Berichten

Hofje van Six gerenoveerd en kreeg de erepenning

De jaarlijkse erepenning voor renovatie of onderhoud van een historisch pand werd in 2018 uitgereikt aan het gerenoveerde Hofje van Six. Over de restauratie is een boek gemaakt.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

2018 Feestelijke drukte bij de heropening

‘Een Huijs ende Erve op den Broekweg’, dat is wat Pieter Six in 1740 in Lisse koopt en daar start het verhaal van het Hofje van Six. Onlangs, op 26 mei, heropende burgemeester Spruit het totaal gerenoveerde hofje, dat nu bestaat uit de adressen Kanaalstraat 34-42. Eigenlijk is het een klein wonder dat het hofje er nog is. In 2010 gaf gemeente Lisse zelfs een sloopvergunning af voor de huisjes die er dan al sinds 1883 staan.
Die eind 19e-eeuwse nieuwbouw en de daaraan voorafgaande afbraak zal ook toen wel ingegeven zijn door de staat van de woningen. De huizen uit 1883 zijn in de loop van de tijd steeds aangepast en verbeterd. Maar voor de 21e eeuw voldoen de huizen totaal niet aan de eisen van de tijd, er is leegstand en opknappen lijkt te duur. Vandaar de oplossing van sloop. Mien Dol, dan nog de enige bewoonster van het hofje, organiseert een protestactie en ook Oud Lisse laat zich in de bezwaren horen. Heel veel Lissers protesteren tegen de sloop. Gelukkig kwam er “hulp” uit een heel andere hoek. De economische crisis was er de oorzaak van dat de beoogde verkoop van grond en huizen stokte. Het behoud van het hofje, zoals veel mensen wensten, kwam toch weer in zicht. Maar was dat haalbaar? De eigenaar van het hofje, de Diaconie van de Hervormde Gemeente Lisse, moest zich beraden over de toekomst. De taak van een Diaconie is om geld dat zij in kas heeft te besteden aan diaconale doeleinden. Een hypotheek aangaan kan niet en een kostbaar renovatietraject is daardoor moeilijk aan te gaan. Gelukkig bracht Aad Dol uitkomst door Kanaalstraat 34 te kopen. Zo ontstonden financiele mogelijkheden om toch te kiezen voor renovatie. In april 2016 wordt dit besluit genomen. Er wordt een gedegen bouwplan gemaakt waarin energiebesparende maatregelen hoog in het vaandel staan. De inzet van vele vrijwilligers is ook een middel om kosten te besparen. Eerst moet er gesloopt en dat “rommel opruimen is echt wel buffelen”. In het voorjaar van 2017 wordt gestart met de opbouw. De monumentale uitstraling van het hofje moet aan de buitenzijde behouden blijven. Binnen is hedendaags wooncomfort gewenst. Vorig jaar september, tijdens Open Monumentendag, kon het publiek al zien dat het een fraai project was. Sinds december 2017 zijn de 4 gerenoveerde hofjeswoningen weer bewoond. Pieter Six’ doel was indertijd ‘vrije bewooning’ voor “oude en behoeftige Ledemaeten van de Gereformeerde Christelijke Religie” . Die doelstelling is natuurlijk achterhaald. De huisjes zijn ongeschikt voor bewoning door ouderen. Er wonen nu jongere huurders. De toewijzing aan huurders verloopt op basis van criteria vanuit de diaconale opdracht en met huren als in de sociale huursector. Maar op een andere manier kan toch gewerkt worden aan de opdracht van Pieter Six omdat de Diaconie met de opbrengst van de huur van de huidige huurders, de ‘bedeelden en behoeftigen’ van onze tijd kan helpen.

Erepenning

Uitreiking penning aan het Diaconie bestuur

Vereniging Oud Lisse reikt jaarlijks een erepenning uit als blijk van waar dering voor renovatie of behoud van een pand. De inspanningen en het fraaie resultaat bij de renovatie van het Hofje van Six sprong er dit jaar natuurlijk uit. Na de jaarvergadering werd de penning door de heer Cor Dol namens “Oud Lisse” overhandigd aan het bestuur van de Diaconie. Cor Dol verzamelt al jaren verhalen en beelden van het hofje en is natuurlijk een warm pleitbezorger voor behoud van het hofje. Dat de Diaconie toch kans heeft gezien om de renovatie alsnog te realiseren was voor “Oud Lisse” ook een enorme opsteker. De Vereniging heeft zich steeds sterk gemaakt voor dit behoud.

Boekwerk Groot Onderhoud 2017

Laura Bemelman even in het zonnetje gezet

Aan de renovatie van het hofje hebben heel veel vrijwilligers meegewerkt. Er is door velen, vaak belangeloos, aan dit project meegewerkt. Het idee ontstond om al die activiteiten in boekvorm vast te leggen. Conny van der Eijk maakte gedurende het hele renovatietraject foto’s. Laura Bemelman nam op zich het verhaal te maken. Ze interviewde diverse mensen die op één of andere manier betrokken waren bij de renovatie. Het resultaat is een leuk informatief en prettig leesbaar boekwerk. De geschiedenis van het hofje komt natuurlijk aan de orde, maar de nadruk ligt vooral op het hele proces van de renovatie en de keuzes die gemaakt werden. De ervaringen en betrokkenheid van de vele harde werkers bij de renovatie kleuren dit boek. Het eerste exemplaar werd op 26 mei bij de heropening van het hofje overhandigd. Alle werkers krijgen een exemplaar als aandenken. Burgemeester Spruit sprak bij de heropening haar waardering uit voor alle werk dat is verzet met een resultaat dat klinkt als een klok. Lisse is een prachtig gerenoveerd hofje rijk en het boek van Laura Bemelman laat zien waartoe enthousiaste vrijwilligers in staat zijn.

 

Nieuw leven in het “Hofje van Six”

Aan het Hofje van Six wordt groot onderhoud gepleegd.

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3, zomer 2017.

Nieuwsflitsen

Het Hofje van Six aan de Kanaalstraat wordt nieuw leven ingeblazen. Dolf van der Beek, voorzitter van de Diaconie van de Hervormde Gemeente Lisse zegt daarover in kerkblad De Drieklank dat het gaat om groot onderhoud van de hofjeswoningen. Al sinds 2000 is de diaconie bezig met plannen voor het Hofje. In 2010 verleende de gemeente een sloopvergunning, waarmee de gemeentelijke monumentenstatus verviel. In 2012 werd het Hofjete koop gezet. Het hoogste bod van een projectontwikkelaar lag rond de Idyllisch doorkijkje Hofje van Six  550.000 euro. De economische crisis gooide roet in het eten. Daardoor stond het bouwen en ontwikkelen een aantal jaren stil. Eind 2015 kwamen gesprekken met de projectontwikkelaar Dol op gang, met als uitkomst dat de diaconie twee appartementen met een oppervlakte van 75 m2 kon kopen en uiteindelijk op het project een ton zou toeleggen. Daarop werd besloten de grond niet te verkopen, maar te onderzoeken of de woningen weer verhuurd kunnen worden. In 2016 lag er een plan voor groot onderhoud klaar, met als uitgangspunt dat het karakter van de buitenschil grotendeels behouden blijft en de binnenzijde van de huizen wordt aangepast aan het hedendaagse wooncomfort. Verder is een tuinteam opgericht voor het inrichten van de tuin in een stijl die bij het Hofje past. Het groot onderhoud van de woningen, herbouw van de bergingen en het aanbrengen van erfafscheidingen plus wat andere kosten worden geraamd op 440.000 euro. De verkoop van de aan het Hofje gelegen woning op de Kanaalstraat 34 zal naar raming 180.000 euro opbrengen zodat al met al er voor de diaconie een investeringsbedrag van 260.000 euro rest. De investering voor 2017 bedraagt 217.000 euro, waarmee men op weg gaat naar een goed gerenoveerd stukje oud Lisse in het centrum van het dorp dat het alleszins waard is om behouden te blijven.

Hofje van Six - mei 2018

De voorkant van het Hofje van Six

Erepenning voor Zwanendrift

 De erepenning 2017 voor een mooi gerestaureerd gebouw is dit jaar naar de familie Zeldenthuis  gegaan. Zij hebben de monumentale boerderij Zwanendrift prachtig in goede staat gebracht.

Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

Nieuwsflitsen

De nieuwe eigenaren en bewoners van boerderij Zwanendrift op de Laan van Rijckevorsel zijn door de Cultuur Historische Vereniging Oud Lisse in het zonnetje gezet. Dick en Monica Zeldenthuis ontvingen namelijk uit handen van Carla Kieft de erepenning van de vereniging, als waardering voor het prachtig in goede staat brengen van het monumentale pand. De nieuwe eigenaren hebben geen mogelijkheid ongebruikt gelaten om het pand in oude glorie terug te brengen en daarnaast aan te passen aan de huidige tijd en de eisen en wensen die aan een woonboerderij gesteld kunnen worden.
Kieft (Schrama) is op de boerderij opgegroeid en vertelde in een boeiend verhaal wat zich de afgelopen eeuwen op de hoeve heeft afgespeeld. Met de nadruk op de laatste 150 jaar toen de boerderij in bezit was van de familie Schrama. Zij deed dit mede aan de hand van een cultuur historische beschrijving door Ignus Maes die daarin terugging tot 1800. “Maar de kans is groot dat de boerderij stamt uit ongeveer 1500 tot 1550. Zo oud is het oudste stuk dat over de geschiedenis van de boerderij werd teruggevonden,” aldus Kieft. Naast de families die in de loop der eeuwen op Zwanendrift hebben “geboerd” en gewoond verteld  Kieft ook over de herkomst van de nam Zwanendrift. “Het houden van zwanen, (drift) was vroeger een recht dat aan enkelen was voorbehouden. Die zwanen werden gehouden in een grote vijver die is verdwenen bij de aanleg van de Laan van Rijckevorsel in de vijftiger jaren. In feite mondde de ingang van de boerderij voor die tijd via de huidige Marconilaan uit op de Heereweg en mede door de aanleg van de Laan van Rijckevorsel lijkt het nu alsof de boerderij niet recht op de uitgang staat, maar stond dat indertijd wel ten opzichte van de Heereweg. Het verdwijnen van de vijver betekende ook het einde van de zwanenhouderij.” Ook vertelde ze dat het een goede gewoonte was om bij de geboorte van het eerste kind een lindenboom te planten en bij volgende geboortes notenbomen. Onlangs gingen familieledenvan de erven Schrama in de gerestaureerde boerderij op bezoek en bracht vanwege het tweede kind van het echtpaar een notenboom mee. Het echtpaar Zeldenthuis laat weten op de in 2014 gehouden open dag op slag verliefd te zijn geworden op de boerderij. “Na een aantal maanden van praten, nadenken en heroverwegen is de knoop doorgehakt. Het grote avontuur kon beginnen. Samen met architect Diederik van Egmond en Ignus Maes, expert op het gebied van monumentalerenovaties werden plannen opgesteld.
Na een traject van 2,5 jaar wonen we nu met veel plezier en trots met ons gezin in Hoeve Zwanendrift. Onze droom is helemaal uitgekomen en we voelen ons bijzonder bevoorrecht dat we hier mogen wonen. We hebben goed contact met de vorige bewoners die ons goed hebben geholpen. Daarvan is ons een mooie zin bijgebleven, namelijk ‘We hopen dat jullie en de kinderen het hier net zo fijn krijgen zoals wij onze jeugd hier hebben doorgebracht.’ En dat streven we met heel
veel plezier na.”

GLAS IN LOOD RAAMPJES

Het glas -in-lood-raampje staat nu bij de VOL

Twee glad-in-lood raampjes  bij de VVV aan de Grachtweg  zijn verwijderd en gerestaureerd.

Door Else Wesseling – Capel

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 3, juli 2012Twee kleine glas-in-lood raampjes waren tot voor kort zichtbaar in de zijmuur van het pand van de V.V.V. aan de Grachtweg, voorheen het woonhuis van de familie Van der Linden. Ze bevatten kleurige afbeeldingen van zeilende binnenvaartschepen. Ze vielen nauwelijks op en verkeerden in een slechte staat. Dankzij de belangstelling en de hulp van de Vereniging Oud Lisse en niet te vergeten de bereidwillige medewerking van de V.V.V. zijn ze voor verval en ondergang gered, ook al zou het pand waarin ze zich bevonden in het kader van het plan Havenkwartier onder de slopershamer vallen. Onlangs werden ze deskundig en voorzichtig uit de sponningen genomen door medewerkers van de Vereniging Oud Lisse. Ze werden vervolgens, dankzij financiële hulp van de Vereniging Oud Lisse en bijdragen van sponsoren, vakkundig gerestaureerd. Zo blijven ze bewaard voor het nageslacht.

De restauratie is goed geslaagd

Deze raampjes zijn ook uit historisch oogpunt belangrijk. Ze vertellen het verhaal van ons dorp!
Lisse, oorspronkelijk gesitueerd aan het Haarlemmermeer, heeft ook een meer dan drie eeuwen lange geschiedenis van beurtschippers! Zij vormden voor Lisse een onmisbare schakel in de handel, later met name in de bloembollencultuur. Ouderdom en herkomst van de raampjes is niet meer te achterhalen. Toch zijn zij een symbool van een voor Lisse markante bedrijfstak. Er is nóg een aanknopingspunt met onze schippers in Lisse. Een van de kroonluchters in de Grote Kerk (de Hervormde Kerk aan het Vierkant) is geschonken door schippers te Lisse. Een schildje vermeldt dat met de woorden: “gegeve bij Engel Jacobsse, Jan Jacobss in den Direkse en de Pieter Willems Schippers tot Lisse 1660”. Naam en wapen van mijnheer In den Direkse sierden ook een gebrandschilderd glas dat ooit in die kerk te zien was en nu in de Bavo in Haarlem een plaatsje heeft. Geen onbetekenende bedrijfstak dus.


Waarom waren die twee kleine raampjes nu zo belangrijk voor zomaar een inwoonster van Lisse?
Wanneer men de kinderjaren heeft doorgebracht aan de Grachtweg, dan bekijk je dat gebied nog altijd met ogen waarin herinnering zich warm genesteld heeft.
Mijn broer Jan (1941) en ik (1946), beiden geboren aan de Grachtweg op nummer 55a, denken nog vaak aan de prachtige speelplekken tussen Grachtweg, Molenstraat, Kanaalstraat en Kapelstraat. Overal in die omgeving liggen onze voetstapjes, zoals bij de familie Tinus van der Linden, de laatste beurtschipper aan wat nu de Grachtweg is, maar in onze jeugdjaren was dat nog een echte haven met schepen.

Jan herinnert zich het gezin van Tinus van der Linden en Lina van der Linden-Ludlage als een veilige haven. Het was oorlog, de ramen waren verduisterd, maar in de grote keuken voelde het heel veilig en vertrouwd. De kinderen van der Linden, Wim, Siena, Willy, Theo en Mart, toen rond de twintig jaar, speelden een grote rol in zijn leven. Zij waren ook dol op hém, foto’s getuigen daarvan. Wanneer in de oorlogsjaren Vader en Moeder niet vóór “spertijd” thuis konden zijn dan bleef kleine Jan gewoon bij buurman Van der Linden. ’s Avonds met de groten aan tafel met een mooi tijdschriftenboek en, óók voor hem, een pul donker bier! Blijven slapen was daarna geen probleem meer! Spanning was er ook in die tijd. In verband met een razzia moesten de zoons verborgen worden. Een schuilplaats onder de dekzeilen in het pakhuis leek een ideale plek. “Ga je gang”, zei Vader Tinus tegen de Duitsers die ook het pakhuis wilden doorzoeken; “ik zet de schnaps vast klaar”! Naar zijn zoons werd niet meer gezocht! Toen er eens geweerschoten klonken meende kleine Jan dat op de kade “kisten waren omgevallen”, alsof hij daarmee ‘de groten’ kon geruststellen!?
De Pastoor van de Agathaparochie zag het contact van de familie van der Linden met de protestantse familie Capel met lede ogen aan en wees Tinus van der Linden daarop. Van der Linden had daarover een eigen mening; “Pastoor” zei hij, “dat maak ik zelf wel uit!”
De familie van der Linden was niet bang uitgevallen! Dat bleek duidelijk toen de “Ondergrondse” 11 geallieerde piloten bij de beurtschipper bracht. Van der Linden verborg hen onder de luiken van een schip. Allen deden zich voor als doofstom om te voorkomen dat zij met elkaar, of met wie dan ook een woord zouden wisselen. Zo werden zij ‘illegaal’ naar Rotterdam vervoerd, begeleid door zoon Theo. Onderweg deden zich angstige situaties voor, maar ze bereikten Rotterdam veilig. Daar werden de piloten opgevangen en verder begeleid. Hoe het hen is vergaan? Een prachtige oorkonde met dankbetuiging vanuit Engeland en een certificaat van dank ondertekend door niemand minder dan Generaal, en later president van de USA, Dwight Eisenhower getuigen daarvan.

