Berichten

 Het vergiftigingsdrama in 1920 te Lisse

Op 12 december 1920 vermoorde mevrouw van den B. samen met haar commensaal C. van der L. haar man J. van den B. door vergiftiging met arsenicum. Zij stonden terecht voor de Haarlemse Gerecht. De beschuldiging, de veroordeling e.d. worden weergegeven.

door Arie de Koning

2020

Weer stroomde de publieke tribune van de Haarlemse Rechtbank vol. Dicht aaneen geschaard stonden de luisteraars. Alle nieuwsgierigen konden niet naar binnen, toen de tribune gevuld was, stonden nog honderden voor het Paleis van Justitie in de Haarlemse Jansstraat te wachten. Uren stonden zij daar geduldig te wachten, maar kans om binnengelaten te worden was er niet.

Vele belangstellenden waren uit Lisse gekomen en ook de gereserveerde tribune was geheel bezet.

Als beklaagden kwamen in dit drama, Gerarda Hendrica van der M., weduwe J.L. van den B. en haar vroegere commensaal Casparus van der L. Aan de vrouw was ten laste gelegd dat zij op

Op 12 september 1920 te Lisse, tezamen met van der L., nadat zij na rijp beraad en in kalm overleg besloten hadden, haar echtgenoot J.L. van den B. van het leven te beroven, haar man een kop chocolade heeft gegeven, terwijl zij wist, dat in die chocolade door van der L. een dodelijke dosis arsenicum was gedaan, aan welke gevolgen van den B. is overleden.

Aan van der L. was medeplichtigheid ten laste gelegd.

De vrouw is een eenvoudig dorpsvrouwtje, geheel in het zwart gekleed. Haar uiterlijk heeft iets doms en onbetekenends. Zij is pas 34 jaar, maar ziet er uit als een vrouw van ruim veertig. Haar medeplichtige is een 45-jarige landarbeider uit Lisse, iemand met een donker uiterlijk.

Eerst werden, nadat de dagvaarding was voorgelezen, de rapporten van de deskundigen, die het lijk van de vergiftigde onderzocht hebben, voorgelezen. Hiermede was een half uur gemoeid. De beklaagden zaten dit stil aan te horen, ze begrepen natuurlijk niets van de aaneenrijging van medische termen die de deskundigen op schrift gesteld hadden om tot de conclusie te komen, dat van den B. ten gevolge van arsenicumvergiftiging was overleden.

Door het Openbaar Ministerie was een twintigtal getuigen gedagvaard.

Als verdedigers traden op voor van der L. Mr. Pliester en voor vrouw van den B. Mr. C. van Sprang.

Eerst was de bedoeling geweest om de zaken gescheiden te behandelen, om van der L. als getuige te kunnen horen in de zaak van vrouw van den B. en deze weer in de zaak tegen van der L. Op het laatst is evenwel van dit voornemen afgezien en besloten de zaken gelijktijdig te behandelen. Hierop had het verhoor van de beschuldigden plaats.

De vrouw vertelde dat van der L. reeds anderhalf jaar bij haar woonde als commensaal. Er was tussen hen een zeer vertrouwelijke omgang gekomen, zodat zij meenden dat van den B. teveel in het gezin was. Met van der L. had zij er meermalen over gesproken dat van den B. in huis Jan genoemd, maar ‘opgeruimd’ moest worden.

In april of mei had van der L. arsenicum in huis gebracht. Later had hij gezegd ‘dat is om je man op te ruimen’. Op 10 September zou van den B. thuis komen van zijn werk als stoker op de Gasfabriek te Lisse. – Ik had toen, – zo vertelde de vrouw, in een pannetje chocolade voor mijn man klaargemaakt. Ik had van der L. met een kopje arsenicum zien lopen. Later heb ik dat kopje uitgespoeld omdat ik het nog niet doen wou. – Daarop heeft van der L. weer poeder in dat kopje gedaan en zelf het poeder in de chocolade gedaan.- Toen heb ik, toen mijn man thuis kwam, hem de chocolade gegeven.

President: Terwijl u wist dat van der L. er arsenicum in had gedaan?…….

Beklaagde: Ja !……

President: Het was de bedoeling uw man te doden. Wou u dan later met van der L. trouwen?

Beklaagde: Dat niet, ik wist dat van der L. getrouwd was….

 

President: maar hij kon scheiden, hij leefde als geheel gescheiden van zijn vrouw.

Verder vroeg de president waarom beklaagde haar man vergiftigd had.

Beklaagde: Ik had geen leven met mijn man……..

Van der L. daarop gehoord, verklaarde dat hij het arsenicum in de chocolade had gedaan.

Eerst wilde hij beweren dat hij zich ’t niet herinnerde, maar toen de president zijn verklaring voor de rechter-commissaris, gaf hij toe dat hij het gedaan had. Bovendien zei hij dat hij vroeger al eens arsenicum in de koffie van den B. had gedaan. Daarvan was hij wel ziek geweest maar niet gestorven. Van der L. vervolgde: ik heb op die Zondag 12 September niet zoveel in de chocolade gedaan. Ik vermoed dat de vrouw nu die Zondag enige keren vergift aan haar man gegeven heeft. Zij heeft ook gezegd ‘ ik ben er nu maar mee opgehouden omdat hij alles er uitbraakt’.

Vrouw van den B. ontkende dit. Van der L. hield vol geen dodelijke dosis gegeven te hebben.

Eén der rechters: U hebt verklaard voor de rechter-commissaris, dat het een theelepeltje was.

Beklaagde: Het was niet zoveel, anders was van den B. dezelfde dag al gestorven.

Nadat nog eens de verklaring van vroeger voorgelezen was, erkende de beklaagde, het was iets minder dan een theelepeltje.

President: Niet veel minder?

Beklaagde: Ja, nogal wat minder zou ik zo zeggen.

De vrouw vertelde nog, nadat haar man enige dagen ziek thuis was geweest, de dokter het nodig oordeelde, dat de patiënt naar het zieken huis te Leiden werd overgebracht. Toen haar man daar was heeft ze hem een keer opgezocht, maar ze kwam te laat, van den B. was toen al overleden.

Hierop begon het getuigenverhoor.

De eerste getuige J.P. Berbee, had aan van der L. een zakje arsenicum gegeven. Hij vertelde dat het nodig was om ratten te doden.

De drogist Schouten, daarna gehoord, verklaarde, dat hij arsenicum aan Berbee verkocht had.

De directeur der Lissesche Gasfabriek, de heer H.S.A van Beek, vertelde dat van den B. op die bewuste Zondag gezond naar zijn huis ging. Maandag en Dinsdag was hij ziek geweest. Op Woensdag was hij weer gekomen, maar nog ziek. Toen hij weer naar huis ging, met de mededeling dat hij nog braakte, gaf getuige in overweging om een dokter te laten komen. Getuige kon van den B. al vele jaren, het was een oppassend man, die voor het welzijn van zijn gezin ijverde.

Dokter F.G.M. Haase, de huisarts te Lisse, heeft van den B. op Woensdag behandeld. Ik dacht aan vergiftiging, bijvoorbeeld door gas of vlees. Aan de patiënt heeft getuige nog gevraagd: “heb je niets gegeten dat niet in orde was”? De patiënt zei toen nee, en half glimlachend voegde hij er aan toe,”of mijn vrouw moet me wat ingegeven hebben”.

Op een vraag van de verdediger verklaarde dokter Haase, dat de vrouw van den B. eens tegen hem geklaagd had over het gedrag van haar man, die teveel naar andere vrouwen keek.

Verdediger Mr. Pliester: Is er u iets van bekend dat te Lisse het gerucht gaat, dat in het gezin van den B. kinderen gestorven zijn aan vergiftiging?

Dokter Haase: Ik herinner mij alleen dat er zes jaar geleden een jong kindje plotseling gestorven is: de verschijnselen kan ik mij niet meer goed voorstellen.

Van Mechelen, stoker op de Gasfabriek, heeft met van den B. gewerkt. “Hij klaagde de laatste tijd over zijn gezondheidstoestand, dikke benen, braken enz. Vroeger was van den B. een opgewekte vrolijke kerel, die wel eens dolde, maar nooit onfatsoenlijk was. Hij was een goede man, een goed vader. Alleen de laatste tijd was hij mismoedig.

Het Openbaar Ministerie: Maar toen was hem ook gebleken dat zijn vrouw het eens was met een ander. Een buurvrouw, juffrouw van den Berg had wel eens gezien dat vrouw van den B. op goede voet stond met van der L. Op een zekere dag was van den B. ziek. Vrouw van der B. zei toen: als hij maar gauw beter wordt of anders maar doodgaat. Er is nog een man.

Verder verklaarde deze getuige dat van den B. wel eens een grapje maakte maar steeds binnen de grenzen bleef. Getuige heeft van der L. na 12 September eens horen zeggen: “mijn misdaad is zo zwaar, dat er voor mij geen vergiffenis meer is”. Ook zei deze buurvrouw dat van der L., nadat er twist was geweest in het huis van den B. bij haar commensaal was geweest. Hij ging toen evenwel geregeld naar vrouw van den B. toe. Vooral was het haar opgevallen, dat van der L. meestal even overwipte voor van den B. kwam eten. Zij zag hem dan wel eens naar boven lopen waar zijn kist stond, waarin zoals later gebleken is, de arsenicum verstopt was. Een veldwachter te Lisse deelde mede dat hem bij onderzoek gebleken was dat van der L. op zedelijk gebied laag stond. O.a. moet hij zich misdragen hebben tegenover het 12-jarige dochtertje van v.d. B. hetgeen aan de moeder bekent was. De veldwachter had toezicht gehouden bij het leeghalen van de beerput bij de woning van v.d. B. Er was een blikken busje gevonden waarin nog een wit vocht zat, blijkbaar arsenicum.

Mr. Pliester vroeg aan getuige J.P.L. Hulst, arts te Leiden, of hij kan mededelen hoeveel minimum tijd de dood na het innemen van een dosis arsenicum kan volgen en hoe groot de maximum tijd kan zijn

Getuige Hulst: Bij een acute vergiftiging door arsenicum gebeurt dit in een minimum tijd van enige uren en bij een maximum tijd 8 tot 10 dagen, dit kan echter ook wel twaalf dagen zijn. Dit hangt ook wel af van de hoeveelheid arsenicum die ingenomen is. Iemand die vaak onder arsenicuminvloed verkeert, zal niet zo spoedig hinder er van hebben als iemand die slechts in een enkel geval arseni-cum inneemt. De Officier van Justitie nam nota van deze verklaring. Daarna werden enkele artsen als getuige gehoord, zo ook Professor van Itallie, hoogleraar te Leiden, welke verklaarde dat het vergift wat in de uitwerpselen van het slachtoffer gevonden is, arsenicum was. Op een desbetreffende vraag antwoordde de deskundige dat hij in deze zaak aan een sub – acuut vergiftigingsgeval moet denken.

