Berichten

De Stationsweg door  A. Raaphorst Hz

In 1910 werd de hele Stationsweg vanaf het station bestraat, voorheen was het een bestraat karrenspoor. Het gedeelte in de bebouwde kom, de Steeg genaamd, was erg smal. Daarom werd bij de verkoping van het naastgelegen  landgoed Roozendaal, bepaald dat daar 2 straten vanaf de Heereweg moesten komen als omleidingswegen.

opgetekend door door A. de Koning

1 juni 2020

De Stationsweg heeft in het jaar 1910 deze naam gekregen, want voorheen noemde men deze straat tot het einde van het bebouwde gedeelte de Steeg en verder Delfweg. De oorspronkelijke naam is dan ook de Delfweg, waarschijnlijk genoemd naar het delven van turf vroeger daar ter plaatse. Tot het einde van het bebouwde gedeelte is deze weg bestraat omstreeks 1880. In het jaar 1905 werd vanaf het bebouwde gedeelte tot het station der H.IJ.S.M een paardenspoor van klinkerbestrating aangelegd van 80 cm breedte, dat schoot niet veel op en in het jaar 1909 besloot de Raad echter om de Stationsweg over zijn gehele lengte te bestraten. Bijzonder was dat dit werk niet werd aanbesteed maar door de Gemeente Lisse zelf uitgevoerd. Met de uitvoering daarvan werd in het voorjaar van 1910 begonnen en was in de zomer van 1911 gereed. Omdat het verkeer van en naar het station in de afgelopen jaren enorm was toegenomen en de Stationsweg aan beide zijden met hout was beplant, dus vooral in voor- en najaar moeilijk te begaan was, was deze bestrating een grote verbetering. Het Gemeente Bestuur, met zijn bestemmingsplan, ziet al lang uit naar een andere, betere en mooiere verbindingsweg van de Stationsweg met de Heereweg in de plaats van het zeer smalle en met minder mooie arbeidershuizen volgepropte gedeelte, wat men al van ouds de Steeg noemde. Dus besloot de Raad dan ook in verband met de publieke verkoping  van het Huis Roozendaal in het jaar 1913 om op twee in het uitbreidingsplan geprojecteerde en vanaf de Heereweg in noordoostelijke richting lopende straten, te weten aan beide kanten van het terrein van het Huis Roozendaal, een zodanig bouwverbod op te leggen, dat daar ter plaatse bij een eventuele bebouwing van dit terrein, twee straten moeten worden aangelegd ter breedte van 12 meters die een zodanige richting hebben dat deze later eventueel  met de Stationsweg  in verbinding kunnen worden gebracht. Met de bouw van de villa van de heer Leen Tol aan de noordoostzijde van de stationsweg op het land van de firma G. van der Meij, ook reeds rekening is gehouden met bovengenoemde verbindingsweg. Aan de zuidwestzijde van de Stationsweg, strekkende langs de tuin Berkhout, bevond zich een ordeloze houtwal met hoog opgaand geboomte. Deze houtwal werd in het jaar 1905 gerooid en in de plaats daarvan een haag geplant.

Bron: Arie Raaphorst Hzn. Boek No.172 A breed

Bibliotheek Vereniging Oud Lisse

De Stationsweg, in de bebouwde kom de Steeg genoemd, was te smal

 

Groenten-drogerij en -inmakerij  “CODRO” en die van Leo van Grieken door  A. Raaphorst Hz

Tijdens de eerste wereldoorlog waren de bollen niets waard. Daarom werd er massaal overgegaan op het telen van groente. Daartoe had Leo van Grieken een groentedrogerij en groente-inmakerij aan de Leidsche Trekvaart. Een grote coöperatieve drogerij was Cordo, die een drogerij bij Piet Gijzenbrug had. De leden verhandelden het meeste.

Opgetekend door Arie de Koning

1 juni 2020

De Grote Europese Oorlog 1914 – 1918 heeft zeer vele wantoestanden geschapen, maar ook eveneens vele andere, betere en nieuwere dingen tot stand gebracht.  De grote tegenslag in de Bloembollencultuur heeft de kwekers er noodgedwongen toe gebracht om zich te gaan toeleggen op het telen van allerlei soorten van groenten. Het gevolg hiervan was dat vooral in het jaar 1917 bij alle kwekers alle beschikbare grond en paden met allerlei soorten groenten was beplant. Dat voor de reeds in 1916 verbazende grote hoeveelheden groenten een afzetgebied moest worden gevonden behoeft geen betoog, En dat werd dan ook gevonden, deels in het uitvoeren in versche staat naar Duitschland en deels door drogen en verduurzamen en dan uitvoeren naar alle streken der wereld. Hiervoor werden op vele plaatsen inmakerijen en drogerijen opgericht. Lisse had ook zijne eerste groente drogerij en inmakerij, die gebouwd werd aan de Leidsche Trekvaart en voor rekening van de Bloembollen Exporteur Leo van Grieken die in 1917 zelfs niet eens reizigers heeft uitgezonden om bloembollen te verkopen omdat in de groenten grote kapitalen werden verdient en doordat de bloembollenhandel nu eenmaal aan  allerlei omstandigheden  onderhevig  was.

