Berichten

Uit de politierapporten van Lisse Deel XVI: Geen konijn op het menu met Oudejaarsdag 1847!

Rob Pex vertelt over de diefstal van een konijn. Deze was voor de verkoop bestemd. Getuigen worden gehoord.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Hoe het allemaal begon We bevinden ons juist tussen Kerstmis en Oudejaarsdag van het jaar 1847. Een konijn als diner op tafel gaat er dan altijd wel in. Maar hoe kom je daar zo gauw aan? Toevallig wist Jansje de Graaff, echtgenote van Dries van Wateringen1, buitengewoon goed de weg te bewandelen in deze. Leendert van der Werff, broodbakker aan ‘t Vierkant2, had namelijk nog twee konijnen, een zwart bonte en een witte, in een hok achter zijn huis. Ze verzocht dus vriendelijk aan bakker Van der Werff of zij een konijntje van hem mocht kopen. Het was niet voor haarzelf maar voor haar dochter bestemd die vlakbij het pas gebouwde gemaal De Leeghwater aan de Ringvaart woonde. Van der Werff stemde in. Hij wilde zelfs het konijntje wel komen bezorgen bij haar dochter! Tot nog toe leken dus Van der Werff en Jansje de Graaff aardig zaken te doen met elkaar. Maar dan…

Afb. 1. Blik op de hoek Heereweg/ Kanaalstraat (v/h Broekweg), met rechts de smederij van Schuts, in 1847 bewoond door Dries (A.A.S.) van Wateringen en zijn vrouw Jansje de Graaff, ca. 1900. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

De konijnen zijn weg!

Op maandagmorgen tussen tien en elf uur toog bakker Van der Werff richting het konijnenhok. Tot zijn verbazing stond de deur van het hok  wagenwijd open! En de konijnen waren verdwenen! Wat moest hij nu zeggen tegen vrouw Van Wateringen? Maar gelukkig bleek zij al voorzien van twee konijnen die ze bij Joseph van Opzeeland had gekocht voor 60 cent. Ze liet ze aan hem zien. Van der Werff herkende ze onmiddellijk als de twee konijnen die uit zijn hok waren gestolen en deed hiervan aangifte bij de veldwachter.

Getuigenverklaringen

Joseph van Opzeeland was natuurlijk onmiddellijk verdachte nummer 1. Een aantal getuigenverklaringen moest dat bevestigen. Eerst bewijs! Op 29 december 1847 verklaart Jan Hendrik Baak, spoorwegwerker te Lisse, dat hij van Sijmen (lees: Simon) Beijk, arbeider, het navolgende had vernomen. Beijk was juist op bezoek bij Van Opzeeland. Laatstgenoemde was in gesprek met Cornelis van Kesteren en Beijk ving daar wat flarden van op. Van Opzeeland had recentelijk goede zaken gedaan: hij had twee konijnen verkocht aan vrouw Van Wateringen (Jansje de Graaff) voor 12 stuivers! Dat wilde echter nog steeds niet zeggen dat hij ze gestolen had, dus de veldwachter moest wat dieper gaan graven. Hij besloot Simon Beijk eens aan de tand te voelen.

Simon Beijk weet van niets…

Beijk verklaarde echter ‘niets te dier zake gezegd te hebben’. Integendeel zelfs! Jan Hendrik Baak had het verhaal aan hèm verteld! En Baak had er ook nog aan toegevoegd dat Van Opzeeland de konijnen had gestolen. Verder wilde Beijk er niets van weten… Hij stak dus zijn kop in het zand. Bij Jan Baak moet je zijn! Niet bij mij! Maar Baak was over deze verklaring hoogst verbaasd. Hij had er met Beijk nota bene nog uitgebreid over gesproken op de ‘Kruisweg’!3

Beijk had  zelfs een uitgebreide beschrijving gegeven van de ontvreemde konijnen. Hij verklaarde echter ‘van dat alles niets te weten’, zo lezen we in het politierapport.

Besluit

En met die woorden werd het politierapport afgesloten. Omdat Beijk zijn vingers niet aan de zaak wilde branden, verklaarde hij van niets te weten. Er konden dus geen bewijzen worden gevonden voor het vermoeden dat Van Opzeeland de konijnen in kwestie had gestolen uit het hok van bakker Van der Werff. En zo belandde het hele verhaal dus in de historische vergeetput, zoals vermoedelijk met meer niet afgedane zaken is gebeurd. (Totdat ze werden gepubliceerd in het nieuwsblad van de VOL).
Jansje van Wateringen-de Graaff moest de twee konijnen, als zijnde belangrijk bewijsmateriaal, achterlaten bij de veldwachter. Het was dus wel zuur voor haar dochter bij de Leeghwater, maar laatstgenoemde moest het dit jaar zonder konijn op het menu stellen!

Afb. 2. ’t Vierkant omstreeks 1900. In het witgepleisterde huis, 2e huis naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, had Leendert van der Werff in 1847 zijn bakkerij. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

Noten

1 Waarschijnlijk woonachtig op de hoek Heereweg/Kanaalstraat. Hier vestigde zich later smederij Schuts. Zie afb. 1.

2 De bakkerij bevond zich naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, waar zich later bakkerij De Lange bevond. Zie afb. 2.

3 De Kruisweg was vermoedelijk het gedeelte van de huidige Kanaalstraat, daar waar deze op de Heereweg uitkwam.

Bronvermelding

Index op naam van publicaties over oud Lisse
Gemeentearchief Lisse inv. nr. 1115.

Uit de politierapporten van Lisse Deel XV: Zwerver Landman opnieuw in actie, 1847

Zwerver Landman komt in 1847 weer in de politierapprten voor. Hij schold zijn buurman uit en beloofde hem te vermoorden. Hij meende dat de buurman spullen van hem had gestolen.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Inleiding

We zijn er een tijdje tussen uit geweest, maar hier hervatten we weer de serie politierapporten!
Deze keer gaat het om een oude bekende: Jude Jacob Landman. Zoals de lezer zich misschien nog herinnert, was Landman aanvankelijk koopman van beroep en gehuwd met Schoontje Machielse de Brave.1 Rond 1830 wonen ze op huisnummer 110 aan de Heereweg. Het huwelijk botert niet goed en al gauw zet Landman zijn vrouw zonder pardon op straat, waarna zij gedwongen is door Lisse rond te zwerven. Ze brengt de nacht door op verschillende adressen. Ook Landman (‘What’s in a name’ zouden wij zeggen!) leidt al gauw een zwervend bestaan. Niemand wil hem echter in huis hebben, want hij had niet zo’n goede reputatie. En zo komt het dan dat een paar spelende kinderen in de middag van 13 november 1847 een lijk van een vrouwspersoon zien drijven in het water van de Gracht. Het blijkt te gaan om Schoontje de Brave, de echtgenote van Landman. Hoewel iedereen wist dat Landman de moord had gepleegd, kon men helaas geen steekhoudende bewijzen vinden. Hij vertrok daarop naar Leiden. In 1849 duikt hij op in Arnhem. Het armbestuur aldaar vraagt dan aan die van Lisse of ze hen willen ontheffen van de kosten van verstrekte kleding. Dat gaat niet zonder enig verzet, want de armenkas van de gemeente Lisse was niet bijzonder rijk gevuld. De burgemeester – J.C. van Rosse (18011875) – draait zich dan ook in alle mogelijke hoeken en gaten teneinde te voorkomen dat het Burgerlijk Armbestuur van Lisse voor de kosten van onderhoud moest opdraaien. En dat is het laatste dat we van Landman vernemen.
En is dit nu het hele verhaal van Jude Jacob Landman? Nee, want ergens in de papieren van de plaatselijke justitie bleek zich nog een politierapport te bevinden. Het is gedateerd 21 juli 1847, dus nog uit de tijd dat Landman een vast adres had en het koopmansberoep uitoefende.

Het gedeelte Heereweg waar zich het verhaal afspeelt, ook wel het Oosteinde genoemd. Het witgepleisterde huis geheel rechts werd in 1840 bewoond door Joseph Martinus Le Feber (later Lefeber), afkomstig uit Den Haag, van beroep broodbakker. Ter plaatse van het postkantoor even verderop bevond zich destijds een boerderij. Het is oorlog, want het bovenste deel van de lantaarnpaal links ontbreekt (vlgs. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I, Zaltbommel, zesde druk 1987, p. 15). Coll. auteur.

Even voorstellen…

In dit verhaal leggen de volgende personen een getuigenverklaring af: zo komen we allereerst Joseph van Diest (1786-1861), van beroep arbeider, tegen en zijn vrouw Trijntje (van Catharina) Coster (17861860). Hij woonde waarschijnlijk aan het gedeelte Heereweg dat in de bevolkingsregisters van die tijd staat aangeduid met de naam ‘Oosteinde’. Dit stukje Heereweg begon ter hoogte van de Stationsweg (‘De Steeg’) en liep door in de richting van Hillegom. Een andere getuige die naar voren treedt is Hendrik Willem Jelters, geboren te Haarlem en Rijkscommies van beroep. Waarschijnlijk was ook hij woonachtig in het ‘Oosteinde’. Guurtje Hovenier (overleden in de gemeente Haarlemmermeer in 1881), gehuwd met Pieter de Wals, arbeider van beroep, heeft ook een en ander gezien en gehoord. Zij woonde met haar man aan de huidige Kanaalstraat (in 1847 nog Broekweg genoemd), naast ’t Hofje. Ook de dienstmeid van Hendrik Josephus Huysmans, woonachtig op het buiten Rosendaal, genaamd Jansje van Opzeeland, was ter plaatse van het navolgende incident. Tenslotte legt de veldwachter, Petrus Johannes Wijting, ook een getuigenverklaring af.
De plek waar zich een en ander afspeelt, is waarschijnlijk het huidige Heereweg 172. In de volksmond staat deze woning bekend onder de naam ‘Bakkerij van Vaneveld’. In 1847 woonde hier echter de van Leeuwarden afkomstige koopman Eleazar Joseph de Vries. Hij woonde als zodanig in bij Petrus Hunnego, geboren te Delft omstreeks 1792, maar deze was na een paar jaar alweer vertrokken.2

Nog steeds bevinden we ons in het Oosteinde van Lisse. Geheel links de ‘bakkerij van Vaneveld’, tegenwoordig Heereweg 172, waar in 1847 koopman Eleazar de Vries woonde. Daarnaast zien we nog net de hekpalen van villa Rosendaal. Zie ook volgende afbeelding. Ansicht verstuurd in 1942. Coll. auteur.

Dief, afzetter, gauwdief!’

