Berichten

OUD NIEUWS: HERBERG AAN DE HEEREWEG “In den Coning van Bohemen”

Heereweg 191 was het oudste gebouw in Lisse en is een paar jaar geleden helaas gesloopt. Ooit stond hier Herberg Coning van Bohemen op deze plaats. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

In het begin van deze eeuw stond op het adres Heereweg 191 het oudste woonhuis van Lisse. Inmiddels is er nieuwbouw op deze plaats. Leden van de bouwhistorische werkgroep de heren R.Pex en E.J. Plantenberg hebben indertijd de bouwgeschiedenis en chronologie van het pand onderzocht. In de jaren 1622-1625 moet op deze plek zijn gebouwd. Ene Carel Jansz van Asselborn kocht toen een leeg perceel. In 1635 nam een bakker zijn intrek in het huis. Aldus de bevindingen van de heren Pex en Plantenberg.

Heereweg 191 was eens het oudste woonhuis van Lisse.

De naam Carel Jansz. van Asselborn deed een belletje rinkelen. In Lisse heeft ooit een herberg gestaan ‘In den Coning van Bohemen’, die stond aan de Heereweg nabij het Vierkant. Waar precies wist niemand. Een van de weinige bewijzen dat de herberg er ooit was, staat in het kohier ‘Hoofdgeld Lisse 1623/1624’. De waard van de herberg ‘In den Coning van Bohemen’ is Carel Jansz. van Asselborn. De vraag kwam op: zou het huidige adres Heereweg 191 de locatie kunnen zijn van de vroegere herberg? Verder onderzoek in de oude
archiefstukken van Lisse leverde het volgende antwoord op: Vóór de komst van Carel Jansz. van Asselborn is er op het huidige adres Heereweg 191 nog een leeg erf te zien. Op 7 december 1618 koopt Carel dit erfje van Dammas Willem Thomasz (Dammas is getrouwd met Aeltje IJsbrantsdr. Van der Codden). Het stukje grond maakt deel uit van een groter perceel dat in het bezit van Dammas is. Elk jaar moet Carel 30 stuivers erfpacht aan Dammas betalen. Het erfje is ten NW begrensd aan de Heereweg, en ten NO en ZO aan bezittingen van verkoper Dammas. Aan de ZW-zijde woont Carel zelf in een klein huisje. Zeven maanden daarvoor heeft Carel dit huisje van een andere eigenaar gekocht.

Geld lenen kost geld

Carel bouwt een huis op het kleine lapje grond, en de bouw verloopt vlot, want 5 maanden later heeft hij het nieuwe huis betrokken, en kan hij het kleine buurhuisje waar hij tijdens de bouw even gewoond heeft, doorverkopen, en wel aan Willem Cornelisz. Velsen, een linnenwever. Carel maakt ruim 25% winst op de verkoop. Maar blijkbaar heeft hij meer geld nodig, want hij leent 400 gulden van een Haarlemse lakenkoper. Het zal een zakelijke kennis zijn, want ook Carel is lakenkoper van beroep. Als onderpand dient Carels nieuwe huis met het aanwezige laken in zijn winkel. Elk jaar moet hij 24 gulden rente betalen aan de Haarlemse leningverstrekker. Wil hij het geleende geld gebruiken voor een verbouwing of aanbouw van een herberg? Het lijkt erop, want in het hoofdgeld Lisse (een soort personele belasting die voor elk gezinslid betaald moest worden) van 1623/1624 vinden we Carel terug, met vrouw Lijsbeth Woutersdr en 4 kinderen, als ‘waert in den Coning van Bohemen’. De overstap van beroep, van lakenkoper naar herbergier, komt ons nu wat wonderlijk voor, maar is voor die tijd zeker niet uniek. De latere eigenaar van het pand, Jacob Jacobsz van Hopbergen, is bakker van beroep. Ook hij maakt een carrièreswitch als hij, jaren later, herberg ‘Het Rode Hart’ koopt en zelf achter de tap gaat staan.

