Berichten

’t Roemwaard Lisse: Keukenhof (23)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Van Berkhout wandelt Jan de Graaff nu over de huidige Stationsweg1 westwaarts.

Doch ik verneem van ver het hoog gebergt’

Van ’t Keukenhof, dus word ik nu gevergd

Te dezen stond om de hemelhoge terrassen

Te schouwen aan, met eiken dicht omwassen.

’t Schijnt Typhoeus hier berg op berg gesmakt

Heeft, eer hij onder d ‘Etna was gepakt

En nu nog gans Sicilië doet beven

Wanneer zijn kop maar iets schijnt opgeheven.2

Maar mijne reis dient heden afgedaan,

‘k Laat ’t reuzendom met de hemelgoón begaan . . .

Keukenhof is omstreeks 1655 gebouwd aan het einde van het Keukenduin van Teylingen. Bouwheer was de zeer welgestelde Adriaen Maertensz Block, geboren te Gouda en commandeur der Oostindische Compagnie. Zijn echtgenote, Catharina, behoorde tot het Haarlemse geslacht Van der Laen, dat hier in de omgeving talrijke bezittingen heeft gehad, zoals Veenenburg, Ter Specke en Wassergeest.3 Later komt Keukenhof, telkens door koop, in het bezit van diverse, vooral Amsterdamse, geslachten. In 1725 wordt “de plaats” vergroot en verfraaid door Mr. Joan Henry van Heemskerk (1689-1730), graaf des Heiligen Roomsen Rijks en kapitein der Amsterdamse schutterij. Hij had op 3 oktober 1720 als executeur testamentair van Henry van Hoven Jr Keukenhof “ten behoeve van hemzelven in zijn WelEdelheids Particulier” gekocht.4 Tot deze koop behoorden ook ongeveer 50 morgen Keukenduin en de boerderij met bijbehorende landerijen. Om het huis was een “plantage” van nog geen 3,5 ha. De Lyt- of Loosterweg was een eenvoudige zandweg aan de voet van het Keukenduin. Van Voorhout komende passeerde men de boerderij en de hofstede Keukenhof rechts en kwam op de Veenderweg (Stationsweg), niet ver van de plaats, waar zich thans de Loosterweg in de richting van Hillegom voortzet. Deze situatie is op de schilderij weergegeven. Let ook op de oude boerderij achter het herenhuis. Voor de rijke Van Heemskerk was de plantage echter veel te klein. Hij liet deze aanzienlijk vergroten. Om het gerij van boerekarren door de plantage en langs zijn huis te voorkomen wordt er een weg om de “Nieuwe plantage” aangelegd en de oude weg in deze plantage opgenomen. Deze bosweg is er nog steeds. Ten slotte had Heemskerk een prachtige verzameling tuinbeelden, met name werken van Jan Claudius de Cocq en Alexander van Papenhoven, die in 1746 publiekelijk werd geveild. Later komt dan Keukenhof in handen van de Amsterdamse professor Willem Roëll, een ongemakkelijk man, wie men bovendien verweet dat hij maar al te vaak (op Keukenhof) op vakantie was.5 Vooral de “vinkvakantie” in oktober was erg populair.

Tegen het einde der 18de eeuw werd Keukenhof gemoderniseerd en voorzien van Engelse schuiframen. In 1809 kwam het in het bezit van Mr. Johan Steengracht van Oostkapelle (1782-1846)6 en dat is de redding geweest. Keukenhof bleef behouden; Keukenhof is zelfs steeds groter geworden!

In de verkoopaffiche van 1809 wordt Keukenhof als volgt aangeprezen: “Eene extra schoone vermakelijk gesitueerde en welaangelegde HOF-STEEDE, genaamd KEUKENHOF, staande en gelegen in de Ambachte van Lisse, voorzien van eene zeer logeabele en binnen weinig jaren naar de nieuwste smaak opgemaakte en met groote schuiframen voorziene HEERENHUIZINGE, contineerende buiten eene extra rojale marmere regt doorgaande gang, wederzijds agt beneden- en negen bovenvertrekken, kamers en commoditeiten, meest alle behangen en met bekwame stookplaatsen voorzien, ruime keuken met pomp- en regenwaterbakken, fornuizen en kasten, extra ruime zolders en kelders, met wijnrakken en alle andere en verdere benodigde offices en gemakken, welke bij en tot een welgeordonneerde Heeren-Huizinge behooren”, stalling, koetshuis, druiven- en perzikenkassen, “en ’tgene verder tot eene compleete en welingerigte broeijerye behoord”, etc. etc. 7

1    Ansichten blz. 47 en 48.

2   Typhoeus, een afschuwelijk honderdkoppig en vlammenspuwend monster, door de oppergod Zeus bedolven onder de Etna. Wanneer Typhoeus zich beweegt, beeft de aarde. Wanneer hij toornig is gulpt het vuur uit de berg.

3   M. Thierry de Bye Dólleman en Mr. O. Schutte, Het Haarlemse geslacht Van der Laen, De Ned. Leeuw, 1969, pag. 21 overdruk. De mededeling aldaar dat Catharina Keukenhof zou hebben ontvangen uit haar vaders nalatenschap, berust op een misvatting. (Schr. hoopt binnen afzienbare tijd een gedetailleerde studie over Keukenhof en Zandvliet te kunnen publiceren).

4    Leids Jaarb. 1969 blz. 181 en 1970 blz. 159. (Schr. meende hier, dat met Baron van Wassenaar slechts de eigenaar van Merenburg bedoeld kon zijn. Het kan echter ook zijn de eigenaar van Wassergeest). A.M. Hulkenberg, De kleurige Keukenhof (1971), blz. 30-32.

5    Dr. LH. van Eeghen, De Gilden, theorie en praktijk, Fibuiareeks (1965), blz. 85.

6   Ned. Adelsboek 1950. De kleurige Keukenhof, blz. 52-53.

7    Archief Van Lynden/Keukenhof.

23. Keukenhof. Anoniem schilderij uit het einde der 17e eeuw. Collectie Van Lynden/Keukenhof

’t Roemwaard Lisse: Berkhout (21)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

