Berichten

Na de dood van de pastoor startte de bouw van de nieuwe R.K. kerk deel 1

De oude kerk, de noodkerk en de nieuwe kerk wordt beschreven. Op 24 mei 1902 werd de eerste steen van de nieuwe kerk.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 2 april 2006

Uit de geschriften van chroniquer Arie Raaphorst (3)

Reeds lang vóór dat er eindelijk eene nieuwe kerk werd gebouwd, was het oude kerkgebouw veel te klein voor de steeds toenemende bevolking van de R.K.Kerkgemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk waren echter véél te zwaar voor de zwakke schouders van de beminnelijke herder der parochie, de Zeer Eerwaarde Heer H.Th. van Vlasselaar.  Eenieder ondervond het dat de kerk veel te klein was, maar ook eenieder was er ten volle van overtuigd dat de werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk niet gelegd mochten worden op de steeds in krachten afnemende schouders van Pastoor van Vlasselaar, en daarom wachtte men de tijd af ….
De tijd was eindelijk daar, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: “Pastoor van Vlasselaar is dood.” Hij die 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder was geweest van de Parochie van de H.Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij; beweend niet alleen door de katholieken zelf, maar evenzeer door de niet-Katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen, zonder onderscheid en bovendien een weldoener der armen zonder weerga.
Zijne nagedachtenis zal dan ook blijven voortleven in de harten van allen die hem hebben gekend.

Hemelsche glimlach
Geen wonder dan ook dat een ontelbare menigte zijn lijk hebben bezocht; dat lijk wat daar stil en onbeweeglijk neerlag in zijn laatste rustplaats maar met dezelfde Hemelsche glimlach om de lippen als altijd. Hij is begraven in het priestergraf, rustend in de schaduw van het kruis. Eene eenvoudige blauwe zerk siert zijn graf. Dat zijne ziel de hemelsche rust geniet is de hoop van mij, maar ik ben er verzekerd van. Ook van allen die hem ooit hebben gekend. Pastoor van Vlasselaar werd opgevolgd door de Zeer Eerwaarde Heer B.J. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Zoodra de opvolger van de oude pastoor benoemd was, werden er plannen ontworpen voor een nieuwe kerk.

Noodkerk
Doordat de nieuw te bouwen kerk gesticht moest worden op dezelfde plaats waar de oude stond, moest er vooraf een noodkerk worden gebouwd.
In het voorjaar van 1902 werd er ter plaatse waar nu de Bondstraat is, een groot houten gebouw opgetrokken. Zoodra deze noodkerk gereed was werd zij plechtig ingewijd door de Pastoor-Deken van Warmond De Zeer Eerwarde Heer Smeulders. De oude kerk werd spoedig daarna voor afbraak verkocht en gesloopt. Niet lang daarna werd begonnen met de storting van het beton, want paalfundering was niet noodig. Het werk vorderde voorspoedig, want op 24 mei 1902 had de plechtige eerste-steenlegging plaats door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders, Pastoor-Deken van Warmond.
De gedenksteen waarin zich de oorkonde bevindt van de eerste-steenlegging is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuidertransept tegen de kant van de H.Jozephkapel. Het opschrift luidt als volgt:
Hunc primarium lapidum
Posuit R.adm Ds.Nicolaus
Johannes Smeulders Dec._s
Novic_s.. a.d.VI kal.Jun.
MCMII
Wij hebben tot op heden steeds gesproken van den bouw eener nieuwe kerk, maar eigenlijk dient gesproken te worden van Kerk en Pastorij.
De Pastorij, een groot gebouw in Oud-Hollandche stijl opgetrokken, was vóór de kerk reeds afgewerkt, omdat de Pastoor was gehuisvest in het pas voltooide St.Agathagesticht, en de beide kapelaans bij de kerkmeester J.Riggel.

Uitdagend opschrift
In verband met den bouw van de pastorij willen wij nog opmerken dat er een kwestie ontstond tusschen de Pastoor en de Burgemeester over het opschrift in den steen boven de portiek en de hoofdingang. De Pastoor had hier later in bijtelen het volgende:
Dije dit niet an mogt staen
Moet maer voorbije gaen.
Deze spreuk was genomen uit de dichtwerken van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende dat dit opschrift eene uitdaging was voor de andere kerkelijke gezindten en stond er daarom op dat dit opschrift zou worden verwijderd.
Ik voor mij heb het altijd een zeer kleinzielig idee gevonden van de Burgemeester, hoewel ik van de andere kant moet getuigen dat dit opschrift enigszins onbegrijpelijk was en ook absoluut met geen enkele gebeurtenis hieromtrent in verband was te brengen.
Enfin, de steen werd weer glad gehakt en de volgende dag prijkte deze met een ander opschrift en van de volgende inhoud namelijk
Anno Domino MCMII
Eindelijk was de kerk zelve gereed en op Donderdag 6 augustus 1903 werd zij door Z.D.H. Mgr. van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, plechtig ingewijd.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

