Berichten

Een handgemeen bij boerderij Klopjeshoven, 1847

Op een schilderij is boerderij Klopjeshove te zien. In 1847 was Hermanus Wubben daar boer. Anthonie van der Vossen was de baas van het personeel. Er was een gerucht dat van der Vossen geld schuldig was aan zijn werknemer Toon van der Linden. Het werd slaande ruzie, waarvan aangifte werd gedaan.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Uit het politierapport van Lisse, deel 14

Wie is wie?
In deze alweer veertiende aflevering van de Lissese politierapporten spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Manus, ofwel Hermanus, Wubben. Hij was boer op boerderij Klopjeshoven aan de Achterweg bij het Mallegat. Tijdgenoten noemen Manus een rare kwast, ‘rauw en raar’.

De koeien in de stal stonden altijd omgekeerd en het melkgerei rammelde.
Anthonie van der Linden, de ‘bouwmansknecht’ die hier even verderop een flink pak slaag krijgt van Van der Vossen, was in 1825 geboren te Hillegom. In het jaar dat zich het incident met Van der Vossen voordeed, had zijn echtgenote, Alida Westerhoven, een kind ter wereld gebracht, genaamd Adrianus. Het is niet duidelijk waar en wanneer Anthonie met haar in het huwelijk was getreden. In 1853 treedt hij te Warmond opnieuw in het huwelijk met Hendrika Westerhoven, mogelijk familie van zijn eerste vrouw. Het jaar daarop vinden we hem woonachtig in Oegstgeest. Later woont hij in de gemeente Haarlemmermeer, waar zijn tweede echtgenote in 1868 overlijdt. Zijn derde echtgenote werd Catharina Klein. Anthonie overleed in 1897. Catharina in 1917. Het lijkt aannemelijk dat het welstandsniveau van het gezin van Anthonie, of ‘Toon’, nooit erg hoog is geweest. Dat kan ook verklaren waarom ze steeds van het ene dorp naar het andere verhuisden.
De derde persoon die in dit verhaal een (nogal kwalijke) rol speelt, is Anthonie van der Vossen. Hij was geboren in 1816. In 1845 huwde hij met Wilhelmina Alkemade. Hij staat te boek als ‘arbeider’ maar had waarschijnlijk een leidinggevende functie. Uit het hiernavolgende politierapport blijkt namelijk dat hij ‘baas’ was van het personeel dat Manus Wubben op zijn boerderij in dienst had. Daar hoorde ook Toon van der Linden bij en een zekere Doris Alkemade. Laatstgenoemde was een zwager van Van der Vossen. Wilhelmina Alkemade, met wie Van der Vossen in 1845 in het huwelijk was getreden, was namelijk een zuster van Doris. We zullen zien dat deze familierelatie één van de oorzaken kan zijn geweest waarom Doris zich zo teruggetrokken opstelde bij het geven van een getuigenis over het hele voorval en eigenlijk zijn zwager gewoon napraatte.

Boerderij Klopjeshove

Dit schilderij stelt boerderij Klopjeshoven voor. Het water op de voorgrond is het Mallegat. Zoals bekend loopt deze onder een brug door in de Achterweg. Inderdaad is links de leuning van een brug weergegeven. We kijken tegen de achterzijde van de boerderij aan, waar waarschijnlijk ook het handgemeen plaatsvond. Datering is helaas onbekend. Het schilderij is in bezit van mevrouw Van der Voort-van Rijn in Spanje. Met dank aan haar en de heer Do van Rijn te Lisse.

Het gerucht…
In het dorpje Lisse van het midden van de negentiende eeuw dat wij inmiddels zo goed kennen, draait de roddelmachine weer op volle toeren. Welk gerucht deed nu weer de ronde? Welnu, Anthonie van der Linden zou het verhaal verspreid hebben dat zijn naamgenoot Anthonius van der Vossen, zijn baas op boerderij Klopjeshoven, hem nog salaris schuldig was. Wat een schande! De tijden waren in economisch opzicht toch al zo ongunstig.

En een gezin onderhouden was moeilijk. Er moesten zoveel monden gevoed worden. Van der Vossen zal dus wel het nodige te horen hebben gekregen.

De confrontatie
Op een dag staat Van der Linden te praten met zijn baas, Van der Vossen, en zijn collega Doris Alkemade. De plaats van handeling is de dorsvloer, die zich waarschijnlijk bevond in een schuur niet ver van de boerderij, bewoond door Manus Wubben. Op zo’n dorsvloer lag het koren uitgespreid. Door er op te slaan met een zogenaamde dorsvlegel werd het fijngemaakt. Na een tijdje te hebben staan praten, kwam het gesprek – onvermijdelijk – uit op het bovengenoemde gerucht, wat er dus op neer kwam dat Van der Vossen geld schuldig was aan Van der Linden. Echter, Van der Linden was zich van geen kwaad bewust. Van der Vossen duwde hem daarop naar buiten op het erf ‘en hem een stomp voor de oogen had gegeven, zoo dat hij achterover tegen een bargroede (de roede van een hooiberg) was geslagen en een buil op’t achterhoofd bekomen hebbende’. Na hem nog getrakteerd te hebben op een paar laatste klappen, trok Van der Vossen zich weer terug en ging gewoon weer aan het werk. Van der Linden stond op, terwijl hij nog sterretjes zag, en liep naar Van der Vossen. Hij trok stevig van leer met de harde woorden ‘dat het lelijk stond iemand zoo te mishandelen’.

Doris laat het afweten
Doris Alkemade had alles gezien en stond er een beetje beteuterd bij. Het slachtoffer met het blauwe oog en de buil achterop zijn hoofd vroeg hem of hij inderdaad wel had gezegd dat Van der Vossen hem geld schuldig was. Doris begon zich steeds ongemakkelijker te voelen. Wat moest hij nu zeggen zonder de betreffende agressor tegen de haren in te strijken? Hij had geen zin in een pak slaag, nu hij gezien had hoe zijn baas Toon had aangepakt. Bovendien was Doris, zoals we reeds eerder vermeldden, een zwager van de man met de losse handjes. Dus stamelde hij: ‘Ik wil er niets van zeggen. Anders valt er alleen nog maar meer voor’.

Er wordt rapport opgemaakt…
Toon van der Linden begaf zich naar het raadhuis op ’t Vierkant, teneinde het hele voorval vast te laten leggen. Drie dagen later roept de burgemeester Van der Vossen op het matje. Ook daarvan wordt rapport opgemaakt. Eerst wordt hem het vorige rapport, dat was opgemaakt naar aanleiding van het relaas van Toon van der Linden, voorgelezen. Vervolgens wordt hem, keurig volgens de procedure, gevraagd wat zijn reactie hierop is. Natuurlijk weet hij nergens van af. Maar dan gooit hij het over een andere boeg. Het verhaal is dat hij nu wél geld schuldig is aan Van der Linden, maar het gaat om slechts twee dubbeltjes voor een halve dag werk. Twintig cent, dat valt waarachtig toch mee! Dan komt ook Doris Alkemade binnen met de staart tussen zijn benen. Hij was nog steeds niet van plan zijn zwager voor het hoofd te stoten en zei dus dat hij ‘evenzeer van al het bovenstaande niets af weet’. En hij praatte zijn zwager helemaal exact na door ook het verhaal van de twee dubbeltjes te bevestigen.

Conclusie
Ook hier zien we weer wat de gevolgen konden zijn van een roddeltje voor de betrokken personen. Zeker als het om nog te betalen salaris ging. Want behalve redelijk welgestelde mensen, telde Lisse in die dagen toch ook heel wat armen. Het lijkt er inmiddels een beetje op, wanneer we de politierapporten doorlezen, dat er heel wat psychisch zieke of gestoorde mensen rondliepen in het Lisse van die dagen. Maar we moeten bedenken dat er ook nog geen psychiatrische ziekenhuizen waren en van psychiatrische aandoeningen was nog niet veel bekend. En dus liepen deze mensen gewoon op straat.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115 (politierapporten)
Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters.
www.genlias.nl

In de naam Klopjeshoven betekent ‘klopjes’ ‘nonnetjes’. De naam zal gekozen zijn vanwege de nabijheid van de Roomse schuilkerk.
A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse, 1960), p. 139
De lezer van nu zou iets hardere woorden verwachten, maar opgemerkt dient te worden dat men anno 1847 net iets andere woorden koos.

Copyright © 2012 Vereniging Oud Lisse

Werken op zondag, 1846

Rond 1850 was het uit den boze om op zondag te werken. Teunis Obdam had echter onder kerkstijd een kruiwagen gras gemaaid om te verkopen. De burgemeester wist niet wat hij er mee aan moest, omdat Obdam arm was.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 10 nummer 2, april 2011

Uit het politierapport van Lisse, deel 13

Inleiding
Eén van de dingen die men in het Lisse van omstreeks 1850 beslist niet deed, was werken op zondag. Het was uit den boze en het kon zelfs zo zijn dat degene die zich daar weinig aan gelegen liet een proces-verbaal aan zijn broek kreeg van de plaatselijke veldwachter. Dat overkwam ook Teunis Opdam (ook wel geschreven als Obdam). Hij nam het wat minder nauw in normen/waardenopzicht. Afijn, we zullen de Lissese veldwachter P.J. Wijting, maar verder aan het woord laten.