In den Coning van Bohemen

Frederik van de Paltz 1596-1632

De naam van de herberg verwijst naar keurvorst Frederik V van de Paltz (1596 – 1632), getrouwd met Elisabeth, prinses van Engeland, dochter van koning Jacobus I.
Na een opstand van het protestantse Bohemen tegen de roomse vorst, wordt Frederik aangesteld als koning van Bohemen. Hij wordt ook wel de winterkoning genoemd omdat hij maar één winter regeert en na een nederlaag moet uitwijken. Deze neef van prins Maurits en Frederik Hendrik komt op zijn vlucht in Den Haag terecht, waar hij in 1632 overlijdt. De vele herbergen in die tijd worden bezocht door doortrekkende reizigers en kooplieden, die tussen Den Haag, Haarlem en Amsterdam via Lisse reizen. Voor de eigen bevolking zijn die niet allemaal nodig, al speelt het openbare leven zich veelal af rond de herbergen. Lisse bestaat in die tijd uit 230 huizen, het hele buitengebied meegerekend.

Uit een ander vaatje tappen…

Helaas, de pogingen van deze 17e eeuwse ondernemer om een florerende herberg uit te baten, lijken geen lang leven beschoren. Het ziet ernaar uit, dat Carel het hoofd niet boven water kan houden. In maart 1625 verkoopt hij zijn huis aan Jacob Jacobsz van Hopbergen, (getrouwd met Elsgen Henricxdr). De 30 stuivers erfpacht aan Dammas Willem, en de 24 gulden aan de Haarlemse geldschieter rusten nog op het huis en moeten door de koper worden overgenomen. Van de herberg wordt niet gerept, het wordt een huis genoemd. Hebben Carel en zijn gezin nu geen huis meer? Zo erg is het gelukkig niet, want Carel kan het kleine buurhuisje waar hij begin 1619 woonde, terugkopen van Willem Velsen. Voor het lenen van de aankoopsom wordt een schuldbrief opgemaakt, waarin de nieuwe buurman Jacob Jacobsz van Hopbergen en ene Joris Maertensz Langevelt (beide mannen komen we hierna weer tegen) borg staan voor Carel. Mogelijk heeft de koper van de voormalige herberg, Jacob Jacobsz van Hopbergen, van het huis een bakkerij gemaakt. Hij wordt vermeld in het haardstedengeld Lisse 1628 als eigenaar en gebruiker met 2 haardsteden, met oven. Tien jaar later, in 1635 verkoopt bakker Jacob Jacobsz van Hopbergen het huis met bakkerij door aan Joris Maertensz Langevelt (getrouwd met Maertgen Pietersdr. Cool), de beide eerdergenoemde borgen voor Carel van Asselborn in 1625. De 30 stuivers erfpacht en de 24 gulden rente rusten nog immer als last op het huis. Joris Langevelt is de bakker genoemd in het historisch onderzoek van Pex en Plantenberg. En met deze aansluiting op de voorgeschiedenis van het adres thans Heereweg 191, is de vraag uit het begin van dit stukje beantwoord. Het is wel zeker, dat je op dit adres in 1623/1624 en misschien ook nog een paar jaar ervoor, het glas kon heffen in herberg ‘In den Coning van Bohemen’. Proost!

Gevelsteen Egelantiersgracht 153 Amsterdam

Heereweg 214-218 – Rij winkelpanden met bovenwoningen

Opvallend is de art-deco entree van nr. 116.

Kadaster: C-4533, C-2899 en C-4587. Bouwjaar: 1930. Architect: C.W. Barnhoorn en Th. van der Eerden.

Oorspronkelijk waren deze huizen symmetrisch.

 

Heereweg 227 – Kantoorvilla

De eerste steen is gelegd door C. en A. Pijnacker op 8 mei 1878.

Kadaster: D-6752. Bouwjaar: 1878.

Een ansichtkaart

Er is nu een restaurant in het pand gevestigd

Heereweg 228 en 230 – Dubbel winkelpand met bovenwoningen

In het linkerdeel was kruidenier Albert Hein gevestigd.

Kadaster: C-2668 en C-2667. Bouwjaar: 1930. Architect: J. Francken.

Links was de Albert Hein winkel

Kanaalstraat 22a – Pannenkoekenhuis

Pannenkoekenhuis, vroeger zomerhuis van boerderij ‘Hulsebosch’.

Kadaster: D-4804. Bouwjaar: ca. 1900

Het pannenkoekenhuis en de voormalige boerderij kregen in 1995 de erepenning van de VOL.

Het vroegere zomerhuis

 

 

Kanaalstraat 22 – Voormalig boerderij ‘Hulsebosch’

Boerderijcomplex met zomerhuis, karnmolen, hooiberg, wagenschuur en hek.

Kadaster: D-4804. Bouwjaar: ca. 1900.

Het pannenkoekenhuis en de voormalige boerderij kregen in 1995 de erepenning van de VOL.

