Berichten

De Poelpolder is ouder dan Lisse

Volgens Hulkenberg werd het water van de Lisserpoel al in 948 vermeld. Keizer Otto I, leenheer van Holland, geeft aan Bisdom Utrecht het recht toe te vissen in de Getrewat. Niet duidelijk is wat dit betekent. Later heette dit Geestwater. De geschiedenis na de inpoldering wordt beschreven.

door Arie in ’t Veld naar A.M. Hulkenberg

Nieuwblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Is Lisse oud: de Poelpolder is ouder. Een aantal jaren geleden hield wijlen A.M. Hulkenberg een inleiding voor de nieuwe bewoners van de Poelpolder om hen iets te vertellen over de geschiedenis van de grond waarop ze wonen. Het navolgende verhaal is een vrije bewerking van het verhaal waarmee Hulkenberg toen in het (oude) Poelhuys de luisteraars wist te boeien. De ‘oude’ Poelpolder dus, of eigenlijk de Lisser Poel, want ooit was het deel waar nu honderden huizen staan en duizenden mensen wonen, water. Alleen maar water. En dit water, de Lisser Poel was ooit een deel van de Leidse of Haarlemmer Meer. Een vorige keer hadden we het hier al over in het VOL blad en sommige delen van Hulkenberg overlappen dat eerder vertelde verhaal wellicht. Tussen de Meer en de Poel lag een eiland. De Rooversbroek. En er was zeer veel vis in de Poel te verschalken, met name baars en bot. Het brakke water was echter bepaald niet goed voor de omringende weilanden en die grazige weiden hadden wat met die Poel te stellen, want om de haverklap stond de zaak onder water en werd er veel schade aangericht. Menigeen wenste toendertijd dan ook dat wat de weidegronden betreft het een uitkomst zou zijn als iemand er ooit eens in zou slagen de Poel droog te leggen, maar daarover verderop meer.

De piketpaaltjes staan er. Zicht vanaf toekomstige Vincent van Goghstraat richting silo’s en vuilstort.

Otto
De eerste (teruggevonden) vermelding over de Lisser Poel vond plaats in het jaar 948. Dat jaar staat keizer Otto 1, leenheer van Holland, aan het Bisdom Utrecht het recht toe te vissen in de ‘Getrewat’. Niet duidelijk is kunnen worden wat de betekenis van dit woord is. Later spreekt men van ‘Geestwater’, misschien omdat het er bij storm zo vervaarlijk kon spoken. Uiteindelijk kwam de Poel in het bezit van de Grafelijkheid van Holland, hetgeen tot de Franse Revolutie zo is gebleven. Maar in de tussentijd werd het viswater ook nog aan anderen verpacht. Aan de stad Leiden bijvoorbeeld. In 1433 deed Graaf Philips van Bourgondiën dit. Hij verpachtte het viswater aan Leiden, wiens vroede vaderen het vervolgens onderverpachtte aan de plaatselijke vissers. Een goede bron van inkomsten voor de stad, die best een paar centen kon gebruiken.

Viswater
In de boeken is terug te vinden dat verschillende ‘legers’ viswater werden verpacht. Bijvoorbeeld achter de boerderij van Pieter Claesz werd door twee Leidenaren een viswater gehuurd voor zestien stuivers per jaar. Ook werd de Gerrit Everszpoel verhuurd, ten noordoosten van de Poel nabij de Greveling, alsmede de Stienpoel en Luttekepoel (Kleine Poel), eveneens bij de Greveling. Een plaats waar veel elst in de rietbossen stond. In de noordwesthoek was veel ruis (riet met daartussenin planten) te vinden. De plek heette de Ruishorn. Een horn is een bocht of uitspringende hoek en tegenwoordig wordt aan die vroegere situatie herinnerd door de Ruishornlaan. En er was de Rooversbroek. Ook is wel eens de naam Rozenbroek in de boeken te vinden, maar waarschijnlijk is het toch een moerasland geweest dat oorspronkelijk aan een zekere Rovert of Robert heeft toebehoord. Toen in 1461 de parochie van Lisse werd afgescheiden van Sassenheim, bleef de Rooversbroek bij Sassenheim. Niet om de paar mensen die er wellicht woonden, maar om de centen. De Heren van Dever hadden namelijk landerijen aan de vicaris van de kerk van Sassenheim geschonken voor zijn onderhoud. In ruil daarvoor moest de vicaris tot intentie van de Heren van Dever de missen lezen. Een aantal van die geschonken gronden bevond zich in de Rooversbroek en derhalve was dit Sassenheims grondgebied.