Er is gras gemaaid!
Op een zondag liep veldwachter Wijting op de Grachtweg. Ter hoogte van het huidige pand van Tibboel, destijds de woning van de burgervader, ontdekte hij dat hier vlak voor het huis aardig wat activiteit was ontplooid. En dat nog wel op een zondag! Het bleek hem namelijk dat het gras vlak voor de woning was ‘afgemaaid geworden’. Wie kon dat op zijn geweten hebben?

Teunis Opdam was te Lisse geboren in 1796. In 1832 huwde hij met Maria Vastenouw (1797-1859). Het was een gemengd huwelijk, want Teunis was ‘Roomsch’ en Maria Nederlands-Hervormd. Ze blijken in 1832, wanneer Maria bevalt van een zoontje (die naar zijn vader, Teunis, wordt genoemd), te wonen aan de huidige Kanaalstraat, niet ver verwijderd van de Heereweg. Er worden daarna nog vier kinderen geboren, te weten Maria (1834), Antje (1835), Nicolaas (1838) en Johannes (1843). Zowel Teunis als zijn echtgenote overleden in 1859.

Teunis Opdam komt in beeld
De veldwachter liet zich her en der informeren en al gauw bleken de verdenkingen te wijzen in de richting van Teunis Opdam. Teunis had op die morgen het gras gemaaid en weggevoerd met een kruiwagen. Hij koos daarvoor een moment waarop – zo veronderstelde hij – niemand zijn criminele activiteiten zou gade slaan, namelijk onder de kerktijd om pakweg half elf. Het was dan heel stil in het dorp, want iedereen woonde de dienst bij.

Wat er verder met Opdam gebeurde weten we helaas niet. Het verslag verhaalt nog wel dat de veldwachter bij Opdam is langs geweest met de vraag wie hem opdracht had gegeven het gras weg te maaien. ‘Niemand’, zo luidde het klip en klare antwoord.

Burgemeester van Rosse

Enkele aanvullingen van de veldwachter
Het weghalen van gras of graszoden was iets waar de veldwachter zich zorgen over maakte. In een begeleidend schrijven bij het bewuste proces-verbaal maakt de veldwachter dit duidelijk aan de burgemeester, J.C. van Rosse. Hij schrijft dat deze activiteiten ‘met overklimmen en springen van schuttingen en sloten’ aan de orde van de dag zijn. In dit verband vraagt hij zich af of er niet een voorbeeld gesteld moet worden. Dat zag er al niet zo gunstig uit voor de dader, Teunis Opdam. Zeker, omdat we verderop lezen dat hij ‘te meerder schuldig’ is, omdat hij ook nog opzichter van de jacht is en zo brutaal was het afmaaien vlak voor het huis van de burgemeester te laten plaatsvinden. Ook ging er een ‘verderfelijken invloed’ vanuit, omdat Opdam de Zondagswet had genegeerd.

Conclusie
Tja, wat nu te beginnen met die Teunis Opdam? Zo zal de burgemeester zich wel afgevraagd hebben. Zeker, wat hij had gedaan op die bewuste zondag, ging zonder meer tegen alle mogelijke regels van die tijd in. Aan de andere kant was er ook veel armoede en Teunis genoot als ‘spoorbaan-werker’ waarschijnlijk geen riant salaris. En iedereen, ook de burgemeester, wist dat mensen die armoede leden alles deden om het hoofd boven water te houden. Teunis zal wellicht gedacht hebben het gras te kunnen verkopen aan een boer, teneinde iets extra’s te verdienen. Een kruiwagen vol met gras; daar kraaide toch geen haan naar? Dat niet iedereen daar zo over dacht, blijkt uit het bovenstaande.

De Kanaalstraat omstreeks 1912, gezien vanaf de Heereweg. In 1846 heette het hier echter nog Broekweg. Links is een politiepost te zien. Teunis Opdam woonde aan de zuidzijde van deze weg, dus op de afbeelding rechts. Coll. Auteur.

Noten
– Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
– Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

Een dienstmeid met teveel noten op haar zang, 1848

Janna van Dijk was dienstmeisje bij Jan van Riessen, tuinman van buitenplaats Wassergeest. Hij woonde recht tegenover de Deverlaan. Het dienstmeisje werd door ten onrechte van diefstal beschuldigd. Toch werd zij ontslagen.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Uit het politierapport van Lisse, deel 12

Inleiding
In dit verhaal spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Janna van Dijk. Ze was in dienst bij Jan van Riessen, tuinman op de buitenplaats Wassergeest. De tuinmanswoning bevond zich tegenover de Deverlaan aan de Heereweg. Van Riessen was in 1816 geboren te Beverwijk. In 1841 trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Johanna Lamberta van der Horst. Van Riessen verhuisde naar Lisse, waar D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van de buitenplaats Wassergeest, hem in dienst nam als tuinman. Verder zullen we in dit verhaal nog kennis maken met de tuinknechten Willem Kuneman en Dirk van Biezen.

 

 

De tuinmanswoning van Wassergeest vóór de verbouwing in 1956. De woning bevond zich aan de Heereweg tegenover de Deverlaan. Het was in 1671 gebouwd. Achter de woning tot aan de Achterweg strekten zich boomgaarden uit. In 1956 heeft Van Parijs de woning ingrijpend verbouwd en omgedoopt in villa Lutetia (de Latijnse benaming voor Parijs). De woning is in 1994 afgebroken.

Hoe het begon…

 

Op een dag is de dienstmeid Janna van Dijk bezig met de was. De vrouw des huizes komt langs en haalt uit de wasmand een wantje tevoorschijn die gedragen werd door één van haar kinderen. Vervolgens loopt ze er mee weg. De dienstmeid loopt haar achterna en vraagt of ze het wantje mag hebben, zodat ze verder kan gaan met de was. Tot haar verrassing antwoordt vrouw Van Riessen echter dat zij het zoek gemaakt had en dat zij het moest betalen. Wat nu?

Het kledingstuk is weer terecht
Op de zondag daarna ziet de dienstmeid één van de kinderen met het verloren gewaande wantje rondlopen. De maandag erop ligt het kledingstuk in de wastobbe. Ze nam het wantje uit de tobbe en ging ermee naar vrouw Van Riessen. Ze zei: ‘Vrouw, daar hebt ge nu het wantje dat ge gezegd hebt dat ik weggespoeld had’.

De dienstmeid wordt ontslagen
Vanaf dat moment zijn er meerdere versies van het gebeurde. Janna van Dijk, de dienstmeid, verklaart dat ze meerdere keren op het hoofd was geslagen door zowel Jan van Riessen als door zijn vrouw. Vervolgens zou hij tegen haar gezegd hebben dat ze aanstalten moest gaan maken om te vertrekken, hetgeen ze ook deed.

Het getuigenis van Willem Kuneman
De meid vond dat ze onheus bejegend was en ging naar de burgemeester, J. van Rosse. Daar deed ze haar verhaal. Ze hoopte dat Van Rosse nog iets voor haar kon betekenen. Maar de burgervader kon natuurlijk niet alleen uit gaan van het getuigenis van de dienstmeid en daarom nodigde hij ook de tuinknecht Willem Kuneman uit om getuigenis te geven van de waarheid. Hierbij realiseerde Van Rosse zich echter niet dat de tuinknecht niet helemaal onpartijdig was. En dat gold ook voor de andere tuinknecht, Willem van Biezen en al helemaal voor Johanna Lamberta van der Horst, de echtgenote van Van Riessen.
Maar wat had Willem Kuneman nu precies te vertellen? Welnu, kort nadat de dienstmeid van de zolder weer beneden was gekomen en wilde vertrekken, werd Kuneman met Willem van Biezen naar boven gestuurd om een meubelstuk dat de dienstmeid bij de aanvang van haar werkzaamheden te leen had ontvangen van baas Van Riessen naar beneden te halen. Daarop zou de meid de weg verspert hebben op de trap. De baas heeft haar toen opzij geduwd. Janna van Dijk had eerder verklaart dat Jan van Riessen haar toen een klap op de wang had gegeven. Maar daar kon Kuneman zich (natuurlijk) niets van herinneren.

Willem van Biezen aan het woord
Vervolgens wordt Willem van Biezen gevraagd te vertellen wat er gebeurd was. Hij kwam net binnen om ‘naar de catechesatie te gaan’ (gaf Van Riessen voor het personeel catechese?) toen tuinbaas Van Riessen hem opdroeg om samen met Kuneman het hiervoor vermelde meubelstuk naar beneden te halen. Dit werd inderdaad bevestigd door het getuigenis van Kuneman en de meid. Van Biezen had echter niet gezien dat de tuinbaas en zijn echtgenote de meid hadden geslagen. En ook niet dat de meid op de trap was gaan staan om hem en Kuneman de weg te versperren.