Wegens  de door de oorlogstoestand geschapen abnormale omstandigheden voor de Bloembollen cultuur, en het feit dat door alle kwekers het telen van groenten op grote schaal in toepassing werd gebracht, werd in het voorjaar van 1917, op initiatief van eenige kwekers opgericht: De Eerste Coöperatieve Groenten – drogerij –  Inmakerij en Handel  voor de Bloembollenstreek: “CODRO”  Deze Vereniging stelde zich ten doel om de door de bonafide bloembollenkwekers  geteelde groenten  langs Coöperatieve weg te drogen, in te maken  of in versche staat te verhandelen. Van deze Vereniging konden alleen diegene lid worden die het bloembollen kwekersbedrijf als hoofdbedrijf uitoefenden. Het bestuur van deze Vereniging met de Heer Krelage aan het hoofd verkreeg van de Minister van Landbouw het voorrecht, dat voor de leden van Codro, inzake de uitvoer der groenten zeer gunstige bepalingen werden gesteld. De Minister stelde zijnerzijds de bepaling dat Codro zich ten doel stelde de instandhouding van het bloembollen bedrijf. Alleen op deze voorwaarde beloofde de Minister gunstige bepalingen omdat hij zich alleen dan kon verantwoorden tegenover andere groentetelers die geen lid konden worden van Codro. Tegenover de kritiek die deze bevoorrechting heeft ondervonden van de zijde der andere groentetelers, is het goed dat dit geschreven wordt, anders zouden niet ingewijden ook tot de conclusie komen dat de Minister werkelijk de een bevoorrechtte boven de ander. Deze bevoorrechting bestond hieruit dat de Leden van Codro van elke soort groente een groter percentage voor de export mochten verkopen dan de niet leden. Bij voorbeeld de groene uien mochten voor 100% door Codro uitgevoerd worden en door niet leden maar 60%. Men zou algemeen verwachten dat alle bollenkwekers direct lid van Codro zouden worden, maar dit was lang niet het geval.  Doordat de oprichting van Codro voor de particuliere handelaars en exporteurs in groenten een strop was behoeft geen betoog en door dezen zoveel mogelijk werd afgetakeld. Het gevolg was dat vele kwekers zich lieten ompraten en geen lid werden, voor al niet omdat er nogal enig financieel bezwaar aan was verbonden, want de leden van Codro moesten voor elke hectare die zij in cultuur hadden een aandeel nemen van ƒ100,- en voor elke hectare bovendien een contributie betalen van ƒ5,- en voor elke hectare ƒ1,50 voor registratie. Op de aandelen behoefde echter voorlopig maar ƒ25,- per aandeel gestort te worden waarvoor een rente vergoed werd van 5%. Toen men echter zag welke voordelen het lidmaatschap van Codro direct afwierp, werd de toeloop groter zodat wij op het ogenblik (1917) gerust durven veronderstellen dat minstens 95% van de kwekers als leden zijn toegetreden. Door Codro werd ene eigen groenten-drogerij en inmakerij gesticht aan de Piet Gijzenbrug, terwijl zij tal van andere drogerijen heeft gecontracteerd voor het drogen van de groenten van de leden. Behalve voor verschillende soorten van groenten hebben de leden van Codro zich ook verplicht om de Bloembollen voor abnormaal gebruik, bijvoorbeeld voor veevoeder alleen te verkopen door middel van Codro, om te voorkomen dat deze bollen als veevoeder in het buitenland verkocht niet als normaal gebruik worden gebezigd en zo een hogere prijs af te kunnen bedingen. Van de handel in bloembollen voor abnormaal gebruik is intussen niet veel terecht gekomen, omdat de Minister van Landbouw de uitvoer van Hyacinten, Tulpen en Krokussen voor abnormaal gebruik niet heeft toegestaan en deze bestemd moesten blijven als veevoeder voor het binnenland. Dit was voor de bollenkwekers een grote tegenvaller omdat de prijzen in het binnenland minstens 50% lager waren als de prijzen die in het buitenland konden worden bedongen. Alleen Narcissen konden worden uitgevoerd maar hiervoor kon weer geen vervoer worden gesteld. Door een bloembollenfirma in Lisse, de Gebr. Rijnveld, werden de Narcissen opgekocht voor 4ct per kilo waarna deze firma deze bollen verwerkte in stijfsel en lijm. Maar ook deze handel moest worden stopgezet omdat het Rijks Kolen bureau voor dit bedrijf geen brandstof ter beschikkeng kon stellen. De Heinrich Riesen die door de kwekers in grote hoeveelheden voor zaad werden geteeld en in het buitenland konden worden verkocht voor ƒ200,- per 100 kilogram, moesten echter aan de regering worden afgestaan voor ƒ50,- per 100 kilogram.  Het heeft lang geduurd voor de teelt en verkoop van bloembollen zich had hersteld.

Bron:

Arie Raaphorst Hzn. Boek No.172 A breed

         Bibliotheek Vereniging Oud Lisse

Bevolking van Lisse van 1795 tot en met 1913 door  A. Raaphorst Hz

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913.

Opgetekend door Arie de Koning

 1 juni 2020

 

De bevolking der Gemeente Lisse bedroeg in 1795  1062 personen.