De buitenplaats Berkhout lag op een perceel van 3 morgen en 211 roeden aan de zuidzijde van de Veender- of Berkhouterweg, de huidige Stationsweg, recht tegenover de Chr. Ger. Kerk.1 Daarnaast, van het einde der Veldhorststraat tot aan “De Wolf”, lag het bos van Berkhout. Over het oude Berkhouter Duintje leze men “Het Huis Dever” blz. 83 en elders. In 1580 was het duintje in handen van Jhr. Gijsbert van Duivenvoorde, die het overdroeg aan Jhr. Johan van Matenesse, heer van Lisse, een vrijgezel die de ridder hof stad Dever bewoonde. Na diens dood in 1624 zijn er tussen de erfgenamen van vaders- en moederszijde om de nalatenschap enorme moeilijkheden ontstaan, die 75 volle jaren hebben voortgeduurd2. Het Berkhouter Duin had Jhr. Johan niet geërfd maar zelf verworven en daarom werd het tussen beide groepen erfge­namen gedeeld. Het oostelijk stuk kwam aan de erven van vaderszijde en is tot in deze eeuw daarin gebleven, n.l. in het geslacht Heereman van Zuydtwijck. Pas in deze eeuw is het aan de familie Vreeburg verkocht. Het westelijk deel kwam aan de families Pieck en Valkenaar (van Dukenburg). In deze jaren is het duin afgegraven. Op 25 maart 1633 schrijft de schout van Lisse, A.A. van Gorcum, aan Hendrik Valkenaar te Utrecht, dat het met de zanderij “nogal wel” gaat.3 In 1643 is de Berkhouterweg recht getrokken4 en lijkt de afzanding vrijwel voltooid. Niet lang daarna moet ook het huis zijn gebouwd. Het behoorde aan bovengenoemde “Heer van Dukenburg”, had vijf haardsteden (stookplaatsen) en werd bewoond door schout Adriaan van Gorcum.5 Later blijkt het in het bezit van de zoon van de vroegere huurder, Mr. Hannaert van Gorcum, schout zoals zijn vader,6 maar in 1698 is het eigendom van de doopsgezinde heer Pieter Colaert, die een bijzonder bekoorlijke dochter had . . .7 In 1705 heeft Colaert zijn tuin geheel opnieuw laten aanleggen. Het graafwerk werd in vijf percelen aanbe­steed.8 In mei 1705 stonden Gerrit Jansz Breero, Corn. Pietersz Coole en Jan Sonneveld op Berkhout te spitten. Omstreeks 1720 komt Berk­hout in handen van de heer Johan Albrecht van Barner, “generaal der Holsteinse troepen, gemiliteerd in dienst van de krone van Groot-Brittannië”, stadhouder-koning Willem III. De generaal, die gehuwd was met Dorothea van Plessen, overleed op Berkhout in 1725 en moet er ook zijn begraven.9 Achter bleef een minderjarige zoon, Christiaan Siegfried, namens wie twee “omen materner’, Christiaan en Karel van Plessen, “geheime raden van zijne Koninklijke Majesteit” de erfenis regelen.10 Berkhout komt nu aan de heer Christiaan de Jonk. Schoemaker beschrijft dan de buitenplaats als volgt:11 “Een zeer deftige huizing waarop een torentje staat met klok en uurwijzer. ’t Heeft ook een ruim koetshuis en stalling voor 16 paarden, orangehuis, speelhui­zen, grote en kleine hoenderhokken en ook duivenhokken, alsmede een bekwame plaats voor eenden. Alles modern getimmer, diverse vakken met broeibakken, glazen trekkas, grotten, vijvers, starrebos met lanen daarom henen. Daarin een viskom met een terras. Voor de ingang staat een fraai ijzer hek”. In 1732 wordt vooral ” ’t gebloemte” geprezen, dat “met paarlen van de lucht gedrenkt, elks oog en neus verkwikt met zijne geuren en de uitgelezendste en de fraaiste koleuren.”12 In 1738 is Berkhout eigendom van Joost Westerveen en na diens dood van Mr. Pieter Jan Fremeaux, lid van een koopmansfamilie te Leiden, die met Cathrina Jacoba Westerveen was gehuwd.13 Er zijn dan (als zo vaak) moeilijkheden over de eigendom van de Lage Venerweg (Stationsweg) en de bomen die daar langs staan.14 Maar nu komt Jan de Graaff:

Maar ik hoor in de hooggetopte linde

Op Berkhout, daar het pluimgediert’ gezwinde

Staag tierelier t, hoogmoedig en zeer trots,

Wijl Echo, die vervormt is in een rots,15

De klank weerkaatst met eindeloos naklappen

En doet haar zelfs ontberen ’s levens sappen.

Mijn oor gestreeld, mijn oge weggevoerd

Aanschouwen het, de wandelstreek gevloerd

Met groen tapijt en sierlijk overtogen,

Verrukkend schoon, met groen gevlerkte bogen.

Het is eigenlijk een zwanenzang. Het huis wordt gesloopt en op 25 maart 1775 worden de gronden van “de geraseerde Hofstede Berkhout11 verkocht, het stuk “van het Houten Hek of Koepellaan tot aan de laan van de bouwwoninge” (De Wolf) aan Jurriaan Vreeburg.16 Berkhout is grasland geworden.

1    Arch. Van Lynden/Keukenhof, voorl. nr. 28. ARA, Recht.arch. Lisse, nr. 104,

2    Huis Dever blz. 92-98 e.v.

3    ARA, Arch. Heereman v. Z., Voorl.nr. 200.

4   Gemeentearch. nr. 501. Vgl. kaarten achterin.

5    ld. nr. 221, Haardsteegeld 1666.

6    ld. nr. 365.

7    Huis Dever blz. 201, r. 12/13.

8    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 63 fol. 19.

9    Gemeentearch. nr. 502. A.R.Hz, Gids . . blz. 25.

10 ARA, Recht.arch. Lisse nr. 68.

11 Mr. Andries Schoemaker, ms. Kon. Bibl. ‘s-Gravenhage.

12 Rhynlands Fr. Gez . . Vgl. afb. aldaar met deze iets jongere.

13 ARA, Recht.arch. Lisse nr. 19 fol. 126-132 vs. Voor Fremeaux: D.N. Leeuw 1902, kol. 155 en 156.

14 Gemeentearch. nr. 502.

15 Echo, door Narcissus verstoten, verschrompelde en verhardde tot een rots, die enkel gesproken woorden kon weerkaatsen. (In de tuin waren grotten gemaakt! ).

16 Zie noot 1. Arch. Rijnland, kaart nr. 5703.

21. Het huis Berkhout tre Lisse. Pentekening door Cornelis Pronk (Amsterdam 1691 – aldaar 1759), 127×203 mm .Gemeentemuseum Arnhem, G.M 4505.

’t Roemwaard Lisse: Grotenhof (19)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

De boerenhofstede Grotenhof is juist onlangs gesloopt en opnieuw opgebouwd. Raaphorst vertelt in 1922, hoe 25 jaar eerder bij het diepdelven tussen deze woning en de Achterweg de fundamenten wer­den gevonden van een ander huis, alsmede de overblijfselen van een vijver. Dit nu was de buitenplaats Grotenhof. In 1666 bezat de Amster­damse Pieter Six hier een aanzienlijk huis met vijf stookplaatsen en bovendien nog twee kleinere woningen waar als pachters Corn. en Peter Huybertsz en Jan Jacobs woonden.2 In dit bezit werd hij opgevolgd door zijn zoon Pieter Six Pzn Sr (1655-1703), advocaat “In de Vergulde Wolf1 in de Nieuwe Doelenstraat.3  Zijn tweede zoon, de ongehuwde Mr. Willem Six (1662-1733) verbleef ’s zomers meestal op de ridderhof-stad Dever.4 Pieter Six Pzn had een zoon, Mr. Pieter Six Pzn J r (1686-1755), raad, schepen en burgemeester van Amsterdam, enz. enz. Op 5 juli 1716 was Six te Alkmaar getrouwd met Geertruid van der Lijn (1694-1763), dochter van Cornelis van der Lijn, gouverneur-generaal van Oost-Indië en daarna burgemeester van Alkmaar. Het echtpaar woonde op de Heerengracht bij de Vijzelstraat.3 Pieter Six Pzn Jr stierf in 1755 en zijn echtgenote op 24 december 1763. Het echtpaar had geen kinderen en zo vererfde Grotenhof — een enkele maal ook Knappenhof genoemd – op een neef, Cornelis Jacob van der Lijn, geboren te Alkmaar in 1730 en in 1799 te Straatsburg overleden. Hij was gehuwd met de zeer welgestelde Johanna van Marselis uit Amsterdam (1730-1773). Het duin van Grotenhof lag tussen dat van Akervoorde (blz. 64) en Keukenhof. Langs de Trijnelaan, thans Essenlaan, staat nog de oude stenen grenspaal met het opschrift: “Van der Lijn” en “Sijpesteyn” (Akervoorde). Een tweede staat langs de voormalige Spekkelaan, n.l buiten de noordwestelijke hoek van de begraafplaats. In 1737 had timmerman Warbout Vreeburg onder toezicht van schout en schepenen, die de situatie “exactelijk hadden geëxamineerd”, aldaar houten palen gesteld, nadat de oude uit 1662 met het opschrift XIX (Vreeburg noteert in de marge: “N.B. is Six”) waren weggenomen.5 Hier dreigen we in moeilijkheden te geraken. Liever luisteren we naar onze zangerige Jan de Graaf f:

‘k Wil Grotenhof bezien in volle leden

Daar de nettigheid en vruchtbaarheid meteen

Steeds huisvest en zeer visrijk ongemeen,

En leit bij ’t duin, om met een zoet vernoegen

De haas of de konijn de brakken toe te voegen.