Na het horen van nog enkele getuigen wordt de zitting geschorst.

Uitspraak op 28 februari 1921.

Het Openbaar Ministerie had gezegd in zijn requisitoir: “het heeft geen nut meer deze mensen, die zich aan zo een ernstig misdrijf hebben schuldig gemaakt, nog eens in de maatschappij te laten terugkeren”. “Daarom stel ik de rechters voor hen te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf”. Toen de beklaagden deze eis hoorden waren zij gebroken. De verdedigers putten zich uit te betogen dat al hebben de mensen zwaar misdreven, hen nog in elk geval een kans moet gegeven worden om nog eens in de maatschappij terug te keren.

Heden zou de rechtbank vonnis geven.

De publieke belangstelling was ook deze keer heel groot. Honderden luisteraars – waar onder vooral veel jonge vrouwen en meisjes – stonden voor de benedendeuren van het Paleis van Justitie. Allen stonden in rijen geschaard . Enige rijksveldwachters en politieagenten zorgden vor de orde.

Even voor tienen werden de deuren geopend en de eerste bezoekers stormden naar boven.

Een zeer luidruchtig volkje die Lissers, het was of het een schouwburgvoorstelling was en de mensen blij waren een goede plaats te hebben veroverd. Meisjes en vrouwen hadden een “snoepje” mee genomen……. Die publieke belangstelling, zich op deze wijze uitend, maakte een stotende indruk. Hier zou tenslotte worden beslist of twee mensen voor ’t gehele verdere leven naar de gevangenis verwezen zouden worden. De veldwachters geboden stilte waarna de beklaagden binnen werden geleidt, elk bewaakt door een veldwachter. Ze namen plaats in het bankje, even elkaar schuw aankijkend. De rechters kwamen uit de raadkamer en namen plaats. Nu zou men het horen…….

15 jaar cel

De president deelde dadelijk mede: – de rechtbank heeft beide beklaagden, de 45-jarige weduwe van den B. en haar 35-jarige gewezen commensaal van der L. – veroordeeld tot 15-jaar gevangenisstraf. De vrouw barstte na het horen van het vonnis in snikken uit. Gedurende ’t voorlezen van ’t vonnis, dat ongeveer een half uur duurde, bleef ze zenuwachtig huilen. Vooral bij de passages in het vonnis waarin werd geconstateerd dat zij met haar commensaal afgesproken had om met arsenicum haar man´ op te ruimen´. Ook bij de passages over het lijden van haar man, thuis en in ´t ziekenhuis.

Van der L. zat star voor zich uit te staren, ook onder de indruk van het vonnis. 15 jaren, de vrouw zal 60 jaar zijn als zij vrijkomt, de man 50 jaar. En jaren in de gevangenis tellen dubbel……..

Toen de president het vonnis mede deelde, klonk van de tribune een kreet van ontzetting.

Na het voorlezen van het vonnis werden de veroordeelden weggeleid.

Een verwoest gezin….

Vader vergiftigd, gestorven en begraven, moeder in de gevangenis.

De kinderen verstrooid en overgelaten aan de goedheid van andere mensen. Ook het kindje dat voor enkele maanden in de gevangenis het levenslicht heeft aanschouwd……..

Resumé:

Het aandeel van vrouwen onder de zware criminelen was in de negentiende en vroeg twintigste eeuw opvallend groot en niet gebonden aan enige regio. Wel waren in de havensteden deze aantallen wat hoger door de prostitutie en gauwdieverij onder vrouwen.

Ook in Lisse en omgeving zijn er gevallen waarbij de vrouw zich van haar man ontdeed bekent. Fysiek zwakker, bedienden zij zich meestal van enigerlei vergift, meestal in de vorm van arsenicum, welke in die dagen vrijelijk bij de Apotheek verkrijgbaar was ter bestrijding van ratten.

Zo ook bovenbeschreven Gerarda Hendrica (Ger) van der M.  Blijkens de verhoren komt naar voren dat haar huwelijk met Jan L. van den B. behoorlijk ontwricht was en Jan zich ontpopte als huistiran. Zij kreeg in totaal tien kinderen van hem waarvan de laatste, Hendrikus op 17 januari 1921 in de Haarlemse Koepelgevangenis werd geboren, waar Ger, hangende het moordonderzoek in voorarrest zat. Slechts drie kinderen zijn volwassen geworden…….

Gerarda Hendrica van der M. was geboren op 21 mei 1886 in Rijnsaterwoude als dochter van Pieter van der M., arbeider, en Cornelia van K. Zij trouwde op 12 september 1906 met Jan L. van den B. een 28-jarige arbeider bij de Gasfabriek in Lisse. Hij was geboren in Groningen op 3 april 1878 als natuurlijke zoon van Antje van den B. Hij is overleden in het ziekenhuis te Leiden op 24 september 1920.

Niet bekend is waar Gerarda Hendrica v.d. M. haar straf heeft uitgezeten, maar zij is teruggekeerd naar Lisse en aldaar op 3 maart 1957 overleden op 70-jarige leeftijd.

Casparus van der L. is niet gevonden in de archieven.

Bronnen:

Strafvonnissen Arr. Rechtbank Haarlem

Haarlems Dagblad 21-02-1921 blz.2/3

Haarlems Dagblad 28-02-1921 Blz. 1

Persoonsarchief Vereniging Oud Lisse

Crime and gender 1600-1900 Universiteit van Leiden

 

VUURWERK geeft altijd gedonder: een verordening voor Oud en Nieuw 1773/1774

Er staat een collage van foto’s en verhalen uit het verleden in het Nieuwsblad.

 door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Schout en Burgemeesteren van Lisse. Vernieuwende de voorgaande verbooden, interdeceeren ende verbieden, alsnog het schieten op heeden zijnde oude jaarsavond, ofte morgen zijnde nieuwe jaarsavond ofte nagt, nog met roerspistoolen, oft ander schietgeweer, onder aller misbruijk van Buskruijt hoe ook genaamt insonderheijd ook aan de bruggen omtrent den huijse van Meerenburg, op een boete van twee en veertig stuijvers, ten behoeve van den schout van Lisse, daarvan den aanbrenger zal genieten een derde part, onvermindert het regt van den Hoog Ed.Heer Houtvester van Holland ende van den Heere Bailluw zullende de ouders voor haare kinderen, ende de voogden voor haare weesen moeten instaan ende betaalen. Aldus gedaan ende gearresteert int regthuijs van Lisse, bij de Heeren Willem Jacobus Sennepart schout, IJsbrand van Wateringen, Maarten van der Jagt ende Goverd van Parijs burgemeesteren van Lisse, den 31e december 1773. Inv.nr 5 gemeentearchief. (stick 25 foto 183)

De man met een vuurpijl, met toeschouwers,
1695, Jacob Gole

Oud Nieuws: Een gokje wagen met Spaanse matten

Bij een weddenschap in 1616 was de inzet 3 Spaanse matten. Een Spaanse mat was een gangbaar zilverstuk van 8 realen. Het proces voor de Vierschaar, die 3 jaar duurde, wordt beschreven.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Ook in Lisse is gokken al een oud begrip, zo blijkt uit “Oud Rechtelijke Archieven”, ORA.

Zilvere en Spaanse matten, voor en achterkant.

Reeds lang voordat de Witte Zwaan in beeld kwam als rechthuis was de herberg aan het kerkhof de zetel van het gerecht, later genoemd “Het wapen van Lisse”. In 1616 had de Witte Zwaan die taak reeds overgenomen. Men kwam echter nog graag samen bij de oude herbergierster Maertge Engelsdr., de weduwe van Jacob Florisz. van Heemskerck. Zelfs boven in de huiskamer, daar kwamen de gezworenen ende geburen bij elkaar om een pintje te drinken of eentje meer, en waar onder andere zekere woorden vielen over een zeker proces dat daar gaande was voor de hove van Holland tussen de gezworens van Lisse en die gemeene buijren, alwaar deze seide, dat de gebuijren ‘t proces winnen zouden. Waartegen Cornelis Sijmonsz. wonende tot Noordwijkerhout seijde, ick zoude wel daarom wedden dat de gezworens winnen zouden, waarop Harmen de Vries mede namens hem seijde, geef mij daarop een Spaanse mat, op drije wederom, dat op die conditie, soo het die buijren ‘t proces winnen zouden die Spaanse mat voor niet hebben, en winnen de gezworens zo moesten zij drie Spaanse matten daarvoor geven. Waar het proces over ging werd niet uit de doeken gedaan, het ging tenslotte over de weddenschap en de gevolgen daarvan. Een Spaanse mat was een gangbaar zilverstuk van 8 realen. Het komt voor de vierschaar van Lisse in 1616. Harmen de Vries als gemachtigde van Cornelis Sijmonsz. van Noordwijkerhout, als eiser, contra Claes Jacobsz. van Oosten geb. Lisse 1550. Gedaagde, Harmen de Vries heeft nu lang genoeg gewacht, er zijn drie jaar overheen gegaan en nog steeds hebben ze geen geld gezien van hun weddenschap. Eiser vraagt de drie zilveren Spaanse matten voor de vierschaar die hij heeft gewonnen. Tot heden zijn de gebuijren in gebreke gebleven om te betalen. Hij zegt: het is nu geleden omtrent drie jaren, dat hij gezeten heeft bij de herberg in gezelschap ten huizen van Maertgen Engelsdr. Weduwe bij haar leven aan ’t kerkhof, om met malcanderen een pintje of meer te drinken. Harmen de Vries is ook niet de eerste de beste, hij was geboren in 1545 in Joure, was waard in “het rode hart” aan het Vierkant en was schout in Voorhout. De herberg was omgedoopt in “De drie Woudfriesen”, naar hem en zijn twee broers vernoemd. De schepenen vonnissen gedaagde om de drie Spaanse realen plus de kosten te betalen. Bij het lezen van deze akte moest ik gelijk denken aan een vaderlands lied wat we vroeger op school zongen over Piet Hein. Wie kent het nog?