 

Jaar                       Personen

1854                          1826

1860                          1732

1870                          1994

1880                          2648

1890                          2775

1896                          3489

1897                          3643

1898                          3776

1899                          3891

1900                          4009

1901                          4184

1902                          4426

1903                          4574

1904                          4614

1905                          4769

1906                          4915

1907                          5057

1908                          5245

1909                          5483

1910                          5759

1911                          5977

1912                          6102

1913                          6309

Bron:  A. Raaphorst Hzn,  Dagblad  Correspondent te Lisse

Bevolkingsgroei van 1854 tot 1913

 

 

De Oude en de nieuwe Agathakerk door  A. Raaphorst Hz

De geschiedenis van de katholieke kerk vanaf de Schuilkerk aan de Mallegatsloot en de oude en de nieuwe kerk aan de Heereweg tot 1912 wordt beschreven.

Opgetekend door Arie Koning

1 juni 2020

Aanteekeningen op het Dorp  en  de  Gemeente  Lisse door  A. Raaphorst Hz., dagbladcorrespondent

 1912

de  R.K.  Kerk

Na de Hervorming hadden de Roomsch Katholieken alhier slechts eene Statie welke was vereenigd met die te Warmond, Voorhout en Sassenheim, op welke laatste plaats de Pastoor zijn verblijf hield. Zoals met hoogstwaarschijnlijk wel zal begrepen hebben had Lisse met de drie bovengenoemde dorpen slechts eene Pastoor. Zoals ons uit de geschiedenis bekend is verkreeg deze plaats in het jaar 1667 eene eigen Pastoor namelijk  Johan van der Werve, deze overleed op 1 Juli 1697 en werd opgevolgd door Lambert Schaap, die op 10 April reeds kwam te sterven. Na hem is gekomen Arnoud de Leeuw, door wien het Kerkgebouw is gesticht, hetgeen tot het jaar 1842 heeft gestaan aan de noodwestzijde van de Achterweg tusschen de Cathreinenlaan en de brug over de Mallegatsloot ook genoemd de Klopjesbrug, op de plaats waar  thans nog is gelegen de oude boerenhofstede , thans bloemisterij en genaamd “Bloemenhof”. Deze bloemisterij behoorde vroeger aan de Grafelijke familie van Lijnden en werd in 1904 bij publieke verkoping gekocht door de heer C. Prins Dz. In het jaar 1842 echter hebben de Roomsch Katholieken een ander en grooter kerkgebouw  gekregen. Het heeft gestaan op de plaats waar thans het nieuwe kerkgebouw is gesticht geworden. Dit kerkgebouw  behoorde in die dagen tot de grootste  dorpskerken van Nederland, maar was niettemin een eenvoudig gebouw. Het was een vierkant gebouw zonder pilaren met een haaksche kap afgedekt en pannendak. De Pastorij was gelegen aan de achterzijde van het kerkgebouw met als uitzicht het Haarlemmermeer met de voorgelegen weilanden. Een sierlijk houten torentje prijkte ter hoogte van de voorgevel. Het gebouw was 25 meter van de straatweg  af gelegen. Het gebouw stond lijnrecht van de straatweg  en stond dus niet zoals men dat noemt in de H. Linie. Ter rechterzijde was de toegang tot de Pastorij  en de ruimte tusschen  de kerk en de stinksloot was beplant met allerlei houtgewas en vormde alzoo een prachtig Bosch. Ter linkerzijde was de toegang naar het kerkhof zelve gelegen, hetgeen met de bouw van de nieuwe kerk op dezelfde plaats is gebleven. Ten linkerzijde van het voorplein  had men voorts het zogenaamde paardenhok, waar de boeren die per rijtuig ter kerke kwamen hun gezet met de paarden ervoor stationeerden terwijl dit paardenhok met twee gelegenheden genaamd “W. C.”, aan de zijde van de straatweg werden geflankeerd door een boschje van hoog opgaande boomen. De toegang tot het voorplein en de kerk, benevens alle hier beschreven dingen, werd verleend door een ijzeren hek, hetzelfde wat ook thans nog aan de dorpszijde toegang verleend  tot de kerk. Het ijzeren hek is met den bouw van de nieuwe kerk ook niet verplaatst geworden, zodat men aan het kerkhof en dit hek zeer gemakkelijk kan uitmaken waar ter plaatse de oude kerk heeft gestaan, te meer als ik zeg dat het hek vlak voor de ingang der kerk stond en de ruimte tusschen het kerkhof en de kerk slechts twee meter bedroeg. Over het inwendige der kerk kunnen wij het volgende zeggen, Namenlijk: dat het vierkant was. Zonder pilaren, helder witte muren en een cirkelrond plafond, eveneens wit. Het priesterkoor was betrekkelijk groot want het nam de gehele breedte van de kerk in beslag. De kerk had slechts een altaar. Eene mooie gebeeldhouwde preekstoel was geplaatst ter linkerzijde van de kerk en binnen het priesterkoor. Ter rechterzijde en eveneens binnen het priesterkoor, bevond zich een fraai gotisch doopvont, zoo men zegt was dit een geschenk van de toenmalige Ambachtsheer van Lisse, Baron van Heereman van Zuidwijk te Munster. Dit doopvont heeft ook weer een plaats gevonden in de nieuwe kerk. Ter linkerzijde in het priesterkoor bevond zich de toegang naar de biechtkamer van de Pastoor en ter rechterzijde de toegang naar de sacristie. De vrouwen waren gezeten in het midden der kerk in banken voor 12 personen en de mannen aan beide zijden in banken van 4 personen. De kerk had dus drie regels banken  en 2 paden. De Communiebank was van eikenhout en prachtig gebeeldhouwd. Na ingekort te zijn is deze geplaatst in de Kapel van het Agatha Gesticht