O loof prieel, dat zelfs het godendom

Bekoren zoud, dewijl dat gij alom

Van ’t welig vee en vette klaverweiden

Omsingeld zijt en doet mij henen leiden

In ooggeneugt tot op het eind van uw gebied,

Alwaar men ’t hoog gebergteduin beziet.

Dus keer ik mij tot aan de steile kanten

Der bergen, die aan hare blauwe randen

Gesierd zijn aan haar nederzakkend deel

Met boomgewas, waarvan de trotse abeel

Het meest beslaat, wiens wortels men ziet schieten

Ten kruinwaarts heen en weer tot in de vlieten.

 

Dan wendt hij zich tot Overduin in de Lageveense Polder:7

 

Doch ik verlaat deez’ bergen hoog en schuin

En wend mij naar ’t rustig Overduin,

Daar Ceres op haar hoog verheven trone

Gezeten is en wil het mensdom tonen

Het nut van het gebruik der korenaar.

Haar krakend kleed van goud, de borsten zwaar

van melk. O grote schoot vol vruchtbaarheden

En voedsteres van de onverwindb ‘re steden;

Gij plant uw kunst voort tot op ’t woeste duin

En laat de zorg op Triptolemos’ kruin*

Berusten.

De boerderij Duinhof aan de Spekkelaan was aan het echtpaar Corn. A. van den Steen — Anna M. van der Lijn gekomen. De erfgenamen verkochten hem in 1784 voor ƒ 5.000 aan de pachter, Huijg van Bourgonje, waarbij bepaald werd dat “de bloembollen in de grond van dit verkochte leggende tot den aanstaande opneemtijd ofwel den Ie augus­tus a.s. zullen mogen blijven leggen”.9 In 1821 kwam Duinhof aan Wassergeest. Nu groeien er op Grotenhof en Duinhof alleen nog maar bloembollen.

1    A.R. Hzn, Gids voor een wandeling langs de bloemenvelden in Lisse.

2    Gemeentearch. nr. 221, Haardsteegeld.

3    De Vroedschap, blz. 904/5.

4    Huis Dever blz. 193.

5    Arch. Van Lynden/Keukenhof voorl. nr. 17.

6    Jachthonden.

7    Schr.   hoopt  binnen afzienbare tijd een studie over Overduin te publiceren.

8    Triptolemos, zoon van koning Keleos, die de mensen in de akker­bouw onderrichtte.

9    Arch. Van Lynden/Keukenhof, perk. ongen.

19 Grotenhof. Ets van Abraham Rademaker (1675-1753). Uit Rhynlands fraaiste Gezichten 1732.

t Roemwaard Lisse: Wassergeest (17)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Hier ziet men het Wassergeest van omstreeks 1800, toen de Leidse burgemeesterszoon Mr. Isaac van Buren (1748-1812) eigenaar van de hofstede was. Van Buren was een erudiet man; hij bezat een fraaie bibliotheek en moet ook verzamelaar zijn geweest van schilderijen en prenten. Bovendien had hij een grote liefde voor tuinen en exotische planten. Zijn hartstocht voor de kwekerij had de ruim veertigjarige vrijgezel behalve met de Leidse hortulanus Nicolaas Meerburg, ook in aanraking gebracht met diens nauwelijks twintigjarige dochter Maria! 2 Of het waar is weten wij niet, maar men zei dat moeder haar dochter in de warme kas aan de burgemeesterszoon zou hebben gekoppeld. Een feit is, dat op de trouwdag, 26 juni 1791, zijn familie het volledig liet afweten en het is hoogst onwaarschijnlijk dat de jonge bruid het huis der Van Burens ooit heeft betreden.

Mr. Van Buren was aanvankelijk schout van Zoeterwoude, maar in 1795, als hij op Wassergeest woont, is hij baljuw van Lisse, Hillegom, Noordwijkerhout en Voorhout. Revolutie! De Prins van Oranje neemt de wijk naar Engeland! Vol trots laat de baljuw, die zich in 1793 nog zeer feodaal “Heer van Wassergeest” liet noemen2 “door de gezamen­lijke jeugd” der vier ambachten op 15 Bloeimaand 1795 op zijn hof­stede de vrijheidsboom planten, compleet met vrijheidshoed, het symbool der Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, de idealen die de baljuw met zoveel overtuiging wilde uitdragen. Het is gemeenlijk zo, dat al diegenen die voor de idealen der gelijkheid en revolutie zo luide getuigen, deze idealen ook gaarne in toepassing willen brengen, maar dan liever niet op zich zelven. Van Buren woonde op Wassergeest met zijn verzameling van zeldzame planten en heesters niet zonder een zeke­re allure en zijn destijds zo veelbesproken vrouw neemt hier met veel gratie een brief in ontvangst uit de hand van een harer domestiquen. Het ventje rechts met de geit is misschien haar in 1793 op Wassergeest geboren maar jonggestorven zoontje Hendrik. Te midden van de wat wonderlijk gesnoeide bomen blijkt “la vie galante” zich ook tijdens de revolutie te kunnen handhaven. Ten minste, zolang het geld reikt … Mr. Van Buren moet zoals zovelen in deze jaren in financiële moeilijk­heden zijn geraakt. In 1806 wordt een grote partij afbraak verkocht; er moet behoorlijk zijn gesloopt. De boerderij “De Phoenix” werd van de hand gedaan, ook een aldaar staande “zeer schone partij hyacinten” wordt geveild.3 Ten slotte wordt veel hout verkocht, maar Wassergeest met al zijn “ap- en dependentiën” blijkt reeds in 1804 verkocht aan Mr. D.P.H, van der Staal van Piershil. Deze Van der Staal werd tijdens het Franse gezag “maire”, burgemeester, van Lisse. Links op de afbeelding ziet men de naar Van der Staal vernoemde brug in de Heereweg, die thans zonderling genoeg zelfs officieel de naam van “Stalen Brug” draagt. Hier heeft zich in november 1813 iets zeer belangrijks voorge­daan; hier heeft zich een deel van onze vrijheid voltrokken.

November 1813,

Napoleon was verslagen. Gijsbert Karel van Hogendorp had de oranjekokarde al te voorschijn gehaald; Den Haag voelde zich vrij! Amsterdam durfde niet. Dus gingen enige Haagse heren, Van der Duyn van Maasdam en Hendrik Collot d’Escury, op zondag 21 november naar Amsterdam toe, te vergeefs . . . Intussen zat de voortvarende Van Hogendorp thuis op zijn stoel, mét rheumatiek maar zonder geduld. Hij had reeds een Proclamatie ten gunste van de Prins van Oranje opgesteld, maar zijn medestanders wilden of durfden hun hand­tekening niet eronder plaatsen. Ten slotte stuurde hij de jonge Van der Hoeven met zulk een proclamatie in de richting van Amsterdam. Bij Wassergeest hield Van der Hoeven de koets met de in Amsterdam teleurgestelde heren staande; of de heer Van der Duyn maar even wilde tekenen . . . Baron Collot d’Escury vemeldt: “Gene bevreemding was immer groter dan die van mijn reisgenoot! ” Ze stapten uit en gingen bij Van der Staal de zaak eens bespreken. Maar wat moest Van der Duyn, zakte de hele Haagse vrijheidsbeweging in elkaar; dat wilde hij Van Hogendorp niet aandoen. Tekende hij wel, dan kon hem dat het hoofd kosten! “Na enige wisseling van bedenkingen echter tekende hij”. Zo is Van der Duyn op Wassergeest onverwacht een der “Helden van 1813″ geworden.

