Berichten

’t Roemwaard Lisse: (65)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Als men Lisse  naderd van de zuidzije passeerde men een Engel een bbeschermengel, en men kan bezwaarlijk zeggen, dat deze engel niet in ere werd gehouden. Het was de herberg “De witte Engel”,1 waaraan het buurschap De Engel zijn naam te danken heeft. Deze herberg bestond reeds in 1602,2 toen Jeroen Dammasz Cluft in De Engel woonde. In 1562 was hij kerkmeester in Sassenheim. (Dit deel van Lisse is bij de splitsing der parochies Sassenheim en Lisse aan Sassenheim gebleven).3 Na het invoeren van de reformatie, waarbij de uitoefening van het katholicisme ten strengste verboden werd, bleef Cluft toch een strijd­baar aanhanger van de oude leer. Hij hield “heimelijke papistige vergaderingen” en werd later weer veroordeeld, omdat hij de predikant van Katwijk beledigd had.4 De Engel is altijd een besloten roomse gemeenschap gebleven. De schuurkerk aan het Mallegat (blz. 13) lag trouwens vlak bij.

Sinds 1738 was de herberg in het bezit van Cornelis Dirkse van Dalen. Na diens dood werd door zijn weduwe , Anna Leendertsz van Grieken, het “sterk en weldoortimmerd huis” met schuur en “het recht van de vrije bier stekerije” voor ƒ 350 verkocht aan Jan Hendrikse Kuijten.5 Deze koop moet echter om een of andere reden niet zijn doorgegaan, want 3 december 1754 verkoopt zij de herberg voor ƒ 300 aan Cornelis van der Hulst.2 “De Witte Engel” is verdwenen, maar “De Engel” is altijd gebleven.

Voordat het Mallegat gegraven was stroomde in natte tijden het overtol­lige water van het Keukenduin naar het laaggelegen terrein ten westen daarvan, de Liesbroek, die via de Voortlaan op de Beek uitwaterde. (Zo’n doorwaadbare plaats heet een voorde). Aan deze laan, waar nu prachtige tulpen bloeien, lag tussen ten dele afgegraven duinen de boerderij “’t Nest”. In 1616 wordt “Claes Gerritsz op ’t Nest” ge­noemd6 en later compareert herhaaldelijk de naam van “Gerrit (Lang-veld? ) op ’t Nest”. Daar dicht bij, op het huidige bollenland van de firma L. Berbee, stond in de 17de eeuw de buitenplaats Akervoorde, een aker- of eikenbos aan de voorde. Het was een deftig huis; verschei­dene kamers waren met goudleer bespannen. Eerst woonde hier Mr. Joan Sylvius, burgemeester van Haarlem en rentmeester van Rijnland7, maar later behoorde het aan het geslacht Van Sijpesteyn, de eigenaars van het Hof van Hiïlegom, hetgeen regelmatig verhuurd werd, omdat men aan Akervoorde de voorkeur gaf.8 Een der bekendsten was (Cor­nelis) Ascanius van Sijpesteyn (1694-1744), schepen, thesaurier, burge­meester en “opperfabriek” der stad Haarlem.9

Akervoorde was reeds lang verdwenen toen het “Huis Ter Beek” ver­rees. Het werd in 1833 door Baron van Pallandt (van Ter Leede) gebouwd in een lichte, Italiaanse stijl voor zijn zoon Cornelis Hendrik, lid der Provinciale Staten, die hier met zijn echtgenote Jkvr. Rudolphine M. Th. Sandberg tot Essenburg en hun gezin jarenlang heeft gewoond.10 Sinds 1909 heeft de St. Vincentiusvereniging het gebouw in gebruik als kinderhuis. Op een naastliggend perceel is in 1929 de Engelenkerk gebouwd en hier neemt onze Jan de Graaff met fraaie beden en wensen afscheid van zijn Roemwaard Lisse.

Gij burgers, die hier rustig, vredig leeft,                   *
Gij akkerlieden, die uwe tienden geeft,
Die ’s mensdoms voedsel haalt van uwe velden,
Ach, dat Gods gunst voor eeuwig u verzelde!
Ach, dat Gods vrees voor eeuwig en altoos
Bij u huisvest en niet de zonden boos,
Zo zal Zijn gunst en heil u steeds beschijnen,
Zo zal alsdan de neveldamp verdwijnen.
Leeft dan in deugd, leeft in dit aardse dal
Bevrijd van druk of heilloos ongeval,
Zijlt door deez’ zee van ongestadigheden
Totdat gij naakt de haven, daar de vrede
Haar zetel heeft, daar nooit geen droevig leed
Of bange zorg de herte nijpt of kneedt,
Daar d’Heilzon op zijn hoogverheven trone
Zijn glanzen spreidt en door gepaarde tonen
Van ’t zalig volk ’t eeuwig Haleluia
Gezongen wordt gestadig voor en na.

Aanbid’lijk God, geef dat wij al temmen

In eeuwigheid steeds loven Uwen Name!

1   Gemeentearchief, gedr. affiche.

2   ARA, Recht.arch. Lisse nr. 19 fol 243.

3   De Aagtenkerk blz. 23.

4   LeidsJaarb. 1941 blz. 171.

5    ARA, Recht.arch. Lisse nr 104. Ansichten blz. 78.

6   Arch. Herv. Gem. Lisse nr. 25.

7    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 60 fol 196 (1699) en 63 fol 211 (1708). Mr. Maarten A. van S., schepen van Alkmaar, nr 66 fol 21 en 62-79 (1717).

8   A.M. Hulkenberg, ’t Vermaaklijk Hiïlegom (1971), blz. 20 en 22.

9   ARA, Arch. Huis te Hiïlegom.

10 Ansichten blz. 79.

65. De hofstede Ter Beek. Litho van J. D. Steuerwaldnaar een aquarel van P.J. Lutgers (1808-1874). Uit Gezigten in de omstreken van Den ‘s-Gravenhage en Leyden, !855.

 

’t Roemwaard Lisse: Gezicht op het dorp Lisse (63)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Dit charmante aquarel van Van der Vinne lijkt wel zeer veel op het bekende prentje van Rademaker, “Lis 1630”.1 De toren met links het uitgebrande koor (blz. 41) en kostershuis. Rechts de achterzijde van een boerenhof stede aan de Heereweg, die tussen kerk en boerderij door loopt. Wel is de toren hier juister weergegeven dan bij Rademaker. Heeft Van der Vinne deze soms naar de natuur getekend en het schilderijtje in zijn atelier aan de hand van het etsje van Rademaker gestoffeerd? Het heeft er alle schijn van. Wij zijn nu weer terug in het dorp en luisteren weer naar Jan de Graaff, die zich met fraaie wensen tot de schout, Willem Jacobus Sennepart, gaat richten.

Geachte Heer, die torst op uwen schouder

Des dorps last en die een toevertrouwder

Van alles zij t ’t geen u is opgelegd,

Leev’vromelijk in ’t handelen van ’t recht,

Zo zal uw roem tot in de nageslachten

Vereeuwigd zijn. De Heer geev’ u de krachten

En zend’ Zijn gunst op u gestadig neer

En uw familie, opdat de nazaat weer

U nastreeft in vrome manmoedigheden.

Leev’, als gij dan uw loop hebt uitgestreden,

In ’t hoog gebouw, daar u een plaats bereid

Is van Gods Zoon; leev’ in der eeuwigheid!