Eleazar Joseph de Vries en Jude Jacob Landman moeten elkaar goed gekend hebben: beiden waren koopman van beroep en deden dus waarschijnlijk zaken met elkaar, en bovendien waren ze allebei van Joodse afkomst. Op een gegeven ogenblik had Landman een aantal goederen gekocht, die hij voorlopig onderbracht bij collega De Vries. Hij dacht hem te kunnen vertrouwen, maar toen Landman zijn spullen weer kwam ophalen, wilde De Vries ze niet teruggeven! Daar moest je natuurlijk bij zo iemand als Landman niet mee aankomen! We lezen in de verklaring van De Vries dat van hem ‘gewelddadig waren weggenomen de navolgende goederen als 6 sloopen, 6 servetten, 3 kolfballen, 1 wollen deken, 2 ivoren ballen, 1 Bijbel, een vrouwerok.’ Bovendien schold Landman hem uit voor ‘dief, afzetter, gaauwdief, bankroetier, terwijl hij hem tevens gezegd heeft hem te zullen vermoorden. Dat hij zijn sergeant majoor vermoord had en hem zulks ook zoude doen. Dat het mes voor hem klaar lag’. Kennelijk had Jude Jacob, voordat hij in november 1847 zijn vrouw om het leven bracht, in de tijd dat hij diende in het leger, al eerder een moord begaan: zijn sergeant-majoor was het slachtoffer van de driftbuien van Landman. Geen wonder dus dat de angst bij zijn bedreigde collega er goed in zat! We lezen tenslotte: ‘Van welke daadzaken hij als getuigen opgeeft Vrouw Van Diest, vrouw De Wals, Jansje Opzeeland, de meid van dhr. Huysmans, de veldwachter Wijting’.

Gelijkluidende verklaringen

Men besluit alle getuigen te verhoren. Zo verklaart Trijntje Coster, echtgenote van Joseph van Diest, ‘gemelde Landman over de onderdeur 3 van gemelde De Vries te hebben zien heen stappen, daarna denzelven ontgrendelen en daaruit zien komen met een Bijbel met 2 of drie ballen en daarna nog met een arm met (linnen)goed en dat hij hem heeft uit horen schelden voor bankroetier en dat hij f 180 van hem moest hebben’.
Vervolgens zijn Guurtje Hovenier, huisvrouw P. de Wals, en de dienstmeid van de heer Huysmans op Rosendaal, Jansje van Opzeeland, aan de beurt om hun versie van het gebeurde mede te delen. Het volgt nagenoeg het getuigenis van De Vries.
‘Nog compareerde als boven Petrus Johannes Wijting, veldwachter te Lisse, verklarende dat hij door De Vries tot adsistentie in deszelfs huis is geroepen, waarin hij gevonden heeft gem. J.J. Landman gem. De Vries uit scheldende voor dief en afzetter. Hebbende hij hem geen (linnen)goed zien uitbrengen, maar belet om eenige daarliggende gordijnen weg te nemen. Welke verklaring na voorlezing is ondertekend’.

Villa Rosendaal, waar volgens de getuigenverklaringen in 1847 H.J. Huysmans woonde. Hij had het huis in 1844 gekocht van burgemeester Van den Bergh. Coll. auteur.

En wat heeft Landman daarop te zeggen…

Landman kon niet anders dan te bevestigen dat het zo inderdaad was gegaan: de verklaringen waren redelijk gelijkluidend en er waren maar liefst zes getuigen. Hij voegde er echter aan toe ‘dat hij de goederen had weggenomen, omdat die goederen van hem waren en hij daarvan de bewijzen heeft. Gevraagd welke die bewijzen waren, is door hem geantwoord dezelve te bestaan in nota’s of rekeningen van publieke verkoopingen die hij De Vries als kameraad te bewaren had gegeven, welke nota’s of briefjes door De Vries geweigerd zijn terug te geven’.

Conclusie

Het is niet duidelijk of Landman na deze verklaring vrijelijk over zijn gekochte artikelen kon beschikken, noch of hij de f 180,- heeft teruggekregen van De Vries. Maar om hem daarvoor uit te schelden voor ‘dief, afzetter, gauwdief en bankroetier’ en hem bovendien ook nog eens mede te delen ‘dat het mes voor hem klaar lag’, ging toch weer al te ver! Deze keer vielen er geen dodelijke slachtoffers te betreuren. Enige maanden later echter zou het anders lopen: toen benam hij zijn echtgenote van het leven. Nee, met Jude Jacob Landman viel niet te spotten!

Noten

1 Zie Nieuwsblad VOL, jaargangen VIII, nummer 3 (juli 2009) en X, nummer 4 (oktober 2011).

2 Dit was vaker zo met belastingbeambten, zoals hij genoemd wordt in de bevolkingsregisters (letterlijk ‘Rijks Commies’). Na een bepaalde tijd werden ze weer overgeplaatst naar een andere locatie, zodat het mogelijk was dat het verblijf in een bepaalde plaats maar van zeer korte duur was.

3 De voordeuren van de meeste huizen in deze tijd bestonden uit twee helften: een onderdeur en een bovendeur. Het kan dus goed zijn dat Landman gewoon over de onderdeur heen kon stappen, omdat de bovendeur geopend was.

Bronnen

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115. GA Lisse, bevolkingsregisters GA Lisse, doop-, trouw- en overlijdensregisters.

 

 

 

 

Een handgemeen bij boerderij Klopjeshoven, 1847

Op een schilderij is boerderij Klopjeshove te zien. In 1847 was Hermanus Wubben daar boer. Anthonie van der Vossen was de baas van het personeel. Er was een gerucht dat van der Vossen geld schuldig was aan zijn werknemer Toon van der Linden. Het werd slaande ruzie, waarvan aangifte werd gedaan.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Uit het politierapport van Lisse, deel 14

Wie is wie?
In deze alweer veertiende aflevering van de Lissese politierapporten spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Manus, ofwel Hermanus, Wubben. Hij was boer op boerderij Klopjeshoven aan de Achterweg bij het Mallegat. Tijdgenoten noemen Manus een rare kwast, ‘rauw en raar’.

De koeien in de stal stonden altijd omgekeerd en het melkgerei rammelde.
Anthonie van der Linden, de ‘bouwmansknecht’ die hier even verderop een flink pak slaag krijgt van Van der Vossen, was in 1825 geboren te Hillegom. In het jaar dat zich het incident met Van der Vossen voordeed, had zijn echtgenote, Alida Westerhoven, een kind ter wereld gebracht, genaamd Adrianus. Het is niet duidelijk waar en wanneer Anthonie met haar in het huwelijk was getreden. In 1853 treedt hij te Warmond opnieuw in het huwelijk met Hendrika Westerhoven, mogelijk familie van zijn eerste vrouw. Het jaar daarop vinden we hem woonachtig in Oegstgeest. Later woont hij in de gemeente Haarlemmermeer, waar zijn tweede echtgenote in 1868 overlijdt. Zijn derde echtgenote werd Catharina Klein. Anthonie overleed in 1897. Catharina in 1917. Het lijkt aannemelijk dat het welstandsniveau van het gezin van Anthonie, of ‘Toon’, nooit erg hoog is geweest. Dat kan ook verklaren waarom ze steeds van het ene dorp naar het andere verhuisden.
De derde persoon die in dit verhaal een (nogal kwalijke) rol speelt, is Anthonie van der Vossen. Hij was geboren in 1816. In 1845 huwde hij met Wilhelmina Alkemade. Hij staat te boek als ‘arbeider’ maar had waarschijnlijk een leidinggevende functie. Uit het hiernavolgende politierapport blijkt namelijk dat hij ‘baas’ was van het personeel dat Manus Wubben op zijn boerderij in dienst had. Daar hoorde ook Toon van der Linden bij en een zekere Doris Alkemade. Laatstgenoemde was een zwager van Van der Vossen. Wilhelmina Alkemade, met wie Van der Vossen in 1845 in het huwelijk was getreden, was namelijk een zuster van Doris. We zullen zien dat deze familierelatie één van de oorzaken kan zijn geweest waarom Doris zich zo teruggetrokken opstelde bij het geven van een getuigenis over het hele voorval en eigenlijk zijn zwager gewoon napraatte.

Boerderij Klopjeshove

Dit schilderij stelt boerderij Klopjeshoven voor. Het water op de voorgrond is het Mallegat. Zoals bekend loopt deze onder een brug door in de Achterweg. Inderdaad is links de leuning van een brug weergegeven. We kijken tegen de achterzijde van de boerderij aan, waar waarschijnlijk ook het handgemeen plaatsvond. Datering is helaas onbekend. Het schilderij is in bezit van mevrouw Van der Voort-van Rijn in Spanje. Met dank aan haar en de heer Do van Rijn te Lisse.

Het gerucht…
In het dorpje Lisse van het midden van de negentiende eeuw dat wij inmiddels zo goed kennen, draait de roddelmachine weer op volle toeren. Welk gerucht deed nu weer de ronde? Welnu, Anthonie van der Linden zou het verhaal verspreid hebben dat zijn naamgenoot Anthonius van der Vossen, zijn baas op boerderij Klopjeshoven, hem nog salaris schuldig was. Wat een schande! De tijden waren in economisch opzicht toch al zo ongunstig.

En een gezin onderhouden was moeilijk. Er moesten zoveel monden gevoed worden. Van der Vossen zal dus wel het nodige te horen hebben gekregen.

De confrontatie
Op een dag staat Van der Linden te praten met zijn baas, Van der Vossen, en zijn collega Doris Alkemade. De plaats van handeling is de dorsvloer, die zich waarschijnlijk bevond in een schuur niet ver van de boerderij, bewoond door Manus Wubben. Op zo’n dorsvloer lag het koren uitgespreid. Door er op te slaan met een zogenaamde dorsvlegel werd het fijngemaakt. Na een tijdje te hebben staan praten, kwam het gesprek – onvermijdelijk – uit op het bovengenoemde gerucht, wat er dus op neer kwam dat Van der Vossen geld schuldig was aan Van der Linden. Echter, Van der Linden was zich van geen kwaad bewust. Van der Vossen duwde hem daarop naar buiten op het erf ‘en hem een stomp voor de oogen had gegeven, zoo dat hij achterover tegen een bargroede (de roede van een hooiberg) was geslagen en een buil op’t achterhoofd bekomen hebbende’. Na hem nog getrakteerd te hebben op een paar laatste klappen, trok Van der Vossen zich weer terug en ging gewoon weer aan het werk. Van der Linden stond op, terwijl hij nog sterretjes zag, en liep naar Van der Vossen. Hij trok stevig van leer met de harde woorden ‘dat het lelijk stond iemand zoo te mishandelen’.

Doris laat het afweten
Doris Alkemade had alles gezien en stond er een beetje beteuterd bij. Het slachtoffer met het blauwe oog en de buil achterop zijn hoofd vroeg hem of hij inderdaad wel had gezegd dat Van der Vossen hem geld schuldig was. Doris begon zich steeds ongemakkelijker te voelen. Wat moest hij nu zeggen zonder de betreffende agressor tegen de haren in te strijken? Hij had geen zin in een pak slaag, nu hij gezien had hoe zijn baas Toon had aangepakt. Bovendien was Doris, zoals we reeds eerder vermeldden, een zwager van de man met de losse handjes. Dus stamelde hij: ‘Ik wil er niets van zeggen. Anders valt er alleen nog maar meer voor’.