Drooglegging
Het waren de protestanten van Leiden die in hun goede doen waren geraakt en objecten zochten om het vermogen te beleggen. En zo’n object was het droogleggen van de Lisser Poel en de burgemeesteren en Regeerders van de stad Leiden richtten aan de Staten van Holland het verzoek om de protestantse Leidse kerken het octrooi te verlenen om het ‘Geestwater’ droog te maken. Op 23 juli 1622 werd in Den Haag positief op dat verzoek besloten en werd onmiddellijk werk van de drooglegging gemaakt. Jan Pieterszoon Dou, gezworen landmeter van Rijnland, had een ontwerp gemaakt en een kaart getekend en ziedaar: De Ringsloot werd gegraven (om onbekende redenen later omgedoopt tot de Rijnsloot, zoals deze sloot nog altijd ten onrechte wordt genoemd) en in de lengterichting van de polder kwam de Molenwatering. De Lisser Poel werd drooggemalen en de Poelpolder kwam tot stand, klaar voor bewoning en agrarische activiteiten. Veel mensen kwamen overigens niet in die nieuwe polder te wonen. Uit de eerste jaren is wel bekend dat het huis Uitermeer werd gebouwd. Juist tegenover de Vennesloot, onmiddellijk aan de rechterzijde als men via de Tweede Poellaan de polder ingaat. Het huis behoorde aanvankelijk toe aan Simon van der Stel, eerste gouverneur van de Kaap de Goede Hoop. Later werd het eigendom van Willem Adriaan van der Stel die na zijn verscheiden in 1725 werd begraven in de Nederlands Hervormde Kerk aan de Heereweg. Ook verrezen in de Poelpolder enkele boerderijen, waaronder die van Langeveld juist buiten de huidige bebouwingsgrens en gebouwd in 1642) en de in 1643 gebouwde boerderij Poeleway die in het geweld om de Poelpolder met woningen en voorzieningen vol te bouwen het onderspit moest delven…

Heipalen in de Vincent van Goghstraat. Kijkrichting naar silo’s, gemeentelijke afval

Overstroming
Het meer was dus een polder geworden, maar geenszins veilig. De geesten hielden bij slecht weer nog altijd flink huis. Bij hevige regenval wilde het dan ook nogal eens gebeuren dat de polder onder liep omdat de molen het teveel aan water niet zo gauw kon verwerken. In 1677 liep de hele Poelpolder onder. Dat was natuurlijk niet zo’n ramp als dat vandaag de dag zou zijn als de polder zou onderlopen. Veel inwoners waren er namelijk niet en de boerderijen lagen betrekkelijk hoog, terwijl de weilanden wat extra water (maar dan wel van korte duur) best wel konden gebruiken. Maar het is vrijwel zeker dat het brakke water het gras uiteindelijk toch geen goed kon doen en van her en der werden geluiden vernomen dat de dijken nodig moesten worden verhoogd en vooral hersteld. Op 28 januari 1760 werd aan het Rechthuis ‘De Witte Zwaan’, een etablissement met vele gezichten, een brief afgegeven met als adres ,Eerzame Vrome Discrete den Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse. Zo; dat was nog eens een adressering! De inhoud van de brief handelde over het feit dat de Lekdijk beneden Schoonhoven weer eens was doorgebroken en de Hoogheemraden van Rijnland Lisse komen waarschuwen. “Zo dient UEdele te gelasten dat gij hoe eerder hoe beter de dijken van de Lisser Poel behoorlijk doet waterpassen en die plaatsen van dezelve die te laag mochten zijn met een kistdamming offe met goede klei, zulks derzelve in staat zijn van het water te keren”.