Deze vrome beden zijn niet alle in vervulling gegaan! (blz.46).2 Nu gaan de wensen uit naar “Jezus’ trouwe herders”, de Eerwaarde Heren Ds Abraham Bernard Smits Gordon en Cornelus van der Valck, pastoor van de schuurkerk aan het Mallegat (blz.13). Ze staan hier bien étonnés se trouver ensemble, want Dominee was wel zeer ijverig, maar niet zeer “zachtelijk” en pastoor Van der Valck had wel enige reden om ietwat wantrouwig in de richting van de Dominee te kijken.3

En gij, die hier als Jezus’ trouwe herders

De kudde Gods weidt, zachtelijk, om verders

Te brengen tot de bron van alle goed,

Tot dien Schilo? diens zuiver dierbaar bloed

Onz’ wonden heelt en u hier heeft gezonden

Om zuiverlijk Zijn heilig woord te konden,

Leev’ lange tijd en strijdt voor Jezus’ leer

Onder banier van Hem, zo zal Zijn Eer

Vermeerderen en Hij zal u bekronen

Met heerlijkheid, om eeuwig in te wonen

In Zijn paleis, welks muren zijn gebouwd

Van edele gestteenten  en fijn goud.

Ten slotte volgen nog fraaie wensen voor de “vaders” en de “voedster-heren”, “der wezen stut”. Waarschijnlijk voor de schepenen, Maarten van der Jagt en Arie van der Zaal, de diakenen Jan Hirs en Jeremias Rouwens, en ook voor de Roomse armmeesters Jan Kragt en Leendert Pieterse Kerkvliet en misschien nog voor velen meer.

Gij vaders, die hier trouwelifk de rechten

Handhaven en de ondeugd steeds berechten,

Gij, die als voedsterheren voor ons zift,

Der wezen stut, der weduwen bevrijd(ing),

Lang moet gif ons op uwe vleugelen dragen,

Totdat gif oud en afgeleefd van dagen

Vol eer en roem tot’t stargeweifsel vaart.

Uw naam zal in ’t gedenkboek zijn bewaard,

Opdat ge een baak verstrekt voor zoon en neven

Om u gestaag manmoedig na te streven.

God, wens ik, dat uw hoofden kroont met heil

Der zaligheid. A Is de vergif te pijl

Des doods u doet uit ’s werelds woning scheiden,

Dat gij u dan in beter meugt verblijden!

Wij volgen nu Ds Craandijk, die nu bijna honderd jaar geleden langs de dorpskerk de Achterweg inloopt. “Hoge wilgen en elzen groeien langs de sloten; tulpenbedden, waar wij vooral de Tournesol – een kleine, helderrode tulp met gele randen -opmerken, pronken er met hun schitterende kleuren; frisse grasvelden breiden zich uit tot aan den rijk begroeiden en sierlijk golvenden duin-zoom. Als wij ons om wenden om terug te zien naar het dorp, dan rust ons oog op een bekoorlijk landschap, waar het kronkelend spoor zich verliest in het jonge groen van heesters en rijzige iepen, geschaard om den kloeken, grijzen kerktoren met zijn stompe kap en het witte kerkje daarachter en de rode daken erom heen. Straks bij de grote nette boer­derij Dubbelhoven, maakt de weg een bocht en het dorp verschuilt zich achter ’t geboomte”…

1    A.  Rademaker, Kabinet . . .(1725). De Aagtenkerk blz. 46. Huis Deverblz. 109.

2   Huis Deverblz. 232.

3    De Aagtenkerk blz. 89-104. Huis Dever blz. 127 en 128.

4    Silo, Aramees, dé man (bij uitstek), Christus.

63. Gezicht op het dorp Lisse. Aquarel van Vincent Laurensz van der Vinne (Haarlem 1638 – aldaar 1742) 13×26,5 cm, in particulier Duits bezit. Rijks Kunsthistorische Documentatie Den Haag, neg nr. 30774

’t Roemwaard Lisse: Wildlust (61)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

In 1733 bestond Wildlust nog niet. Toen was ter plaatse aan de Zandsloot ten noordwesten van de Lisserbrug op het huidige bollenland van Grullemans een bleekveld met een bouwhuis (boerenhuisje).1 Dit bleekveld behoorde met alle duinen ten noorden van de Zandsloot aan de eigenaar van het Hof van Hillegom, Jhr. (Cornelis) Ascanius van Sijpesteyn.2 Op dit bleekveld, doorsneden door veel slootjes met helder duinwater werd door regelmatig “hozen” in het zonlicht de was gebleekt.3 Iets verder van de weg stond op het gras een fraaie tuinvaas, waarop de bewoonster van Zandvliet, Jkvr. Adriana C. Sohier de Vermandois (“de Mammesel”) uit haar zijraam een fraai uitzicht genoot.1 De rest bestond uit “houtbos”. In 1742 was de “blekerij” al niet meer in gebruik en beplant met “wilgeplanten”.4 Later vindt men aldaar de tuinen van “de buitenplaats genaamd Wildlust”, die op 2 augustus 1814 “bij titel van koop bij gerechtelijke uitwinning” in handen was gekomen van “de Heer Casparus Henricus Wolff, chirurgijn en apothecar” te Lisse. (blz. 56).5 Wolff ging echter niet zelf op Wildlust wonen; het was verhuurd aan “den WelEdelGeboren Heer Coenraad Jacob Temminck, landeigenaar, wonende te Amsterdam op de Herengracht bij de Leidse-gracht”, aan wie Wolff op 30 januari 1819 Wildlust voor ƒ 10.000 verkocht.6 Het geheel bestond uit een herenhuizing, tuinmanswoning, schuur en verder getimmerte en met de landerijen, bossen en duinen groot 14 morgen tot de gemelde buitenplaats behorende en om en bij dezelve gelegen.” De verkoper verklaarde “niet in te staan voor de tegenwoordige staat der gebouwen”, hetgeen erop wijst, dat ze al niet nieuw meer waren.

Het oog der liefde ziet niet ver; Temminck trouwde met Anna Agnetha Smissaert, de dochter van Marinus A.P. Smissaert, de eigenaar van Veenenburg en van de duinen die aan de noord- en westzijde Wildlust omsloten. Coenraad Jacob Temminck, geboren te Amsterdam op 31 maart 1778, was een verdienstelijk dierkundige.7 Op achttienjarige leef­tijd aanvaardde hij een winstgevende betrekking bij de Oostindische Compagnie, legde zich tevens met ijver toe op de beoefening der biologie, werd door koning Lodewijk benoemd tot kamerheer en ridder van de Orde der Unie, nam in 1813 als luitenant bij een vrijkorps te paard met geestdrift deel aan de afschudding van het Franse juk en zag zich in 1820 benoemd tot directeur van het Rijksmuseum van Natuur­lijke Historie te Leiden. Nu werden op zijn aandringen geleerde mannen naar verschillende werelddelen uitgezonden om exemplaren uit het dierenrijk voor het museum te verzamelen. Met onvermoeibare volhar­ding bleef hij daarvoor werken, totdat hij op de 30ste januari 1858 door de dood werd weggerukt. Ook op Wildlust bleef hij de biologie trouw. In 1827 kwamen daar wijngaardslakken voor, waarvan nog steeds een schelp te Leiden bewaard wordt.8 “Professor Temminck” heeft veel voor de uitbreiding en verfraaiing van Wildlust gedaan. In 1828 kocht hij boerderij en landerijen van het voormalige Zandvliet (blz.32) en hij bestelde voor Wildlust duizenden eiken en honderden sierheesters bij de firma, die toen “Cornelis de Graaff en Zn” heette.9 Zo bracht onze Jan hem posthuum nog een laatste groet.

Geachte Heren, die U’s zomers komt vermeien

In dit district, en aan de groene weiden

In’t lommer van Uw lustpaleizen woont

En uwe gunst aan deze plaats betoont,

Verheug u lang nog in het buitenleven,

Totdat hij in een lustplaats wordt verheven

Daar nooit geen damp of gure noordenwind

U aan uw huis of enge kamers bindt,

Maar waar de zon en d’ heldere zomerdagen                                            ;

Steeds zonder eind verschijnen met behagen,

Daar nooit geen druk of scheidgalm zich verspreidt.