Er wordt rapport opgemaakt…
Toon van der Linden begaf zich naar het raadhuis op ’t Vierkant, teneinde het hele voorval vast te laten leggen. Drie dagen later roept de burgemeester Van der Vossen op het matje. Ook daarvan wordt rapport opgemaakt. Eerst wordt hem het vorige rapport, dat was opgemaakt naar aanleiding van het relaas van Toon van der Linden, voorgelezen. Vervolgens wordt hem, keurig volgens de procedure, gevraagd wat zijn reactie hierop is. Natuurlijk weet hij nergens van af. Maar dan gooit hij het over een andere boeg. Het verhaal is dat hij nu wél geld schuldig is aan Van der Linden, maar het gaat om slechts twee dubbeltjes voor een halve dag werk. Twintig cent, dat valt waarachtig toch mee! Dan komt ook Doris Alkemade binnen met de staart tussen zijn benen. Hij was nog steeds niet van plan zijn zwager voor het hoofd te stoten en zei dus dat hij ‘evenzeer van al het bovenstaande niets af weet’. En hij praatte zijn zwager helemaal exact na door ook het verhaal van de twee dubbeltjes te bevestigen.

Conclusie
Ook hier zien we weer wat de gevolgen konden zijn van een roddeltje voor de betrokken personen. Zeker als het om nog te betalen salaris ging. Want behalve redelijk welgestelde mensen, telde Lisse in die dagen toch ook heel wat armen. Het lijkt er inmiddels een beetje op, wanneer we de politierapporten doorlezen, dat er heel wat psychisch zieke of gestoorde mensen rondliepen in het Lisse van die dagen. Maar we moeten bedenken dat er ook nog geen psychiatrische ziekenhuizen waren en van psychiatrische aandoeningen was nog niet veel bekend. En dus liepen deze mensen gewoon op straat.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115 (politierapporten)
Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters.
www.genlias.nl

In de naam Klopjeshoven betekent ‘klopjes’ ‘nonnetjes’. De naam zal gekozen zijn vanwege de nabijheid van de Roomse schuilkerk.
A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse, 1960), p. 139
De lezer van nu zou iets hardere woorden verwachten, maar opgemerkt dient te worden dat men anno 1847 net iets andere woorden koos.

Copyright © 2012 Vereniging Oud Lisse

Werken op zondag, 1846

Rond 1850 was het uit den boze om op zondag te werken. Teunis Obdam had echter onder kerkstijd een kruiwagen gras gemaaid om te verkopen. De burgemeester wist niet wat hij er mee aan moest, omdat Obdam arm was.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 10 nummer 2, april 2011

Uit het politierapport van Lisse, deel 13

Inleiding
Eén van de dingen die men in het Lisse van omstreeks 1850 beslist niet deed, was werken op zondag. Het was uit den boze en het kon zelfs zo zijn dat degene die zich daar weinig aan gelegen liet een proces-verbaal aan zijn broek kreeg van de plaatselijke veldwachter. Dat overkwam ook Teunis Opdam (ook wel geschreven als Obdam). Hij nam het wat minder nauw in normen/waardenopzicht. Afijn, we zullen de Lissese veldwachter P.J. Wijting, maar verder aan het woord laten.

Er is gras gemaaid!
Op een zondag liep veldwachter Wijting op de Grachtweg. Ter hoogte van het huidige pand van Tibboel, destijds de woning van de burgervader, ontdekte hij dat hier vlak voor het huis aardig wat activiteit was ontplooid. En dat nog wel op een zondag! Het bleek hem namelijk dat het gras vlak voor de woning was ‘afgemaaid geworden’. Wie kon dat op zijn geweten hebben?

Teunis Opdam was te Lisse geboren in 1796. In 1832 huwde hij met Maria Vastenouw (1797-1859). Het was een gemengd huwelijk, want Teunis was ‘Roomsch’ en Maria Nederlands-Hervormd. Ze blijken in 1832, wanneer Maria bevalt van een zoontje (die naar zijn vader, Teunis, wordt genoemd), te wonen aan de huidige Kanaalstraat, niet ver verwijderd van de Heereweg. Er worden daarna nog vier kinderen geboren, te weten Maria (1834), Antje (1835), Nicolaas (1838) en Johannes (1843). Zowel Teunis als zijn echtgenote overleden in 1859.

Teunis Opdam komt in beeld
De veldwachter liet zich her en der informeren en al gauw bleken de verdenkingen te wijzen in de richting van Teunis Opdam. Teunis had op die morgen het gras gemaaid en weggevoerd met een kruiwagen. Hij koos daarvoor een moment waarop – zo veronderstelde hij – niemand zijn criminele activiteiten zou gade slaan, namelijk onder de kerktijd om pakweg half elf. Het was dan heel stil in het dorp, want iedereen woonde de dienst bij.

Wat er verder met Opdam gebeurde weten we helaas niet. Het verslag verhaalt nog wel dat de veldwachter bij Opdam is langs geweest met de vraag wie hem opdracht had gegeven het gras weg te maaien. ‘Niemand’, zo luidde het klip en klare antwoord.

Burgemeester van Rosse

Enkele aanvullingen van de veldwachter
Het weghalen van gras of graszoden was iets waar de veldwachter zich zorgen over maakte. In een begeleidend schrijven bij het bewuste proces-verbaal maakt de veldwachter dit duidelijk aan de burgemeester, J.C. van Rosse. Hij schrijft dat deze activiteiten ‘met overklimmen en springen van schuttingen en sloten’ aan de orde van de dag zijn. In dit verband vraagt hij zich af of er niet een voorbeeld gesteld moet worden. Dat zag er al niet zo gunstig uit voor de dader, Teunis Opdam. Zeker, omdat we verderop lezen dat hij ‘te meerder schuldig’ is, omdat hij ook nog opzichter van de jacht is en zo brutaal was het afmaaien vlak voor het huis van de burgemeester te laten plaatsvinden. Ook ging er een ‘verderfelijken invloed’ vanuit, omdat Opdam de Zondagswet had genegeerd.

Conclusie
Tja, wat nu te beginnen met die Teunis Opdam? Zo zal de burgemeester zich wel afgevraagd hebben. Zeker, wat hij had gedaan op die bewuste zondag, ging zonder meer tegen alle mogelijke regels van die tijd in. Aan de andere kant was er ook veel armoede en Teunis genoot als ‘spoorbaan-werker’ waarschijnlijk geen riant salaris. En iedereen, ook de burgemeester, wist dat mensen die armoede leden alles deden om het hoofd boven water te houden. Teunis zal wellicht gedacht hebben het gras te kunnen verkopen aan een boer, teneinde iets extra’s te verdienen. Een kruiwagen vol met gras; daar kraaide toch geen haan naar? Dat niet iedereen daar zo over dacht, blijkt uit het bovenstaande.

De Kanaalstraat omstreeks 1912, gezien vanaf de Heereweg. In 1846 heette het hier echter nog Broekweg. Links is een politiepost te zien. Teunis Opdam woonde aan de zuidzijde van deze weg, dus op de afbeelding rechts. Coll. Auteur.

Noten
– Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
– Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

Een dienstmeid met teveel noten op haar zang, 1848

Janna van Dijk was dienstmeisje bij Jan van Riessen, tuinman van buitenplaats Wassergeest. Hij woonde recht tegenover de Deverlaan. Het dienstmeisje werd door ten onrechte van diefstal beschuldigd. Toch werd zij ontslagen.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Uit het politierapport van Lisse, deel 12

Inleiding
In dit verhaal spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Janna van Dijk. Ze was in dienst bij Jan van Riessen, tuinman op de buitenplaats Wassergeest. De tuinmanswoning bevond zich tegenover de Deverlaan aan de Heereweg. Van Riessen was in 1816 geboren te Beverwijk. In 1841 trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Johanna Lamberta van der Horst. Van Riessen verhuisde naar Lisse, waar D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van de buitenplaats Wassergeest, hem in dienst nam als tuinman. Verder zullen we in dit verhaal nog kennis maken met de tuinknechten Willem Kuneman en Dirk van Biezen.

 

 

De tuinmanswoning van Wassergeest vóór de verbouwing in 1956. De woning bevond zich aan de Heereweg tegenover de Deverlaan. Het was in 1671 gebouwd. Achter de woning tot aan de Achterweg strekten zich boomgaarden uit. In 1956 heeft Van Parijs de woning ingrijpend verbouwd en omgedoopt in villa Lutetia (de Latijnse benaming voor Parijs). De woning is in 1994 afgebroken.

Hoe het begon…

 

Op een dag is de dienstmeid Janna van Dijk bezig met de was. De vrouw des huizes komt langs en haalt uit de wasmand een wantje tevoorschijn die gedragen werd door één van haar kinderen. Vervolgens loopt ze er mee weg. De dienstmeid loopt haar achterna en vraagt of ze het wantje mag hebben, zodat ze verder kan gaan met de was. Tot haar verrassing antwoordt vrouw Van Riessen echter dat zij het zoek gemaakt had en dat zij het moest betalen. Wat nu?

Het kledingstuk is weer terecht
Op de zondag daarna ziet de dienstmeid één van de kinderen met het verloren gewaande wantje rondlopen. De maandag erop ligt het kledingstuk in de wastobbe. Ze nam het wantje uit de tobbe en ging ermee naar vrouw Van Riessen. Ze zei: ‘Vrouw, daar hebt ge nu het wantje dat ge gezegd hebt dat ik weggespoeld had’.

De dienstmeid wordt ontslagen
Vanaf dat moment zijn er meerdere versies van het gebeurde. Janna van Dijk, de dienstmeid, verklaart dat ze meerdere keren op het hoofd was geslagen door zowel Jan van Riessen als door zijn vrouw. Vervolgens zou hij tegen haar gezegd hebben dat ze aanstalten moest gaan maken om te vertrekken, hetgeen ze ook deed.

Het getuigenis van Willem Kuneman
De meid vond dat ze onheus bejegend was en ging naar de burgemeester, J. van Rosse. Daar deed ze haar verhaal. Ze hoopte dat Van Rosse nog iets voor haar kon betekenen. Maar de burgervader kon natuurlijk niet alleen uit gaan van het getuigenis van de dienstmeid en daarom nodigde hij ook de tuinknecht Willem Kuneman uit om getuigenis te geven van de waarheid. Hierbij realiseerde Van Rosse zich echter niet dat de tuinknecht niet helemaal onpartijdig was. En dat gold ook voor de andere tuinknecht, Willem van Biezen en al helemaal voor Johanna Lamberta van der Horst, de echtgenote van Van Riessen.
Maar wat had Willem Kuneman nu precies te vertellen? Welnu, kort nadat de dienstmeid van de zolder weer beneden was gekomen en wilde vertrekken, werd Kuneman met Willem van Biezen naar boven gestuurd om een meubelstuk dat de dienstmeid bij de aanvang van haar werkzaamheden te leen had ontvangen van baas Van Riessen naar beneden te halen. Daarop zou de meid de weg verspert hebben op de trap. De baas heeft haar toen opzij geduwd. Janna van Dijk had eerder verklaart dat Jan van Riessen haar toen een klap op de wang had gegeven. Maar daar kon Kuneman zich (natuurlijk) niets van herinneren.

Willem van Biezen aan het woord
Vervolgens wordt Willem van Biezen gevraagd te vertellen wat er gebeurd was. Hij kwam net binnen om ‘naar de catechesatie te gaan’ (gaf Van Riessen voor het personeel catechese?) toen tuinbaas Van Riessen hem opdroeg om samen met Kuneman het hiervoor vermelde meubelstuk naar beneden te halen. Dit werd inderdaad bevestigd door het getuigenis van Kuneman en de meid. Van Biezen had echter niet gezien dat de tuinbaas en zijn echtgenote de meid hadden geslagen. En ook niet dat de meid op de trap was gaan staan om hem en Kuneman de weg te versperren.