In het midden der kerk hingen vanaf het plafond een viertal prachtige Kaarsenkonen, die natuurlijk de laatste tijd geen dienst meer deden omdat men petroleumlampen had aangebracht. Behalve de beelden van Maria en Joseph prijken in nissen boven het altaar de beelden van Mozes en Aaron. Een schilderstuk voorstellende de H. Agatha, patrones der kerk prijkte boven het altaar. In de loop der tijden had men wegens uitbreiding der kerkgemeente eene galerij aangebracht over de gehele breedte van het gebouw, welke 100 zitplaatsen bevatte. Daarenboven bevond zich het zangkoor, waarop ook nog 20 zitplaatsen. De kerk had maar eene ingang welke zich bevond midden van de voorgevel. Ter linkerzijde van het grote portaal had men de toegang tot de galerij in het zangkoor. In de toren bevond zich een uurwerk met wijzer om volle uren. Ook bevond zich in de toren een klok die blijkens het opschrift bij de bouw dezer kerk door W. Verdegaal is gegeven maar vroeger bij anderen dienst heeft gedaan, tenminste te oordelen naar het opschrift hetgeen luidt als volgt:

 

                                                          Me  fecit  Ciprianus  Crans  Janszoon

                                                                    Amsteledami   anno  1748

                                                                Int  jubeljaar der  Vrijheid  1748

 

                                     De vredemaker    G. Hasselaer  Heer wierdt en A. Slob Schout van

                                          Cudelstaart en T. van Prince  v.d  Bezworen – kerf  – waren

                                                                 Ben ik door J.V. van Pauaart

 

                                                           Admin:  Burgem: bezorgd te maken

 

 Dit is zooals men zal begrijpen het oorspronkelijke opschift,  terwijl  aan de andere kant van de klok

het volgende is gegraveerd:

                                                             Gegeven  door  W. Verdegaal 

                                                                              1842

Wij kunnen de beschrijving van de oude kerk besluiten met te zeggen met te zeggen dat de eerste bank (mannen aan de rechterzijde, of zuidzijde), was gereserveerd voor de familie Heereman  van Zuidwijk voor het geval  dat zij zich te Lisse bevonden.

de Nieuwe Kerk

Reeds lang voor dat de nieuwe kerk was gebouwd  was het oude kerkgebouw veel te klein voor de steeds toenemende bevolking der Katholieke Gemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkzaamheden van de bouw eener nieuwe kerk waren echter veel te zwaar om de zwakke schouders  van de beminde  herder dezer Parochie, Pastoor H.Th van Vlasselaar. Een ieder ondervond het dat de kerk veel te klein was, maar ook eenieder was er ten volle van overtuigd dat de werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk niet gelegd mochten worden op de steeds in krachten afnemende schouders van Pastoor van Vlasselaar, en daarom wachtte men de tijd af ….
De tijd was eindelijk daar, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: “Pastoor van Vlasselaar is dood.” Hij die 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder was geweest van de Parochie van de H. Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij; beweend niet alleen door de katholieken zelf, maar evenzeer door de niet-Katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen, zonder onderscheid en bovendien een weldoener der armen zonder weerga. Zijne nagedachtenis zal dan ook voortleven in de harten van allen die hem  gekend hebben.

Hij is begraven in het priestergraf op het kerkhof alhier en een eenvoudige zerk siert zijn graf. Pastoor van Vlasselaar werd opgevolgd door B.J. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Zodra de opvolger van pastoor van Vlasselaar  zijn intrede had gedaan, werden er plannen  ontworpen om eene nieuwe kerk. Doordat de nieuwe te stichten kerk moest komen op de plaats waar de oude stond, moest er vooraf eene noodkerk worden gebouwd. In het voorjaar van 1902 werd ter plaatse waar thans de Bondsstraat is en het aan die straat gelegen gebouw  van het Pius Gesticht gelegen is, een groot houten gebouw opgetrokken zodra deze noodkerk  gereed was werd zij plechtig  ingewijd door de Deken van Warmond, de  Zeer Eerwaarde Heer Smeulders. De oude kerk werd spoedig daarna voor afbraak verkocht en gesloopt. Niet lang daarna werd begonnen met het storten van beton want paalfundering bleek niet nodig te zijn. Het werk vorderde voorspoedig want op 6 juni 1902 had de  plechtige eerste steenlegging door de Deken van Warmond, de Zeer eerwaarde Heer Smeulders. De gedenksteen, waarin zich de Oorkonde bevindt van de eerste steenlegging, is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuider tranche tegen de kant van het H. Joseph Kapel. Het opschrift luidt als volgt: Hune primarium Lapidum Postuut  R. adm  Ds.  Nicolaus  Johannes Smeulders. MCMII.