‘Alzoo de Regeringloosheid veel is voorgekomen in de meeste steden, door wyze voorzieningen van de notabelste Ingezetenen, maar het ALGEMEEN BESTUUR geheel verwaarloosd en in niemands handen is, terwyl het geroep van alle zyde om zulk een BESTUUR tot redding van het Vaderland, onze harten diep getroffen heeft: ZOO IS HET dat wy besloten hebben hetzelve op te vatten tot de komst van ZYNE HOOG­HEID toe. Bezwerende alle de brave Nederlanders om zich te vereenigen tot ondersteuning van dit ons cordaat besluit. GOD helpt die genen, die zich zelve helpen.

‘sGravenhage, den 20ste November 1813

F. VAN DER DUYN VAN MAASDAM G.K. VAN HOGENDORP”

1    Drs. E. Pelinck in Leids Jaarb. 1961 blz. 88.

2    ld. blz. 90 noot 31.

3    Gemeentearch. nr. 14, gedrukte affiche.

4    ARA, Recht.arch. Eisse nr. 27, fol. 164 vs.

5    J. Steur in Bijdragen Hist. Gen. dl 77 (1963), blz. 203 e.v. Huis Deverblz. 246/47.

17. “Gezicht op de grote Beuken- en Dennenlaan op Hofstede Wassergees.t Brug op de Heereweg uit het huis mede zichtbaar anno 1795”.Tekeningen inkleuren van B.H. Thier (Ludinghausen bij Munster omstreeks 1770 – Leiden 1814) 38×32,5 cm. Gemeentearchief Leiden LPV 77977.

t Roemwaard Lisse: Wassergeest (15)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Over de “Westgeest”, “een stuk hout en konijnenland”, de “laan van het wilde bos” en het boerderijtje van Huyg Dignums de Roo leze men in “Het Huis Dever”. Ook over Jhr. Adriaan van der Laen die hier bezittingen had. De erfgename van Jhr. Adriaan was in 1681 zijn nichtje Magdalena van der Laen en deze had bij haar dood in 1691 als universeel erfgenaam haar neef van moederszijde Ysbrand de Bije.1 In 1707 heet het hier echter Wassergeest en blijken deze gronden het eigendom van de machtige Jacob baron en rijksgraaf van en tot Wasse­naar, heer van Obdam etc. (1635-1714).2 Hij behoorde tot dezelfde “tak Obdam”, die omstreeks 1600 de hofstede Middelburg in bezit had gehad,3 vervulde vele zeer hoge posten en was doctor in de rechten aan de universiteit te Oxford. Als hoofd van een regiment cavallerie had hij met Prins Willem III gestreden bij Senef (1674) en Neerwinden (1693). Hij bezat een paleisje te ‘s-Gravenhage en was gouverneur geweest in ‘s-Hertogenbosch en gezant in Frankrijk, Pruisen, Polen, Engeland, etc. Een der grote mannen uit de omgeving van de koning-stadhouder. In 1714 werd hij in zijn bezit opgevolgd door zijn ongehuwde zoon Jan Hendrik, lid van de Raad van State, en deze weer door diens broer Unico Wilhelm (1692-1766), ambassadeur in Frankrijk, gehuwd met Dodonea Lucia van Goslinga. Deze graaf van Wassenaar heeft wijzigin­gen doen aanbrengen in de tuin en in deze jaren heeft Jan de Graaff de buitenplaats bezongen:

Ik ga tot aan het groot gebied

Alwaar men ’t houtrijk Wassergeest beziet,

Verrukend dal, doorwrocht met galerijen

van lindeloof; gij doet mij henenleiden

In uwe schoot, alwaar de tuinderij,

Mijn voedsteres 4 , zo aangenaam en blij

Mij welkom heet en toont haar vruchtbaarheden:

De zoete aalbes, de peul en doperwt mede,

De kruisbes met de aardbei en kroos,

De moerbei met de peer en abrikoos

Vertoont ons hier en staan moedig hier te prijken

En behoeven niet voor ander fruit te wijken.

Beminnelijk dal, in wie ik ben verward,

En ‘k bleef bij u, want ’t scheiden valt mij hard

En zwaar. Indien ik niet wierd aangedreven

Door wandelzucht, ik ging u niet begeven.

Maar ik moet nu een weinig verder zien

En uwe aangenamigheden vliên.

Ik verlaat u dan en ga dus verder treden

In 1795 is de hofstede in handen van Mr. Isaac van Buren (blz. 16), die haar in 1804 verkoopt aan Mr. D.P.H, van der Staal van Piershil.5 Deze heeft de “plaats” mede door de aankoop van Grootenhof aanzienlijk vergroot, zodat deze zich uitstrekte van de Heereweg tot de Leidse Vaart en Keukenhof. Ten slotte kwam voor dit machtige Wassergeest vrij plotseling het einde. Het werd in september 1852 met al zijn “lustgronden” in het Logement de Witte Zwaan publiek verkocht.6 De “kapitale, solide gebouwde, goed geordonneerde herenhuizinge, bevat­tende aan het front ter weerszijde van de vestibule twee in elkander lopende, en alzo vier zeer ruime vertrekken . . ., wijnkelder, stalling voor acht paarden” gesloopt en vervangen door een ietwat archaisch aandoende boerderij waar thans de firma G.C. Tromp gevestigd is. Dan was er de tuinmanswoning aan de Straatweg (sinds een aantal jaren verbouwd tot “Lutetia”) met perziken- en druivenkassen en “een laan van opgaande eiken”. “De Phoenix ‘ aan de Eschlaan, verpacht aan Karel Schrama, Duinhof aan de Spekkelaan, (in 1821 door de dochter van Huygh van Bourgondië aan Mr. Van der Staal verkocht), pachter D. Prins, de boerderij van Grotenhof (Th. Langeveld) en de Hogewerf (J. Ruygrok). Verder het prachtige sterrebos aan de Loosterweg, etc. etc. Het geheel werd gekocht door Erven Steengracht (van Keukenhof) en toebedeeld aan Jh. J.F. Steengracht, die echter onder curatele stond. Na zijn dood op het slot Moyland in het land van Cleef in 1862 kwam Wassergeest aan Keukenhof.9 Later vererfde het op Mevrouw C. gravin van Rechteren geb. baronesse van Lynden, die het tot op heden goeddeels nog bezit. Er is veel afgegraven10 maar de bossen in de Lageveensepolder met hun sneeuwklokjes, verwilderde narcissen en hun vogels zijn een dorado!

Ds Craandijk beschrijft omstreeks 1875 Wassergeest met zijn “nieuwe, smaakvolle hoeve” als volgt: “Wilgen en elzen groeien er in menigte; enkele eiken met hun kloeker bouw en krachtiger takken zien als de aristokraten onder het geboomte met rustige majesteit op hun nederige broeders neer. Een fraai exemplaar dier boomsoort, in gezelschap van zijn evenknie, een even kloeke maar vriendelijker beuk, prijkt op het weiland bij de nieuwe, smaakvolle hoeve, die onder het landgoed Wassergeest behoort. Daar verheffen ook slanke dennen hun brede kronen hoog in de lucht en in de verte golven de mastbossen langs den duinzoom”… Het was er prachtig op Wassergeest!

1    M.  Thierry  de Bye Dólleman en Mr. O. Schutte,  Het Haarlems geslacht Van der Laen, De Ned.Leeuw 1969.

2    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 63 fol. 140, nr. 70 o.a. fol. 67, nr. 74 fol. 251/56 en 333/35 vs.