De boerderij is nu een restaurant

OUD NIEUWS : Herberg “Den Engel” maar dan in Lisse Noord

Op een kaart uit 1685 staat bij de Lisserbeek een herberg met de naam Den Engel.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Het stukje van “de Beeck” wat hier Verboogervaert wordt genoemd, heet tegenwoordig weer de Lisserbeek en loopt nu van de Leidsevaart tot aan de Ringvaart.

Als op 3 juni 1677 Trijntje Jacobs van Ackerslooth een derde part van de herberg koopt, 2/3 had zij al in bezit, wordt er al vermeld “van outs genaamd de herberge de drie roskammen staande aan de brugge van de nieuwe santsloot”. Trijntje huwde in Lisse op 18 jan. 1678 met Philip Jeroense van der Velde, afkomstig van Hillegom. Op een kaart uit 1746 staat de herberg ingetekend bij de Lisserbrug (net voorbij waar nu het “Meisje van Lisse”, bijgenaamd Gele Naatje staat). In 1681 werd de herberg gekocht door Nicolaas Sohier de Vermandois, heer van Warmenhuijsen en eigenaar van de buitenplaats Zandvliet. Zijn land grensde aan het erf van de herberg.
De herberg ging nogal eens in andere handen over, want in 1685 koopt Antonis Cornelisz van Egmont, schipper en koopman de herberg met uithangbord waarop staat Den Engel. Dat wekt wel enige verwarring omdat er in de Engel ook reeds een herberg met die naam staat. In deze periode moet de herberg omgedoopt zijn. Een honderd jaar later in 1773 was het daar een hangplek voor jongeren, zo blijkt uit een verordening van schout en burgemeesters, dat het verboden was op oudejaarsavond of nieuwe jaars avond of nacht, nog met roerpistolen of ander schietgeweer en misbruik van buskruit hoe ook genaamd, in zonderheid aan de brugge omtrent het huis van Meerenburg af te schieten, op boete van twee en veertig stuivers, ten behoeve van den schout van Lisse, waarvan den aanbrenger zal genieten een derde part. Om iemand aan te geven leverde ook nog iets op. Het zal wel op aangeven geweest zijn van de baron Jacob Hendrik van Wassenaar van Alkemade, hoofdingeland van Rijnland. Eigenaar van Meerenburgh het grootste buiten van Lisse, een buitenplaats met maar liefst 14 haardsteden (stookplaatsen). Hij was de heibel van de jeugd zat rond zijn buitenplaats. Dever bezat 6 haardsteden om een vergelijk aan te geven. We hebben er nu geen idee meer van wat dat betekende. De vraag die opkwam, hoe kan het daar een hangplek zijn zo buiten het dorp? We wisten nog niets van een herberg die er ooit gestaan had, totdat het uit de archieven naar voren kwam en dan is het begrijpelijk. Er valt altijd wel wat te beleven bij een herberg met wisselplaats voor paarden. In Hillegom was er ook een herberg met diezelfde naam aan de Heereweg hoek Pastoorslaan maar had verder geen raakvlakken met Lisse. Er is een prachtige prent tevoorschijn gekomen waar de herberg op staat met op de achtergrond Meerenburgh. Zonder de informatie uit de archieven konden we ons er geen voorstelling van maken. ■

Herberg “Den Engel” alias “De Drie Roskammen” over de Santsloot bij Meerenburgh. tekening van A. de Haan 1730