Als klein meisje kwam ik ook over huis bij de familie van der Linden. De woonkamer vond ik altijd heel bijzonder. Want daar, in de buitenmuur, aan weerszijden van de schouw, blonken twee kleurige raampjes met afbeeldingen van scheepjes. Iets om ademloos naar te kijken. Het pekineesje Mikado, in zijn mandje naast de haard stond dichterbij komen niet toe. Mikado had het niet zo op een klein meisje dat juist heel veel van honden hield. Maar, zelfs van een afstand waren die veelkleurige raampjes fascinerend!
Herinneringen, vanuit een verschillende invalshoek en om uiteenlopende redenen allemaal belangrijk. Ik denk dat ze daarom zo nadrukkelijk een plek innemen in mijn herinnering.
Echter, zijn kinderlijke herinneringen zoals dezen wel correct? Klopt het wel of ging mijn fantasie met me op de loop? De enige die het zou kunnen weten was Mevrouw M. van der Linden – van Ruiten.
Het bezoek aan haar werd een ervaring van warme belangstelling en herkenning. Zij kon mijn herinneringen bevestigen!
Daarmee werd de tijd voor Aktie; het plan Havenkwartier diende zich immers aan!
Die prachtige raampjes, door de tijd al zwaar beschadigd, mochten niet onder de slopershamer vallen!,

Restaurateur John v/d Meij in gesprek met initiatiefneemster Else Wesseling.

Onderstaand stond een van de vorige Nieuwsbladen

Een van de 2 verwijderde raampjes

Vorig jaar november kregen we een mailtje van mevr. Else Wesseling waarin ze aandacht vroeg voor twee kleine glasin-lood ramen in de zijmuur van het V.V.V. kantoor. Vroeger was dit het woonhuis/annex kantoor van beurtschipper M. van der Linden. De raampjes waren ernstig beschadigd. Mevr. Wesseling stelde voor om actie te ondernemen om de raampjes te behouden. Een prachtig initiatief waar de vereniging zich meteen in kon vinden. Half februari volgde de toestemming van het V.V.V. bestuur om de raampjes te verwijderen. Op voorwaarde natuurlijk dat de raampjes voor het nageslacht bewaard blijven. Inmiddels zijn de raampjes uit het pand verwijderd en is begonnen aan een plan voor restauratie.

Renovatie van het historisch pand van van der Zaal aan het Vierkant

Augustinus Bloembollenmakelaars heeft Heereweg 225, het oude pand van van der Zaal aangekocht. Het wordt gerenoveerd. De kelder is het oudste en dateert uit het midden van de achttiende eeuw

door Sjaak Smakman

NIEUWSBLAD Jaargang 6 nummer 4, oktober 2007

Het wordt geen grote verhuizing: het is pakweg twintig stappen lopen van het huidige kantoor van Augustinus Bloembollen Makelaars aan het Vierkant naar het nieuwe kantoor: het pand van Van der Zaal (Heereweg 225). In september moet het klaar zijn en dan is opnieuw een belangrijk gemeentelijk monument gered van het dreigende en al half voltooide verval.

Een plaquette bij het pand geeft aan dat het pand historische waarde heeft. Ook is het e en gemeentelijk monument. Hier woonde de welgestelde bollenfamilie Van der Zaal. Eind 18e eeuw/begin 19e eeuw woonde hier ooit de befaamde Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal. Zijn dagboek is bewaard gebleven en
zal naar verwachting in 2008 door de Vereniging Ambacht & Gereedschap samen met VOL uitgegeven worden. Naar
schatting dateert de kelder, die ook zichtbaar zal blijven na de grijpende restauratie, uit het midden van de achttiende eeuw.

Het pand stond er tot eind 2005 steeds desolater bij. Het was op dat moment nog officieel eigendom van museum De Zwarte Tulp. Geestelijk vader van het museum Joop Zwetsloot, toen nog intensief betrokken bij de Zwarte Tulp, vatte ook het idee om in de woning een paar stijlkamer in te richten om aan te geven hoe een deftige bollenkweker met zijn gezin woonde. Weer later vatte Zwetsloot het idee op om de woning dan te gebruiken als onderkomen voor een cultuurhistorisch centrum voor de Bollenstreek. Het zou dan kunnen dienen als archief en vergaderruimte, echter werden deze plannen niet gerealiseerd. Het pand is nog ruim twee jaar in gebruik geweest als onderkomen voor het provinciale project Geest en Grond. Maar toen dat werd afgesloten, ging het pand nog harder achteruit. Uiteindelijk werden er zelfs in de gemeenteraad vragen overgesteld. Want op deze manier was het pand geen aanwinst voor het Vierkant.                                                                                                                        i
De toenmalige wethouder Ab Moolenaar wist te melden dat er waarschijnlijk horeca in zou komen, maar ook die plannen ketsten uiteindelijk af. En toen kwam ABM in beeld. Waarom? Eigenlijk niet zo gek, zegt Ton Augustinus:

Het gaat goed met onze organisatie. Paul en Bart Augustinus met ABM, een makelaars huis in bloembollen, en de jongste broer Ton bestiert Augustinus Vastgoed Makelaars, welk zich richt op bemiddeling van belegging- en agrarisch onroerend goed.

Het Jamin-pand is door de groei van de afgelopen jaren veel te klein geworden. Want hoewel de makelaars vaak op pad zijn, kun je daar niet de twaalf medewerkers huisvesten die ABM / AVM inmiddels telt. Op zoek naar een geschikt ander gebouw viel het oog bijna automatisch op het pand recht tegenover de huidige vestiging. Niet alleen is het pand groot genoeg, maar het krijgt ook na de restauratie, de uitstraling die past bij deze organisatie.

Van de gemeente, zegt Ton, hebben we van meet af aan alle medewerking gekregen en sinds januari wordt er hard gewerkt aan het pand. Er moet heel veel gebeuren. Niet alleen was het pand toch in behoorlijk slechte staat, ook de omvorming van een woonhuis uit het begin van de vorige eeuw tot een modern kantoor vergt de nodige aanpassingen. Zo is er aan de achterkant inmiddels een flink stuk uitgebouwd om op de begane grond meer ruimte te krijgen. Van het interieur met cultuur historische waarde blijft het nodige bewaard: het glas-in-lood is zorgvuldig verwijderd en komt weer terug, de grote schouwen in de voorkamers aan beide zijden van de voordeur blijven behouden. In het middengedeelte wordt wel flink verbouwd: de ijzingwekkende smalle en steile trap naar de eerste verdieping wordt vervangen door een nieuw trappenhuis.

Terkening van het aanzicht van voorgevel van het pand na de renovatie

Een deel van de buitenmuur is daarbij zichtbaar geworden en dat blijft zo, zegt Ton, om de historie van het pand te bewaren. De zolder is een verhaal apart: de dragende balken zijn halfrond gebogen – een hele bijzondere constructie – en hoewel de ondersteunende pilaren midden op de verdieping staan, kunnen ze niet weg. „Dan stort het dak in, heeft de architect ons verzekerd”, zegt Ton. De tafel op deze als vergaderruimte bestemde bovenverdieping moeten dus straks maar om de balken heen worden gebouwd. Ook details van het oorspronkelijke gebouw uit 1750 die tijdens de restauratie naar boven kwamen blijven behouden. In september 2007 is de restauratie voltooid en is een gemeentelijk monument in oude glorie hersteld, een aanwinst voor de gemeente en het Vierkant.

 

Oude foto (ca 1935) van het pand van Van der Zaal (witte voorgevel)

Restauratie torens aan westzijde van Kasteel Keukenhof

De meest rechtse toren is nu gerestaureerd. De perikelen rondom de verbouwing worden besproken. Er werden vele namen op oude lijsten of hout gevonden van rond 1800.

