Berichten

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

1ste Poellaan 65 – Poldermolen van de Zemelpolder

De molen is een achtkantige bovenkruier op een onderbouw van bakstenen.

Kadaster: D-8293. Bouwjaar: waarschijnlijk 1743, herbouw 2003.

In het bovenwiel stond het jaar 1743 ingekerfd. De molen werd gebruikt om de Zemelpolder droog te houden. In 1999 is de molen afgebrand, in 2003 herbouwd.

Het is een achtkantige bovenkruier, een grondzeiler. De gemetselde onderbouw is van rode baksteen. De bovenbouw is van hout, gedekt met riet. Het kruiwerk bestaat uit een overring en een onderring. Het kruiwerk is m.b.v. de staart en het kruirad vanaf de grond te bedienen. Bovenwiel met kammen en een vang. De vlucht van de molen is ~ 19.30 m (oorspronkelijk was dit minder, nl 17.90 m en later 18.60m)

Oorspronkelijk was het een schepradmolen, later werd een vijzel gebruikt.

Midden 17e eeuw waren er 2 kleine poldertjes in het gebied waar nu de zemelmolen ligt.(samen niet groter dan 50 morgen). Ieder met een eigen watermolen. In 1662 werd besloten om de polders samen te voegen en voortaan door 1 molen te laten bemalen.

Op een oude kaart uit 1687 staat de polder vermeld als Hemelpolder, maar op andere kaarten staat Zemelpolder. Mogelijk is de naam een verwijzing naar “kleine” polder. Een oude betekenis van het woord zemel schijnt klein te zijn.

Wanneer de eerste molen na het besluit van 1662 is gebouwd is niet bekend. Het oudste zekere jaartal is het jaar 1743 wat in het bovenwiel gekerfd stond.
In het archief van Rijnland staan in 1806 gegevens over de molen bekend. Het is een wipwatermolen en de maten van o.a scheprad en wachtdeur worden in duimen omschreven. De te bemalen polder is 42 morgen en 489 roe groot ( 45 ha).
In 1871 (na de Franse tijd waarbij het metrisch stelsel wordt ingevoerd) wordt een meting in cm. opgegeven.
Uit 1904 zijn weer metingen bekend en gaat het om een polderoppervlak van 71 ha.
Tussen de beide laatste metingen zijn grote verschillen. Mogelijk zijn er grote reparaties verricht of is de molen zelfs vernieuwd.

Oorspronkelijk werd de molen alleen door één van de landeigenaren, of hun knechten, in werking gezet wanneer dat nodig was.

Tot 1928 is de molen in bedrijf als schepradmolen. Dan wordt een elektrisch aangedreven vijzel geplaatst. Geleverd door machinefabriek Spaans uit Haarlem. Met ijzeren roeden van 19.30 meter en een gietijzeren as. Voor deze aanpassing moesten de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland toestemming geven, aldus schrijft de toenmalige polderbestuursvoorzitter J.W.A. Lefeber.

In 1943 kocht de gemeente de molen. Voor een symbolisch bedrag van 1 gulden. Grote herstelwerkzaamheden aan het kruiwerk werden hierna uitgevoerd.
Toen er in het voorjaar van 1945 geen elektriciteit meer geleverd werd heeft men de polder met behulp van een automotor bemalen.
In 1973 was er, door het lange stilstaan ( sinds 1928 was er elektrisch bemalen), weer een restauratie nodig. Vanaf die tijd werd de zemelpoldermolen bemalen door leden van het Gilde van Vrijwillige Molenaars. Jan van der Veek en later Pieter van der Veek en zijn vrouw Helga zijn zeer betrokken bij de molen. Er wordt regelmatig gewezen op het feit dat de molen vanaf de 60er jaren van de vorige eeuw steeds meer omsloten wordt door bebouwing en begroeiing.

De molen was rijksmonument, maar werd na de brand in 1999 van de monumentenlijst geschrapt. Alleen de veldmuren bleven na de brand over.
De molen werd weer naar zijn oorspronkelijke vorm gereconstrueerd, dus geen elektrisch aangedreven vijzel, maar weer als vanouds met een scheprad.

Dit kon ook omdat de vijzel in 1928 in de watergang van het scheprad was geplaatst.

De wederopbouw van de molen was mede mogelijk door een inzamelingsactie onder de burgerij. (april 2000). In 2003 was de molen weer herbouwd. Molenmaker was Verbeij. In het gras naast de molen ligt de bovenas van zijn voorganger, die na de brand is afgekeurd.

De molenwerf is redelijk oorspronkelijk. De molenbiotoop is aangetast door omliggende bebouwing en beplanting. Er is te weinig ruimte om de molen.
Vrijwilligers zorgen er voor dat de molen geregeld draait. De molen staat sinds 2008 op de gemeentelijke monumentenlijst.

De Zemelpoldermolen in 1935

De Zemelpoldermolen verloor zijn wieken in 1950 door een storm

1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

De molen na de herbouw in 2003

POELPOLDER Wonen in de Leeuwerikstraat

Ina van Leeuwen  verhaalt over de afgelopen 50 jaar over het wel en wee van Poelpolder.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Poelpolder 50 jaar is aanleiding voor een paar artikelen over dit deel van Lisse. In dit julinummer het verhaal van Aad en Ina van Leeuwen die in 1967 in de Poelpolder kwamen wonen. Zowel Aad als Ina zijn Lisser van geboorte. Voor ze trouwden woonde Ina aan de Broekweg en Aad woonde in de Engel aan de 3e Poellaan.

Brug bij de Zemelpoldermolen, met de tijdelijke bovengrondse elektriciteitsvoorziening. De vogelbuurt is in ontwikkeling. 1966

In hun jeugd was de Poelpolder nog het gebied van de veetelers. Ina kwam er niet vaak. Maar ze herinnert zich nog wel dat ze met vriendinnen en zusjes naar de Poel trokken om er margrieten te plukken. In juni waren die er volop te vinden. Ze moesten er wel een heel stuk voor lopen. Van de Broekweg naar de Heereweg, dan de 1e Poellaan op en verder via de brug bij de Zemelmolen de Poelpolder in. Fietsen hadden ze niet. Hun jeugd viel in de oorlogstijd. Uit die tijd herinnert Ina zich ook nog dat haar vader wel eens bij boer Verdegaal langs ging. Er lag een roeiboot in de Greveling aan het verlengde van de Broekweg, waarmee werd overgevaren naar boer Verdegaal. Ina mocht dan wel eens mee, ze haalden daar wel biest. Wanneer het gevroren had was de Poelpolder ineens heel dichtbij. En de winters in Ina’s jeugd, de oorlogswinters, waren erg streng. Gerrit Verdegaal haalde dan zijn arreslee te voorschijn voor een tochtje naar de Kagerplassen. Aad kwam wel vaker in de Poelpolder. Wanneer je aan de 3e Poellaan woont ligt dat ook meer voor de hand, maar bovendien had hij een fiets. Zelf verdiend nog wel. Zijn broer had naast zijn gewone werk als timmerman een handeltje opgezet. Hij kocht schapenhuiden op. En daar profiteerde Aad weer van, want die kon heel goed wol spinnen. Dat leverde een aardig zakcentje op. En een enkele keer was er nog een meevaller voor thuis. Soms waren er verse schaapsvachten waar aan de huid hier en daar kleine vetstukjes aan waren blijven zitten. Met uiterste zorg werden die er dan nog van af gehaald. Elk stukje vet was van de hoogste waarde, de oorlogstijd was bepaald geen vetpot.
Na de oorlog volgde de opbouwperiode, maar ook een enorme woningnood. Er werd wel fiks gebouwd om de achterstand, ontstaan door de oorlog, in te halen, maar dat ging niet zo vlot. In 1962 werd de woningnood ‘officieel’ tot volksvijand nummer 1 verklaard.

Buurhuis met poortje naar de kolenopslag

Toen was men in Lisse al ver gevorderd met de plannen voor de bebouwing van de Poelpolder. Ina en Aad waren inmiddels in 1960 getrouwd. Ze hadden mazzel, want Aad was al lang daarvoor ingeschreven voor een woning en daardoor werd hen een bovenhuis toegewezen. Zij kwamen te wonen aan de Heereweg, schuin tegenover de Veldhorststraat waar toen op de hoek de dames Reeuwijk een kruidenierswinkeltje hadden. De ingang van de kruidenierswinkel was aan de Heereweg. De Incassobank was toen nog een echte bank waar de directeur boven woonde. Aad en Ina woonden boven bloemenzaak Stroet. Best een mooie woning. Twee kolenkachels waren er. Voor de kolen was een opslagplaats achter de zaak van Stroet. Dat betekende buitenom kolen gaan halen, weer via het poortje, voor de winkel langs naar de opgang naar de bovenwoning en dan naar boven. De bovenste verdieping was afgewerkt met kraalbeschot, maar natuurlijk ook erg koud, want daar werd niet gestookt. In de strenge winter van 1963 vond hun zoontje, wakker geworden in zijn ledikantje, het prachtig om het ijs van het beschot te krabben.

Dat de voorbereidingen voor het bebouwen van de Poelpolder in volle gang waren merkten ze op de Heereweg maar al te goed. Steeds kwamen er zware vrachtauto’s langs die vanuit de Veldhorststraat de bocht namen naar de Heereweg en zo door naar de Poel gingen. Bij iedere vrachtwagen schudde het hele huis en rammelden de kopjes bijna van tafel en de schilderijtjes van de muur. Het duinzand dat gebruikt werd voor wegenaanleg en bebouwing in de Poel kwam van de Ruigenhoek en geloof maar dat er heel wat nodig was! Het bovenhuis aan de Heereweg was prachtig, maar wel onpraktisch voor een gezin met kinderen. Op straat spelen met dat zware vrachtverkeer: veel te gevaarlijk. En op het plaatsje waar het kolenhok stond kon ook niet want dat was van Stroet en andere gebruikers. Naar buiten met 2 kinderen was een hele onderneming. De kinderwagen stond beneden. Dus de beide kinderen naar beneden dragen. Even snel een boodschap doen was er niet bij. Maar gelukkig had oma Groen in ‘t Woud aan de Broekweg een tuin met een zandbak. Natuurlijk wilden ze graag een eigen huis. Maar dat ging zo maar niet.

Aad was in 1962 gaan werken aan een school voor grafisch onderwijs in Den Haag. En in die tijd was wonen in de plaats waar je werkte min of meer verplicht. Er mocht alleen afgeweken worden van die regel wanneer de werkgever toestemming gaf en daar waren vaak voorwaarden aan verbonden. Maar gelukkig, die afspraak kon gemaakt worden en dus werd er in 1965 ingeschreven voor een te bouwen woning in de vogelbuurt in de Poelpolder. Het was het eerste project, een blokje van 4 straten, van koopwoningen in de Poelpolder. Ze werden gebouwd in opdracht van Eurowoningen, Den Haag. Kosten fl.32.000-, met een subsidie van fl.2000,- onder voorwaarde dat men er 10 jaar zou blijven wonen. Nu, dat hebben Ina en Aad inmiddels ruimschoots gehaald want ze wonen nog steeds op hetzelfde adres in de Leeuwerikstraat. Het waren eenvoudige en relatief kleine woningen. Met een vlizotrap naar de bovenste verdieping en nog steeds met een kolenhok, want cv zat er niet in. Die cv heeft Aad zelf aangelegd in een tijd dat doe-het-zelf nog niet in de mode was. De Gamma en Karwei moesten nog uitgevonden worden. Maar hier had Aad baat bij zijn werkkring. Daar waren ook specialisten op het gebied van leidingwerk e.d. dus die cv die kwam er wel. Net als veel andere verbeteringen in de loop van de jaren. Als je dat vergelijkt met het oorspronkelijk opgeleverde huis dan is het verschil enorm.
Toen de woning in maart ’67 werd opgeleverd waren ze er dolgelukkig mee. En de kinderen ook. Die konden eindelijk buiten spelen. De verhuisdozen waren nog niet uitgepakt of de oudste kwam al drijfnat thuis want hij was in het water gekieperd. De oudste ging nog naar de Jozefschool in het dorp, maar z’n jongere broer kon al naar de (nood) kleuterschool in de Poel, die achter de Uitermeer lag. In het blok van Ina en Aad kwamen voornamelijk Lissers wonen.