Het portret van Piet Pietersz. Heyn (Piet Hein) is een kopie uit 1629 naar een verloren gegaan origineel uit 1625 van Jan Daemen Cool. Piet Hein was een Nederlands luitenant-admiraal en West-Indische Compagnie-commandant. Vooral bekend door de verovering van de Spaanse zilvervloot in 1628, maar vond zelf dat hij voor zijn eerdere wapenfeiten te weinig erkenning kreeg.

Heb je van de zilveren vloot wel gehoord,
De zilveren vloot uit Spanje,
Die had er veel Spaanse matten aan boord,
En appeltjes van Oranje, (dan volgde het refrein)
Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein…..

Zouden het soms de Spaanse matten zijn van de veroverde Spaanse Vloot? Die waren echter al langer in omloop en klopt dus niet. Piet Hein veroverde de zilvervloot jaren later in 1628. Hij veroverde 20 schepen met goud en zilver op de Spanjaarden aan de stranden van Cuba en kwam met miljoenen terug in Holland. Pieter Pietersz. Hein is als Luitenant-admiraal van Holland begraven 1629 in een praalgraf in de oude of Hypolituskerk van Delft. ■

Bron: ORA invnr. 45

TURBULENTE JAARWISSELINGEN IN LISSE

Burgemeester de Graaf wilde het vuurwerk  in de nacht van oud op nieuw verbieden. Ludieke acties volgden. Meer info wordt gevraagd en gegeven.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

Burgemeester de Graaf had naar het schijnt een bepaling ingevoerd of wilde die invoeren om het gebruikelijke vuurwerk met oudjaarsnacht te verbieden. Naar verluidt pikte de opgeschoten jeugd van Lisse dat niet en men besloot in grote getale naar de burgemeesterswoning te trekken om daar flink te gaan keten met vuurwerk. Waarop de Lissese gendarmerie uit moest rukken met wapenstok en zwieplat om de Von Bönninghausenlaan en de Veldhorststraat schoon te vegen. Nadien is de jaarwisseling jarenlang het strijdtoneel gebleven tussen de Lissese jeugd en de hermandad, het was altijd spannend! Wie weet over deze tijd nog precies wanneer dit speelde? Ook deze gebeurtenissen horen bij de geschiedenis van Lisse! Hierover willen we in het herfstnummer een artikel aan wijden, dus kom met zoveel mogelijk informatie. Ook vuurwerk van een wat zwaardere klasse is toegestaan, wij willen alles weten, ook de minder fijne dingen.

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 Zomer 2017

Reactie op “turbulente jaarwisseling”, een korte weergave van de brief. Van A. Marseille kregen we een zeer gedetailleerde beschrijving over het begin van het middennachtelijk vuurwerk rond de jaarwisselingen. Volgens de schrijver begon de familie Scheepmaker schuin tegenover de incassobank met de vuurwerktraditie. Dat trok veel bekijks en jaarlijks steeds meer vuurwerkexperts. Je was pas een Lisser als je dat had meegemaakt! Het was daar een drukte van belang. Met veel bravoure werd er van alles afgestoken en aangestoken. Kerstbomen en autobanden kwamen uit alle hoeken en huizen vandaan. Wat konden die branden en vooral heel erg roken. De politie had daar al op gerekend en stond al ergens klaar om in te grijpen. Wat ze dan ook niet zachtzinnig deden, er werd zelfs iemand meegenomen naar het politiebureau. Daardoor escaleerde de boel en trok de meute opgeschoten jeugd op naar het politiebureau………………Tot zover deze korte weergave. De hele brief zullen we in de herfsteditie plaatsen. Roept dit bij u herinneringen op, deel ze met ons. Doe het zelfde als de schrijver van dit verhaal. Laat van je horen!

Fotobewerking: Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Oproep bij “Wie Weet Raad?” in de lente editie

Dhr. A. Marseille schreef ons naar aanleiding van de oproep om iets te melden over de turbulente jaarwisseling van 1954/55. Ook Arie in ‘t Veld beschrijft in zijn boek Kleine kroniek van Lisse ,1950 tot en met 1959, op pag. 56 en 58 deze gebeurtenissen. Beide verhalen vullen elkaar goed aan. Arie belicht daar ook het relaas van burgemeester De Graaf, zijn uiting van ongenoegen in “Ons Weekblad” van 7 januari 1955 aangaande voorvallen tijdens de jaarwisseling. Ook waarschuwde De Graaf de jeugd en de ouderlijke macht dat bij herhaling het komend jaar hard zal worden opgetreden. Vanaf die tijd gingen de jaarwisselingen in Lisse niet zonder slag of stoot voorbij, dat hele heftige ging er eind zestiger jaren pas weer vanaf.

De brief van A. Marseille

Begin jaren vijftig van de vorige eeuw begon men in mijn beleving pas met het opsteken van vuurwerk. De eerste die er mee begon was de familie Scheepmaker aan de Heereweg tegenover de Veldhorststraat het gedeelte dat nu Westerdreef heet. Dit werd al snel bekend en ieder jaar werd het daar steeds drukker, want daar
gebeurde het. Daar moest je bij zijn! Het werkte letterlijk en figuurlijk aanstekelijk, zodat ook andere Lissers met vuurwerk kwamen aanslepen. Ik weet niet precies in welk jaar het was, maar het zal zich voor of na het verbod van burgemeester De Graaf afspelen.
Het liep ook deze jaarwisseling behoorlijk uit de hand, zodat de politie ten slotte moest optreden. Een grote menigte had zich weer op het bekende punt verzameld. Allerlei soorten vuurwerk vlogen in het rond, maar daar bleef het niet bij. Sommige pers0nen hadden autobanden van het terrein van het Lisser Automobiel Bedrijf weten te bemachtigen die in de brand werden gestoken. Ook oude kerstbomen werden op het vuur gegooid. De politie had zich goed voorbereid, want opeens verscheen daar adjudant Hendriks met motor en zijspan op het toneel, bijgestaan door meerdere agenten. De zoon van één van de gebroeders Mijnders van de kruidenierszaak aan de Grachtweg werd met een tas vol vuurwerk uit de menigte geplukt, in de zijspan gezet en afgevoerd naar het politiebureau. Onmiddellijk besloot een grote groep jeugdigen op te rukken naar het bureau van politie. Daar aangekomen werd er in koor geschreeuwd: “WIJ WILLEN MIJNDERS TERUG-WIJ WILLEN MIJNDERS TERUG”. Dat geschreeuw werd wel toegelaten maar toen men met stenen begon te gooien en er een ruit sneuvelde, was de maat vol. Door de ruiten heen zagen we ineens een aantal politiemannen staan, die plotseling naar buiten stoven, waarna de jeugd het op een lopen zette. Zo kwam er een einde aan een heftige jaarwisseling uit de jaren vijftig.

Aldus de hr. A. Marseille

 

 

De jeugd van tegenwoordig van toen De heer Bas Romeyn schreef mij het volgende: ik begrijp dat ook jij vroeger hebt genoten van het vuurwerk in Lisse. Net als jouw vader heb ik volop geëxperimenteerd met carbid. Ik heb heel wat putdeksels ten hemel zien springen! Aardig was ook carbid in een goed afgesloten Maggiblikje doen, waar met een spijker een gaatje in de bodem was gemaakt, flink er in spugen en dan je zenuwen tarten door heel lang te wachten. Dan heel vlug een brandende lucifer bij het gaatje houden en dan, JUIST JA! Pas echt gevaarlijk vond ik het om rode fosfor en kaliumchloraat heel voorzichtig in een krant te doen met een steen om er wat gewicht aan te geven en dan dat pakketje zo ver mogelijk weggooien. Het mengsel ontbrandde dan spontaan. Beide stoffen heb ik ook wel eens in een lege fles gedaan en die dan weggooien. Een pure handgranaat! Het is een mirakel dat ik dit alles heb overleefd. Wel vindt mijn vrouw dat ik enigszins doof begin te worden.
Dorpse drogist was een soort Ali Chemicalie Je vraagt mij waar ik de ingrediënten kocht, in principe allemaal bij Klaas Dreijer in de Kanaalstraat, hij was zeg maar mijn vaste dealer. Hij verkocht me domweg alles waar ik om vroeg en keek me dan altijd op een speciale manier aan, met iets van een tinteling in z’n ogen. Achteraf best curieus dat een dorpsdrogist dergelijke stoffen, die in glazen stopflessen bewaard werden, gewoon verkocht. Zouden alle drogisterijen dat zo maar gedaan hebben? Een enkele keer kwam ik ook wel eens bij Johan Mijnders, die resideerde op hoek Kanaalstraat/ Julianastraat. Echter, ooit, toen ik de korte broek nog lang niet ontgroeid was, kwam ik heel vaak Maggie dat wel doen dan joh?
bij de althans in mijn ogen, oude Verwelius, de brugwachter. Ik mocht altijd meedraaien en op zijn langgerekte terrein vissen. Op zekere dag gaf hij me een paar centen, die hij ongetwijfeld van een zuinige pleziervaarder in zijn klompje had gekregen en vroeg me, schier achteloos of ik bij drogist Mijnders wat makzout zou willen halen.
“Als je dat op de staart van welk dier dan ook strooide, werd het zo mak als een lammetje”, was zijn mededeling. Denkend aan Bobby de buldog van Verduyn, de eigenaar van de gelijknamige groothandel in levensmiddelen aan het Kanaal, sprak dat tovermiddel mij zeer aan. Ik de winkel in en vroeg aan de heer Mijnders om makzout. Hij keek me over zijn bril wat vreemd aan, dacht even na en gaf me inderdaad een wit puntzakje met ongetwijfeld wat keukenzout. Hij speelde het spel dus wel mee. Later begreep ik dat ik beet was genomen. Daarom durfde ik niet zo goed meer bij Mijnders mijn grondstoffen te kopen. Ik schaamde me nog een beetje. En waarom zou ik? De heer Dreijer hielp mij immers voortreffelijk?

Volkskrant 30-12-2011.