NIEUWSBLAD Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Door Ignis Maes en Arie in ’t Veld

Het vernieuwen van de dakbedekking van drie torens van Kasteel Keukenhof aan de westzijde is een klus die je niet even snel op een achternamiddag doet. Integendeel. Het is een arbeidsintensieve klus en bovendien gaat er het nodige papierwerk aan vooraf, want er moet eerst heel wat worden gerekend en getekend en bovendien moeten diverse instanties worden aangeschreven en moet er op hun goedkeuring worden gewacht. De restauratie van het dak van de eerste toren is inmiddels afgerond en Ignus Maes, bouwkundige en bestuurslid van de Stichting Kasteel Keukenhof vertelt daarover.

Afgerond

“Vorig jaar hebben we in het kader van de BRIM (Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten) een subsidieaanvraag gedaan t.b.v. de restauratie van de dakens van drie torens en die subsidieaanvraag is gehonoreerd. Dat betekent concreet dat we in de komende zes jaar de dakbedekking van de torens aan de westzijde van het kasteel gaan restaureren. En dat is bepaald geen overbodige luxe. Zo zijn twee torens van ruberoid singels als dakbedekking voorzien. Buiten het feit dat deze bedekking hier niet op z’ n plaats is, heeft het ruberoid ook negatieve invloeden op onder andere het zink en lood. Daar moet dus worden ingegrepen.”

Toren aan westgevel van Keukenhof tijdens de restauratie (foto Arie In’t Veld)

Maes constateert verheugd dat inmiddels het dak van de eerste toren is aangepakt en het karwei goed is geklaard. “De kop is er af en achteraf is het een grotere klus geweest dan we dachten, want tijdens het werk zijn we
op diverse dingen gestuit waarmee in het bestek niet of nauwelijks rekening was gehouden: in de restauratie heet dat een verborgen gebrek en we hebben hiermee ook eigenlijk geen rekening kunnen houden. Zo waren
de muurplaten, houten goten en geprofileerde neuslijsten slechter dan we dachten. Aan de andere kant was het dakbeschot weer beter. Meevallers waren er dus ook en al met al kunnen we stellen dat de restauratie redelijk volgens het beschikbare budget is gerealiseerd en dat het dak er zeker weer vijftig jaar tegen kan, wat ook een restauratie eis is.” De toren is opgeknapt door aannemersbedrijf Du Prie uit Leiden die op het
gebied van het restaureren van monumentale gebouwen zijn sporen ruimschoots heeft verdiend. “De Stichting Kasteel Keukenhof mag zich verheugen in een groot aantal vrijwilligers die alle mogelijke klussen
aanpakken, maar dit soort werk besteden we uit aan vakmensen.
Bovendien worden door de Monumentenzorg wat dat betreft ook de nodige eisen gesteld.”

Traditioneel

Dat nu de steigers zijn verwijderd en wordt gewacht op het aanpakken van de volgende toren heeft zo zijn reden. Maes: “In de periode dat er volop evenementen en manifestaties zijn willen we niet dat het gebouw constant in de steigers staat. Wat dat betreft ging het dit keer overigens maar net goed, want de weersomstandigheden zaten niet helemaal mee en er moesten zelfs fikse stormen worden getrotseerd. ” Maes vertelt dat het dak traditioneel is hersteld, hetgeen wil zeggen dat de oorspronkelijke leien zijn aangebracht. “Deze leien komen uit

het Franse Angers en zijn aangebracht in een zogenoemde “Maasdekking”. Bovendien werden nieuwe, overeenkomstig de bestaande, 40 ponds loden goten aangebracht hetgeen noodzakelijk was omdat de oude dakbedekking met ruberoid singels een stof afscheidden die het lood aantastte. Die leien zijn in de zestiger jaren aangebracht en waren eigenlijk een lapmiddel. Oorspronkelijke leien waren toen hoogstwaarschijnlijk te kostbaar en het dak moest toch waterdicht.”

Maes vertelt ook dat tijdens de restauratie men op wetenswaardige zaken stuitte. “De toren waarvan het dak nu is gerestaureerd moest eerst van een ingang worden voorzien. Eeuwenlang is er niets of niemand bovenin de torenspits geweest, want j e kon er niet komen. De dakkapelletjes zijn dan in feite ook pure sier maar verder nutteloos, want je kunt er niet door naar binnen of naar buiten. Ze dienen dus puur ter verfraaiing van het gevelaanzicht en een onderbreking van de drie dakvlakken.

Bij de dakkapel dat toegang geeft tot de torenzolder blijkt, dat hierbij het dakbeschot in het (korte) verleden ruw is verwijderd.

Men kan met redelijke zekerheid vaststellen, dat na de bouw van de toren in 1861/2 de torenzolder niet bereikbaar was en de drie dakkapellen puur voor verfraaiing zijn aangebracht. Het oog wil ook wat! In het boek “Keukenhof’ staan op bladzijde 163 twee foto’s uit 1913 met daarop de huidige entree. Aan de rechterzijde hiervan bevond zich aan de gevel ter hoogte van de eerste verdieping een opgehangen/geplaatste lantaarn met

glas in loodramen. Ook deze was ter verfraaiing van het geheel, want in het metselwerk erachter was géén opening aanwezig. De tekening met het wapen van de familie van Pallandt en van Lisse laat deze lantaarn op de eerste verdieping ook duidelijk zien. Waar staat die tekening in het boek Keukenhof?? Hulkenberg schrijft hierover; de bont beglaasde koekoek’ , die ‘ koud’ tegen de muur was aangebracht en geen enkele functie had, verdween toen. We weten dat het Huys Keukenhof in 1861/2 is verbouwd en zijn torens heeft gekregen om het uiterlijk tot Kasteel Keukenhof te laten worden en uitstralen. De (verdwenen) lantaarn en de dakkapellen

hebben daar destijds hun bijdrage toe geleverd.”

Namen

Maes vertelt dat bij het herstellen van de spanten, vloerbalken en blokkeels de ontdekking werd gedaan dat op vele spantbenen en korbeels met potlood namen staan geschreven. Maar ook data en zelfs de weersomstandigheid waaronder aan de toren is gebouwd. “Daar blijkt uit dat er door timmerlieden in 1864 aan deze kap met spanten is gewerkt en kun je concluderen dat er naast de al bekende startdatum van 1861/2 ook nog in 1864 aan deze toren is gebouwd. In latere jaren is er eveneens hersteld aan de toren, want er staan ook namen uit 1900 en 1918.” Maes vertelt verder dat men enkele bekende Lissese namen is tegengekomen en de gedachte gerechtvaardigd lijkt dat ook de plaatselijke aannemers met hun vaklieden aan het verfraaien van de van oorsprong rechthoekige buitenplaats naar kasteel hebben gewerkt. “De naam van Cornelis v.d. Zaal staat op z’n kop, dus hij heeft zijn naam geschreven toen het spant nog uit elkaar op de werkbank lag. Er hebben een Siem, Albert en Cornelis van de Zaal aan gewerkt. Van der Zaal had een aannemersbedrijf aan het Vierkant waar nu het museum de Zwarte Tulp is gevestigd. Ze bouwden en herstelden ook molens. (Bekend van het boek ‘In de schaduw der molenwieken’).

Sommige namen staan er twee keer op. Onder hen A. Molenaar. Wellicht is dat de Abraham Moolenaar (geb.19 december 1828) die op 35-jarige leeftijd aan de toren heeft gewerkt. Later (1870) begint hij een eigen aannemersbedrijf aan de Kanaalstraat. W.Dorrepaal schrijft in 1900 over koud, winderig weer. Op een strook voetlood bij de schoorsteen staan ook nog wat namen in het lood gekrast, waaronder D.Vink, J. Vink, Buckaert en Vermolen 7 april 1926.”

Vervolg

Du Prie heeft achter de dakkapellen het dakbeschot verwijderd om in de torenspits te kunnen en stuitte daarbij op een centimeters dikke laag dode vliegen en uitwerpselen van insecten. Ook bevind zich in het archief nog een leitje waaruit blijkt dat hier ooit de ‘Deutsche Leigesellen” hebben gewerkt. Eveneens in 1864. Kortom: het kasteel heeft nog altijd allerlei grote en kleine geheimen en het is natuurlijk altijd verrassend als zo’n geheim wordt ontsluierd.”