Het getuigenis van vrouw Van Riessen
Tenslotte doet ook vrouw Van Riessen haar verhaal. Zij en haar man zouden de meid niet geslagen hebben. Ze hadden haar wel ontslag aangezegd, aangezien ze een grote mond had gehad. De meid was binnengekomen met het zoekgeraakte wantje en zou hebben gezegd: ‘Daar heb je nu het wantje, daar je zoo’n beweging om gemaakt hebt’. Alles wel overwogen komt dit niet helemaal overeen met de woorden uit het getuigenis van de meid. De versie van de dienstmeid komt heel wat ‘beleefder’ over dan hetgeen vrouw Van Riessen hier beweert. Daarop zou haar man gezegd hebben: ‘Nu is het genoeg, nu moet ge weg’.

Tenslotte…
Tot zover de getuigenissen. De burgervader zat met een probleem. Het was het woord van vrouw Van Riessen en de tuinknechten tegen dat van de dienstmeid. Hij kon dus niets voor haar betekenen.

Conclusie
Daar gaat de meid dan met het kleine beetje bezit dat ze had, hopende dat ze elders nog een betrekking zou kunnen vinden. In deze tijd zou zij waarschijnlijk een beroep op haar bedrijfsvereniging hebben gedaan. Maar dan nog viel er weinig te bewijzen. En de maatschappelijke verhoudingen waren in die tijd zodanig dat de werkgevende partij er altijd beter af kwam. En die werkgevende partij was van mening dat Janna van Dijk een dienstmeid was met teveel noten op haar zang!

Noten
R.J. Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004).
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115.
Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

‘Mishandelingen of baldadigheden’ op de straatweg in het jaar 1848

Burgemeester J.C. van Rosse (1801-1875) werd bij het buiten van den heer Temminck (Wildlust) aangevallen door dronken lui, die met een koets tegen bomen waren gereden. De voerman, Joh. Pet. Rotteveel, logementhouder van de Witte Zwaan wist de burgemeester uiteindelijk te ontzetten.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Burgemeester van J.C. van Rosse

Uit het politierapport van Lisse, deel 10

In dit verhaal speelt de burgemeester van Lisse, J.C. van Rosse (1801-1875), opnieuw een belangrijke rol. Daarnaast is ook een ‘rol’ toegedacht aan de logementhouder van de Witte Zwaan, Johannes Petrus Rotteveel (1807-1878). In 1847 was hij in het huwelijk getreden met Petronella Spanjaard (1809-1879). In datzelfde jaar verwierf hij het eigendom van het logement de Witte Zwaan. Daarvóór had Veldhorst achter de tapkast gestaan, een persoonlijkheid die bij de Leidse studenten veel bekendheid genoot. In 1864 draagt Rotteveel zijn bezit over aan Albertus Jansz. van Mantgem uit Leiden. In de daaropvolgende jaren staat Rotteveel ingeschreven als veehouder aan ’t Vierkant. Waarschijnlijk was hij tegen die tijd verhuisd. Verder wordt in het hiernavolgende relaas gesproken van ‘het buitengoed van den Heer Temminck’. Coenraad Jacob Temminck (1778-1858) was in 1819 eigenaar geworden van de buitenplaats Wildlust, gelegen op de zuidwestelijke hoek van de Zwartelaan en de Heereweg. Het was een fraaie buitenplaats bestaande uit herenhuis, tuinmanswoning en landerijen, bossen en duinen. In 1820 was hij benoemd tot directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Ook op Wildlust moet een bijzondere flora en fauna aanwezig zijn geweest. In 1827 kwamen er nog wijngaardslakken voor, waarvan nog een schelp te Leiden bewaard wordt. Even voorbij het huis Wildlust begon de Zwartelaan, die eigenlijk de toegangslaan was van het buiten Veenenburg aan de Loosterweg. Vandaar was het nog maar een korte wandeling naar het in 1842 gebouwde station Veenenburg.

‘Luidruchtig gezang’
In de avond van 7 september 1848 had burgemeester Van Rosse drie jongemannen op bezoek. Tegen 21:00 uur wilden ze weer vertrekken, maar ze wisten niet waar in Lisse het dichtstbijzijnde station was gelegen. Van Rosse zou wel een eindje meelopen om ze de weg te wijzen. Zo gezegd, zo gedaan. Op weg naar de Veenenburgerlaan (de huidige Zwartelaan) ‘reed ons een rijtuig in meer dan gewonen drift (snelheid) voorbij onder een buitengewoon luidruchtig gezang van het gezelschap hetwelk zich daarin bevond’. Toen het rijtuig of de koets bij ‘het buitengoed van den heer Temminck’ was aangekomen, hield het zingen opeens op. Wat was er gebeurd?

De Veenenburgerlaan werd vanwege het vele zware geboomte ook wel de Zwartelaan genoemd. Aan het begin ervan stond een hek opgesteld, met op de palen daarvan de tekst ‘Veenenburg’. Op deze ansicht uit omstreeks 1900 kunnen we dat duidelijk zien. Rechts is de boswachterswoning waarin Zacharias van der Burg woonde. Deze bestond echter nog niet ten tijde dat burgemeester Van Rosse op deze laan werd mishandeld (1848). Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I (Zaltbommel, zesde druk 1987), p. 27.

Te vroeg het paard omgestuurd
Toen ook de burgemeester met zijn gezelschap bij Wildlust was aangekomen, zag hij daar ‘een rijtuig tusschen de boomen opzij leggende’. Kennelijk had de bestuurder van de koets ‘te vroeg het paard omgestuurd, denkende reeds de Veenenburgerlaan voor zich te hebben’. Iets dat bij Van Rosse vragen opriep, want het was volle maan, dus het zicht was goed. Aangezien de inzittenden geen ernstige verwondingen hadden opgelopen en men ‘reeds bezig was zich te herstellen’ liepen de burgemeester en de drie jongemannen de plek des onheils voorbij. Maar dat had hij beter niet kunnen doen…

Wildlust omstreeks 1850. Tekening in Oostindische inkt door P.J. Lutgers. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), pp. 61. Het Wildlust zoals het hier in beeld is gebracht werd in 1877 afgebroken om plaats te maken voor een ander riant woonhuis. Dit werd vervolgens in 1926 afgebroken, waarna de huidige villa Wildlust tot stand kwam. Ook deze zal binnenkort gesloopt moeten worden, in verband met de aanleg van een rotonde. Even voorbij het huis was aan de linkerhand de Veenenburgerlaan. Zoals de tekening laat zien waren er voldoende bomen waartussen men zich met een koets gemakkelijk klem kon rijden, zoals het bovenstaande proces-verbaal aantoont. Tenminste, indien men enigszins aangeschoten was….

De burgemeester wordt (weer) bij de kraag gevat
Van Rosse bracht zijn jonge gezelschap op de Veenenburgerlaan (Zwartelaan) en wees hun de weg. Hij had zich nog maar net omgedraaid, teneinde weer op zijn schreden terug te keren, of drie personen schoten vanuit de koets op hem af. Ze trokken hem ‘bij zijn kleren’ en vroegen op woeste toon: ‘Bent u daar zoëven gepasseerd?!’ De burgemeester antwoordde: ‘Ja,……’. Ze lieten hem niet uitspreken en onder een ‘gezamelijk trekken en sjorren en schelden en schreeuwen’ voegden ze hem de woorden toe: ‘Dan had je moeten helpen!’ Zijn verklaring dat hij ‘mijne menschen naar den spoorweg had geëxpedieerd’ mocht helaas niet baten. En de opmerking dat ‘indien men zich behoorlijk gedroeg en mij losliet [mij] assistentie zou kunnen verschaffen’ had natuurlijk niet het minste effect op de woestelingen.

De geheimzinnige voerman
Ten einde raad richtte de burgemeester zich nu tot de voerman (=persoon die, boven op de bok gezeten, een rijtuig bestuurt). Hij verzocht hem ‘zijne menschen van mij af te halen en mij te assisteeren, want dat ik ze anders wegens aanranding op de publieke weg zou moeten arresteren, aangezien ik de burgemeester van de plaats was’. Daarop volgde een ‘vernieuwd gesjor en verward toevoegen van smaadwoorden, waarvan de profane vermelding mij ondoenlijk is’, waarna één van zijn belagers hem de hoed af sloeg. Er werd dus niet bepaald veel eerbied voor de dag gelegd voor een burgervader als Van Rosse!
‘De voerman, andermaal ter assistentie geroepen, hield zich bestendig af en scheen met zijn paard bezig, zonder zich in het aangezicht te laten zien’. Dat was toch merkwaardig…

Het is de herbergier van de Witte Zwaan!
‘Na dat de worsteling nog een tijd lang geduurd had’, kwam de geheimzinnige voerman naderbij met de woorden: ‘Ik ben gereed. Laat hem los, want anders wordt het te laat’. ‘Thans herkende ik in den voerman den Persoon van Joh. Pet. Rotteveel, Logementhouder te Lisse’, zo vermeld Van Rosse in het proces-verbaal. Hij verweet hem dadelijk ‘het onbehoorlijke van zijne weigering van assistentie’. Dit gevoegd bij de bevestiging van Rotteveel dat de persoon die ze aan het molesteren waren, de burgemeester van Lisse was, leidde ertoe dat het agressieve drietal Van Rosse met rust lieten, waarna de burgervader zich verwijderde.