Het getuigenis van vrouw Van Riessen
Tenslotte doet ook vrouw Van Riessen haar verhaal. Zij en haar man zouden de meid niet geslagen hebben. Ze hadden haar wel ontslag aangezegd, aangezien ze een grote mond had gehad. De meid was binnengekomen met het zoekgeraakte wantje en zou hebben gezegd: ‘Daar heb je nu het wantje, daar je zoo’n beweging om gemaakt hebt’. Alles wel overwogen komt dit niet helemaal overeen met de woorden uit het getuigenis van de meid. De versie van de dienstmeid komt heel wat ‘beleefder’ over dan hetgeen vrouw Van Riessen hier beweert. Daarop zou haar man gezegd hebben: ‘Nu is het genoeg, nu moet ge weg’.

Tenslotte…
Tot zover de getuigenissen. De burgervader zat met een probleem. Het was het woord van vrouw Van Riessen en de tuinknechten tegen dat van de dienstmeid. Hij kon dus niets voor haar betekenen.

Conclusie
Daar gaat de meid dan met het kleine beetje bezit dat ze had, hopende dat ze elders nog een betrekking zou kunnen vinden. In deze tijd zou zij waarschijnlijk een beroep op haar bedrijfsvereniging hebben gedaan. Maar dan nog viel er weinig te bewijzen. En de maatschappelijke verhoudingen waren in die tijd zodanig dat de werkgevende partij er altijd beter af kwam. En die werkgevende partij was van mening dat Janna van Dijk een dienstmeid was met teveel noten op haar zang!

Noten
R.J. Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004).
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115.
Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

Brand op de boerderij van Keukenhof in 1705

Op 26 juli 1705 stond de hofboerderij van Landgoed Keukenhof in brand. De boerderij, de hooiberg en de pasgebouwde schuur brandden af. Alleen het karnhuis kon worden gered. Diverse mensen worden ondervraagd door de eigenaar Hendrik van Hoven. De oorzaak was waarschijnlijk een vuur vlak bij de hooiberg, aangelegd door Andries Spruijt.

door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Inleiding

Binnen niet al te lange tijd zal een begin worden gemaakt met de restauratie van het casco van de boerderij van Keukenhof, alias de Hofboerderij. Het is één van de trotse monumenten die we tegenwoordig op het landgoed Keukenhof tegenkomen. Het heeft dan ook een lange geschiedenis achter de rug die al begint in 1643, kort nadat het nabijgelegen huis Keukenhof in gereedheid was gekomen. Die historie zit boordevol verhalen en anecdotes. Sommige daarvan zijn onbekend en andere komen we bij toeval tegen in archieven. Een toevalstreffer dus! Zo is dat ook met een brand die in 1705 gewoed heeft op de Hofboerderij. In dit artikel wordt daar nader op ingegaan.

Brand!

Zondag 26 juli 1705. Achter het huis Keukenhof bij de boerenwoning horen we geroep en geschreeuw. Een menigte mensen is bezig een fikse brand te blussen, die door onbekende oorzaak is uitgebroken op de boerderij. Uiteindelijk kan alleen het karnhuis nog gered worden. De boerenwoning echter, alsook de hooiberg en een pasgebouwde schuur, branden uit. Hoe had het zover kunnen komen?

De verklaring van chirurgijn Claas van Rode

De eigenaar van de boerderij, Hendrik van Hoven, had zo zijn eigen ideëen omtrent de oorzaak van de brand en verdacht de boer, Andries Spruijt. Op 2 en 16 maart en op 20 juli 1706 laat hij dan ook diverse mensen getuigen. Ze zijn unaniem van oordeel dat Spruijt door een daad van nalatigheid de brand in de hand had gewerkt. Zo verscheen op 2 maart 1706 voor de Alphense notaris Jacob van Dorp Claas van Rode, chirurgijn te Lisse.1 Hij verklaart dat Spruijt vanaf het voorjaar tot en met de maand juli van het jaar 1705 de boerderij van Keukenhof had gepacht van Hendrik van Hoven. Gedurende die periode was het meer dan eens voorgekomen dat Andries Spruijt ‘buijten het boerenhuijs’ vuur had aangelegd en wel vlak bij het karnhuis ‘omtrent een roede lengte van den hoijbarg’. 2 Spruijt was bezig om boven het vuur melkmouwen te blakeren, maar deed dat dus op een bijzonder gevaarlijke plek!3 Claas van Rode had het gezien en dacht ‘dat het wonder soude sijn indien daarvan geen brand in den Barg en soude komen’. En inderdaad, op diezelfde avond ontstond er brand in de hooiberg, waarna ook het boerenhuis in vlammen opging.

Diverse verhoringen

Op 16 maart 1706 wordt een aantal mensen ondervraagd over de brand op de boerderij van Keukenhof op last van Hendrik van Hoven.4 Allereerst is dat de tuinman van Keukenhof, Cornelis Everts. Verder komen we een zekere Annetje Cornelisdr. tegen, die tot de brand in juli 1705 in dienst was bij Andries Spruijt op de boerderij. Ook ontmoeten we Margaretha van Vries, die bevriend was met het echtpaar Van Hoven en op de Keukenhof bij hen inwoonde. Tenslotte komt Jan Mase aan het woord, die koetsier was bij Van Hoven. Allemaal zijn ze van mening dat Spruijt een uitermate lui en nalatig persoon was en zijn taken niet goed uitvoerde. Zo hadden Cornelis Everts en Jan Mase tijdens de hooibouw van 1705 op het land geholpen met hooien. Spruijt verrichtte de werkzaamheden evenwel niet naar behoren. Zo liet hij na om de twee wagens met hooi van het veld te halen. ’s Avonds, terwijl Spruijt al lag te slapen, heeft Everts toen de twee wagens van het veld gehaald. Hij liet ze achter bij de hooiberg in de veronderstelling dat Spruijt het hooi in de hooiberg zou steken, maar dat gebeurde niet.
De volgende dag stonden de wagens er nog steeds. Vervolgens ging het regenen, waardoor het hooi nat werd, want Spruijt had verzuimd het hooi behoorlijk af te dekken met stro, zoals gebruikelijk was. Hij stak nu het hooi nat in de hooiberg en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Diverse getuigen verklaren ook op die zestiende maart gezien te hebben dat Spruijt dikwijls een pijp rookte op gevaarlijke plaatsen, zoals vlakbij de hooiberg of tijdens het melken in de stal. Bovendien rookte hij vrijwel altijd een ongedekte pijp.5 Vragen om moeilijkheden dus! Verder bevestigt een aantal getuigen de verklaring van Claas van Rode dat Spruijt regelmatig vuur aanlegde bij het karnhuis, niet ver verwijderd van de hooiberg. Het viel Annetje Cornelisdr. bovendien op dat de brand in de hooiberg vooral woekerde aan de zijde waar Spruijt met zijn echtgenote diverse malen vuur had aangelegd.

Het woonhuis van de hofboerderij van Keukenhof . Foto:. A. in ‘t Veld

 

Laatste getuigenverklaringen

Op 20 juli 1706 verschijnen voor notaris Jacob van Dorp vier personen.6 Het waren Cornelis Onnosel7, gerechtsbode van Lisse, zijn echtgenote Titia ter Veer, Cornelis Gerritse de Swart, linnenwever van beroep en tenslotte een mevrouw Van den Berg, ‘tuinvrouw’ van beroep, weduwe van Cornelis Pieterse Larum. Onnosel – wat een prachtige naam! – verklaart in opdracht van Hendrik van Hoven dat hij uit diens naam Spruijt dikwijls had terechtgewezen. Hij had hem gezegd dat hij Van Hoven geen genoegen deed met zijn nalatig gedrag. Verder had hij tegen Spruijt gezegd ‘dat hij beter moest oppassen of dat hij de sak sou krijgen’. Hij had Spruijt op deze wijze diverse malen gewaarschuwd en telkens had Andries daarop geantwoord ‘dat hij beter oppassen soude’. De tweede en de derde getuige, Titia ter Veer en Cornelis de Swart, verklaren dat zij zich op de dag van de brand hadden bevonden achter het huis Keukenhof. Zij hadden gehoord hoe Van Hoven van leer had getrokken tegen Spruijt over ‘sijn traagheijt ende versuym’. ‘Twee uuren daar na’ hadden zij gezien hoe de hooiberg en het boerenhuis afbrandde. De vierde persoon, mevrouw Van den Berg, vertelt hoe zij in de maand juli van het jaar 1705 meermalen had gezien dat Spruijt en zijn echtgenote vuur aanlegden bij het karnhuis. Op 25 juli 1705, daags voor het uitbreken van de brand dus, had ze bovendien Spruijt een ongedekte pijp zien roken ‘digt aen de stijl van den hoijbarg’. Hij had vaker een pijp gerookt op plaatsen die brandgevaarlijk waren, zoals we reeds vernamen. Mevrouw Van den Berg had Spruijt daarover diverse malen aangesproken, want dat ‘daer uijt ongelukken ontstaen souden’. Al met al lijkt het er sterk op dat Andries Spruijt door zijn achteloosheid een ernstige brand veroorzaakt had, ondanks de vele waarschuwingen die aan zijn adres gericht waren geweest.
Inmiddels vragen we ons af wat, bijna een jaar na de brand, de zin was van al deze getuigenverklaringen.

Proces voor de vierschaar van Lisse, 1706

Al snel wordt duidelijk wat Hendrik van Hoven nu precies beoogde met de bovengenoemde verklaringen. Nadat de brand was geblusd, wilde Van Hoven Spruijt niet langer in dienst houden en werd hem dus ontslag aangezegd. Andries besloot hierop een brief te (laten) schrijven ter attentie van schout en schepenen van Lisse. In de brief lezen we dat hij ‘tot sijn leetweesen ende buijten sijn toedoen’ (!) genoodzaakt was een proces aan te spannen tegen zijn vroegere werkgever.8 Omdat hij echter ‘een arm boereknegt is en geenige de minste magt is hebbende’ verzocht hij door een procureur pro deo te mogen worden bediend. Die werd hem uiteindelijk toegewezen in de persoon van Jacob Camper.
Van Hoven werd dus voor het gerecht gedaagd! Vanuit dit oogpunt is het begrijpelijk dat de eigenaar van Keukenhof al gauw in de weer ging met het verzamelen van voor Spruijt belastende getuigenverklaringen. Het ging Jacob Camper namens zijn cliënt om het volgende. Spruijt had met ingang van 1 mei 1705 de boerderij van Keukenhof gepacht. De huurtermijn zou aflopen op 30 april 1706. Spruijt betaalde hiervoor de som van f 300,- per jaar. Hij had daarbij diverse zaken die zich in het boerenhuis bevonden tegen betaling moeten overnemen. Verder was overeengekomen dat Spruijt aan Van Hoven een Nieuwejaarsgift zou betalen ter grootte van een ducaat en ‘een gelijke ducaton’ met Kerstmis. De eiser, Andries Spruijt, had ‘in alle behoorlijkheid’ (de getuigenverklaringen spreken dat duidelijk tegen!) de tijd van drie maanden bij Van Hoven gewerkt. Daarna was hij ‘op een gans onbehoorlijcke wijse’ ontslagen. Omdat hij de huurtermijn niet had uitgezeten, wilde Spruijt nu een deel van de huursom terugzien. ‘Wijders een vierendeel booter, hondert pont kaas’ en hetgeen hij moest betalen aan vuur, licht en de vruchten uit de tuin die hij voor zijn huishouding nodig had. Het is duidelijk dat Spruijt in zijn eis behoorlijk ver ging. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat uiteindelijk de schepenen van Lisse de eis niet redelijk achtten en Spruijt veroordeelden tot het betalen van de kosten van het proces.9 En daarmee verdwijnt dan de naam Spruijt definitief uit de annalen van de boerderij van Keukenhof.