Leef zaliglijk tot in de eeuwigheid!

Na de dood van de Weduwe Temminck in 1865 viel Wildlust toe aan haar tweede zoon Marinus, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd.10 Hij liet enige tijd later het oude Wildlust slopen en vervangen door een nieuw huis, dat met de tuinen omstreeks 1930 verdween.11 Van Wildlust is niets meer over, behalve dan een slakkehuis in het Museum van Natuurlijke Historie te Leiden.

1    Gemeentearch. Hillegom, inv.nr. 18 pak 85 (1737).

2   Gemeentearch. Lisse nr. 219 nr. 79.

3   Over blekerijen: Dr. S.C. Regtdoorzee Greup-Roldanus, De Haarlem­mer bleek onder Bennebroek, Bennebroek-Vogelenzang, onder red. van Dr. Tj.W.R. de Haan (1965).

4   Rijksarch. Arnhem, Huisarch. Waardenb. en Neerijnen nr. 188.

5    Zie over hem De Aagtenkerk blz. 123 (portret) en 184. Ansichten blz. 48 en 72.

6   Arch. Van Lynden/Keuk., ongen.

7    J.B. van Loenen, Beschrijving . . . van Hillegom (1916), blz. 7 en 9.

8   H.C. Waardenburg, Commentatio . . . (diss). Vgl. Leids Jaarb. 1970 blz. 157.

9   Ton Lodewijk, De Gouden Graaf (1953) blz. 14.

10 Verzekeringspapieren in Arch. Van Lynden/Keuk. (1866).

11 Ansichten blz. 30-33.

61. Wildlust, Tekening in Oost-Indische inkt door P.G. Lutgers Amsterdam 1808 – Loenen (U) 1874), 19,5x25cm. Gemeentearchief Leiden LPV 77945

’t Roemwaard Lisse: De Witte Zwaan (59)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

“De Zwaan” was het Rechthuis, waar de dorpsbestuurderen bijeen­kwamen om de belangen der bewoners te behartigen.

O Roemrijk Lis, gij plaats van mijn geboorte,

Uw neringen in velerlei soorten

Behaagt wie dat u immer komt te zien.

God geev’ dat gif gestaag van brave lién

Hen bewoond wordt en God, wens ik, dat Zijn zegen

Op u verspreid’ gelijk een milde regen.

Een enkele maal was ook de Dorpsheer op de vergadering aanwezig, zoals in 1775, toen Dirk Jan Ignatius Heereman van Dever uit Roer­mond naar Lisse gekomen was, om de besprekingen bij te wonen.1 Jan de Graaff richt zich tot hem met de volgende bewoordingen:

God schenk’ U ook, HoogEdel Dorpsheer,

Zijn milde gunst en kroont uw hoofd met eer.                           ;/

Beschermheer, die onz’ vrijheden en rechten

Verkort noch snoeit, maar gaat de twisten slechten.

De Heer, wens ik, dat u het leven geev’

Nog lange tijd, opdat men vreedzaam leev’

Onder het zoet van uw lieve regering

En dat gij dan hierna met een verering

Van ’t eeuwig heil door Jezus, Godes Zoon

Beschonken wordt, opdat gij voor den troon

Gods lof uitgalmt met al de zaalge engelen,

Die eeuwiglijk haar klanken t ‘samen mengelen.

Dan uit hij nog goede wensen tot de gevolmachtigde van de Heer van Lisse, Jacob Schellings te Amsterdam.2

Weledel Heer, die als gevolmacht zijt

En toevertrouwd ’t gebied deez’ heerlijkheid

De Heer wil zijn genade U btonen,

Hij wil gestaag in uwe tente wonen.

En als gij dan hier moede en afgeleefd

Zijt, dat hij u een beter woning geeft,

Opdat gij dan in ’t nieuw Jeruzalems zalen

Gods lof steeds meldt met stadig te herhalen

Der Majesteit zijn hoogste lof en eer.

Jehova geev’ het, dat ’s mijn wens, mijn Heer!

In 1806 is Anthony van Keulen “waard in de Zwaan” en op l novem­ber 1810 neemt Gerrit Veldhorst de Witte Zwaan over, de meest populaire herbergier die de Zwaan ooit heeft gekend, door de Leidse studenten luide gefêteerd. Naar zijn landerijen is te Lisse een villa en naar deze villa een straat genoemd. In 1831 moet zich iets bijzonders hebben voorgedaan, want dan verkoopt Veldhorst “een huis en erve, zijnde het Rechthuis te Lisse, genaamd de Witte Zwaan” met zijn “kolfbanen, koe- en paardestalling” voor ƒ 20.000 aan Cornelis A. Bakhuyzen, kastelein te Leiden.3 De “tuingrond” blijft aan de verkoper, die later weer eigenaar blijkt te zijn. Misschien moest Veldhorst wel in dienst; Belgische Opstand! In 1845 doet hij zijn bezit over aan Leonard Uljée, die het twee jaar later doorverkoopt aan Johannes P. Rotteveel, logementhouder.4 De Zwaan blijkt kort te voren verbouwd te zijn. In 1877 zijn Aart J. van der Boom en Corn. Jongbloed, rijtuigverhuurder te Lisse, eigenaars. Zij verkopen de herberg in dat jaar aan Antonie van Ruiten te Lisse. In deze jaren heeft “de wandelende dominee” Craandijk de Zwaan bezocht.5 Hij heeft Dever bezien en kwam nu van de zuidzijde het dorp binnen. “Hoge wilgen, bloeiende essen, heggen met het eerste tedere groen getooid, weiden waar het vee op het jonge gras te gast gaat, schitterend gekleurde tulpen, rijk begroeide duinen in de verte, omringen zijn witte huizen, zijn rode daken, zijn beide kerktorens, vrolijk blinkend tussen het hoge hout, dat het kerkhof en de dorpsstraat versiert.6 Hoe aange­naam is de indruk, als wij onder de veranda van het logement de Zwaan het oog laten gaan over de nette gevels, de ruime markt met haar statig geboomte, de nieuwe schoolgebouwen, de R.C. kerk met haar toren­spitsje en de hoog gelegen kerk der Hervormden op den ommuurden heuvel. Menig promotiepartij is hier gegeven. Meer dan eens zaten hier de leden der Maatschappij van Letterkunde aan den maaltijd. Menig bruiloftsdis werd hier aangericht. En wel niet voor het laatst zal het feestgejuich in de zalen van de Zwaan hebben weerklonken”.

Op 26 februari 1971 ging de Witte Zwaan dicht, voor goed . . . Het valt te vrezen, dat het feestgejuich in de zalen van de Zwaan na zovele jaren nu toch echt verstomd zal zijn . . .

1   Huis Dever blz. 228

2  ld. blz. 221 e.v.

3  Verkoopactes in part. bez. te Sassenheim.

4  Ansichten blz. 18. Huis Dever blz. 267.

5  J. Craandijk   en   P.A.   Schipperus,   Wandelingen   door   Nederland (1881), blz. 274. Ansichten blz. 9, 10 en 15.

6  ld. blz. 61 en 63. De Aagtenkerk blz. 155.

59. “Het logement de Zwaan”, 1834. steendruk van L. Springer naar W. Groenewoud (Rotterdam 1803 – Zoeterwoude 1842), 15,5×22 cm. Gemeentearchief Leiden LPV 77714.

