Berichten

BLOKHUIS; De rommeling. (156)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Cornelis Blokhuis(1815-1877), Wethouder van Lisse

In Lisse is een fraai winkelcentrum en dat heet “Blokhuis”. Wat betekent dat eigen­lijk? Volgens de “dikke Van Dale” is het een kleine sterkte tot versperring van een weg. Dan is die naam dus wel erg toepas­selijk. Dat “sterk” ook wel, al kwam er niet lang geleden een stuk steen naar bene­den, maar die “versperring van een weg” is het helemaal! Geen rijdend verkeer, wandelgebied, waar je dan fijn kunt winke­len. (Als je daar van houdt, natuurlijk). Men heeft dus een goede naam gekozen. Maar er is helemaal niet gekozen. Men heeft gebouwd op ” ’t land van Blokhuis”, een tamelijk kaal, agrarisch terrein, geheel in­gesloten door latere bebouwing, waar vroe­ger de kwekerij was gevestigd der vermaar­de familie Blokhuis. Maar laten we het ver­haal eens helemaal vooraan beginnen.

In het “Familieboek Blokhuis” (1928) lezen we dat de stamreeks begint met Jacob Rijckszoon Bluckhuijs, die in 1662 in het Eemland woonde. Hij heeft een uit­ebreid geslacht Blokhuis nagelaten, alle­maal fatsoenlijke, degelijke mensen, waar­onder we al spoedig schoolmeesters (zéér degelijk dus!), burgemeesters, schouten en hoogleraren aantreffen. Maar hoe komt een Blokhuis nu in Lisse terecht? Omstreeks 1700 woonde reeds in Lisse de bekende familie van tuiniers en handelaren, later vooral ook bloembollenkwekers, De Graaff. Door goeddeels droeve omstandig­heden stond in 1817 de reeds bejaarde Cornelis de Graaff alleen voor de zaak. En er ging daar heel wat om! Zo komt dan zijn oudste schoonzoon, Gijsbert Blokhuis uit Barneveld, naar Lisse. Hij gaat wonen op de Pruimenhof in het “Oosteinde”. Dat zou nu zijn op de hoek van de Heerweg en de Nassaustraat (foto). (Het huis stond op Heereweg 133, red. Website). In 1905 is dit oude huis gesloopt en door moderner wo­ningen vervangen. Men kweekte bij De Graaff bloembollen, heesters en bomen, siergewassen, peulvruchten en geneeskrachtige kruiden.

 

 

Gijsbert Blokhuis (1846-1906). Wethouder van Lisse

Totdat op 1 januari 1840 de firma Cornelis de Graaff & Zonen werd ontbonden en Cornelis en Gerrit Blokhuis, die intussen deelgenoten der firma wa­ren geworden, zelfstandig handel gingen drijven. Een zoon van Gerrit was Gijsbert (1846-1906), die bijzonder ijverig in de firma Blokhuis werkzaam is geweest. Hij was te­vens een lange reeks van jaren wethouder van Lisse en besteedde ook aan dit ambt zijn beste zorgen. Hij stond bekend als iemand met een helder verstand, een ge­moedelijke inborst en een eerlijk karakter. Hij gold ook als gastvrij en weldadig. De Lissese tak Blokhuis heeft behalve deze Gijsbert nog heel wat belangrijke mannen voortgebracht: Cornelis (1815-1877), wet­houder van Lisse, gehuwd met Cornelia van Parijs, Gerrit Blokhuis (1841-1870), burgemeester van Sassenheim, Gerrit (1847-1911), architect, o.a. van het vroe­gere Lissese postkantoor, enz., enz. Dit is alles niet zo verwonderlijk, want in de 18de eeuw was een zekere Gijsbert Blokhuis, een “wiskundenaar”, al burgemeester van Bunschoten. De Firma Blokhuis in Lisse, dat was wat! ledere dag liepen vijf statige heren, vader Cornelis en zijn zoons Kees, Gerrit, Gijs en Marie, vier maal per dag in ganzepas de kwekerij af. De levenswijze was ouderwets en degelijk: geen vloeipapier, maar strooizand; geen gaslicht, maar een blaker, le­dere dag half twaalf werd er “gepeerd”, ook degelijk. De zaken gingen goed. Al zei Mijnheer Blokhuis altijd: “Bij iedere bol moet een half centje bij, maar aan het eind houd je toch nog wat over.” Op de foto zien we nog de hyacinten van de Gebrs. Blokhuis, met aan de overzijde van de Heereweg de woonhuizen en de bollen­schuur. (Daar is nu de Nassaustraat en over dit hyacintenland wordt thans de Keukenhofdreef aangelegd.) Maar, aan al het aard­se komt een einde. De zaak sloot en de fa­milie trok weer weg zoals ze eens gekomen was. De percelen aan de westzijde van de Heereweg, Oomsland, Kotzicht, Verbeid den tijd, de Blinkert en de Symtuin werden verkocht. De stukken land achter de moes­tuin en de boomgaard, achter de huizen en bedrijfsgebouwen, zoals de Mos, de Kleine Venne, Bloemlust, de Wei, het Marke­tuintje, enz., bleven open land, te mid­den latere bebouwingen. Ten slotte werd op een deel der Blokhuis-tuinen het winkelcentrum gebouwd, dat de naam Blokhuis in Lisse doet voortle­ven. En dat centrum breidt zich nu al weer uit. Laten we hopen, dat al die zakenlie­den aldaar er in slagen de geest van Blok­huis altijd levendig te houden: helder van verstand, gemoedelijk van inborst en een eerlijk karakter.