De oude R.K. kerk

Arie Raaphorst probeert een schets te geven van de oude kerk, die in 1842 was gebouwd. Er staat een mooie foto van de oude kerk in plus een uitgebreide beschrijving van de kerk en de bijgebouwen.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

 

Dit is de enige foto van de oude rooms katholieke Agathakerk die in 1842 werd gebouwd. Het gebouw was ontworpen door C.Dobbe, timmerman te Sassenheim. (Foto uit: St.Agatha 1903-2003)

Voordat Arie Raaphorst de nieuwe kerk van de katholieken in Lisse gaat beschrijven, probeert hij eerst een beeld te schetsen van de oude kerk.

Want die mag natuurlijk niet uit de herinnering verdwijnen.
Na de hervorming hadden de Roomsch Katholieken alhier slechts eene statie, welke was vereenigd met die te Warmond, Voorhout en Sassenheim, op welke laatste plaats de pastoor zijn verblijf hield.
Zoals men hoogstwaarschijnlijk wel zal begrepen hebben had Lisse met de drie bovengenoemde dorpen slechts ééne pastoor. Zoals ons uit de geschiedenis bekend is, verkreeg deze plaats in het jaar 1667 eene eigen pastoor, namelijk : Johan van der Werve. Deze overleed op 1 juli 1697, en werd opgevolgd door Lambert Schaap die op 10 april 1709 reeds kwam te sterven.
Na hem is gekomen Arnoud de Leeuw, door wiens inspanningen het kerkgebouw is gesticht, hetgeen tot het jaar 1842 heeft gestaan aan de Noord-westzijde van de Achterweg tusschen de Cathreinelaan en de brug over de Mallegatsloot, ook genoemd de Klopjesbrug, op de plaats waar thans nog is gelegen de oude boierenhofstedem thans bloemisterij en genaamd Bloemenhof.
Deze bloemisterij behoorde vroeger aan de Gravelijke familie Van Lijnden en werd in 1901 bij publieke verkooping gekocht door de heer C. Prins Dz.
In het jaar 1842 echter hebben de Roomsch Katholieken een ander en groter kerkgebouw gekregen.
Het heeft gestaan op de plaats waar thans het nieuwe kerkgebouw is gesticht geworden. Dit kerkgebouw behoorde in die dagen tot de grootste dorpskerken van Nederland, maar was niettemin een eenvoudig gebouw.
Het was een vierkant gebouw, zonder pilaren, met een haaksche kap afgedekt, en pannendak. De pastorij was gelegen aan de achterzijde van het kerkgebouw, met als uitzicht de Haarlemmermeer met de voorgelegen weilanden. Een sierlijk houten torentje prijkte ter hoogte van de voorgevel. Het gebouw was een 25 meter van de straatweg af gelegen.
Het gebouw stond lijnrecht van de straatweg en stond dus niet, zooals men dat noemt, in de H. Linie.
Ter rechterzijde was de toegang naar de pastorij, en de ruimte tusschen de kerk en de stinksloot was beplant met allerlei houtgewas en vormde alzoo een prachtig bosch.
Ter linkerzijde was de toegang naar en het kerkhof zelve, gelegen hetgeen met den bouw van den nieuwe kerk op dezelfde plaats is gebleven.
Ter linkerzijde van het voorplein had men voorts het z.g. paardenhok, waar de boeren die per rijtuig ter kerke kwamen, hun gerei met de paarden er voor stationeerden, terwijl dit paardenhok met 2 gelegenheden genaamd W.C. aan de zijde van de straatweg werden geflankeerd door een boschje van hoog opgaande boomen.
De toegang tot het voorplein en de kerk benevens alle hier boven beschreven dingen, werd verleend door een ijzeren hek, hetzelfde wat ook thans nog aan de dorpszijde toegang verleent tot de kerk.
Het ijzeren hek is met den bouw van de nieuwe kerk ook niet verplaatst geworden, zoodat men aan het kerkhof en dit hek zeer gemakkelijk kan uitmaken waar ter plaatse de oude kerk heeft gestaan, te meer als ik zeg dat het hek vlak voor de ingang der kerk stond, en de ruimte tusschen het kerkhof en de kerk slechts 2 meters bedroeg.
Over het inwendige der kerk kunnen wij het volgende zeggen namelijk: dat het vierkant was zonder pilaren, helder witte muren en een cirkelrond plafond, eveneens wit.
Het priesterkoor was betrekkelijk groot want het nam de geheele breedte van de kerk in beslag.
De kerk had slechts één altaar.
Een mooie gebeeldhouwde preekstoel was geplaatst ter linkerzijde van de kerk en binnen het priesterkoor. Ter rechterzijde en eveneens binnen het priesterkoor bevond zich een fraai gotisch doopvont, zoo men zegt was dit een geschenk van de toenmalige ambachtsheer van Lisse, Baron van Heereman van Zuidwijk te Munster.
Dit doopvont heeft ook weer eene nieuwe plaats gevonden in de nieuwe kerk.
Ter linkerzijde in het priesterkoor bevond zich de toegang naar de biechtkamer van de pastoor en ter rechterzijde de toegang naar de sacristie.
De vrouwen waren gezeten in het midden der kerk in banken voor 12 personen en de mannen aan beide zijden in banken voor 4 personen. De kerk had dus drie regels banken en twee paden. De communiebank was van eikenhout en prachtig gebeeldhouwd. Na ingekort te zijn is deze geplaatst in de kapel van het St.Agatha Gesticht.
In het midden der kerk hingen vanaf het plafond een viertal prachtige kaarsen kronen, die natuurlijk de laatste tijd geen dienst meer deden, omdat men petroleumlampen had aangebracht.
Behalve de beelden van Maria een Joseph prijkten in nissen boven het altaar de beelden van Mozes en Aaron.
Een schilderstuk voorstellende de H.Agatha, patrones der kerk, prijkte boven het altaar.
In de loop der tijden had men wegens uitbreiding der kerkgemeente eene galerij aangebracht over de geheele breedte van het gebouw, welke 100 zitplaatsen bevatte. Daarboven bevonden zicht het zangkoor, waarop ook nog 20 zitplaatsen.
De kerk had maar ééne ingang welke zich bevonden midden van de voorgevel.
Ter linkerzijde van het groote portaal had men de toegang tot de galerij en het zangkoor. In de toren bevond zich een uurwerk met wijzer voor vollen uren. Ook bevond zich in de toren een klok die blijkens het opschrift bij den bouw dezer kerk door W.Verdegaal is gegeven maar vroeger bij anderen dienst heeft gedaan tenminste te oordeelen naar het opsdchrift hetgeen luidt als volgt:

Me fecit Ciprianus
Crans Janszoon
Amsteledami anno 1748
Int jubeljaar der vrijheid 1748
De vredemaeker G.Hasselaer
Heer wierdt en D.Slot
Schout v.
Cudelstaart en F.Prince v.d.
Bezworen – kerf – waren
Ben ik door J.V.Dr.Pauwert
Admin. Burgem: bezorgd te maken.

Dit is zooals men zal begrijpen het oorspronkelijke opschrift terwijl aan de andere kant der klok het volgende is gegraveerd:
Gegeven door W.Verdegaal 1842

Het kerkhof bevond zich evenals nu aan de noord-oost-zijde van de kerk en was omringd door een regel Italiaanse populieren.
Doordat de kerk ongeveer een 25 meters van de straatweg verwijderd stond was er voor de kerk eene groote open plaats, wat men het Kerkeplein noemde. Aan de noord-oost-zijde van de ingang tot het plein ter plaatse waar nu het Piusgesticht staat, bevond zich een boschje en tusschen dit en het kerkhof was het z.g. paardenhok, waar de boeren die rijdend ter kerke kwamen, hunne voertuigen stalden.
Een gelegenheid voor vrouwen een dito voor mannen waren mede aanwezig aan dezelfde kant.
Tusschen de zuid-west-zijde van de kerk en de stinksloot bevond zich de z.g. tuin. Het was echter een bosch met boomen van velerlei slag.
Aan de doopvondzijde was de eerste bank van de mannen gereserveerd voor de familie Heereman van Zuidwijk, voor het geval dat zij zich te Lisse bevonden.