Bouw in de Leeuwerikstraat in de zomer van 1966

Maar  huizen er vlak bij kwamen mensen van buiten wonen, bijv. in de Kievitstraat veel Shellmensen en in de Kwartelstraat en Uitermeer oneven kwamen mensen van de marine, van vliegveld Valkenburg wonen. Ook in de huurwoningen achter de Uitermeer woonden o.a. marinemedewerkers. En dat merkten ze in de buurt! Regelmatig werd er een rondje laag overgevlogen voor het thuisfront. Ook kwamen in de woningen van de woningbouwvereniging veel Lissers wonen die in de bollen werkten. De mechanisatie in de bollen moest toen nog helemaal op gang komen, er waren dus nog veel arbeidskrachten nodig op de bollenbedrijven.
Een buurtgevoel was er in die tijd nog niet echt. Lissers blijven Lissers en de anderen waren toch vreemde eenden in de bijt. In de begintijd was het nog een beetje pionieren. Noodwinkels, zoals supermarkt Hogeboom, waren in de garages achter de Uitermeer. De vuilnisbelt lag toen nog tegen de Ringvaart aan en op de belt woonde toen Jan Ponsioen. Later kwam deze vreemde vogel aan de Roversbroekdijk te wonen. Deze excentrieke maar vriendelijke figuur met zijn wetenschappelijke boeken en onverzadigbare verzamelwoede maakte het de gemeente nog wel eens moeilijk waarbij hij z’n eisen wel wist te stellen.
In juni ’67, een paar maanden na de verhuizing, werd er weer een zoon geboren in huize Van Leeuwen. De Poel was een woongebied voor veel jonge gezinnen. Dus kwamen er scholen bij en zo langzamerhand kwam er meer samenhang in de Poelpolder. Het gemeenschapscentrum De Poel werd opgericht. Daar werd ook gekerkt (hoorde bij de Agathaparochie) en werd ook een kerkkoor gesticht met Huug Tielemans als dirigent.
De moeder van Ina kwam in de eerst opgeleverde flat aan het Rembrandtplein te wonen. Zij had gezondheidsproblemen gekregen, de Broekweg ging niet meer. Gelijkvloers wonen was noodzakelijk. Het was een mooie flat met vrij uitzicht over de nog onbebouwde polder richting Leiden. Ze woonde tussen de Leidenaren. In Leiden was een enorme woningnood en er was de afspraak dat Lisse een grote hoeveelheid Leidenaren zou huisvesten in de Poel. Lissers moesten eigenlijk niets hebben van een flat. Die wilden een stukje grond bij het huis. Mevrouw Groen in ’t Woud heeft niet lang in de Poelpolder gewoond. Haar gezondheid werd minder en in het dorp werd Eikenhorst gebouwd. Een woonvorm speciaal voor ouderen waar in de begintijd ook een tanende belangstelling voor was. Mevrouw Groen in ’t Woud was nog geen 70 toen ze daar kwam wonen. Maar ze woonde nog zelfstandig. De generatie daarvoor trok meestal bij de kinderen in. Aad vertelt hoe bij zijn ouderlijk huis aan de 3e Poellaan eerst een grootouder van vaderskant kwam inwonen en later nog een grootouder van moederszijde. Maar die laatste bracht ook nog een weeskind mee dat bij hen in huis geplaatst was vanuit St. Vincentius, het weeshuis in de Engel. En dat terwijl het huis van Aad’s ouders niet groot was en ze er met 7 kinderen woonden!
Dat waren andere tijden. Ina en Aad hebben heel veel zien bouwen in de Poel. Het lawaai van de zware vrachtwagens van de Heereweg werd vervangen door lawaai van de heimachines. Wanneer er nu gebouwd wordt is er praktisch geen overlast meer van heimachines. Inmiddels hebben ze naast opbouw ook al weer afbraak meegemaakt. De school waar hun zoons op waren, de Flamingoschool, was geen lang leven beschoren. En dat, terwijl de school in de Engel waar Aad zelf op zat nog steeds springlevend is. De Poelpolder is ontworpen met oog voor het groen. Ook het groen is al vaak vervangen en onderwerp van protest geweest bij dreigende kap. De laanbeplanting van de Ruishornlaan is al een keer, of misschien wel meerdere keren, opnieuw ingeplant. Zo verandert er voortdurend wat, maar blijft het een levendige wijk waar Aad en Ina het nog steeds naar de zin hebben. Ina brengt al jaren het Nieuwsblad van de vereniging in haar wijk rond. We hopen dat ze dat nog jaren kan blijven doen. Net als wonen in de Leeuwerikstraat in de Poelpolder.

POELPOLDER: Molenaar Duineveld

De bewoningsgeschiedenis van de grote Poelpoldermolen wordt beschreven. Ook andere zaken over de Poelpolder komen aan de orde.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Grote Poelmolen Foto van vóór 1950, genomen richting noorden. Het  noodgemaal met de Kromhoutmotor staat er nog niet. Rechts is de Ringvaart. In het midden, meteen links van de molen is de woning van De Vlieger in de Poelpolder.

Een polder zonder molen is natuurlijk ondenkbaar. Daarom nu herinneringen van de heer Duineveld. Hij was jarenlang molenaar van de Lisserpoelmolen. De heer Duineveld is opgegroeid op een boerderij in De Engel. Na de diensttijd solliciteerde hij naar de functie van molenaar op de Grote Poelmolen. Dat was in 1953. Toen woonde de oude molenaar, Joop Kerkvliet, er nog en daar leerde hij het vak van. In die eerste jaren als molenaar woonde Duineveld nog bij zijn ouders in de Engel. Naast molenaar werd hij ook veehouder. Het vak van molenaar is altijd al een deeltijdbaan geweest. In 1678, toen de voorgangers van de huidige molen er nog stonden, ontving de molenaar op de achtkanter molen 120 gulden en die op de kleinere wipmolen 70 gulden per jaar. Een ongeschoold arbeider verdiende in die tijd zo’n 300 gulden per jaar. Het maalloon was niet slecht en men had vaak ook bepaalde privileges, zoals vrij wonen en
stookvergoeding, maar om in het levensonderhoud te voorzien moest er iets bij gedaan worden.
Voor molenaar Duineveld was het malen dus een deeltijdbaan. In 1961 bedroeg het maalloon bijna 700 gulden. Ter vergelijking: een jaarloon voor een arbeider was begin jaren ’60 zo’n 4.000 gulden/jaar. Je zou bijna concluderen dat de betalingsverhoudingen weinig veranderd zijn in die drie
eeuwen.
Ook andere taken in de polder kwamen in aanmerking voor een vergoeding. In ’75 werd de vergoeding voor polderbestuursleden vastgesteld op fl. 175- per jaar, voor de voorzitter fl. 350- per jaar. In dit verband is het curieus dat de vertegenwoordiger van de gemeente Lisse (Lisse was ook stemgerechtigd), de heer Mesman, in de vergadering stelt dat de vergoedingen veel te laag zijn. Ze zouden moeten verdubbelen. Daarop leggen de bestuursleden uit dat ze hun verkiezing voor het bestuur zien als een grote eer, waar vanzelfsprekend geen juiste geldelijke waardering tegenover behoeft te staan. Bovendien was het al een redelijke verhoging vergeleken met nog niet zo lang daarvoor toen de vergoeding voor een
bestuurslid fl. 25 bedroeg. Zou een dergelijk idealisme nog bestaan? Terug naar molenaar Duineveld in 1953. Brood op de plank moest er komen en de combinatie veehouder/molenaar was passend. Er werden, met geleend geld van pa, 7 koeien gekocht. Vlak bij de molen had Duineveld toen 9 ha. grasland. Bij de ouderlijke boerderij, ook een melkveebedrijf, had hij ook nog eens 9 ha. in gebruik. Hard werken, maar na een jaar kon er afgelost worden. In 1958 ging hij met zijn vrouw in de molen wonen. Er werden 5 kinderen geboren. Ze zouden er uiteindelijk 47 jaar wonen. Toen de vorige molenaar, Joop Kerkvliet, in de molen woonde nam eenvzuiggasmotor, die in de molen geplaatst was, nog veel ruimte in. Dat gezin had beneden een kamer met bedstee, boven ook een kamer met bedstee en op de zolder sliepen de kinderen. In het halletje stond een gasstel. Waterleiding was er niet. Men gebruikte regenwater of haalde ergens een emmer water. Toen was de kwaliteit van regenwater gelukkig nog goed. Die zuiggasmotor moest er voor zorgen dat de polder minder afhankelijk van de wind zou worden voor de bemaling. Maar dat was lang niet voldoende. m de motor aan de gang te krijgen was bovendien de hulp nodig van veehouders uit de buurt. In 1956 kwam er een noodgemaal met een Kromhoutmotor naast de molen te staan. Dus toen de heer en mevrouw Duineveld in de molen kwamen wonen was er wat meer woonruimte. Om vanaf Lisse bij de molen te komen kon je via de 2e Poellaan met een wagen tot De Vlieger (zo’n beetje bij het zuidelijkste puntje van de Roversbroek) komen. Daar was ook een brug naar de Poelpolder. Naar de molen moest je dan het pad over de dijk volgen. Je kon ook door het land naar de 3e Poellaan. Het adres van de molen was ook 3e Poellaan. Maar de verbinding naar de overkant, naar de Haarlemmermeer, was veel eenvoudiger en werd meer gebruikt. Ook voor het boerenbedrijf.

De heer Duineveld zo’n nok van de molen bij een reparatie, uitgevoerd door medewerkers van molenmakersbedrijf
Verbij.

Want de heer Duineveld was dan wel molenaar, zijn beroep was bovenal veehouder en veehandelaar. De melkbussen werden overgevaren. ’s Zomers werden ze 2 maal daags opgehaald, in de winter 1 maal daags om naar melkfabriek Hollandia in Hazerswoude te gaan. Je had toen ook nog melkfabriek Heemskerk in Noordwijkerhout, een melkfabriek in Leiden en natuurlijk Menken in Wassenaar die nog lang heeft bestaan. De melkbussen werden opgehaald door een transporteur en eventueel voor de verschillende fabrieken elders overgeladen. De bussen waren genummerd en je had een dubbel stel melkbussen. Ook een broer van hr. Duineveld werkte 10 jaar in het veebedrijf. Waar indertijd grasland was bij de boerderij van zijn ouders werd het land omgezet en ontstond bollenland. Twee andere broers hadden daar hun bedrijf. Het veehoudersbedrijf bij de molen werd van lieverlee uitgebreid. Er kwamen stallen bij en later ook een woning. Maar het plekje van de molen had zo’n mooi uitzicht; verhuisd naar die woning zijn ze nooit. Inmiddels staan er zo’n 300 koeien op het bedrijf. Dat de melkveehouderij in de laatste 50  jaar enorm veranderd is blijkt wel uit deze aantallen. Met de hand melken was al lang  overgenomen door machines, een melkblok (melkkrukje) is niet meer nodig. Vroeger molk je met de hand en dan deed je zo’n 6 koeien per uur. Nu doet de machine dat voor 100 koeien. En dan de hoeveelheid melk. De 7 koeien waar de heer Duineveld mee begon leverden 2 melkbussen op, 80 l. Nu zorgen 160/170 koeien voor een melkproductie van zo’n 4.000 l. Het 2 maal per daags overvaren met de bussen is al lang voorbij; eens per 3 dagen wordt de koeltank leeggehaald door een melkwagen. De Poelmolen zorgde dus voor het droog houden van de Poelpolder. In de Poelpolder woonden maar weinig mensen; 4 a 5 boerderijen waren er. Daarnaast waren er wel een tiental veehouders die elders hun boerderij hadden, maar in de polder grond bezaten. Uit Lisse waren dat: De Wit, Van der Salm en Hulsebosch. Uit De Engel: Heemskerk, Duineveld en Van der Zon. De Roversbroek en de Poelpolder verschilden wezenlijk van elkaar. In de Roversbroek woonden aardig wat mensen en het waren daar veelal kwekers. Je had één groot veehoudersbedrijf, Warmerdam, en enkele kleinere zoals De Groot, Brak en Bakker. In 1890 was er vanuit de Roversbroek al een keer voorgesteld om te bestuderen of een gezamenlijk stoomgemaal niet een oplossing zou betekenen voor de bemalingsproblemen van beide polders. Er werd lang over onderhandeld, maar in 1896 verwierp het polderbestuur van de Poel het plan.
Toch was de nood soms wel hoog. De Poelpoldermolen werd in 1907 door een windhoos getroffen en in 1917 werden weer de molenas en de roeden vernield. Dan was langdurig onderhoud natuurlijk nodig en ontstond een probleem met de afwatering.
Molenaars kunnen een weersomslag vaak aan zien komen, die hadden daar geen buienradar voor nodig. Toch gebeurde het wel dat een plotseling aanwakkerende wind snel ingrijpen vroeg. Dan was het een hele toer om de molen stil te zetten. Ook molenaar Duineveld is dat wel overkomen. Gelukkig steeds goed afgelopen, maar hij is toch wel met een emmer zand naar boven gegaan om te kijken of de as niet warmgelopen was. Voor onderhoud aan de molen kwam in de begintijd molenmaker De Gelder
uit Leiden. Later werd dat molenmakersbedrijf Verbij uit Hoogmade. De molenaar moest de staat van de molen in de gaten houden en deed voorstellenc aan het polderbestuur voor het noodzakelijk onderhoud. De polder was eigenaar en daar moest dus beslist worden of men het geld er aan wilde besteden. Om een idee te geven: in 1961 werd er door fa. De Gelder voor 1380 gulden werk geleverd aan de molen. Daar kwam verder aan onderhoud nog bij schilderwerk, rietdekkerswerk. Het totaal aan onderhoudswerk
was dat jaar begroot op 3000 gulden. 1 maal per jaar was er een algemene ledenvergadering in de Witte Zwaan. Daar werd ook over de polderlasten gestemd. In 1961 was het voorstel 43 gulden per ha. Leden waren degenen die land in eigendom hadden in de Poelpolder. Het stemrecht was verdeeld naar het aantal ha. grond dat in eigendom was. Het bestuur vergaderde indien nodig. Om te zorgen dat water goed afgevoerd kan worden, wordt er jaarlijks een schouw gehouden. In augustus was er de 1e schouw. Bij de schouw werden de tocht, de scheisloten en natuurlijk de molentocht, die de molenaar zelf
schoon moest houden, bekeken. De molentocht was zo’n 600 m. lang en het moest indertijd allemaal met de hand onderhouden worden, dus dat was wel een paar weken werk . De overige sloten van de veehouders waren eigen verantwoordelijkheid. Toch gebeurde het wel in natte periodes in de zomer,
vooral in het noordelijkste deel van de polder, dat het water niet voldoende weggemalen kon worden. Gemalen werd er dan 24 uur per dag. Een sloot die niet voldoende open was verergerde de problemen natuurlijk. Dan kwamen de veehouders wel verhaal halen bij de molenaar. Eind oktober was de 2e schouw door het polderbestuur. Eerst verzamelen bij de vader van de heer Duineveld (hij zat in het polderbestuur) met koffie. Dan werden de taken voor de schouw verdeeld in noord, zuid en de tocht. Het schouwen was zo tegen 12 uur klaar. Dan naar de molen voor het na vergaderen met een borreltje. Een zeer gezellige afsluiting waarbij drankjes geschonken werden die nu nauwelijks meer gedronken worden als oude genever en een brandewijntje. De Roversbroekpolder en de Poelpolder werden in de 60-er jaren als polders samengevoegd. Het gemaal van de Roversbroek werd in ’70 opgeheven. Dat had gevolgen voor de afwatering. De Poelpolder is een diepe polder; het zomerpeil bedraagt -3,73 m NAP, het winterpeil – 4,- NAP. De Roversbroek ligt iets hoger dan de Poel. De dijken werden afgegraven en er kwamen duikers onder de wegen om het water naar de Poelpolder af te voeren. Extra elektrische bemaling was nodig.