Komende vanaf de ingang van het terrein kan eenieder zien hoe fraai het dak van de meest rechtse toren (bij de Olifant’) is geworden. De leidekkers werkten van onderaf aan en hebben alle leien met behulp van zogenoemde leihaken keurig in het gelid vastgetimmerd. “Een keurig geheel in neo­gotische stijl, waarbij ook gedeeltelijk het lood van de pyronnen op de dakkapellen en nok is vernieuwd,” aldus Maes die blij is dat de restauratie is geslaagd, maar intussen ook al weer kijkt naar de volgende opdracht die voor de deur staat. Behalve het feit dat er nog twee torens gerestaureerd moeten worden, is ook de procedure in gang gezet om de schoorsteenkappen te vernieuwen.

Kasteel Keukenhof vanaf de westzijde gezien (foto Rob Kind)

HET OUDE KONINGSHUYS: juweeltje waar nooit een koning woonde

De oudste delen van het Oude Koningshuis  zijn naar schatting uit de 13e eeuw. De familie van Egmond stond aan de basis van Nyenburg. Deze lieten het huis in 1628 bouwen. De verdere geschiedenis en zijn bewoners wordt besproken.

door Sjaak Smakman Fotografie Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 1, januari 2004

Bas Romeyn, makelaar uit Lisse, houdt zijn handen een centimeter of dertig van elkaar om aan te geven hoe groot kloostermoppen zijn. Ze werden onlangs gevonden bij bet wegbikken van stucwerk in de kelders van het Oude Koningshuys in Sassenheim. Ze vormen het bewijs voor wat de Lissese streekhistoricus A.M. Huikenburg al in 1978 vermoedde: het monumentale pand aan de Sassenheimse Westerstraat is veel ouder dan het jaar 1628 waarin het landgoed voor het eerst officieel is vermeld.

Volgens de nieuwste schatting zijn de oudste delen van het Oude Konings­huys uit de dertiende eeuw, waarmee het woonhuis zich kan voegen bij illustere kastelen als Dever en de ruïne van Teylingen. Wat er in die dertien­de eeuw op de fundamenten heeft gestaan, is overigens onduidelijk. Romeyn zelf, die er dit voorjaar hoopt in te kunnen trekken, vermoedt dat het een versterkt gebouw is geweest, wellicht bedoeld om roversbendes te weren.

mogen van hun rijke tante en Portugese prinses Juliana Catharina in 1667 gaan wonen op ’t Huys ter Nieuwburgb. Officieel kopen zij het zelfs, maar aangezien niets met het huis mag gebeuren zonder de uitdrukkelijke toe­stemming van tante Juliana, lijkt hier vooral sprake van een fiscaal trucje. Ook dat was eeuwen geleden blijkbaar al populair.

’s Konings huis

Als tante Juliana in 1680 overlijdt, blijkt ze het huis te hebben vermaakt aan haar neef prins Willem 111. Die woont zelf op paleis Soestdijk en laat zijn verre nichtjes Elisabeth en Emilia er rustig wonen. Hij geeft ze zelfs nog 2.000 gulden per jaar huishoudgeld. Dat is een mooie geste die hem nog veel geld zal kosten, want de Elisabeth en Emilia overlijden pas in respec­tievelijk 1717 en 1731!

Een echt Koningshuys is het dan nog niet, want Willem 111 is nog ‘slechts’ een prins. Maar als bij het in 1688 schopt tot koning van Engeland, is ’t Huys ter Nieuwburgh dan toch met recht ’s Konings huis.

Katholiek bolwerk

Lang duurt dat niet: op 13 juni 1699 doet Willem 111 het huis voor 4.560 gulden van de hand aan zijn griffier Willem van Schuylenburg, die het ver­volgens een jaar later verkoopt aan zijn schoonzoon Nicolaas Dierqens. Die verkoopt het op zijn beurt een week later weer voor 6.000 gulden aan Jacob d’Aumale d’Haucourt.

De nieuwe eigenaar laat zijn gezicht echter nooit zien in Sassenheim. Schelto Baron van Bronkhorst van Vliet daarentegen spreekt regelmatig over ‘mijn buiten’ en heeft er vrijwel zeker enige tientallen jaren gewoond. De reden daarvan ligt waarschijnlijk in het feit dat het Koningshuys werd gebruikt voor katholieke bijeenkomsten, hetgeen in die tijd een strafbaar feit was. En de baljuw wel raad wist met boetes (en omkoopgelden) als er echt wat te halen was.

Het katholicisme blijft een rol spelen. Als Van Bronkhorst in 1727 overlijdt, vermaakt bij de woning – hoewel nergens valt terug te vinden dat bij ook de eigenaar is – aan het op dat moment 8 jaar oude weesmeisje Wilhelmina Theresia van der Laen. Wellicht woonde ze al een paar jaar bij hem, want haar ouders overleden in 1721 en 1724. Maar als het de opzet was om het huis als katholiek bolwerk te bewaren, mislukt dat. In 1757 trouwt Wilhelmina met een Antwerpse jonker en het huis gaat in de verkoop. En wie koopt het? De zojuist in Sassenheim beroepen predikant Jan Balthasar Bennet.

Koninghuys

Bennet woont er tot zijn overlijden, waarna zijn weduwe het pand in 1760 via via doorverkoopt aan de Sassenheimse schout Johannes van Dijk en Hendrik Horsman. En eindelijk krijgt het pand dan weer de naam waar het recht op heeft. Want in de koopakte wordt gesproken over ‘de Hoffsteede van ouds genaamd ’t oude Koningshuijs’. Van Dijk en Horsman verkopen het pand zeven jaar later aan de in Leiden wonende Adriaen van Assendelft, wiens zoon Barthout het in 1781 nog tot burgemeester van Leiden schopt. Maar een Leidse burgemeester zal nooit in het huis wonen, want Barthout verkoopt zijn erfgoed in 1780 aan de Amsterdammer Jan Jacobus Bosé. Die woont er maar weinig: op een zogeheten inkwartieringslijst uit 1814 – het is dan de Franse tijd – wordt Bosé wel genoemd als eigenaar, maar de bewoner is de tuinman, Willem Carel Nobel.

Verdieping meer

Hoewel het een arme tijd is, wordt in die jaren het Koningshuys flink uitge­breid. Er komt een verdieping op en de toegangspartij met bordes, de deur en de grote schuiframen zijn zeker niet zeventiende-eeuws. Maar hoe dan ook: in 1816 gaan de uit Zwolle afkomstige George Gerard Lans en zijn (tweede) echtgenote Agatha Sara Klein er wonen. Lans is behalve schatrijk -hij bezit ook bet Haagse Ockenburgh – ook een gulle man. Als bij in 1819 op 54-jarige leeftijd overlijdt, is er zo weinig over dat zijn weduwe en hun negen kinderen elk dubbeltje moeten omdraaien. Als ze in 1830 overlijdt, komt het huis in bezit van de Amsterdamse arts A. Willet. Als die in 1852 overlijdt, ziet het er somber uit voor het Koningshuys. Veel buitenplaatsen worden in die tijd gesloopt, het land wordt verkaveld en het puin wordt gebruikt om wegen aan te leggen. Het Koningshuys lijkt hetzelf­de lot beschoren als het in 1852 op een veiling wordt gekocht door een Goudse slopersfirma.

Familie Kruijff

Maar de redding komt in de vorm van de kwekersfamilie Kruijff, die het pand nog in hetzelfde jaar koopt, het land eromheen in gebruik neemt als bollengrond en in het pand zelf een kostschool vestigt. De naam Kruijff wekt in Sassenheim ontzag. Jan Jansz. Kruijff duikt al in 1629 in de Sassenheimse annalen op en in de loop der eeuwen zijn Kruijffs onder meer schepen en zelfs waarnemend schout. De kruitramp in Leiden is indirect de start van de bollencultuur bij de familie Kruijff. Engel Kruijff is weliswaar huisschilder, maar ziet zijn kans schoon en verkoopt na de ont­ploffing in 1810 zoveel ruiten in Leiden dat hij zijn lang gekoesterde wens in vervulling kan laten gaan: hij koopt een kraam bollen en is volgens een’Acte van Patent’ vanaf dat moment bloemist. Bang is hij niet: hij gaat naar bet buitenland om bollen te verkopen en  in 1813 zelfs midden in de slag bij Leipzig, waar Napoleon verpletterend wordt versagen.