Volgende keer: de nieuwe kerk.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

De geschriften van Arie Raaphorst

Arie Raaphorst (1880-1948) heeft een aantal geschriften tien jaar lang de geschiedenis van Lisse genoteerd. Het Nieuwsblad heeft toestemming om uit het werk te publiceren.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

Minutieus historicus van Lisse

Arie Raaphorst (1880-1948) uit Lisse heeft een aantal geschriften nagelaten waarin hij tien jaar lang minutieus de Lissese geschiedenis noteerde. Uw Nieuwsblad heeft toestemming gekregen uit het werk te publiceren. 
Arie Raaphorst Hz (Heerezoon) was handelscorrespondent van de Leidsche Courant. Hij woonde in Lisse in het Hulletje, een rijtje piepkleine huisjes aan de Kanaalstraat tussen de Molenstraat en de Tulpenstraat. In zijn vrije tijd schreef hij zijn Lissese Historiën in het houten schuurtje in zijn tuin onder de titel ‘Aanteekeningen op het Dorp en de Gemeente Lisse’. Voor zover valt na te gaan deed hij dit tussen 1911 en 1920.
Hij vulde drie dikke kartonnen schriften en besloot op een bepaald moment al zijn aantekeningen te herschikken, over te schrijven, te ontdoen van niet meer ter zake lijkende informatie of uit te breiden met nieuwe feiten. Daarna had hij er kennelijk geen tijd meer voo deze bijzondere hobby. Hij was medeoprichter en directeur van de HBG, de eerste bloembollenveiling van Lisse, die later opgegaan is in de CNB. Arie Raaphorst was getrouwd met Huberta van der Slot uit Sassenheim. Ze hadden twee dochters.
Arie Raaphorst was in het dorp ook bekend omdat hij veel goed deed. Zo betaalde hij de studie in St.Michelsgestel van twee doofstomme jongens.
Het literair erfgoed van Arie Raaphorst is thans in het bezit van de weduwe Elly Maarschalk-van der Westen, wier man Aad een kleinzoon van Raaphorst was.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

De Kapelsteeg werd in 1910 ‘eene straat’

De Kapelsteeg of het Slop was indertijd een voetpad en ontleent zijn naam vrijwel zeker aan de Kapellewei. De steeg werd omstreeks 1864 bestraat. Er mogen geen paard en wagens door de steeg. In 1910 is de Kapelsteeg verbreed tot 7 meter.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

De Kapelstraat, beter bekend onder de naam van Het Slop, was voorheen een smalle steeg van circa 2½ meter breedte. Zijn naam ontleent hij zeer zeker van de Kapellewei, waarover of waarlangs deze steeg indertijd is aangelegd als een voetpad van de Gracht naar de Broekweg.*
De Kapelsteeg werd in of omstreeks het jaar 1864 bestraat. In vroeger jaren schijnt men deze smalle gang ook al gebruikt te hebben voor rij- en voertuigen, want in het jaar 1845 werd het rijden met paard en wagen, op verzoek van de aangelande eigenaren, door Burgemeester en Assesoren van Lisse verboden.
In het jaar 1910 is de Kapelsteeg zoodanig verbreed dat het eene straat werd van 7 meters breedte. Deze verbreeding vond zijn oorzaak in het feit dat de heer M.J.Guldenmond eigenaar was geworden van de villa en de bloembollenschuur van de geliquideerde firma Maathuis & van Alphen, op de hoek van de Heerenweg en de 1e Poellaan. Naar aanleiding daarvan wilde hij zijne bezittingen aan de noordwestzijde van de kapelsteeg en langs de Grachtweg verkoopen.
Dientengevolge bood hij de gemeente Lisse te koop aan eene strook grond ter breedte van 4½ meter, gerekend uit het hart van de Kapelsteeg, voor eene eventueele verbreeding dezer steeg.
In verband met het steeds drukker wordende verkeer naar de haven, die slechts langs ééne straat, namelijk de Grachtweg, te bereiken was voor rij- en voertuigen, besloot de Raaad om met de heer Guldenmond te onderhandelen, en te trachten eene strook grond aan te koopen van voldoende breedte om eene verkeersweg te verkrijgen, die in eene lang bestaande behoefte zou voorzien.
Na verschillende onderhandelingen besloot de raad, in zijn vergadering van 28 mei 1910, om van de heer Guldenmond aan te koopeneene strook grond ter breedte van 51/2 meter, gerekend uit het hart van de kapelsteeg, voor de som van f. 4.790,-
Met deze gelegenheid heeft men ook getracht de Kapelsteeg aan de Zuidoostzijde te verbreeden, maar de eischen die aan die zijde gelegen eigenaren, namelijk de heeren Gebr. Malta en C. van Parijs, waren zoo hoog dat daar ter plaatse eene verbreeding in afzienbare tijd niet mogelijk is.
Men heeft echter toen aan de zuidoostzijde van de kapelsteeg een bouwverbod gelegd waardoor bij eventueele verbouwing, de rooilijn zoodanig moet worden teruggebracht, dat deze komt op 4 1/2 meter uit het hart van de oorspronkelijke Kapelsteeg.
Voor de verbreeding van meergenoemde Kapelsteeg moest het woonhuis van de heer Guldenmond worden gesloopt, alsmede eene steenen bollenschuur en de steenen muur die het erf van de heer Guldenmond langs de oorspronkelijke steeg afsloot.
Het nog overige terrein werd verkocht voor bouwterrein, hetgeen binnen zeer korte tijd was bebouwd. Met de verbreeding van de kapelsteeg is een verbetering aangebracht, die tot in lengte der dagen zal worden toegejuicht.
De eerste versie van dit verhaal in Boek I van de Aantekeningen van Raaphorst vermeldt ook nog:
Het terrein op den hoek van de Gracht kocht de heer P. Verzijde die daar een goud- en zilverwinkel bouwde en later in de Kapelsteeg nog twee woonhuizen waarvan een winkelhuis. De twee overige gedeelten werden verkocht aan de heeren Th. Van der Wiel, kleermaker en de heer J.Overduin, vleeschhouwer. Eerstgenoemde bouwde daar een winkelhuis en laatstgenoemde een naar de eischen des tijds ingerichte slachterij en vleeschhouwerij.
* De Kanaalstraat heette in die tijd Broekweg.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