3    A.M. Hulkenberg, De hofstede Middelburg, Leids Jaarb. 1971.

4    Jan de G. verdient met de tuinbouw zijn brood!

5    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 27 fol. 164 vs.

6    Veilingb.   (3  ex)  in  Arch.  Van L./Keuk.  Bijbeh. kaart in Rijks-univ.bibl. Leiden, verz. Bodel-N. port. 13 nr. 44.

7    Huis Dever blz. 244 noot 26a.

8    De huidige Essenlaan was deel van de Catrijnelaan.

9    Bibl. Gemeentearch. Leiden nr. 85547a.

10 Ansichten blz. 75.

15. Wassergeest omstreeks1850., tekening in Oost-Indische inkt en sepia van P.J. Lutgers (Amsterdam 1808 -Loenen (U) 1874), 19,5×24,5vcm. Gemeentearchief Leiden LPV 77975

’t Roemwaard Lisse: De schuilkerk (13)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Ik ga mij zacht door lommerende dreven _,
Langs Wassergeest haar grondgebied begeven . . .

Jan de Graaff gaat de Catrijnelaan in, die zijn naam dankt aan Catryn, weduwe van Gerrvt Amelrycx Graef. In 1506 verkocht zij hier zes morgen land aan de Abdij Leeuwenhorst. Vroeger lag de laan tegen­over de Tweede Poellaan. Toen echter in 1808 de tuinen van Wasser-geest werden vergroot, is de Catrijnelaan iets verlegd. Een deel ervan werd later Essenlaan genoemd, niet te verwarren met de oude Eslaan langs de Phoenix. Nu komt onze dichter bij de schuurkerk bij Bloemhof aan de Achterweg.3 De kerkdeuren staan open. Hij aarzelt even, maar omdat hij nu eenmaal besloten heeft heel Lisse te beschrijven gaat hij binnen, waarbij wij hem zachtjes volgen.

‘k Zie de Roomse kerk haar deuren opgedaan,

Nu vlijt mijn plicht om binnen in te gaan. 

Mijn ziel verrukt, mijn oor gestreeld mits dezen

Vermits Gods naam zo hooglijk wordt geprezen.

Hier tempelwaarts door zang en orgeltoon

Ter eer van Codes majesteit en kroon!

Leeft, juicht tesaam, gij herder met uw schapen,

Nog lange tijd als rechte Jezus-knapen!

Vaart wel!

De onbekende tekenaar heeft het complex geschetst van de achterzijde, omdat het aan de kant van de Achterweg door schuren, bosschages, fruitbomen en een schutting aan het gezicht was onttrokken. Hij zit nu midden in het weiland, met het gezicht naar het oosten, terwijl hij de Loosterweg achter zich heeft. Links staat de pastoorwoning. Een royaal huis voor die dagen. Het lijkt wel van hout gebouwd. Waarschijnlijk is echter de westzijde, de regenzijde, met planken beschoten, om het inwateren van de muren tegen te gaan. (Spouwmuren waren nog onbe­kend). De linker voorbouw zal wel de keuken of bijkeuken zijn, met een aparte schoorsteen voor het fornuis. Daarvoor is een bouwsel, dat waarschijnlijk als turfhok zal hebben gediend. Om het binnenplaatsje van de pastorie is een muur gebouwd met een poortje en een klein tuinhuisje, dat uitzicht geeft op het boerenland. In genoemd poortje is juist de huishoudster van de pastoor verschenen, misschien een “geeste­lijke dochter”, die nu op het vlondertje staat bij het slootje dat achter langs de pastoriemuur loopt. Naast het pastoorshuis staat de kerk, ongeveer 9,75 m breed en bijna tweemaal zo lang. Hij heeft kleine raampjes met luikjes, die echter alle gesloten zijn. Aan de andere zijde waren waarschijnlijk geen raampjes aangebracht. Dit alles hoeft ons niet te verbazen. Algemeen mochten zich slechts daar ramen bevinden, waar het van buiten niet zichtbaar was. (Wie gaat nu tussen de koeien zitten! ) Bovendien moesten ramen en luiken tijdens de dienst veelal gesloten worden, opdat gezang, gebed of wierookgeur geen reden tot aanstoot zou zijn. In Lisse zal dit wel zijn meegevallen; de omwonenden waren zover bekend altijd “roomsgezind.” De kerk heeft een rieten dak, waarschijnlijk bestaande uit twee smalle kappen. Een verholen goot voert het water naar de regenbak of naar de sloot. De houten schuur rechts is kort voor de sloping in 1843 vervangen door de twee vervallen huisjes, die nog aanwezig zijn.

Van 1672 was de roomse kerk in deze uithoek gevestigd, sinds 1687 als afzonderlijke “Statie Lisse”. Pastoor Schaap; “ovem lana abundarum” zoals hij zich met de nodige zelfspot noemt, heeft omstreeks 1700 de “meer dan gewoon fraaie” pastorie gebouwd. Dit alles is in 1843 gesloopt, toen de kerk bij ’t Mossenhof gereed was. Het complex werd gekocht door de heren Engel en Leendert Kruijff, bloemisten te Sassen-heim. De genoemde twee huisjes bleven alleen staan. Van het afko­mende materiaal werd in Santpoort een hervormd kerkje gebouwd, dat in 1916 is afgebrand. In het dorp Lisse werd in 1843 de nieuwe kerk ingewijd. Gotisch, dat was pas de echte kerkstijl! Zestig jaar later verrees de huidige kerk, de “kathedraal van de bollenstreek” met een hoge toren en echte gemetselde gewelven.6 Toen was dat weer het ware! En nu weten we het alweer veel beter. Natuurlijk, we weten het nu beter . . ., we weten alles weer beter . . . Maar misschien hebben we soms toch nog wel eens een klein beetje heimwee naar zo’n besloten kerkje vol stille vroomheid, ergens ver weg op het boerenland.

Verder hebben we het gezang niet kunnen vernemen; de raampjes werden gesloten . . .

  1. De Aagtenkerk blz. 191 noot 54.
  2. Zie kaart achterin
  3. De Aagtenkerk blz. 94-96.
  4. Archief Van Lynden/Keukenhof, pak Bloemhof.
  5. Santpoort’s Weekblad, omstreeks 1969. De kerk is l juli 1844 ingebruik genomen.
  6. Ansichten blz. 55 en 62.
  7. 13. “Oude RoomscheKerk te Lisse”. Anonieme pentekening in kleuren. Tweede helft der 18e eeuw. 14×21 cm. Gemeentearchief Leiden LPV 77700

’t Roemwaard Lisse: Dever omstreeks 1850 (11)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Dit zeer kleine tekeningetje komt uit het “souverniralbum” van Profes­sor Schlegel. Dit album is een fraai doosje, waarin zich een aantal beschilderde kaartjes bevindt, 8 bij 3,5 cm, met het opschrift: ‘Prof. H. Schlegel, Math. et Phys. Album von Leiden seiner lieben Grossmutter zum Geburtstag, 23 September”. Op het eerste kaartje staat het aardige trapgevelhuis dat de professor in Leiden bewoonde. Verder diverse stadsgezichten en ook een aantal beelden uit de omgeving. Achter op dit afbeeldinkje staat: “Ruine Deventer bei Lisse, Umgegend Leidens”. Schlegel was niet de eerste die Dever met Deventer verwarde.1 En dit terwijl Dever, “’t Spookhuis”, bij de Leidse studenten genoeg bekend­heid genoot! 2

Professor Schlegel was in l 804 in Duitsland geboren, maar reeds sinds mei 1825 verbonden aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, sinds 1858 als directeur (zie blz. 60). Hij hield zich vooral bezig met de gewervelde dieren. Het is bekend, dat hij een afkeer had van het gebruik van vergrootglas of microscoop, omdat hij meende, dat dit de zuivere, natuurlijke waarneming in de weg zou staan. Dat doet vlak naast het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek thans wel vreemd aan, maar toch moet ook Schlegel in de bollenwereld een zekere bekendheid hebben genoten, want er zijn een tweetal tulpen naar hem genoemd. De eerste is een enkele vroege tulp, een gele La Reine-sport uit 1882. In 1908 verkreeg ze in Haarlem het Getuigschrift van Verdien­ste. Thans staat zij officieel ingeschreven als Primrose Queen. “Herman Schlegel maxima” heet officieel Madame Gevers. Het is een sport van White Hawk (Witte Valk) en verkreeg in 1912 het Getuigschrift Eerste Klasse.

Een jaartal wordt niet vermeld, maar het plaatje moet omstreeks 1850 gemaakt zijn. In augustus 1848 was de noorderzijgevel van het “nieuwe huis”, dat tussen 1631 en 1634 tegen de donjon was aangebouwd, ingestort. Daarna ging iedereen die stenen of hout nodig had aan het slepen. Vooral voor de versteviging van de kaden kon men veel puin gebruiken. (Het Haarlemmer Meer was nog niet drooggelegd! ). Ten slotte zijn in 1857 de laatste restanten gesloopt.

Bezien we nu het aquarelletje iets nader. De professor heeft het geschil­derd van uit het zuid-oosten, ongeveer van de plaats waar nu de brug is voor de boerderij van Rotteveel. We zien Dever hier dus evenals op de vorige afbeelding schuin van achteren. De voorgevel is al geheel verdwe­nen. Men ontwaart duidelijk de bijna 150 jaar oude beukebomen op het voorplein. Ook een deel van de zuiderzijgevel is al weg. Wat vlak tegen de oude burcht is aangebouwd, staat nog overeind. Van de brug uit 1767 zijn nog de bogen over. De gracht is al ten dele dichtgegroeid en er staan een paar bomen. Links ziet men nog vaag de contouren van het tuinmanshuisje van Govert van den Aardweg, dat nog steeds aan de Deverlaan staat. Dit huisje is de portierswoning, die naast de binnen-poort stond gebouwd en van het Dever-complex een integrerend deel uitmaakt. Deze afbeelding is daarom zo interessant, omdat ze tot nu toe de enige is die van deze toestand, waarin het “nieuwe huis” half is gesloopt, bezitten.

Wie thans vanaf de zuidzijde Lisse binnenrijdt, vindt aan zijn rechter­hand niet ver van de Heereweg de oude Devertoren.3 Het is een van de vele die stonden aan de voet der binnenduinen aan de rand van visrijke poelen en ontoegankelijke veenmoerassen. Van al de kleine toren­burchten is alleen Dever overgebleven. Volgens deskundigen een zeld­zaam en waardevol monument met uitzonderlijke vorm. De bodem rond de Devertoren herbergt nog de resten van de oude voorburcht met de bijgebouwen. Dever slaapt. Maar de Deverslaap nadert zijn einde; Dever zal herrijzen!

Intussen geeft het genoemde portiershuisje de “Stichting Dever”, die zich het lot van de oude ridderhofstede heeft aangetrokken, veel reden tot zorg. Dit huisje uit de vijftiende en zestiende eeuw stond gebouwd tegen de binnenpoort, die reeds lang is verdwenen. Van dit oude en interessante huisje, door Leembruggen in 1848 geschilderd, zijn nu een aantal pannen af en het dreigt eerdaags in te storten. Weliswaar staat het op de “Monumentenlijst”, maar bij de behandeling van de Monumen­tenwet in 1961 is de onderhoudsplicht bij amendement uit het ontwerp geschrapt. Hoe zeer men ook zijn best doet, het interessante monu­mentje dreigt aldus verloren te gaan. Dan zal men het opnieuw moeten opbouwen; het hoort erbij en bovendien is het als woning voor degene die in de toekomst toezicht houdt op de Dever landerijen onmisbaar. De strijd om het behoud van Dever gaat voort. “Want uwe knechten hebben een welgevallen aan hare stenen en hebben medelijden met haar gruis” (Psalm 102 : 15).

1      Het Huis Dever te Lisse, blz. 233 en 257 e.v.

2      De hertekop van Dever, Leids Jaarb. 1969, blz. 167-173.

3      A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten, 1970, blz. 77.

11. Dever omstreeks 1850.Tekeningete in kleur (8×3,5 cm) uit hte “souveniralbum”van Professor Hermann Schlegel te Leiden (1808-1884), in de collectie van de heer J. de Koning, Lorenzkade 71 in Leiden.

11. Dever omstreeks 1850.Tekeningete in kleur (8×3,5 cm) uit hte “souveniralbum”van Professor Hermann Schlegel te Leiden (1808-1884), in de collectie van de heer J. de Koning, Lorenzkade 71 in Leiden.

’t Roemwaard Lisse: Huis Dever te Lisse in 1725 (9)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

“Welk een schoon gezicht vertoont zich aan mijn oog? ’t Is Dev’ren, ’t steekt het hoofd uit bomen, hemelhoog Verheven, in de lucht. Hier koomt het buitenleven De wakk’re Heereman, heer van deze lustplaats, geven De wenselijkste vreugd, door zorgen nooit ontrust. Het stamhuis van ’t geslacht der Dev’ren stond voor dezen Op dezen grond, maar ’t is vergaan en zonder wezen. Dus sloopt en dus vernielt de tijd, die niets ontziet, Gebouwen in het stof en brengt ze in \ eind tot met En al het ondermaans moet voor dat noodlot wijken, Het stelt de palen zelfs aan ’s werelds koninkrijken. Zoekt dan, o dwazen, nooit iets duurzaams hier beneên En dringt met uw gemoed door ’t stargewelfsel heen. Tracht, tracht daar voor u zelf een zielenschat te erlangen Die gij onfeilbaar na uw sterven zult ontvangen.”

Hier is dan de ridderhofstad Dever, nimmer verkocht, altijd door vererving binnen de familie gebleven. In 1725 behoorde ze aan het geslacht Heereman van Zuydtwijck, gesproten uit de katholieke regentenkringen van het Amsterdam van voor de “alteratie” van 1578. Zelf hebben deze Heren van Dever er nimmer gewoond en “alles wat hart en zinnen lust” hebben ze hier nimmer genoten. In 1732, toen Mattheus Brouerius van Nidek en Isaak Ie Long Dever aldus bezongen was het verhuurd aan de vrijgezel Mr. Willem Six, burgemeester van Amsterdam (1662-1733).

Misschien heeft het oudste slot Dever aan de Lisser Poel gestaan, “maar het is vergaan en zonder wezen”. Hier ziet men rechts nog de huidige burcht uit de tweede helft der 14de eeuw, de tijd van Heer Reinier Dever (± 1340-1417), een ridder van aanzien. Hij onderhield goede relaties met graaf Albrecht van Beyeren, de grootvader van Vrouwe Jacoba. Hertog Albrecht verbleef vaak op Teylingen, waar zijn geliefde Aleid van Poelgeest woonde. Ze vermaakten zich daar met de jacht met valken en honden, met de kaatsbal, met kaarten en dobbelen en andere spelen, en misschien met nog wel meer … Er wordt vermeld, hoe het gezelschap op 6 februari 1388 naar Dever getrokken is, waarbij de graaf voor 5 (gouden) guldens heeft verteerd. Het bedrag is hoog genoeg om een pleizierige dag te veronderstellen! Later vererfde Dever op de geslachten Van Haeften van Rhenoy en Matenesse. Jhr. Johan van Matenesse, Heer van Dever en Lisse, vergrootte de burcht aan de zuidwestzijde. Een deel der gracht werd hiertoe gedempt en hier, op deze gedempte gracht, heeft dan ook na jaren van verwaarlozing in 1848 de instorting plaats gehad, die tot de totale ondergang van “het nieuwe huis Dever” heeft geleid. Dat prachtige “nieuwe huis”, door Roghman in 1647 vereeuwigd, werd tussen 1631 en 1634 tegen de ronde voorzijde der burcht opgetrokken door Jhr. Johan (van Beijeren) van Schagen. De eerste vergroting van het huis werd in deze bouw opgenomen. Bij de hevige storm van 8 december 1703 werd het dak van Dever zeer zwaar beschadigd.

Het is toen in iets soberder vorm hersteld. De grote dakkapel en de sierlijke bekroningen der schoorstenen werden b.v. niet meer aange­bracht en zo zien we het dan op deze afbeelding. In 1770 komt Jan de Graaff Dever bezingen, terwijl schipper Vroom met zijn schuit met groenten naar Amsterdam vaart.

Ik ga terwijl bezien de Ridderhof-

Stad Devere, die met haar hoge transen

Verheven is schier tot der sterren glansen,

Van wiens gewelf men wonderver kan zien.

O hoog gebouw, van d’oude eddedelliên

Weleer bewoond, die met uw diepe grachten

Omvat hebt zoveel edele geslachten,

Die heden nog ons edel dorpsheer

Toebehoort en wordt van onze schout nu weer

Bewoond, die hier ’t comptoir (kantoor) en al zijn zaken

Verricht, die aan ons Lisser omkring raken.

Doch mijne lust en wandeling gevoed

Maakt, edel huis, dat ik u verlaten moet.

Inderdaad had in 1770, nadat Dever lange tijd had leeggestaan, de schout, Willem Jacobus Sennepart, hier zijn intrek genomen. Maar “de wenselijkste vreugd, door zorgen nooit ontrust”, heeft ook Sennepart hier niet genoten! (Zie blz. 46).

Sindsdien is Dever nimmer weer bewoond geweest. Dever verviel steeds meer. In 1822 nam Prosper Cuypers van Veldhoven een vensterglas mee, waarop een wapen met drie kikvorsen prijkte. (Leids Jaarb. 1969, blz. 167). In 1839 zag de Leidse student Kees Kneppelhout “sporen van op glas geschilderde wapens”, welke “geschilderde ruiten” ook al spoe­dig gestolen waren. Hoynck van Papendrecht haalde de oude papieren uit de archiefkast. Het oude leenboek van Dever zal wel op deze wijze verdwenen zijn. Later werd het door een Haarlems archivariaat te koop aangeboden en thans is het in het Rijksarchief in veiligheid. De zware ijzeren kist zelf stond jarenlang ergens in Lisse op een zolder. Steeds verdwenen er boeken. Al eerder waren een paar haardplaten en een pomp gestolen. Een prachtige antieke tafel stond verwaarloosd op het erf van de “slotbewaarder”. Ten slotte ontvoerden Leidse studenten in 1848 de grote hertekop … Dever ging zijn ondergang tegemoet.

  1. Zie: Het huis Dever te Lisse met verwijzingen aldaar

9. Huis Dever te Lisse in 1725. Grijs-gewassen penseeltekening, 16×23 cm. van A. de Haas jr. (Amsterdam 1707 – aldaar 1778). Leerling van C. Pronk Gemeentemuseum Arnhem, G.M. 1160

’t Roemwaard Lisse: Kaart van de Poelpolder in 1624 (7)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Een kaart van de Poelpolder kort na de drooglegging in 1623/24. Links onder ligt het dorp Lisse met de “Binnenwegh” (Achterweg), Vuur-steeg, “Brouckwegh” (Kanaalstraat), de “Quawegh” (Broekweg en Grevelingstraat) en de “Graft”. Over de gedempte Gracht rijdt men thans de Poelpolder binnen. Aan de Gracht staat de korenmolen en daar dichtbij is de “Hotpoel ” (Dit moet “Hoppoel” zijn, Redactie Website), die in de vorige eeuw is dichtgeplempt. Over de vaart die de Gracht via het Hotpoeltje met de Beek verbindt ligt in de Broekweg de Keizersbrugge, sinds 1764 een heul (blz. 42). Aan de onderzijde van de kaart is de “Verlaner Santsloot”, waardoor Van der Laan van Ter Specke zand afvoer (blz. 50). In het midden de “Trijnenlaen” en de “Nieuwe weg” (Tweede Poellaan) en nog iets naar rechts de “Nieuwe Waterlosinge” (het Mallegat) bij de Engel. De nieuwe polder is omgeven door de Ringsloot (Rijnsloot) en in het midden is de “Molen-wateringe”. De laatste molenstomp is juist in 1970 gesloopt. Boven zien we het “Grote Meer”, “’t Langerack” en het “Kagermeer”, delen van het Haarlemmer of Leidse Meer, waarin “Abenes” en de “Roversbrouck”1 eilanden waren. Bij de inpoldering van het Meer in 1854 zijn stukken van de Roversbroek en van de Lisserbroek (met zijn slingerend Turfspoor) afgesneden en bij de Haar lemmer meer polder getrokken. Sinds 1433 was het visrecht van de Poel door Philips van Bourgondië verpacht aan de stad Leiden.2 Het droogleggen is dan ook geschied door de drie Leidse “parochiekerken”, de St. Pieterskerk, de St. Pancras-of Hooglandse kerk en de Lieve-Vrouwekerk. Namens hen richtten “de Burgemeesteren en Regeerders der Stad Leiden” tot de Staten van Holland het verzoek aan deze kerken het octrooi tot droogmaking van het “Geestwater” te verlenen. Op l januari 1615 was men met de voorbereidingen reeds begonnen, zoals blijkt uit de stukken die zich in het Lissese Gemeentearchief bevinden. Nummer 472 is een “Declaratie ende specificatie van zodanige kosten als sedert den Ie januari anno 1615, her meten van de oever landen, gelegen aan de Meer en de Poel in Lisse, gedaan en gevallen zijn, ter cause van salaris, loon, vacatie, teerkosten (vertering), wagen- en schuit vracht en, zulks ende zo hierna gearticuleerd en verklaard staat, geteld in guldens, etc.”. Deze kosten zijn voornamelijk gemaakt door de secretaris van Rijnland, door Schout Van Immerzeel van Lisse en door Jan Pietersz Dou, gezworen landmeter van Rijnland.3 Toen de gevraagde vergunning afkwam is er met grote voortvarendheid gewerkt. In 1624 was de droogmaking een feit en kon het uitgeven van percelen een aanvang nemen. Verscheidene aangelan­den voelden zich echter te kort gedaan. Om een nette, rechte ringsloot te graven waren grote stukken land afgestoken en bij de nieuwe polder getrokken. In een uitvoerig “Verbaal” worden alle percelen genoemd, die door het bedijken kleiner zijn geworden.4 “Eerst de geestkant”, de westzijde, “beginnende aan ’t Scheid (de grens) van Sassenheim, gaande noord aan tot de Graft toe.” Jan Claaszoon van Zand vliet is hier 389.5 roeden kwijt, de Abdij van Leeuwenhorst te Noordwijker hout, de eigenaresse was van het huidige land van Gebr. Meskers, 400,5 roeden, en achter Dever is zelfs 939 roeden, dus veel meer dan een hectare grond verloren gegaan. Aan de andere zijde van de Poel, in de Roversbroek, is hetzelfde gebeurd, evenals tussen de Graft en de “Grevelyn”. Pas na ampele besprekingen en langdurig financieel touwtrekken zal deze zaak in het reine kunnen komen. De financiën blijven trouwens een moeilijke zaak. De schout en gezworenen van Lisse, de kerkmeesters der drie kerken, mitsgaders de directeuren en ingelanden van de Poel zenden een fraai request naar de Staten van Holland en Westfriesland, waarin zij “met behoorlijke reverentie” te kennen geven, dat zij “naar het voorbeeld van diverse andere polders minder oppressie en kosten” van hun belastingen verlangen.5 Iets dergelijks komt regelmatig voor. Daar komt nog bij, dat ook de dorpen Lisse en Sassenheim enerzijds en de heemraden te Leiden en de gecomitteerden van de bedijking ander­zijds het over financiële zaken het maar niet eens kunnen worden. Zij beroepen zich op het Hof van Holland te ‘s-Gravenhage, maar dit verklaart in 1627 op een fraai perkament niet ontvankelijk te zijn.6 En zo duren de moeilijkheden maar voort. Tenslotte schrijft de schout een fraaie “Acte van insinuatie (aanzegging) en protestatie” tegen de dijk­graaf en de gecommitteerden van de Lisser Poel.7 Het gaat zo door, jaren lang …