Het recreatieve fietspad ligt inmiddels langs de molen. Foto 1991.

Toen het plan voor de bebouwing er kwam is het land van de veehouders vrij verkocht. Het meeste werd door de gemeente gekocht. Met de bebouwing van de Poelpolder werd de waterafvoer ook anders geregeld. Er kwam een rioolstelsel en de gemeente had een eigen bemaling.
De Poelmolen, eerst eigendom van de Poelpolder, werd overgedaan aan waterschap De Oude Veenen. In 1986 kwam de molen in handen van de Rijnlandse Molenstichting. Het werk van de molenaar veranderde mee. Tegenwoordig wordt er alleen nog op vrijwillige basis gemalen. Eind 2005 volgde Jan van Schalkwijk molenaar Duineveld op als vrijwillig molenaar. Gelukkig kunnen we anno 2015 nog steeds genieten van de statig ronddraaiende wieken die het mechaniek in gang houden dat het overtollige water afvoert naar de Ringvaart.

Foto van vóór 1950, genomen vanaf de Haarlemmermeer richting Sassenheim.
De optrekjes bij de molen werden verhuurd als vakantieverblijf.

De Poelpolder: van uitgestrekte weilanden tot grote woonwijk

Het nieuwe boek over 50 jaar Poelpolder door Arie in ’t Veld

In 2015 is het vijftig jaar geleden dat begonnen is met bouwen in de Poelpolder. Arie in ’t Veld heeft daar een boek over geschreven: “De Poelpolder: van uitgestrekte weilanden tot grote woonwijk.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

In 2015 is het vijftig jaar geleden dat de Poelpolder bestaat. Let wel: de Poelpolder als woonwijk, want de polder zelf bestaat al sinds mensenheugenis. In dit verband is een boekje uitgebracht waarvan we hierbij de eerste pagina’s overnemen. Het boekje kan besteld worden via het secretariaat van de Stichting Poelpolder 50 of Tiny.Reeuwijk@xs4all.nl Dat het oog van de bestuurders voor het bouwen van woningen op de Poelpolder viel was niet zo vreemd. Aan het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw telde Lisse ruim dertienduizend inwoners, waaronder 599 woningzoekenden. Een groot aantal daarvan stond al vele jaren als woningzoekende ingeschreven maar had weinig hoop op adequate huisvesting, omdat er slechts mondjesmaat nieuwe woningen verrezen. Het gemeentebestuur had echter plannen die ertoe konden bijdragen dat het schrijnende tekort aan woningen zo spoedig mogelijk opgelost zou worden. De bestuurders hadden daarvoor met name de uitgestrektheid van de Poelpolder op het oog en begonnen reeds halverwege de vijftiger jaren met de voorbereidingen om in dat gebied op grote schaal huizen te bouwen. Overigens makkelijker gezegd dan gedaan, want in die tijd konden gemeenten niet zo veel bouwen als ze wilden. De aantallen werden via de zogenoemde contingenten ’verdeeld’ en dorpen als Lisse kwamen er dan nogal magertjes vanaf met zo’n vijftig tot zestig woningen per jaar. Een druppel op een gloeiende plaats dus. Maar de bestuurders van Lisse gingen niet bij de pakken neerzitten en de tijd zou leren dat zij, en niet in de laatste plaats burgemeester mr. Th. M.J. de Graaf, uiterst vindingrijk waren en er in slaagden de toegekende contingenten enorm uit te breiden. Bouwen dus in Lisse en met name in de Poelpolder. Al in 1956 waren er plannen om woningbouw in de Poelpolder te plegen en werd daarover voor het verwerven van de benodigde grond veel overleg gepleegd met de grondeigenaren. Met tot gevolg dat aan het begin van de zestiger jaren enkele taxateurs van de gemeente de opdracht kregen om de gronden in de Poelpolder te taxeren. Met de eigenaren was al eerder gesproken over de taxaties. Het werd snel duidelijk dat het een harde strijd zou worden omdat ze de grond niet voor de getaxeerde prijzen wilden verkopen. “Het dreigende tekort aan bouwterrein in het dorp, evenals de toename van de bevolking is voor het college aanleiding om, in afwachting van de resultaten van de te voeren onderhandelingen, reeds een aanvang te maken met de tijdrovende onteigeningsprocedure,” aldus B en W, daarmee gelijk aantonend dat men van plan was hoe dan ook de gronden in de polder voor woningbouw te verwerven. En dat ging dan ook nog gepaard met de mededeling dat men in 1962 met de bouw wilde beginnen. Maar ja, iets voornemen wil niet altijd zeggen dat het ook onmiddellijk kan worden aangepakt, zoals ook de gemeente ervoer. De grondeigenaren stribbelden namelijk fi ks tegen. Zo vochten zij uitkomsten van de taxaties aan en kwamen ze op de proppen met een deskundige die hen het advies gaf om geen enkele informatie meer aan de gemeente te geven. Dat schoot bij het college van B en W uiteraard in het verkeerde keelgat. “Er zijn dan ook forse woorden gevallen,” aldus burgemeester mr. Th. M. J. de Graaf. Dat er nog een heel lange weg gegaan moest worden voordat de eerste huizen kwamen in wat toen nog weids weilandgebied was, leek echter wel zeker. Enkele raadsleden lieten blijken er dan ook niet zo veel vertrouwen meer in te hebben dat het streven om in de Poelpolder te gaan bouwen spoedig een succes zou worden. “Kunnen we niet onderzoeken of we in Lisserbroek kunnen bouwen”, aldus raadslid Van de Aardweg (KVP) die van de burgemeester te horen kreeg dat deze vond dat het nu wel erg pikant werd. Lisse had volgens hem namelijk besloten een bepaald traject te volgen en in meerderheid hield de raad daaraan dan ook vast. De gemeente hield stug vol met te trachten de benodigde gronden te verwerven en dat de aanhouder wint, bleek later in het jaar, toen men op basis van minnelijke schikking een heel eind kwam en de eerste aankopen konden worden verricht. Voor een gemiddelde prijs van drie gulden per vierkante meter, inclusief het slopen van de opstallen. De daarop volgende grote aankoop was die van twaalf hectare voor een bedrag van 223.000 gulden. Het begin was er dus, maar voor grootschalige woningbouw was dat nog niet genoeg grond en in januari 1963 besloot het gemeentebestuur om de onteigeningsprocedure die men in gedachten had door te zetten en de betrokken grondeigenaren te dagvaarden. Er werd dus zwaar geschut ingezet, maar de gemeente sprak ook de hoop uit dat de partijen uiteindelijk tot een minnelijke schikking zouden kunnen komen. In april was de kogel door de kerk. Na een lange en zeer strenge winter die jaren later nog tot de verbeelding zou spreken en waarin Reinier Paping onder uiterst moeilijke, zeg maar Siberische, omstandigheden de Elfstedentocht won, leken ijs en gemoederen ontdooid, want na tweeëneenhalf jaar onderhandelen had de gemeente alle voor de eerste bouw benodigde grond verworven. Er konden dus plannen worden gemaakt om de woningbouwcontingenten van 1963, 1964 en 1965 in de nieuwe wijk Poelpolder te realiseren. Dertig hectare bouwgrond had men beschikbaar om een begin te maken met de strijd tegen de woningnood. In de hoofden van de bestuurders waren intussen ook al plannen ontstaan voor hoogbouw, maar de ontwikkelingen aan de Van Speykstraat maakten dat daar door menigeen toch nog wel wat sceptisch tegenaan werd gekeken. Er was weliswaar een plan om in het verlengde van de De Ruyterstraat een torenfl at van twaalf verdiepingen te bouwen (veertig meter hoog) waardoor er zestig woningen beschikbaar zouden komen, maar de raad zag daar geen brood in gezien de ontwikkelingen aan de Van Speykstraat. Want wat was het geval: aan de Van Speykstraat waren 99 woningen in hoogbouw verrezen, waarvan er 66 beschikbaar waren voor de woningbouwvereniging Volksbelang. Bij de verdeling van die woningen ging het echter niet bepaald van een leien dakje. In eerste instantie bleek namelijk vrijwel niemand in zo’n woning geïnteresseerd te zijn, wat voor voorzitter Hordijk reden was om zich tijdens de jaarvergadering van de vereniging openlijk af te vragen of de woningnood in Lisse eigenlijk wel zo groot was als op papier werd aangegeven. Om de 66 woningen uit te kunnen geven moest de vereniging namelijk uiteindelijk maar liefst 180 personen van de wachtlijst aanschrijven. Wonen in hoogbouw werd kennelijk niet gewaardeerd. Zelfs niet als de (woning)nood hoog is. Dat dit anders is uitgepakt weten we inmiddels……..

Het logo van Poelpolder 50 jaar

Belangen in de Poelpolder

De geschiedenis van de Lisser Poel van vóór en na 1624 wordt beschreven.  

door Liesbeth Brouwer

NieuwsbladJaargang 14 nummer 1, januari 2015

In de 16e eeuw bestond het oostelijke gebied tussen Lisse en Sassenheim uit een reeks plassen, de Noordpoel, de Zuijdtpoel, Geestwat er en Clypoel. De plassen waren sinds de 2e helft van de 16e eeuw eigendom van Leiden. Ze werden gebruikt voor de vroonvisserij (vroon was oorspronkelijk “aan de landheer behorend”). Tussen het “oude” land en het Haarlemmermeer (Leidsemeer) lag het eiland Roversbroek. Vanuit de dorpen kon men in het noorden via de Greveling en in het zuiden via het Hellegat naar het open water komen. Deze wateren waren ook belangrijk voor de afvoer van het overtollige regenwater. Voor de bewoners van Lisse was dit waterrijke gebied van belang om hun goederen te vervoeren en af te zetten naar bijvoorbeeld de markten van Leiden, Haarlem of Amsterdam. Vervoer over water was in die tijd veel belangrijker dan over wegen. Sinds de verzanding van de Rijn werd het overtollige water in dit gebied afgevoerd naar het Haarlemmermeer. Toch ontstonden er steeds meer problemen met het water.