De eerste HoBaHohal was een Duitse hangar

De eerste Hobahohal was oorspronkelijk een Duitse hangaar. Deze is in 1922 gebouwd. Hij was 4200 m groot, waarvan 500 m sloot. Het front is ontworpen door Leen Tol. In 1924 was het kantoor, een veilingzaal en een afmijnklok klaar.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 3, juli 2004

De hallen van bloembollenbemiddelaar en bloembollenveiling Hobaho aan de Haven zijn weer ter sprake. Dat was zo bij de bouw van de eerste hal in 1922 en dat is thans zo, nu meer en meer het moment nadert dat die hal zal verdwijnen en er ruimte komt voor nieuwe ontwikkelingen. Hal 3 en 4 (de voormalige glazen hallen) hebben al plaatsgemaakt voor de nieuwbouw van Trias en hal 1 en 2 zullen waarschijnlijk binnen enkele jaren volgen.
Toen ongeveer een eeuw geleden in West-Friesland de eerste bloembollenveiling werd opgericht opereerden de heren Homan, Bader en Hogewoning als ‘groene veiling directie’. Zij veilden de te velde staande gewassen. Van het veilen van bloembollen (droge veilingen) was in de bollenstreek nog geen sprake. Het trio bracht daar verandering in, want zijn richtten de N.V. Hollandsch Bloembollenhuis op.

Succes van initiatief onderschat
De eerste veilingen vonden in 1921 plaats in ‘De Witte Zwaan’ aan het Vierkant. In die lange, hete zomer van 1921 hadden ze alle geluk van de wereld, want ze hadden de reactie op hun initiatief onderschat. De drie veilingdirecteuren dachten aan de ruimte van het etablissement voldoende te hebben, maar er werden zoveel bollen aangevoerd dat deze in de open lucht moesten worden opgeslagen.


500 vierkante meter sloot
De zaken werden vervolgens groot aangepakt. Op de Kapellewei aan de Haven lieten ze een hal van 4200 vierkante meter bouwen, waarvan 500 vierkante meter sloot, zodat de bollen per schip binnengevaren kon worden. Het gebouw (een voormalige hangar) werd in Duitsland op de kop getikt en per speciale trein naar Lisse gebracht.
Daar stond ‘ie dan. Een hal van 48 meter breed en 87 meter lang en een front dat werd ontworpen door de Lissese architect Leen Tol. Van heinde en verre kwam men het bouwsel bekijken en velen verbaasden zich in hoge mate. In 1924 was het bestaan van de veiling verzekerd. In de hal werd een kantoor en een veilingzaal met afmijntoestel (veilingklok) gebouwd. De “hangar” had zijn plaats in de bollenwereld en in Lisse ingenomen en heeft jarenlang zijn diensten bewezen. Ook voor de gehele Lissese gemeenschap, die de hal nu al mist.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Dec bollen konden per boot worden aan- en afgevoerd

De Kathedraal van Lisse honderd jaar: PANIEK ROND ZWABBERENDE ‘POTLOODTOREN’

De Agathakerk viert in 2003 het honderdjarig bestaan. De geschiedenis van de eerste jaren wordt beschreven.