’t Roemwaard Lisse: Dubbelhoven (57)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Daar zie ik ’t sierlijk Dubbelhoven, Welks aangename stand verdient een dubbeld loven, Zo om de fraaiheid van ’t gebouw dat het versiert, Als om ’t geboomt, waarin ’t gevogelt’ tiereliert En ’t hart van Groeneveld, wanneer hij neergezeten In zijne schaduw, leert al zijn zorgen vergeten.1

Het “sierlijk Dubbelhoven” lag aan de noordwestzijde van de kruising Speckelaan/Achterweg. In 1666 blijkt het nog een eenvoudige woning te zijn. Ze heeft slechts drie haardsteden, waarvoor ƒ 6 “haardsteegeld” betaald moet worden, veel minder dan voor de andere buitens.2 Als eigenaar wordt genoemd de “Heer Doublet”. Op de boerderij, misschien wel op de plaats van het huidige Dubbelhoven, woont Teeuwis Heyndricx, 2 haardsteden (2 gulden). Dubbelhoven is tot omstreeks 1740 eigendom der familie Doublet, heren van Groeneveld, gebleven. In 1666 was dit Philips Doublet, rekenmeester van Holland, wagenmeester-géne­raal, ontvanger-generaal van de Unie, etc., die in 1672 overleed.3 Het gaarderboek van het morgengeld vermeldt in 1698 “in de Westgeest en aan de Lijtweg” opnieuw Heer Philips Doublet.4 In 1708 verkoopt Jkvr. Cornelia Doublet hout op Dubbelhoven5 en in 1723 Francois Doublet, heer van Groeneveld en Meerkerken. Tuinman is dan Quirin Roodenburg.6 In 1725 “Mevrouwe Doublet, vrouwe van Groeneveld”, en in 1733 weer de “Heer vanGroeneveld”.7

In de komende jaren is Dubbelhoven in het bezit van Mr. Simon Garbijn van Strijen, burgemeester van Haarlem, die in 1749 hier overlijdt en wiens lijk naar Haarlem wordt “uitevoerd”.8 Dubbelhoven vererft op de zuster van de overledene, Maria Garbijn, huisvrouw van Quirijn Dabenis of d’Abenes, “kapitein ter zee ten dienste dezer landen”. Zij kopen op 14 oktober 1749 het land tussen de “Viersteeg en de Lyd- of Achterweg” en de Heereweg.9 Daarna richten ze een schrijven tot het Hoogheemraadschap Rijnland, met het verzoek achter hun buitenplaats een voetpad aan te mogen leggen. Bovendien echter om een “zeker laantje aldaar, genaamd de Vijff- of Viersteeg ende aan haar plaats behorende, met een boom te doen afsluiten, ten einde de passage met rijtuig te beletten”.10 Het is opvallend, dat hier van de “Vijff- of Viersteeg” gesproken wordt. Men meende altijd, dat vuur werd bedoeld en vertelde zelfs, dat tijdens “de troebelen” van deze plek de spits van de kerktoren zou zijn geschoten!

In 1762 wordt op Dubbelhoven een boelhuis gehouden van allerlei boere- en tuinderijgereedschappen. Ook worden grote hoeveelheden bloembollen verkocht, die hele mooie namen dragen: “Lieflijke Morgenstond, Rose Illustere, Agatha, Parel van Amsterdam, Feu Amoureux en vele andere meer. Ook bollenlaadjes en bakken worden geveild en tentzeil en toebehoor voor de “hyacintenpronkbedden”, die toen zo in zwang waren. Alles samen bracht ƒ 3883 en 16 stuiver op. Onder de kopers bevond zich ook de vermaarde Haarlemse kweker George Voorhelm.”11

Maar mijne lust, in uwe welvaart verheugd,

Streeft verder voort, tot d’aangename vreugd

Der kruiden, die in der beminnaars hoven

Hier zijn geplant, terwijl de zon van boven

Zijn stralen zendt en maakt het als bezield

Met geur en kracht, zodat de hof steeds krielt

Met allerlei gedaantens, geur en smaken,

zodat het oog, de neus en mond kan raken

Tot haren wens, hier in deez’hortzenij.

De bloemgodin praalt aan d’andere zij

Met roos, hyacint of violieren, met tulipaan,

Of wat haar tuin toch kan versieren,

Zodat hier is hetgeen dat aangenaam

Vertoond werd, en voor ’t mensdom zeer bekwaam!

Na de dood van zijn vrouw is de kapitein ertoe overgegaan zich van delen van zijn bezit te ontdoen. In 1767 betreft dit de boerderij Welgelegen, in huur bij Gijsbert Schramade, aan de Heereweg naast het huidige politiebureau.12 Koper is Sijmon Verdegaal, geboren te Rijns­burg en bouwman in De Zilk. Deze wordt opgevolgd door zijn zoon Jan, gehuwd met Wilhelmina Vreeburg Jurriaansdr. Hun oudste dochter trouwde met Jan Riggel en tot 1923 is Welgelegen in het bezit der familie Riggel gebleven. De andere dochter huwde met de chirurgijn Gaspar H. Wolff. Zij werd de erfgename van de landerijen, die thans nog steeds De Wolf worden genoemd (blz. 52). 13

1    Rhynl. Fr. Gez.

2   Gemeentearch. nr. 221.

3   De Ned. Leeuw 1915 kol. 59 en 115.

4   Gemeentearch. nr. 365,

5    ARA, Recht.arch. Lissenr. 63.

6   ld. nr. 67 fol. 147.

7   Gemeentearch. nr. 219.

8    ARA, Begraafboek.

9    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 21 fol. 105/6

10 Gemeentearch. nr. 503.

11 De kleurige Keukenhof blz. 36/37.

12 ARA, Recht. arch. Lisse, folio 100-106.

13 P.J.H.M. Verdegaal en Drs. G.C.P.M. Verdegaal, Genealogie Ver­degaal (1967). Ansichten blz. 72 en 48.

57. Ets van Abraham Rademaker (1675-1753). Uit Rhynlands fraaiste gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: De vlasverwerking (55)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

“Voorheen gaf Lisse’s veenderijen de turf aan onze winterhaard”1 In de Middeleeuwen schijnt dat uitdelven en uitbaggeren van het veen inderdaad een goede bron van inkomsten zijn geweest. In 1494 wordt naast de landbouw en veeteelt dit “turf delven in de venen” nog genoemd, maar in 1514 heet het nog slechts “landteling” en “koeien houden”.2 De veenderij was reeds over haar hoogtepunt heen, al heeft ze tot in onze eeuw voortbestaan. Sinds de 16de eeuw was het voor­namelijk veeteelt en landbouw, graan. Vlas werd hier niet verbouwd, maar toch heeft de “vlasserij” hier een grote rol gespeeld. In de tweede helft van augustus lag de Gracht vol “vlasschepen” en talrijk zijn de bepalingen, dat de wal dan van run, hout, takken, mest, bagger, puin “en ander goed” ontruimd moest zijn? Ook de looierskuipen moesten dan zijn verdwenen (blz. 42). Het vlas kwam uit Zeeland en Overflakkee; uit “Batenoord”, Dirksland, Melissant en Ooltgensplaat. De “rouwe vlas” werd dan door de kooplieden als Johannes van de Vijver en Leendert Suyker op de wal aan de meestbiedenden verkocht4 om daarna in de heldere duinbeken en het Haarlemmer Meer te worden “geroot”. Door dat roten rotten de zachtere stengeldelen weg, zodat de sterke vezels overblijven. Het vlas liet men met modder of stenen verzwaard in het water zakken. Op vele plaatsen was dit niet toegestaan en in het Reglement van de Lageveense Polder (1673) werd het roten van vlas en hennep nadrukkelijk verboden.5 De sloten zouden “met water verkropt kunnen geraken.” Het vaak herhalen van dit verbod wijst op regelmatige overtreding. Veel werd geroot in de Gracht. Het neerlaten van het vlas stelde wel enige eisen aan de “platinge”, de beschoeiing. Op 30 juni 1765 moet de bode, Barend Jochemse Stelling­werf, bij zich zelf (! ) aanzeggen, dat hij de gracht voor de plating van de vlasserij “Welgelegen” van de heer Oldenzeel moet uitdiepen en het hoge gras en onkruid tot de molen toe moet afmaaien.3 Na ongeveer drie weken is het vlas geroot en wordt het in “kapellen” (schoven) op het land gezet om te drogen. Niet op alle landerijen was dit toegestaan en in de pachtcontracten wordt dit vaak vermeld. Daarom werden er ook vlasovens gebouwd. Op Akervoorde had Nanning Peters in 1666 b.v. zulk een vlasoven.6 Na het drogen werd het vlas gebraakt en gezwingeld, waardoor de houtige centrale cylinder werd gebroken en de stukjes, de “scheven”, werden weggeslagen. Ten slotte hield men een bos vezels, het vlaslint, over, dat elders, met name in Twente, verder werd verwerkt. De scheven werden veelal als brandstof gebruikt. Daar hadden schout en schepenen echter groot bezwaar tegen, omdat zwe­vende, gloeiende scheven gevaarlijk zijn en “door achteloosheid en verzuimenisse” grote brand konden doen ontstaan, “indien niet door Gods genade de begonnen brand tijdelijken ward uitgeblust”.7 Alleen “diegenen die zich met vlassen generen” mogen de scheven gebruiken, en wel “tot heetmakinge van hare vlasovens, omme het vlas daarinne te drogen.”