De echtgenote van Rotteveel wordt ondervraagd
In het dorp aangekomen, stuurde Van Rosse de veldwachter naar de Witte Zwaan om daar bij de vrouw van Rotteveel te informeren naar het drietal dat zo luidruchtig van zich te horen had gegeven op de weg van het dorp naar station Veenenburg. Helaas kende de vrouw hen niet. Ze waren gekomen om te eten. Daarna waren ze ‘met haar man naar Sassenheim gereden naar de kermis en vrij vrolijk te huis gekomen en nu door haren man naar den spoorwagen gebracht’. Geen namen dus…. Dat was jammer. In ieder geval hadden ze aardig diep in het glas gekeken, wat hun baldadige gedrag en hun luidruchtigheid goed kon verklaren. En de herbergier? Was die soms ook dronken geweest? En was dat de reden dat hij zich zo op de achtergrond had gehouden? Van Rosse besloot de volgende dag de logementhouder op het raadhuis te ontbieden.

Rotteveel wordt aan de tand gevoeld…
Natuurlijk verklaarde Rotteveel de personen in kwestie niet te kennen. Dat was te verwachten… Voorts verklaarde hij de burgemeester dadelijk herkend te hebben, maar de burgemeester niet te hulp was gesneld, ‘omdat hij zijn paard niet alleen kon laten’. En hij voegde eraan toe: ‘Echter, had hij ze (de belagers van Van Rosse) verscheidene malen toegeroepen mij te kennen en mij te laten gaan’. Maar de burgemeester was ook niet dom en antwoordde dat hij ‘zulks’ niet gehoord had en dat in zo’n geval de hele zaak natuurlijk een heel andere wending had gekregen. De burgemeester vond de houding van Rotteveel, wat neerkwam op ‘eene bekende door drie man laten mishandelen, liever dan zijn paard een oogenblik alleen te laten’, onbegrijpelijk en wreef hem dat ook onder zijn neus. Tenslotte kwam de onvermijdelijke vraag ‘of wij, uit het zich in de bomen rijden met helder maanlicht en het onbegrijpelijke in zijne houding ter mijner opzicht, (….) niet mogten besluiten dat ook hij iets teveel gedronken had’. Maar dit werd in alle toonaarden ontkend. Het was ?’zozeer geen helder maanlicht geweest’ en hij was door de schaduwen van de bomen misleid. Het proces-verbaal werd door de burgemeester en de veldwachter ondertekend. Rotteveel laadde extra verdenking op zich door ‘zwarigheid’ (bezwaren) te maken deze mede te ondertekenen.

Op 28 oktober is nog een derde en laatste proces-verbaal opgesteld. J.P. Rotteveel verklaart daarin dat hij enige dagen geleden op een verkoping in het logement De Geleerde Man te Bennebroek ‘een der persoonen die op den 7 sept. jl. zich mishandelingen of baldadigheden aan ons hadden veroorlooft’ had herkend. Het was een zekere Van der Elst, van beroep schilder, woonachtig in Bennebroek. Deze keer heeft Rotteveel wél ondertekend.

Conclusie
Hoe deze zaak verder werd afgewikkeld vertellen de stukken ons niet. Het lijkt niet waarschijnlijk dat Rotteveel in het gevang belandde. Er was immers geen overtuigend bewijsmateriaal tegen hem verzameld. Het was het woord van de burgemeester tegen het zijne. Een situatie waar je normaal gesproken niet gemakkelijk uitkomt. Inmiddels blijkt het idee dat men vroeger meer respect aan de dag legde voor het gezag dan tegenwoordig, weinig vruchtbare bodem te hebben. Er waren nogal eens ‘baldadigheden’ en niet zelden was de burgemeester, J.C. van Rosse, daarvan het slachtoffer. Openbare dronkenschap lijkt in het verleden nogal vaak te zijn voorgekomen en voor ongewenste situaties, zoals boven beschreven, te hebben gezorgd.

Geraadpleegde bronnen:

– Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
– A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), pp. 58, 60.

Copyright © 2009 Vereniging Oud Lisse

De verdwenen geit van Halfweg (1847)

Op 17 november 1847 werd in Halfweg een geit van Koos Marten vermist. De dader werd aangewezen. Het bleek een roddel te zijn.

door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Uit het politierapport van Lisse, deel 9

Daar de buurtschap Halfweg het afgelopen jaar vaak in de publiciteit is geweest, onder meer vanwege de herdenking van 350 jaar Leidsevaart, leek het mij interessant het hiernavolgende incident, dat zich voor een belangrijk deel in deze buurtschap afspeelt, eens de revue te laten passeren. Het is ook weer ontleend aan de bekende politierapporten in het gemeentearchief van Lisse.

Blik op Halfweg vanuit het oosten, circa 1905/1910. Rechts de brug over de Leidsevaart. Coll. auteur

De ‘vette geit’ van Koos is weg!
Op 17 november 1847 bevond Jacobus Martens zich op het weiland bij zijn huis. Jacobus (1817-1859), in het politierapport ook wel Koos genoemd, woonde waarschijnlijk in de buurtschap Halfweg. Hij was gehuwd met Marytje Mens en wordt in de bevolkingsregisters aangeduid als ‘werkman’. Hij keek die dag dus uit over het weiland en het bleek hem al gauw dat ‘zijnen vette geit’ spoorloos verdwenen was! Korte tijd later vond Martens ‘de huid, de kop en de ingewanden’ terug in een sloot. Wie kon dat op zijn geweten hebben?

Het getuigenis van Cornelis Beijk
Spoedig sprak de hele buurtschap er schande van. Er was één persoon die beweerde van de hoed wel de rand te weten en dat was Cornelis Beijk. Hij wordt ‘arbeider, wonende te Lisse’, genoemd en dat is ook gelijk alles wat we over hem weten. Hij had heel wat te vertellen aan Martens. In aanwezigheid van Gerrit van Opzeeland [1] vertelde hij hem dat hij ‘dien morgen (van 17 november) den geit was tegengekomen’. Op zich wel heel opmerkelijk dat Cornelis zich zo’n goede voorstelling kon maken van deze specifieke geit van Martens. Het exemplaar dat hij zogezegd was tegenkomen kon immers zoveel eigenaren hebben….. Nog merkwaardiger wordt het verhaal als we lezen dat de veronderstelde geit in een zak werd meegevoerd door ‘een man die (…) hem niets dan binnensmonds brommend gegroet had en geschrikt scheen bij de ontmoeting’. Een wat schuchtere man dus die weinig van zich liet horen. Dat was natuurlijk heel verdacht!

Het is vast Jan Baik!
De man met de zak liep weer gauw weg en terwijl Cornelis hem nastaarde viel hem op dat zijn ‘houding, kleeding en omgang alle overeenkomst hadden’ met ….. Jan Baik! Het verhaal ging onmiddelijk als een lopend vuurtje door het buurtschapje en al gauw wist iedereen dat Jan Baik de dader was!

“Ik zal Baik den hals afsnijden!”
Iedereen was natuurlijk verontwaardigd over de vermeende daad van Baik. Ze zouden hem maar wat graag achter slot en grendel willen hebben! Maar er is er natuurlijk altijd één die wat verder wilde gaan. Het was Jan Verhoeven ‘onderopzigter op den spoorweg bij Halfweg’. Na Van Opzeeland dus de zoveelste spoorwegarbeider! Op 29 november, dus 12 dagen nadat de geit van Martens was verdwenen, had hij ‘een vrolijken partij in zijn huis’. In hetzelfde huis, waarschijnlijk gelegen aan de spoorweg, woonde een zekere vrouw Van der Klugt. De weduwe P.H. Molenaar, waarschijnlijk Geertruida van Beek (1801-1868), herbergierster in het latere Spoorzicht op de noordwestelijke hoek van de Delfweg en de Leidsevaart, was juist op bezoek bij haar. Ze kon alles horen wat Verhoeven tegen zijn gasten vertelde. Het ging over Jan Baik. Verhoeven zei letterlijk: “Ik zal een mes nemen en Baik den hals afsnijden, zoo als hij den geit van Koos (Jacobus Martens) gedaan heeft !”. Later kwam de herbergierster Jan Baik tegen en waarschuwde hem met de woorden: “Pas maar op dat hij u niet krijgt, want hij zal u den hals afsnijden, zoo als gij het den geit gedaan hebt !”.

Het is inmiddels wel duidelijk dat Baik zich niet bepaald op zijn gemak gevoeld moet hebben met al die dreigementen en verhalen die over hem de ronde deden…

Een storm in een glas water…
Gelukkig bleek het een storm in een glas water, want op 1 en 2 december zijn bovengenoemde personen voor de veldwachter of de burgemeester verschenen. Cornelis Beijk, van wie het hele verhaal over Jan Baik afkomstig was, moet zich wat schuldig hebben gevoeld, want hij verklaart: ‘Dat hij echter alleen geweest zijnde en de ontmoeting (met de man met de zak) wat onverwacht, hij niet stellig durft te verklaren den persoon van Jan Baik herkend te hebben…’. Op de vraag van de veldwachter of de verdachte persoon die Cornelis tegen het lijf was gelopen ‘niets bepaalds gezegd had, waaruit men het vermoeden tegen J. Baik had opgemaakt’ werd door Cornelis ontkennend geantwoord.