Slopershamer

Engels zoon Leendert (1827-1905) is de man die in 1852 het Koningshuys van de slopershamer redt. De eerste tien jaar is het een kostschool, maar daarna gaan Leendert en zijn vrouw Classina van Waveren er wonen – en ook dat is een beroemde naam uit de bollenwereld. Leendert is ook de eer­ste firmant van ‘Gerrit van Waveren & Kruijff’, een machtige onderneming in de bollenwereld. Kruijff is beroemd om hyacinten, tulpen, irissen en spi­rea’s. Hij is ook actiefin de standorganisatie. In de in 1860 opgerichte Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuür is hij van 1880 tot 1896 vice-voorzitter onder niemand minder dan Krelage. In die jaren worden ach­ter het Koningshuys schuren en andere bedrijfsgebouwen neergezet. Leendert doet op latere leeftijd de zaken over aan zijn zoons Gerard en Engelbert, maar tot op hoge leeftijd blijft Leendert betrokken bij zijn bedrijf.

Auto’s en fietsen

Een hoogtepunt is de organisatie van de vollegrondstentoonstelling, die in 1907 wordt gehouden op de terreinen rond het Koningshuys. „Van alle hui­zen wapperde de vaderlandse driekleur en auto’s en fietsen en tal van wan­delaars bewogen zich langs den weg, die naar het tentoonstellingsterrein leidt. Dat terrein is gelegen op de gronden van de firma Gt. Van Waveren en Kruijff voor het Oude Koningshuis. Het geheel maakt een alleraangenaamsten en aantrekkelijken indruk”, meldt het Weekblad voor de Bloembollencultuur op 12 april 1907.

De Eerste Wereldoorlog laat zijn sporen na: in 1916 wordt de firma opgehe­ven en de Kruijffs verhuizen naar Oegstgeest. Ook de bollencultuur wordt vaarwel gezegd: Gerards zoons worden majoor, docter in de medicijnen en directeur van een metaalwarenfabriek, terwijl zijn broer Engelbert helemaal verzot is op fietsen. Hij is een van de oprichters van de ANWB en gaat later zelfs fulltime voor de bond werken. Een herinnering aan zijn jeugd is het pseudoniem waaronder bij artikelen schrijft in de De Kampioen: Bertus Bol.

Verkaveling

De nieuwe eigenaar van het Koningshuys wordt in 1918 de net benoemde burgemeester Ferdinand de Smeth. Maar die woont er maar heel eventjes: na twee jaar wordt bij hofmaarschalk en verkast dan uiteraard naar het Haagse. Een andere Hagenaar wordt eigenaar: de groentehandelaar Tb. van Koningsbruggen. Hij woont er van 1921 tot 1931 en verkoopt in die tijd flinke stukken grond, onder meer voor het inmiddels weer verlaten gemeentehuis. Wel laat hij een nieuwe brug bouwen, een koningsbrug natuurlijk. Twee leeuwen die eerder op een inmiddels gesloopte poort staan, krijgen er een plaatsje. Op een gegeven dag staan ze echter met hun rug naar de straat toe. Iedereen denkt aan een grap, maar het tegendeel is waar: Van Koningsbruggen is het zat om steeds maar tegen de achterkant van de beesten aan te kijken en heeft ze laten omdraaien.

Als Van Koningsbruggen in 1931 vertrekt, volgt leegstand. Tot 1936 woont er niemand in, daarna eventjes locoburgemeester A. Vogelaar in afwachting van de oplevering van zijn nieuwe woning. Als in 1941 de Haarlemse hout­handelaar J. Beerkens van Liempt het huis uiteindelijk koopt, kan hij er niet in: Duitse soldaten hebben het in beslag genomen en slaan er zelfs enige tijd munitie in op.

Restaurant

Na de Oorlog, in 1947, krijgt het Koningshuys een bestemming die velen zich nog herinneren: een sjiek restaurant. Lang duurt dat in eerste instantie niet: de opzet – achter elke stoel een bediende – slaat niet aan en na vijfjaar moet de Amsterdammer R. de Hoog de pijp alweer aan Maarten geven. Maarten is in dit geval de Leidse fietsenfabrikant D. Dusoswa. Vader en zoon wilden er een fietsenshowroom van maken, maar konden eerst flink klussen: de ruiten waren stuk en daarna dichtgetimmerd, de binnendeuren waren verdwenen, de elektra was afgekeurd, de centrale verwarming was stukgevroren, de waterleiding kapot en er zat een groot gat in het dak als herinnering aan een proefopstelling van een radar voor de Noord-Zuidhollandse Reddingmaatschappij. Gelukkig bleken de deuren uit voor­zorg elders opgeslagen en de beelden stonden nog bij de opkoper in Hoorn. De zaak werd opgeknapt en aanvankelijk deed Dusoswa Rijwielen Compagnie er goede zaken. Maar vanaf 1956 maakte de horeca-bestemming zijn rentree. De zaken liepen wat terug en Dusoswa senior toverde het Koningshuys om tot een hotel met ontbijt en twee jaar later tot een Hongaars specialiteitenrestaurant. De mensen stonden in de rij voor de shaslicks.

Maar ook dat ging over: in 1966 werd het Koningshuys een partycentrum, wat het lang zou blijven. Eerst onder leiding van Dusoswa junior en later van de familie Kramer liep dat lange tijd goed, maar in de loop van de jaren negentig kwam ook daar de klad in.

Renovatie  

Dan volgen er weer jaren van — opnieuw — een dramatische achteruit­gang. Maar dan komt het Koningshuys uiteindelijk in handen van de Lissese makelaar en projectontwikkelaar Bas Romeyn. Vanaf oktober 2002 wordt er hard gewerkt en wordt het pand grondig aangepakt. Dat is dan nodig ook’ vogels vliegen in en uit tussen de planken door waarmee de ruiten zijn dichtgetimmerd, smakeloze ornamenten en muurschilderingen heninneren aan de horeca-jaren, een trap naar boven is slechts met grote voorzichtig­heid te nemen. De koppen van de draagbalken in de muren zijn verrot Het gespecialiseerde architectenbureau Bob van Beek heeft er een mooie klus aan.

Voor eeuwen

Maar inmiddels is een groot deel van de klus geklaard, zoals iedereen kan zien die er langs komt. Nog een paar maanden, dan is het Koningshuys zijn oude naam weer waardig en gaat Bas Romeyn er wonen. „En dan moet het pand wel weer een paar eeuwen mee kunnen”, zegt hij met vooruitziende blik.

Bronnen: interview met Bas Romeyn/A.M. Huikenburg Het Oude Koningshuys 1628-1978

Op de eerste verdieping werd een oude zogenaamde Brabantse Wand ontdekt, een wand van houten planken met daartussen isolerend hooi.

Bas Romeyn voor zijn Koningshuis dat totaal gerenoveerd wordt en links fraai en evenwichtig gecompleteerd is met een deel nieuwbouw.

Fraaie restauratie van de Grote Kerk: VLOER VAN OUDE GRAFZERKEN IN VOLLE GLORIE HERSTELD

Een lezing over de restauratie van de Grote kerk werd gegeven door Thomas van ’t Woud. De staat van bijna alles viel erg tegen. Het tufsteen vertoonde ernstig aangetaste plekken. Een hele beschrijving van alles wat gerestaureerd is, wordt gegeven. De kosten waren uiteindelijk 2,5 miljoen euro, in plaats van de begrootte 1,5 miljoen.

door Hans Smulders Fotografie: Ernst Jan de Kooker

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 1, januari 2004

Een kleine honderd leden van de Vereniging Oud Lisse togen op dins­dagavond 4 november van het afgelopen jaar naar de Hervormde Kerk op het Vierkant. Daar was door het bestuur van de Vereniging een bij­zondere thema-avond georganiseerd: in de kerk zou alles worden ver­teld over de grote restauratie van dit kerkgebouw, een uniek en cultuur­historisch gezien het meest waardevolle monument van ons dorp. Een lezing dus, geïllustreerd met heel veel fraai fotomateriaal.

De kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente had alles in het werk gesteld om er een succesvolle en interessante avond van te maken. Niet alleen wer­den de bezoekers ontvangen met koffie met koekjes, men had er zelfs voor gezorgd dat de koperen kroonluchters prachtig opgepoetst waren en brand­den, wat de kerk een heel feeëriek aanzien gaf. De lezing werd verzorgd door Thomas van ’t Wout, die als bouwkundig adviseur de restauratie van nabij heeft meegemaakt. Het fotografisch illustratiemateraal was tijdens de restauratiewerkzaamheden vervaardigd door Ernst Jan de Kooker en werd op deze avond door hem geprojecteerd op een groot scherm.