Het is omstreeks 1770 verkeerd gegaan met de vlasserij. Jan de Graaff gaat dit ons zeer beeldrijk vertellen. Was men aan de drank geraakt, iets waaraan ook ander takken van nijverheid ten gronde zijn gegaan, of was  het iets anders? Gelukkig gaan een aantal “brave jonggezellen de vlasserij herstellen” en Jan verheugt zich reeds op nieuwe bloei.

O Roemwaard Dorp, wiens glans en lof bekend,

Den sterveling doet in uwe schoot aanlokken,

Wanneer men ziet de vlasserij getrokken.

Op heden zij weer als opnieuws herleeft

En aan deez’ plaats een vreedzaam voedsel geeft,

Die bleeklijk somtijds scheen, alsof zij wilde sterven,

Ja, t’enenmaal, te verzinken en verderven

In d ‘afgronden, ja, in de naarheid zelf,

Vermits uw kroon tot ’t hoe stargewelf

Verheven was. Maar ach, uw schichtig vallen

Beklemt mijn ziel, o hoog verheven wallen,

Wanneer ik zag dat gij zo waart ontbloot,

Daar gij met meer dan zestig bazen groot

Voorzien was en den sterveling deed beven

Zoals men zag de oude vlassers sneven

En langen tijd als mijmerend en ziek,

Als kwijnende, ’t Scheen of uw grote wiek

Verbroken was, maar nu zo ziet men weder

Herbouwd, vernieuwd, hetgeen dat lag ter neder.

Herleeft dan weer, gij trouwe burgerschaar,

Doch schuwt het kwaad, zo zal u geen gevaar

Ontmoeten ooit. Leeft, brave jonggezellen,

En doet opnieuw de vlasserij herstellen!

Weest welgemoed en bouwt de templen op

Van Isis,8 zo zal in den hoogsten top

De rederij van ’t lijnwand weder bloeien,

U zal ’t gewin floreren en aangroeien.

Het heeft niet zo mogen zijn. In 1774 werd hevig geklaagd over het verder verval der vlasserij en. Mede daardoor kon de diaconie haar taak niet meer vervullen. De “armenfondsen” waren “niet toereikend”. Ten gevolge hiervan is “de zaak der asse” de Lisser gemoederen hevig gaan beroeren. 9 Met de vlasserij was het uit, voorgoed . . .

1  De Ned. Stad- en Dorpsbeschrijver (1799).

2  Zie blz. 50 noot 3.

3  Ambachtsboek, in part. bezit.

4  ARA, Recht.arch. Lisse nr. 108, 4de ged. (1692).

5  Arch, Van Lynden/Keuk. 3 ex.

6  Gemeentearch. nr. 221.

7  ld. nr. 255 (1675).

8  Isis, Egyptische godin van de natuurkrachten.

9  De Aagtenkerk blz. 98-104. Huis Dever 227-228. Ansichten blz. 53 en 54.

55. “Bij Lis”.Ets van Esaias van der Velde (Amsterdam 1590/91 – Den Haag 1630 met adres van L.P Beerendrecht te Haerlem, opde prent missen boven in de lucht gemwrkt 5, 8,5×17 cm. Gemeentearchief Liden, LPV77682

’t Roemwaard Lisse: Ter Specke (53)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Na alle perikelen die Ter Speeke aan het einde der 16de en tijdens de eerste helft en in het midden van de 17de eeuw moest doormaken, heeft het in het begin van de 18de eeuw een – helaas kortstondige — opbloei gekend. In 1687 was Ter Specke in het bezit van Jkvr. Magdalena van der Laan, geboren te Rijswijk in 1621. Zij was de enige dochter van Jhr. Cornelis en de laatste van deze tak van het geslacht. Van haar oom Jhr. Adriaan had zij 3 morgen geërfd en de rest kocht zij voor ƒ 3000 van de kleinkinderen van haar oom Adriaan Block. Op 13 mei 1687 werd zij met Ter Specke beleend. Enige jaren later is zij op Ter Specke overleden, 28 december 1694. Een neef van moederszijde, de Leidse burgemeester IJsbrand de Bije, blijkt haar universeel erfgenaam te zijn.

Omstreeks 1730 woont op Ter Specke de heer Lodewijk van Dam. Deze heer had in Oost-Indië fortuin gemaakt, “hield zijn woning tot Leiden” en was aldaar getrouwd met de dochter van burgemeester De Bije. Schoemaker noemt Ter Specke omstreeks 1730 “een nieuw verbouwd huis met twee vleugels.” (De linker vleugel was het koetshuis en is — hersteld en verbouwd – nog aanwezig). “Hetzelve ligt in een vermake­lijk oord aan de Achterweg, die van Lis naar Rijnsburg loopt. De oude, kleine kozijnen zijn daar uitgenomen en Engelse schuiframen daar weder ingezet.”2 Op deze tekening ziet men nog de oude kruisramen en hij moet dus voor 1730 zijn gemaakt. “Van voren gaat het met een halfronde trede op en heeft daardoor een zeer vermakelijk uitzicht. Voor de ingang is een ijzer traliehek gemaakt.” En dan besluit Schoe­maker: “Daar is een deftige tuin.” Van die deftigheid is thans niet veel meer over, maar de prachtige oude bomen doen het goed en de bloeiende geelster en de knikkende vogelmelk om het huis zijn de craquelure der echtheid. Van Van Dam is eigenaardige “Quitantie” bewaard gebleven. “Ik onderschr. bekenne, dat de Heere van Lisse mij vergund heeft om 10 a 12 elzebomen tot de stoven toe te laten korten, staande op ene van de kroften van de landen van Zijn HoogEdelheid, recht over mijn plaats, om aldaar het gezicht op de Heereweg te hebben. L.S.V. Dam.”3