En daarmee was dan de hele zaak afgedaan. Voor Jan Baik echter zal de schrik er goed in gezeten hebben!

Conclusie
Bij het doorlezen van de politierapporten valt steeds weer op dat roddel en achterklap een belangrijke rol gespeeld moeten hebben rond het midden van de negentiende eeuw in een kleine gemeenschap als Lisse en dat de gevolgen daarvan voor de betrokkenen heel vervelend konden zijn. Het was dan destemeer zaak om, wanneer bepaalde feiten boven water kwamen, deze vast te laten leggen door een notaris of (in ons geval) door de veldwachter/burgemeester. Reeds eerder behandelden we een soortgelijke zaak: een hardnekkig roddeltje dat door iemand in de lokale herbergen verspreid was. Het zou je maar overkomen dat je beticht werd van een zaak waar je zelf in het geheel niets van af wist! In het Lisse van rond 1850 was dat echter allemaal mogelijk.

Noten
[1] Gerrit van Opzeeland (1802-1876) was spoorwegarbeider en woonde met zijn vrouw Anna Hoekman aan de huidige Stationsweg in het zogenaamde Lammetje Groen, de oude boerderij uit de zeventiende eeuw die nog altijd bestaat. Zie: A.M. Hulkenberg, “t Lammetje Groen” te Lisse, in: Leids Jaarboekje 1973, p. 156, 157.

Geraadpleegde bronnen:
-Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
-J.L. van Diemen, P. de Ridder, P.A.M. Wassenaar, Lisse, Parochianen van St. Agatha 1813-1903, Reeks Genealogische Bronnen van de dorpen rondom Leiden 10 , pp. 27, 166, 178, 271.
-A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten II (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 27.
-A.M. Hulkenberg, “’t Lammetje Groen” te Lisse, in: Leids Jaarboekje 1973, p. 156, 157.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Een roddeltje en de gevolgen (1847)

In de politierapporten van 1847 wordt een roddel vermeld in verband met de korenmolen Speelman. Molenaar van Rhijn zou een schepel rogge hebben achtergehouden. Dat gaf veel commotie. Zelfs ‘heer officier van Justitie’ bemoeide zich er mee. Het bleek achteraf een grap te zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 8

Wie rond 1847 zijn graan wilde laten malen, had keus genoeg: hij kon terecht bij de koren-molenaar aan het einde van de Grachtweg in Lisse of hij bracht het naar molenaar Jan Jacobus van Rhijn te Sassenheim, op de latere molen De Speelman. Van Rhijn was in 1798 geboren in Durgerdam, maar kwam rond 1821 naar Lisse. In dat jaar kocht hij van Pieter Oudshoorn de koren-molen aan de Grachtweg, alsmede een woning aan diezelfde weg, meer richting het dorp. Rond 1827 liet hij de oude korenmolen vervangen door de stellingmolen die we nog op tal van oude ansichten kunnen bewonderen.
Hij geraakte echter in de schulden en tussen 1830 en 1840 heeft hij Lisse vaarwel gezegd en is zich gaan vestigen in Leiden. Vervolgens verhuisde hij naar Sassenheim, waar hij de latere molen De Speelman bouwde.

De molen van Speelman in de negentiende eeuw. In 1847 werkte J.J. van Rhijn hier als korenmolenaar. Op 30 januari 1868 kwam Cornelis Johannes Speelman, van beroep korenmolenaar, naar Sassenheim. Hij woonde in het huis rechts op de foto. Tussen 1890 en 1900 werd de molen afgebroken. Tegenwoordig resteert nog de romp. Bron: G. Verschoor, Sassenheim in oude ansichten (Zaltbommel 1969), p. 10.

Hoe het begon…

Op een dag zat Willem Wubbe, tuinder van beroep en wonende aan het Mallegat op boerderij Klopjeshoven, in de herberg De Engel iets te nuttigen. Hij hoorde met belangstelling de verhalen van de gasten aan. Een van hen was Jan Wezelenburg, boer in Voorhout. Hij had eens een zak rogge aan Van Rhijn in Sassenheim aangeboden om te malen, maar, zo zou hij verteld hebben, de molenaar had vervolgens “een schepel rogge” achtergehouden. De dief! Een paar dagen later bevond Wubbe zich “in de publieke gelagkamer aan ’t Warmonderhek”. Toevallig kwam hij Van Rhijn daar tegen en ze raakten met elkaar in gesprek. Het werd zowaar gezellig, want er kwam al gauw een fles jenever bij te pas. Heel en passant kwam vervolgens het verhaal ter sprake dat hij in herberg De Engel – meende! – gehoord te hebben, namelijk dat Van Wezelenburg had gezegd dat Van Rhijn een schepel rogge had achtergehouden. Het roddeltje was nu verspreid…

De gevolgen…

Hoe de Sassemse korenmolenaar precies reageerde weten we niet, maar mogelijk heeft hij het hoog opgevat, want het kwam ook “de heer officier van Justitie” ter ore en dan was er toch echt iets loos! Het opvallende was echter dat Van Wezelenburg nergens iets van af wist. Ook Willem Wubbe was “hoogst bevreemd” dat aan het verhaal “zodanig gevolg was gegeven”. Hij verklaarde dat “de gesprekken (met Van Rhijn) zijn gehouden en de mededeling van t gezegde aan Van Rijn gedaan is onder een glas jenever en vertrouwelijk met elkander zittende praten”.

De aap komt uit de mauw…
In opdracht van diezelfde “heer officier van Justitie” verscheen dan ook op 10 juni 1847 Willem Wubbe ter secretarie van Lisse aan ’t Vierkant. Hij verklaarde dat hij inderdaad niet ontkennen kon dat hij aan Van Rhijn verteld had “dat Wezelenburg gezegd had een baksel rogge te kort te zijn gekomen van het mud rogge dat hij bij hem had laten malen”. En dan komt het: mogelijk had hij Van Wezelenburg echter verkeerd begrepen “en deze vroeger van Van Rijn gesproken hebbende, later van andere molenaars en van zoodanig afhouden van graan sprekende, hij die gesprekken ten onjuiste kan zamengevoegd hebben”. Het was dus gewoon een roddeltje geweest dat Wubbe aan Van Rhijn had verteld! Willem had nooit de bedoeling gehad “aan een hunner (dus aan Van Wezelenburg of aan Van Rhijn) eenig leed of nadeel te hebben willen berokkenen”. Hij wilde dan ook best zich met Van Wezelenburg “in ’t vriendelijke verstaan, teneinde mogelijk misverstand te verklaren”. Het kwaad was echter inmiddels al geschied…

Conclusie
Het is interessant om te zien hoe vroeger bepaalde verhaaltjes konden ontstaan en vervolgens zich verspreidden. Herbergen en in het algemeen drinkgelegenheden speelden daarbij kennelijk een grote rol. Logisch natuurlijk, omdat het hier belangrijke ontmoetingsplaatsen betrof in het sociale leven van die tijd. Daarom waren er ook zoveel “logementen” in het Lisse van die dagen.
Een roddeltje kon gemakkelijk ontstaan, onder meer doordat men zich weinig rekenschap gaf van de eventuele gevolgen ervan. Zeker wanneer er een fles jenever een rol ging spelen en er een gezellige atmosfeer ontstond, zoals uit het bovenstaande verhaal blijkt.
Het blijft de vraag of Willem Wubbe hieruit een les voor zichzelf heeft getrokken. In ieder geval zal de lucht in de herbergen wel met allerlei verhalen van een twijfelachtig gehalte vervult blijven. Roddeltjes hebben altijd al bestaan. Waarschijnlijk zijn ze zo oud als de mensheid…
Bron: Gemeentearchief Lisse, inv.nr 1115.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Liss

Door den docter zijn nog vruchteloos alle mogelijke middelen in het werk gesteld

In het politierapport uit 1847 wordt het relaas beschreven over het verdrinken van Mietje, de diensmaagd van Leembruggen, eigenaar van Veenenburg, vroeger Huis ter Panne genoemd.

door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 7

Reeds vanaf de zestiende eeuw bevond zich op de grens van Lisse en Hillegom het Huis ter Panne, later wel Veenenburg genaamd. Het uitgestrekte duingebied tussen de Loosterweg-Noord, de Veenenburgerlaan en de Heereweg maakte deel uit van het landgoed. In 1847 was Veenenburg het eigendom van de Leidse textielfabrikant Johannes Leembruggen. In mei van dat jaar verdronk zijn dienstmaagd Mietje.

Op 22 mei 1847 verscheen voor de burgemeester van Lisse Nicolaas Deen, tuinknecht op Veenenburg.1 Hij verklaarde “op gisteren morgen ten zes uren in het huis gekomen te zijn om de bloemen daar uit te halen, als wanneer hem door de werkmeid wierd gevraagd of hij Mietje (Anna Maria Bosch, dienstmaagd bij den heer J. Leembrugge) niet gezien had”. Ze was reeds om half vijf in de ochtend opgestaan om naar de “beste kamer” te gaan, maar ze had haar niet teruggezien. Had Nicolaas haar soms bij de tuinman gezien? “Het antwoord daarop was neen”.