Poldertjes werden wel met hoosvaten drooggehouden. Paardenmolens hielden veel Lisser poldertjes droog. Bron: A. Freitag, Architectura Militaris nova et aucta.

Veel weilanden kwamen vaak en lang onder water te staan. Boeren bouwden vaak een molentje om zo hun veeteelt te kunnen blijven uitoefenen. In Lisse gebruikten ze tot ver in de 16e eeuw vooral paardenmolens. Zo ontstonden kleine poldertjes. Maar al snel werd duidelijk dat de krachten gebundeld moesten worden; er kwamen grotere polders met een eigen polderbestuur dat door het hoogheemraadschap Rijnland erkend werd. Tussen Lisse en Sassenheim waren meerdere polders. De latere Lisserpoelpolder was eigenlijk een uitzondering in deze reeks polders. Het was namelijk een droogmakerij. De Kerkmeesters van de drie hoofdkerken van Leiden verwierven het plassengebied in 1621 van de stadsregering in Leiden. In de tijd daarvoor waren de Beemster (in 1612) en de Purmer (rond 1617-22) drooggelegd. Dat waren zeer lucratieve ondernemingen. Voor de kerkmeesters een aantrekkelijk idee om hetzelfde te proberen met de drooglegging van de “Lisserpoel”. In 1622 werd octrooi verleend om het Hellegat, het Geestwater met Zuid en Noord Poelen droog te leggen. Het Hellegat bleef nog voor een deel buiten de plannen, maar verder werd meteen met de bedijking en uitmaling begonnen. De ringsloot moest zodanig aangelegd worden dat “…de Ingesetenen van den Ambachte van Lisse en Sassenheim met schepen, schouwen, ponten ende schuyten daer door van outs gehad hebben, niet zouden worden verhindert ofte beleth”. Dus als vanouds vrije doorvaart vanaf het Haarlemmermeer naar Lisse v.v. Na de drooglegging bleef de invloed van de kerken op het reilen en zeilen van de Poelpolder groot. De nieuwe polder werd in 11 kavels gedeeld, waarvan er twee voor de kerken waren. Op kavel 6, aan het eind van de Middelwech (later 2e Poellaan) stonden de 2 molens die de polder droog moesten houden. Bovendien hadden de kerkmeesters het recht om bij beslissingen 2 stemmen uit te brengen in de ingelandenvergadering. Laterverminderde de invloed van de kerken wel, maar pas in de Franse tijd (rond 1800) kwam er een einde aan de bevoorrechte positie van de kerken. Naast de kerkmeesters stapten ook rijke stedelingen in het avontuur van de drooglegging. Na de drooglegging werden enkele percelen doorverkocht, maar nog steeds waren het rijke stedelingen die eigenaar waren en dus ook in het polderbestuur zaten. Dit in tegenstelling tot de andere polders in de buurt waar de landbouwers zelf in de polderbesturen zaten. Een van de nieuwe eigenaren in de Poelpolder was Scriverius, in zijn tijd een vermaard schrijver, die in de nieuwe polder een buitenplaats liet bouwen, Uytermeer. Beleggen in landbouwgrond was in die beginperiode een goede investering, maar toen het economisch tij veranderde en de pachtprijzen onder druk kwamen te staan kwamen de landbouwgronden zo langzamerhand in handen van de (rijke) boeren zelf, zoals bijvoorbeeld de families Verdegaal, van boerderij Poelewaay, en Langeveld. En zo onderscheidde de Poelpolder zich wat type eigenaren betreft niet langer meer van de andere polders. Maar dan zitten we bijna in de negentiende eeuw. Dat de invloed van Leidse grootgrondbezitters verschoof naar inwoners van Lisse lees je ook af aan de vergaderplaats van het polderbestuur: in de zeventiende eeuw kwam men vooral samen in de kamers van de drie hoofdkerken in Leiden. Nadat de kerken hun gronden verkochten, vergaderde men in herberg De Engel.Terug naar de beginjaren van de polder. Er was bij de droogmakerij vrije doorvaart toegezegd. Maar al gauw ontstonden daarover problemen. Het zeilen door de ringsloot bracht schade aan de dijken aan. Het polderbestuur wist daar wel raad op, gesteund door Rijnland: in de vaart van Lisse tot de Greveling werden houten dwarsliggers geplaatst. Vervolgens konden de bewoners van Lisse hun producten zoals vlas, vruchten, boter, kaas enz. niet meer naar de markten van Leiden en Haarlem krijgen. Naar Sassenheim deed zich hetzelfde probleem voor. Schouten en ambachtsbewaarders lieten het er niet bij zitten en er volgde een reeks van processen, zelfs tot aan het Hof van Holland toe. De dorpen haalden hun gelijk, maar een echt vrije vaart door de ringsloot werd het niet meer. Het polderbestuur zorgde steeds voor nieuwe “watergalgen (laaghangende balken over de vaart)” over de waterwegen, die dan op een goed (of kwaad) moment weer spoorloos verdwenen. Het was natuurlijk ook lastig dat steeds de mast gestreken moest worden! Dit kat en muis spelletje bleef bestaan totdat vervoer over het water van de ringsloot en de tochten in de Lisserpoelpolder aan betekenis inboetten. Maar ook omdat de kwesties in later tijden beter in den minne opgelost konden worden. De polderbestuurders waren toen ook inwoner van Lisse. Soms zaten de polderbestuurders zelf ook in het gemeentebestuur en dat onderhandelt toch een stuk makkelijker.Ook op ander gebied was niet alles koek en ei. In 1675 was er in de Poelpolder een overstroming. Het opzwiepende water bij een noordwester storm was voor de Spaardammerdijk te veel, dijken begaven het en het water van het IJ kwam in het Haarlemmermeer en zorgde er ook voor dat dijken en kaden van de Poelpolder vernield werden. De molens konden de Poelpolder niet droog krijgen. (een van de molens was bouwvallig geworden). Molenmeesters van omringende polders werd om hulp gevraagd. Maar hoewel voor ieder etmaal malen 4 gulden werd geboden wilden de molenmeesters van de Geelhoornsepolder, zuidelijk van de Poelpolder, niet meewerken. Het Hoogheemraadschap Rijnland moest er aan te pas komen om de molenmeesters van de Geelhoornsepolder te dwingen hulp te verlenen. Toen was de klus vlot geklaard. Er moest natuurlijk wel wat gebeuren met de molens. Besloten werd om een nieuwe vijzelmolen te bouwen. Deze molen, waarschijnlijk gereed gekomen in 1677, is nog steeds te bewonderen. Het polderbestuur liep in technisch opzicht voorop, want de vijzel, het mechaniek waar de molen mee werd uitgerust, was in die tijd nog een erg experimenteel werktuig. Dat was dan waarschijnlijk wel weer het voordeel van de stadse invloed. Nieuwe ontwikkelingen worden daar sneller omarmd dan op het platteland. In 1735 was het weer helemaal mis. Weer een conflict over het zeilen, maar bovendien over het gebruik van de drie Poellanen. Naast een verbod op zeilen in de ringsloot wilden de directeur (zo werd de heemraad genoemd) en hoofdingelanden dat ook het gebruik van de Poellanen beperkt zou worden. De wegen zouden alleen gebruikt mogen worden voor het vervoer van wat in de polder groeide of wat voor die landen nodig was. Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland grepen in en beslisten dat zo’n keur (verordening) niet kon: het polderbestuur moest bakzeil halen.

Kaart gemaakt in opdracht van 2 percelen in de Roversbroek, 1628. De locatie van de beide molens van de Poelpolder, bij de latere 2e Poellaan, is duidelijk te herkennen.

De naamgeving van de Poellanen is nogal verwarrend. De 2e Poellaan (toen Middelwech genoemd) ontstond al in 1622 en liep naar het smalste deel van de Poelpolder. In oude archiefstukken wordt de Poellaan van de Zemelbrug naar de Greveling de derde Poellaan genoemd. De zuidelijke Poellaan, vlak bij Sassenheim, noemde men eerste Poellaan. Zelfs in het bijzonder reglement van 1918 wordt wat we nu als 1e Poellaan kennen nog omschreven als 3e Poellaan. Blijkbaar waren de wegen oorspronkelijk eigendom van de polder. In de begroting voor de polder van 1965 lezen we dat nu de 2e Poellaan is overgedragen aan de gemeente en hiervoor vermoedelijk geen uitgaven meer worden gedaan.

 

Bij de plannen voor het droogmaken van het Haarlemmermeer bleef ook de Poelpolder niet ongemoeid. Door het graven van de ringvaart kwam een deel van de Poelpolder in het nieuwe droogmakingsgebied te liggen. In 1856 werd offi cieel overgedragen aan de Haarlemmermeerpolder “ de grindweg, genaamd de Poellaan, ….. eindigende tegen ’s Rijks grooten weg der 1e klasse N.4., even benoorden het dorp Sassenheim, met de halve slooten aan weerszijden, den duiker in den dam bij de Lisserpoel, de hekken, scheeringen,leuningen enz. en de brug over de ringsloot van den Poelpolder ”. In 1858 werd door de Staten van Zuid-Holland voor de Lisserpoelpolder een bijzonder reglement vastgesteld. Als grenzen voor de Poelpolder werden vastgesteld: -ten noordwesten de Bontekrielpolder, landerijen in het buitenwater en de Zemelpolder; -ten noordoosten een perceel land in het buitenwater, het Kruishoorntje genaamd, en de Lisserbroekpolder, -ten zuidoosten een perceel land in het buitenwater, de Greveling, de Roversbroekpolder, het Buitenkanaal en een perceeltje land in het buitenwater van de Haarlemmermeerpolder; -ten zuidwesten de Hellegatspolder en de Floris-SchoutenVrouwenpolder.
Samenwerking tussen polderbesturen kon soms heel lastig liggen. In 1890 stelde het bestuur van de Roversbroekpolder voor om samen met de Poelpolder te onderzoeken of het gezamenlijk stichten van een stoomgemaal een oplossing kon betekenen voor het waterprobleem. Het polderbestuur van de Poelpolder sprak het plan niet erg aan en na de nodige onderhandelingen werd het plan in 1896 afgeblazen. De samenwerking liet nog even op zich wachten. Nu vieren we 50 jaar Poelpolder. We duiden hier gemakshalve ook de Roversbroekpolder mee. Het onderscheid tussen beide polders is inmiddels totaal vervaagd. Over de Grote Poelmolen en molenaar Duineveld gaat de volgende aflevering uit de verhalenreeks van de Poelpolder. Bronnen: Geschiedenis van de Lisserpoelpolder, G. ’t Hart, Chartermeester van Rijnland Sociale geschiedenis in de polder, Siger Zeischka.

Een eeuwenoude naam POELPOLDER

In 1624 was de droogmaking van de Lisser Poel voltooid. Het heette toen ‘De bedijkte Lisser Poel’. Later werd dit de Lisser Poelpolder genoemd. Toch wordt er in 1602 al over een Lisser Poelpolder geschreven. Deze lag ten noorden van de huidige Poelpolder waar nu de Zemelpolder is.

 door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Detail van een kaart van Floris Bathasar uit  1612

In het Nieuwsblad van oktober 2014 eindigde ik bij die geheimzinnige achtkantige toren. Daar begint ook het verhaal van de Poelpolder. In 1622 begon men met het uitgraven van de Ringsloot* en daarmee ook het opwerpen van de ringdijk. Bij deze werkzaamheden stuitte men op dat hoekige fundament, dat onderdeel zou zijn geweest van het al oude Huys Devere. In 1624 was de droogmaking klaar, nog geen 400 jaar geleden. Toch was er al in 1602 sprake van een “Poelpolder”, het Rechtelijk Archief van Lisse maakt dan melding over de verpachting van een stuk land groot 11 hond, genaamd de Venne* gelegen in de Poelpolder. Tussen 1602 en de daadwerkelijke droogmaking in 1624 komen we de naam “Poelpolder” herhaaldelijk tegen. Dus ruim voor het droog vallen van de Noort Poel, de Zúydt Poel, het Geestwater en de Cleens Poel. Deze vier delen vormden samen het ‘s Gravenwater, daarbij hoorden ook de Grevelinge en het Hellegat. De visrechten waren toen aan de Graaf (vandaar ‘s Gravenwater) en die verpachtte dat recht aan de stad Leiden. Aan de hand van de namen van de stukjes grond zou je deze vroege Poelpolder in de buurt van de Vennestraat en villa “de Venne” zoeken. Dat had ik ook zo gedacht echter verder in het archief wordt ook “het Nestge” genoemd en dat was bij de Voorhouter banwatering.