Omstreeks 1740 is Herman Blom eigenaar van Ter Specke4 en in 1742 is dit Sara Maria Blom, die op “HaarEd. Buitenplaats” 4 “dienstboden” (personeelsleden) heeft, 2 paarden, 3 overdekte rijtuigen en l open speelwagen. Zij betaalt hiervoor meer dan ƒ 10 belasting, dus het moet nog al wat zijn geweest.5 En toch … een paar jaar later koopt Jan Willemz Korswagen, bouwman (met “l dienstbode, l paard en rijtuig voor de bouwerij”5), die waarschijnlijk in het rechterbouwhuis woonde, het herenhuis en het verdwijnt! Ineens! Het restant wordt tot boerde­rij verbouwd en is dat tot in onze tijd gebleven. Toen Jan de Graaff zingend door het dorp liep, was de glorie van Ter Specke reeds voorbij. De mooie voordeur ging naar de pastorie van de dominee (blz. 44). Zandstenen balkdragers en fragmenten van een 17-eeuwse schouw lagen achter het huis op een hoop en werden later in een Noordwijkse villa ingemetseld.6 Ook op een binnenplaatsje aan het Leidse Levendaal lig­gen “rare koppen”, renaissance balkdragers van Ter Specke. In het begin der 19de eeuw was Ter Specke in het bezit van Ph. W. Wagner (Zie blz. 36). Diens erfgenamen verkochten het tussen 1847 en 1868 in gedeel­ten aan de pachters, Elisabeth Scholten-Kerkvliet,7 weduwe van Dirk van Ruiten, en tientallen jaren is — evenals in de Middeleeuwen – de naam Dirk weer met Ter Specke verbonden gebleven. Sinds 1674 behoorde ook tot Ter Specke de boerderij die later “De Wolf” werd genoemd, gelegen aan de huidige Stationsweg. Op 17 april van dat jaar kocht Jlir. Adriaan van de Laen hem van Jan Adriaensz Corsteman.8 Dan vererft hij via Magdalena van der Laen en Mr. IJsbrand de Bije op Nicolaas de Bije en diens dochter Susanna, echtgenote van Mr. Jan Frederik Roei, secretaris van de politie en financiën der stad Utrecht. In 1779 wordt de boerderij verkocht aan Jan Verdegaal, die op de boerderij Welgelegen woonde, naast het huidige politiebureua. Van hem zijn grote perkamenten bewaard gebleven, waaruit blijkt dat hij voor ƒ 40, “zijnde het tiende part van de waarde van het perceel” het leenrecht heeft afgekocht.9 Uit het stuk blijkt, dat het leengoed van 3 morgen lands zich aan weerszijden van de Speckelaan bevond ter hoogte van “De Wolf’. Dit staaft de mening, dat het allereerste, middeleeuwse Ter Specke zich meer westwaarts bevonden zou hebben.

Ds Craandijk is omstreeks 1875 van het Vierkant naar Ter Specke gelopen. “Uit de vlakte, die wij weldra voor het duin zullen verlaten, verheft zich aan onze linkerhand op een heuvel een hofstede, die den naam draagt van het huis Ter Spekken en in zijn muurwerk nog enige overblijfsels van vrij hoge oudheid en van vroeger aanzien vertoont”! Daarna is Craandijk naar de Vader Jacob gestapt (Ansichten blz. 67). “Een reuzenboom slaat zijn forse takken uit over het zandige pad. Op een kleine hoogte staat hij in volle majesteit, als een koning op zijn troon, j Uit vijf of zes zware stammen, krachtig opschietend uit den wortel, wassen de sterke armen wijd in het rond. Hoog rijst zijn brede kroon boven ’t omringend geboomte”. Een vorstelijke dorpelwachter van den tempel van ongekorven hout”…

1  Dólleman & Schutte, Van der Laen, blz. 24/25 overdr.

2  Ms Schoemaker, Rijkspr.kab.   Amsterdam  deel V.  ld.  Kon  Bibl. ‘s-Gravenhage, nr. 78C53, fol. 43 (48).

3  ARA, Arch. Heereman v. Z., Fach Vila.

4  SJ. Fockema Andreae e.a., Kastelen . . . (1952), blz. 89.

5  Gemeentearch. nr. 225.

6  Foto: Gem.arch. Leiden LPV 77967.

7  Papieren in het bezit van de heer Th. van Ruiten, Ter Specke.

8  ARA, Recht.arch. Lisse, nr. 10, fol. 5 r. en vs.

9  Arch. Van Lynden/Keukenhof.

53. Ter Specke omstreeks 1725. Anonieme tekening, misschien van Cornelis Pronk (1691-1759), (14,5×19 cm). Gemeentearchief Leiden.

’t Roemwaard Lisse: Ter Specke (51)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Ter Specke heeft een zeer lange historie; men kan er een dik boek over volschrijven. Op 13 mei 1329 werd Willem van der Specke door graaf Willem III “verlijd” met twee morgen lands te Lisse. Dit leengoed, “genaamd de Specken”, is steeds groter geworden. In 1348 volgt Dirck van der Specke en Dirck Dircksz in 1372. In 1400 weer een Dirck, maar dan is het leengoed al bijna 10 ha. In 1430 volgt Jacob van der Speck. Intussen heeft reeds in 1416 Dirk van Alphen Danielsz alhier een woning met twee morgen lands. Deze Dirk van Alphen schijnt aan de Van der Specke’s geparenteerd, want wanneer hertog Karel de Stoute zich in 1468 laat huldigen als graaf van Holland, worden onder de 57 edelen die te ‘s-Gravenhage bijeen zijn Jacob van der Specke en Daniel van Alphen samen genoemd.2 Bovendien wordt Daniel in 1469 beleend met alle goederen die eerst door Van der Specke in leen werden gehouden. Bij de “Enqueste” van 1494 worden de grafelijke ambte­naren mede door de “waerschipper” (ambachtsbewaarder) Daniel van Alphen te woord gestaan.3 Florissant is het beeld niet; er zijn in Lisse 50 huizen en van de helft daarvan moeten de bewoners bedelen om hun brood. De oorlogen van hertog Karel en de daarmede samenhangende ontreddering van de maatschappij zijn hard aangekomen. Op 17 september 1535 kwam “die Specken” in het bezit van Cornelis van der Laen, lid van een aanzienlijk Haarlems geslacht, dat reeds honderd jaar eerder in het stadsbestuur zitting had.4 De nieuwe eige­naar was toen nog zeer jong en zijn stiefvader heeft voor hem de leeneed afgelegd. Cornelis, die “un saint par ses vertus” werd genoemd, huwde met Beatrix van Montfoort, de dochter van een Leids burge­meester.5 Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren. Gerrit of Gerard zou hem opvolgen in zijn Lissese bezit. Maria trouwde in 1596 Symon van Assendelft Jacobsz en misschien ontleent de “Assendelftkroft” op deze kaart zijn naam aan dit echtpaar.6 De tweede zoon heette Dirk en die gaf zijn vader heel wat zorgen. Hij was te Lissabon in zaken gegaan, doch zo zeer in deconfiture geraakt, dat zijn vader de schulden moest regelen. Als straf had deze daarop Dirk “naar Indië getransporteerd” ten einde te trachten “met Gods hulp” de schade terug te verdienen.5 Hoe dat afgelopen is, weten we niet. Vader Cornelis is in 1594 of 1595 te Lisse gestorven.