Mietje wordt gevonden
Nicolaas begon een ongeluk te vermoeden en “liep even achter het huis om en zag daar een rok boven op het water”. Daarop haalde hij de betreffende persoon uit het water. Het bleek inderdaad Mietje, de vermiste persoon, te zijn. Met behulp van enige andere mensen bracht Nicolaas haar binnen in het huis. “Daar gekomen zijnde zijn nog alle mogelijke middelen in het werk gesteld door den heer J. Leembrugge en door den heer docter van Dieren om er eenig leven in te ontdekken, maar alles vruchteloos”.

Veenenburg gezien vanaf de huidige Loosterweg-Noord omstreeks 1900. Het huis waarvan we hier de voorgevel zien, dateert uit omstreeks 1797 en is afgebroken in 1913. Het bevindt zich temidden van een fraaie parkaanleg, een zogenaamde Engelse Tuin. Aanvankelijk zal hier echter een Franse Tuin, dus een meer formele tuinaanleg, aanwezig zijn geweest. (Coll. Auteur

De brief
De vorige avond had Mietje nog “met de laatste spoortrein” een brief aan haar moeder gezonden. Aan de rand van het landgoed van de heer Leembruggen bevond zich namelijk sinds enige jaren een station. Met de aanleg van het spoor in 1842 had hij deze voorziening van de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij afgedwongen. Vanaf die tijd beschikte Leembruggen dus over een privé-station. Stond er wellicht iets in de brief dat enig licht zou kunnen werpen op de mysterieuze dood van Anna Maria Bosch, ook wel Mietje genaamd? De brief werd inderdaad weer teruggevonden, maar helaas kon men uit de brief niet vernemen “dat ten tijde dat die ontvangen zou worden, zij er niet meer zijn zoude”.

Conclusie
De dood van Mietje zal wel hard aangekomen zijn. Toch kwam het in vroeger eeuwen wel vaker voor dat wanneer men om de een of andere reden te water geraakte, dit voor de betrokkene fataal afliep. Men moet nu eenmaal rekening houden met het feit dat niet iedereen kon zwemmen. Hoogstwaarschijnlijk gold dit ook voor Mietje.
Ironisch genoeg staat dit geval niet alleen. Ook Gerard, zoon van Johannes Leembruggen, zou op Veenenburg in de herfst van 1865 tijdens een jachtpartij om het leven komen door verdrinking.
Ook elders in de politierapporten lezen we weleens van een enkel geval van dood door verdrinking en in de begrafenisregisters is er eveneens zo nu en dan sprake van drenkelingen die bijvoorbeeld op de Lissderbroek aan de rand van het Haarlemmermeer waren aangetroffen na een flinke storm. Het zal dan ook niet zomaar om een slootje zijn gegaan, waarin Mietje was verdronken. Eerder denken we in dit verband aan een vijver, die deel uitmaakte van de parkaanleg ter plaatse.

Bronnen: Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115; Idem, bevolkingsregister 1840-1850 (huisnr. 68); Idem, huwelijksregisters (1851); A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (tweede druk 1998), p. 31.

1 Nicolaas of Klaas Deen was in 1845 op Veenenburg als tuinmansknecht aangenomen. In 1847 was hij 27 jaar oud. Op 27 juni 1851 trad hij in het huwelijk met Maartje van der Werff. 

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Het verloren schaap (1847)

In deel 6 van de politierapporten gaan we het hebben over Jan Raimond Affourit. Hij woonde op Grotenhof, later aan de Grachtweg. Veldwachter Wijting meldt, dat er een schaap van Affourit kwijt is. De ingewanden, botten en de vacht met blauwe verf werd gevonden. D dader niet.

door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 6 nummer 1, januari 2007

Uit het politierapport van Lisse, deel 6

In deze aflevering uit de politierapporten gaan we het hebben over Jan Raimond Affourtit. Jan was in 1798 in Lisse geboren als zoon van Raimond Christiaan, bloembollenkweker- en handelaar van beroep. Zijn vader woonde als zodanig sinds 1802 op Grotenhof aan de Achterweg, waar hij zijn bedrijf heeft gehad tot zijn dood in 1858.

Toen in 1813 de kanonnen bulderden rond de stad Leipzig was Raimond Christiaan juist bezig zijn bloembollen aan de man te brengen.

Hij verhandelde namelijk al veel in Duitsland in deze pionierstijd van de bloembollenhandel.
We hadden het echter over Jan Raimond. Hij trad niet helemaal in de voetsporen van zijn vader. Hij koos namelijk voor het boerenbestaan.

Dat hij echter een boer was met het nodige geld op zak, blijkt wel uit het feit dat hij in het bevolkingsregister van 1840/1850 staat genoteerd als rentenier. Hij boerde dus goed of had al het een en ander meegekregen van zijn vader, de succesvolle bloembollenhandelaar. Dat laatste kan mogelijk bij zijn huwelijk gebeurd zijn, rond 1824. Toen kwam namelijk zijn eerste zoon ter wereld, Christiaan, gevolgd door Marinus en Cornelia Suzanna. Alledrie zagen in Leiden het levenslicht. Rond 1835 is Jan Raimond met zijn vrouw Geertrui Tacke verhuisd naar Lisse. Hij ging wonen aan de Grachtweg, nabij de huidige Kapelstraat (toen nog een steegje) en kocht hier een huis met wat landerijen. Op de landerijen had hij onder meer schapen lopen.

Er is een schaap zoek…
Op 18 januari 1847 rapporteert de veldwachter, P.J. Wijting, dat “des nachts uit de weide van den heer J.R. Affourtit een schaap was vermist geraakt uit eene kudde van 70 schapen”. Later was Leendert Kranenburg, knecht bij de heer Affourtit, gaan zoeken. Hij ging helemaal tot aan de heul (een duiker) in de Broekweg (nu de Kanaalstraat), net voorbij de molen, en vond daar een zak. We lezen: “Dat deze (=Leendert Kranenburg) dien zak bevoelt had en meende dat het schaap daar in zat”. Kranenburg liet de zak liggen en ging onmiddellijk rapport uitbrengen aan de veldwachter en – ongetwijfeld – ook aan de heer Affourtit. Zo begaven de veldwachter, de burgemeester en Leendert Kranenburg (en Affourtit?) zich naar de heul.

Een bizarre vondst
Het politierapport: “…en dien zak daar uit hebbende doen halen, is daarin bevonden een vacht, een poot en eenig ingewand, edoch niets van het vleesch”. Hoe wisten ze dan dat het toch om het vermiste schaap ging? Welnu, een en ander bleek uit de vacht die blauw gemerkt was bij de hals. Alle schapen uit de genoemde kudde waren namelijk blauw gemerkt. Bovendien had men de poten van sommige schapen, om onbekende redenen, bekleed met een soort schoen. De drijver had echter de schoenen van het vermiste schaap verwijderd. De in de zak aangetroffen poot was inderdaad niet voorzien van een schoen.

Nader onderzoek
De vacht werd bij de heer Affourtit in bewaring gegeven, waarna de veldwachter “met den zak bij de een en de ander (is) rondgegaan of die erkend wierd, doch zonder dadelijk gevolg. En vernomen zijnde dat er sporen van bloed in een aangrenzend weiland aanwezig waren, is daarop inspectie genomen, maar hield hetzelve op een te onbestemd punt op om eenig stellig vermoeden te geven. Kunnende door den ontdekker der zak evenmin eenig vermoeden worden opgegeven”.

Conclusie
Het lijkt erop dat iemand in die bewuste maand januari van het jaar 1847 om alsnog onbekende redenen een schaap heeft meegenomen uit de kudde van de heer Affourtit. Geheel onopgemerkt kan dat echter niet gegaan zijn. Het is dan ook opmerkelijk dat er geen getuigen zijn van deze diefstal.

Aan de andere kant heeft een en ander zich afgespeeld op een vrij grote afstand van de toenmalige bebouwde kom van Lisse. Gaande over de Broekweg naar het Haarlemmermeer passeerde men het laatste huis ter hoogte van de Kapelstraat.

 

Bijbehorende afbeelding laat dat goed zien. Toen de dief het schaap eenmaal had uitgebeend, bleef er nog wat over: de vacht, een poot en wat ingewanden. Allemaal bewijsmateriaal waar hij zo spoedig mogelijk van af moest zien te komen. Uiteindelijk besloot de betreffende persoon ze in een zak te stoppen en deze te verbergen in de duiker onder de Broekweg. Het enige wat Jan Raimond Affourtit dus aan het verloren schaap overhield was de vacht.
Tot 1859 is Affourtit in Lisse aan de Grachtweg blijven wonen. Op 12 mei van laatstgenoemd jaar vertrok hij naar Bodegraven. Zijn vrouw was twee jaar eerder overleden. Zijn huis en landerijen had hij reeds in 1851 verkocht aan Johannes Pieter Munting. Tegenwoordig is Affourtit een naam die we niet meer tegen komen in Lisse. Alle leden van de familie zijn naar elders vertrokken.