Opinie Bas Romeyn Lisse

Vuurwerk afsteken is opwindend we willen bam en kabóem horen Pogingen om op oudjaarsavond het afsteken van vuurwerk te verbieden, zijn gedoemd te mislukken, zegt projectontwikkelaar Bas Romeyn. In Lisse kunnen ze er over meepraten. Het onderwerp ‘vuurwerk’ heeft zich weer meester gemaakt van de media, als ware het de Bazuin van het Laatste Oordeel. Vuurwerk is van alle tijden. Ik zelf was er in mijn kortebroek-fase bezeten van. Aan het eind van het jaar ging ik steevast naar de drogist om kaliumchloraat, rode fosfor (samen polyfoor), zwavel, salpeter, barium-en strontiumnitraat te kopen (voor rood en groen vuur). Het was gewoon te koop en de enigszins dorre middenstander verkocht voormoemde stoffen zonder blikken of blozen. De oudjaarsavonden zal ik nooit vergeten. Ze waren geweldig. De zo veel besproken uitwassen zijn de facto uitvloeisels van het onzinnige begrenzen van het aantal decibellen. Afgezien van fraai siervuurwerk is er niets zo aardig als heel harde knallen. Toen dat verboden werd – het is vergelijkbaar met het drugsprobleem – zijn de liefhebbers naar België vertrokken om daar het echte werk in te slaan. Bij grote vraag (en die is niet uit te roeien) krijg je een dealer die illegaal het meest gevaarlijke spul importeert. Daar komt alleen maar ellende van. Ik zal daar een voorbeeld van geven. Vele jaren geleden kwam burgemeester De Graaf van Lisse (vader van Thom) eens lelijk onder vuur te liggen vanwege zijn anti-vuurwerk beleid. Deze prominente KVP’er stond bekend als uitermate autoritair. Ook is hij nimmer betrapt op zelfs maar een zweem van een glimlach. Hij ergerde zich al jaren aan het rumoer tijdens de jaarwisseling in Lisse en hij vaardigde – zoals Keizer Augustus ook al eens had gedaan – een verbod uit om vuurwerk af te steken. Het moest maar eens afgelopen zijn met die herrie. Hiermee bereikte hij, zoals te verwachten was, niet wat hij wilde. Nimmer in het 800- jarig bestaan van het dorp is zo’n vuurkracht samengebald als toen, recht voor huize In de Bocht, de fraaie ambstwoning van de burgemeester. Vrijwel de gehele opgeschoten jeugd in Lisse had zich aldaar verzameld, ruim voorzien van carbidbussen, vuurpijlen, luchthuilers, kanonslagen en vuurwerk uit de hele Indiase kust, met name West-Bengalen. In die dagen was er nog geen sprake van het miezerige vuurwerk van heden ten dage, waarvan de knallen wel erg kinderachtig zijn. Niks van dat al. Het losbarsten van het helse gehuil, geratel, geknetter en gedonder was tot in de wijde omtrek te horen. KLM-toestellen weken uit voor de veelkleurige, felle lichtflitsen die tegen het laaghangende wolkendek goed zichtbaar waren. De nu toch wel wat benauwde burgemeester belde in deze noodsituatie de politie. Nou, die ging er eens lekker ouderwets tegenaan. De voorraden springstof waren echter nog lang niet uitgeput, en deze werden dan ook met Argentijnse hartstocht ingezet tegen de dienaren van de Heilige Hermandad, als ook hun motoren met zijspan. De rook van brandende autobanden, vermengd met de dennengeur van knapperende kerstbomen versterkten de roerige atmosfeer. Vuurwerk dat in het oplaaiende vuur werd gegooid, dreunde en knalde gelijk eens de Flugzeug Abwehr Kanonen iets verder op in de duinen. Na het inrekenen van de ergste belhamels waren, tegen het ochtendgloren, de woelingen beteugeld. Het moge duidelijk zijn dat de volgende jaarwisselingen weer als vanouds werden gevierd. De moraal: vuurwerk afsteken is opwindend. Liefhebbers zullen nooit genoegen nemen met rotjes en ander puf-en sis-spul. Ze willen bam en kabóem horen! Neem een voorbeeld aan België (gebeuren daar meer ongelukken?) en laat harde knallers toe. Dan zal de illegaliteit sterk afnemen. Maak jacht op het echt gevaarlijke vuurwerk.

Tot besluit

Deze opinie van Bas Romeyn en de reactie van Thom de Graaf de zoon van onze oud burgemeester, vormden de aanleiding tot deze vuurwerk vullende pagina’s. Thom trok het beweerde aangaande zijn vader logischerwijs zwaar in twijfel. Wie zou dat niet doen?…als het om je vader gaat. Waardoor Bas ook aan zichzelf begon te twijfelen. “Is het dan toch anders geweest, dan ik het op mijn geheugenschijf heb staan?”, zo vroeg hij zich af. Vandaar zijn oproep in het lentenummer bij “WIE WEET RAAD”, om over die heftige jaarwisseling eens wat Bengaalsvuur te laten schijnen. Aan het licht is gekomen dat Bas met zijn artikel niet ver naast de waarheid zat. Met het verhaal in de Kleine kroniek van Lisse geeft Arie in ’t Veld de waarheid prijs van wat er allemaal is gebeurd. Precies twee jaar geleden is die Kroniek overhandigd met een grote Grafelijke glimlach. Dus kunnen we er nu een punt achter zetten, BAM en KABÓEM.

Uit de politierapporten van Lisse Deel XVI: Geen konijn op het menu met Oudejaarsdag 1847!

Rob Pex vertelt over de diefstal van een konijn. Deze was voor de verkoop bestemd. Getuigen worden gehoord.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

Hoe het allemaal begon We bevinden ons juist tussen Kerstmis en Oudejaarsdag van het jaar 1847. Een konijn als diner op tafel gaat er dan altijd wel in. Maar hoe kom je daar zo gauw aan? Toevallig wist Jansje de Graaff, echtgenote van Dries van Wateringen1, buitengewoon goed de weg te bewandelen in deze. Leendert van der Werff, broodbakker aan ‘t Vierkant2, had namelijk nog twee konijnen, een zwart bonte en een witte, in een hok achter zijn huis. Ze verzocht dus vriendelijk aan bakker Van der Werff of zij een konijntje van hem mocht kopen. Het was niet voor haarzelf maar voor haar dochter bestemd die vlakbij het pas gebouwde gemaal De Leeghwater aan de Ringvaart woonde. Van der Werff stemde in. Hij wilde zelfs het konijntje wel komen bezorgen bij haar dochter! Tot nog toe leken dus Van der Werff en Jansje de Graaff aardig zaken te doen met elkaar. Maar dan…

Afb. 1. Blik op de hoek Heereweg/ Kanaalstraat (v/h Broekweg), met rechts de smederij van Schuts, in 1847 bewoond door Dries (A.A.S.) van Wateringen en zijn vrouw Jansje de Graaff, ca. 1900. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

De konijnen zijn weg!

Op maandagmorgen tussen tien en elf uur toog bakker Van der Werff richting het konijnenhok. Tot zijn verbazing stond de deur van het hok  wagenwijd open! En de konijnen waren verdwenen! Wat moest hij nu zeggen tegen vrouw Van Wateringen? Maar gelukkig bleek zij al voorzien van twee konijnen die ze bij Joseph van Opzeeland had gekocht voor 60 cent. Ze liet ze aan hem zien. Van der Werff herkende ze onmiddellijk als de twee konijnen die uit zijn hok waren gestolen en deed hiervan aangifte bij de veldwachter.

Getuigenverklaringen

Joseph van Opzeeland was natuurlijk onmiddellijk verdachte nummer 1. Een aantal getuigenverklaringen moest dat bevestigen. Eerst bewijs! Op 29 december 1847 verklaart Jan Hendrik Baak, spoorwegwerker te Lisse, dat hij van Sijmen (lees: Simon) Beijk, arbeider, het navolgende had vernomen. Beijk was juist op bezoek bij Van Opzeeland. Laatstgenoemde was in gesprek met Cornelis van Kesteren en Beijk ving daar wat flarden van op. Van Opzeeland had recentelijk goede zaken gedaan: hij had twee konijnen verkocht aan vrouw Van Wateringen (Jansje de Graaff) voor 12 stuivers! Dat wilde echter nog steeds niet zeggen dat hij ze gestolen had, dus de veldwachter moest wat dieper gaan graven. Hij besloot Simon Beijk eens aan de tand te voelen.

Simon Beijk weet van niets…

Beijk verklaarde echter ‘niets te dier zake gezegd te hebben’. Integendeel zelfs! Jan Hendrik Baak had het verhaal aan hèm verteld! En Baak had er ook nog aan toegevoegd dat Van Opzeeland de konijnen had gestolen. Verder wilde Beijk er niets van weten… Hij stak dus zijn kop in het zand. Bij Jan Baak moet je zijn! Niet bij mij! Maar Baak was over deze verklaring hoogst verbaasd. Hij had er met Beijk nota bene nog uitgebreid over gesproken op de ‘Kruisweg’!3

Beijk had  zelfs een uitgebreide beschrijving gegeven van de ontvreemde konijnen. Hij verklaarde echter ‘van dat alles niets te weten’, zo lezen we in het politierapport.

Besluit

En met die woorden werd het politierapport afgesloten. Omdat Beijk zijn vingers niet aan de zaak wilde branden, verklaarde hij van niets te weten. Er konden dus geen bewijzen worden gevonden voor het vermoeden dat Van Opzeeland de konijnen in kwestie had gestolen uit het hok van bakker Van der Werff. En zo belandde het hele verhaal dus in de historische vergeetput, zoals vermoedelijk met meer niet afgedane zaken is gebeurd. (Totdat ze werden gepubliceerd in het nieuwsblad van de VOL).
Jansje van Wateringen-de Graaff moest de twee konijnen, als zijnde belangrijk bewijsmateriaal, achterlaten bij de veldwachter. Het was dus wel zuur voor haar dochter bij de Leeghwater, maar laatstgenoemde moest het dit jaar zonder konijn op het menu stellen!

Afb. 2. ’t Vierkant omstreeks 1900. In het witgepleisterde huis, 2e huis naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, had Leendert van der Werff in 1847 zijn bakkerij. Ansichtkaart uit coll. schrijver.

Noten

1 Waarschijnlijk woonachtig op de hoek Heereweg/Kanaalstraat. Hier vestigde zich later smederij Schuts. Zie afb. 1.

2 De bakkerij bevond zich naast het huidige sigarenmagazijn van De Bruin, waar zich later bakkerij De Lange bevond. Zie afb. 2.

3 De Kruisweg was vermoedelijk het gedeelte van de huidige Kanaalstraat, daar waar deze op de Heereweg uitkwam.

Bronvermelding

Index op naam van publicaties over oud Lisse
Gemeentearchief Lisse inv. nr. 1115.