De oudste zoon, Gerard van der Laen (1552-1635), bezat een reeks zeer belangrijke functies, o.a. burgemeester van Haarlem en gecommitteerde ter Staten van Holland en ter Staten Generaal. Uit een tweetal huwelijken had hij 13 kinderen. Met sommige heeft hij veelte stellen gehad. Vooral met zijn beide schoonzoons, David Luypaert en Claes Cornelisz Cleuting. “dewijl dezelve David (God beter ’t! ) enen desolaten boedel ende naakte huisvrouwe ende desolate kinderen heeft nagelaten”, zo­dat hij hen “uit der hand heeft moeten voeden en onderhouden.”7 Claes Cleuting had Maria van der Laen tegen de wil van haar vader “weggevoerd”, en nadat deze hem ten slotte aan een olieslagerij had geholpen “met malle koopmanschappen en dronken drinken” de hele zaak laten verlopen, enz. enz. Ook de zoons kostten nog al wat. Daarentegen had Beatrix een zeer “goed” huwelijk gesloten met Isaac Massa, koopman en gezant in Rusland (blz. 38). Catharina huwde met de welgestelde Adriaan Maartensze Block. Wegens geldgebrek moest van der Laen Ter Specke in 1597 reeds verkopen aan zijn zwager Paulus van Beresteyn, koopman te Delft.8 Later komt het wel weer in de familie terug, maar na de dood van hun vader moeten de erfgenamen, met name Jonker Cornelis en Jonker Adriaan het weer over doen aan hun zwager Adriaan Block, die zelf op Rosendaal en later op Keukenhof woont (blz. 22 en 38).9 Neen, Ter Specke is geen zorgeloos bezit! In 1604 had Gerard van der Laen te samen met enige andere heren het Keukenduin van Teylingen in eeuwigdurende erfpacht verkregen en is hij met het afzanden begonnen.10 (Er moest geld komen!) Op deze kaart ziet men hoe ver het werk in 1638 was gevorderd. Ter plaatse van het banhek in de Spekkelaan is nu ongeveer de ingang van de begraaf­plaats. Het verloop van de huidige Van Lyndenweg is duidelijk waar­neembaar. In het midden zijn nu de sportvelden en de tennisbanen. Daar groeiden nog niet zo lang geleden hele mooie wilde orchideetjes. De “puist” van het Keukenduin, door oude Lissers “Toesset”, maar op historische kaarten “’t Oostzet” genoemd, heet hier “Wouterskroft”, waarschijnlijk genoemd naar Wouter Gerritsz, die in 1555 land aan Corn. van der Laen heeft verkocht.11 Het is een “kroft” of “krocht”, dus teelland geweest, “groot 10 hond”, 1000 roe, dus meer dan l ha. Het moge ons bevreemden dat op een hoog stuk land als de “Wouters­krocht” gewassen konden worden geteeld. Vóór de onttrekking van water door de waterleidingen waren de vlakke duingedeelten soms lange tijd behoorlijk vochtig. Ook het bekende Langeveld is in vroeger eeu­wen tuingrond geweest en overal in de binnenduinen stonden kleine boerderijtjes met percelen tuingrond er omheen. Zij zijn verdroogd; het zijn kleine vlakten in de duinen geworden.

1    ARA, nr. 229,

2   Matth. van der Houve, Hantvest . . . (1640), blz. 61/62.

3   Prof. Dr. R. Fruin, Enqueste & Informacie (1876). Huis Dever,blz. 63. De Aagtenkerk blz. 24/25.

4   ARA, Arch. Hof van Holl. nr. 83.

5    M. Th. de B. Dólleman en Mr. O Schutte, Het Haarlemse geslacht Van der Laen, DeNed. Leeuw 1969, blz. 18-25 overdr.

6   Het had vele landerijen, zie b.v. ARA, Recht.arch. Lisse nr. 3 fol. 43 vs.

7   ld. nr. 4 fol. 322 e.v.

8   ld. nr. 3 fol. 36 e.v. Ned. Adelsb. 1912 blz. 174.

9   ld. nr. 7, fol. 347 vs. e.v.

10 Zie A. J. van der Aa, Aardrijksk. Woordenb. (1845), dl. VI blz. 427.

11 ARA, Recht.arch. Lisse nr. 3 fol. 43 vs. e.v.

51. “Ter Specke”., copie van Peter Florisz van der Sallem (1646) van een kaart van Steven van Broekhuyzen, ordinaris landmeter december 1638. Alg. Rijksarch, Den Haag, coll. Hingman nr. 74

’t Roemwaard Lisse: De grote kerk (49)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

De tempel Gods, dat heilige gesticht,

(Daar tot Gods eer het goede wordt verricht,

Daar Sions koor1 met toon’ en maatgezangen

Vervuld wordt met een innig zielsverlangen

Der vromen en op d’allerhoogste wijs,

Den God der Goón toebrengen lof en prijs),

Die moet ik nog wat nader gaan beschouwen.

O schone plaats, ja, schoonste der gebouwen,

(Die) Uw hoge tin vertoont tot strand en duin!

’t Vierkant gebouw van uwe toornkruin

Verheven is schier tot de dikke wolken

en toont haar trans van ver aan vele volken.

O hoog gebouw alwaar men steeds vergaard,

Daar Godes woord zeer zuiver wordt verklaard,

Ofschoon de draak uit d’afgrond komt begispen,2

Ofschoon de nijd de waarheid komt berispen,

Het eeuwig woord blijft zekerlijk en vast,

Ofschoon d’afgrondvuurvlamme braakt en bast.3

Zeer ijselijk. Gewisselijk, de altaren

Zal ’s hemels heer voor onheil wel bewaren.

Doch ik ga heen en wil bezien het end . . .

De dorpskerk is waarschijnlijk pas gebouwd na 1461, toen Lisse een ^Ifstandige parochie werd.4 De bakstenen toren is bekleed met turf­den, misschien afkomstig van de oude kapel uit de dertiende eeuw. Het schip van de kerk werd hersteld in 1592. Tussen kerk en koorruimte werd een boven het dak uitstekende topgevel gebouwd, die wat het ondergedeelte betreft ,uitgevoerd werd als vulling van een grote, over de breedte der kerk geslagen boog. Deze boog overspant ook nu nog het ruim van de kerk. In deze topgevel is met groen verglaasde steen over een hoogte van ongeveer 20 lagen het jaartal 1592 aangebracht.5 Bij het herstel van het dak in 1959 is dit jaartal weer zichtbaar geworden. Ook viel het toen op, dat de openingen tussen pannen volgens oud gebruik met koemest waren opgevuld.6 Toen kerk en koor gereed waren werden aan alle zijden zoals te doen gebruikelijk “glazen” (glas-in-lood-ramen) aangeboden. Het fraaiste was waarschijnlijk dat van Jonker Johan van Matenesse, heer van Dever en Lisse. Ook Leiden, Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Rotterdam en ‘s-Gravenhage schonken een glas, alsmede schout Adriaen van Gorcum en Adriaen Van der Laen.8 In 1869 volgde Rijnland. Toen de laatste restanten der glazen omstreeks 1875 werden geruimd, ging dit glas door bemiddeling van Mr. A. J. Enschede naar Haarlem, waar het thans het fraaiste glas is der St. Bavokerk.9 Lisse had iet niet “gezien”. Bovendien bezat de kerk een aantal fraaie en interessante grafzerken. In het schip lag de monumentale wapensteen van Wilhelm Adriaen van der Stel, op Uitermeer op 70-jarige leeftijd )verleden op 6 november 1733, en zijn echtgenote Maria de Hase, verleden l juni 1723, 55 jaar oud. Thans ligt deze zerk op het koor.10 [n het midden van deze in sterk reliëf uitgehakte witmarmeren steen in een tombevormige cartouche geplaatst tegen een achtergrond van door twee engelen opgehouden draperieën. Bovenuit vliegt de Faam, onderaan zijn gezeten de Historie en de Wijsheid. Een arend draagt de ie wapenschilden. Opzij ziet men de Mercuriusstaf als symbool van handelsstand, waartoe Van der Stel behoorde. Beide wapens voeren als hartschildje het wapen van Oud- en Nieuw-Vossemeer, de “heerlijkheid”. (Waarom Van der Stel zich soms ook Heer van Lisse liet noemen, is een raadsel.) Verschillende andere grafstenen staan sinds 1938 opgested tegen de buitenmuur, zoals die van “Gerrardt van der Laen” van Specke, die 16 februari 1635 was overleden, 82 jaar oud. De zerk toont zijn wapen, een keper met een drietal vaten en zijn wapenspreuk: “Fata viam Invenient” (Het noodlot vindt zijn weg). Weer andere grafstenen zijn die van de gerechtsbode Wouter Lenerse van Calckar ( overleden 1598), van schoolmeester Wiard Takesz van der Blom (overleden 1611, van Bouwe van Leeuwen, die woonde in het huis waar later de tte Zwaan werd gevestigd” 11, enz. enz. Een grote zerk met “Heren en Meesters” ligt thans op het r.k. kerkhof. Daaronder waren de pastoors van de Lisser schuurkerk begraven.12 De dorpskerk is tot na de tijd van  Napoleon algemene begraafplaats geweest.