 

 

 

 

Op een oude kaart van Floris Balthasar uit ±1615 staat duidelijk in een stuk land de naam “de Venne” aangegeven. Er boven ligt dat hoornvormige stukje land tussen de twee uitwateringen’ dat is “Colleshorn” (Colijnshorn). Linksonder zien we nog net de Trijnenlaan met dwars er door de “Oude Banzijp”, die voor Wassergeest langs afwatert in het Geestwater en wel in het deel wat men de Zuydpoel noemde. 

Nu nog wat stukjes rechtelijk archief in relatie tot de naam Poelpolder. Deel III. 149. 02-11 1602: land genaamd “Colleshorn” gelegen in de Poelpolder…………… Deel III. 198. 07-10 1604: land genaamd “de Kleine Venne” gelegen in de Poelpolder….. Deel III. 237. 08-03 1606: land gelegen in het Block genaamd “de Poelpolder” …………… Deel III. 260. 08-05 1607: land genaamd “het Nestge” gelegen in de Poelpolder, belend NW de Voorhouter banwatering Deel IV. 327.v. 07-01 1621: de helft van de “Capelleweide” groot 13 hond, gelegen in de Poelpolder, belend NO de Corte Broekweg….etc.

De Poelpolder was er eerder dan de Bedijkte Lisse Poel

Al deze gegevens vertellen ons dat er voor het droogleggen van het Geestwater al een Poelpolder was en niet eens zo’n kleintje! Die polder begon met de “Capelleweide” vanaf de Brouckweg (Kanaalstraat) in zuidelijke richting tot voorbij de Engel. Landinwaarts vanaf de Sudde* tot de Banzijp* en noordelijker tot aan de Achterweg. Langs het Geestwater werden ter bescherming al heel vroeg lage dijkjes opgeworpen vandaar dat het ook polder werd genoemd. Voor 1602 kom je ook wel de benaming “Poelbuurt” tegen in het archief. Na het droog malen maakte men nog lang onderscheid tussen “de bedijkte Lisserpoel” en de “Poelpolder” zoals ze in de kaart onderaan globaal staat aangegeven.
Bronvermelding, kaarten:Hingman Collectie, Nationaal Archief, Public Domain teksten: Rechtelijk Archief van Lisse, bewerkt door H.J. van der Waag
Voetnoten****verklaringen uit lexicon van Kranenburgia. Ringsloot=vaak ten onrechte Rijnsloot genoemd, Sudde=strook zeer drassige oever met riet langs de oevers van het Geestwater. De Sudde had een variabele breedte van enkele meters tot wel 40 meter. De Sudde werd niet meegeteld in het grondbezit, ze werden in stand gehouden om de golfslag te breken. Banzijp= Oude Banzijp of Banwetering werd zo genoemd omdat deze Zijp (beek of veenstroom) een stuk zuidelijker de grens (ban) vormde met Voorhout en bij Teylingen ook met Sassenheim. (Op Banzijp en andere namen wil ik in het volgende nummer terug komen) Venne= een Venne was een drassig stuk weiland. De Vennestraat en villa de Venne bij de Jannetjesbrug herinneren ons daar aan. Overal in het plassenrijke landschap waren Vennes. Bij Warmond was de “Vrouwevenne”, bij de Gerrit Avenweg was “de Grote Venne”.

Detail uit kaart van J. P. Dou ± 1622. Het lichte gedeelte is globaal “de Poelpolder” van voor 1624. “Het Nestge” was een stukje Lisse en Voorhout, lichte deel rechts onder

ROVERSBROEK, EILAND, POLDER, VEENDERIJ.

De geschiedenis van de Rooversbroek wordt beschreven. Ook de vervening aan het begin van de 20e eeuw komt aan de orde, evenals de middelen van bestaan. Een kasboek van 1888 tot 1923 wordt uitgebreid beschreven. Ook de verkaveling, bemaling en ontpoldering komt aan de orde.

 door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 3, juli 2013

Wat vooraf ging

Het is 11 augustus 2012; ’Bollenstreek in Bedrijf’. Vereniging Oud Lisse staat met een kraam bij Het Oude Huis op de Rooversbroekdijk. Daar komt ook de heer J.L. Duivenvoorden, een geboren Roversbroeker en een verteller met een ijzersterk geheugen. Er wordt afgesproken om eens wat verhalen op te tekenen en er iets van te publiceren in het Nieuwsblad.

Kasboek

Bij de eerste afspraak is er al een verrassing. De heer Duivenvoorden laat een oud kasboek zien. Er staat op “Kasboek W. Meyer en P. Huis”. Datering 1888 tot 1923.
Het kasboek kwam bij de familie Duivenvoorden via Kees Huis, zoon van de P. Huis van het kasboek. Kees Huis woonde de laatste jaren van zijn leven in bij de heer en mevrouw Duivenvoorden. De vader van Kees Huis was veender in de Roversbroek. Hij zal de veenderij samen gedaan hebben met W. Meyer. In het kasboek staan, in een mooi handschrift, ontvangsten en uitgaven genoteerd. De moeite waard om nader te bestuderen en de aanleiding om een eerste artikel over de Roversbroek te maken.

Eiland Roversbroek

Het dorp Lisse ontstond op de meest oostelijke strandwal. Oostelijk daarvan lag een groot veen- en plassengebied. In dat veengebied had op grote schaal natte vervening plaatsgevonden (tot onder de waterspiegel). Stormen waren er de oorzaak van dat er een steeds groter wateroppervlak ontstond: het Haarlemmermeer. De Lisser Poel was een water met een open verbinding met de rest van het Meer. Tussen de Poel en het Meer lag het eiland Roversbroek.

Inpoldering

De opbrengsten (vis) van de Lisser Poel waren voor de 3 grote kerken van Leiden: voor de Pieterskerk, voor de Pancras- of Hooglandse kerk en voor de Lieve-Vrouwekerk. Dat bracht echter niet zo veel op en daarom besloot men om De Poel droog te leggen. Dat gebeurde in 1623/24. De Poelpolder werd een feit. Het eiland Roversbroek werd vanaf die tijd omsloten door het (Kager)Meer, door de Greveling, door de ringsloot om de Poelpolder en door het Hellegat. De landen van het eiland Roversbroek liepen al bij een beetje wind onder water en waren dan niet te gebruiken. Reden voor de ingelanden van de Roversbroek om de hoogheemraden van Rijnland te verzoeken of ze hun landen met een kade mochten omgeven en toestemming te krijgen een molen te plaatsen. Die toestemming komt op 10 juli 1632. De Roversbroekpolder was een feit en had een oppervlakte van 177 morgen of 150 hectare.

Haarlemmermeer

Het Haarlemmermeer bleef een bedreiging voor zijn omgeving vormen, maar plannen om deze waterwolf te temmen konden met windmolens niet succesvol uitgevoerd worden. Uiteindelijk lukt het met stoomkracht. In 1852 valt de Haarlemmermeerpolder droog. In de Leydse Courant van 27 nov. 1843 wordt een ‘wetsvoorstelling’ gepubliceerd “houdende vaststelling van de begrooting der kosten voor droogmaking van het Haarlemmermeer. De aanleg van ringvaart en ringdijken, polderkaden en bermslooten wordt begroot op f2,012,300”. In de courant van 4/7/1845 staat dat “de ringvaart overal gegraven is en de bedijking langs dezelve in orde gebragt”. Het ontstaan van de Haarlemmermeerpolder had grote gevolgen voor de Roversbroek. De Ringvaart liep dwars door de Roversbroek en sneed een deel van de polder af. Het eiland verloor ongeveer een kwart van zijn oppervlakte (ruim 31 hectare) aan de Haarlemmermeer. De Roversbroekpolder had hierna als afgrenzing de ringsloot van de Lisserpoelpolder en de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder . De polderlasten moesten natuurlijk anders verdeeld gaan worden. Maar tot 1875 betaalden de in de Haarlemmermeerpolder liggende gronden nog mee aan de polderlasten van de Roversbroekpolder!

Middelen van bestaan

Het land in de Roversbroek werd gebruikt als wei- en hooiland. In 1748 staat in de Leydse Courant dat in het Rechthuis in Lisse verkocht zal worden “7 margen 136 Roeden Wey- en Hooyland in Lisserbroek en Roversbroek, alles geleegen onder de Ambargte van Lisse”. Ook in later jaren zijn er aankondigingen dat er wei- en hooiland verkocht gaat worden. Onder de aankondigingen voor “grasverkoopingen” in Hotel “De Witte Zwaan” zien we de Roversbroek ook terug.

Vervening

Tot de 18e eeuw was er hier in de regio sprake van kleinschalige vervening. Eerst was dat turf delven: een landeigenaar groef ieder jaar een deel van een perceel af, de rest bleef bijvoorbeeld in gebruikt als grasland. Later begon men met slagturven. (turf winnen door veen onder water op te baggeren, tot op een klei- of zandlaag). De hoogheemraden van Rijnland hielden min of meer toezicht op de turfwinning. In de 18de eeuw kwam de gereglementeerde veenderij. Rijnland gaf dan vergunning om een aaneengesloten gebied te vervenen, vaak één of twee polders. Op voorwaarde dat het gebied na afgraving meteen moest worden drooggelegd. De aanvragers van de vergunning kregen vaak 30 of 40 jaar de tijd om het gebied uit te venen en droog te maken. Door de verplichting tot droogmaking ging er in de gereglementeerde veenderijen geen land verloren. Ook het polderbestuur van de Roversbroek vroeg zo’n vergunning aan. Daar ging natuurlijk een akkoord van de eigenaren aan vooraf. Op 28/12/1886 staat in het Leidsch Dagblad Door alle eigenaren van den Roversbroekpolder te Lisse, is besloten om tot verveening van dien polder over te gaan, met machtiging aan het bestuur om de daarvoor vereischte concessie aan te vragen Op 24/10 87 vermeldt het Leidsch Dagblad Bij koninklijk besluit is aan het bestuur van den Roversbroekpolder te Lisse, gelegen tusschen de ringvaart van den Haarlemmermeerpolder en de Ringsloot van den Poelpolder, vergunning verleend tot vervening van dien polder, welke ruim 114 HA groot is. In het aanstaande voorjaar zal met het venen een aanvang gemaakt kunnen worden.

Verkopen Veenland

Op 3/12/87 vermeldt het Leidsch Dagblad:

Er volgen nog meer van dit soort veilingen. Van Stockum heeft het druk. Of het land van Meyer en Huis op deze manier verkregen is weten we niet.

De vervening vorderde niet snel. Mogelijk is dat de reden waarom het reglement vervening aangepast werd. Op 10/5/97 wordt door de gedeputeerde staten van Zuid-Holland gemeld: Bepalingen zijn vastgesteld om reeds in het jaar 1898 tot eene gedeeltelijke vervroegde droogmaking te geraken, ten einden alle eigenaren in den polder gelegenheid te kunnen geven om naar verkiezing van af het jaar 1899 droog en nat te kunnen venen. Er zijn nog diverse aankondigingen over verkopingen, aanbestedingen van dijken, schieten van tochten enz. Uiteindelijk is het geheel in 1918 afgerond en was de polder geheel verveend en weer drooggemaakt.