De schuren van de hofboererij van Keukenhof. Fot A. in ’t Veld

Besluit

We zijn inmiddels ruim drie eeuwen verder. Er is niets meer aan de boerderij van Keukenhof te zien wat eventueel nog zou kunnen herinneren aan de grote brand van 1705. Niets aan het metselwerk en al helemaal niets aan de spanten van het dak, daar het oorspronkelijke houtwerk al in de negentiende eeuw werd vervangen.10 Wat dat betreft is het opvallend hoe snel bepaalde gebeurtenissen in het verleden, indien ze niet duidelijk zwart op wit werden gesteld, voor het nageslacht verloren kunnen gaan. Gelukkig is de brand vrij goed gedocumenteerd, waardoor we dit verhaal aan de vergetelheid hebben kunnen ontrukken.

Bronnen

1 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 56.

2 Een Rijnlandse roede is ongeveer 3,77 meter. www.wikipedia.nl

3 Een melkmouw was waarschijnlijk een langwerpige, ondiepe bak waarin men melk liet staan om die te ontromen. Het blakeren maakte mogelijk deel uit van een reinigingsproces. Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal (achtste druk, ’s-Gravenhage 1961), p. 1233.

4 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 31.

5 Hiermee wordt een pijp bedoeld waarvan de zogenaamde ketel niet kon worden afgesloten middels een deksel.

6 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 67.

7 Waaraan de beste man zijn ietwat merkwaardige achternaam te danken had weten we niet. Onnosel betekende in het toenmalige taalgebruik dom, idioot of onschuldig. Naast gerechtsbode was Onnosel ook herbergier van het logement de Witte Zwaan.

8 Deze en navolgende gegevens ontleend aan: Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 93.

9 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 49, fol. 30.

10 Dit gezien de afmetingen van spanten en dakhout. Met welk soort materiaal het dak vroeger bedekt is geweest, valt niet met honderd procent zekerheid aan te geven. Het is goed mogelijk dat er aanvankelijk een rieten bedekking aanwezig was, maar dat men deze op een later tijdstip (bijvoorbeeld na de brand in 1705) heeft vervangen door dakpannen. Dit is ook bij boerderij Middelburg gebeurd in 1868. Met dank aan Ignus Maes.

 

‘Mishandelingen of baldadigheden’ op de straatweg in het jaar 1848

Burgemeester J.C. van Rosse (1801-1875) werd bij het buiten van den heer Temminck (Wildlust) aangevallen door dronken lui, die met een koets tegen bomen waren gereden. De voerman, Joh. Pet. Rotteveel, logementhouder van de Witte Zwaan wist de burgemeester uiteindelijk te ontzetten.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Burgemeester van J.C. van Rosse

Uit het politierapport van Lisse, deel 10

In dit verhaal speelt de burgemeester van Lisse, J.C. van Rosse (1801-1875), opnieuw een belangrijke rol. Daarnaast is ook een ‘rol’ toegedacht aan de logementhouder van de Witte Zwaan, Johannes Petrus Rotteveel (1807-1878). In 1847 was hij in het huwelijk getreden met Petronella Spanjaard (1809-1879). In datzelfde jaar verwierf hij het eigendom van het logement de Witte Zwaan. Daarvóór had Veldhorst achter de tapkast gestaan, een persoonlijkheid die bij de Leidse studenten veel bekendheid genoot. In 1864 draagt Rotteveel zijn bezit over aan Albertus Jansz. van Mantgem uit Leiden. In de daaropvolgende jaren staat Rotteveel ingeschreven als veehouder aan ’t Vierkant. Waarschijnlijk was hij tegen die tijd verhuisd. Verder wordt in het hiernavolgende relaas gesproken van ‘het buitengoed van den Heer Temminck’. Coenraad Jacob Temminck (1778-1858) was in 1819 eigenaar geworden van de buitenplaats Wildlust, gelegen op de zuidwestelijke hoek van de Zwartelaan en de Heereweg. Het was een fraaie buitenplaats bestaande uit herenhuis, tuinmanswoning en landerijen, bossen en duinen. In 1820 was hij benoemd tot directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Ook op Wildlust moet een bijzondere flora en fauna aanwezig zijn geweest. In 1827 kwamen er nog wijngaardslakken voor, waarvan nog een schelp te Leiden bewaard wordt. Even voorbij het huis Wildlust begon de Zwartelaan, die eigenlijk de toegangslaan was van het buiten Veenenburg aan de Loosterweg. Vandaar was het nog maar een korte wandeling naar het in 1842 gebouwde station Veenenburg.

‘Luidruchtig gezang’
In de avond van 7 september 1848 had burgemeester Van Rosse drie jongemannen op bezoek. Tegen 21:00 uur wilden ze weer vertrekken, maar ze wisten niet waar in Lisse het dichtstbijzijnde station was gelegen. Van Rosse zou wel een eindje meelopen om ze de weg te wijzen. Zo gezegd, zo gedaan. Op weg naar de Veenenburgerlaan (de huidige Zwartelaan) ‘reed ons een rijtuig in meer dan gewonen drift (snelheid) voorbij onder een buitengewoon luidruchtig gezang van het gezelschap hetwelk zich daarin bevond’. Toen het rijtuig of de koets bij ‘het buitengoed van den heer Temminck’ was aangekomen, hield het zingen opeens op. Wat was er gebeurd?

De Veenenburgerlaan werd vanwege het vele zware geboomte ook wel de Zwartelaan genoemd. Aan het begin ervan stond een hek opgesteld, met op de palen daarvan de tekst ‘Veenenburg’. Op deze ansicht uit omstreeks 1900 kunnen we dat duidelijk zien. Rechts is de boswachterswoning waarin Zacharias van der Burg woonde. Deze bestond echter nog niet ten tijde dat burgemeester Van Rosse op deze laan werd mishandeld (1848). Uit: A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I (Zaltbommel, zesde druk 1987), p. 27.

Te vroeg het paard omgestuurd
Toen ook de burgemeester met zijn gezelschap bij Wildlust was aangekomen, zag hij daar ‘een rijtuig tusschen de boomen opzij leggende’. Kennelijk had de bestuurder van de koets ‘te vroeg het paard omgestuurd, denkende reeds de Veenenburgerlaan voor zich te hebben’. Iets dat bij Van Rosse vragen opriep, want het was volle maan, dus het zicht was goed. Aangezien de inzittenden geen ernstige verwondingen hadden opgelopen en men ‘reeds bezig was zich te herstellen’ liepen de burgemeester en de drie jongemannen de plek des onheils voorbij. Maar dat had hij beter niet kunnen doen…

Wildlust omstreeks 1850. Tekening in Oostindische inkt door P.J. Lutgers. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), pp. 61. Het Wildlust zoals het hier in beeld is gebracht werd in 1877 afgebroken om plaats te maken voor een ander riant woonhuis. Dit werd vervolgens in 1926 afgebroken, waarna de huidige villa Wildlust tot stand kwam. Ook deze zal binnenkort gesloopt moeten worden, in verband met de aanleg van een rotonde. Even voorbij het huis was aan de linkerhand de Veenenburgerlaan. Zoals de tekening laat zien waren er voldoende bomen waartussen men zich met een koets gemakkelijk klem kon rijden, zoals het bovenstaande proces-verbaal aantoont. Tenminste, indien men enigszins aangeschoten was….

De burgemeester wordt (weer) bij de kraag gevat
Van Rosse bracht zijn jonge gezelschap op de Veenenburgerlaan (Zwartelaan) en wees hun de weg. Hij had zich nog maar net omgedraaid, teneinde weer op zijn schreden terug te keren, of drie personen schoten vanuit de koets op hem af. Ze trokken hem ‘bij zijn kleren’ en vroegen op woeste toon: ‘Bent u daar zoëven gepasseerd?!’ De burgemeester antwoordde: ‘Ja,……’. Ze lieten hem niet uitspreken en onder een ‘gezamelijk trekken en sjorren en schelden en schreeuwen’ voegden ze hem de woorden toe: ‘Dan had je moeten helpen!’ Zijn verklaring dat hij ‘mijne menschen naar den spoorweg had geëxpedieerd’ mocht helaas niet baten. En de opmerking dat ‘indien men zich behoorlijk gedroeg en mij losliet [mij] assistentie zou kunnen verschaffen’ had natuurlijk niet het minste effect op de woestelingen.

De geheimzinnige voerman
Ten einde raad richtte de burgemeester zich nu tot de voerman (=persoon die, boven op de bok gezeten, een rijtuig bestuurt). Hij verzocht hem ‘zijne menschen van mij af te halen en mij te assisteeren, want dat ik ze anders wegens aanranding op de publieke weg zou moeten arresteren, aangezien ik de burgemeester van de plaats was’. Daarop volgde een ‘vernieuwd gesjor en verward toevoegen van smaadwoorden, waarvan de profane vermelding mij ondoenlijk is’, waarna één van zijn belagers hem de hoed af sloeg. Er werd dus niet bepaald veel eerbied voor de dag gelegd voor een burgervader als Van Rosse!
‘De voerman, andermaal ter assistentie geroepen, hield zich bestendig af en scheen met zijn paard bezig, zonder zich in het aangezicht te laten zien’. Dat was toch merkwaardig…

Het is de herbergier van de Witte Zwaan!
‘Na dat de worsteling nog een tijd lang geduurd had’, kwam de geheimzinnige voerman naderbij met de woorden: ‘Ik ben gereed. Laat hem los, want anders wordt het te laat’. ‘Thans herkende ik in den voerman den Persoon van Joh. Pet. Rotteveel, Logementhouder te Lisse’, zo vermeld Van Rosse in het proces-verbaal. Hij verweet hem dadelijk ‘het onbehoorlijke van zijne weigering van assistentie’. Dit gevoegd bij de bevestiging van Rotteveel dat de persoon die ze aan het molesteren waren, de burgemeester van Lisse was, leidde ertoe dat het agressieve drietal Van Rosse met rust lieten, waarna de burgervader zich verwijderde.