Oud Nieuws: Made in Lisse

De vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, opgericht in 1766, werden tot 1844 gehouden in de Witte Zwaan in Lisse. De wetenswaardigheden van de maatschappij worden beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is een in 1766 opgericht letterkundig historisch genootschap en is als zodanig een van de oudste verenigingen van Nederland. Zij werd gesticht in Leiden en is daar nog steeds gevestigd. Haar beschermheer is koning Willem Alexander. De Maatschappij stelt zich statutair tot doel: de beoefening van de schone letteren en de studie van de Nederlandse taal- en letterkunde, geschied- en oudheidkunde in hun onderlinge samenhang te bevorderen. Nou dat klinkt goed, maar de Maatschappij diende ook een breder, socialer doel. Vooral het  gezelligheidsaspect was voor de leden belangrijk. De jaarvergaderingen werden doorgaans druk bezocht waarbij de
drank rijkelijk vloeide. Er waren nooit minder dan vijftig, meestal meer dan zeventig en een enkele keer zelfs meer dan negentig aanwezigen. Thorbecke, die in 1831 op de jaarvergadering in Lisse aanwezig was, schreef aan Van Assen dat hij het plezierig vond dat men bij zulke samenkomsten een hoop kennissen ontmoette: ‘Er was bij die aanzienlijke samenkomst minder orde en tucht, dan bij eene ontgroenpartij’. “Zingende en lollende zijn de leden naar onderscheiden
kanten afgedropen”. We weten nu ook gelijk waar de inspiratie van de meeste heren schrijvers en dichters vandaan kwam: ‘Made in Lisse’ zou bij de meeste gedichten en sonnetten bijgeschreven kunnen worden.
Deze jaarvergaderingen vonden plaats in Logement De Witte Zwaan gelegen aan het Vierkant te Lisse. Hier vierde menig kersverse doctor zijn promotiepartij. Beets beschreef zo’n feest, waarbij hij als Aesculaap, de halfgod van de geneeskunde, optrad, met in zijn handen een ‘rotting waarom zich een levende paling kronkelde’, waarbij de doctor gekroond werd
met bloemen, peterseliebladen en wortelloof. Klikspaan, het pseudoniem van Johannes Kneppelhout welke hij gebruikte als hij over zijn medestudenten schreef, herdacht De Zwaan in zijn Studentenleven (1844).”Hoe vaak had hij er niet gemijmerd, gedronken en genoten?” Lisse was weleer zeer in de mode geweest, maar het dorpje was volgens Klikspaan ‘verloopen’: “En nu! Bakhuizen, waar blijven uwe Studentjes? Burgemeester, waar blijven uwe Dissertaties? Ach! de Zwaan is eene gemeene herberg geworden, elke andere gelijk, niemand houdt er meer voor stil dan de Heeren van Letterkunde en de Conducteur van dezen of genen postwagen.”
In de landelijke rustgevende omgeving van Lisse kwamen de leden tussen 1825 en 1843 jaarlijks bijeen en de feesten trokken veel illustere personen naar De Witte Zwaan waar Cornelis Antonius Bakhuizen als kastelein samen met zijn vrouw Frederica Hoekveld de scepter zwaaide. Blijkbaar kwam de klad erin als we Klikspaan moeten geloven die
zich al afvraagt waar de studenten bleven die vanuit Leiden Lisse en de Zwaan bijna dagelijks bezochten en met feesten de zaak luister gaven. En de Lisser Burgemeester Ernst Joseph van den Bergh, lid van de vereniging vertrok op 2 januari 1844 uit Lisse en werd opgevolgd door Burgemeester van Rosse, geen lid, daarom geen dissertaties meer van zijn kant. En
wat te denken van de beroemde Lisser Baarsschotel. Nergens werd een baars zo voortreffelijk bereid als in De Zwaan in Lisse. Ja Lisse was in de mode geweest, vele beroemdheden hadden zich opgehoudenv in De Zwaan: Willem Bilderdijk, Nicolaas Beets, Johan Rudolf Thorbecke, de lijst zou te lang worden voor dit korte stukje. In 1844 werd de jaarvergadering
voor het eerst niet in Lisse gehouden maar in Huis Den Deijl in Wassenaar en ook de studentenfeesten verhuisden van Lisse naar Wassenaar. Het was vergoed gedaan met de jaarlijkse vergadering in De Witte Zwaan. Literair Lisse dutte langzaam in slaap, de energie was er even uit.

De Witte Zwaan gezien vanuit het noorden, ca. 1900-1905. Ook hier valt het vele geboomte in het oog. Aan de laatste boom langs de weg in het midden van de ansicht is een bordje aangebracht met waarschijnlijk de tekst: ‘INRIJ voor RIJWIELEN’. Daaronder hangt een vaandel van – waarschijnlijk – de ANWB met als tekst: Vereeniging voor auto’s.

Poortje van Kleef

Voor 1927 was er een poortje naar achteren aan de Heereweg tussen de Julianastraat en de Nieuwstraat. Het heette Poortje van Cleef. Waarom het zo heet  wordt uitgelegd. Was er een herberg?Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

door D. Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Voorop gesteld. Van dit onderwerp is nog geen concreet antwoord te geven. We hopen met de hulp van al onze lezers uiteindelijk wel tot een conclusie te komen. Het eerste feit dat ik naar voren haal is dat er heel veel “Poorten van Cleef” zijn, ook wel Kleef, Cleve of Kleve genoemd. Bijna altijd heeft deze naam met een horeca-gelegenheid te maken. Dat waren vroeger herbergen waar men overnachtte. Handelaars die stad en land afreisden om hun waren te slijten. Een veilige nacht voor zichzelf en de koopwaar die ze binnen de muren van zo’n etablisement konden stallen. Een goede warme hap en onder het genot van een pot bier en een rokertje, de laatste nieuwtjes met een schuine mop, even de zorgen opzij zetten. Rust na een dag van sjouwen, door weer en wind.