Door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

De nagenoeg geheel gerestaureerde Agathakerk viert in 2003 het honderdjarige bestaan. Waarschijnlijk zal het eeuwfeest samenvallen met de officiële oplevering van de gigantische restauratieklus, die jaren heeft geduurd en miljoenen euro’s heeft gekost en waarvan het geld gro­tendeels werd opgebracht door de parochianen, mensen die het kerkgebouw een warm hart toedragen, sponsors, overheden en diverse instellingen die subsidies verleenden.

De parochianen van de St. Agathaparochie zijn niet altijd in de ‘kathedraal van de bollenstreek’ ter kerke gegaan. In vroegere jaren (en dan hebben we het over zo ongeveer 1250) vormde men een parochie tezamen met Sassenheim en aldaar werd ook de kerk bezocht. Eerst echter zo’n honderd jaar na de Hoekse en de Kabeljauwse twisten wordt Lisse bij Pauselijke beschikking een zelfstandige kerk; deze verheffing vond plaats op 27 april 1461. De huidige Agatha-parochie bestaat dus meer dan 500 jaar!

Het is overigens niet helemaal duidelijk waarom de kerk aan St. Agatha werd gewijd. Vele vrome legenden zijn van haar bekend. Zij moet op Sicilië uit voorname ouders geboren zijn. Op allerlei manieren trachtte men haar af te brengen van haar geloof in Christus, echter tevergeefs. Scherpe pinnen, gloeiende kolen en andere afgrijselijke martelingen konden haar niet overre­den haar geloof op te geven. Tenslotte bezweek zij aan haar martelingen, zonder toegegeven te hebben.

Kerk

Het moet ongeveer op het tijdstip dat Lisse tot zelfstandige kerk verheven werd geweest zijn, dat op Het Groene Veld midden in het dorp en grenzend aan het Vierkant, een eenvoudige, vierkante kerk werd gebouwd. De Agathakerk, thans het bedehuis van de Nederlands Hervormde Gemeente. De toren (die waarschijnlijk wat later is gebouwd) speelde een dominerende rol in Lisse en wordt inmiddels, evenals het gehele kerkgebouw, gekoesterd door monumentenzorg. Nu dus de Nederlands Hervormde kerk, maar ooit de kerk van de St. Agathaparochie.

Bouwplannen

Na het overlijden van de in Lisse zeer geliefde pastoor van Vlasselaar, kwam pastoor Klekamp naar het dorp en die begon vrijwel onmiddellijk met de ontwikkeling en realisering van grootse bouwplannen. Eerst het Agathaklooster en de meisjesschool en op 8 april 1902 werd onderhands de bouw aanbesteed van de nieuwe Rooms Katholieke Agathakerk. Een opdracht die naar de bouwer ging voor het bedrag van f.136.051,-. Op 6 juni 1902 werd de eerste steen gelegd en op 7 augustus 1903 werd de kerk door Mgr. Van de Wetering uit Utrecht plechtig ingewijd en had Lisse de onder architectuur van Jean H. Groenendael gebouwde “Kathedraal van de Bollenstreek” binnen de dorpsgrenzen, met haar enorme toren van 75 meter. De kerk werd rijkelijk van allerhande versierselen voorzien en tijdens een rondgang door het gebouw kan eenieder zeer veel van dat fraais aantreffen.

Er werd echter nog een verandering aangebracht. De scherp spits toelopende “Potloodtoren” veroorzaakte diverse moeilijkheden. De haan kwam het laag bij de grond zoeken, want die denderde naar beneden, recht in het kippenhok van meneer pastoor, aldus de geschiedschrijvers. Ook bleek de toren niet zo degelijk en betrouwbaar als men mocht veronder­stellen. Tijdens stormen zwiepte het ding vervaarlijk en gevreesd werd dat het gevaarte ooit eens met een geweldige klap in z’n geheel omlaag zou komen. De toren werd vervangen door degene die we thans nog dagelijks kunnen aanschouwen. In hoeverre deze toren past bij de algehele uitstraling van het gebouw laten we ter beoordeling van de geleerden en architecten, maar duidelijk is wel dat deze toren in de loop der jaren zonder meer het sil­houet van de Bollenstreek heeft bepaald.

Kerk te klein

Laten we eens horen wat de plaatselijke perscorrespondent Arie Raaphorst tijdens zijn rondwandelingen door het dorp rond ongeveer 1910 over deze kerk in zijn inmiddels befaamde en gevraagde schriftjes neerpende. Raaphorst: “Reeds lang voordat er eindelijk een nieuwe R.K. kerk werd gebouwd, was het oude kerkgebouw te klein voor de steeds toenemende Roomsch Katholieke kerkgemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkza­amheden van den bouw eener nieuwe kerk waren echter veel te zwaar voor de krachten van de oude, zwakke en beminnelijke herder dezer parochie, de Zeer Eerwaarde Heer H. Th. van Vlasselaar. Elkeen wist het dat de kerk veel te klein was maar ook elkeen was er ten volle van overtuigd dat zulk een omvangrijk werk niet op de steeds in kracht afnemende schouders van Pastoor Vlasselaar gelegd mocht worden en daarom ook wachtte men de tijd af……!