De echtgenote van Rotteveel wordt ondervraagd
In het dorp aangekomen, stuurde Van Rosse de veldwachter naar de Witte Zwaan om daar bij de vrouw van Rotteveel te informeren naar het drietal dat zo luidruchtig van zich te horen had gegeven op de weg van het dorp naar station Veenenburg. Helaas kende de vrouw hen niet. Ze waren gekomen om te eten. Daarna waren ze ‘met haar man naar Sassenheim gereden naar de kermis en vrij vrolijk te huis gekomen en nu door haren man naar den spoorwagen gebracht’. Geen namen dus…. Dat was jammer. In ieder geval hadden ze aardig diep in het glas gekeken, wat hun baldadige gedrag en hun luidruchtigheid goed kon verklaren. En de herbergier? Was die soms ook dronken geweest? En was dat de reden dat hij zich zo op de achtergrond had gehouden? Van Rosse besloot de volgende dag de logementhouder op het raadhuis te ontbieden.

Rotteveel wordt aan de tand gevoeld…
Natuurlijk verklaarde Rotteveel de personen in kwestie niet te kennen. Dat was te verwachten… Voorts verklaarde hij de burgemeester dadelijk herkend te hebben, maar de burgemeester niet te hulp was gesneld, ‘omdat hij zijn paard niet alleen kon laten’. En hij voegde eraan toe: ‘Echter, had hij ze (de belagers van Van Rosse) verscheidene malen toegeroepen mij te kennen en mij te laten gaan’. Maar de burgemeester was ook niet dom en antwoordde dat hij ‘zulks’ niet gehoord had en dat in zo’n geval de hele zaak natuurlijk een heel andere wending had gekregen. De burgemeester vond de houding van Rotteveel, wat neerkwam op ‘eene bekende door drie man laten mishandelen, liever dan zijn paard een oogenblik alleen te laten’, onbegrijpelijk en wreef hem dat ook onder zijn neus. Tenslotte kwam de onvermijdelijke vraag ‘of wij, uit het zich in de bomen rijden met helder maanlicht en het onbegrijpelijke in zijne houding ter mijner opzicht, (….) niet mogten besluiten dat ook hij iets teveel gedronken had’. Maar dit werd in alle toonaarden ontkend. Het was ?’zozeer geen helder maanlicht geweest’ en hij was door de schaduwen van de bomen misleid. Het proces-verbaal werd door de burgemeester en de veldwachter ondertekend. Rotteveel laadde extra verdenking op zich door ‘zwarigheid’ (bezwaren) te maken deze mede te ondertekenen.

Op 28 oktober is nog een derde en laatste proces-verbaal opgesteld. J.P. Rotteveel verklaart daarin dat hij enige dagen geleden op een verkoping in het logement De Geleerde Man te Bennebroek ‘een der persoonen die op den 7 sept. jl. zich mishandelingen of baldadigheden aan ons hadden veroorlooft’ had herkend. Het was een zekere Van der Elst, van beroep schilder, woonachtig in Bennebroek. Deze keer heeft Rotteveel wél ondertekend.

Conclusie
Hoe deze zaak verder werd afgewikkeld vertellen de stukken ons niet. Het lijkt niet waarschijnlijk dat Rotteveel in het gevang belandde. Er was immers geen overtuigend bewijsmateriaal tegen hem verzameld. Het was het woord van de burgemeester tegen het zijne. Een situatie waar je normaal gesproken niet gemakkelijk uitkomt. Inmiddels blijkt het idee dat men vroeger meer respect aan de dag legde voor het gezag dan tegenwoordig, weinig vruchtbare bodem te hebben. Er waren nogal eens ‘baldadigheden’ en niet zelden was de burgemeester, J.C. van Rosse, daarvan het slachtoffer. Openbare dronkenschap lijkt in het verleden nogal vaak te zijn voorgekomen en voor ongewenste situaties, zoals boven beschreven, te hebben gezorgd.

Geraadpleegde bronnen:

– Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
– A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (Lisse, tweede druk 1998), pp. 58, 60.

Copyright © 2009 Vereniging Oud Lisse

Laat ze allemaal de cholera krijgen!

In 1833 werd de kermis verboden in verband met een cholera epidemie. Er waren vele protesten tegen het niet doorgaan van de kermis. Een brief van Wilhelmina Rademaker, echtgenote van Arie van Leeuwen, herbergier van de Witte Zwaan, wordt weergegeven.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Inleiding
In de negentiende eeuw was de kermis voor een hoop mensen een mooie gelegenheid om de zorgen van het dagelijkse bestaan even te vergeten en met zijn allen een week lang feest te vieren. Veel Lissenaren keken dan ook uit naar dit jaarlijks terugkerende evenement. Er werd zelfs zoveel waarde aan gehecht, dat het niet doorgaan van de kermis tot sociale onrust kon leiden. Je moest als dorpsbestuur dan ook een heel goede reden hebben om de jaarlijkse kermis te verbieden. In 1833 dacht het gemeentebestuur van Lisse zo’n goede reden te hebben. In verband met de cholera besloot men dat jaar namelijk de kermis te verbieden. Het zal geen verbazing wekken dat dit besluit niet bij iedereen in goede aarde viel. In dit artikel zal ik als voorbeeld aandacht besteden aan de reactie van Wilhelmina Rademaker, echtgenote van herbergier Arie van Leeuwen.

Cholera-epidemie
In de jaren 1832 en 1833 werd Nederland getroffen door cholera-epidemieën. Deze besmettelijke ziekte maakte veel slachtoffers.
Op de Lissese gemeenteraadsvergadering van donderdag 5 september 1833 werd na een lange discussie dan ook unaniem besloten om de kermis wegens de “heerschende ziekte in deze anders zo welvarende gemeente” niet door te laten gaan. Temeer ook omdat inmiddels “één haarer verdienstelijkste ingezetenen” aan deze ziekte was overleden. [1] Het ging hierbij om Jurriaan Vreeburg.
Via een advertentie in de Haarlemmer Courant werden alle kramers op de hoogte gesteld van het feit dat de Lissese kermis dat jaar geen doorgang kon vinden. In Lisse werd dit besluit onder andere via her en der in het dorp opgehangen aanplakbiljetten aan de bevolking kenbaar gemaakt. Eén van die aanplakbiljetten werd bevestigd op een bord bij de herberg van Arie van Leeuwen. De naam van zijn herberg is (nog) niet bekend, maar mogelijk was het De Witte Zwaan in het Vierkant. Arie was getrouwd met Wilhelmina Rademaker. Zij kregen voor zover bekend één dochter: Maria van Leeuwen, geboren op 27 juni 1833.
Wilhelmina Rademaker was zeer verbolgen over het besluit om de kermis niet door te laten gaan. Zij liet dat ook in niet mis te verstane bewoordingen weten aan veldwachter Anthonie van Opzeeland, zoals blijkt uit het onderstaande proces-verbaal. Ik heb de oorspronkelijke – en toch wel zeer vermakelijke – tekst zoveel mogelijk gehandhaafd. Ter verduidelijking heb ik hier en daar tussen vierkante haken wat extra uitleg toegevoegd.
In het jaar achtienhonderd drie en dertig op maandag den sestiende der maand September, des voormiddags ten tien uren, compareerden voor ons, Ernst Joseph van den Bergh, burgemeester te Lisse, den persoon van Anthonie van Opzeeland, oud 42 jaar, veldwachter dezer gemeente en alhier wonende; dewelke zich aan mij heeft verklaard als volgd:

Herberg De Witte Zwaan in 1834, met geheel rechts aan de muur het bord waarop de aanplakbiljetten met besluiten van het gemeentebestuur werden gehangen.

“Eergisteren namiddag omstreeks vijf uren is mij het volgende aan het huis van den tapper en Herbergier Arie van Leeuwen ontmoet en wedervaren [overkomen]: binnengetreden zijnde om een zieke Militair in het voor hem bestemde rijtuig te helpen, Heeft, náá dit te hebben verrigt, de vrouw van gezegde Arie van Leeuwen, in zijne tegenwoordigheid, mij dus, op hooge toon, en met veel drift, aangesproken: Toon! Ik hoor dat het hier geen kermis wezen zal. Waarop ik antwoorden: Jaa vrouw van Leeuwen dat is zoo. Ik heb zelve de publicatie voor uw deur op het bord aangeplakt.
Waar op gezegde vrouw van Leeuwen, zich meerder en meerder in drift toegevende, mij toeriep: Dat donderd niet! Wij zullen toch kermis houden, dat komt van [door] die dondersche Brabander den Pastoor [Petrus van Halen, die overigens werd geboren in Weert] en van den Burgemeester. Waarop ik gezegde vrouw aangemaand heb bedaard te zijn en zich wegens het verbod op de kermis voorzichtig en stil te gedragen, want dat het niet houden der kermis in de Gemeenteraad besloten was.
Op welk waarschouwend gezegden gemelde vrouw met groote kwaadaardigheid uitriep: Dan mag ik lijden dat de Pastoor en de burgemeester en den geheelen raad donders worden en de cholera krijgen.
Ziende dat meergemelde vrouw, bijna in woede, voort wilden gaan haare gramschap in vloekende en scheldende uitdrukkingen tegens de Regering en de aangeplakte Notificatie (die aan haar huis op het bord met vuiligheid zich besmeerd bevind) teugel te vieren, hebbe ik haar huis verlaten. [2]
Of de Lissenaren in 1833 massaal het verbod op de kermis hebben ontdoken, heb ik niet kunnen achterhalen. Het bovenstaande laat echter duidelijk zien welke emoties een dergelijk verbod onder de bevolking los kon maken (zelfs wanneer er sprake was van een gevaarlijke situatie als gevolg van een besmettelijke ziekte). De woede van Wilhelmina Rademaker zal waarschijnlijk vooral zijn veroorzaakt door het feit dat zij en haar man Arie als uitbaters van een herberg nu extra inkomsten misliepen. De onvrede over het niet doorgaan van de kermis blijkt overigens niet alleen uit het vloeken en tieren van Wilhelmina, maar ook uit de opmerking van veldwachter Anthonie van Opzeeland dat het aanplakbiljet met daarop het besluit van de gemeenteraad met vuiligheid was besmeurd.

Vanwege de cholera mocht de kermis niet doorgaan

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, blad 71.
[2] Ibidem, inv. nr. 1115 (ongefolieerd). Veldwachter Anthonie van Opzeeland was overigens niet van onbesproken gedrag. Op dinsdag 23 oktober 1838 werd hij in aanwezigheid van zijn vrouw Cornelia Brama door de gemeenteraad van Lisse voor de tweede maal op de vingers getikt omdat hij zich te buiten was gegaan aan sterke drank. Anthonie werd daarvoor “door den voorzitter op de allerernstigste manier gecorrigeerd”; bron: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 512, fol. 9 (achterin het boek).

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 3

Besproken wordt hoe de preventie en de brandbestrijding georganiseerd was. Het brandgevaar door kaarsen en olielampen was groot. Lange tijd wed gebruik gemaakt van emmers, die werden doorgegeven. In 1743 had Lisse een slangbrandspuit met 4 spuitvoerders, 16 pompers, 12 waterdragers om water naar de pomp te brengen, 4 watergieters en 2 oppassers.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Dorpen hadden vanwege de meer verspreid staande bebouwing over het algemeen minder vaak last van grote branden dan steden, waar de huizen dicht op elkaar stonden. Toch konden branden bij tijd en wijle ook op het platteland veel schade aanrichten. Brandpreventie en brandbestrijding behoorden daarom tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. In dit derde en laatste deel van mijn artikelenserie wil ik bekijken hoe de brandbestrijding in Lisse was georganiseerd.