We hebben tot op heden steeds gesproken van de bouw ener nieuwe kerk, maar eigenlijk dient er gesproken te worden van Kerk en Pastorij. De Pastorij, een groot gebouw in oud Hollandsche stijl op getrokken , was voor de kerk al gereed gemaakt, omdat de pastoor gehuisvest  was in het pas voltooide St, Agatha Gesticht en de beide Kapelaans bij de Kerkmeester J. Riggel. In verband met de bouw van de Pastorij willen we nog opmerken dat er in verband met een opschrift, eene kwestie ontstond  tusschen de Pastoor en de Burgemeester. Dit opschrift stond in eene zandsteen  uitgehouwen boven de portiek van de hoofdingang. Dit opschrift luidde als volgt:

                                                 Dye dit niet an mogh staen

                                                    Moet maar voorbije gaen

Deze spreuk was genomen uit de dichtwerken van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende  dat dit opschrift eene uitdaging was voor de andere kerkelijke gezindten  en stond er daarom op dat dit opschrift zou verdwijnen. Wij voor ons hebben altijd gemeend dat het een zeer kleinzielig idee was van de Burgemeester, die  Katholiek zijnde, steeds van mening was dat hij zijne onpartijdigheid  niet beter in toepassing wist te brengen dan de Katholieken kleinzielig te behandelen. Van de andere kant moeten wij ook getuigen dat dit opschrift enigszins verwonderlijk was en in elk geval met geen enkele gebeurtenis in verband was te brengen. Enfin, de steen werd weer glad gehakt en de volgende dag prijkte deze met een ander opschrift, namelijk:

Anno Domino  MCMII

Na een ruim jaar daaraan te hebben gewerkt  was de Kerk zelve gereed en werd deze op Donderdag  6 Augustus 1903 door  Z.D.H. de Aartsbisschop van Utrecht plechtig geconsacreerd, door de Aartsbisschop van Utrecht?  zult u vragen, hoe kwam dat? Dat kwam namelijk zoo, eenige dagen voor de kerk zou worden geconsacreerd, overlijdt de Bisschop van Haarlem, Mgr., Bottemanne. Hoewel deze Bisschop reeds hoog in jaren was, had hij echter nog geen wij of hulpbisschop. Juist toen de bemoeiingen hiervan gaande waren kwam Haarlems Bisschop te overlijden. Deze bemoeiingen waren bij de dood van Mgr. Bottemanne reeds zo ver gevorderd dat de benoeming van

Mgr. Carlier en de doodtijding van Mgr. Bottemanne, elkaar hebben gekruist, zoodat de benoeming van Mrg. Carlier eerst arriveerde ná het overlijden van Mrg. Bottemanne, en dus ongeldig was. Zoodoende wilde het toeval dat de Bisschopszetel van Haarlem, dus onbezet was, en wel, juist toen de nieuwe kerk geconsacreerd moest worden. Ziedaar de oorzaak dat deze door Mgr. van de Wetering werd ingewijd. Nu keeren we weer terug naar de Kerk zelven. De kerk is ontworpen en gebouwd  door de Architect Jean H. van Groenendaal te Amsterdam, zoals men kan zien op eene zandsteen boven de hoofdingang aan de binnenzijde der kerk. De kerk is zonder inschrijving gegund

Het gebouw heeft eene lengte van 60 meters en eene breedte van 19 meters, terwijl  het Transept 29 meters breed is. Behalve de 75 meters hoge klokkentoren heeft de kerk ook nog eene Angelustoren , welke geplaatst is op het midden der Kruisbeuk. Zij heeft ongeveer 1200 zitplaatsen en is een der grootste Parochiekerken  uit de omtrek. Ook de toren is een der hoogste uit de omtrek en is uren ver in de omtrek te zien. Deze toren heeft eene zeskantige vorm en twee open gaanderijen en wel eene op 40 meters en eene op 65 meters Hoogte. Zij heeft eenen stenen onderbouw van 40 meters hoogte, verdeelt in 4  verdiepingen. De spits is van hout en heeft met inbegrip van de peer van het kruijs een hoogte van 35 Meters. Het beneden gedeelte wordt gebruikt voor portaal.

PARELTJE van 30 cent uit de VOL verzameling

Arie Raaphorst heeft in 1922 een boekje gemaakt met de titel Gids voor een wandeling langs de bloembollenvelden in Lisse. In dit 32 pagina’s dikke boekje gaat hij in op alle historisch belangrijke gebouwen, al of niet meer bestaan in die tijd. Het boekje is in bezit van de VOL.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Onze bibliothecaris Jos van Bourgondiën liet mij een boekje zien uit de verzameling van de vereniging. Een Gids voor een wandeling langs de bloemenvelden in Lisse uit 1922, geschreven door A. R. Hz. Achter deze initialen gaat Arie Raaphorst schuil. Het zeldzame en kwetsbare gidsje is uitgegeven en gedrukt door de Lissese boekhandelaar P. de Vries. In dit exemplaar zijn in handschrift verbeteringen en aanvullingen aangebracht. Voorin staan de namen Arie Raaphorst en P. H. Raaphorst. Het is duidelijk uit de familie afkomstig, maar niet zeker is van welke hand de wijzigingen zijn.

Piet de Vries

Piet de Vries, geboren 27 juni 1880 in Lisse, was bij zijn huwelijk op 2 september 1908 boekhandelaar in Lisse. Bij zijn overlijden op 5 maart 1951 op 71-jarige leeftijd woont hij nog steeds in Lisse, maar is zijn beroep boekdrukker. Daarnaast had De Vries een advertentiebureau. Mensen konden bij hem advertenties opgeven die in de locale en landelijke pers werden geplaatst. Ten tijde van de uitgave van het gidsje was zijn zaak gevestigd aan de Grachtweg 33. Deze moderne ondernemer beschikte over telefoon.