Eindelijk was die tijd daar, want op den eesten januari van het jaar 1901 ging de droeve mare door het dorp: Pastoor Vlasselaar is dood. Hij, die jarenlang de beminnelijke, zachtmoedige en goede herder was geweest voor de parochie van de H. Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij. Beweend, niet alleen door den katholieken, maar evenzeer door den niet-katholieken en van aller­lei rang en stand. Met hem daalde ten grave een stille weldoener der armen, een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen. Zonder onderscheid.

Zijn nagedachtenis zal blijven voortleven in de harten van allen die hem hebben gekend. Ja zelfs in de harten van hen die geen geloof beleden. Geen wonder dan ook dat een ontelbare massa zijn lijk hebben bezocht, dat lijk wat daar stil en onbeweeglijk neerlag in zijn laatste rustplaats, maar met dezelfden hemelsche glimlach om de lippen van altijd! Hij werd begraven in het priestergraf, rustend in de schaduw van het kruis. Een eenvoudige blauwe steen siert het graf van deze eenvoudige herder. Dat zijne ziel de hemelsche rust geniet was de innige wens van allen die hem hebben gekend.”

Noodkerk

Zodra pastoor van Vlasselaar was overleden, werden er direct plannen gemaakt voor de bouw van een nieuwe kerk. De overleden pastoor werd opgevolgd door de Zeer Eerwaarde Heer BJ. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Raaphorst: “Doordat de nieuw te bouwen kerk moest gebouwd wor­den op de plaats waar de oude stond, moest er vooraf eene noodkerk worden gebouwd. Daarom dan ook werd er in het voorjaar van 1902 een groot houten gebouw gesticht op de plaats waar het Piusgesticht is verrezen. Zoodra deze noodkerk gereed was, werd zij plechtig ingewijd door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders, pastoor te Warmond. De oude kerk werd voor afbraak verkocht en spoedig gesloopt. Kort daarop werd begonnen met de betonstorting, want paalfundering was op die grondslag onnoodig. Met de bouw ging het voorspoedig, want reeds spoedig had de eerste steenlegging plaats door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders. De gedenksteen waarin zich de oorkonde bevindt, is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuidertransept tegen de zijde van de St. Josephschool. Het opschrift luidt als volgt: Hiene primarium lapidium posuit R.dam Ds Nicolaas Johannes Smeulders Dec. Novice a.d. VI. Kla. Jeen MCMII”

Pastorij

Raaphorst vervolgt: “Wij hebben tot op heden steeds gesproken over den bouw van een nieuwe kerk, maar eigenlijk diendt gesproken te worden van kerk en pastorij. Het pastorij, een groot gebouw in de Oud Hollandsche stijl was voor de kerk reeds afgewerkt, omdat de pastoor was gehuisvest in het pas voltooide St. Agatha-gesticht en de beide kapelaans bij de kerkmeester J. Riggel. In verband met de bouw van de Pastorij willen wij nog opmerken dat er een kwestie is ontstaan tusschen de pastoor en de Burgemeester, over het opschrift op de gedenksteen boven de portiek en de hoofdingang. Dit opschrift luide als volgt: ‘Dije dit niet an mogt staen, moet maar voorbije gaen!’ Deze spreuk was genomen uit de gedichten van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende in deze spreuk eene uitdaging te zien voor de niet-katholieken en daarom stond hij er op dat deze spreuk zou worden wegge­maakt. Ik voor mij vondt het een kleinzielig idee van de Burgemeester, hoewel ik ook moet zeggen dat de inhoud van dit opschrift enigszins onbe­grijpelijk was en volgens mijne bescheiden meening, ook met totaal geen enkele gebeurtenis of zaak in verband was te brengen. Genoeg, de steen werd weer glad gekapt en de andere dag prijkte deze weer met een ander opschrift en van de volgende inhoud: Anno Domino MCMII. Het jaartal der stichting zooals u ziet, anders niet, en daarmee was de kwestie uit.” (Overigens wordt het weghalen van de spreuk ook toegeschreven aan Mgr. Galliër uit Haarlem, die het allemaal te bont zou hebben gevonden. En ook is er het verhaal dat protestanten hadden gedreigd de ruiten in te zullen gooien…)

Orgel

De Agathakerk beschikt over een heel fijn orgel, dat wijd en zijd wordt geroemd en bewonderd. Het instrument werd ingewijd op 15 augustus 1914, de dag van het veertigjarige priesterjubileum van pastoor Klekamp. Het orgel werd gebouwd door de firma Adema uit Amsterdam en kostte rond de twaalfduizend gulden.