Uit de politierapporten van Lisse Deel XV: Zwerver Landman opnieuw in actie, 1847

Zwerver Landman komt in 1847 weer in de politierapprten voor. Hij schold zijn buurman uit en beloofde hem te vermoorden. Hij meende dat de buurman spullen van hem had gestolen.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Inleiding

We zijn er een tijdje tussen uit geweest, maar hier hervatten we weer de serie politierapporten!
Deze keer gaat het om een oude bekende: Jude Jacob Landman. Zoals de lezer zich misschien nog herinnert, was Landman aanvankelijk koopman van beroep en gehuwd met Schoontje Machielse de Brave.1 Rond 1830 wonen ze op huisnummer 110 aan de Heereweg. Het huwelijk botert niet goed en al gauw zet Landman zijn vrouw zonder pardon op straat, waarna zij gedwongen is door Lisse rond te zwerven. Ze brengt de nacht door op verschillende adressen. Ook Landman (‘What’s in a name’ zouden wij zeggen!) leidt al gauw een zwervend bestaan. Niemand wil hem echter in huis hebben, want hij had niet zo’n goede reputatie. En zo komt het dan dat een paar spelende kinderen in de middag van 13 november 1847 een lijk van een vrouwspersoon zien drijven in het water van de Gracht. Het blijkt te gaan om Schoontje de Brave, de echtgenote van Landman. Hoewel iedereen wist dat Landman de moord had gepleegd, kon men helaas geen steekhoudende bewijzen vinden. Hij vertrok daarop naar Leiden. In 1849 duikt hij op in Arnhem. Het armbestuur aldaar vraagt dan aan die van Lisse of ze hen willen ontheffen van de kosten van verstrekte kleding. Dat gaat niet zonder enig verzet, want de armenkas van de gemeente Lisse was niet bijzonder rijk gevuld. De burgemeester – J.C. van Rosse (18011875) – draait zich dan ook in alle mogelijke hoeken en gaten teneinde te voorkomen dat het Burgerlijk Armbestuur van Lisse voor de kosten van onderhoud moest opdraaien. En dat is het laatste dat we van Landman vernemen.
En is dit nu het hele verhaal van Jude Jacob Landman? Nee, want ergens in de papieren van de plaatselijke justitie bleek zich nog een politierapport te bevinden. Het is gedateerd 21 juli 1847, dus nog uit de tijd dat Landman een vast adres had en het koopmansberoep uitoefende.

Het gedeelte Heereweg waar zich het verhaal afspeelt, ook wel het Oosteinde genoemd. Het witgepleisterde huis geheel rechts werd in 1840 bewoond door Joseph Martinus Le Feber (later Lefeber), afkomstig uit Den Haag, van beroep broodbakker. Ter plaatse van het postkantoor even verderop bevond zich destijds een boerderij. Het is oorlog, want het bovenste deel van de lantaarnpaal links ontbreekt (vlgs. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten I, Zaltbommel, zesde druk 1987, p. 15). Coll. auteur.

Even voorstellen…

In dit verhaal leggen de volgende personen een getuigenverklaring af: zo komen we allereerst Joseph van Diest (1786-1861), van beroep arbeider, tegen en zijn vrouw Trijntje (van Catharina) Coster (17861860). Hij woonde waarschijnlijk aan het gedeelte Heereweg dat in de bevolkingsregisters van die tijd staat aangeduid met de naam ‘Oosteinde’. Dit stukje Heereweg begon ter hoogte van de Stationsweg (‘De Steeg’) en liep door in de richting van Hillegom. Een andere getuige die naar voren treedt is Hendrik Willem Jelters, geboren te Haarlem en Rijkscommies van beroep. Waarschijnlijk was ook hij woonachtig in het ‘Oosteinde’. Guurtje Hovenier (overleden in de gemeente Haarlemmermeer in 1881), gehuwd met Pieter de Wals, arbeider van beroep, heeft ook een en ander gezien en gehoord. Zij woonde met haar man aan de huidige Kanaalstraat (in 1847 nog Broekweg genoemd), naast ’t Hofje. Ook de dienstmeid van Hendrik Josephus Huysmans, woonachtig op het buiten Rosendaal, genaamd Jansje van Opzeeland, was ter plaatse van het navolgende incident. Tenslotte legt de veldwachter, Petrus Johannes Wijting, ook een getuigenverklaring af.
De plek waar zich een en ander afspeelt, is waarschijnlijk het huidige Heereweg 172. In de volksmond staat deze woning bekend onder de naam ‘Bakkerij van Vaneveld’. In 1847 woonde hier echter de van Leeuwarden afkomstige koopman Eleazar Joseph de Vries. Hij woonde als zodanig in bij Petrus Hunnego, geboren te Delft omstreeks 1792, maar deze was na een paar jaar alweer vertrokken.2

Nog steeds bevinden we ons in het Oosteinde van Lisse. Geheel links de ‘bakkerij van Vaneveld’, tegenwoordig Heereweg 172, waar in 1847 koopman Eleazar de Vries woonde. Daarnaast zien we nog net de hekpalen van villa Rosendaal. Zie ook volgende afbeelding. Ansicht verstuurd in 1942. Coll. auteur.

Dief, afzetter, gauwdief!’

Eleazar Joseph de Vries en Jude Jacob Landman moeten elkaar goed gekend hebben: beiden waren koopman van beroep en deden dus waarschijnlijk zaken met elkaar, en bovendien waren ze allebei van Joodse afkomst. Op een gegeven ogenblik had Landman een aantal goederen gekocht, die hij voorlopig onderbracht bij collega De Vries. Hij dacht hem te kunnen vertrouwen, maar toen Landman zijn spullen weer kwam ophalen, wilde De Vries ze niet teruggeven! Daar moest je natuurlijk bij zo iemand als Landman niet mee aankomen! We lezen in de verklaring van De Vries dat van hem ‘gewelddadig waren weggenomen de navolgende goederen als 6 sloopen, 6 servetten, 3 kolfballen, 1 wollen deken, 2 ivoren ballen, 1 Bijbel, een vrouwerok.’ Bovendien schold Landman hem uit voor ‘dief, afzetter, gaauwdief, bankroetier, terwijl hij hem tevens gezegd heeft hem te zullen vermoorden. Dat hij zijn sergeant majoor vermoord had en hem zulks ook zoude doen. Dat het mes voor hem klaar lag’. Kennelijk had Jude Jacob, voordat hij in november 1847 zijn vrouw om het leven bracht, in de tijd dat hij diende in het leger, al eerder een moord begaan: zijn sergeant-majoor was het slachtoffer van de driftbuien van Landman. Geen wonder dus dat de angst bij zijn bedreigde collega er goed in zat! We lezen tenslotte: ‘Van welke daadzaken hij als getuigen opgeeft Vrouw Van Diest, vrouw De Wals, Jansje Opzeeland, de meid van dhr. Huysmans, de veldwachter Wijting’.

Gelijkluidende verklaringen

Men besluit alle getuigen te verhoren. Zo verklaart Trijntje Coster, echtgenote van Joseph van Diest, ‘gemelde Landman over de onderdeur 3 van gemelde De Vries te hebben zien heen stappen, daarna denzelven ontgrendelen en daaruit zien komen met een Bijbel met 2 of drie ballen en daarna nog met een arm met (linnen)goed en dat hij hem heeft uit horen schelden voor bankroetier en dat hij f 180 van hem moest hebben’.
Vervolgens zijn Guurtje Hovenier, huisvrouw P. de Wals, en de dienstmeid van de heer Huysmans op Rosendaal, Jansje van Opzeeland, aan de beurt om hun versie van het gebeurde mede te delen. Het volgt nagenoeg het getuigenis van De Vries.
‘Nog compareerde als boven Petrus Johannes Wijting, veldwachter te Lisse, verklarende dat hij door De Vries tot adsistentie in deszelfs huis is geroepen, waarin hij gevonden heeft gem. J.J. Landman gem. De Vries uit scheldende voor dief en afzetter. Hebbende hij hem geen (linnen)goed zien uitbrengen, maar belet om eenige daarliggende gordijnen weg te nemen. Welke verklaring na voorlezing is ondertekend’.

Villa Rosendaal, waar volgens de getuigenverklaringen in 1847 H.J. Huysmans woonde. Hij had het huis in 1844 gekocht van burgemeester Van den Bergh. Coll. auteur.

En wat heeft Landman daarop te zeggen…

Landman kon niet anders dan te bevestigen dat het zo inderdaad was gegaan: de verklaringen waren redelijk gelijkluidend en er waren maar liefst zes getuigen. Hij voegde er echter aan toe ‘dat hij de goederen had weggenomen, omdat die goederen van hem waren en hij daarvan de bewijzen heeft. Gevraagd welke die bewijzen waren, is door hem geantwoord dezelve te bestaan in nota’s of rekeningen van publieke verkoopingen die hij De Vries als kameraad te bewaren had gegeven, welke nota’s of briefjes door De Vries geweigerd zijn terug te geven’.

Conclusie

Het is niet duidelijk of Landman na deze verklaring vrijelijk over zijn gekochte artikelen kon beschikken, noch of hij de f 180,- heeft teruggekregen van De Vries. Maar om hem daarvoor uit te schelden voor ‘dief, afzetter, gauwdief en bankroetier’ en hem bovendien ook nog eens mede te delen ‘dat het mes voor hem klaar lag’, ging toch weer al te ver! Deze keer vielen er geen dodelijke slachtoffers te betreuren. Enige maanden later echter zou het anders lopen: toen benam hij zijn echtgenote van het leven. Nee, met Jude Jacob Landman viel niet te spotten!

Noten

1 Zie Nieuwsblad VOL, jaargangen VIII, nummer 3 (juli 2009) en X, nummer 4 (oktober 2011).

2 Dit was vaker zo met belastingbeambten, zoals hij genoemd wordt in de bevolkingsregisters (letterlijk ‘Rijks Commies’). Na een bepaalde tijd werden ze weer overgeplaatst naar een andere locatie, zodat het mogelijk was dat het verblijf in een bepaalde plaats maar van zeer korte duur was.

3 De voordeuren van de meeste huizen in deze tijd bestonden uit twee helften: een onderdeur en een bovendeur. Het kan dus goed zijn dat Landman gewoon over de onderdeur heen kon stappen, omdat de bovendeur geopend was.

Bronnen

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115. GA Lisse, bevolkingsregisters GA Lisse, doop-, trouw- en overlijdensregisters.

 

 

 

 

Een handgemeen bij boerderij Klopjeshoven, 1847

Op een schilderij is boerderij Klopjeshove te zien. In 1847 was Hermanus Wubben daar boer. Anthonie van der Vossen was de baas van het personeel. Er was een gerucht dat van der Vossen geld schuldig was aan zijn werknemer Toon van der Linden. Het werd slaande ruzie, waarvan aangifte werd gedaan.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Uit het politierapport van Lisse, deel 14

Wie is wie?
In deze alweer veertiende aflevering van de Lissese politierapporten spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Manus, ofwel Hermanus, Wubben. Hij was boer op boerderij Klopjeshoven aan de Achterweg bij het Mallegat. Tijdgenoten noemen Manus een rare kwast, ‘rauw en raar’.