Restauratiewerkzaamheden

Restauratie grote Kerk

De belangrijkste punten: Op bijna elk gebied viel de toestand van het uit het midden van de 15e eeuw daterende gebouw tegen. Het tufsteen waarvan de toren is opgetrokken, vertoonde veel ernstig aangetaste plekken; 120 m2 op een totaal van 600 m2 moest worden uitgehakt en van nieuwe, exact op maat gezaagde stenen worden voorzien. Het uurwerk in de toren liep op zijn laatste benen, de wijzerplaten waren verweerd en de luiklok hing scheef en had een nieuwe motor nodig. De ontluchtingskap op het dak zag er goed uit, maar bleek onder het lood geheel verrot. De kapconstructie leek nog in orde. Echter, vele spanten waren aangetast. Bovendien, was er veel vuil in de dakvoet achtergelaten bij een vorige restauratie. In overleg met Monumentenzorg, die o.m. de subsidiabele bouwkosten vaststelt, zijn alle dakpannen die nog heel waren, opnieuw gebruikt en alleen kapotte pannen vervangen door nieuwe. Bij de aanleg van de centrale verwarming in 1938 was er veel puin van de uitgehakte ruimte onder de ramen achter de houten lambriseringen gestort. Het glas in lood en het stalen raamwerk van de grote ramen was sterk aangetast door vochtophoping achter de voorzetramen. De roze wandtegels in de kerk waren natuurlijk niet meer verkrijgbaar, maar werden door de Porceleyne Fles in Delft zo goed mogelijk (en voor veel geld) nagemaakt. De banken (totaal aantal zitplaatsen nu 450!) werden ruimer gemaakt, van een diepte van 73 cm naar minimaal 79 cm en voor­zien van comfortabele kussens. Men prees zich gelukkig dat schildersbedrijf Marseille nog de vakkennis in huis had, zodat al het houtwerk (deuren, lambriseringen, banken, bankdeurtjes enzovoorts) deskundig ‘gehout’ kon wor­den; houten betekent dat vurenhout (waaibomenhout) zodanig geschilderd wordt dat het op eikenhout lijkt.

Oude grafkelders

Maar de vloer van oude grafzerken vormt nu het pièce de résistance van de kerk. De onder de houten vloer ontdekte zerken, sommige op oude grafkel­ders, met daarin hier en daar nog resten van kisten, zijn op één hoogte gebracht. De ontbrekende delen zijn met een aantal grafstenen (sommige enkele tonnen zwaar) die al tientallen jaren naast de kerk in de buitenlucht stonden, opgevuld. Ook zijn een aantal nieuwe natuurstenen platen toege­voegd om er één geheel van te maken. Zoals het betaamt zijn de zerken zodanig neergelegd dat de overledene met zijn voeten in de richting het altaar ligt (toen de kerk nog een katholieke kerk was, stond het altaar op de plaats van de huidige hoofdingang en was de hoofdingang gelegen aan de Achterweg), de graven van de priesters evenwel in omgekeerde richting; bij de wederopstanding moesten de gelovigen immers opstaan en in de richting van het altaar blikken, terwijl de geestelijkheid in de richting van het gelovi­ge volk moest wederopstaan!

Voorts werd de elektrische installatie gemoderniseerd (hierbij werd meer dan een kilometer kunststof pijp gebruikt!). De centrale verwarming is gro­tendeels vervangen. En uit oogpunt van veiligheid is noodverlichting aange­bracht. Ten behoeve van trouwpartijen en begrafenissen zijn de looppaden verbreed. Nu kunnen bruid en bruidegom naast elkaar de kerk binnenschrijden en hoeven kisten met overledenen bij wijze van spreken niet meer op hun kant het kerkgebouw in en uit te worden gedragen.

Twee en een half miljoen euro

De restauratie was aanvankelijk begroot op ongeveer 1,5 miljoen euro, maar overschrijdt nu al de 2,5 miljoen euro! De kerkvoogdij prijst zich gelukkig met de financiële hulp die uit alle lagen van de Lissese bevolking geboden wordt.

De toren van tufsteen was veel sterker aangetast dan men vreesde. De foto toont een gerestaureerd gedeelte en een stuk tijdens de restauratie.

Erepenning voor Bart en Stephanie Griekspoor van HEEREWEG 291:

De erepenning van de Vol in 2003 is voor de familie Griekspoor van Heereweg 291. De woning is uit 1860, gebouwd door W. Slegtkamp. Vroeger werden hier de paarden gewisseld voor de paardentram.

door: Ine Elzinga    

Fotografie: Hans Smulders

Nieuwsblad jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Bart en Stephanie Griekspoor hebben vier kinderen. Tijdens de fotosessie lag Torn te pitten. De andere drie (Ted, Klaartje en Boortje) poseerden giechelend in de keuken, die geheel in de oude stijl is herbouwd en daardoor veel nostalgie uitstraalt.

Bart en Stephanie Griekspoor hebben in 2003 de erepening van de Vereniging Oud Lisse ontvangen. Ze renoveerden de vrijwel vervallen woning aan de Heereweg 291 tot een respectabel woonhuis, authentiek met persoonlijke stijl: ‘We voelen een sterk persoonlijke band met dit huis en niet alleen omdat opa Griekspoor er een leven lang woonde.’

Rond 1860 bouwt bollenboer W. Slegtkamp een woonhuis op Heereweg 291. Achter de woning komen twee bollenschuren en een dienstwoning voor de knecht. Een flink stuk van het achterliggende land, waarop onder meer een boomgaard, behoort ook tot zijn domein. De huidige eigenaar Bart Griekspoor weet niet precies wanneer opa C. Griekspoor het pand kocht, waarschijnlijk in 1930. Opa zal er tot zijn overlijden op 94 jarige leeftijd in 1990 blijven wonen. Griekspoor: ‘Opa was aannemer en had een groot grondverzet bedrijf. Hij hield kantoor aan huis en gebruikte een schuur voor de opslag van klein materieel. De grote wagens stonden elders. Een van de schuren was omgebouwd tot paardenstal. In de tijd dat er in Lisse nog een paardentram reed, werden hier de paarden gewisseld en konden ze uitrusten. Het laantje naast het huis werd toen het laantje van Griekspoor genoemd, maar ik noem het gewoon onze poort.’ Na opa’s overlijden blijft het huis acht jaar leegstaan. Griekspoor: ‘Opa heeft de laatste twintig jaar van zijn leven weinig aandacht aan het huis besteed. En de leegstand deed ook geen goed. Niemand wist eigenlijk wat er met het pand moest gebeuren, en iedereen zag op tegen renovatie en onderhoud.’ In 1998 hakken kleinzoon Bart en zijn vrouw Stephanie de knoop door en besluiten het huis te kopen om het weer als woonhuis in ere te herstellen. Ze betrekken de dienstwoning en gaan aan de slag.

Rijp voor de sloop

Griekspoor: ‘In feite was het rijp voor de sloop. We zijn bovenaan begonnen, het huis waterdicht maken!’ Het dak eraf, de balken waren verrot, al het houtwerk trouwens. Alle houtwerk is vervangen en er kwamen nieuwe dakgoten. Vervolgens zijn de muren gestraald en opnieuw gevoegd en is het houtwerk meteen goed in de verf gezet. De glas-in-lood ramen hebben tochtig lood en missen stukken glas. Het groene glas is een heel zeldzaam groen kathedraal glas. Stephanie Griekspoor: ‘Het glas was gesigneerd door glazenier Bogtman uit Haarlem. Dat bedrijf bestaat nog steeds en was ook betrokken bij de glazenierwerkzaamheden voor de St. Agathakerk. Het bedrijf wordt nu geleid door de kleinzoon. Grootvader Bogtman had een archief had bijgehouden. Hij kende de ramen en had nog een reserve stuk glas staan!.’ De ramen worden hersteld en ter bescherming en ter isolatie laat Griekspoor er aan beide zijden ven­sterglas voor plaatsen, driedubbel glas in Huize Griekspoor. De buitenkant ziet er dan al aardig uit, maar binnen is het een puin­hoop. De zolder krijgt een vloer die beloopbaar is. ‘Als kind mocht ik nooit op de zolder van opa komen, die stond deels vol met overtollige spullen en je kon door het achterste gedeelte heen zakken.’ Van de eerste verdieping worden de tussenmuren weggehaald: ‘Bij die sloop kwamen we erachter waar de oorspronkelijke muren en deuren waren geweest, er waren bijvoorbeeld aparte voorkamertjes. Stephanie en ik hebben besloten de originele indeling zoveel mogelijk terug te bren­gen.