Haarlemmermeer
Voor zover bekend, is alles in 1760 goed afgelopen, maar in 1766 is er weer een overstroming. De ingelanden moeten zeer diep in de buidel tasten om de zaak te repareren en vragen aan de Staten 25 jaar vrijdom van belastingen. Dat vond men in Den Haag wel wat veel en de ingelanden moesten het doen met vijftien jaar vrijdom, maar moesten intussen ook de dijk behoorlijk versterken. Of dat gebeurd is…? Het duurde in elk geval een aantal jaren voor de dijk het weer begaf. Dat was tijdens de Kerstdagen van 1838. Weer repareren dus en pas toen daarna het Haarlemmermeer werd drooggelegd, was men veilig in de Poelpolder. Vanaf dat moment kreeg het door de wind opgezweepte water in het Haarlemmermeer geen kans meer om de Rooversbroek of de Poelpolder te belagen, want er was geen Haarlemmermeer meer. Rust dus in de Poelpolder…. Rust tot aan het begin van de zestiger jaren. De dijken werden deels ontgraven omdat ze niet meer noodzakelijk waren om huis en haard te beschermen en over huizen kon toen inderdaad gesproken worden. Eerst werden wat losse woonblokken gebouwd, maar dat werden er in hoog tempo meer. Lisse was in de groei. En niet zo’n beetje ook!

Heipalen in de Vincent van Goghstraat. Kijkrichting naar silo’s, gemeentelijke afval

 

Vanaf de 

Vincent van Goghstraat in aanbouw: het zicht richting Mesdaglaan en Rembrandtplein.

Foto’s bij dit artikel coll. Rueb

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Geschiedenis Poelpolder

Arie in ’t Veld beschrijft een artikel van A. Hulkenberg over de ontstaans geschiedenis van de Poelpolder. Volgens Hulkenberg wordt de Poelpolder al in 948 vermeld. In dat jaar verleent keizer Otto I het recht tot visserij in ‘Getrewat’. Later Geestwater genoemd.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad VOL juli 2010

In een aangeboden oude De Lisse uit 1975 , vonden we dit stukje over Arie in ’t Veld. Inmiddels 35 jaar correspondent van de Lisser. Bij zijn adres werd De Poelpolder vermeld. De bebouwing van de Poelpolder dateert uit de jaren 60, nu zo’n 50 jaar geleden. Dit was aanleiding voor Arie in ’t Veld om nog eens terug te grijpen op de geschriften van de heer A. Hulkenberg.

 

In de Poelpolder zijn huizen gebouwd en er zijn plantsoenen aangelegd. Dat is een vaststaand feit, zoals het ook vaststaat dat heel veel mensen zich in de Poelpolder thuis voelen en dat is iets waaraan nog wel eens werd getwijfeld toen in de zestiger jaren de ontwikkeling van de polder in gang werd gezet. Lissers hoorden in Lisse en niet op de plek van de vuilnisbelt ergens in de middle of nowhere…. Onder die Poelpolderbewoners bevinden zich veel Leidenaars. Of eigenlijk moeten we natuurlijk zeggen ex-Leidenaars. En als die mochten denken dat ze een stuk van hun roots verwijderd zijn, dan mag uit het volgende verhaal dat door de onvolprezen heer wijlen A. Hulkenberg werd geschreven blijken dat dit helemaal niet het geval is. De geschiedenis van de Poelpolder is namelijk altijd een Leidse aangelegenheid geweest.

Grafelijk viswater
De Lisser Poel was namelijk een deel van de Leidse Meer. Tussen de Meer en de Poel lag een eiland, de Roversbroek. Er zat zeer veel vis in de Poel, met name baars en bot, maar het brakke water was natuurlijk niet goed voor de omliggende weilanden en de overstromingen brachten veel schade. De eerste vermelding van de Lisser Poel vindt plaats in 948.
In dit jaar staat keizer Otto I.leenheer van Holland, aan het bisdom Utrecht het recht toe tot de visserij in “Getrewat”. Dit woord is niet duidelijk. Men spreekt later van “Geestwater”, misschien omdat ’t dicht bij de geestgronden lag, misschien omdat het er bij storm zo gevaarlijk kon spoken. Geleidelijk aan hebben de graven van Holland, met name ook Floris V, zich vrijgemaakt van het keizerlijk gezag en ook van het wereldlijk gezag van de bisschop van Utrecht. Zo kwam de Lisser Poel aan de grafelijkheid van Holland. Tot de Franse revolutie toe is de Poel in het bezit van de grafelijkheid gebleven. Het wordt dan “‘s-Gravenwater”. of ook wel “Vroonwater” genoemd. De oud-saksische mannelijke vorm van frouwa (vrouw) is fro (man of heer). Vergelijk het Duitse Fronleichnamfest = Sacramentsdag, het feest van het lichaam van de Heer. De Poel behoort dus toe aan de “heer”, in casu aan de graaf van Holland.