Hnderd jaar geleden wist ook Dominee Craandijk te vertellen, dat de “kerk ” in den Spaansen tijd” werd verwoest. “Geruimen tijd lag zij in puin, terwijl het koor eerst vrij laat werd opgebouwd. Met grote npartijdigheid bedekt het Portland (cement) alle oude en nieuwe bouwstoffen. Het inwendige van de kerk is in 1858 vernieuwd. Naar de behoeften der Protestantse godsdienstoefening is het zeer doelmatig ingericht en alles is uitstekend onderhouden. Van het hoge kerkhof hebben wij een ruim gezicht, aan de ene zijde op de ringvaart van den Haarlemmermeerpolder, waar de schepen zeilen, aan den anderen kant groene weiden en op de donkere bossen van Keukenhof.”

  1. Sion is Jeruzalem, berg, burcht en tempel, (ps. 137-
  2. Fel hekelen
  3. Nijd en afgunst bassen, vgl. bassende honden.
  4. De Aagtenkerk, blz. 18-22.
  5. Ir. De Graaff, Leids Jaarb. 1941, blz. 168 e.v.
  6. Ons Weekblad 14 aug. 1959.
  7. Huis Dever blz. 89 en afb. 27.
  8. Ms. Schoemaker, Rijkspr.kab., A’dam.
  9. Huis Dever blz. 90. )
  10. Leids Jaarb. 1951 blz. 114.
  11. Huis Dever blz. 6. Gemeentearch. nr. 289.
  12. De Aagtenkerk blz. 171/172.

49. “Lisi Rijnlant””, gezicht de kerk uit het zuiden. Pentekening van H. de Leth (Amsterdam 1703 – aldaar 1766) 1730 .10×13,5 cm. Gemeentearchief Leiden,LPV 77686

 

’t Roemwaard Lisse: de grote kerk (47)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Hier naderen we Lisse van het zuiden uit. Naast de dorpskerk staat aan de straatweg de kosterswoning met het aangebouwde schoolhuis.1 De schoolmeester, Jacob van der Jagt, was tevens koster en voorzanger in de kerk. Daarnaast had hij nog verschillende andere taken.2 In de verte de korenmolen van Willem Ingenollandt.3 Geheel rechts stond vroeger de hofstede “Mossenhof”, het buitentje van Jacobus Krighout, van 1747 tot 1767 hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium te Amster­dam. Krighout was in 1703 in Rotterdam geboren en stierf op 22 januari 1770 te Lisse. De Remonstrantse religie werd tijdens de Repu­bliek nauwelijks geduld. Dat Jan de Graaff deze professor dan ook “de zuivere waarheid” toeschrijft is wel zeer opmerkelijk. In ieder geval blijkt hij een hoogst verdraagzaam jongmens te zijn. Jan gaat ons ook de tuin beschrijven met zijn beekje, zijn rozen en zijn regelmatige bloem­perken, omgeven door keurig geschoren palm- of buxushegjes.

Ik ga ditmaal een weinig deinsen of,

Ik wou gaarn zien het lustig Mossenhof,

Dat lustprieël, daar ’tgeen men schoon mag noemen

In werd bevat, wel waardig om te roemen,

Daar Flora* als gedurig is gesierd

Met bloemgewas en werd geëerd, gevierd

En opgetooid met duizenden aanlokselen

En doet het oog in haar geroosde vlokselen

Verwarren. En waar het bebloemde land

Omheind is met palm ’twelk als een vaste band

Het insluit, en met wondernette perken

Is afgedekt, wel waardig op te merken.

De wandelpadn in ’t midden van ’t geboomt’

Zijn wonderfraai, terwijl een beekje stroomt,

Dat als kristal vertoont in zuivere klaarheid.

En ’t huis dat van de deugd en zuivere waarheid

Bewoond werd, is een siersel van ons dal

En is gevuld met boeken zonder tal,

Daar Pallas5, als gezeten op haar zetel

Der wijsheid, nooit hoogmoedig noch vermetel,

Maar rein en kuis, en doet d’ontaarde Hen

Den rechten aard van ’t deugdelijk leven zien.

De “duizenden aanlokselen” waarover Jan de Graaff spreekt, hadden op de echtgenote van schout Sennepart hun uitwerking niet gemist. Zo trok hij van het oude Dever naar het “lustig Mossenhof”, maar raakte daardoor algeheel in deconfiture. Hoe hij uiteindelijk, geheel alleen, zijn laatste levensdagen in Winterswijk moest slijten, kan men elders lezen.6 Uiteindelijk werd Mossenhof gesloopt en de tuinen veranderden in wei­ en teelland. Op 29 april 1800 werd hier door Jan van Soelen, “Direc­teur van Flora”, een “groene veiling” gehouden, waarbij “de Heren A.C. en H. van Eden te Haarlem een aanzienlijke partij bloembollen” ver­kochten, “welke alle zeer sterk in gewas staan.”7 Tenslotte kwam hier in 1842 de nieuwe rooms-katholieke kerk, de trots (en de zorg!) van pastoor van der Hoven.8

Vroeger zaten alle kinderen bijeen in één schoollokaal, en dat is dan ook “de grote zaal, die … de wijsheid voedt.” Dikwijls was de koster/ schoolmeester behalve voorzanger tevens gaarder der belastingen. Mogelijk is het ook een ander persoon. Deze betalingen vonden plaats “in ’s lands komptoir (kantoor)”, bij de kerk, vaak de consistoriekamer, waar ook de boeken en papieren van de “heerlijkheid” bewaard plach­ten te worden.9

Grote zaal, die binnen uwen drempel

De wijsheid voedt en die bebuurd is aan Gods Tempel

En ’s lands comptoir, alwaar ons burgerstand

Haar schatting brengt, ten nut van het land

Op hoog bevel van onze overheden.

De gaarder, die met zorg en vroomheid mede

Zijn plicht waarneemt en dient het Vaderland

Met grote vlijt, wiens vlugge en snelle hand

Den veder drijft alsof hij van de winden

Gedreven wierd, die gaat zich nauw verbinden

Aan Godes huis, om God met psalmgezang

Te dienen staag. De Heer geev’, dat wij lang

In Zijnen naam in ’t heiligdom vergaren

In reinigheid, zo zal Hij ons bewaren.

Onder het prentje ziet men het wapen van Dever: in goud een halve klimmende leeuw van keel (rood), getongd en genageld van azuur (blauw), het wapen waarmede de schout altijd zegelde, omdat de Heer van Dever tevens Heer van Lisse was. Bij het vaststellen van het wapen van Lisse op 24 juli 1816 werden de verwen (kleuren) echter – zoals vaak gebeurde – veranderd in die van het rijkswapen: “van goud beladen met een halve klimmende leeuw van lazuur”.

1    De Aagtenkerk blz. 116. Ansichten blz. 60 en 61.

2    Huis Dever blz. 221.

3   Ansichten blz. 53, 54 en 56.

4   Godin der bloemen.

5    Pallas Athena, godin van de wetenschap en de kunst.

6   Huis Dever blz. 232.

7    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 108, 1ste ged. De naam Van Zoelen is lange tijd aan deze plaats verbonden gebleven. (Ansichten blz. 9 en 35).

8    De Aagtenkerk blz. 125. Ansichten blz. 58.

9    Huis Dever blz. 202. Ansichten blz. 8.

47. “’t Dorp Lisse”, kopergravure (7,5×10 cm) van Anna Brouwer, waarschijnlijk een dochter van Cornelis Brouwer, graveur te Amsterdam. Onder het wapen van Dever. Uit R. Bakker, De Nederlandsche stap- en dorpabeschrijver, VII, 1799.