De koeien in de stal stonden altijd omgekeerd en het melkgerei rammelde.
Anthonie van der Linden, de ‘bouwmansknecht’ die hier even verderop een flink pak slaag krijgt van Van der Vossen, was in 1825 geboren te Hillegom. In het jaar dat zich het incident met Van der Vossen voordeed, had zijn echtgenote, Alida Westerhoven, een kind ter wereld gebracht, genaamd Adrianus. Het is niet duidelijk waar en wanneer Anthonie met haar in het huwelijk was getreden. In 1853 treedt hij te Warmond opnieuw in het huwelijk met Hendrika Westerhoven, mogelijk familie van zijn eerste vrouw. Het jaar daarop vinden we hem woonachtig in Oegstgeest. Later woont hij in de gemeente Haarlemmermeer, waar zijn tweede echtgenote in 1868 overlijdt. Zijn derde echtgenote werd Catharina Klein. Anthonie overleed in 1897. Catharina in 1917. Het lijkt aannemelijk dat het welstandsniveau van het gezin van Anthonie, of ‘Toon’, nooit erg hoog is geweest. Dat kan ook verklaren waarom ze steeds van het ene dorp naar het andere verhuisden.
De derde persoon die in dit verhaal een (nogal kwalijke) rol speelt, is Anthonie van der Vossen. Hij was geboren in 1816. In 1845 huwde hij met Wilhelmina Alkemade. Hij staat te boek als ‘arbeider’ maar had waarschijnlijk een leidinggevende functie. Uit het hiernavolgende politierapport blijkt namelijk dat hij ‘baas’ was van het personeel dat Manus Wubben op zijn boerderij in dienst had. Daar hoorde ook Toon van der Linden bij en een zekere Doris Alkemade. Laatstgenoemde was een zwager van Van der Vossen. Wilhelmina Alkemade, met wie Van der Vossen in 1845 in het huwelijk was getreden, was namelijk een zuster van Doris. We zullen zien dat deze familierelatie één van de oorzaken kan zijn geweest waarom Doris zich zo teruggetrokken opstelde bij het geven van een getuigenis over het hele voorval en eigenlijk zijn zwager gewoon napraatte.

Boerderij Klopjeshove

Dit schilderij stelt boerderij Klopjeshoven voor. Het water op de voorgrond is het Mallegat. Zoals bekend loopt deze onder een brug door in de Achterweg. Inderdaad is links de leuning van een brug weergegeven. We kijken tegen de achterzijde van de boerderij aan, waar waarschijnlijk ook het handgemeen plaatsvond. Datering is helaas onbekend. Het schilderij is in bezit van mevrouw Van der Voort-van Rijn in Spanje. Met dank aan haar en de heer Do van Rijn te Lisse.

Het gerucht…
In het dorpje Lisse van het midden van de negentiende eeuw dat wij inmiddels zo goed kennen, draait de roddelmachine weer op volle toeren. Welk gerucht deed nu weer de ronde? Welnu, Anthonie van der Linden zou het verhaal verspreid hebben dat zijn naamgenoot Anthonius van der Vossen, zijn baas op boerderij Klopjeshoven, hem nog salaris schuldig was. Wat een schande! De tijden waren in economisch opzicht toch al zo ongunstig.

En een gezin onderhouden was moeilijk. Er moesten zoveel monden gevoed worden. Van der Vossen zal dus wel het nodige te horen hebben gekregen.

De confrontatie
Op een dag staat Van der Linden te praten met zijn baas, Van der Vossen, en zijn collega Doris Alkemade. De plaats van handeling is de dorsvloer, die zich waarschijnlijk bevond in een schuur niet ver van de boerderij, bewoond door Manus Wubben. Op zo’n dorsvloer lag het koren uitgespreid. Door er op te slaan met een zogenaamde dorsvlegel werd het fijngemaakt. Na een tijdje te hebben staan praten, kwam het gesprek – onvermijdelijk – uit op het bovengenoemde gerucht, wat er dus op neer kwam dat Van der Vossen geld schuldig was aan Van der Linden. Echter, Van der Linden was zich van geen kwaad bewust. Van der Vossen duwde hem daarop naar buiten op het erf ‘en hem een stomp voor de oogen had gegeven, zoo dat hij achterover tegen een bargroede (de roede van een hooiberg) was geslagen en een buil op’t achterhoofd bekomen hebbende’. Na hem nog getrakteerd te hebben op een paar laatste klappen, trok Van der Vossen zich weer terug en ging gewoon weer aan het werk. Van der Linden stond op, terwijl hij nog sterretjes zag, en liep naar Van der Vossen. Hij trok stevig van leer met de harde woorden ‘dat het lelijk stond iemand zoo te mishandelen’.

Doris laat het afweten
Doris Alkemade had alles gezien en stond er een beetje beteuterd bij. Het slachtoffer met het blauwe oog en de buil achterop zijn hoofd vroeg hem of hij inderdaad wel had gezegd dat Van der Vossen hem geld schuldig was. Doris begon zich steeds ongemakkelijker te voelen. Wat moest hij nu zeggen zonder de betreffende agressor tegen de haren in te strijken? Hij had geen zin in een pak slaag, nu hij gezien had hoe zijn baas Toon had aangepakt. Bovendien was Doris, zoals we reeds eerder vermeldden, een zwager van de man met de losse handjes. Dus stamelde hij: ‘Ik wil er niets van zeggen. Anders valt er alleen nog maar meer voor’.

Er wordt rapport opgemaakt…
Toon van der Linden begaf zich naar het raadhuis op ’t Vierkant, teneinde het hele voorval vast te laten leggen. Drie dagen later roept de burgemeester Van der Vossen op het matje. Ook daarvan wordt rapport opgemaakt. Eerst wordt hem het vorige rapport, dat was opgemaakt naar aanleiding van het relaas van Toon van der Linden, voorgelezen. Vervolgens wordt hem, keurig volgens de procedure, gevraagd wat zijn reactie hierop is. Natuurlijk weet hij nergens van af. Maar dan gooit hij het over een andere boeg. Het verhaal is dat hij nu wél geld schuldig is aan Van der Linden, maar het gaat om slechts twee dubbeltjes voor een halve dag werk. Twintig cent, dat valt waarachtig toch mee! Dan komt ook Doris Alkemade binnen met de staart tussen zijn benen. Hij was nog steeds niet van plan zijn zwager voor het hoofd te stoten en zei dus dat hij ‘evenzeer van al het bovenstaande niets af weet’. En hij praatte zijn zwager helemaal exact na door ook het verhaal van de twee dubbeltjes te bevestigen.

Conclusie
Ook hier zien we weer wat de gevolgen konden zijn van een roddeltje voor de betrokken personen. Zeker als het om nog te betalen salaris ging. Want behalve redelijk welgestelde mensen, telde Lisse in die dagen toch ook heel wat armen. Het lijkt er inmiddels een beetje op, wanneer we de politierapporten doorlezen, dat er heel wat psychisch zieke of gestoorde mensen rondliepen in het Lisse van die dagen. Maar we moeten bedenken dat er ook nog geen psychiatrische ziekenhuizen waren en van psychiatrische aandoeningen was nog niet veel bekend. En dus liepen deze mensen gewoon op straat.

Bronnen
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115 (politierapporten)
Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters.
www.genlias.nl

In de naam Klopjeshoven betekent ‘klopjes’ ‘nonnetjes’. De naam zal gekozen zijn vanwege de nabijheid van de Roomse schuilkerk.
A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse, 1960), p. 139
De lezer van nu zou iets hardere woorden verwachten, maar opgemerkt dient te worden dat men anno 1847 net iets andere woorden koos.

Copyright © 2012 Vereniging Oud Lisse

Werken op zondag, 1846

Rond 1850 was het uit den boze om op zondag te werken. Teunis Obdam had echter onder kerkstijd een kruiwagen gras gemaaid om te verkopen. De burgemeester wist niet wat hij er mee aan moest, omdat Obdam arm was.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 10 nummer 2, april 2011

Uit het politierapport van Lisse, deel 13

Inleiding
Eén van de dingen die men in het Lisse van omstreeks 1850 beslist niet deed, was werken op zondag. Het was uit den boze en het kon zelfs zo zijn dat degene die zich daar weinig aan gelegen liet een proces-verbaal aan zijn broek kreeg van de plaatselijke veldwachter. Dat overkwam ook Teunis Opdam (ook wel geschreven als Obdam). Hij nam het wat minder nauw in normen/waardenopzicht. Afijn, we zullen de Lissese veldwachter P.J. Wijting, maar verder aan het woord laten.

Er is gras gemaaid!
Op een zondag liep veldwachter Wijting op de Grachtweg. Ter hoogte van het huidige pand van Tibboel, destijds de woning van de burgervader, ontdekte hij dat hier vlak voor het huis aardig wat activiteit was ontplooid. En dat nog wel op een zondag! Het bleek hem namelijk dat het gras vlak voor de woning was ‘afgemaaid geworden’. Wie kon dat op zijn geweten hebben?

Teunis Opdam was te Lisse geboren in 1796. In 1832 huwde hij met Maria Vastenouw (1797-1859). Het was een gemengd huwelijk, want Teunis was ‘Roomsch’ en Maria Nederlands-Hervormd. Ze blijken in 1832, wanneer Maria bevalt van een zoontje (die naar zijn vader, Teunis, wordt genoemd), te wonen aan de huidige Kanaalstraat, niet ver verwijderd van de Heereweg. Er worden daarna nog vier kinderen geboren, te weten Maria (1834), Antje (1835), Nicolaas (1838) en Johannes (1843). Zowel Teunis als zijn echtgenote overleden in 1859.

Teunis Opdam komt in beeld
De veldwachter liet zich her en der informeren en al gauw bleken de verdenkingen te wijzen in de richting van Teunis Opdam. Teunis had op die morgen het gras gemaaid en weggevoerd met een kruiwagen. Hij koos daarvoor een moment waarop – zo veronderstelde hij – niemand zijn criminele activiteiten zou gade slaan, namelijk onder de kerktijd om pakweg half elf. Het was dan heel stil in het dorp, want iedereen woonde de dienst bij.

Wat er verder met Opdam gebeurde weten we helaas niet. Het verslag verhaalt nog wel dat de veldwachter bij Opdam is langs geweest met de vraag wie hem opdracht had gegeven het gras weg te maaien. ‘Niemand’, zo luidde het klip en klare antwoord.