Brandbestrijding/Brandpreventie
Brandbestrijding begint natuurlijk met brandpreventie. Het bestuurders van Lisse drukten de dorpelingen dan ook regelmatig op het hart om voorzichtig te zijn met vuur. Zo kreeg de gerechtsbode van Lisse op 27 oktober 1767 de opdracht om “Dirk Heemel aan te zeggen dat hij zorg moet draagen om van nu voortaan voorzigtig met vuur en ligt te zijn, ende dat hij geen vulnis of waater op straat zal hebben te werpen”. [1]
Tijdens feestelijkheden was het gebruikelijk om de huizen met kaarsen en olielampen te verlichten. Op dat soort momenten was het brandgevaar natuurlijk groot. [2] Het dorpsbestuur probeerde de risico’s dan ook zoveel mogelijk te beperken. Tijdens de viering van het stadhouderschap van Prins Willem V van Oranje-Nassau op zaterdag 8 maart 1766 stonden de schout en burgemeesters van Lisse de inwoners toe om “hunne huyzen ten zelven daage te illumineeren [verlichten] en daar meede te beginnen des avonds 8 uuren, zullende daar meede moogen eyndigen des nagtsten twaalf uuren, in agt neemende alle moogelijke preecautien tot voorkooming van brand, verbiedende wel expresselijk aan alle en een iegelijk, geduurende de voorszeyde illuminatien eenige voetsoekers off diergelijke soort van brandende machines te werpen, off met snaphaanen, pistoolen off ander schietgeweer te schieten”. Overtreders kregen per overtreding een boete opgelegd van 42 stuivers. Het geld dat hiermee in de dorpskas vloeide, kwam ten goede aan de Heilige Geestarmen van Lisse.

Detail van een prent van de brand van het oude stadhuis te Amsterdam op 7 juli 1652. Mensen helpen met blussen en dragen water en ladders aan.

Slangbrandspuit
Lange tijd kon voor het blussen van branden alleen gebruik worden gemaakt van emmers. Pas in 1614 werd er door de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden voor het eerst een octrooi verleend voor een brandspuit. Deze brandspuit was niet erg praktisch in het gebruik. De bak met water moest bijvoorbeeld nog steeds met behulp van emmers worden gevuld en met de spuit kon men niet echt dicht bij de brand komen. Er volgden vele verbeteringen op dit eerste ontwerp, maar de echte doorbraak vond pas plaats toen de in Amsterdam woonachtige glazenier, spiegelfabrikant en kunstschilder Jan van der Heijden (1637-1712) in 1672 de slangbrandspuit ontwierp. Met dit handzame apparaat konden branden veel beter worden geblust. Voor de brandbestrijding was deze uitvinding dus een grote stap voorwaarts. Lisse had in de achttiende eeuw eveneens de beschikking over een slangbrandspuit.
Voor het bemannen van een slangbrandspuit waren gemiddeld 36 personen nodig, die elkaar om het kwartier aflosten bij het pompen. In Lisse waren in 1743 in totaal 38 personen betrokken bij het bedienen van de slangbrandspuit: vier “spuitvoerders”, zestien “pompers”, twaalf “waterdragers”, vier “wateringieters” en twee “oppassers”. [3] Jan van der Heijden ontwierp voor zijn slangbrandspuit ook een zogenoemde zuigbuis, waarmee water kon worden aangezogen. Op die manier had men geen emmers meer nodig om de slangbrandspuit van water te voorzien. De aanwezigheid van twaalf waterdragers en vier wateringieters laat zien dat de slangbrandspuit van Lisse in 1743 waarschijnlijk nog niet was uitgerust met een buis om water aan te zuigen.

Voorbeeld van een ouderwetse langbrandspuit.

In de achttiende eeuw was er in Lisse nog geen sprake van een vrijwillige brandweer. Brandbestrijding werd namelijk beschouwd als een burgerplicht. [4] Net als bij de stille nachtwacht stelden de schout en burgemeesters van Lisse ieder jaar lijsten samen met daarop de namen van de mannen die brandspuitdienst hadden. Iedereen was verplicht om tijdens zijn dienst in het dorp aanwezig te zijn (op straffe van een fikse boete).
Op 30 juni 1767 vonden de schout en burgemeesters van Lisse het nodig om een nieuwe slangbrandspuit aan te schaffen. Het brandspuithuisje diende eveneens vervangen te worden. De daartoe uitgevaardigde collecte onder de inwoners van Lisse bracht voldoende geld in het laatje: op 1 december 1767 werd de nieuwe slangbrandspuit geleverd, en na inspectie door de schout en burgemeesters in het brandspuithuisje geplaatst. De oude brandspuit was hierdoor overigens niet overbodig geworden. Hij werd namelijk ondergebracht in de schuur van Hendrik van Leeuwen, hospes in het rechthuis van Lisse (de Witte Zwaan in het Vierkant). Sindsdien beschikte Lisse dus over twee slangbrandspuiten.

Onderhoud en testen
De slangbrandspuiten moesten natuurlijk goed worden onderhouden. Ieder jaar werden ze daarom volledig uit elkaar gehaald en opnieuw in elkaar gezet om op die manier eventuele mankementen aan het licht te brengen. De noodzakelijke werkzaamheden en reparaties werden daarbij normaal gesproken door één van de plaatselijke ambachtslieden verricht. Zo kreeg de schoenmaker Johannes van der Jagt in 1771 een vergoeding van het dorpsbestuur van Lisse voor het “maaken van een leeren riem aan de brandspuyt”. [5] Soms was het echter noodzakelijk om specialisten naar de slangbrandspuit te laten kijken. In 1781 werd Govert van Parijs betaald “voor verdiend vragtloon van de oude spuyt heen en weder na en van Amsterdam”. Dankzij de brandspuitenfabriek van Jan van der Heijden was Amsterdam in deze tijd hét kenniscentrum voor wat betreft slangbrandspuiten. De reden voor de reis naar Amsterdam wordt niet vermeld, maar vermoedelijk waren er in 1781 problemen met de slangbrandspuit geconstateerd waar men in Lisse geen raad mee wist. Iets vergelijkbaars deed zich namelijk ook al in 1743 voor. Op 28 augustus van dat jaar was een groot deel van het aan de Grachtweg gelegen huis van Otto Jacobszn. Cranenburg, alsmede een grote hoeveelheid vlas, hooi en gekloofd hout in vlammen opgegaan. De slangbrandspuit werd tijdens het blussen van deze brand “seer gebrekkelijk” bevonden. Na het inwinnen van advies in Leiden en het bestuderen van de brandkeuren van Nieuwkoop en Amsterdam, besloten de schout en burgemeesters tijdens de vergadering van 1 september 1743 daarom burgemeester Bart Janszn. Klinkenberg naar Amsterdam te sturen om bij de “maker ende leveraar van de brandspeuten” een leren slang en een slang van zeildoek te bestellen. [6]
De Lissese slangbrandspuiten werden ook regelmatig getest. Volgens een verslag van de vergadering van de gemeenteraad uit 1817 gebeurde dat vanouds op de eerste dinsdag na Pinksteren vóór het rechthuis van Lisse. [7] Dat zal wel een vrolijke bedoening zijn geweest, want in 1771 kreeg Govert van Parijs tien gulden en negen stuivers betaald “over leverantie van twee vaaten bier op ’t probeeren van de twee brandspuyten”.

 

 

Zoals hierboven al even ter sprake kwam, werd de slangbrandspuit van Lisse in de achttiende eeuw opgeborgen in een zogenoemd brandspuithuisje (dat net als het wachthuis door middel van een slot kon worden afgesloten). De exacte locatie van dit huisje is niet bekend, maar mogelijk stond het in de achttiende eeuw min of meer op dezelfde plek als het nieuwe brandspuithuisje dat in 1822 aan de noordwestkant van de toren van de dorpskerk in het Vierkant werd gebouwd.

Brandgereedschap
Tot het brandgereedschap behoorden brandemmers, brandladders en brandhaken (lange stokken met een ijzeren haak, waarmee onder andere brandend riet van daken kon worden afgetrokken). Regelmatige inspectie door de schout en secretaris diende er voor te zorgen dat dit brandgereedschap steeds in goede staat verkeerde.
De brandemmers werden opgeslagen in het brandspuithuisje. Na een brand leverde echter lang niet iedereen zijn emmer weer keurig in. Het was de taak van de gerechtsbode van Lisse
Detail van een ansichtkaart, met direct achter de kinderen het puntdak van het brandspuithuisje.

om alle brandemmers op te zoeken “die tot uytblussinge van ontstane branden” waren gebruikt, en die vervolgens terug te brengen naar het brandspuithuisje.Voor het opbergen van de brandladders en brandhaken was het brandspuithuisje te klein. Deze zaken werden daarom opgeslagen in de kerktoren van de dorpskerk in het Vierkant: “betaald aan kerkmeesteren van Lisse een jaar recognitie van ’t plaatsen van des dorpsbrandladders en brandhaaken in den toorn”. [8]

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 208v.
[2] In 1747 brandde de buitenplaats Berkenrode bij Heemstede bijvoorbeeld volledig af na een ongeluk met vetpotjes en kaarsen, die door de eigenaar waren aangestoken om het stadhouderschap van Prins Willem IV van Oranje-Nassau te vieren: G. van Duinen, De geschiedenis van de heerlijkheid Berkenrode (Heemstede 1957) 35.
[3] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 257v.
[4] J.C.N. Raadschelders, Lokale bestuursgeschiedenis (Zutphen 1992) 16.
[5] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v.
[6] Ibidem, inv. nr. 3, fol. 266.
[7] Dat wordt onder andere bevestigd door een uit 1743 daterende passage in het resolutieboek van de schout en burgemeesters van Lisse: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 259.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v-14.

 

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 2

 

De klapwaker en de stille nachtwacht begonnen in de 18e eeuw hun rondes bij het wachthuis. Dit wachthuis stond net ten zuiden van het Vierkant. De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een bestaand huis aan het Vierkant. Er was toen één dorpslantaarn. Lisse kreeg het schavot van Noordwijkerhout. Bovenstaande wordt uitvoerig besproken.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

In het eerste deel van deze artikelenreeks werd aandacht besteed aan de klapwaker en de nachtwacht in Lisse. Nu wordt de draad weer opgepakt bij het wachthuis van waaruit de klapwaker en de stille nachtwacht hun dagelijkse rondes deden.

De grote kerk met achter de personen het wachthuisje van de brandweer

Wachthuis
De klapwaker en de stille nachtwacht deden hun rondes door het dorp vanuit het wachthuis. Volgens een kaart uit 1771 was dit wachthuis gelegen aan de Heereweg, even ten zuiden van het Vierkant (tegenover de woning van de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart). In het winterseizoen werd het wachthuis verwarmd door middel van een op turf gestookte kachel. Het was de taak van de schoolmeester om deze kachel brandend te houden. Daarnaast was diezelfde schoolmeester ook verantwoordelijk voor het schoonmaken van het wachthuis. Hij werd hiervoor betaald door het dorpsbestuur. [1]

Omdat er wapens in werden opgeslagen, moest het wachthuis door middel van een degelijk slot ook afgesloten kunnen worden. Af en toe diende dat slot gerepareerd of vernieuwd te worden: in 1727 werd Herman Schuurman bijvoorbeeld betaald voor het “vermaken van ’t slot aan ’t wagthuys”.