Het begrip, “De Poort van Cleef”

De stad Kleve in Duitsland achter Nijmegen ligt op een oude handelsroute en was bij uitstek de plek waar handelsreizigers elkaar troffen. Binnen de muren was men veilig en geborgen. Struikroverij was aan de orde van de dag, menig marskramer had dat aan den lijve ondervonden. De Schwanenburg vormde een groot poortgebouw met een oost- en westpoort met ertussen een plein waar men zich tijdelijk kon ophouden 1). Een bastion in het land van Kleve, waar koopwaar werd uitgewisseld en contacten werden gelegd. Om deze versterking heen werden fabriekjes gesticht want als je hier de handel hebt, waarom dan ook niet hier gemaakt. Zo werd de stad Kleve gevormd door handel en Nijverheid. De invloed van Utrecht en Holland was hier goed te merken. In het oude Hertogdom werd flink geinvesteerd door die rijke gewesten. Niet alleen de koopwaar, ook mensen trokken vandaar richting het westen. Plaatsen in het gebied van Kleve zijn Xanten, Kalkar, Goch, Keeken, Kessel, Niel, Meurs en Kranenburg. Familienamen die ons herinneren aan die herkomst zijn, Van Zanten, Van Goch, Kranenburg, van Meurs en nog veel meer. Ook het begrip, “De Poort van Cleef” als naam voor een hotel of herberg komt daar vandaan.

Ons “Poortje van Cleef”

Had op de plek van ons “Poortje van Cleef” voordat Cornelis Daudeij in 1881 daar de 9 huisjes liet bouwen2 ook misschien een herberg gestaan? In dat rijtje huisjes zie je op de introfoto geen onderbreking in het dak, de kadastertekening laat tussen het 4e en 5e huis echter wel een onderbreking zien. Via het gangetje/poortje ging je achterom naar de “voordeur”.

Jannetje Cornelisdr. van Cleef

Is zij de link naar een verleden met een herberg? Jannetje trouwde in 1766 met Govert Dirksz. van den Aardweg. Beide waren (zo ver we weten) de laatst overgeblevenen van hun Lissese familietak. Uit dit huwelijk kwamen gelukkig weer kinderen. Een kleinkind van Jannetje en Govert, namelijk Jacobus van den Aardweg woonde volgens het bevolkingsregister van 1830-1840 op de Heereweg in huis 85. Jacobus was tapper 3) en gehuwd met Johanna (Jannetje) Waasdorp, die na zijn overlijden de functie van tapster/herbergierster overnam. Ook Samuel Govertszn. v/d Aardweg trouwt in 1737 met Grietje Engelsdr. Heemskerk dochter van een Lissese waard. Dit zou een spoor kunnen zijn naar overerving van een herberg, “het Poortje van Cleef” misschien? Het zou mooi zijn als voornoemd huisnummer 85 overéén kwam met het laatste huisje van “het Poortje van Cleef”, maar helaas in 1830 was de huisnummering totaal anders.

Hulp gevraagd

Om het raadsel van “het Poortje van Cleef” op te lossen, vragen we de hulp van onze lezers. De redactie hoopt samen met u dit vraagstuk op te lossen, we zijn benieuwd naar uw reacties.

Op vrijwel dezelfde plek is nog steeds een smal poortje, een naambordje op één van de huizen zou niet misstaan. Zo een herinnneringsnaam staat wel op de kopse gevel van Heereweg-373 “de Gribus” zegt die naam u nog wat? Daar wil ik in het volgend nummer wat over kwijt.