Bronnen: GA Lisse, inv.nr. 1115 (politierapporten), Idem, bevolkingsregisters 1830-1860, Kadastrale gegevens per adres geordend door E. Vergunst. (Gemeentehuis Lisse, afd. Interne Zaken).

Op deze ansichtkaart uit 1909 zien we links van de molen de asschuur uit 1775 en rechts de bebouwing langs de Grachtweg. In de jaren veertig van de negentiende eeuw waren hier weilanden. (Ansicht collectie auteur)

 

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Hij dreigde mij met een bijl de hersenen in te slaan

Uit de politierapporten van 1846 wordt in dit vijfde deel verslag gedaan over een stroper, die door de jachtopziener betrapt is met alle gevolgen van dien.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 4, oktober 2006


Uit het politierapport van Lisse, deel 5

De politierapporten van vroeger zijn een eindeloze bron van verbazing en vermaak. Ditmaal het verhaal – uit de mond van tal van getuigen – van de jachtopziener die in 1846 een stroper betrapt op het schieten van een haas. Met alle gevolgen vandien!

Het getuigenis van Marcelis Weyers
We bevinden ons in het jaar 1846. Op 16 december verscheen Marcelis Weyers “buitengewoon opziener van de jagt, wonende te Sassenheim” voor de veldwachter van Lisse. Hij had heel wat te vertellen. Het begon allemaal ’s middags “ten 12 uren” toen hij langs de Heereweg liep ter hoogte van waar later de Rijkstuinbouwschool zou worden gebouwd. Hij keek in het “jagtveld van den Heer van der Staal” richting de Ringsloot van de Lisserpoelpolder en zag net dat Hendrik van Opzeeland met zijn geweer aanlegde om op een haas te schieten. Helaas, de haas ontvluchte hem. Opeens zag Henbdrik echter jachtopziener Weyers en zette het op een lopen richting de Zemelpoldermolen. Toen Weyers daar aangekomen was, was Van Opzeeland nergens meer te bekennen, maar hij bemerkte wel een gat in één van de muren van de molen. “Vermoedende dat hij daarin het geweer verstopt had, wilde ik daarna voelen”. Opeens stond Van Opzeeland echter bij hem “vragende wat ik daar te doen had”. Weyers antwoordde dat hij naar zijn geweer op zoek was, waarop Van Opzeeland antwoordde “dat ik een smeerlap was, daar niets noodig had en ik maken moest dat ik wegkwam”. Weyers vervolgt: “Op dit oogenblik waren daarbij gekomen 2 personen, waarvan ik de een herkende voor Cornelis van Kesteren, gewapend met een bijl, waarmede hij dreigde mij de hersenen in te slaan”. Van Kesteren stond op het punt zijn dreigement ten uitvoer te brengen toen “de derden mij onbekend persoon” de bijl afpakte. Daarop greep Van Opzeeland de jachtopziener bij de kraag en sleepte hem naar de Ringsloot “onder bedreiging van mij te verzuipen”. De onbekende persoon kwam evenwel opnieuw tussenbeide en van die gelegenheid maakte Weyers gebruik om te vluchten. Hij kwam terecht op de Tweede Poellaan, rende voor zijn leven richting Heereweg en kwam waarschijnlijk uit bij het huis dat bewoond werd door de weduwe Van Dril en Jacobus van Dril, min of meer halverwege de Poellaan. “De mij vervolgden kwamen daar weder bij mij en trokken beiden hun buis uit”. Een buis was een nauwsluitend kort jasje met een of twee rijen knopen. Onze jachtopziener voelde de bui dus al hangen. Van Kesteren greep een zware tak uit een boom, waarmee hij Weyers dreigde “te zullen doodslaan”. “Die is hem echter door gemelde Job (Jacobus) van Dril afgenomen en zijn zij scheldende en dreigende vertrokken”.

Het getuigenis van Neeltje Groeneveld
De volgende dag, 17 december, zijn ook de Van Drils verschenen voor de veldwachter, namelijk Neeltje Groeneveld, weduwe van Arie van Dril, en haar dochter Jannetje. De moeder verklaart het volgende: “Op maandag jl. hoorde ik een bons op de deur. Door de ruiten heen ziende zag ik Hendrik van Opzeeland en Cornelis van Kesteren staan, vloekend, scheldend en razend, waarop ik de bovendeur ben gaan openen en zag ik Weyers tegen de muur staan, verschrikt en bleek zijnde, en heb ik hen (zijn belagers) verzocht niet zoo erbarmelijk te vloeken en te keer te gaan”. Maar Van Opzeeland en Van Kesteren waren niet te bedaren en ze vloekten dat als Weyers nog “een woord sprak, dat ze hem de hersenen in zouden slaan”. Daarop trokken ze hun buizen uit, zoals we reeds gezien hebben, waarna één van hen een grote tak uit een boom haalden, “welke echter door mijn zoon (Jacobus) is afgenomen, want Opzeeland zeide nog dat als hij ze voor ’t geregt te Noordwijk gedaagd had en zij kwamen van den Regtbank, dat hij ze dan den hals af zouden snijden”, waarna het woeste tweetal al scheldende vertrok.

De weduwe Van Dril nodigde vervolgens de bedreigde jachtopziener uit om binnen te komen, waarop hij zijn verhaal deed, namelijk dat hij Van Opzeeland had zien stropen en dat hij hem bij de Zemelpoldermolen met een bijl had bedreigd en hem geprobeerd had te verdrinken, dat hij echter wist te ontkomen en naar het huis van de Van Drils gevlucht was.

De genoemde personen
Het genoemde “jagtveld van den Heer van der Staal” was gelegen omtrent de latere tuinbouwschool aan de Vennesloot aldaar. Het maakte deel uit van het landgoed Wassergeest sinds 1804. Van der Staal, ofwel D.P.J. van der Staal van Piershil (1774-1858), was daarvan de eigenaar (van 1804 tot 1852).

Neeltje Groeneveld was geboren omstreeks 1791 te Hillegom. Ook haar man Arie van Dril kwam uit Hillegom en was een jaar ouder dan zijn echtgenote. Hij was juist in 1845 overleden. Genoemde Jacobus was geboren in 1827 en dus zo’n 19 jaar oud in 1846. Jannetje was in 1825 ter wereld gekomen en dus 21 jaar oud op het moment dat het bovengenoemde tafereel zich bij hun huis afspeelde. Zoals gezegd moet dat huis ongeveer halverwege de Tweede Poellaan gelegen hebben aan de noordzijde van deze weg. In 1832 was het eigendom van de weduwe van Jacobus Bronkhuyzen, een belangrijke grootgrondbezitter in Lisse in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Het is echter ook mogelijk dat het bewuste huis wat verder in noordoostelijke richting gelegen was, namelijk aan de Heereweg bij het dorp, ter plaatse van de vroegere buitenplaats Mossenhof. Jachtopziener Weyers heeft dan echter een behoorlijke afstand afgelegd om aan zijn belagers te ontkomen.

Het huidige Jagtrust, gebouwd door Marcelis Weyers in 1862, tegenwoordig in eigendom bij en bewoond door P. van Dijk. (Foto F. van de Veen.)

Cornelis van Kesteren, die Weyers bedreigde met een bijl, was nog een jongeman in 1846, namelijk zo’n 21 jaar. Hij was een zoon van Arie en Hendrika Obdam. Zijn compagnon, Hendrik van Opzeeland, was iets ouder, namelijk 25.

Over Marcelis Weyers is het een en ander bekend. Hij was in 1835 gehuwd met Maria van Eeden, uit welk huwelijk zes kinderen voortkwamen.

Tien jaar later verwierf hij een stuk grond dat was gelegen op de hoek van de Essenlaan en de Achterweg. In 1862 bouwde hij hier de woning Jagtrust, tegenwoordig de firma P. van Dijk. In 1868 verkocht hij dit bezit weer aan zijn zoon Johannes, waarna hij naar Hilversum verhuisde.

Op de eerste steen die in 1862 is ingemetseld, zien we de naam C. Weyers staan: Marcelis Weyers, die echter ook wel Ceelis werd genoemd.

Conclusie

Jachtopziener Weyers zal die zestiende december 1846 niet gauw zijn vergeten! Verschillende malen had men hem met de dood bedreigd. Ook burgemeester Van Rossen overkwam hetzelfde, zoals we in een eerdere aflevering hebben gelezen. Waarschijnlijk liepen er in het dorp toch de nodige mensen rond die één of andere geestesziekte met zich mee droegen, maar daar niet van genezen werden, daar er nog geen psychiatrische hulpverlening bestond. Meestal kwamen dergelijke mensen in een krankzinnigeninrichting terecht of – indien ze een misdaad hadden gepleegd – in de gevangenis. Geen van beide was erg plezierig voor de direct betrokkenen: de gevangenis sowieso niet, maar de leefomstandigheden in de inrichtingen was ook verre van rooskleurig. Wat dat betreft was de negentiende eeuw nu bepaald geen prettige tijd om in te leven. Weer andere hulpbehoevenden zwierven rond en kwamen terecht in werkkampen, zoals Veenhuizen in Drenthe. Op deze wijze konden dergelijke mensen worden omgevormd van “onnutte” leden van de maatschappij in “nuttige” leden.