De stad Leiden pacht het viswater
In 1433 verpacht graaf Philips van Bourgondië het viswater van De Poel aan de stad Leiden. Deze kon dit dan weer onderverpachten aan de Leidse vissers en zo kon dat dan voor de stad een goede bron van inkomsten zijn.
Maar ook onbevoegden wisten dat er in de Poel zeer veel vis zat en in 1451 verbiedt graaf Philips nog eens met nadruk het vissen in de Lissese Poel zonder toestemming van de stad Leiden. Tot 1622 toe heeft de stad Leiden van de opbrengst van de visserij genoten. Soms verneemt men, hoe verschillende “legers”, viswaters, zijn verpacht. Bij een leger achter de boerderij van Pieter Claesz, dat twee Leidenaars voor 16 stuivers per jaar gehuurd hebben. Men leest over de “Gerrit Evertspoel”, die gaat aan “’t zuidwest-einde aan de horn van des kloosterkamp” (achter het land van Gebroeders Meskers) “strekkende noordoostwaarts tot de halve Greveling”.
Ook over de “Stienpoel” en de “Luttekepoel” (Kleine Poel), dicht bij de Greveling. Daar staat veel “elst” in de rietbossen, en de noordwesthoek van de Poel, waar veel ruis (riet met planten ertussen) groeit, wordt de Ruishorn genoemd. Een horn is een bocht of uitspringende plek. (Nu weet u dus ook waar de naam Ruishornlaan vandaan komt). Achter Dever is de ‘Heer Reiniershorn’, genoemd naar de Heer Reinier Dever, zoon van Heer Gerard D’Ever, naar wie de ‘Gerrit Everspoel wasz genoemd’. Nog steekt daar een deel van het Deverland in de Poelpolder naar voren. Ten zuiden ervan was de Colijns Horn, genoemd naar Colijn, die daar met zijn moeder, Haasken, woonde. Maar laten wij nu eerst eens naar de Rooversbroek gaan, die ook in het bebouwingsplan van de Poelpolder betrokken is.

De Rooversbroek
Een eigenaardige naam. Rooversbroek. Men leest ook wel eens “Rozenbroek”. Maar waarschijnlijk is het toch wel een moerasland geweest, dat oorspronkelijk aan een zekere “Rover” of “Robert” heeft toebehoord. Toen in 1461 de parochie van Lisse werd afgescheiden van Sassenheim, bleef de Rooversbroek bij Sassenheim. Waarom? Veel mensen zullen er niet hebben gewoond. Misschien wel niemand. Nee, het ging weer om het geld. De Heren van Dever hadden in de kerk van Sassenheim een “vicarie” gesticht. Een “vicaris” moest daar missen lezen tot intentie van de heren van Dever. Tot onderhoud van de vicaris hadden ze landerijen aan de kerk geschonken en een aantal daarvan lag in Rooversbroek.
Omstreeks 1550 had Jonker Nicolaas van Matenesse, heer van Dever, die het goed met Lisse meende, de pastoor van Lisse, Laurens Willemszoon van Wees, tot vicaris aangesteld. Dat bracht 14 gulden per jaar op en dat geld kon de pastoor bijzonder goed gebruiken. Maar dat viel tegen. Tegen het opstuwende water van de meer waren de verwaarloosde dijken van de Rooversbroek niet bestand en telkens waren er overstromingen. Het onderhoud van de dijken kostte de pastoor meer dan de f. 14,- die hij kon ontvangen. Nu wilde hij dat land wel verkopen, maar dat ging niet, want het was kerkenland en dus in “de dode hand” gekomen. Daar moest een kardinaal aan te pas komen en dan de keizer zelf. Karel V, keizer van het Duitse Rijk, koning van Spanje en dan volgen nog lijsten van titels en landen waarover Karel V het bewind voert. Tenslotte nog “koning van de eilanden Indië en de vaste aarde der zeeoceanen” en “Dominateur in Azië en Afrika”, graaf van Holland en als zodanig ook nog heer van de Rooversbroek. Dit alles is voldoende om iedere bewoner van de Rooversbroek voor goed over alle minderwaardigheidscomplexen heen te helpen. Het is allemaal in orde gekomen. Tenslotte maakt jonker Nicolaas zijn zoontje Johan van Matenesse tot erfpachter van de landerijen en garandeert de pastoor een jaarlijkse som van f. 17,- uit te betalen “in de twaalf nachten”, dit is tussen Kerstmis en Driekoningen (6 januari) of op 1 mei f. 17,- Een heel bedrag. Wat zal die pastoor opgelucht zijn geweest.

