelofarendsveen, Nieuwe Wetering, Moordrecht, etc, etc. Ook in Lisse zien we hem na diens aanstelling tot schout in 1707 overal gronden aan­kopen. In 1716 koopt hij “Een Huys en Erve aan den Heereweg in de Poelpolder tegen over de Parochiale kerk in Lisse”. Het was een vrij ruime woning, want hij betaalt er in de verponding (belasting) van 1725 het bedrag van 6 gulden en 3 stuivers voor, terwijl het meest gebruikelijke bedrag voor een doorsnee woonhuis ongeveer l of 2 gulden was. Het blijkt te gaan om de bui­tenplaats Mossenhof. Zo’n huis midden in het dorp gelegen, was voor de schout natuurlijk bijzonder aantrekkelijk. Mogelijk heeft Van Dorp het buiten dan ook zelf bewoond. Ook Willem Jakobus Sennepart (schout van 1763 tot 1777) bewoonde “het lustig Mossenhof”, zoals Jan de Graaff het in zijn Lisser Arkadia noemt. In 1726 koopt Van Dorp een huis in De Engel, in 1732 een huis in de “Oostpolder” van Lisse, dus in het Oosteinde (richting Hillegom). In het­zelfde jaar koopt hij “Een Huysmanswoning, Zomerhuys” etc. aan, tezamen met een groot aantal percelen in de Lisserpoelpolder en Roversbroek. Tenslotte verwerft hij op l maart 1740 het eigendom van de helft van “een woning met hare Boomgaard, Elssingelen, Teelland” etc. gelegen tussen de Heereweg en Achterweg. Het wordt aan de noordzijde begrensd door de “Viersteeg”. In de 16de eeuw was deze woning een dependance geweest van het Sint Elisabethgasthuis te Haarlem, l Een andere aankoop is van heel andere aard, namelijk die van een “grafstede” in de Grote Kerk van Lisse.

Het graf in de Lisser dorpskerk, 1739

Van Dorp wordt oud en op 3 februari 1739 heeft hij dan ook een graf in de kerk van Lisse gekocht. Het graf was afkomstig uit de failliete boedel die Cornelis Adriaanse Molin had nagelaten, waarover Van Dorp sinds 1738 het bewind voerde. Al gauw ging hij ertoe over de nalatenschap te verkopen, teneinde de schulden die erop rustten te kunnen voldoen. De schout nam zijn kans waar en kocht het graf “aan en ten behoeve van hem eijgen selfs in sijn particulier”. Inmiddels was in het graf reeds het het stoffelijk overschot van Cornelis Molin bijgezet. Vanwege dit laatste wordt de voorwaarde gesteld dat de koper de begrafene “daar in sal moeten laten rusten ten minste den tijd van vier jaren”. Daarna mocht het graf dus geruimd worden en moest de overledene maar op een andere plek begraven worden. Het graf wordt omschreven als “een bemesselde dubbelde grafsteede aan de suydmuur van de kerk, bij den Toorn, beneden het glas daar het wapen van Adriaan van Gorcum schout tot Lisse in geschildert is”. Aanvankelijk lijkt dus het bewuste graf op een heel andere plek (meer rich­ting de toren) gelegen te hebben dan zoals dat recentelijk is vastgesteld (min of meer in het centrum van de kerk, nabij de preekstoel). Nu, laatstgenoemde locatie was ook veel meer overeenkomstig de rang en status van een schout als Van Dorp. Het zal dus ongetwijfeld met zijn instemming gebeurd zijn.