Veel deuren bestonden in het verleden nogal eens uit twee helften: een bovengedeelte (hier de bovendeur genoemd) en een ondergedeelte.

Over Marcelis Weyers en over Jagtrust is gepubliceerd in De Lisser, d.d. 24 september 1997.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Pie de pondegoedsvrouw en de verdwenen gouden ring

In de politierapporten van 1846 wordt de arrestatie van Pie Blokaart uit Leiden beschreven. De voddenkoopster werd verdacht van diefstal van een gouden ring van de keukentafel van Jannetje van der Linden. De ring werd bij aar terug gevonden.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Uit het politierapport van Lisse, deel 4

Met regelmaat publiceert uw Nieuwsblad uit de politierapporten van heel vroeger. Ter leering en ter vermaak! Ditmaal de arrestatie in ontober 1846 te Lisse van Pieternel (Pie) Blokaart uit Leiden. De voddenkoopster werd verdacht van diefstal van een gouden ring van de keukentafel van weduwe Jannetje van der Linden.

Op 7 oktober 1846 is voor burgemeester Van Rossen Petrus Johannes Wijting verschenen, veldwachter te Lisse. Hij verklaarde dat hij “op surveillance zijnde” was aangeklampt door Jannetje van der Linden, weduwe van Hermanus Mens, koopvrouw van beroep. Ze was in gezelschap van Mijntje van der Klauw, echtgenote van Arend Mens, van beroep tolgaardenier aan de Heemskerker tol en aldaar woonachtig. Arend was op zijn beurt een zoon van bovengenoemde Jannetje. Laatstgenoemde verklaarde het volgende: “Mijn dochter (moet zijn: schoondochter, namelijk Mijntje van der Klauw) heeft haren gouden ring bij mij op de tafel afgelegd, is even in een kamer daarneven gegaan en terug komende is de ring vermist en er is niemand in huis geweest dan Pie de pondegoedsvrouw”. Op aanwijzing welke richting ze op was gegaan, ging de veldwachter achter haar aan. Nabij het dorp kwam hij haar tegen en gelastte haar met hem mee te komen.

Ondervraging en “visitatie”
De aangehoudene, Pieternel Blokaart, wonende te Leiden, werd door de veldwachter aan de tand gevoeld over de vermiste ring. Pieternel verklaarde daarvan echter niets te weten. Ze konden gerust eens bij haar langskomen. De veldwachter vervolgt: “Ten gevolge de visitatie is uit een lorrenzak een voorstuk van een mansbroek tevoorschijn gekomen”. En daarin werd de vermiste ring vastgeknoopt teruggevonden! “De aangehoudene verklaarde hierop dezelve gevonden te hebben, waarop wij haar verklaard hebben haar in voorlopig arrest te nemen ter voorkoming van ontvlugting, met in beslagneming der bij haar gevonden goederen”. Kennelijk had ze dus nog meer spullen ontvreemd… Ze werd in verzekerde bewaring gesteld in het Oude Raadhuis. Het Oude Raadhuis bevond zich tussen het zogenaamde Kuyckehuis en het pand van Van der Zaal aan het Vierkant, ter plaatse van de latere Twentsche Bank, waarnaast tegenwoordig de oprit is naar het museum De Zwarte Tulp.

Het getuigenis van Mijntje en haar schoonmoeder
Ook Mijntje van der Klauw, de eigenares van de ring en schoondochter van Jannetje van der Linden, doet haar verhaal: “Bij mijne moeder ter kermis gekomen en eenigen aardappels voor het middagmaal zullende schillen, heb ik mijn ring afgelegd bij mij op de tafel. De aardappels afgeschild heb ik mij in een andere kamer begeven, maar op de gedachte dat die vreemde vrouw er geweest was (namelijk Pie de pondegoedsvrouw), maakte ik mij verlegen en ging om de ring weer aan te doen en vond die niet meer”. Vervolgens werd Pie voor het gezelschap gebracht. In haar tegenwoordigheid werd aan Mijntje van der Klauw gevraagd een beschrijving te geven van de ring. “Nadat zij dezelve had omschreven (…) is dezelve aan haar vertoond en door haar voor dezelve erkend”. Pie bleef echter bij haar eerder naar voren gebrachte verklaring dat zij de ring had gevonden, namelijk “tusschen het woonhuis (het vertrek waarin de ring was afgelegd) en het zomerhuis (het vertrek waarin de eigenaresse zich even had begeven) op het erf. Waarop zij is blijven persisteren”. De moeder verklaarde dat zij niet gezien had dat haar schoondochter haar ring afdeed, “maar met het afnemen van den Tafel, terwijl de aangehoudene juist heenging, geen ring meer gezien te hebben, weshalve den ring toen reeds van de Tafel moet weggenomen zijn geweest en wel terwijl zij aan ’t vuur bezig was en met de rug naar de Tafel en naar de aangehoudene, die daar vlakbij stond”. “Gezien het te ver gevorderde avonduur” werd besloten Pie maar in verzekerde bewaring te houden (op het Oude Raadhuis?) tot de volgende morgen, waarna ze met de in beslag genomen goederen naar Leiden vervoerd zou worden om overgeleverd te worden aan de “Heer Officier van Justitie”. Welke straf ze vervolgens gekregen heeft, hebben we helaas niet kunnen achterhalen. In ieder geval had Mijntje haar ring weer terug!

Manus Mens
Jannetje van der Linden woonde in de buurtschap De Engel. Ze was daar op 23 mei 1785 geboren als dochter van Arend Maartensz van der Linden en Cornelia Jansdr Ruijgrok. In 1809 trad ze in het huwelijk met Harmen of Hermanus Mens. In 1812 woonden ze waarschijnlijk aan de Akervoorderlaan. “Manus Mens” wordt dan “cultivateur”, ofwel landbouwer, genoemd. Er wordt op 8 mei van dat jaar een kind in de Roomse doopregisters bijgeschreven met de naam Adrianus Mens. Deze Adrianus of Arend komen we in bovengenoemd politierapport tegen als echtgenoot van Mijntje van der Klauw. In 1838 is hij volgens de Lissese bevolkingsregisters vertrokken, mogelijk naar Heemskerk waar hij immers in 1846 tolgaardenier was en waar hij woonde met Mijntje. Er was nog één dochter genaamd Claasje (geboren in 1810) en verder nog vijf zonen, namelijk Hermanus jr., Jan, Cornelis, Barend en Willem. In 1825 komt vader Manus te overlijden. Zijn weduwe en zijn oudste zonen Arend en Hermanus namen nu het werk op het land over. In 1840 blijkt iedereen het huis uit te zijn. Ook de weduwe Mens woont dan op een ander adres, namelijk Heereweg nummer 20, dat zich hoogstwaarschijnlijk in De Engel bevond. Later is ze een paar huizen verder gaan wonen, Heereweg nr. 18. Dit moet een boerenwoning zijn geweest, want we lezen in bovengenoemd proces-verbaal duidelijk over een gewoon woonhuis (waar de ring was afgedaan en op tafel gelegd) en een zomerhuis daarnaast (waarheen de eigenaresse van de ring zich had begeven). Inderdaad was De Engel in die dagen een echte boerengemeenschap. Jannetje van der Linden moet dus in de nabijheid van De Engel de veldwachter aangeschoten hebben, waarna de veldwachter de hele weg af moest leggen tot aan het dorp voordat hij Pie de pondegoedsvrouw tegenkwam en haar arresteerde. In 1840 blijkt Jannetje van der Linden inmiddels marktkraamster te zijn geworden, ofwel “koopvrouw” zoals in het proces-verbaal staat vermeld. Tot 1848 heeft ze op huisnummer 18 gewoond, samen met Jan Wubbe, gehuwd met Antje Mens en Dirk van der Voord, gehuwd met Gerritje van der Slot. In laatstgenoemd jaar is ze vertrokken naar Voorschoten.

Conclusie
Het was dus toch weer een arme sloeber geweest die zich iets had toegeëigend dat van een ander was! Je bleef in die hoedanigheid toch altijd verdacht. In tegenstelling echter tot de in het vorige deel besproken kwestie met de kruiwagen van Pieter Berbee werden hier in ieder geval argumenten aangevoerd die er daadwerkelijk toe deden. De dader in laatstgenoemde kwestie was slechts in de buurt, terwijl de bewuste kruiwagen bij hem niet werd aangetroffen. De ring in dit proces-verbaal werd echter inderdaad bij de pondegoedsvrouw teruggevonden. Overtuigend bewijs dus!

Buurtschap de Engel bij de Engelenbrug

Bronnen: Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115; bevolkingsregisters 1830-1850; doop- en overlijdensregisters. J.L. van Diemen, P. de Ridder, P.A.M. Wassenaar, Lisse, parochianen van St. Agatha, 1687-1812, p. 190, 198.
Pondegoed was afval, rommel of vodden die bij het gewicht verkocht werden.
De kermis in Lisse vond inderdaad ieder jaar plaats in de maand oktober. Zie bijvoorbeeld: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I (Zaltbommel, zesde druk 1987), p. 8.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse