Berichten

’t Roemwaard Lisse: Het dorp Lisse (43)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Lisse met zijn kerk en zijn huisjes in 1624. Toch moet men het aantal huisjes niet al te “letterlijk” opvatten. Misschien heeft de tekenaar slechts een idee willen geven van de bebouwing, want het ging ten slotte alleen maar om het land dat aan de (voormalige) abdij Leeuwenhorst te Noordwijkerhout toebehoorde, een perceel dat met een smalle strook ter hoogte der huidige St. Agathakerk begint. Het wordt begrensd door het land van de erfgenaam van Claas Corn. Corsteman, ±  1616, “Des Ambachts wegen” zijn duidelijk getekend. Ze werden ieder jaar in maart in opdracht van Schout en Ambachtsbewaarders geïnspecteerd. In 1768 moest Barend Stellingwerf alle “holligheden” met zand vullen en ophogen. Het eerste stuk van de “Molewateringe ofte de Graft” wordt op deze kaart reeds “De Haven van Lis” genoemd. Daar was altijd veel bedrijvigheid en de ambachtsbewaarders dienden steeds toe te zien, dat alles daar ordelijk toeging.2

6 maart 1778. “Publicatie. Schout en ambachtsbewaarders der Heerlijk­heid Lisse, sedert geruime tijd ondervonden hebbende, dat er een groot misbruik gemaakt werd van de wal of kant langs des ambachts gracht door het plaatsen en lang laten leggen van hout, takken, mis, bagger, puin en ander goed op dezelve, waardoor zo aan de schipperije als burgerije grote ongelegentheid veroorzaakt werd, en daarinne ten dien­ste van de goede ingesetenen willende voorzien, zo is ’t dat Schout en Ambachtsbewaarders voornoemd allen ende een iegelijk die zulks zoude mogen aangaan, bij dezen wel ernstig waarschouwen en scherpelijk verbieden van gene goederen, hout, takken, mis, bagger, puin of wat hetzelve ook zoude mogen zijn, langer op de wal of kant van des ambachts Gracht te laten leggen dan uiterlijk twaalf dagen nadat hetzel­ve op de voorsz. wal of kant zal zijn geplaatst, op poene van 24 stuivers voor elke dag dat het daarop zal worden bevonden”, etc. Mest mag trouwens alleen gelost en gelegd worden “buiten de huizen, om daar­door alle stank en onreinheid voor de goede ingezetenen haar huizen voor te komen1“. Er mocht alleen mest gelost worden tussen de korenmolen en de looierije1. Er waren inderdaad leerlooierijen in Lisse. Ook Jan de Graaff spreekt daarover, wanneer hij van Meer en Hout naar de Gracht stapt.

Maar ik verlaat dit klaverrijke land

En stap zo voort tot op de Havenkant.

Hier kan men zien de leerbereiderieen

Tot ’s mensen dienst en winst der burgerije.

Wat verder ziet men het verheven paleis

Des koopman s, die op allerhande wijs

Des dorps nut en welstand tracht te werken.

Dit paleis des koopmans is waarschijnlijk het huis op de hoek der Kapelstraat, dat helaas juist dezer dagen moet verdwijnen. Tussen de eenvoudige dorpsbewoning moet het een machtige indruk hebben ge­maakt.3 En de “koopman” zelf? Dat is ongetwijfeld Jan van Blommestein van Oldenzeel, de enige echte ingezetene van Lisse die omstreeks 1770 steeds als “heer” gekwalificeerd wordt. Ds. Johannes van Blommestein (1698-1771) had vijf kinderen die alle jong gestorven zijn. Zijn zuster Cornelia was gehuwd met Stephanus (van) Oldenzeel uit Gorinchem. Hun zoon komt naar oom en tante te Lisse; “de heer Johan van Blommestein van Oldenzeel, koopman.”4 Bij allerlei transacties, vooral ook bij de vlasserijen (blz. 54) komt men zijn naam telkens weer tegen. Toen de Keizersbrugge in de “Broekweg” in 1764 werd vervangen door een heul was het de heer Van Oldenzeel die de eerste steen legde; een belangrijk man.5

Er waren twee leerlooierijen aan de gracht, één van Jan Hirsch en een van de ambachtsbewaarder Leendert van der Jagt. In de slachtmaand (november) werden de koeiehuiden in de grond gespit en in de looi- of louwmaand weer opgegraven om gelooid te worden. Nu had Jan Hirsch zich verstout in januari 1765 “eigener autoriteit” een tweede looikuip te “doen stellen voor zijn huizinge op des ambachtsgrond op de gracht.” Bovendien lag daar een hoop “rum”, run, gemalen eikenschors om het leer te looien. Hij verklaarde echter zeer onderdanig, “hetzelve in zijne onwetendheid gedaan te hebben, immers met gene het minste inzicht of oogmerk om daarmede de authoriteit of het gezag van UEd. Achtbarens te benadelen! ” Het is altijd weer vermakelijk te lezen hoe die boeren en burgers van Lisse elkaar met zoveel reverentie ambtelijk benaderen. Ten slotte mag de kuip blijven staan, wanneer Hirsch hem iets laat zakken, enige “recognitie” betaalt en belooft, dat wanneer in de zomer de vlasschepen komen (blz. 54) de wal geheel ontruimd zal zijn. Dat laatste was vooral belangrijk! Tegen het einde der 18de eeuw liep het af met de looierijen in Lisse. Op 18 april 1798 verkocht Gerrit Hendrik Hirs een “partij looiersgereedschappen” en een “kuip” voor weinig geld aan een vreemde opkoper, David Gobliski.6 Toen was het gedaan, voor goed.

1  “Ambachtsboek” in part. bezit (T).

2  Zie noot l Ansichten blz. 53 tot 57.

3  ld. blz. 56 geheel links.

4  Ned. Patriciaat 1968 en ” t lange boek” van ir. De Graaff.

5  Zie noot 1. Ansichten blz. 52.

6  ARA, Recht.arch. Lisse nr. 110.

43. “Het dorp van Lisse. Kaart van Jan Pietersz Dpu(w) uti 1624. Kaartenbak van de abdij Leeuwenhorst. Algemeen Rijksarchief Den Haag, coll Hingman M, fol X!!

’t Roemwaard Lisse: De Lisser Ban (41)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Hier ziet men tijdens de “troebelen” van 1572/74 uitgebrande kerk te midden van het ronde, ommuurde kerkhof. Aan de zuidzijde is nu een rechte muur. Omstreeks 1620 is namelijk een deel “afgekard” om de Grachtweg op te hogen1. In 1574, tijdens het beleg van Leiden, zijn vrijwel alle dorpskerken rondom Leiden verwoest. Zo ook in Lisse. Het torendak is echter weer spoedig hersteld. Een aanwijzing hieromtrent vinden wij in een rekening uit 1590 van de koster en schoolmeester Cornelis Cornelisz Lausduyn, waarin deze zich als volgt beklaagt: “Ik hebbe mede de kosten gehad ende laten maken opten bovenzolder van de toorne de duvenesten mit een valdoor ende slot eraan, mettet kopen van de duven ende de kost daartoe gegeven twee jaar lang ’s winters in (tijdens) ’t leggen van de sneeuw ende ’s zomers in de hongermaand (juni), zonder enige baat daarof gehad te hebben, alzo ende door reden dat alle de oude duven mit de opbouwinge ofte timmeringe van de toorne verjaagd ende verwilderd waren, zulks dat ik de jongen twee zomers lang laten vliegen hebbe en altoos gevoerd omme weer te beter in de voedinge te komen. Al ’t welk mij staat van uitleggende kosten mit ’tgeen dat ik in dezelve jaren hadde mogen profiteren ter somme van 3 ponden.” Uit de klacht van de koster, dat hij menig duivenboutje heeft moeten missen tengevolge van het herstelwerk aan de toren, danken wij dus het bericht dat voor 1590 dat herstel heeft plaats gehad. Het schip kwam in 1592 gereed en ten slotte het koor omstreeks 1645. Op de hoek Heereweg/Achterweg (Buurweg) staat de “herberg aan ’t kerk­hof”, rechthuis tot omstreeks 1700, toen de herbergier Engel Heems­kerk insolvent geworden was. In zulk een rechthuis werd door de baljuw recht gesproken. Zo werd Gerrit Cornelisz Admiraal beboet, omdat hij met “vastelavond op den veedele” (viool) gespeeld heeft, en vastenavond vieren was een rooms gebruik en dus verboden. Een gemak­kelijk mens was deze vedelaar overigens niet. Herhaaldelijk is hij be­klaagde bij vechtpartijen. Eenmaal weet hij zich alleen te verdedigen met de merkwaardige verklaring, dat “zijn getuigen zijn over zee en zand.” De neiging om vechtpartij buiten vervolging te houden is groot, meermalen worden boeten uitgedeeld tegen verwonde personen die vertrokken zijn “alvorens hen rechtelijken voor twee welboren mannen bezien te laten hebben.” In 1597 heeft men ’s nachts na meidag (l mei) omtrent drie uren dansbal gehouden” ten huize van Cornelis Cuyper (van der Codden, waard in de Zwaan), waarbij Aelbert Dignums de Roo de baljuwsbode de deur uitgooide. Ook vele delicten van hooien en werken op zondag komen in de dingboeken voor.

Aan de overzijde van “de groene weide” staat het huis van Adriaen Corsteman, lid van een aanzienlijke, katholieke familie. Zijn grafsteen staat thans tegen de buitenmuur der dorpskerk. Tussen zijn land en dat van Cornelis van der Laen (Van ter Specke) ligt het perceel van het St. Elisabethgasthuis te Haarlem en daarvoor is de kaart eigenlijk gemaakt. In 1540 was de woning, tegenover de Speekelaan, aan het gasthuis gekomen na de dood van Ysbrant Willems, “die in ’t gasthuis gestorven es.” 2 Rechts, ten zuiden van de kerk is een bruggetje, thans een duiker, over de beek die het water van het Berkhouter Duintje naar de Gracht afvoert. Nog meer naar rechts staat de oude boerenhofstede “De Burg”. Daar woonde als pachter Claes Corn. van Castricum (± 1616), wiens grote fraaie zerk met een burchttoren thans tegen de kerkmuur staat. Jacob van Almonde was omtrent 1500 eigenaar van De Burg en later vererft ze op het geslacht Pynssen van der Aa,3 Wij weten dat in 1182 te Lisse het huwelijk is gesloten tussen Margaretha, de dochter van Floris III van Holland, en graaf Dirk IV van Kleef,4 maar waar dit heeft plaats ge­had of waar de bruiloft is gevierd, weten we niet. En of hier ooit een (houten) burcht van een mogelijk geslacht “van Lisse” heeft gestaan, zal altijd wel een open vraag blijven.

De tijd tijdens het beleg van Haarlem en Leiden zijn voor Lisse een verschrikking geweest. Ook na het Leidens Ontzet van 1574, toen deze streek niemandsland was en troepen zwervende soldaten de plattelands­bevolking tyranniseerden. Een kleine groep kwam bijeen in het huis van de predikant, het vroegere pastoorshuis op de hoek van de Grachtweg. De grote meerderheid bleef van vertroosting welhaast verstoken. Midden in het dorp lag de uitgebrande kerk…

“Wees niet vertoornd, Heer, gedenk niet langer onze ongerechtigheid. Zie, de stad van het heiligdom is geworden tot een woestijn, Sion is een woestijn geworden, Jerusalem is verlaten, dat huis van onze heiliging en van uw heerlijkheid, waar onze vaderen U hebben geprezen.

Dauwt hemelen uit den hoge, en wolken regent den Gerechte! ”

1    Ir. A.F. de Graaff, Rondom de Kerk van Lisse, Leids Jaarb. 1941. blz. 168-179. De Aagtenkerk, blz. 43/44. Huis Dever, blz. 84.

2   De Aagtenkerk blz. 31.

3   Huis Dever blz. 11 noot 9.

4   Dr. A.W.E. Dek, Genealogie Graven van Holland, blz. 14.

“Lisser Ban”, 1583. Kaart door Meester Laurens Pietersz in het kaartboek van het St. Elisabethgasthuis. Gemeentearchief Haarlem, inv. nr. 37

’t Roemwaard Lisse: Rozendaal (39)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Omstreeks 1600. Het is heel rustig in Lisse; een paar landerijtjes, weiden en duinen met veel konijnen. Hier en daar een huisje van de duinmeiers. Een van hen was Gerrit Jansz de Monnick (1548-1619), die ook wel Gerrit Jansz van Rosendaal wordt genoemd. Is deze duinmeier hier geboren of heeft hij hier later gewoond? Hij was getrouwd met Zyburg Cornelisdr. van Immerzeel. Omstreeks 1620 blijkt Rosendaal in het bezit van Cornelis en Apolonia, kinderen van Cornelis Cornelisz van Immerzeel, schout van Lisse en een broer van Zyburg. Nu verschijnt er een machtig heer ten tonele, Adriaan Block Maartensz, geboortig van Gouda, Commandeur der Ver. Oostind. Compagnie en een der schoonzoons van Gerard van der Laen van Ter Specke (blz. 50). Omstreeks 1620 kocht hij van de Immerzeels Rosendaal, huis en krocht van 750 roe. Het belendde aan een perceel dat Block reeds bezat en in 1622 werd bewoond door zijn zwager Isaac Massa, Antwerpenaar van geboorte en door Frans Hals meermalen geportretteerd. In 1641 liet Commandeur Block na een eervolle en waarschijnlijk winstgevende loopbaan ter zee op het vrijgekomen terrein een buitenhuis bouwen, Rosendaal. Later bouwde hij het huis Keukenhof (blz. 22), terwijl hij Rosendaal op 28 december 1653 overdeed aan Sinjeur Abraham Gillis Jansz, heer van Minquedorne (1612-1689) *. “Sinjeur Jelys” was te Amsterdam geboren, maar stamde uit een Hugenotengeslacht dat van Doornik via Engeland naar ons land was gekomen. Zowel Abraham als zijn enige zoon Jan hebben Rosendaal regelmatig bewoond, terwijl ze ook de beschikking hadden over een huis in Amsterdam. Jan Gillis stierf in 1721, zijn weduwe, C.M. de Surmont, in 1743 en daarna vestigde zich op Rosendaal Jan van der Plas Jansz, die er ook koeien hield. Misschien vond Jan de Graaff Rosendaal in die jaren iets heel gewoons. Hij is er in ieder geval eenvoudigweg aan voorbij gegaan. Hij wijdt liever zijn aandacht aan de hofstede Meerenhout, die iets verder aan de linkerzijde van de straatweg was gelegen.

Ik wil liever zacht naar Meerenhout gaan wandelen

In ’t groen geboomt’, als dat ik steeds zou handelen

Met dezen god.2 Geen groter vreugd voor mij

Alsdat ik hier zie deez’ plaats aan alle zij

Omsingeld van de schone klaverweiden

En welig vee. De uitzicht, waard te melden,

Verstrekt tot op het Haarlemmer Spaar,

Aan d’andre zij tot in het dorp voorwaar.

Het zuiverend oogt tot ’t vermaarde Leiden,

Zodat men kan veranderen op drie zijden.

1795. De Fransen trekken ons land binnen, de Bataafse Republiek wordt uitgeroepen. Op Rosendaal vinden we een nieuwe bewoner, Huybert Breero, “Koopman in Bloembollen.” Op 27 juli 1808 werden allerlei “bomen en heestergewassen” door A.F. Wundel, “Directeur van Flora”, geveild. Breero blijkt overleden.3 De volgende eigenaar van Rosendaal is Aart van der Mey uit Rijnsburg, stalhouder en verhuurder van paarden. De Leidse studenten zullen wel goede klanten zijn geweest want Lisse met zijn Witte Zwaan en zijn “Spookhuis” (blz. 10) was bij hen zeer in trek. Ook “hield men heren.” Zo lezen we in de Opregte Haarlemsche Courant van l april 1824: “Te huur enige behangen kamers, met de kost, voor het zomersaisoen of voor het gehele jaar, met een vrije wandeling in een grote bloemrijke tuin, genaamd Rosendaal, in het aangenaamst van het dorp Lisse. Te bevragen bij de bewoner A. van der Mey.”

In 1832 is burgemeester EJ. van den Bergh de eigenaar van het huis. die hier woont met zijn zuster en haar man, Hermanus Scherpenzeel. In 1844 wordt Rosendaal weer verkocht. “Een welingericht zomer- en winterverblijf met 5 beneden- en 3 bovenkamers, waarvan 6 behangen en 5 van stookplaatsen voorzien, twee dienstbodenkamers, zeer ruime keuken en kelder, zolders, stalling voor vijf paarden en zes koebeesten en ruim koetshuis, wijders een aangename tuin met fijne weldragende vruchtbomen, wandelbosje, goudvissenvijver, grote moestuin en verdere bepoting en beplanting.” Voor ƒ 4700 werd het gekocht door H.J. Huysmans, die het later verhuurde aan de Amsterdamse Cornelis Kruseman, een verdienstelijk schilder uit de romatische school. Hij maakte vaak grote schilderijen met een zeer dramatische inhoud. Ten slotte verwierf in 1862 voor ƒ 8500 de Eerw. Heer J.F. Fick, de legendarische oud-pastoor van Berk el en Rodenrijs het buitengoed. Over hem en zijn “mechanique” raken de oude Lissers niet uitgepraat.5 Later wonen hier nog dokter Metzlar, dokter de Graaf6 en dokter Hol. En dan nadert het einde. In 1962 werd Rosendaal gesloopt. En de beide leeuwen op de hekposten? “Nu past Monumentenzorg er op, dat ze voor Lisse behou­den blijven”7! ! !

Ja, ja … een werd er (’s nachts) aangereden en kort daarop werden ze beide voor goed geld naar elders verkocht . . .! ! ! !

Ir. A.F. de Graaff, Rosendaal en zijn bewoners. Leidse Jaarb. 1963, blz. 153-161.

1    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 182.

2   n.l. Neptunus.

3   De kleurige Keukenhof blz. 53.

4   De Aagtenkerk blz. 185. Huis Dever blz. 251.

5    Aagtenkerk blz. 146-151.

6   Ansichten blz. 22 en 23.

7    Leids Jaarb. 1963, blz. 160 en 182.

39. Rosendaal. Ets van Abraham Rademaker (1675-1753) Uit Rhynlands fraaiste Gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: Meerenburgh (37)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Meerenburgh was een zeer grote buitenplaats, waarvan het huis zich bevond achter de huidige villa Merenburgh aan de Lisserbrug. Onder de porriehoop zit nog wat steen van de oude fundamenten. De hofstede is gesticht in 1638 door Jhr. Albrecht van Wassenaar, heer van Alkemade, zoon van Jhr. Jan van Duivenvoorde van Warmond en Odilia Valke­naar.1 De eerste kaart van huis en tuinen vertoont nog een eenvoudig beeld,2 maar geleidelijk aan is het steeds groter en imposanter gewor­den. In 1666 was het in het bezit van Jhr. Gerard van Wassenaar van Alkemade en het had in 1669 de eer de beroemde Constantijn Huygens binnen zijn muren te mogen ontvangen.3 Later woonde hier Jhr. Thomas Walraven van Wassenaar van Alkemade, gehuwd met Margaretha A. baronesse van Lynden. Deze tak van het aloude geslacht Wasse­naar was trouw gebleven aan Rome 4 en zo vinden we hier een priester, die – tegen goede betaling – als huiskapelaan werd toegelaten. Sinds 1719 was dit Peter Gratia, later schuilt er de Jezuiet Ignatius Oliva, die uit zijn statie Leiden verbannen was5 en in 1768 is er als kapelaan Lambertus Eyssen. Andries Schoemaker noemt Meerenburg in 1730 “een zeer vermakelijk oord, als hebbende van voren de jacht door de duinen en van achteren de visserij in het meer, tussen beide liggen grazige weilanden.” Hij vermeldt nog dat een “modern huis” is, 100 roeden van de Heereweg.6

Het echtpaar van Wassenaar-Van Lynden werd in zijn bezit opgevolgd door Gerard Anthony baron van Wassenaar van Alkemade (1707-1752), in 1734 te Amsterdam gehuwd met Elisabeth Marie Cromhout, vrouwe van Werve en Nieuwerkerk, die op 16 augustus op Meerenburgh over­leed.4 Juist in deze jaren komt Jan de Graaff Meerenburgh bezien. De bedijking van Lisserbroek heeft de bouwman bevrijd van lasten en schaden,

En Meerenburgh van het verslindend nat

Bevrijd, die aan haar einde is omvat

Van ’t broekland,7 wijl deez’ plaats vol fraaiigheden

’t Beminnelijk schoon vertoont in volle leden,

Waarop het volk van Lis zo moedig bromt,8

Zelfs aan de vreemd’ling, die hier ter plaatse komt

En roeme steeds, wijl dat haar schoon’gezichten

Tot diep in ’t oost’, ja zelfs tot Amstels stichten

Ver strekt,9 en is aan ’t achterste gesierd

Met vogelkooi, zo dat gestadig zwiert

’t Gevogelte, ’tgeen door de dichte takken

Uit de hoge lucht komt zacht/es nederzakken.

Men ziet het huis van marmer en ivoor

meest opgebouwd, ’t welk Diana ’s koor

in schoonheid lijkt,10 vertoont door beemd en velden

En ’t woeste nat of meer, wiens ijselijk geweiden

Ons vrezen doet, wanneer de oostenwind,

Door Aeool’s muitgespan 11 als gans gestoord, ontzind,

Ons dreigt, zo’t schijnt, ten eenmaal te vernielen,

Totdat Neptuun met zijn blauwe wielen

En schulpkaros der stroomgedrochtens bek

Beteugelt en betoomt het ganse ommetrek

Der vloeden, zee, of grote waterplassen.12

De wolken die op woord des Zeevoogds altijd passen

Verdwijnen fluks,13 dus wordt ’t een stille ree.

Maar, ik zou Neptuun welhaast volgen op de zee . . .

Eigenaar van Meerenburgh is nu Jacob Hendrik baron van Wassenaar van Alkemade, hoofdingeland van Rijnland (1736-1800). Deze onge­huwde baron verbleef regelmatig op het buiten, maar eigenaresse blijkt zijn zuster te zijn, Elisabeth B.M., die evenals vele katholieke freules haar levenspartner vond in de Zuidelijke Nederlanden, het huidige België. Eerst was dit Louis E.G. prince de Montmorency, vicomte de Roulers, baron de Bellem en na diens dood in 1778 Jean F.Ph. comte d’Asson.4 Zij laat Meerenburgh na aan haar dochter, gehuwd met de Prince de Veaudemont. De ongehuwde oom Jacob Hendrik was nog steeds de bewoner en talrijk zijn in deze jaren de moeilijkheden betref­fende de doorvaart door de Zandsloot.14 Baron Du Tour van Zandvliet heeft deze aan de eigenaar van Keukenhof toegestaan,15 maar als Van Wassenaar telkens de uitmonding met een boom afsluit heeft dit weinig zin!

In 1802 kwam voor Meerenburgh het einde. De uitgestrekte buiten­plaats werd voor ƒ 23000 verkocht aan de Haarlemse geweermaker Philipp Wilhelm Wagner.16 Het huis werd gesloopt, de landerijen verka­veld. In zeer korte tijd is het ongelooflijke gebeurd; het machtige Meerenburgh is verdwenen!

1    Van de Aa, Aardr. Woordenb.

2    ARA, Kaarten reg. nr. 2284 (1639)

3    S.J. Fockema Andreae, Kastelen.

4    H.G.A. Obreen, Geschiedenis . . . Wassenaar (1903).

5    De Aagtenkerk, blz. 79 en 90.

6   Ms Schoemaker (A’dam en Den Haag). Gemeentearch. Hillegom, div. kaarten, inv.nr. 122 pak 74 e.a.

7    moerasland.

8    zich beroemt.

9    Bij helder weer kon men over het meer de torens van Amsterdam zien.

10 Diana was de kuise godin van de jacht. Zij was vergezeld door zeven schone nymfen.

11 Aeolus, god der winden.

12 Neptunus, god der zeeën, rijdt in een schelpkaros over de baren en weet de muitende Aeolus te bedwingen.

13 De wolken gehoorzamen Neptunus.

14 Arch. van Lynden/Keukenhof.

15 De kleurige Keukenhof, blz. 42 en 43.

16 Zie 14. Leids Jaarb. 1969, blz. 188.

37. Meerenburgh .Ets van Abraham Rademaker (1675-1753) Uit Rhynlands fraaiste Gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: Meer en Duyn (35)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Het is niet zeer gemakkelijk deze schildering te localiseren, maar als hij gemaakt is vanaf de duinen van Veenenburg met links het Haarlemmer Meer, dan blijft ons weinig keus. Geheel rechts is dan de boerderij van Zandvliet, naar de eigenaar, de heer Marinus Temminck, later ook “Marinus” genoemd en links daarvan het huis Wildlust (blz. 60). In het midden ziet men de ambachtskorenmolen “De Korenbloem” aan de Gracht, al lijkt hij wel wat groot. De watermolen staat aan de Lisser Beek bij het meer achter het reeds gesloopte Merenburgh. Hij diende voor de bemaling van de Lisserbroekerpolder aan de andere zijde van de Zandsloot. De “wijze polderheren” hebben namelijk de Lisser Broek (moerasland) bedijkt. Jan de Graaff noemt dit een “nuttig ding”. Zijn vader heeft hier zijn tuinderijen en het “bevrijdt den bouwman” van wateroverlast en schade. Maar Jan kan toch niet nalaten op te merken, dat “’t is tot bruikers lasten”, m.a.w. dat de ingelanden moeten be­talen!

Nog meer naar links stond tot 1812 de hofstede Meer en Duyn. Reeds omstreeks 1500 had de Leidse poorter Claes Willemsz hier “enen woninge mitter huizinge, bloemen en potinge”. In 1505 droeg hij dit -mogelijk wegens financiële zorgen — op als “leen” aan Jhr. Albrecht van den Raaphorst te Wassenaar. In 1552 vinden wij hier Willem Jansz, poorter van Haarlem, die het verkoopt aan zijn schoonvader Pieter Saling. De erven Saling dragen het in 1544 over aan de Haarlemse burgemeester Henrick van Wamelen (± 1616). Diens dochter Katherijne huwde met Mr. Herebert Stalpaert van der Wiele, rentmeester-generaal van Kennemerland en hoogheemraad van Rijnland. Zij hebben waar­schijnlijk “de woning en landen met huis, schuur, (hooi)berg en ge­boomte en zijnen toebehoren, groot zijnde omtrent vijf mergen” als zomerverblijf gebruikt. Nu vererfde Meer en Duyn via het geslacht De Nobelaar op Jhr. Diederik Ramp, die echter geenszins met fortuin gezegend was. In 1711 werd zijn insolvente boedel verkocht aan Willem Adriaan van der Stel, de eigenaar van Uytermeer (blz. 4). Deze kocht de hofstede voor zijn zoontje Willem Adriaan Jr., maar omdat deze jong stierf, kwam ze in het bezit van diens broer Simon, geboren te Amster­dam in 1692. Simon werd een deftig man; hij bezat een koets met twee paarden, een overdekt zeiljacht en een jaarlijks inkomen van ƒ 5 a ƒ  6000. Op een ander punt was hij niet zo deftig: in 1759 trouwde hij ter wettiging van zijn zoon Willem met Catharina Keyser, de vier en dertig jaar jongere dochter van een Amsterdamse droogscheerder. Tot 1790 bleef Meer en Duyn in het bezit der familie Van der Stel. Korte tijd behoorde het daarna aan Carolina S.L.F, gravin van Gronsveld, maar in 1793 wordt het eigendom van Prof. Dr. Lambertus Bicker (1732-1801), gehuwd met Joanna G. Caarten. Hij had in Leiden medi­cijnen gestudeerd en was later arts in zijn geboortestad Rotterdam. Sinds 1787 bekleedde hij aldaar het professoraat-honorair in de medicij­nen en in de physica en was eerste secretaris van het Bataafs Genoot­schap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte. In 1794 heeft Prof. Bicker zich voor goed gevestigd op “de Buitenplaats Meer en Duijn”, maar ook daar bleef hij zich “lenen tot consultatiën en het doen van inentingen”.

Op 15 juli 1801, kort voor zijn dood nam Prof. Bicker afscheid van zijn geliefd bezit. Op genoemde dag verkocht hij de hofstede met deszelfs stallingen, koetshuis, tuinmanswoning, koepel aan de Herenweg, bossen, platagiën, tuinen en omrasterde duinen aan de overzijde van zijn hof­stede voor ƒ 23500 aan de heer Jacob E. Smissaert te Amsterdam. Deze werd in 1812 in het bezit opgevolgd door Christiaan Stumphius, makelaar te Beverwijk. En dan is het spoedig afgelopen. Hendrik Nieuwenhuis, tuinder, koopt de hofstede. Het huis wordt gesloopt, kort daarop ook de koepel en het “Engels plantsoen.” Later vindt men hier slechts bloembollen, met zorg gekweekt door de vele nazaten van Hendrik Nieuwenhuis. Jan de Graaff komt nu van Zandvliet naar Meer en Duyn gelopen.

                                                               Ik ga heen

Naar Meer en Duyn, deez’hofstee, die gemeen

Ligt aan het meer, welk met de groene zomen

Des dijks staag dartelt. Zo is zijn kracht benomen

Wanneer Aeool, zo ’t schijnt als ligt in rust,

Terwijl de stroom, als boetende zijn lust

Aan ’t groene lies,l  en kabbelde zachtjes

Omhelst het dus met aangename lachjes,

Terwijl de rug met vaartuig is gedekt,

Hetwelk het oog tot veel vermaak verstrekt.

Maar ik wil straks de Zandsloot overkeren

En zien, hoe dat onz’ wijze polderheren

De Lisser Broek hebben gemaakt bedijkt,

Waar voor het ongetoomde water wijkt.

Een nuttig ding, schoon ’t is tot bruikers lasten

Van sommigen; nochtans zo zal ’t de kasten

Opvullen weer, dus moet geprezen zijn

Dat grote werk, hetgeen tot algemein

Genot is en door hare wijze raden

Den bouwman vrijdt van lasten en van schaden.

 

Zie Dr. J. Belonje, Meer en Duijn te Lisse, Leids Jaarb. 1951 blz. 110 e.v. met verwijzingen aldaar en naschrift van Mr. R. van Roijen.

1    Lies,  lisbloem,  gele waterlis. Dit is tevens een toespeling op de rederijkerskamer “De Liesbloem”, waarvan Jan de Graaff lid was.

2   De kleurige Keukenhof, blz. 54.

35. “Veenenburg, van de Hooge Duin op het meer te zien”, 1830. Aquarel van A.J. Eymer (Amsterdam 1803 – Haarlem 1863)

 

’t Roemwaard Lisse: Zandvliet (33)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

“Daar doet zich Zandvliet op, een lustplaats vol vermaak,

Een paradijs op aarde, en aller plaatsen baak.

Hoe fraai vertonen zich de lanen!   Hoe bekoren

Mij haar bomen, daar zich Filomeen laat horen! 1 

In de aangename Mei! Hoe lustig voor ’t gezicht

Vertoont er zich ’t gebloemt’, door Flora zelf gesticht! 2 ,

“Santvliet, een deftige hofstede, gelegen aan de Heereweg onder de banne van Lis. Het gebouw is een modern gebouw, gelijk de bovenstaan­de tekening aantoont; het heeft Engelse schuiframen. De ingang van de Heereweg is een opgeschoren laan met acht regelen bomen en tussen beide met Taxusbomen beplant. De tuin, die deftig is, en ’t bos ligt langs de Heereweg. De ingang der laan is door een hek afgesloten en op desself’s pilaren zijn wapenen geschilderd van de Mamoiselle van Bennebroek, vrouwe van Bennebroek en Warmenhuizen.”3 Aldus de heer Andries Schoemaker in 1730. De “bovenstaande tekening” is echter dermate primitief, dat we toch aan de bekende prent van Rademaker de voorkeur gegeven hebben. De “Engelse schuiframen” ter vervanging van de oud-Hollandse kruiskozijnen waren in 1730 wel hoogst modern; meestal verschijnen ze vijftig jaar later. Toch zijn ook op deze afbeel­ding kruisramen te zien. Waarschijnlijk heeft de wijziging omstreeks 1730 plaats gehad. Het fraaie ingangshek stond ongeveer tegenover Merenburgh. Het linker wapenschild vertoonde het wapen Sohier de Vermandois.4 Het ovale (vrouwelijk) wapen waarschijnlijk het wapen Pauw; aldus de wapens van de ouders van Mademoiselle Adriana Constantia Sohier de Vermandois (1675-1735), “de Mammesel”, vrouwe van Bennebroek en Warmenhuizen. Bennebroek is dichtbij; Warmen­huizen daarentegen zelfs in onze gemotoriseerde tijd op enige afstand. Niet alzo 200 jaar geleden. Toen omstreeks 1770 een sollicitant zich aanmeldde voor het schoutambt van dit Warmenhuizen, vond men het heel gewoon, dat hij te voet naar Zandvliet kwam.5 Hij kon de afstand in twee dagen best afleggen. Het schoutambt was wel belangrijk, maar iemand die daarnaar kwam solliciteren hoefde zich nu ook weer niet te verbeelden, dat hij zich in een koets moest laten rijden. Het huis was gebouwd door de machtige Amsterdammer Jeronimus Coymans (1598-1658). Deze handelde in Indische producten zoals peper en kruidnagelen en in een zeker levend zwart materiaal, dat in onze vaderlandse-geschiedenisboekjes tactvol werd doodgezwegen. Ach­ter het huis en ten dele daaraan vastgebouwd, stond de boerderij Oud-Zandvliet (later Marinus genoemd), de huidige bollenschuur van de firma P. H. Beelen. Hier woonde van omstreeks 1750 tot 1890 de familie Van Graven.7

Zandvliet is beroemd geweest wegens de menagerie, een privé dieren­tuin, die in 1760 door Jacob Adriaan baron du Tour naar hier werd overgebracht.8 Witte fazanten, poelpentanen (parelhoenders), Chinese katten, brandganzen, een lepelaar, kroonvogels, “drie vreemde bees­ten”, en nog veel meer. Jan de Graaff, die van Veenenburg kwam, dichtte geestdriftig:

 

Doch ik keer mij een weinig herwaarts om

Totdat ik aan de illustre zale kom

Van Zandvliet, dus ga ik mij derwaarts spoeden

Tot in haar schoot, omheind met zoete vloeden.

Die schoonste plaats die ik in Holland weet,

Wiens grootheid is met sierlijkheid bekleed;

Zo van een doolhof als van vijvers en rivieren,

’t Ontelbaar tal van lanen, die versieren

Het boomgewas, zo blaadrijk hooggetopt,

Het bos vol wild, de waters opgepropt

Van vis, nu komt ons ’t aangenaamst nog vertonen,

Wanneer men ziet het middelste bewonen

Met rundervee. En ga ik dieper treden,

Zo zie ik daar ’t gevolgelt groot en kleen

Van wild en tam, door moeite en veel kosten

Bijeen vergaard. Onmooglijk dat ik ontvloste

Haar fraaiigheden, al dewijl mijn dwalend oog

Staag vliegt en zweeft door lind- en iepeboog

En gans verward in honderden van dreven,

Dat voor een mens een groot vermaak kan geven.

Verrukkend dal, ‘k verlaat u . . .

Nog beroemder dan door zijn manegerie is Zandvliet achteraf geworden door de aanleg van de “Engelse tuin” in 1772, het huidige tentoonstel­lingsterrein.9 Behalve dit laatste stuk grond was kort na 1800 Zandvliet geheel geveld.

1    Philomele en Prokne, twee gezusters in de Griekse mythologie, die respectievelijk in een nachtegaal en een zwaluw veranderden.

2    Rhynlands Fraaiste Gezichten, 1732.

3   Ms. Schoemaker, Rijksprentenkab. A’dam deel V. ld. Kon. Bibl. ‘s-Gravenhage, handschr. 78C53. De Aagtenkerk blz. 97. Huis Dever blz. 138/39.

4   In het bezit van de heer A. Hoes, Lisse.

5    Rijksarch. Arnhem, Huisarch. Waardenb. en Neerijnen nr. 166.

6   De kleurige Keukenhof, blz. 27.

7    Gemeentearch. Hillegom, diverse tekeningen.

8    Leids Jaarb. 1969 blz. 147 e.v. ld. 1970, blz. 151 e.v.

9   De kleurige Keukenhof, blz. 49 e.v.

Zandvliet of Sandvliet. Ets van A. Rademaker (1675-1753). Uit Rhynlands fraaiste gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: Veenenburg ( 31)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

 

Maar ik keer mij tot de schone velden

Der Loosterkant en zo naar Veenenborg,

Daar men gerust leeft, zonder bange zorg,

Daar de nachtegaal in de hoge eiketoppen

Zijn zetel heeft en gaat zijn jongens kroppen

Opvullen, zo verheugt ons ’t lommerende woud,

Als ’t pluimgediert in ’t dichtgetakte hout

Onz’ oren streelt met liefelijke klanken,

Den Zegenaar toejuichen en bedanken

In ’t ochtenduur en roepen keer op keer:

“Zij t dankbaar, mens, zij t dankbaar aan den Heer!”.

Zo komt ons ’t vee de plichten die ons dringen

In ’t morgenuur ons leren en voorzingen.1

[n 1544 behoorde “Veenenburg” alias het “Huis ter Panne” aan Joost van Veen te Alkmaar.2 Een dertigtal jaren later is het in het bezit van Claes van der Laen Gerritsz, burgemeester van Haarlem. In 1593 verkoopt diens dochter Anna, weduwe van Jhr. Artus van Brederode, Veenenburg aan Jhr. Jacob van Duivenvoorde. Als pachter woont er Pieter Woutersz Vogelsanck.3 Daarna is eigenaar Hans van Loon, een Welgesteld koopman te Amsterdam4, die het aanvankelijk verhuurt aan zijn zwager Wilhelm Ruychaver.5 Pachtboer is dan Dirk Pietersz Wassenaar.3

Pasen 1645 is voor het personeel van de heer Van Loon hoogst onaangenaam geweest. Mr. Cornelis van Sijpesteyn, die op het Hof te Hillegom woonde,6 probeerde voor zijn zanderij een doorvaart te forceren naar de Veenwatering ter plaatse van de latere Leidse Vaart, dwars door het domein van Veenenburg. Hij had de Veenenburgerlaan doen “opdelven en opgraven om den gemelden Van Loon het gebruik daarvan te beletten.” Toen de knechts dit trachtten te verhinderen was Sijpesteyn handgemeen geworden”. Daarna had hij hen nagelopen tot binnen de poort van Veenenburg “en op Paasdag daaraanvolgende den gehelen voormiddag hem (zich) met een geladen roer en een piek omtrent de  hofstede laten vinden”, zodat niemand het erf durfde verlaten! Uiteinelijk heeft Sijpesteyn zijn zin toch niet gekregen en later heeft hij het iets zuidelijker opnieuw geprobeerd. Ook zonder succes.7   Nu moeten we bladzijden vol interessante historie en lange lijsten van eigenaars en huurders overslaan, want één pagina is niet veel en het lettertype waarin deze bladzijde is gezet, is voor sommige lezers al reeds klein genoeg! Op l oktober 1796, na de dood van Vrouwe Anna Bout, douairiere Van Hogendorp, wordt een groot boelhuis gehouden8 en dan wordt de hele inhoud van de orangerie van de hand gedaan: allerlei soorten “welgecouleurde orange-, pompelmoes- en citroenbomen, laurier en granaatbomen, Aluwees (Aloë’s) en diverse soorten buitenlandse bijgewassen”, etc. etc. Dan de menagerie: zilverlakense, Chinese, Engel-, Ring- en ordinaire (gewone) fazanten, witte en bonte pauwen, waaier- en Carolineëenden, diverse soorten watergevogelte, hoenderen en duiven, harten en reetjes, zoals die lopen in het hartekamp, alsmede paarden, koeien, vaarzen, ossen en kalveren, ezels en ezelinnen en een partij hooi. Verder nog een “poulepetatehaan” (parelhoen), knob­belganzen, smientjes, haarhoendertjes, een kaneelduif, drie kwakertjes, krieltjes en tortelduiven. Dan komt men nog met enige soorten Oleanders en gele jasmijn. Er worden ook nog heel veel andere dingen verkocht: “Een toilet, een dito, nog een dito en weer een dito”. De opbrengst van het gehele boelhuis is ƒ 2330:16 – Een groot bedrag! Nu wordt ook het huis zelf verkocht, en… gesloopt! In 1797 is Veenenburg van de aardbodem verdwenen! Allerlei bouwmateriaal wordt te koop aangeboden. Er zijn bekende namen onder de kopers zoals Rotteveel en Lommerse, maar ook de Heer A. van Aaken te Rotterdam en typen als Marcus Moses. Chinese tempels, zomerhuisjes, koepels, een “extra konstig fonteinhuis”, alles wordt verkocht. Het is heel wel mogelijk, dat de antieke kolom, ingemetseld in het tuinhuis van Keukenhof, van de “kolonnade met 16 uitgewerkte kolommen” afkomstig is. Er kwam een nieuw Veenenburg, dat pas in 1913 ver­dwenen is.9

Het tweede Veenenburg is hiernaast afgebeeld. Ds Craandijk is verrukt over “de Herenhofstede Veenenburg, met haar uitgestrekte overplaats, rijk aan houtgewas, ’t Is een schoon, woest bos, geruimen tijd ons vergezellend langs den weg, die met statige eiken en kloeke iepen is beplant. Bij het inrijhek van de plaats staan twee colossale sparren en het witte huis ligt te midden van een smaakvolle aanleg aan den zoom der vlakte, waaruit in de verte een molen oprijst en het station Veenen­burg is te onderscheiden. Een lange, brede laan achter het heerenhuis loopt recht op den spoorweg aan en het grote, wilde overbosch strekt zich tot aan den straatweg tussen Lisse en Hillegom uit. Bordjes met het opschrift “verboden toegang” zullen wel de bedoeling niet hebben, om iederen bescheiden wandelaar zorgvuldig te weren, maar de tijd ont­breekt ons, om in de schilderachtige en geheimzinnige diepten er van door te dringen. Wie eens den voet in zulke bossen zet, wordt door de geesten des wouds niet spoedig weer losgelaten!”

1  Als de koeien loeien moet Jan de G. zijn dagtaak beginnen!

2  Leids Jaarb. 1971, De Hofstede Middelburg.

3  Gaarderboeken van Rijnland.

4  Ned. Adelb. 1943/48 blz. 436.

5   A.M. Hulkenberg, ’t Vermaaklijk Hillegom (1971) blz. 62

6  ld. blz 20 en 22.

7  Morsveen, Leids Jaarb.1972.

8  ARA, Recht. arch. Eisse nr. 108 en 110 (no 8).

9  V. Loenen, Gesch. van H’gom blz. 13-20. Ansichten blz. 36. Idem H’gom blz. 79/80.

31. Veenenburg omstreeks het midden van de19e eeuw. Tekening met Oostindische inkt in het schetsboek A van G. Leembruggen Jzn, Gemeentearchief Leiden. Leembruggen is geboren in ’s Gravenhagen in 1801. Hier op Veenenburg verdronk hij tijdens een jachtpartij in de herft van 1865.

’t Roemwaard Lisse: Halfway House (29)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Het is met het huis Halfwegen eigenaardig gesteld. In een Engels boek dat in 1796 te Londen verscheen bevindt zich nevenstaande plaat. Het huis lijkt niets op het ontwerp van de vorige bladzijde. Er kan in de loop van de jaren wel een en ander aan verbouwd zijn. Bovendien heeft de tekenaar waarschijnlijk tijdens het oponthoud een schetsje gemaakt en dit later uitgewerkt. Ook daardoor zijn er afwijkingen mogelijk. Er is trouwens nog meer vreemd aan de prent. Aan deze zijde van de vaart ligt tot op heden nog wel een pad, maar de eigenlijke rijweg moet zich bevinden aan de overzijde. En bovendien: waar is de herberg? Om­streeks 1730 bevond zich reeds ten noorden van de Delfweg aan de Trekvaart een herberg, die pas enige jaren geleden is gesloopt.1 In 1733 was deze met het daarbij behorende “bouwhuis” in het bezit van Cornelia Huybertse Heemskerk, weduwe van Hendrik Jansze Koster. Negen jaar later woonde hier Jacobus Cornelis de Graaf, getrouwd met Niesje Hardeman, als herbergier, die drie “dienstboden” (personeelsleden) had, een paard-en-sjees en nog een aantal trekpaarden.2 In 1768 verkocht hij een aantal “schone schuitepaarden die het veer hebben bediend van Haarlem op Leiden.” Ze brachten 16 tot 53 gulden op. Aan de noordzijde stond tegen de herberg aange­bouwd de stal, dan was er nog een stukje “herbergsgrond”, vervolgens de “scheisloot” en dan kwam men aan de hofstede Voorburg, bezongen door Jan de Graaff. Ze behoorde aanvankelijk aan een zekere Henrick de Meyer, maar deze ging het niet goed. Op 7 juni 1735 vond “bij uiterlijke executie en subhastatie” de publieke verkoop plaats van “de vermaarde hofstede en buitenplaats Voorburg aan de Trekweg bij Half­wegen met een aanzienlijk speelhuis en koepel met lood gedekt, een nieuwe paardestal voor zes paarden. Een nieuw hooihuis, achter in den boomgaard een prieel, alsook een vruchtdragende boomgaard ende moestuin, een visvijver, alsmede modieuze behangen kamers, ook een pomp en regenbak, twee stenen pilaren met ijzer hek, alles commode en nieuw”.4 Met de bijbehorende landerijen.

Hierna was Voorburg het buiten van de Amsterdamse vrijgezel Mr. Nicolaas Witsen (1709-1780), kapitein der burgerij. Hij woonde op ’t Singel, had een sjees met twee paarden en een jaarlijks inkomen van ƒ 5 a 6.000.5 In deze jaren heeft Jan de Graaff Halfweg en Voorburg bezocht.

Ik ga bezien het lieflijk Halfwegen, Daar het kanaal bij heen stroomt en gelegen Voor de reizenaar die elders henen wil Zeer dienstig, wijl ’t vaartuig nooit is stil, Daar de hofstee Voorburg nu is bij gelegen, Daar ’t vruchtrijk hof omsingeld allerwegen Is vol van vreugd met stroom en bron en plas, Niet misgedeeld, omheind met klavergras. Beminnelijk oord, wiens fraaiheid niet te melden Is…

Na de dood van Witsen op 26 maart 1780 hebben de erfgenamen Voorburg voor ƒ 8100 verkocht aan een andere Amsterdamse vrijgezel, Egbert Bosch, wonende aan de Keizersgracht. Toen deze in 1788 stierf werd Voorburg geschat op ƒ 4000 en de bijbehorende landerijen in de Hoge Mossevenen of Nieuwe Zilker Polder op ƒ 1000.6 Koper werd… Geerlof de Waal, geboortig uit Woerden, echtgenoot van Geertruy de Graaf, die zijn zwager als herbergier was opgevolgd.7 Dit betekende het einde. Vóór 30 oktober 1788 was Voorburg reeds gesloopt; toen Ireland deze tekening maakte was het dus reeds ver­dwenen. Niet aldus de herberg! De zoon van Geer lof, Cornelis de Waal, was tot zijn dood in 1839 toe “tapper en landbouwer op Halfweg”.8 Cornelis was twee maal getrouwd geweest, eerst met Suzanna van Os en daarna met Geertruij van Beek. Uit het eerste huwelijk waren Geerlof, Geertruida en Dirk geboren, uit het tweede Pieter. Terwijl de weduwe “tapperij en landbouw uitoefenende” het bedrijf voortzette, werden de percelen in de Lageveense Polder verkocht.8 Koper was… de eigenaar van Keukenhof. De notaris stuurde “per ochtenddiligence” dadelijk bericht. Het derde “perceeltje is te duur, maar aangezien de tuinman mij tot twee maal toe is komen zeggen, dat ik op enige guldens niet zien moest,heb ik het maar genomen.” Keukenhof was weer groter gewor­den…

Honderd jaar geleden werden er aan de Trekvaart ook al hyacinten gekweekt en gesneden of gestript, “’t Is den kweker alleen om de bol te doen”; de bloemen gaan naar de mesthoop. “De hyacinten die langs de Trekvaart hebben gebloeid worden een weinig meer geëerbiedigd. De schippers nemen ze mede en in onze steden maken zij er menig vrouw en kind blijde mee. Men kan in dezen tijd van het jaar de schuiten die van dien kant komen als belegerd zien door de bewoners der achter­buurten, begerig om een handvol van die frisse, welriekende nagel-takken te ruilen voor een paar soms zuurverdiende centen.”

1    Gem.arch. Hillegom, inv.nr. 121 pak 22.

2   Gem.arch. Lisse, inv.nr. 219 nr. 66 en nr. 225 id.

3    ARA, Recht. arch. Lisse nr. 78.

4   Gem.arch. nr. 13, gedrukte affiche.

5    Elias, De Vroedschap II blz. 808.

6   Gem.arch. Amsterdam, Collaterale successie. Met dank aan Mejuf­frouw Dr. I.H. van Eeghen.

7    ARA, Recht.arch. Lisse, nr. 25 fol. 75 verso etc.

8    Arch. Van Lynden/Keukenhof. Bevolkingsreg. Lisse 1830/40. An­sichten blz. 43.

Naschrift redactie:

Naderhand is gebleken dat met deze tekening  niet van Halfweg is, maar van een brug in Heemstede.

29. “Halfway House between Leyden & Haarlem’. Aquatint, 10,5×15,5 cm, van Samuel Ireland. Gemeentearchief Leiden LPV 77727. Uit “A pittoresque tour through Holland, Brabant and Part of France” London.

’t Roemwaard Lisse: Veerhuis Halfweg (27)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

In de 17de eeuw lieten de rij- en vaarwegen ook in onze streek veel te wensen over. Er was dringend gebrek aan een kortere vaarweg tussen Leiden en Haarlem. Als men van Leiden naar Haarlem wilde moest men gebruik maken van de, als het stormde, levensgevaarlijke Haarlemmermeer. Reeds in 1640 stuurde een honderdtal Leidse za­kenlieden een verzoek in, maar dat werd afgewezen.1 In 1655 wilde Gouda een trekvaart graven naar Amsterdam. Hierdoor zouden de handelsbelangen van Haarlem geschaad worden. Nu nam Haarlem contact op met Leiden om een vaart te maken. Op een vergadering te Lisse werd men het eens. De vaart werd gegraven volgens een ontwerp van landmeter Van de Walle te Haarlem en Gerstecoren te Leiden. Van Leiden tot Halfweg te Lisse waren de kosten voor Leiden, van Halfweg tot Haarlem voor Haarlem. In 1656 begon men met het onteigenen van de benodigde gronden.2 Hoewel de belanghebbenden hierdoor veel gemakkelijker hun land konden bereiken stuitte men toch op veel tegenstand. Ten slotte ging men tot aanbesteding over. De originele affiche in het Leidse Gemeentearchief vermeldt: “Besteding van het graven en maken van een trekweg en een trekvaart tussen de steden Haarlem en Leiden op de 27e februari anno 1657 dinsdag voor de middag klokke 9 uur precies.” Het graven werd in gedeelten (“in parken”) aanbesteed. Er moet ontzettend hard gewerkt zijn, want op l november 1657 werd de trekvaart geopend. Nu kon men van vele oude wateringen gebruik maken. Bij Lisse was dit de Veenwatering. Die maakte hier echter juist een eigenaardige, scherpe bocht, die moest worden afgesneden. Dit afgesneden stukje aan de westzijde van de Leidse Vaart maakt nog steeds deel uit van de gemeente Lisse. Van l november 1657 af legde er ieder uur van de dag een Haarlemse en Leidse trekschuit aan bij Halfweg. Ook kon men reizen met de nachtschuit. Die vertrok ’s avonds om 10 uur uit Haarlem en 11 uur uit Leiden. Deze had ten doel de reizigers gelegenheid te geven om met de eerste reisgelegenheid ’s morgens vroeg van Haarlem of Leiden uit verder te reizen. Het was prettig reizen in de trekschuit. In de postkoets hotste en botste men door elkaar. De wegen waren zeer slecht. Het zou nog zeventig jaar duren voordat de Heereweg werd bestraat.

Een rijmpje luidde: “Wie kan de vinding van de trekschuit ooit waarderen? Men reist als zat men thuis: geen schokken, draaien, keren Ontrust het lichaam, ’t Zij men vaart bij dag of nacht, Men vindt al slapende zich op zijn plaats gebracht.”

Er waren allerlei maatregelen tegen ordeverstoring en verder was het verboden te spuwen en “tabak te drinken”. Dit laatste verbod werd later gedeeltelijk  opgeheven. Hier,  op Halfweg, werden de paarden verwisseld. Dat duurde nogal enige tijd. Maar er was een herberg!   Als het weer tijd  werd riep de  schipper  tegen  de  man die het paard begeleidde: “Jagertje, vooruit! ” Dan trok het paard weer aan en sjokte het weer verder langs het jaagpad.

Het huis Halfweg was het eigendom van beide steden. Hier kwamen twee  maal per jaar  de gecommitteerden bijeen om de rekening te liquideren. Tevens was het een dienstwoning van de commissaris, die toezicht had op schippers en paarden en erop moest toezien dat de dienstregeling stiptelijk werd uitgevoerd. Volgens de lijst van het Haardsteegeld (1666) had “’t Huys van de Heren van Haerlem en Leyden” vijf haardsteden; te betalen ƒ 10. Een zelfde bedrag betaalden Berkhout en Grotenhof. (Ter Specke 13 en Keukenhof 14 gulden).3 Het ontwerp voor het huis werd gemaakt door de Leidse architect Willem van der Helm in 1657. Dit hier, gedateerd 1696, betreft waarschijnlijk een vergroting. In ieder geval moet het huis ongeveer zo zijn gebouwd, want de wapenstenen zijn bewaard gebleven. De grote steen met het wapen van Leiden, rechts, is thans ingemetseld in de muur van de moestuin van Keukenhof. Die van Haarlem bevindt zich sinds 1882 in de toegangspoort van het voormalige Magdalenaklooster, Kinderhuisvest 17 te Haarlem.4 Met de komst der spoortrein was de tijd der trekschuiten voorbij. Het “huis der Leidse schippers”, thans Stationsweg 180, werd in 1843 aan Keukenhof verkocht.5 En in 1860 werd het huis Halfweg van de hand gedaan. In 1867 is het verdwenen.