Burgemeester van Rosse

Enkele aanvullingen van de veldwachter
Het weghalen van gras of graszoden was iets waar de veldwachter zich zorgen over maakte. In een begeleidend schrijven bij het bewuste proces-verbaal maakt de veldwachter dit duidelijk aan de burgemeester, J.C. van Rosse. Hij schrijft dat deze activiteiten ‘met overklimmen en springen van schuttingen en sloten’ aan de orde van de dag zijn. In dit verband vraagt hij zich af of er niet een voorbeeld gesteld moet worden. Dat zag er al niet zo gunstig uit voor de dader, Teunis Opdam. Zeker, omdat we verderop lezen dat hij ‘te meerder schuldig’ is, omdat hij ook nog opzichter van de jacht is en zo brutaal was het afmaaien vlak voor het huis van de burgemeester te laten plaatsvinden. Ook ging er een ‘verderfelijken invloed’ vanuit, omdat Opdam de Zondagswet had genegeerd.

Conclusie
Tja, wat nu te beginnen met die Teunis Opdam? Zo zal de burgemeester zich wel afgevraagd hebben. Zeker, wat hij had gedaan op die bewuste zondag, ging zonder meer tegen alle mogelijke regels van die tijd in. Aan de andere kant was er ook veel armoede en Teunis genoot als ‘spoorbaan-werker’ waarschijnlijk geen riant salaris. En iedereen, ook de burgemeester, wist dat mensen die armoede leden alles deden om het hoofd boven water te houden. Teunis zal wellicht gedacht hebben het gras te kunnen verkopen aan een boer, teneinde iets extra’s te verdienen. Een kruiwagen vol met gras; daar kraaide toch geen haan naar? Dat niet iedereen daar zo over dacht, blijkt uit het bovenstaande.

De Kanaalstraat omstreeks 1912, gezien vanaf de Heereweg. In 1846 heette het hier echter nog Broekweg. Links is een politiepost te zien. Teunis Opdam woonde aan de zuidzijde van deze weg, dus op de afbeelding rechts. Coll. Auteur.

Noten
– Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
– Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

Een dienstmeid met teveel noten op haar zang, 1848

Janna van Dijk was dienstmeisje bij Jan van Riessen, tuinman van buitenplaats Wassergeest. Hij woonde recht tegenover de Deverlaan. Het dienstmeisje werd door ten onrechte van diefstal beschuldigd. Toch werd zij ontslagen.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Uit het politierapport van Lisse, deel 12

Inleiding
In dit verhaal spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Janna van Dijk. Ze was in dienst bij Jan van Riessen, tuinman op de buitenplaats Wassergeest. De tuinmanswoning bevond zich tegenover de Deverlaan aan de Heereweg. Van Riessen was in 1816 geboren te Beverwijk. In 1841 trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Johanna Lamberta van der Horst. Van Riessen verhuisde naar Lisse, waar D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van de buitenplaats Wassergeest, hem in dienst nam als tuinman. Verder zullen we in dit verhaal nog kennis maken met de tuinknechten Willem Kuneman en Dirk van Biezen.

 

 

De tuinmanswoning van Wassergeest vóór de verbouwing in 1956. De woning bevond zich aan de Heereweg tegenover de Deverlaan. Het was in 1671 gebouwd. Achter de woning tot aan de Achterweg strekten zich boomgaarden uit. In 1956 heeft Van Parijs de woning ingrijpend verbouwd en omgedoopt in villa Lutetia (de Latijnse benaming voor Parijs). De woning is in 1994 afgebroken.

Hoe het begon…

 

Op een dag is de dienstmeid Janna van Dijk bezig met de was. De vrouw des huizes komt langs en haalt uit de wasmand een wantje tevoorschijn die gedragen werd door één van haar kinderen. Vervolgens loopt ze er mee weg. De dienstmeid loopt haar achterna en vraagt of ze het wantje mag hebben, zodat ze verder kan gaan met de was. Tot haar verrassing antwoordt vrouw Van Riessen echter dat zij het zoek gemaakt had en dat zij het moest betalen. Wat nu?

Het kledingstuk is weer terecht
Op de zondag daarna ziet de dienstmeid één van de kinderen met het verloren gewaande wantje rondlopen. De maandag erop ligt het kledingstuk in de wastobbe. Ze nam het wantje uit de tobbe en ging ermee naar vrouw Van Riessen. Ze zei: ‘Vrouw, daar hebt ge nu het wantje dat ge gezegd hebt dat ik weggespoeld had’.

De dienstmeid wordt ontslagen
Vanaf dat moment zijn er meerdere versies van het gebeurde. Janna van Dijk, de dienstmeid, verklaart dat ze meerdere keren op het hoofd was geslagen door zowel Jan van Riessen als door zijn vrouw. Vervolgens zou hij tegen haar gezegd hebben dat ze aanstalten moest gaan maken om te vertrekken, hetgeen ze ook deed.

Het getuigenis van Willem Kuneman
De meid vond dat ze onheus bejegend was en ging naar de burgemeester, J. van Rosse. Daar deed ze haar verhaal. Ze hoopte dat Van Rosse nog iets voor haar kon betekenen. Maar de burgervader kon natuurlijk niet alleen uit gaan van het getuigenis van de dienstmeid en daarom nodigde hij ook de tuinknecht Willem Kuneman uit om getuigenis te geven van de waarheid. Hierbij realiseerde Van Rosse zich echter niet dat de tuinknecht niet helemaal onpartijdig was. En dat gold ook voor de andere tuinknecht, Willem van Biezen en al helemaal voor Johanna Lamberta van der Horst, de echtgenote van Van Riessen.
Maar wat had Willem Kuneman nu precies te vertellen? Welnu, kort nadat de dienstmeid van de zolder weer beneden was gekomen en wilde vertrekken, werd Kuneman met Willem van Biezen naar boven gestuurd om een meubelstuk dat de dienstmeid bij de aanvang van haar werkzaamheden te leen had ontvangen van baas Van Riessen naar beneden te halen. Daarop zou de meid de weg verspert hebben op de trap. De baas heeft haar toen opzij geduwd. Janna van Dijk had eerder verklaart dat Jan van Riessen haar toen een klap op de wang had gegeven. Maar daar kon Kuneman zich (natuurlijk) niets van herinneren.

Willem van Biezen aan het woord
Vervolgens wordt Willem van Biezen gevraagd te vertellen wat er gebeurd was. Hij kwam net binnen om ‘naar de catechesatie te gaan’ (gaf Van Riessen voor het personeel catechese?) toen tuinbaas Van Riessen hem opdroeg om samen met Kuneman het hiervoor vermelde meubelstuk naar beneden te halen. Dit werd inderdaad bevestigd door het getuigenis van Kuneman en de meid. Van Biezen had echter niet gezien dat de tuinbaas en zijn echtgenote de meid hadden geslagen. En ook niet dat de meid op de trap was gaan staan om hem en Kuneman de weg te versperren.

Het getuigenis van vrouw Van Riessen
Tenslotte doet ook vrouw Van Riessen haar verhaal. Zij en haar man zouden de meid niet geslagen hebben. Ze hadden haar wel ontslag aangezegd, aangezien ze een grote mond had gehad. De meid was binnengekomen met het zoekgeraakte wantje en zou hebben gezegd: ‘Daar heb je nu het wantje, daar je zoo’n beweging om gemaakt hebt’. Alles wel overwogen komt dit niet helemaal overeen met de woorden uit het getuigenis van de meid. De versie van de dienstmeid komt heel wat ‘beleefder’ over dan hetgeen vrouw Van Riessen hier beweert. Daarop zou haar man gezegd hebben: ‘Nu is het genoeg, nu moet ge weg’.

Tenslotte…
Tot zover de getuigenissen. De burgervader zat met een probleem. Het was het woord van vrouw Van Riessen en de tuinknechten tegen dat van de dienstmeid. Hij kon dus niets voor haar betekenen.

Conclusie
Daar gaat de meid dan met het kleine beetje bezit dat ze had, hopende dat ze elders nog een betrekking zou kunnen vinden. In deze tijd zou zij waarschijnlijk een beroep op haar bedrijfsvereniging hebben gedaan. Maar dan nog viel er weinig te bewijzen. En de maatschappelijke verhoudingen waren in die tijd zodanig dat de werkgevende partij er altijd beter af kwam. En die werkgevende partij was van mening dat Janna van Dijk een dienstmeid was met teveel noten op haar zang!

Noten
R.J. Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004).
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115.
Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

Brand op de boerderij van Keukenhof in 1705

Op 26 juli 1705 stond de hofboerderij van Landgoed Keukenhof in brand. De boerderij, de hooiberg en de pasgebouwde schuur brandden af. Alleen het karnhuis kon worden gered. Diverse mensen worden ondervraagd door de eigenaar Hendrik van Hoven. De oorzaak was waarschijnlijk een vuur vlak bij de hooiberg, aangelegd door Andries Spruijt.

door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Inleiding

Binnen niet al te lange tijd zal een begin worden gemaakt met de restauratie van het casco van de boerderij van Keukenhof, alias de Hofboerderij. Het is één van de trotse monumenten die we tegenwoordig op het landgoed Keukenhof tegenkomen. Het heeft dan ook een lange geschiedenis achter de rug die al begint in 1643, kort nadat het nabijgelegen huis Keukenhof in gereedheid was gekomen. Die historie zit boordevol verhalen en anecdotes. Sommige daarvan zijn onbekend en andere komen we bij toeval tegen in archieven. Een toevalstreffer dus! Zo is dat ook met een brand die in 1705 gewoed heeft op de Hofboerderij. In dit artikel wordt daar nader op ingegaan.

Brand!

Zondag 26 juli 1705. Achter het huis Keukenhof bij de boerenwoning horen we geroep en geschreeuw. Een menigte mensen is bezig een fikse brand te blussen, die door onbekende oorzaak is uitgebroken op de boerderij. Uiteindelijk kan alleen het karnhuis nog gered worden. De boerenwoning echter, alsook de hooiberg en een pasgebouwde schuur, branden uit. Hoe had het zover kunnen komen?