Het kasboek

Het kasboek begint op 4 februari 1888 met “Uitgaven aan arbeidsloonen, riet, gereedschappen enz.” Het arbeidsloon was bedoeld voor: sloten, veldstellen, grond gelijkmaken, grond vletten, steekturf omzetten en aankruien, stroo overbrengen enz.enz. In 1888 was het tarief voor dit soort werk f1.25 per dag. Wanneer je bedenkt dat alles handwerk was dan besef je eens te meer hoe zwaar de mensen het toen hadden. De bovenste laag aarde werd eerst afgegraven. Daaronder zat het veen dat afgegraven en verkocht werd. Daaronder was een slechte veenlaag, darie en daaronder klei. De afgegraven bovenste laag werd teruggebracht en gemengd met de “slechte” veenlaag. Daaruit ontstond de huidige teellaag. In de Roversbroek teelt men dus bollen in zwarte grond, dit in tegenstelling tot de westelijker gelegen bollengronden waar op zand (wittegrond) geteeld wordt. Er moest ook van alles gekocht worden, bijv. baggerpaaltjes en veenschoppen. Een veenschop kostte in 1888 f0,80.
De eerste ontvangsten worden genoteerd vanaf juni 1888, maar dat betreft nog grasland. In oktober worden de eerste meldingen gemaakt over verkochte turf; f4.50 voor turf, voor steekturf f1,15 en f0,20 voor kluiten, alles per 1000. Als we het kasboek moeten geloven waren de opbrengsten in ’88 f449,015 en de uitgaven f2217,44. De kost gaat voor de baat uit. Gelukkig is 1889 fi nancieel beter en staat de teller f1074,02 positief.
In de volgende jaren zijn er hele reeksen van uitgaven voor werklonen. Zo maar een paar namen van veenwerkers: v. Velsen, v. Heide, Opdam, v. Aalst, v. Meer, v.Zeyl, de Vries, v. Poelgeest Ook bij de lange reeks van ontvangsten voor turf staan vele namen. Zo maar een aantal: Akerboom, Olders, vdZwet, Koek, Buretta, Kortenkaas, v. Grieken, Koelenwegen.
In 1901 komen er voor het eerst kostenposten in het kasboek voor als Grondlasten, Polderlasten en Rijnlands Bundergeld. Het kan zijn dat deze heffi ngen de eerste jaren van de turfwinning niet betaald hoefden te worden. Er waren vaak fi scale voordelen: droogmakers konden vele jaren vrijstelling krijgen van betaling van belasting en waterschapslasten. De lange reeks van veenwerkers is dan al fi ks ingekort. Zou het vervenen al bijna klaar zijn geweest? We zien dan bij de ontvangsten posten voor landhuur. Ook hier weer rijen namen zoals: v. Leeuwen, v. Diemen, Cors, Zoet, d. Regt, Mooyenkind enz.enz. Vanaf 1902 wordt er eigenlijk geen opbrengst van turf meer in het kasboek genoteerd. De landhuur moet het nu doen.

Een bericht uit de Leidsche Courant van 8/12/1909 luidt:

De dijk van de Roversbroek was gisteren op een plaats in zoodanigen toestand, dat het polderbestuur het noodig oordeelde om gedurende den nacht met vijf werklieden te waken tegen een eventuele doorbraak. De oorzaak hiervan was een mollenrit, die door het steeds vallende regenwater al grooter en grooter was geworden. Mollen waren blijkbaar ook een jaar eerder een probleem. In het kasboek staat op 28 dec. 08 genoteerd: betaald voor mollenvangen 1.40 In de courant van 13/3/1915 wordt vermeld: Wegens de mobilisatie hebben de verveners in den Roversbroekpolder een zeer voordeelig jaar, want in tegenstelling met andere jaren zijn thans alle voorraden turf verkocht en voor flinke prijzen. Enkele verveners beginnen dan ook reeds in de volgende week weer met turf steken. Helaas, in ons kasboek worden dan al geen turfopbrengsten meer genoteerd, dus dit voordeel zal onze verveners Huis en Meyer voorbij zijn gegaan.
Op 17/9/17 staat een merkwaardig bericht in de courant onder de titel Brandstoffenvoorziening Het betreft een verzoek. Hierin wordt gevraagd “de turfprijs van turf uit de veenderij Rooversbroek te Lisse, te verlagen van nu f12 op hoogstens f6 per duizend, wat volgens de initiatiefnemers (volksb en Hanze te Warmond) wel kan.” Of er aan dit verzoek is voldaan hebben we niet kunnen nagaan. Ter vergelijking: in het kasboek staat in 1901 voor turf de verkoopprijs van f3.50 per 1000 genoteerd.
In de Leidsche Courant stond op 12/2/19 de volgende advertentie: TE KOOP een stalen vletschouw zoo goed als nieuw, lengte 8 M, breedte 1,90 M, diep op de buitenhelling 0,50M. Te bevragen bij P. HUIS Roversbroek, te Lisse Blijkbaar was de boot ook niet meer nodig. In het kasboek staat geen opbrengst van de vlet vermeld. Misschien viel hij ook wel buiten de samenwerking met Meyer. Het kasboek eindigt in 1923 met op 24 dec. een afbetaling aan Petrus vd. Voort van f0,90. Gelukkig staan er in 1923 diverse ontvangsten voor landhuur tegenover.

Verkaveling

Naast het kasboek ontvingen we van de heer Duivenvoorden ook een notarisakte uit 1919. Van G. Spoor. Deze akte is een vervolg op de vervening. We lezen ”dat de Roversbroekpolder n.a.v. de droogmaking en vervening een verkaveling moet ondergaan.”. De landmeter van het kadaster te Leiden heeft de percelen in kaart gebracht, opgemeten en vernummerd. Een onderlinge ruiling is noodzakelijk en de ondergetekenden zijn overeengekomen om bij deze akte tot die ruiling over te gaan. Er staat een lange reeks eigenaren genoemd. Ook hier weer enkele namen: van Lynden, Verdegaal, Blokhuis, van Parijs, Rotteveel enz. enz. Uiteraard ook de namen Huis en Meyer. G. Spoor had blijkens de akte een perceel van 1 ha. 91 are en 70 ca.

Bemaling

De Roversbroek was tot 1898 bemalen door een molen, die zijn water uitsloeg op de ringsloot van de Lisserpoelpolder. Het land van de Roversbroekpolder kwam door de vervening een fi ks eind lager te liggen. Er werden pogingen gedaan om samen met de Lisserpoelpolder een stoomgemaal te stichten maar de tijd was blijkbaar nog niet rijp voor een dergelijke samenwerking. Een eigen stoomcentrifugaalpompgemaal werd opgericht, ongeveer in het midden van de kade langs de Ringvaart. De molen werd voor f 350,00 verkocht aan het bestuur van de Beekpolder.

Bij het afgraven van de Roversbroekdijk in de jaren zestig kwam ook de oude molengang weer boven. In 1924 werd het stoomgemaal vervangen door een dieselgemaal. De samenwerking met de Lisserpoelpolder kwam er uiteindelijk toch: in 1974 nam de Lisserpoelpolder de bemaling van de Rooversbroekpolder over. De bemaling van zowel de Roversbroek als de Poelpolder geschiedt nu door een elektrisch gemaal. Het gemaal gebouw aan de Ringvaart werd verkocht en is inmiddels fraai opgeknapt en wordt particulier bewoond.

Ontpolderd

In 1978 werd het noordelijk deel van de polder ontpolderd. De Roversbroekpolder werd als zelfstandige polder opgeheven. Bij het hoogheemraadschap van Rijnland vond toen een concentratie van polders plaats. Per 1 januari 1979 kwam de Roversbroekpolder onder het nieuw gevormde waterschap De Oude Veenen te vallen.

In de jaren ‘90 was in Lisse meer woningbouw noodzakelijk. De realisatie van het uitbreidingsplan Poelpolder II van de gemeente leidde tot bouw van woningen in het noordelijk deel van de Roversbroek. Waarschijnlijk realiseren de meeste van de bewoners van dit uitbreidingsplan zich niet dat zij op het voormalige eiland Roversbroek wonen.

 

 

De Poelpolder is ouder dan Lisse

Volgens Hulkenberg werd het water van de Lisserpoel al in 948 vermeld. Keizer Otto I, leenheer van Holland, geeft aan Bisdom Utrecht het recht toe te vissen in de Getrewat. Niet duidelijk is wat dit betekent. Later heette dit Geestwater. De geschiedenis na de inpoldering wordt beschreven.

door Arie in ’t Veld naar A.M. Hulkenberg

Nieuwblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Is Lisse oud: de Poelpolder is ouder. Een aantal jaren geleden hield wijlen A.M. Hulkenberg een inleiding voor de nieuwe bewoners van de Poelpolder om hen iets te vertellen over de geschiedenis van de grond waarop ze wonen. Het navolgende verhaal is een vrije bewerking van het verhaal waarmee Hulkenberg toen in het (oude) Poelhuys de luisteraars wist te boeien. De ‘oude’ Poelpolder dus, of eigenlijk de Lisser Poel, want ooit was het deel waar nu honderden huizen staan en duizenden mensen wonen, water. Alleen maar water. En dit water, de Lisser Poel was ooit een deel van de Leidse of Haarlemmer Meer. Een vorige keer hadden we het hier al over in het VOL blad en sommige delen van Hulkenberg overlappen dat eerder vertelde verhaal wellicht. Tussen de Meer en de Poel lag een eiland. De Rooversbroek. En er was zeer veel vis in de Poel te verschalken, met name baars en bot. Het brakke water was echter bepaald niet goed voor de omringende weilanden en die grazige weiden hadden wat met die Poel te stellen, want om de haverklap stond de zaak onder water en werd er veel schade aangericht. Menigeen wenste toendertijd dan ook dat wat de weidegronden betreft het een uitkomst zou zijn als iemand er ooit eens in zou slagen de Poel droog te leggen, maar daarover verderop meer.

De piketpaaltjes staan er. Zicht vanaf toekomstige Vincent van Goghstraat richting silo’s en vuilstort.

Otto
De eerste (teruggevonden) vermelding over de Lisser Poel vond plaats in het jaar 948. Dat jaar staat keizer Otto 1, leenheer van Holland, aan het Bisdom Utrecht het recht toe te vissen in de ‘Getrewat’. Niet duidelijk is kunnen worden wat de betekenis van dit woord is. Later spreekt men van ‘Geestwater’, misschien omdat het er bij storm zo vervaarlijk kon spoken. Uiteindelijk kwam de Poel in het bezit van de Grafelijkheid van Holland, hetgeen tot de Franse Revolutie zo is gebleven. Maar in de tussentijd werd het viswater ook nog aan anderen verpacht. Aan de stad Leiden bijvoorbeeld. In 1433 deed Graaf Philips van Bourgondiën dit. Hij verpachtte het viswater aan Leiden, wiens vroede vaderen het vervolgens onderverpachtte aan de plaatselijke vissers. Een goede bron van inkomsten voor de stad, die best een paar centen kon gebruiken.

Viswater
In de boeken is terug te vinden dat verschillende ‘legers’ viswater werden verpacht. Bijvoorbeeld achter de boerderij van Pieter Claesz werd door twee Leidenaren een viswater gehuurd voor zestien stuivers per jaar. Ook werd de Gerrit Everszpoel verhuurd, ten noordoosten van de Poel nabij de Greveling, alsmede de Stienpoel en Luttekepoel (Kleine Poel), eveneens bij de Greveling. Een plaats waar veel elst in de rietbossen stond. In de noordwesthoek was veel ruis (riet met daartussenin planten) te vinden. De plek heette de Ruishorn. Een horn is een bocht of uitspringende hoek en tegenwoordig wordt aan die vroegere situatie herinnerd door de Ruishornlaan. En er was de Rooversbroek. Ook is wel eens de naam Rozenbroek in de boeken te vinden, maar waarschijnlijk is het toch een moerasland geweest dat oorspronkelijk aan een zekere Rovert of Robert heeft toebehoord. Toen in 1461 de parochie van Lisse werd afgescheiden van Sassenheim, bleef de Rooversbroek bij Sassenheim. Niet om de paar mensen die er wellicht woonden, maar om de centen. De Heren van Dever hadden namelijk landerijen aan de vicaris van de kerk van Sassenheim geschonken voor zijn onderhoud. In ruil daarvoor moest de vicaris tot intentie van de Heren van Dever de missen lezen. Een aantal van die geschonken gronden bevond zich in de Rooversbroek en derhalve was dit Sassenheims grondgebied.