Raaphorst

Arie Raaphorst Hz of Hzn (1880-1948), de schrijver van het gidsje, werkte als journalist bij de Leidsche Courant. Van 1928-1938 was hij penningmeester-secretaris bij de HBG.
Eerder pende hij de geschiedenis van Lisse neer en gaf die de titel “Aanteekeningen op het Dorp en de Gemeente Lisse”. Deze belangrijke bron voor de historie van Lisse is gedeeltelijk gepubliceerd in afleveringen van het VOLNieuwsblad en is in handschrift in het bezit van de VOL.

Toerisme, vervoer en gidsjes

In het eerste kwart van de twintigste eeuw groeide het toerisme. Vervoersmogelijkheden waren sterk verbeterd, de  mensen beschikten over meer vrije tijd en geld. Ondernemers in plaatsen met aantrekkingskracht op vakantievierders en dagjesmensen brachten toeristische gidsjes uit met informatie over hun streek, veelal voorzien van plattegronden. Zo ook Piet de Vries. De bloeiende bollenvelden immers zorgden in het voorjaar voor topdrukte op de Lissese wegen. De tram tussen Haarlem en Leiden, de Bollenlijn, reed op zondagen extra ritten met een lange sleep rijtuigen. De Vries gaf journalist Arie Raaphorst Hzn opdracht een gidsje te schrijven dat de dagjesmensen te voet langs de mooiste bollenvelden van Lisse zou voeren. In zijn inleiding bij het gidsje schrijft Raaphorst dat hij wil wijzen op wat er nog is, maar ook “met een enkel woord” terug wil gaan “tot de geschiedenis van vroeger tijden”. Mochten er lezers zijn die in het boekje gebreken vinden, dan staat hij open voor “zakelijke critiek”. Dat enkele woord is wel een understatement.
In dit 32 pagina’s tellende gidsje gaat hij in op de historie van Lisse en zijn bezienswaardigheden.
Of ze er nog zijn of niet.

Wandeling door de historie van Lisse

Pagina uit het boek

Zo beschrijft hij de geschiedenis van de buitenplaats Berkhout, waarvan alleen de tuin rest, en die van het landgoed Meerenburg, al begin 19de eeuw gesloopt. Dever ligt er in 1922 rampzalig bij, maar Raaphorst wijdt vijf pagina’s aan de bouwkundige aspecten van wat er ooit was.
Het fraaie interieur van de Sint-Agathakerk krijgt een uitgebreidebeschrijving, evenals dat van hetraadhuis. De schrijver beseft wel de economische noodzaak van de afgraving van duin en bos, maar betreurt toch de “verdelging van al dit natuurschoon”, de afbraak van een buitenplaats als Veenenburg en de afzanding van de gronden daarvan. “Heeft men dan nooit genoeg? Moet alle pracht, die de natuur ons schenkt, dan daarvoor verdwijnen”. Deze en andere opmerkingen geven het gidsje een persoonlijk tintje. Dankbaar is hij de familie Van Lynden, waarbij hij hoopt dat het landgoed Keukenhof “voor ons en voor ons nageslacht gespaard mag blijven voor de schendende hand onzer hedendaagsche cultuur”. Veel van wat de wandelaar anno 1922 nog zag is afgebroken, bloembollencomplexen, bollenvilla’s, maar Dever is gerestaureerd en Keukenhof behouden. Raaphorst laat de tramreiziger uitstappen bij de halte “in het Vierkant” en een verfrissing in hotel “De Witte Zwaan” gebruiken. Dan volgt een wandeling die ook nu nog gemaakt zou kunnen worden.

Raaphorst de verteller

Het gidsje voert de wandelaar zuidwaarts richting Sassenheim, langs de eeuwenoude kerk van de Ned. Herv. Gemeente met de toren van tufsteen. In het portaal van de kerk vindt men de grafsteen van de gouverneur van de Kaapkolonie Willem Adriaen van der Stel. Raaphorst prijst de verbeteringen die door het kerkbestuur zijn aangebracht: de kerkhofmuur en de nieuwe kosterswoning in oudhollandse stijl. Dan in dezelfde stijl het raadhuis uit 1907. Het
katholieke bolwerk – Agathakerk, huize Pius, Agatha gesticht voor meisjes en de RK jongensschool – bespreekt de schrijver tot in detail. Zo noemt hij vol trots de bouwers van de jongensschool de gebroeders Barnhoorn. Volgt het bloembollencomplex van de Gebroeders Segers aan de Heereweg. Voor de Jannetjesbrug over de Vennesloot staat het prachtige landhuis van A.Verduin jr (De Venne) en heeft men zicht op de “Rijkstuinbouwwinterschool voor de Bloembollenstreek”.

Een wandeling door Lisse door A. Raaphorst.