Plan tot drooglegging
Leiden had drie grote parochiekerken: de Pieterskerk, de Pancras- of Hooglandse kerk en de Lievevrouwekerk. Deze kerken waren in handen gekomen van de protestanten en door verscheidene redenen financieel in goede doen gekomen. Ze zochten nu een goed beleggingsproject. Zulk een project was het droogleggen van de Lisser Poel. De Burgemeesteren en Regeerders der Stad Leiden richtten nu namens de drie kerken tot de Staten van Holland het verzoek aan deze kerken het octrooi te verlenen tot droogmaking van “het Geestwater”. Men moet bedenken dat dit plaatsvond in de tijd van een staatskerk en de samenwerking tussen kerk en burgerlijk gezag niet al te moeilijk hoefde te zijn. Op 23 juli 1622 valt in Den Haag een gunstige beslissing en de zaak kan beginnen.

Drooglegging
Men liet er waarachtig geen gras over groeien. Jan Pietersz Dou, gezworen landmeter van Rijnland, maakt een ontwerp, tekent een kaart. De Ringsloot wordt gegraven, die later om onbekende reden ook Rijnsloot wordt genoemd. In de lengterichting van de polder komt de “Molenwatering”, die uitkomt bij de molen aan de Meer. (Die molen staat er nog, al is hij intussen vernieuwd). Maar sommige schippers blijven maar varen en storen de werkzaamheden. Er komt een ‘Verbodt van Seylagie’, een verbod om te zeilen, dat ook voor de nieuwe Ringsloot geldt. Er wordt hard gewerkt. Het is met de rust van de bejaarde heer van Dever en Lisse, jonker Johan van Matenesse, gedaan. Hij trekt weg naar Utrecht, voorgoed. Er woonde in Leiden een rechtskundige, die ook met de droogmaking zijn bemoeienissen heeft gehad. Het is Mr. Simon van Leeuwen, zeker niet de minste onder zijn ambtsgenoten. Tussen de grootste vaderlandse rechtsgeleerden, wier beeltenis is opgesteld bij de trappen van het gebouw van de Hoge Raad te ‘s-Gravenhage, vinden wij ook het bronzen conterfeitsel van onze Mr. Simon van Leeuwen. Hij was ook familie van Bouwe van Leeuwen, die woonde op de plaats van de Witte Zwaan. (Deze had een “stukke grond aangeplempt” in de Lisser Poel aan de H. Geestarmen gegeven, het “Bouwe’s Bosje”). Mr. Simon van Leeuwen stond toe te zien bij het graven van de Ringsloot en zag hoe daar een achtkantige toren werd uitgegraven. Misschien wel een ouder kasteel Dever, overspoeld door het water. Daar is nooit iets naders over bekend geworden. In 1624 was de drooglegging een feit, het uitgeven van percelen kon een aanvang nemen.

Huizen in de Poel
Veel huizen zijn er in de Poel nooit gebouwd. Tot voor “enige” jaren tenminste! Het bekendste huis is ongetwijfeld Uitermeer. Het stond juist tegenover het uiteinde van de Verlaner Zandsloot ofwel Vennesloot.
Wanneer men via de Eerste Poellaan de polder binnenkomt, onmiddellijk aan de rechterzijde. Het behoorde toe aan Simon van der Stel, eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Later is het eigendom van Willem Adriaan van der Stel, gouverneur van de Kaap, overl. 1725. Zijn fraaie grafmonument is te vinden in het koor van de Nederlands Hervormde kerk. Ook verrezen enige boerderijen. Een der oudste, misschien wel de alleroudste, stond recht tegenover de Vliet (Staalsloot) maar deze is reeds lang weer verdwenen. De “boerderij van Langeveld”, (t Lange Rack) dateert van 1642. Dan is er nog de boerderij Poeleway van 1643.
Een aardige boerderij. Aanvankelijk zei men, dat deze gespaard zou worden, doch daarvan kwam niets terecht. Poeleway moest wijken voor de nieuwbouwplannen van Lisse.