Drooglegging
Het waren de protestanten van Leiden die in hun goede doen waren geraakt en objecten zochten om het vermogen te beleggen. En zo’n object was het droogleggen van de Lisser Poel en de burgemeesteren en Regeerders van de stad Leiden richtten aan de Staten van Holland het verzoek om de protestantse Leidse kerken het octrooi te verlenen om het ‘Geestwater’ droog te maken. Op 23 juli 1622 werd in Den Haag positief op dat verzoek besloten en werd onmiddellijk werk van de drooglegging gemaakt. Jan Pieterszoon Dou, gezworen landmeter van Rijnland, had een ontwerp gemaakt en een kaart getekend en ziedaar: De Ringsloot werd gegraven (om onbekende redenen later omgedoopt tot de Rijnsloot, zoals deze sloot nog altijd ten onrechte wordt genoemd) en in de lengterichting van de polder kwam de Molenwatering. De Lisser Poel werd drooggemalen en de Poelpolder kwam tot stand, klaar voor bewoning en agrarische activiteiten. Veel mensen kwamen overigens niet in die nieuwe polder te wonen. Uit de eerste jaren is wel bekend dat het huis Uitermeer werd gebouwd. Juist tegenover de Vennesloot, onmiddellijk aan de rechterzijde als men via de Tweede Poellaan de polder ingaat. Het huis behoorde aanvankelijk toe aan Simon van der Stel, eerste gouverneur van de Kaap de Goede Hoop. Later werd het eigendom van Willem Adriaan van der Stel die na zijn verscheiden in 1725 werd begraven in de Nederlands Hervormde Kerk aan de Heereweg. Ook verrezen in de Poelpolder enkele boerderijen, waaronder die van Langeveld juist buiten de huidige bebouwingsgrens en gebouwd in 1642) en de in 1643 gebouwde boerderij Poeleway die in het geweld om de Poelpolder met woningen en voorzieningen vol te bouwen het onderspit moest delven…

Heipalen in de Vincent van Goghstraat. Kijkrichting naar silo’s, gemeentelijke afval

Overstroming
Het meer was dus een polder geworden, maar geenszins veilig. De geesten hielden bij slecht weer nog altijd flink huis. Bij hevige regenval wilde het dan ook nogal eens gebeuren dat de polder onder liep omdat de molen het teveel aan water niet zo gauw kon verwerken. In 1677 liep de hele Poelpolder onder. Dat was natuurlijk niet zo’n ramp als dat vandaag de dag zou zijn als de polder zou onderlopen. Veel inwoners waren er namelijk niet en de boerderijen lagen betrekkelijk hoog, terwijl de weilanden wat extra water (maar dan wel van korte duur) best wel konden gebruiken. Maar het is vrijwel zeker dat het brakke water het gras uiteindelijk toch geen goed kon doen en van her en der werden geluiden vernomen dat de dijken nodig moesten worden verhoogd en vooral hersteld. Op 28 januari 1760 werd aan het Rechthuis ‘De Witte Zwaan’, een etablissement met vele gezichten, een brief afgegeven met als adres ,Eerzame Vrome Discrete den Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse. Zo; dat was nog eens een adressering! De inhoud van de brief handelde over het feit dat de Lekdijk beneden Schoonhoven weer eens was doorgebroken en de Hoogheemraden van Rijnland Lisse komen waarschuwen. “Zo dient UEdele te gelasten dat gij hoe eerder hoe beter de dijken van de Lisser Poel behoorlijk doet waterpassen en die plaatsen van dezelve die te laag mochten zijn met een kistdamming offe met goede klei, zulks derzelve in staat zijn van het water te keren”.

Haarlemmermeer
Voor zover bekend, is alles in 1760 goed afgelopen, maar in 1766 is er weer een overstroming. De ingelanden moeten zeer diep in de buidel tasten om de zaak te repareren en vragen aan de Staten 25 jaar vrijdom van belastingen. Dat vond men in Den Haag wel wat veel en de ingelanden moesten het doen met vijftien jaar vrijdom, maar moesten intussen ook de dijk behoorlijk versterken. Of dat gebeurd is…? Het duurde in elk geval een aantal jaren voor de dijk het weer begaf. Dat was tijdens de Kerstdagen van 1838. Weer repareren dus en pas toen daarna het Haarlemmermeer werd drooggelegd, was men veilig in de Poelpolder. Vanaf dat moment kreeg het door de wind opgezweepte water in het Haarlemmermeer geen kans meer om de Rooversbroek of de Poelpolder te belagen, want er was geen Haarlemmermeer meer. Rust dus in de Poelpolder…. Rust tot aan het begin van de zestiger jaren. De dijken werden deels ontgraven omdat ze niet meer noodzakelijk waren om huis en haard te beschermen en over huizen kon toen inderdaad gesproken worden. Eerst werden wat losse woonblokken gebouwd, maar dat werden er in hoog tempo meer. Lisse was in de groei. En niet zo’n beetje ook!

Heipalen in de Vincent van Goghstraat. Kijkrichting naar silo’s, gemeentelijke afval

 

Vanaf de 

Vincent van Goghstraat in aanbouw: het zicht richting Mesdaglaan en Rembrandtplein.

Foto’s bij dit artikel coll. Rueb

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Geschiedenis Poelpolder

Arie in ’t Veld beschrijft een artikel van A. Hulkenberg over de ontstaans geschiedenis van de Poelpolder. Volgens Hulkenberg wordt de Poelpolder al in 948 vermeld. In dat jaar verleent keizer Otto I het recht tot visserij in ‘Getrewat’. Later Geestwater genoemd.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad VOL juli 2010

In een aangeboden oude De Lisse uit 1975 , vonden we dit stukje over Arie in ’t Veld. Inmiddels 35 jaar correspondent van de Lisser. Bij zijn adres werd De Poelpolder vermeld. De bebouwing van de Poelpolder dateert uit de jaren 60, nu zo’n 50 jaar geleden. Dit was aanleiding voor Arie in ’t Veld om nog eens terug te grijpen op de geschriften van de heer A. Hulkenberg.

 

In de Poelpolder zijn huizen gebouwd en er zijn plantsoenen aangelegd. Dat is een vaststaand feit, zoals het ook vaststaat dat heel veel mensen zich in de Poelpolder thuis voelen en dat is iets waaraan nog wel eens werd getwijfeld toen in de zestiger jaren de ontwikkeling van de polder in gang werd gezet. Lissers hoorden in Lisse en niet op de plek van de vuilnisbelt ergens in de middle of nowhere…. Onder die Poelpolderbewoners bevinden zich veel Leidenaars. Of eigenlijk moeten we natuurlijk zeggen ex-Leidenaars. En als die mochten denken dat ze een stuk van hun roots verwijderd zijn, dan mag uit het volgende verhaal dat door de onvolprezen heer wijlen A. Hulkenberg werd geschreven blijken dat dit helemaal niet het geval is. De geschiedenis van de Poelpolder is namelijk altijd een Leidse aangelegenheid geweest.

Grafelijk viswater
De Lisser Poel was namelijk een deel van de Leidse Meer. Tussen de Meer en de Poel lag een eiland, de Roversbroek. Er zat zeer veel vis in de Poel, met name baars en bot, maar het brakke water was natuurlijk niet goed voor de omliggende weilanden en de overstromingen brachten veel schade. De eerste vermelding van de Lisser Poel vindt plaats in 948.
In dit jaar staat keizer Otto I.leenheer van Holland, aan het bisdom Utrecht het recht toe tot de visserij in “Getrewat”. Dit woord is niet duidelijk. Men spreekt later van “Geestwater”, misschien omdat ’t dicht bij de geestgronden lag, misschien omdat het er bij storm zo gevaarlijk kon spoken. Geleidelijk aan hebben de graven van Holland, met name ook Floris V, zich vrijgemaakt van het keizerlijk gezag en ook van het wereldlijk gezag van de bisschop van Utrecht. Zo kwam de Lisser Poel aan de grafelijkheid van Holland. Tot de Franse revolutie toe is de Poel in het bezit van de grafelijkheid gebleven. Het wordt dan “‘s-Gravenwater”. of ook wel “Vroonwater” genoemd. De oud-saksische mannelijke vorm van frouwa (vrouw) is fro (man of heer). Vergelijk het Duitse Fronleichnamfest = Sacramentsdag, het feest van het lichaam van de Heer. De Poel behoort dus toe aan de “heer”, in casu aan de graaf van Holland.

De stad Leiden pacht het viswater
In 1433 verpacht graaf Philips van Bourgondië het viswater van De Poel aan de stad Leiden. Deze kon dit dan weer onderverpachten aan de Leidse vissers en zo kon dat dan voor de stad een goede bron van inkomsten zijn.
Maar ook onbevoegden wisten dat er in de Poel zeer veel vis zat en in 1451 verbiedt graaf Philips nog eens met nadruk het vissen in de Lissese Poel zonder toestemming van de stad Leiden. Tot 1622 toe heeft de stad Leiden van de opbrengst van de visserij genoten. Soms verneemt men, hoe verschillende “legers”, viswaters, zijn verpacht. Bij een leger achter de boerderij van Pieter Claesz, dat twee Leidenaars voor 16 stuivers per jaar gehuurd hebben. Men leest over de “Gerrit Evertspoel”, die gaat aan “’t zuidwest-einde aan de horn van des kloosterkamp” (achter het land van Gebroeders Meskers) “strekkende noordoostwaarts tot de halve Greveling”.
Ook over de “Stienpoel” en de “Luttekepoel” (Kleine Poel), dicht bij de Greveling. Daar staat veel “elst” in de rietbossen, en de noordwesthoek van de Poel, waar veel ruis (riet met planten ertussen) groeit, wordt de Ruishorn genoemd. Een horn is een bocht of uitspringende plek. (Nu weet u dus ook waar de naam Ruishornlaan vandaan komt). Achter Dever is de ‘Heer Reiniershorn’, genoemd naar de Heer Reinier Dever, zoon van Heer Gerard D’Ever, naar wie de ‘Gerrit Everspoel wasz genoemd’. Nog steekt daar een deel van het Deverland in de Poelpolder naar voren. Ten zuiden ervan was de Colijns Horn, genoemd naar Colijn, die daar met zijn moeder, Haasken, woonde. Maar laten wij nu eerst eens naar de Rooversbroek gaan, die ook in het bebouwingsplan van de Poelpolder betrokken is.

De Rooversbroek
Een eigenaardige naam. Rooversbroek. Men leest ook wel eens “Rozenbroek”. Maar waarschijnlijk is het toch wel een moerasland geweest, dat oorspronkelijk aan een zekere “Rover” of “Robert” heeft toebehoord. Toen in 1461 de parochie van Lisse werd afgescheiden van Sassenheim, bleef de Rooversbroek bij Sassenheim. Waarom? Veel mensen zullen er niet hebben gewoond. Misschien wel niemand. Nee, het ging weer om het geld. De Heren van Dever hadden in de kerk van Sassenheim een “vicarie” gesticht. Een “vicaris” moest daar missen lezen tot intentie van de heren van Dever. Tot onderhoud van de vicaris hadden ze landerijen aan de kerk geschonken en een aantal daarvan lag in Rooversbroek.
Omstreeks 1550 had Jonker Nicolaas van Matenesse, heer van Dever, die het goed met Lisse meende, de pastoor van Lisse, Laurens Willemszoon van Wees, tot vicaris aangesteld. Dat bracht 14 gulden per jaar op en dat geld kon de pastoor bijzonder goed gebruiken. Maar dat viel tegen. Tegen het opstuwende water van de meer waren de verwaarloosde dijken van de Rooversbroek niet bestand en telkens waren er overstromingen. Het onderhoud van de dijken kostte de pastoor meer dan de f. 14,- die hij kon ontvangen. Nu wilde hij dat land wel verkopen, maar dat ging niet, want het was kerkenland en dus in “de dode hand” gekomen. Daar moest een kardinaal aan te pas komen en dan de keizer zelf. Karel V, keizer van het Duitse Rijk, koning van Spanje en dan volgen nog lijsten van titels en landen waarover Karel V het bewind voert. Tenslotte nog “koning van de eilanden Indië en de vaste aarde der zeeoceanen” en “Dominateur in Azië en Afrika”, graaf van Holland en als zodanig ook nog heer van de Rooversbroek. Dit alles is voldoende om iedere bewoner van de Rooversbroek voor goed over alle minderwaardigheidscomplexen heen te helpen. Het is allemaal in orde gekomen. Tenslotte maakt jonker Nicolaas zijn zoontje Johan van Matenesse tot erfpachter van de landerijen en garandeert de pastoor een jaarlijkse som van f. 17,- uit te betalen “in de twaalf nachten”, dit is tussen Kerstmis en Driekoningen (6 januari) of op 1 mei f. 17,- Een heel bedrag. Wat zal die pastoor opgelucht zijn geweest.

Plan tot drooglegging
Leiden had drie grote parochiekerken: de Pieterskerk, de Pancras- of Hooglandse kerk en de Lievevrouwekerk. Deze kerken waren in handen gekomen van de protestanten en door verscheidene redenen financieel in goede doen gekomen. Ze zochten nu een goed beleggingsproject. Zulk een project was het droogleggen van de Lisser Poel. De Burgemeesteren en Regeerders der Stad Leiden richtten nu namens de drie kerken tot de Staten van Holland het verzoek aan deze kerken het octrooi te verlenen tot droogmaking van “het Geestwater”. Men moet bedenken dat dit plaatsvond in de tijd van een staatskerk en de samenwerking tussen kerk en burgerlijk gezag niet al te moeilijk hoefde te zijn. Op 23 juli 1622 valt in Den Haag een gunstige beslissing en de zaak kan beginnen.