Voor 1927 was hier “het poortje van Cleef”

Bronnen

Uit genealogie fam. van Puffelen. http://www.family vanpuffelen.com/historie de-poort-van-kleef-cleve. Schrijver en onderzoeker Adrianus E. van Puffelen

Beschrijving, Jasper van “t Wout Beeldbank Gem.Lisse

Genealogische gegevens via Laura Bemelman

Kadastertekening Eric Vergunst

De waert en zijn gasten

In 1589 zijn ze vertrokken. Jacob Heemskerck is uitbater van de herberg Aan het kerkhof. Later heette de herberg Het wapen van Lisse. Diverse wetenswaardigheden worden besproken.

 door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

We schrijven 1589. De Spanjaarden zijn vertrokken en lieten door plundering en brandstichting in Lisse en omgeving een arme bevolking achter, afgebrande boerderijen en een uitgebrande kerk zoals in alle omringende dorpen het geval was. De oorlog heeft een grote impact gehad, ruim honderd jaar later wordt nog steeds over de afgebrande boerderijen geschreven die zijn “geamoveert”.
Jacob Florisz.Heemskerck, waert aan het kerkhof geboren in 1537 met zijn vrouw Arendje Dirksdr.Duycker, dochter van Dirck Cornelisse Duycker, zijn de uitbaters van de herberg aan het kerkhof. Arendje was dienstbode geweest bij haar oom en tante Jan Cornelisse Duycker en Maritje Willemsdr., de vorige eigenaars van de herberg aan het kerkhof. Uit dankbaarheid voor alle zorg maakte het echtpaar, bij testament van 12 mei 1564 bij Notaris Storm in Leiden, Arendje tot enige erfgenaam. Het echtpaar is kinderloos overleden. De herberg, in de volksmond steeds “herberg aan het kerkhof” genoemd, werd later “het wapen van Lisse”. Het had al een goede naam, schout en burgemeesters vergaderden er lange jaren. Later, na 1600, werd dit overgenomen door “de Swaen”. Was deze herberg er al of was die net gebouwd? Voor 1600 wordt er niet over gesproken en na 1600 komt deze telkens in akten terug. Jacob en Arendje hebben de herberg zo’n dertig jaar gerund. Zij kregen samen 6 kinderen. Na haar overlijden trouwde Jacob opnieuw en kreeg nog een dochter, Annetje. In 1604 was Jacob Florisz.Heemskerck reeds overleden en heeft zijn tweede vrouw, Maertge Engelsdr. Duijndam de herberg voortgezet tot dat haar stiefzoon Engel Heemskerck, geboren in 1586 oud genoeg was om de
Het herberg over te nemen. De schout en schepenen zetelden toen al in “ De Witte Zwaan”, of de “Swaen”. De gasten waren rond die tijd niet altijd betalende gasten. Er trokken vreemde troepen door de streek, een Engels vaendel dat van Beverwijck naar Den Haag passeerde op doorreis, vroeg onderdak, drank en eten. Over betalen werd niet gesproken, daar had men al meer mee te maken gehad. Er staat: ”LXI mannen op ten huysman gelogeert in december 1589”. Eerst dacht ik dat dit een herberg was, maar het ligt anders. Het is een uitdrukking uit de 16e eeuw van soldaten, loopende op den huysman,” afteeren ende doende alderhande quaet “. Of wel leg de kosten maar bij een ander, en wel bij de belastingbetaler. De waard werd er mee opgezadeld. Vandaar diende Jacob Heemskerck zijn rekening van gemaakte kosten in bij de schout, voor het vaendel 5 pond en 13 stuivers, en verder van de nodige vergaderingen van o.a. Item noch bij den voors. Ambtsbewaerders, gesworens, kerckmeesters ende meer ander, tot twee reysen verteert opte examinatie van den nyeuwen schoolmeester, zoe daer een yge faulten waren, tsamen een somma van 23 pond 10 stuyvers en 8 dinars. Het vaendel werd over verschillende herbergen verdeeld en bestond uit 56 man, later kwamen er nog 5 drostenknechten bij. Ook bij Harman de Vryes, Wipkesz. waert in “het Rode Hart” geboren in 1545 en gehuwd met Anna Wybens. Hij komt voor op de lijst van weerbare mannen van 1585 en was uitgerust met hellebaert en ponyaert. Herberg “het Rode Hart” is later omgedoopt naar “ in de Drie Wouldt-vriesen”, naar zijn drie zonen genoemd. Ook Cornelis Pietersz.Backer diende zijn rekening in en berekende dat iedere man van het vaendel verteert hadde acht stuuvers, tsamen XXIIII pond VIII stuivers . Hij was waert in een herberg waarvan we de naam nog niet hebben gevonden. Was het “in de Groene Valck”, of in de deftige herberg “ in de koning van Bohemen” of “De Couden Oven”? Alle gemaakte kosten werden wel vergoed, misschien van hogerhand of wel uit ’s lands kas betaald. Arendje Duycker, dienstbode en herbergierster overleed na de geboorte van haar zesde kind in 1590 en werd bij de kerk begraven.

Bron. G.A.Lisse inv.nr.55