Hildebrand had het niet op trekschuiten, “’t Is waar, men kan er in lezen, domino spelen, dammen en, zo de schipper inkt aan boord heeft en gij ene pen hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs schrijven; ofschoon op te merken valt dat het tafeltje in de roef daartoe wat te ver van de zitplaats verwijderd is… Dan is er iets weeheidsaanbrengends in de beweging der schuit, dat uw belangrijkst boek vervelend maakt, en uw esprit de jeu verflauwen doet, – maar vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig soort. De schuitpraatjes bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en vallen een­stemmig in denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag: “Hoe ver zijn we al, schippertje?” en het eeuwige “Dat betalen moest je afschaffen”, als de man om zijn geld komt! – Veroordeel de passagiers niet te lichtvaardig, zo zij tot zulk ene laagte van geest afdalen. Neem zelf een “plaats in ’t roefje”, en gij zult zien dat gij onwillekeurig even diep kunt zinken.”…

1    S.C. Lemmers in Ons Weekblad 6 jan. 1967. Mr. A.J. Versprille in Leids Jaarb. 1958 blz. 114.

2    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 9, vele stukken.

3   Gemeente arch. nr. 221.

4   Dr.  O.H.  Dijkstra,  De  Poort  Kinderhuisvest  17, Jaarb. Haerlem 1971, blz. 64 e.v.

5    Arch. Van Lynden/Keukenhof, ongenummerd.

27. Ontwerp in kleuren voor het veerhuis aan de Trekvaart te Lisse, 29×38 cm. Gemeentearchief Leiden LPV 78051

’t Roemwaard Lisse: Keukenhof (25)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

In de jaren 1861/62 heeft Baronesse C.M. van Pallandt geb. Jkvr. Steengracht het huis Keukenhof door de Haagse architect Eli Saraber tot een kasteel laten verbouwen. In het archief Van Lynden/Keukenhof bevindt zich een hele verzameling ontwerpen en schetsen, een gamma dat zich uitstrekt van de Engelse pleistergotiek der veertiger jaren tot iets in de Cuyperiaanse geest van omstreeks 1880.1  Schipperus toont zich in deze afbeelding een waar kunstenaar. Hij maakt het huis iets breder en de torens iets slanker, zodat het aan romantische charme gewonnen heeft.

Lisse heeft thans dus twee kastelen, zoals de A.N.W.B, gids terecht vermeldt: Dever en Keukenhof. In tegenstelling tot de woorden burcht, versterkt huis, slot, havezate, stins, borg of buitenplaats is voor het begrip “kasteel” geen nadere omschrijving te geven.2 Men kan dus beide gebouwen “kasteel” noemen. Dever authentiek middeleeuws, Keukenhof in zijn huidige verschijningsvorm authentiek 19-de eeuws, neogotisch, of liever nog Victoriaans, met vooral in de ingangspartij, ook neo-renaissance motieven. Er zijn inderdaad tussen beide kastelen wel grote verschillen:

– Dever had reeds eeuwen doorstaan en zijn glorietijd was eigen­lijk al voorgoed voorbij toen in het midden van de 17-de eeuw het huis Keukenhof werd gebouwd. Thans is Dever (nog) een ruïne; Keukenhof is in volle welstand.

— Dever staat thans leeg en kaal. De naakte muren zijn voor de kenner interessant. Keukenhof bevat tal van waardevolle oude schilderijen, portretten, antieke meubelen en andere voorwerpen. Vooral de collectie porselein mag genoemd worden.

– Dever is een toren, waartegen tussen 1631 en 1634 een – sinds lang weer verdwenen – huis is gebouwd. Keukenhof is een huis, waartegen in 1861/62 torens zijn gebouwd. In hetzelfde jaar 1862, waarin het dak van de Devertoren instortte, kreeg Keukenhof zijn nieuwe torens. Het kasteel moest in 1631 een ruime woning worden; het huis Keukenhof moest in 1862 een kasteel worden!

— Dever was omringd door uitgestrekte landerijen en verbonden met de gehele “heerlijkheid” Lisse. Thans zijn er om de ruïne nog slechts enkele vierkante meters grond overgebleven. Keukenhof was aan­vankelijk slechts omgeven door enkele morgens land. Het groeide uit tot een landgoed van vele honderden hectaren.

— Dever was van ouds een ridderhofstede, altijd een adellijk bezit. Eerst in 1949 kwam het in handen van de burgelijke gemeente Lisse. Keukenhof was altijd in handen van Amsterdamse burgers. In het begin van de 19de eeuw kwam het in het bezit van een jonkheer, later van een baron en nu is het reeds drie generaties bewoond door de grafelijke familie Van Lynden, die tot de hoogste en oudste adel van ons land behoort.

– In hetzelfde jaar 1949, waarin de Gemeenteraad van Lisse moeite had ƒ l te voteren voor de Ruïne van Dever, hetgeen door lichte aandrang van Burgemeester Lambooy toch gelukte, kreeg Keukenhof door de visie van diezelfde burgemeester een naam, die over de gehele wereld zou gaan weerklinken.3

Keukenhof en Dever. Twee kastelen in Lisse, geheel verschillend, maar beide in hun soort uniek. Dever vooral vanwege zijn bouwvorm en oude historie; Keukenhof met name vanwege zijn heerlijke ligging en zijn bloeiende bloembollen.

Misschien zijn er nog mensen die een “namaakkasteel” beslist lelijk wensen te vinden. Hun klok loopt enigszins achter. De Homo ludens van 1971 weet voor zulk een bouwwerk meer waardering op te brengen dan waartoe een tussenliggende, rigoureuser denkende generatie in staat was.

H. Jongsma schrijft in “Kasteelen, Buitenplaatsen, Tuinen en Parken van Nederland”: “Er is, zoals voor de hand ligt, aan De Keukenhof veel gerestaureerd, maar er zijn gedeelten die onweerlegbaar stammen uit een ver verleden. Niet de deur met zijn rustieke omlijsting en zijn boog-fronten. Met de kleine vensters die den ingang flankeren, zijn zij het werk der Oud-Hollandse Renaissance. Het avant-corps, waarin de ingang zich bevindt, moeten wij eigenlijk beschouwen als een torenfragment, door inbrengen van vensters van karakter geheel veranderd, tenzij ten tijde der zestiend’eeuwse Re­naissance zo gebouwd, doch dat is niet nauwkeurig vast te stellen. Ook de rechts en links vooruitspringende gedeelten zijn torens, waarvan alleen de westelijke een behoorlijke spits draagt, op de hoeken met erkers verlevendigd. Alle torens zijn afgezet met boogfriezen; ook aan den effen achtergevel – van bedenkelijk achttiend’eeuws uitzicht -zijn zij aangebracht, echter geheel ten onrechte. De torens aan zuid- en westzijde zijn van middeleeuws karakter en alles wettigt het vermoeden, dat bij de herbouw een zeer ruim en nuttig gebruik is gemaakt van torens of torenresten die aan verwoesting hadden weerstand geboden.”

De eigenaresse van Keukenhof, Mevrouw Van Lynden-van Pallandt, die wel beter wist, zal bij het lezen van deze volzinnen wel genoten hebben! De legende was geboren… Nu Vrouwe Jacoba nog. En ook die kwam, in 1950!

1  Ansichten blz. 45.

2  Dr. J.G.N. Renaud, Variaties op het thema kasteel (1966).

3  De kleurige Keukenhof, blz. 69 e.v.

25, Kasteel Keukenhof. Steendruk van S. Lankhorst & Co, ’s Gravenhage, naar een tekening van P.A. Schipperus (Rotterdam 1840 – ’s Gravenhage 1929), afgebeeld in “Wandelingen door Nederland met pen en potlood”, zesde deel door J. Craandijk en P.A. Schipperus.