Raaphorst vraagt de wandelaar plaats te nemen in het gras tegenover de ingang van Dever. Hij wil graag wat vertellen over het verleden van de ridderhofstede en zijn bewoners. Met pijn in het hart kijkt hij naar de ruïne. De hoge walmuren gesloopt, de grachten gedempt, het geboomte gekapt en gerooid. Ontdaan van alles is het “een blijvende bespotting, naakt en kaal tusschen de producten onzer hedendaagsche culturen in, door niemand geëerd, ook niet door hen die daarvan de eigenaars zijn”. Dan rechtsaf naar de Catharijnelaan, waar de schrijver wijst op de oude boerenhofstede “Bloemenhof” waarbij ooit de oude RK kerk stond (niet meer aanwezig). Rechtsaf naar de Achterweg langs “Grootenhof” en de overblijfselen van Huis ter Spekke. Linksaf de Spekkelaan op langs de bloemenvelden richting Loosterweg. Raaphorst geeft de wandelaar de mogelijkheid linksaf te slaan de Loosterweg op naar het Reigersbos en de bossen van Wassergeest, maar zijn wandeling voert nu rechtsaf weer de Loosterweg op dwars door de bossen van Keukenhof, over het erf van het kasteel en dan rechtsaf, door de ‘Rasters” terug naar het dorp. Aan de linkerhand ziet men Zandvliet, met de mooie vijver en brug (nu bloemenpark Keukenhof), dan weer volop uitzicht op de bloemenvelden in vakken gedeeld door heggen, in de kromming van de weg de villa Veldhorst met de bollenschuren van G. van der Mey’s Zonen (de laatste afgebroken). Rechts de tuin Berkhout en aan het einde van de weg het postkantoor (afgebroken). Linksafslaand komt men bij Roosendaal  gesloopt), dan passeren we de mooie witte villa “Maria”, een ontwerp van de Haarlemse architect J. London. Voortgaande het bollencomplex “Welbedrogen”, waar ooit het landgoed Meerenburg lag, de villa’s  Buitendorp en Magnolia (waarvan de sloop in 1991 leidde tot de oprichting van de VOL). Aan de linkerhand ligt de villa Somalo, een ontwerp van architect Leen Tol, en Becorsa (gesloopt) en het verdwenen buiten Wildlust. Na een blik op het buitentje Bloemoord, staande op een duintje, en de Steenfabriek, is het tijd voor een verfrissing in de Nachtegaal.

De entree van het buiten “Veenenburg” vanaf de Loosterweg

Bij de Nachtegaal slaan we de Zwartelaan in, jaar het bollencomplex van de Gebroeders Veldhuyzen van Zanten staat (verdwenen). Op de brug een magnifiek uitzicht op de bloemenvelden, waar 25 jaar daarvoor nog dicht bebost duin was. Aan het eind van de Zwartelaan lag het ook toen al verdwenen buiten Veenenburg, waarvan Raaphorst een foto van de ingang plaatst, met rechts zicht op het van hout opgetrokken Duinlust. We slaan linksaf de Loosterweg in, passeren “De Looster”, komen weer bij de Stationsweg en slaan weer linksaf naar het dorp

.

Mevr. Bep de Vos-Elfering heeft een olieverfschilderij uit ongeveer 1910  geschonken. De Agathakerk met de oude toren staat er op afgebeeld.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Schenking historisch olieverfschilderij van Lisse De Vereniging Oud Lisse is bijzonder verguld door de schenking van een uniek schilderij van het dorp Lisse door Mevr.Bep de Vos-Elfering en haar man uit Schiedam. Op dit kleurrijke historische olieverfschilderij uit ca.1910 is de St.Agathakerk afgebeeld (gebouwd in 1903) met de oude ranke toren die in 1930 is vervangen, de Gracht met zijvertakking achter de Schoolstraat en de Kapelleweide op de voorgrond.

Het schilderij is geschilderd door Jan Bakker in opdracht van Arie Raaphorst aan de hand van oude ansichten. De
Lisser Arie Raaphorst (1880-1948), grootvader van Bep de Vos-Elfering, was een inspirerende journalist, die
een aantal interessante geschriften naliet waarin hij het reilen en zeilen van de Lissese samenleving weergaf. Een werkgroep van de Vereniging Oud Lisse is bezig om delen hieruit te vergaren en publiceert wetenswaardige delen hieruit in het Nieuwsblad van de Vereniging. Zie b.v. het artikel over Raaphorst in het Nieuwsblad van juli 2007 (jaargang 4 nummer 3). Het schilderij werd tijdens een feestelijke bijeenkomst op dinsdag 28 juli 2009 aan de Vereniging Oud Lisse aangeboden door mevr. Bep de Vos-Elfering en haar man.
Bep vertelde dat ze de website van de Vereniging Oud Lisse zat te bekijken, waarin over de bijzondere geschriften van Raaphorst wordt verhaald. Deze geschriften zijn nu in het bezit van de erfgenamen van haar overleden neef Aad Maarschalk in Lisse. Bep’s moeder was de dochter van Arie Raaphorst en zelf is ze dus zijn kleindochter. Vandaar dat
ze in het bezit kwam van dit bijzondere schilderij van de St. Agathakerk, dat haar grootvader destijds heeft laten schilderen. Het oude schilderij hing altijd in de kamer van Bep’s moeder. Na haar overlijden is het bij haar terecht gekomen. Het stond altijd maar in haar kast. Gezien de getoonde grote interesse voor Arie Raaphorst op de website
van de Vereniging Oud Lisse, heeft ze ons benaderd met de vraag of wij belangstelling voor het schilderij hadden en dat ze het ons wilde schenken, mits het een goede plaats kon krijgen in ons Cultuur Historisch Centrum.
Aan dit verzoek hebben wij volmondig voldaan en het een prominente plaats gegeven in de grote vergaderzaal in ons centrum, “De Vergulde Zwaan”, 1e Havendwarsstraat 4 in Lisse. Als dank heeft het bestuur Bep en haar man een bos bloemen aangeboden en een jaar gratis lidmaatschap van onze Vereniging Oud Lisse.