Veel huizen zijn er in de Poel aanvankelijk niet gebouwd. Uytermeer, in 1642 een soort Noordhollandse stolphoeve (“de boerderij van Langeveld”) en een jaar later de boerderij Poeleway. Dijkdoorbraak en overstroming: 1677, 17668, en Kerstmis 1838. De hele nacht was Piet Verdegaal (van Poeleway) in de weer! Verdegaal is er niet meer en Poeleway is gesloopt. Nu moet Lisse zelf op de dijken acht geven.

  1.  A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (1966), blz. 75/76.2      
  2. A.J. van der Aa, Aardrijksk. Woordenb. (1845).
  3. Gemeentearch. m. 412.
  4.  ld. 473.
  5.  ld. 474.
  6.  ld.475.
  7. id. 476.
  8.  Zie ook 477.

7. Kaart van de Poe[polder in 1624 door Dou

 

 

’t Roemwaard Lisse: Uitermeer (5)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Uytermeer lag in de Poelpolder. Wanneer men over de Eerste Poellaan de polder juist was binnengetreden iets naar rechts. Het is een voorbeeld van de hier niet talrijke droogmakerij-buitenplaatsen.1 Op een kaart van 1687 staat Uytermeer reeds vermeld. Het behoorde aan de familie van der Stel, vooral bekend door Simon van der Stel, gehuwd met Jacoba Six, de eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Het is op­merkelijk dat Jan de Graaff Uytermeer in het geheel niet noemt. Hij moet er vlak langs gekomen zijn. Waarschijnlijk was het echter in 1770 reeds verdwenen. Dan treffen we de familie Van der Stel namelijk aan op Meer en Duyn.3 Een gevelsteen met de naam “Uytermeer” moet later zijn ingemetseld in een (thans verdwenen) herberg aan de Trekvaart onder Noordwijk.

Wij laten nu onze dichterlijke vriend zijn wandeling beginnen. Hij loopt de Eerste Poellaan geheel uit en is verrukt over de bekoorlijkheden van het lieflijke landschap.

Gewenste dag, toen ik mijn wandeling

In ’t ochtenduur door wijk en beemd aanving!

Aurora* kwam op haren gouden wagen

Aankondigen alsdat ’t begon te dagen.

Haar vingers, daar de nectardauw uit druipt

Terwijl de zon uit zijne schuilplaats kruipt.

Mijn ziel verrukt door die bekoorlijkheden,

Dus ging ik zacht tot aan de Poellaan treden.

Ik zag ’t welig vee, ik aanzag het hoog geboomt

Zeer aangenaam, terwijl een zuchtje koomt

Uit het westen en de bladeren doet ruisen.

Men ziet de vliet staag wentelen en bruisen.

’t Nieuwsgierig oog, genegen om te zien,

Dat leidt mij weg, op hoop dat ik misschien

Wat nieuws ontmoet. Ik ga mij zo begeven

De Poellaan langs. Maar wat zie ik daar leven?

Wat ’s daar te doen, dat ik daar zo veel volk

Bijeen zie staan daar bij die diepe kolk

Des Poeh? Maar wacht! Mij dunkt, ik zie ze laden

De fruiten om den steedling te v er zaden,

Die de ooftgodin met haar gewone vlijt

Besproeit en voedt, of schoon Aeool^ met nijd

Uit’t noorden blaast, met nevelige dampen                           -,

Verzeld, en dus gestaag met ramp op rampen

Haar hof bestormt. Nochtans zo is haar tuin

Zeer vruchtrijk en doet op het woeste duin

En vlakke veld alom met vruchten planten,

Zodat een schuit tot boven aan haar kanten

Hier dag aan dag, door onzen schipper Vroom

Vervoerd wordt en wel binnen Amstels boom.

Of ’t stormt of raast, of Y onweer snel van boven

De baren solt, hij gaat de golven kloven

En bouwt de Meer en ook de buld’rend IJ6

En schroomt geen wind en schijnt in ’t water vrij

Van overlast, dewijl de Stroomgodinnen

In Pomona’s dienst1 behouden ’t brengen binnen.

Vaart Vroome held, vaart door het woeste stof. . .

Er is daar door dat “woeste stof” wat gevaren! In 1770 deed dit schipper Vroom, maar in 1747 was Cornelis Cornelisz Ruychrok van de Werve8 “ordinaris marktschipper van bloemen, groentens ende ooft-vruchten”, die “met twee schuiten” op Amsterdam voer. Ook Antonis van Hulst en Cornelis van Bendt voeren op Amsterdam. Pieter Riggel sinds 1770 op Rotterdam. Govert Gijszoon van Parijs voer via Haarlem, het Spaarne en het (open) IJ naar Amsterdam “en wederom terug”.9 Zijn zoon is eens in Spaarndam tragisch verongelukt. Wij lezen dat op woensdagavond 12 juli 1741 “zekere jongeling van zijn vaders schuit, varende van Lisse op Amsterdam, even binnen de sluizen in het Spaarne was gevallen, nedergezonken en verongelukt.10 Welke jongeling na veel zoekens den volgende morgen vroeg is gevonden, opgevist en te Spaarn­dam met de voeten in ’t water op ’t land werd gelegd. (Hij bleef volgens Rijnlands recht aldus nog steeds drenkeling en niemand had het recht eigenmachtig over het dode lichaam te beschikken.) Zo hebben schout en schepenen op verzoek van gemelde vader, schipper Govert te Lisse wonende, niet mogen nalaten de nodige informatiën daaromtrent te nemen en beschouwing van het dode lichaam te doen en bevonden dat ditzelve ongeval zeer onnozel (onschuldig) is toegekomen, hebben over-zulks tot wegneming van ’t lijk wel willen consenteren.” De tocht naar huis met het lijk van zijn zoon aan boord moet voor schipper Govert wel bijzonder droevig zijn geweest.

1    S.J. Fockema Andreae e.a., Kastelen . . in Rijnland (1952).

2    Johan E. Elias, De Vroedschap van Amsterdam (1903), I blz. 457 e.v.

3    Zie blz. 34 en 48.

4    Deze rozenvingerige godin van de morgenstond opende de hemelpoorten, zodat de zomergod Helios op zijn gouden wagen zijn tocht kon beginnen.

5    Aeolus, de god der winden.

6    Zoals een landbouwer voren trekt door de akker, zo klieft Vroom met zijn schuit het water.

7    Porno na was de godin der tuinen, met name van de veldvruchten en het ooft.

8    A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (1960) blz. 16 en 144.

9    “Regentenboek” in part. bezit (T).

10  Dr. Tj.W.R. de Haan e.a., Spaarndam (1967), blz. 82.

5.Uytermeer Ets van Abraham Rademaker (Lisse1675 – Haarlem.) Uit Rijnlands fraaiste gezichten (1732),