Linksonder de boerderij De Poeleway aan de Greveling/Ruishornlaan. Iets verderop rechts zie je nog net een stukje Hohabo en rechts midden de ELKA… en rechtsonder de eerste huizen aan de Broekweg. En veel, heel veel bollenvelden in hartje Lisse. De foto is van begin vijftiger jaren toen de onleidingsweg (Oranjelaan en dergelijke) in aanleg werd genomen. Vanaf linksboven kun je het traject al zien richting Greveling, waar dus de brug (nu viaduct) moest komen.1111111111111111111

Overstromingen
In de Poelpolder is in vroeger jaren veel narigheid geweest. Bij hevige regens en windstil weer stonden vaak delen van de polder onder water, omdat de molen niet kon malen. In 1677 liep de hele Poelpolder onder.
Nu was dat natuurlijk niet zo’n ramp als dat tegenwoordig zou zijn. De boerderijen lagen hoger, bovendien was de inrichting zeer sober. Voor het grasland kon een overstroming zelfs wel eens goed zijn, vooral in een tijd dat er nog geen kunstmest bestond. Maar het brakke water zal het gras geen goed hebben gedaan. En dan het herstel van de dijken! In 1766 is er weer een gehele overstroming. De ingelanden, met name de kerken van Leiden, vragen 25 jaar vrijdom van belastingen. Dat vindt men in Den Haag nu wel erg veel. Tenslotte krijgen zij 15 jaar, maar ze zullen intussen de dijk behoorlijk moeten versterken. Dat zal wel gebeurd zijn, want het duurt enige tijd voordat men weer over dijkdoorbraken hoort. Kerstmis 1838, grote dijkdoorbraak en overstroming. Op 24 en 25 december stroomde de zaak weer onder. Piet Verdegaal slooft zich uit aan de dijk, maar het helpt niet. Er wonen niet veel mensen in de Poel en de brave Lissers vinden dat die het maar alleen moeten opknappen. De dijk gaat weer dicht, maar telkens moet Verdegaal bij nacht en ontij zijn bed uit en aan de dijk staaan. “Ik zit hier best naar mijn zin”, zegt Verdegaal, die van geboorte uit Vogelenzang komt, “maar als ze de Haarlemermeer niet droogmaken, dan ga ik weg”. Nu, Verdegaal kon blijven; in de vijftiger jaren van de 19e eeuw ging de Haarlemermeer droog. Het door de wind opgezweepte water van de Meer kon nu de Roversbroek en de Poelpolder niet meer bedreigen.
Er kwam rust voor de Poelpolder. Rust voor de mensen, voor het vee, rust voor de vogels, voor de hazen. Behalve natuurlijk als Verdegaal, Langeveld of de onvergetelijke Jaap Riggel met hun jachtgeweer over de weilanden stapten. Dan knalde het! Maar verder rust. Een paradijs.

Van Poelpolder tot Poelpolderplan
Nu ja, een paradijs. De wegen en dijken waren wel schilderachtig maar slecht begaanbaar. De percelen waren soms moeilijk te bereiken en elektriciteit en dergelijke modernismen trof men nog nauwelijks aan…. Het was heerlijk naar de kieviten te kijken, de grutto’s en tureluurs te zien op de houten landhekken, de karakieten te horen in het riet of om de kemphanen gade te slaan. Maar om er te wonen…. En toch wilden de meeste bewoners hun polder voor geen ander land ruilen. De ontsluiting, tevens ontluistering, begon toen de Rooversbroekdijk werd geslecht en door nieuwe wegen de polder beter begaanbaar werd gemaakt. Natuurlijk, het moest, maar jammer was het toch ook wel. Toen kwam de naar uitbreiding hakende gemeente op de gedachte, de Poelpolder te bebouwen. Een nieuwe toekomst voor vele Lissers. En natuurlijk kwamen ook Leidenaars weer vissen. Zij waren welkom, al is de vrijdom van belasting natuurlijk reeds lang verstreken.

Kaart van debedijkte Poelpolder door J. Dou in 1624

De foto de Grote Poelpoldermolen is genomen van de overkant van de Ringvaart van

Copyright © Vereniging Oud Lisse