CV op kolen!

We ontdekten ook dat opa zijn tijd vooruit was. In, ik schat 1940, had hij al centrale verwarming in het huis laten aanleggen, op kolen gestookt, alle leidingen en bedradingen zaten er nog, evenals een asbesthoudend schoorsteenkanaal. In de beginjaren zestig heeft hij de cv laten vervangen door gaskachels, logisch dat was makkelijker en goedkoper.’ Het behoeft geen betoog dat er heel wat te slopen is, voordat de bovenverdieping opnieuw kan worden ingericht. Alles wat bruikbaar is en het huis oorspronkelijk toebehoort krijgt weer een plek, zoals de oude wastafel. Tegelijk wordt het huis ingericht voor de eenentwintigste eeuw, het liftje in de badkamer bespaart bijvoorbeeld heel wat loopjes met volle wasmanden over de degelijk houten trap naar de wasmachine beneden. En ook Griekspoor junior heeft een vooruitziende blik: ‘Ik heb wel meteen kabels gelegd voor pc en tv later op elke kinderkamer.’

Plafondschilderingen

De houten trap naar beneden heeft mooi vormgegeven deels gedraaide houten spijlen. Er zijn er echter nog maar een paar intact. Het valt niet mee iemand te vinden die deze kan namaken, Griekspoor moet er de grens voor over. Hij laat er flink wat extra maken: ‘De houten ladder naar zolder willen we door een echte trap vervangen. Om één geheel te krijgen wordt die trap van dezelfde type spijlen voorzien als de trap naar beneden. In een later stadium over­weeg ik dakkapellen op zolder. Ik heb van een deskundige begrepen dat er wel mogelijkheden zijn om bij deze woning passende kapellen aan te brengen.’ Bij de renovatie van de benedenverdieping wachten opnieuw ontdekkingen. Op het plafond is ooit een Jugendstilschildering aangebracht. Wanneer de muurbekleding is verwijderd, op dunne latjes (tengels) aangebrachte houtpanelen, wacht eveneens zo’n schildering. Griekspoor: ‘Die muurbekleding diende als isolatie, erachter is immers stilstaande lucht, en dat isoleert perfect.’ Stephanie vertelt dat ze vroeger nooit zo van Jugendstil hield: ‘Toen we die schilderingen tegenkwamen, ben ik mij in die stijl gaan verdiepen, ik vind het nu prachtig.’ Ze neemt zelfde kwast ter hand om ze allen over te schilderen. En misschien komt er op de bovenverdieping naast de trap ook wel zoiets op de muur. De houten vloer in de benedenkamers gescheiden door een forse schuifdeur is nog in tact, hoewel niet geheel waterpas meer. De prachtige schouwen zijn vernieuwd, maar wel in stijl. De serre is een ramp. Het dak lek, de houten vloer niet meer te redden. Opnieuw worden de mouwen opgestroopt.

Geheime kelder

Het echtpaar Griekspoor heeft inmiddels elke centimeter van hun huis is handen gehad. Al pratende, komen er steeds weer nieuwe verhalen boven. Over de riolering: ‘Toen we die wilden aanleggen, konden we niet onder het huis door naar de voorkant in verband met de funde­ring. De riolering is nu achter het huis langs om naar voren gelegd. Al gravende stuitten we op steen. Dat bleek het plafond van een grote gewelfde kelder, met verschillende ruimtes. Deze stond vol water en er is dagen gepompt om die leeg te krijgen. We hebben alles netjes dichtgemaakt. Misschien maak ik hem ooit nog wel eens open. Een buurman heeft ook zo’n kelder als wijnkelder in gebruik, best een goed idee.’

Bliksem in de soep

Stephanie: ‘Er kwamen ooit twee oude dames, die het huis uit opa’s tijd kenden, nieuwsgierig langs. Ze vertelden het verhaal van de blik­sem die ooit was ingeslagen in de pan soep die achter het raam op de kookplaat op dit aanrecht stond.’ En dan is er de herontdekte vijver vlak achter het terras, die weer min of meer in gebruik is genomen. Stephanie en Bart wonen inmiddels met hun vier kinderen al weer geruime tijd in het huis. Maar nog lang niet alles is klaar wat het echt­paar in gedachten heeft. Griekspoor: ‘We gaan nu de dienstwoning verbouwen, ook die blijft zo authentiek mogelijk. De toegangsweg, de poort, is al geplaveid met waaltjes. Zulke stenen passen het beste bij dit type huis. Die waaltjes lagen ooit op de Vinkenlaan in Hillegom. Toen ze die weg gingen renoveren, heb ik de gehele straat opgekocht!’

‘We wonen hier heerlijk en hebben er geen spijt van dat we die klus ooit zijn begonnen. We voelen echt een band met dit huis.’

De hele familie Griekspoor in de fraaie achtertuin met een bijzondere vijver. Hiervandaan is goed te zien hoe fraai de achtergevel is gerestaureerd.

DE GRAFSTENEN VAN DE GROTE KERK: SCHELM, GUYT, BLOEDSUYGER


Bij de restauratie van de grote kerk werden een aantal interessante grafzerken gevonden.

door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

Na jaren van voorbereiding is men op 6 mei 2002 begonnen met de restauratie van de Grote Kerk, aan de Heereweg 250 in Lisse. Bij het verwijderen van de houten vloer werden een aantal interessante grafzerken ontdekt, waarvan hier een korte opsomming volgt:

Grafzerk Langevelt

In het gedeelte voor de preekstoel werd een zerk aangetroffen met dit randschrift.

Het jaar van overlijden moet zijn 1624. Maarten Jacobs was timmerman van beroep. Binnen het randschrift treffen we dan ook boven zijn wapen (een grote ster) onder meer een tweetal molenwieken aan. Naar het wapen moet nog onderzoek worden gedaan.

 

 

 

Grafzerk van der Upwich

In het portaal bevond zich onder het grafmonument van Van der Stel een zerk met het hiernaast afgebeelde opschrift.

Het betreft hier een dochter van J.B. van der Upwich die in 1804 was geboren en in hetzelfde jaar is komen te overlijden. Later zijn nog een tweetal andere kinderen van Van der Upwich in hetzelfde graf bjjgezet. J.B. van der Upwich was zich omstreeks 1793 in Lisse komen vestigen. Vanaf 1812 was hij adjunct-maire van Lisse (een soort plaatsvervanger van de burgemeester).

Grafzerk van Jacob van Dorp

Een derde grafzerk werd aangetroffen naast de verhoging bij de preekstoel en ongeveer vanaf de eerste bank en/of bank van de ambtsdragers onder de verwijderde houten vloer met het hiernaast afgebeelde opschrift.

Jacob van Dorp moet dus uitgaande van het grafopschrift omstreeks 1663 zijn geboren. Hij was vanaf omstreeks 1688 notaris in Lisse en dus waarschijnlijk tevens secretaris. Maar…

Van Dorp wilde meer! Hij ambieerde eveneens het schoutambt. Als in 1704 schout Pieter van der Codde komt te overlijden, wordt in zijn plaats Nicolaas de Graaf aangesteld. Van Dorp maakte hem het werken echter dusdanig onmogelijk dat hij al gauw vertrok. Zijn opvolger, Reynier Brand, deed hetzelfde, waarna de secretaris het schoutambt naar zich toetrok. Eerder had er nog in het rechthuis (De Witte Zwaan) een scheldpartij plaatsgevonden waarbij De Graaf de sluwe secretaris had ‘uytgescholden voor een schelm, guyt, bloedsuyger van de gemeente, Judas, Pharizeer, ende diergeljjke’.

Dit zijn de meest opmerkelijke grafstenen die tot op heden zijn aangetroffen tijdens de restauratie. Andere grafstenen zijn meestal kleiner en alleen genummerd. Voorts werd er nog een andere grote grafsteen gevonden richting de toren, maar die leek geen opschrift te hebben. Ook de onderkant van de steen was niet bewerkt.