De verklaring van chirurgijn Claas van Rode

De eigenaar van de boerderij, Hendrik van Hoven, had zo zijn eigen ideëen omtrent de oorzaak van de brand en verdacht de boer, Andries Spruijt. Op 2 en 16 maart en op 20 juli 1706 laat hij dan ook diverse mensen getuigen. Ze zijn unaniem van oordeel dat Spruijt door een daad van nalatigheid de brand in de hand had gewerkt. Zo verscheen op 2 maart 1706 voor de Alphense notaris Jacob van Dorp Claas van Rode, chirurgijn te Lisse.1 Hij verklaart dat Spruijt vanaf het voorjaar tot en met de maand juli van het jaar 1705 de boerderij van Keukenhof had gepacht van Hendrik van Hoven. Gedurende die periode was het meer dan eens voorgekomen dat Andries Spruijt ‘buijten het boerenhuijs’ vuur had aangelegd en wel vlak bij het karnhuis ‘omtrent een roede lengte van den hoijbarg’. 2 Spruijt was bezig om boven het vuur melkmouwen te blakeren, maar deed dat dus op een bijzonder gevaarlijke plek!3 Claas van Rode had het gezien en dacht ‘dat het wonder soude sijn indien daarvan geen brand in den Barg en soude komen’. En inderdaad, op diezelfde avond ontstond er brand in de hooiberg, waarna ook het boerenhuis in vlammen opging.

Diverse verhoringen

Op 16 maart 1706 wordt een aantal mensen ondervraagd over de brand op de boerderij van Keukenhof op last van Hendrik van Hoven.4 Allereerst is dat de tuinman van Keukenhof, Cornelis Everts. Verder komen we een zekere Annetje Cornelisdr. tegen, die tot de brand in juli 1705 in dienst was bij Andries Spruijt op de boerderij. Ook ontmoeten we Margaretha van Vries, die bevriend was met het echtpaar Van Hoven en op de Keukenhof bij hen inwoonde. Tenslotte komt Jan Mase aan het woord, die koetsier was bij Van Hoven. Allemaal zijn ze van mening dat Spruijt een uitermate lui en nalatig persoon was en zijn taken niet goed uitvoerde. Zo hadden Cornelis Everts en Jan Mase tijdens de hooibouw van 1705 op het land geholpen met hooien. Spruijt verrichtte de werkzaamheden evenwel niet naar behoren. Zo liet hij na om de twee wagens met hooi van het veld te halen. ’s Avonds, terwijl Spruijt al lag te slapen, heeft Everts toen de twee wagens van het veld gehaald. Hij liet ze achter bij de hooiberg in de veronderstelling dat Spruijt het hooi in de hooiberg zou steken, maar dat gebeurde niet.
De volgende dag stonden de wagens er nog steeds. Vervolgens ging het regenen, waardoor het hooi nat werd, want Spruijt had verzuimd het hooi behoorlijk af te dekken met stro, zoals gebruikelijk was. Hij stak nu het hooi nat in de hooiberg en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Diverse getuigen verklaren ook op die zestiende maart gezien te hebben dat Spruijt dikwijls een pijp rookte op gevaarlijke plaatsen, zoals vlakbij de hooiberg of tijdens het melken in de stal. Bovendien rookte hij vrijwel altijd een ongedekte pijp.5 Vragen om moeilijkheden dus! Verder bevestigt een aantal getuigen de verklaring van Claas van Rode dat Spruijt regelmatig vuur aanlegde bij het karnhuis, niet ver verwijderd van de hooiberg. Het viel Annetje Cornelisdr. bovendien op dat de brand in de hooiberg vooral woekerde aan de zijde waar Spruijt met zijn echtgenote diverse malen vuur had aangelegd.

Het woonhuis van de hofboerderij van Keukenhof . Foto:. A. in ‘t Veld

 

Laatste getuigenverklaringen

Op 20 juli 1706 verschijnen voor notaris Jacob van Dorp vier personen.6 Het waren Cornelis Onnosel7, gerechtsbode van Lisse, zijn echtgenote Titia ter Veer, Cornelis Gerritse de Swart, linnenwever van beroep en tenslotte een mevrouw Van den Berg, ‘tuinvrouw’ van beroep, weduwe van Cornelis Pieterse Larum. Onnosel – wat een prachtige naam! – verklaart in opdracht van Hendrik van Hoven dat hij uit diens naam Spruijt dikwijls had terechtgewezen. Hij had hem gezegd dat hij Van Hoven geen genoegen deed met zijn nalatig gedrag. Verder had hij tegen Spruijt gezegd ‘dat hij beter moest oppassen of dat hij de sak sou krijgen’. Hij had Spruijt op deze wijze diverse malen gewaarschuwd en telkens had Andries daarop geantwoord ‘dat hij beter oppassen soude’. De tweede en de derde getuige, Titia ter Veer en Cornelis de Swart, verklaren dat zij zich op de dag van de brand hadden bevonden achter het huis Keukenhof. Zij hadden gehoord hoe Van Hoven van leer had getrokken tegen Spruijt over ‘sijn traagheijt ende versuym’. ‘Twee uuren daar na’ hadden zij gezien hoe de hooiberg en het boerenhuis afbrandde. De vierde persoon, mevrouw Van den Berg, vertelt hoe zij in de maand juli van het jaar 1705 meermalen had gezien dat Spruijt en zijn echtgenote vuur aanlegden bij het karnhuis. Op 25 juli 1705, daags voor het uitbreken van de brand dus, had ze bovendien Spruijt een ongedekte pijp zien roken ‘digt aen de stijl van den hoijbarg’. Hij had vaker een pijp gerookt op plaatsen die brandgevaarlijk waren, zoals we reeds vernamen. Mevrouw Van den Berg had Spruijt daarover diverse malen aangesproken, want dat ‘daer uijt ongelukken ontstaen souden’. Al met al lijkt het er sterk op dat Andries Spruijt door zijn achteloosheid een ernstige brand veroorzaakt had, ondanks de vele waarschuwingen die aan zijn adres gericht waren geweest.
Inmiddels vragen we ons af wat, bijna een jaar na de brand, de zin was van al deze getuigenverklaringen.

Proces voor de vierschaar van Lisse, 1706

Al snel wordt duidelijk wat Hendrik van Hoven nu precies beoogde met de bovengenoemde verklaringen. Nadat de brand was geblusd, wilde Van Hoven Spruijt niet langer in dienst houden en werd hem dus ontslag aangezegd. Andries besloot hierop een brief te (laten) schrijven ter attentie van schout en schepenen van Lisse. In de brief lezen we dat hij ‘tot sijn leetweesen ende buijten sijn toedoen’ (!) genoodzaakt was een proces aan te spannen tegen zijn vroegere werkgever.8 Omdat hij echter ‘een arm boereknegt is en geenige de minste magt is hebbende’ verzocht hij door een procureur pro deo te mogen worden bediend. Die werd hem uiteindelijk toegewezen in de persoon van Jacob Camper.
Van Hoven werd dus voor het gerecht gedaagd! Vanuit dit oogpunt is het begrijpelijk dat de eigenaar van Keukenhof al gauw in de weer ging met het verzamelen van voor Spruijt belastende getuigenverklaringen. Het ging Jacob Camper namens zijn cliënt om het volgende. Spruijt had met ingang van 1 mei 1705 de boerderij van Keukenhof gepacht. De huurtermijn zou aflopen op 30 april 1706. Spruijt betaalde hiervoor de som van f 300,- per jaar. Hij had daarbij diverse zaken die zich in het boerenhuis bevonden tegen betaling moeten overnemen. Verder was overeengekomen dat Spruijt aan Van Hoven een Nieuwejaarsgift zou betalen ter grootte van een ducaat en ‘een gelijke ducaton’ met Kerstmis. De eiser, Andries Spruijt, had ‘in alle behoorlijkheid’ (de getuigenverklaringen spreken dat duidelijk tegen!) de tijd van drie maanden bij Van Hoven gewerkt. Daarna was hij ‘op een gans onbehoorlijcke wijse’ ontslagen. Omdat hij de huurtermijn niet had uitgezeten, wilde Spruijt nu een deel van de huursom terugzien. ‘Wijders een vierendeel booter, hondert pont kaas’ en hetgeen hij moest betalen aan vuur, licht en de vruchten uit de tuin die hij voor zijn huishouding nodig had. Het is duidelijk dat Spruijt in zijn eis behoorlijk ver ging. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat uiteindelijk de schepenen van Lisse de eis niet redelijk achtten en Spruijt veroordeelden tot het betalen van de kosten van het proces.9 En daarmee verdwijnt dan de naam Spruijt definitief uit de annalen van de boerderij van Keukenhof.

De schuren van de hofboererij van Keukenhof. Fot A. in ’t Veld

Besluit

We zijn inmiddels ruim drie eeuwen verder. Er is niets meer aan de boerderij van Keukenhof te zien wat eventueel nog zou kunnen herinneren aan de grote brand van 1705. Niets aan het metselwerk en al helemaal niets aan de spanten van het dak, daar het oorspronkelijke houtwerk al in de negentiende eeuw werd vervangen.10 Wat dat betreft is het opvallend hoe snel bepaalde gebeurtenissen in het verleden, indien ze niet duidelijk zwart op wit werden gesteld, voor het nageslacht verloren kunnen gaan. Gelukkig is de brand vrij goed gedocumenteerd, waardoor we dit verhaal aan de vergetelheid hebben kunnen ontrukken.

Bronnen

1 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 56.

2 Een Rijnlandse roede is ongeveer 3,77 meter. www.wikipedia.nl

3 Een melkmouw was waarschijnlijk een langwerpige, ondiepe bak waarin men melk liet staan om die te ontromen. Het blakeren maakte mogelijk deel uit van een reinigingsproces. Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal (achtste druk, ’s-Gravenhage 1961), p. 1233.

4 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 31.

5 Hiermee wordt een pijp bedoeld waarvan de zogenaamde ketel niet kon worden afgesloten middels een deksel.

6 Streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan den Rijn, notarieel archief Alphen inv. nr. 175, akte 67.

7 Waaraan de beste man zijn ietwat merkwaardige achternaam te danken had weten we niet. Onnosel betekende in het toenmalige taalgebruik dom, idioot of onschuldig. Naast gerechtsbode was Onnosel ook herbergier van het logement de Witte Zwaan.

8 Deze en navolgende gegevens ontleend aan: Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 93.

9 Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse inv.nr. 49, fol. 30.

10 Dit gezien de afmetingen van spanten en dakhout. Met welk soort materiaal het dak vroeger bedekt is geweest, valt niet met honderd procent zekerheid aan te geven. Het is goed mogelijk dat er aanvankelijk een rieten bedekking aanwezig was, maar dat men deze op een later tijdstip (bijvoorbeeld na de brand in 1705) heeft vervangen door dakpannen. Dit is ook bij boerderij Middelburg gebeurd in 1868. Met dank aan Ignus Maes.