Detail van een kaart uit 1771 met het wachthuis aan de Heereweg

Dorpslantaarn(s)
In de eerste helft van de achttiende eeuw telde Lisse slechts één dorpslantaarn. Deze lantaarn brandde op olie en hing vermoedelijk aan het wachthuis. In 1771 blijken er drie dorpslantaarns aanwezig te zijn: één aan het wachthuis, één op de hoek van de beek en één bij de dorpswaag (aan de gracht in de buurt van de korenmolen). De olielantaarns werden in het winterseizoen aangestoken. De personen die daar verantwoordelijk voor waren, werden betaald uit de dorpskas.
Zoals gezegd brandden de lantaarns op olie. Ieder jaar zijn er in de dorpsrekeningen dan ook betalingen terug te vinden voor de levering van olie, katoen en “swafelstopsel”. Het onderhoud van de lantaarns kostte eveneens geld. In 1771 werd Cornelis Rouwens, schilder en glazenmaker, betaald voor “het verven van een lantaarn en het maaken van glasen daar in, alsmede over het stoppen van ruyten in de andere overige lantaarns”. Daarnaast ontving Albert Bots in datzelfde jaar een vergoeding voor het maken van een nieuwe dorpslantaarn bij het waaggebouw.

Staande man met piek en zwaard op een weg nabij Lisse, detail van een prent uit de 17e eeuw. In de 18e eeuw waren leden van de stille nachtwacht eveneens bewapend met een piek.

Gevangenis
In mijn artikel over de welgeboren familie Duycker gaf ik aan dat er onderscheid werd gemaakt tussen lage en hoge rechtspraak (Nieuwsblad jaargang 6 nummer 4, oktober 2007). De hoge rechtspraak was voorbehouden aan de baljuw en zijn welgeboren mannen. Zij mochten dus als enigen halsmisdrijven berechten en gevangenisstraffen opleggen. De ambachtsheerlijkheid Lisse bezat alleen de lage rechtspraak. [2] Toch kreeg het dorp in de achttiende eeuw een gevangenis. Dat hield verband met het feit dat Lisse samen met Noordwijkerhout, Hillegom en Voorhout één baljuwschap vormde. Aanvankelijk werden arrestanten en veroordeelden uit dit baljuwschap opgesloten op Teylingen. [3] Dit kasteel viel echter niet onder jurisdictie van het baljuwschap. Dat leidde nog wel eens tot problemen. Daarom hadden Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout zich sinds 1724 sterk gemaakt voor een eigen gevangenis. Lange tijd liep dat op niets uit, maar uiteindelijk stemden de Staten van Holland en West-Friesland in 1763 toch toe. Als locatie voor de nieuwe gevangenis werd gekozen voor het centraal gelegen Lisse. Voor de bouw reserveerde men een bedrag van 1000 gulden. De jaarlijkse onderhoudskosten van de gevangenis werden begroot op 21 gulden en voor het salaris van de cipier moest ieder jaar eveneens 21 gulden worden opgebracht. Al deze kosten werden in gelijke mate verdeeld over de vier betrokken dorpen. De baljuw diende er als inner van de bedragen op toe te zien dat alle dorpen hun betalingsverplichtingen nakwamen. [4]
De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een reeds bestaand huis in het Vierkant, dat op 13 mei 1765 onderhands was gekocht door de baljuw Elbert Testart. Dit pand behoorde destijds toe aan de erfgenamen van de Lissese timmerman Cornelis Adriaanszn. van der Zaal, die het op zijn beurt in 1717 had verkregen uit de boedel van Maarten Dirkszn. van ’t Hoog. [5] Een half jaar later was de gevangenis klaar voor gebruik. Tijdens de vergaderingen van de schout en burgemeesters van Lisse werden ieder jaar ook lijsten opgesteld van alle afgebroken, verbeterde en nieuw gebouwde huizen. Het bovengenoemde pand in het Vierkant werd op 29 maart 1766 als volgt omschreven: “Een huys staande in het quohier der verpondinge ten naame van de erfgenaamen van Maarten Dirkse van ’t Hoog ende Dirkje Jacobs van der Mark…welk perceel wel is verbeeterd, dog geapproprieert [=ingericht] tot een gevangenhuys”. [6] Volgens A.M. Hulkenberg stond deze gevangenis op de plek waar in later tijd de Algemene Bank Nederland was gevestigd, oftewel op de plek waar straks het appartementencomplex ‘Oud Raadwijk’ zal verrijzen. [7]

De jaarlijkse betalingen van Lisse voor het onderhoud van de gevangenis zijn terug te vinden in de rekeningen van de omslag van de bede, bijvoorbeeld die uit 1771: “Betaald aan den heer bailliuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout voor een jaar onderhout van het gevangenhuys, voor de portie van die van Lisse, volgens quitantie 5:5:0 [=vijf gulden, vijf stuivers en 0 penningen]”. Hierna volgt ook de betaling voor de cipier: “Aan den cipier van het gemelden bailliuwschap, Sijbrand Schaap, voor een jaar tractement [=salaris] voor de portie van denselven dorpe 5:5:0”.
De hierboven genoemde Sijbrand Schaap werd op 31 oktober 1765 beëdigd tot cipier. Mogelijk vervulde hij deze functie als een soort bijbaantje, want hij was eigenlijk meester-metselaar van beroep. Sijbrand woonde oorspronkelijk in Purmerend, maar verhuisde naar Lisse toen zijn vrouw Alida van Une daar op 14 augustus 1764 werd aangesteld als dorpsvroedvrouw. [8] Als cipier was hij verplicht om in de gevangenis te wonen. Tot zijn taken behoorde onder andere het schoonmaken van de gevangenis. Over het schoonhouden van de straat vóór de gevangenis werd niet gesproken. Dat had men beter wel kunnen doen, want in 1768 werd Sijbrand Schaap door de schout en burgemeesters van Lisse op de vingers getikt over het storten van as en vuilnis “op des dorpsgrond en houttuyn voor de huyzen bij hem bewoond [=de gevangenis in het Vierkant]”. Een eerdere mondelinge vermaning van de Lissese gerechtsbode had niet het gewenste effect. Daarom verklaarden de schout en burgemeesters op 11 februari 1768 dat Sijbrand zijn troep binnen 24 uur moest opruimen. Deed hij dat niet, dan diende de gerechtsbode samen met twee of drie andere mannen de as en het vuilnis naar een geschikte plaats aan de gracht te transporteren. De daarmee gemoeide kosten zouden vervolgens worden ingehouden op het salaris dat de vrouw van Sijbrand Schaap als vroedvrouw van het dorpsbestuur van Lisse ontving. Verdere aantekeningen over deze zaak ontbreken. Blijkbaar heeft Sijbrand Schaap uiteindelijk eieren voor zijn geld gekozen en zelf de as en het vuilnis weggehaald.

Schavot
Zoals gezegd kreeg het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout in 1763 toestemming om een nieuwe gevangenis te bouwen. Er werd toen tevens bepaald dat alle terechtstellingen voortaan in Lisse plaats moesten vinden (voorheen gebeurde dat in Noordwijkerhout). Daartoe was een schavot nodig, dat door Lisse bewaard en onderhouden diende te worden. Het dorpsbestuur weigerde daar echter aan mee te werken. Zo kon het gebeuren dat er geen schavot aanwezig was, toen Jan den Otter na zijn arrestatie op 30 oktober 1765 wegens stroperij werd veroordeeld tot geseling en brandmerken. De zaak werd voorgelegd aan de Staten van Holland en West-Friesland, maar die stelden Lisse in het gelijk. Uiteindelijk kwam men tot een compromis: net als bij de gevangenis en de cipier werden de kosten voor het schavot in het vervolg door alle vier de dorpen van het baljuwschap gezamenlijk opgebracht.

Het Kuijkehuis en de ABN-bank in het Vierkant. Op de plek van het bankgebouw stond vroeger de gevangenis van het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout.

Op donderdag 12 december 1765 kwamen vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van Noordwijkerhout, Hillegom en Lisse in het rechthuis van Lisse (herberg De Witte Zwaan) bijeen om verder te praten over het schavot. Lisse was niet van plan om het oude schavot zomaar over te nemen. Het dorp wilde eerst de burgemeesters Reinier van Leeuwen en Maarten van der Jagt naar Noordwijkerhout sturen om het schavot aldaar te inspecteren. Pas nadat het door beide heren in orde was bevonden, zou het naar Lisse mogen worden overgebracht. De afgevaardigden van Noordwijkerhout en Hillegom gingen daarmee akkoord. Het dorpsbestuur van Voorhout was niet aanwezig bij deze vergadering, maar zou (op nadrukkelijk verzoek van de secretaris van Voorhout) door de schout van Lisse op de hoogte worden gesteld van de gemaakte afspraken.
Precies een week later (op donderdag 19 december 1765) werd er in Lisse alweer een vonnis van de baljuw ten uitvoer gebracht. Op last van de plaatsvervanger van de baljuw had Jacob van der Jagt, schoolmeester en koster te Lisse, toen de klok van de dorpskerk in het Vierkant geluid. Hij werd hierover op 30 december 1765 door het dorpsbestuur op de vingers getikt. Er werd toen namelijk verklaard dat alleen de schout en burgemeesters van Lisse opdracht mochten geven om de kerkklok op buitengewone tijden te luiden. De baljuw had daarover helemaal geen zeggenschap. In het vervolg diende Jacob van der Jagt voor het luiden van de dorpsklok dus toestemming te vragen aan het dorpsbestuur van Lisse, “uytgezondert het luyden op gewoone kerktijden, cathegisatien, bij het sterven en begraven der dooden”.
Het schavot stond overigens niet continu in het Vierkant. Het werd daar alleen neergezet als er executies uitgevoerd moesten worden. Daarna werd het schavot weer uit elkaar gehaald en opgeborgen in de toren van de dorpskerk aan het Vierkant. In 1781 werden de kerkmeesters van Lisse namelijk door het dorpsbestuur betaald “voor ’t plaatsen van ’t schavot inden toorn”. [9]

wordt vervolgd

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening uit 1771, fol. 11v en fol. 12.
[2] Lisse had als ambachtsheerlijkheid wel een schandpaal, zie artikel van dr. A.J. Kölker in het Nieuwsblad van de Ver.Oud Lisse, jaargang 2, nr 4 (oktober 2003).
[3] Theo van der Poel, “Uyt den Vierschaer geknipt. Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, in: Hangkouserieën Jaargang 16 (februari 2008) 40-43, aldaar 40.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 148v.
[5] Van der Poel, “Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, 40-43, aldaar 40.
[6] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 189v.
[7] A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (2e druk Lisse 1998) 44.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 156v en fol. 212v.
[9] Ibidem, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1781, fol. 14v.