Daarnaast zijn er nog talloze ander zaken in de kerk aanwezig die het bek­ijken zeer waard zijn. De Agathakerk is een zogenaamde kruisbasiliek in vroeg gotische trant. Buiten ziet men de zeshoekige toren en de steunberen met pinakels en schoorbogen. Typisch zijn aan de binnenzijde de kapitelen (op de pilaren bij de aanzet van het gewelf) en de gewelfbeschilderingen in aan de neo gothiek ontgroeide, eigentijdse vormen. Wat deze kapitelen betreft: het lijkt er wel op of in de Middeleeuwen iedere beeldhouwer op de kapitelen zijn eigen gedachten en ideeën, vroomheid of spot helemaal mocht uitleven. Daardoor zijn de voorstellingen op de kapitelen vaak onverklaarbaar. De zoetelijke schilderingen van Kees Dunselman had men tien of twintig jaar geleden wel graag kwijt gewild. Thans echter, nu alles uit grootmoeders tijd weer in trek is, zou men ze toch niet meer willen missen.

Architect (en tevens uitvoerder) van de kerk en pastorie was J.H.H.Groenendael (1868-1942), een leerling van de vermaarde bouwmeester Pierre Cuypers. Hij had door de fraaie Sint Nicolaaskerk te Helvoirt grote bekendheid verkregen en ook het Sint Agathaklooster aan de overzijde van de Heereweg gebouwd.

Opgaan naar God

Het marmermozaiek op de vloer is van de kunstenaar A. J. Hooggreef te Amsterdam. ‘Ite ad Joseph’, “Gaat naar Jozef”, met opnieuw een lelietak en de timmermanswerktuigen. Het neo-gotische altaar staat vrijwel tegen de wand van de absis (het gebogen deel van het priesterkoor). Men gevoelde nog zeer sterk het “opgaan naar het altaar Gods” en zag in het priesterkoor met het verre altaar nog iets van het “Heilige der Heilige” van het Oude Verbond. In 1968 is het priesterkoor vergroot en verhoogd en te midden der gelovigen een eenvoudiger altaartafel geplaatst, omdat in de huidige liturgie het “gezeten zijn rond de tafel des Heren” meer ervaren wordt. Architect was ir. A.H. J. Paardekooper. Op de deur van het tabernakel staan de sym­bolen der vier evangelisten. De mens (Mattheus begint zijn evangelie met de menselijke afstamming van Christus), de adelaar (het evangelie van Johannes neemt al dadelijk een hoge vlucht), de leeuw (het evangelie van Marcus begint met “de stem van een roepende in de woestijn”) en de stier (Lucas begint met het offer in de tempel). Om tabernakel en expositietroon korenaren met korenbloemen en druivenranken. Aan weerszijden van het kruis engelen met de lijdenswerktuigen.

Preekstoel

Hoog in het priesterkoor ziet men nog een viertal schilderingen van Kees Dunselman, betrekking hebbende op het Heilig Sacrament.De preekstoel is in 1924 geschonken door Piet Verdegaal, de eigenaar van de boerderij “Poele-way”. Verder het doopvont, dat als neo gotisch kunstwerk zeker niet onverdi­enstelijk is en waarvan wordt verteld dat dit een geschenk is van Baron Heereman van Zuydtwijck, Heer van Dever en Lisse. Deze woonde in de omgeving van Munster in Westfalen, waar de gotiek een grote bloei beleefde.

En het is inmiddels wijd en zijd bekend: in de voorlaatste pilaar zou een fles jenever ingemetseld zijn. Dat zit zo: Pastoor Klekamp, de bouwpastoor, was een fel drankbestrijder en daarbij vrij ongemakkelijk. Hij had vanuit de pastorie gezien, hoe een der metselaars iets onder zijn jasje de kerk bin­nensmokkelde. De pastoor er achter aan. En de ladder op! De mannen zetten de fles gauw zo diep mogelijk weg. En metselden er vervolgens flink op los. En ze moesten blijven doorgaan, want die pastoor bleef er met z’n neus bovenop staan. Al met al zou die fles er nog altijd moeten zitten. . . !

De eerste toren van de Agathakerk noemde men de ‘potloodtoren.’
Hij zwabberde zo hevig in weer en wind dat hij moest worden vervangen.