Laatste levensjaren, 1742-1746

In zijn laatste levensjaren woonde Van Dorp op het buiten Mossenhof “tegen­over de Parochiale Kerke” aan de Heereweg. Volgens een kohier van de perso­nele quotisatie (personele belasting) uit 1742 had hij hier een “meijd” in dienst. Daarnaast woonde bij hem een weduwe in genaamd Catarina van Slingeland en Jan van der Jagt, “Schout, ende Secretaris van Voorhout”, die hem als schout en secretaris van Lisse en Hillegom zou opvolgen. De Lissese schout staat aangeslagen in klasse 10, wat betekent dat hij f60 moet betalen, veel meer dan wie ook. Hierbij zijn echter meegeteld de inkomsten die hij vanuit zijn ambt als schout en secretaris van Lisse en Hillegom genoot. Daarnaast schijnt Van Dorp ook gedurende korte tijd het schout- en secretarisambt van Bennebroek bekleed te hebben. In december 1742 werd hij hierin opgevolgd door Matheus Gruepin. Echter, de ambtelijke molens werkten ook toen al zeer traag. Nog tot in 1744 stond Van Dorp aangeslagen in de tiende klasse, terwijl hij toen al bijna twee jaar geen schout en secretaris van Bennebroek meer was! Hij klimt dan ook in de pen en schrijft in het wat wollige taalgebruik van die tijd: “Den getaxeerde allenieert onder Eerbiedigste reverentie nu nog dat hij in de Quotisatie van den 16. Novemb. 1744 uytdrukkelijk is geconsidereert als schout ende secretaris van Bennebroek, welke twee ampten hij bekleede in den Jare 1742 maar dat hij al in decemb. 1742 ende sulks lange voor het arresteren van dese personele quotisatie van het bekleeden van die ampten, ende genot van de revenu is gediscontineert”, etc. Het komt erop neer dat “dese quotisatie van 60 gis. werden gediminieert (verminderd) ende gebragt onder de agste classe”, wat uiteindelijk in 1746 dan ook is gebeurd (al werd hij getaxeerd in de negen­de klasse). De nieuwe aanslag bedroeg nu f 50.

Jakob van Dorp is op 3 october 1746 op de hoge leeftijd van 83 jaar overleden.

De nalatenschap, 1746

Maria van Dorp, een zuster van de overleden schout werd benoemd tot algeheel erfgename. Wat dat voor haar betekende wordt onmiddellijk duidelijk als we de uitgebreide lijst of “memorie” bekijken die Jakob Krighout, een zoon van Maria van Dorp, van de erfenis van zijn overleden oom heeft opgesteld. Krighout heeft er een hele kluit werk aan gehad. Allereerst blijken zich in de nalatenschap talrijke obligaties te bevinden. Gezamenlijke waarde zo’n 115.000 gulden. Een enorm bedrag voor die tijd! Volgt een uitgebreide lijst van de onroerende goederen die de overledene had bezeten. Ook deze categorie vult ettelijke pagina’s. We hebben zijn bezittingen reeds in vogelvlucht besproken. De lijst is ondertekend door Jakob Krighout en gedateerd op 5 januari 1747. Op diezelfde datum zijn genoemde goederen getaxeerd voor de successiebelasting. De Lissese goederen leveren hierin f4.290 op.

Van Dorp vond zijn laatste rustplaats in het graf dat hij in 1739 had gekocht. In de Grote Kerk.

Bronnen:

  • Notariële archieven Nieuwveen en Alphen aan de Rijn in streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan de Rijn
  • A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse
  • ‘Uit het kerkelijk archief van Lisse’. Eenendertigdelige reeks door W. Marinus in Hervormd Lisse van 21-2-1959 tot 04-02-1961
  • Gemeentearchief Lisse inv.nr.225

1 Bij de aanleg van de Westelijke Omleidingsweg in 1983/84 zijn hier nog interessante archeologische vondsten gedaan.

2 Krighout was professor in de theologie aan het remonstrantse seminarium te Amsterdam.

De grafsteen van Jakob van Dorp, schout en secretaris van Lisse en Hillegom. De steen lag in de Nederlands Hervormde Kerk nabij de preekstoel. Na de renovatie van het kerkgebouw is de steen neergelegd in het middenschip. Op de steen is te lezen dat Jakob van Dorp overleed in 1762, in de ouderdom van 83 jaar.
Foto: Hans Smulders