Drooglegging
Men liet er waarachtig geen gras over groeien. Jan Pietersz Dou, gezworen landmeter van Rijnland, maakt een ontwerp, tekent een kaart. De Ringsloot wordt gegraven, die later om onbekende reden ook Rijnsloot wordt genoemd. In de lengterichting van de polder komt de “Molenwatering”, die uitkomt bij de molen aan de Meer. (Die molen staat er nog, al is hij intussen vernieuwd). Maar sommige schippers blijven maar varen en storen de werkzaamheden. Er komt een ‘Verbodt van Seylagie’, een verbod om te zeilen, dat ook voor de nieuwe Ringsloot geldt. Er wordt hard gewerkt. Het is met de rust van de bejaarde heer van Dever en Lisse, jonker Johan van Matenesse, gedaan. Hij trekt weg naar Utrecht, voorgoed. Er woonde in Leiden een rechtskundige, die ook met de droogmaking zijn bemoeienissen heeft gehad. Het is Mr. Simon van Leeuwen, zeker niet de minste onder zijn ambtsgenoten. Tussen de grootste vaderlandse rechtsgeleerden, wier beeltenis is opgesteld bij de trappen van het gebouw van de Hoge Raad te ‘s-Gravenhage, vinden wij ook het bronzen conterfeitsel van onze Mr. Simon van Leeuwen. Hij was ook familie van Bouwe van Leeuwen, die woonde op de plaats van de Witte Zwaan. (Deze had een “stukke grond aangeplempt” in de Lisser Poel aan de H. Geestarmen gegeven, het “Bouwe’s Bosje”). Mr. Simon van Leeuwen stond toe te zien bij het graven van de Ringsloot en zag hoe daar een achtkantige toren werd uitgegraven. Misschien wel een ouder kasteel Dever, overspoeld door het water. Daar is nooit iets naders over bekend geworden. In 1624 was de drooglegging een feit, het uitgeven van percelen kon een aanvang nemen.

Huizen in de Poel
Veel huizen zijn er in de Poel nooit gebouwd. Tot voor “enige” jaren tenminste! Het bekendste huis is ongetwijfeld Uitermeer. Het stond juist tegenover het uiteinde van de Verlaner Zandsloot ofwel Vennesloot.
Wanneer men via de Eerste Poellaan de polder binnenkomt, onmiddellijk aan de rechterzijde. Het behoorde toe aan Simon van der Stel, eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Later is het eigendom van Willem Adriaan van der Stel, gouverneur van de Kaap, overl. 1725. Zijn fraaie grafmonument is te vinden in het koor van de Nederlands Hervormde kerk. Ook verrezen enige boerderijen. Een der oudste, misschien wel de alleroudste, stond recht tegenover de Vliet (Staalsloot) maar deze is reeds lang weer verdwenen. De “boerderij van Langeveld”, (t Lange Rack) dateert van 1642. Dan is er nog de boerderij Poeleway van 1643.
Een aardige boerderij. Aanvankelijk zei men, dat deze gespaard zou worden, doch daarvan kwam niets terecht. Poeleway moest wijken voor de nieuwbouwplannen van Lisse.

Linksonder de boerderij De Poeleway aan de Greveling/Ruishornlaan. Iets verderop rechts zie je nog net een stukje Hohabo en rechts midden de ELKA… en rechtsonder de eerste huizen aan de Broekweg. En veel, heel veel bollenvelden in hartje Lisse. De foto is van begin vijftiger jaren toen de onleidingsweg (Oranjelaan en dergelijke) in aanleg werd genomen. Vanaf linksboven kun je het traject al zien richting Greveling, waar dus de brug (nu viaduct) moest komen.1111111111111111111

Overstromingen
In de Poelpolder is in vroeger jaren veel narigheid geweest. Bij hevige regens en windstil weer stonden vaak delen van de polder onder water, omdat de molen niet kon malen. In 1677 liep de hele Poelpolder onder.
Nu was dat natuurlijk niet zo’n ramp als dat tegenwoordig zou zijn. De boerderijen lagen hoger, bovendien was de inrichting zeer sober. Voor het grasland kon een overstroming zelfs wel eens goed zijn, vooral in een tijd dat er nog geen kunstmest bestond. Maar het brakke water zal het gras geen goed hebben gedaan. En dan het herstel van de dijken! In 1766 is er weer een gehele overstroming. De ingelanden, met name de kerken van Leiden, vragen 25 jaar vrijdom van belastingen. Dat vindt men in Den Haag nu wel erg veel. Tenslotte krijgen zij 15 jaar, maar ze zullen intussen de dijk behoorlijk moeten versterken. Dat zal wel gebeurd zijn, want het duurt enige tijd voordat men weer over dijkdoorbraken hoort. Kerstmis 1838, grote dijkdoorbraak en overstroming. Op 24 en 25 december stroomde de zaak weer onder. Piet Verdegaal slooft zich uit aan de dijk, maar het helpt niet. Er wonen niet veel mensen in de Poel en de brave Lissers vinden dat die het maar alleen moeten opknappen. De dijk gaat weer dicht, maar telkens moet Verdegaal bij nacht en ontij zijn bed uit en aan de dijk staaan. “Ik zit hier best naar mijn zin”, zegt Verdegaal, die van geboorte uit Vogelenzang komt, “maar als ze de Haarlemermeer niet droogmaken, dan ga ik weg”. Nu, Verdegaal kon blijven; in de vijftiger jaren van de 19e eeuw ging de Haarlemermeer droog. Het door de wind opgezweepte water van de Meer kon nu de Roversbroek en de Poelpolder niet meer bedreigen.
Er kwam rust voor de Poelpolder. Rust voor de mensen, voor het vee, rust voor de vogels, voor de hazen. Behalve natuurlijk als Verdegaal, Langeveld of de onvergetelijke Jaap Riggel met hun jachtgeweer over de weilanden stapten. Dan knalde het! Maar verder rust. Een paradijs.

Van Poelpolder tot Poelpolderplan
Nu ja, een paradijs. De wegen en dijken waren wel schilderachtig maar slecht begaanbaar. De percelen waren soms moeilijk te bereiken en elektriciteit en dergelijke modernismen trof men nog nauwelijks aan…. Het was heerlijk naar de kieviten te kijken, de grutto’s en tureluurs te zien op de houten landhekken, de karakieten te horen in het riet of om de kemphanen gade te slaan. Maar om er te wonen…. En toch wilden de meeste bewoners hun polder voor geen ander land ruilen. De ontsluiting, tevens ontluistering, begon toen de Rooversbroekdijk werd geslecht en door nieuwe wegen de polder beter begaanbaar werd gemaakt. Natuurlijk, het moest, maar jammer was het toch ook wel. Toen kwam de naar uitbreiding hakende gemeente op de gedachte, de Poelpolder te bebouwen. Een nieuwe toekomst voor vele Lissers. En natuurlijk kwamen ook Leidenaars weer vissen. Zij waren welkom, al is de vrijdom van belasting natuurlijk reeds lang verstreken.

Kaart van debedijkte Poelpolder door J. Dou in 1624

De foto de Grote Poelpoldermolen is genomen van de overkant van de Ringvaart van

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Het oude stoomgemaal wordt totaal vernieuwd

Het voormalig stoomgemaal in de Rooversbroek uit 1898 wordt in ere hersteld. De geschiedenis wordt besproken.

door Sjaak Smakman

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Lisse familie investeert fors

Anderhalf jaar geleden, zegt Ruud Roozen, stond hij voor de vraag wat er moest gebeuren met het voormalige stoomgemaal naast zijn huis. Het was lang in gebruik geweest als opslagplaats, maar zelfs als berghok was het door de steeds verder gaande aftakeling niet meer geschikt. Het gebouw stond op instorten. Opknappen of slopen, dat was nu de keuze. Het werd – gelukkig – het eerste.

De Vereniging Oud Lisse was meteen blij met de plannen, vanaf het eerste moment dat Roozen contact opnam. Bij een inventarisatie van monumentale panden was het stoomgemaal eerder over het hoofd gezien. Ten onrechte, want het gemaaltje dateert al uit 1898 en heeft dus een historie die er mag zijn. Het Hoogheemraadschap van Rijnland bouwde het een dikke eeuw geleden om de Rooversbroekpolder droog te houden. Het gemaal was een relatief groot gebouw, omdat het een stoommachine moest herbergen. Het kolenhok naast het hoofdgebouw – waar nu overigens een aanbouw komt – getuigt daar nog van op de oude foto’s.

De stoommachine was zo bewerkelijk dat de machinisten, eerst Lissenaar Cozijn en daarna vader en zoon Koelewijn, het warme eten vaak naast de machine opaten. De vervanging door een dieselmotor in 1924 was een hele verbetering, ook al moest de motor om het uur worden gesmeerd. Voor de familie Koelewijn was het bedienen van het gemaal overigens een bijverdienste, want vader en zoon waren in eerste instantie bollenkwekers. Op de ruim 3,5 hectare die de familie Roozen in 1992 overnam van de familie Koelewijn wordt ook nu nog geteeld.

Pal naast het gemaal stond lange tijd een stenen dienstwoning. In 1961 kwam daar, toen zoon Koelewijn ging trouwen, een houten woning voor in de plaats. Terwijl het gemaal op houten palen was gefundeerd, werd de dienstwoning gewoon op de klei van de dijk neergezet. Na verloop van tijd begonnen de muren zodanig te scheuren dat sloop onvermijdelijk was.

De onderdelen voor de veel lichtere houten woning werden vanaf de Lisserdijk overgevaren naar het gemaal. Ook voor de huidige restauratie en verbouwing van het gemaal is vrijwel al het materiaal overgevaren over de Ringvaart. Waarbij, vertelt Ruuds moeder Mary die helemaal vooraan bij de kassen van de kwekerij aan de Middenweg woont, een keer een kraan in het water is gevallen die er vervolgens met een andere kraan is uitgetakeld.

Ruud woont nog even in de houten woning met zijn vrouw Willeke en zijn dochtertjes Jasmijn (4) en Merel (6). Een geweldige plek, beaamt hij meteen. Direct aan het water, een schitterend uitzicht over de Haarlemmermeerpolder en volop ruimte om het huis. De woning wordt straks gesloopt, zo is overeengekomen met de gemeente Lisse, in ruil voor de medewerking aan de bouwplannen voor het gemaal.

De plaats is heden ten dage dan wel een droom, maar in voorbije jaren was dat anders. Door de afgelegen ligging bleven het gemaal en de twee huizen verstoken van gas, elektriciteit en waterleiding. Het drinkwater kwam uit de regenton en als die leeg was, werd het aan de overkant gehaald met een melkbus en een paar pannen. De warmte kwam van een kolenkachel, het licht van olielampen en gekookt werd er op een butagasstel. In 1965 kreeg de polder elektriciteit en kon grondwater worden opgepompt.

Na een halve eeuw dienst begon de Crossley-dieselmotor van het gemaal gebreken te vertonen en werd gekozen voor een andere oplossing: het overtollige water van de Rooversbroekpolder werd via een duiker afgevoerd naar de lager gelegen Poelpolder en daar de Ringvaart ingepompt via het gemaal bij de molen van Duineveld.

Het gebouw van het oude gemaal zelf bleef, evenals de houten woning, staan. Begin jaren negentig kwam de familie Koelewijn naar de Middenweg. Toen mevrouw Koelewijn weer terug wilden naar het dorp, kwam de houten woning vrij en trokken Ruud en zijn gezin erin. Het in onbruik geraakte gemaal kregen ze er bij. Roozen besloot uiteindelijk Frits Treffers van de Vereniging Oud Lisse te benaderen met de vraag of het complex niet kon worden opgeknapt. Dankzij medewerking van de gemeente Lisse kon afgelopen september begonnen worden met de verbouwing. De restauratie betekent wel flink veranderingen. Aan de buitenkant springen vooral de dakkapellen en de aanbouw aan de zijkant op de plaats van het kolenhok in het oog. Maar de uitbreiding was nodig om voldoende woonruimte te creëren, zegt Ruud. Goedkoop is de restauratie niet geweest: de benodigde baksteen moest zelfs uit Frankrijk komen omdat die een speciale maat heeft die alleen daar nog wordt gebakken.

Maar het leed is nu bijna geleden. Over een paar maanden moet de verbouwing af zijn en heeft Lisse een monumentaal gebouw – al zal het nooit een gemeentelijk monument worden, want Ruud wil niet aan allerlei verplichtingen vast komen te zitten. ‘Deze verbouwing heeft al genoeg gekost’, zegt hij.


Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Stoomgemaal aan de Ringvaart