De heer en mevr. de Vos met het schilderij van de Agathakerk.
foto CP Balkenende

Het wonderlijke avontuur van de gasfabriek deel 2

In de geschriften van Arie Raaphorst wordt alle politieke perikelen rond de bouw van de gasfabriek besproken. Ook de problemen met het buizenstelsel door het dorp wordt besproken.

Het wonderlijke avontuur van de gasfabriek deel 1

De Lissese gasfabriek is niet meer. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw velde de slopershamer de fabriek die door de komst van het aardgas niet meer noodzakelijk was. Het was een fabriek die heel wat keren over de tong der politici is gegaan en al ver voordat de eerste spade de grond inging de emoties hoog deed oplaaien.

Liefdevolle verzorging ouderen in ‘Piusgesticht’

door Arie in ’t Veld

Uit De Lisser van 20 augustus 2008

Toen en nu: het bejaardenhuis van Lisse

LISSE – Alhoewel in het begin van de vorige eeuw het begrip bejaardencentrum of woonzorgcentrum nauwelijks bestond, had Lisse naast de Agathakerk toch echt een centrum waar de ouden van dagen, zoals die indertijd genoemd werden, hun laatste dagen konden slijten en voor toentertijdse begrippen goed werden verzorgd. Arie Raaphorst, rond 1900 plaatselijk perscorrespondent, heeft veel over met name het centrum van Lisse in schriftjes vastgelegd en beschreef ook het ‘Piusgesticht’. De volgende tekst is in de tegenwoordige tijd gesteld, omdat daarmee de letterlijke tekst van Raaphorst wordt gevolgd.

‘Het Pius gesticht werd gebouwd in het voorjaar van 1909 door en voor rekening van het R.K. parochiaal Armbestuur. Vermeld diendt te worden dat de President der heer Hugo van Graven het leeuwendeel heeft gehad in de oprichting van deze prachtige instelling. In dit gesticht worden liefdevol verpleegd en verzorgd de ouden van dagen zoowel mannen als vrouwen en bovendien is het ingericht voor Pensionaat met eerste, tweede en derde klas bediening en huisvesting. Het is een grootgebouw en heeft langs de Heerenweg eene gevellengte van 39 meter en drie verdiepingen en in de Bondstraat eene lengte van 45 meter en twee verdiepingen.
De Hoofdingang bevind zich aan de Heerenweg op den hoek bij de Bondstraat, terwijl in de Bondstraat de ingang is voor dagelijks verkeer. Het gesticht heeft een eenvoudige maar ruime kapel.’ Raaphorst gaat verder: ‘Zooals de lezer uit het voorgaande reeds heeft kunnen opmaken heeft het gesticht den vorm van een haak. Het wordt bediend door de Eerwaarde Zusters van de orde van de H. Elisabeth. Ontwerper en architect was de heer P.J. Perquin te Leiden en Aannemer de heer A. Beugelsdijk te Lisse. Het gebouw rust, evenals de kerk, op een fundament van gewapend beton. Het gebouw heeft met inbegrip van de voor dit doel dan de wed. J. Vreeburg aangekochte 2 Hct. terrein gekost ruim f 100.000,-. Het achter het gesticht gelegen terrein werd ingericht voor moestuin, boomgaard erbij. Ook werd er gegraven een goudvissschenvijver waarin een meenigte goudvisschen werden losgelaten ten pleziere van de pensionaatsgasten. Een stalling voor koeien en varkens was mede aanwezig. Daarin bevond zich ook een gasmotor voor beweegkracht van de pompen om het water naar de hooger gelegen verdiepingen te voeren en ook eene inrichting voor centrale verwarming. Om de hoek van de gewoone ingang in den Bondstraat bevind zich het Wijkgebouw van de in het jaar 1910 opgerichte R.K. Vereeniging voor Wijkverpleging onder alle gezindten. Dit wijkgebouw is telefonisch aangesloten. Het gesticht heeft geen toren doch op de achtergevel van de kapel heeft men eene schouw aangebracht voor een later aan te brengen bel. Op de voorgevel van de kapel aan de Heerenweg prijkt een hardstenen kruis. In het voorjaar van 1911 is in de moestuin gebouwd eene druivenkas van 25 meter lengte en een breedte van 8 meters’, aldus Arie Raaphorst.
In 1972 kocht de gemeente het pand en verhuisden de bewoners naar Berkhout. Eind 1972, begin 1973 werd het pand gesloopt. En dat kostte meer dan de bouwkosten, namelijk 160.000 gulden.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Nieuwe R.K. scholen voor jongens en meisjes, een gesticht voor de ouden van dagen

Het Sint Agatha Gesticht, het Piusgesticht en diverse RK scholen werden begin 1900 gebouwd na de bouw van de kerk zelf