Succes, Blokhuis!

De Pruimenhof

Heereweg 113

 

Bollenvelden van Blokhuis. vanuit het westen. In het midden Heerewg 113

Cornelis Blokhuis ,geboren in 1952

HET ORGEL VAN DE SINT AGATHA-KERK; De rommeling. (154)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In 1902 werd de nieuwe Sint Agathakerk gebouwd en het volgend jaar door de deken van Noordwijk plechtig geconsacreerd. Zou er ook een nieuw orgel komen? Nee, aan­vankelijk niet; er was geen geld. We lezen in de notulen van het zangkoor van de kerk.

“16 juli 1902. Pastoor BJ. Klekamp open­de de vergadering. De nieuwe kerk werd ter tafel gebracht en hij hoopte, dat de kerk juli 1903 klaar zoude zijn. Besloten werd voor die gelegenheid een mis van Mitterer in te studeren. Er zou een nieuw orgelharmonium komen.”(Geen echt orgel dus.)

“28 juli 1903. De Pastoor stelde voor om bij de inwijding der nieuwe Kerk het koor te versterken, om de luister dezer plechtig­heid door een krachtig koorgezang nog meer te verhogen.

 

Daar de koren der om­liggende gemeenten niet bij machte werden geacht om voor een nieuwe mis van Perosi hunnen steun toe te zeggen, werd na dis­cussie besloten met eigen krachten, wat door allen voldoende werd geacht, de mis van Zangl uit te voeren.” (Eerst zou men nog een repetitie houden in de nieuwe kerk. leder lid kreeg een sleutel van het koor, zodat niet-zangers onmogelijk op het koor zouden kunnen komen.) Ome Arie Raaphorst schrijft: “Op Zondag 8

“December 1911 werd van af de kansel bekend gemaakt, dat zich eene commissie had gevormd met het doel om Pastoor B.J. Klekamp ter gelegenheid van zijn 12 1/2-jarig jubilé als Pastoor alhier een ge­schenk aan te bieden in de vorm van een nieuw kerkorgel. Wel was de tijd van dit jubilé nog ver, want dit viel eerst in de zomer van 1913, maar wegens de hooge kosten hiervan, namelijk circa f 12.000, als­mede de noodige tijd voor den bouw van het orgel was het nodig, dat men hiermede reeds tijdig een begin maakte. Het orgel werd besteld bij de firma Adema te Amster­dam. In plaats echter dat het orgel afge­werkt was met de gelegenheid van het ju­bileum van de Pastoor, werd het pas in gebruik gesteld Zaterdag 15 Augustus 1914, den dag waarop het 40 jaren geleden was dat Pastoor B.J. Klekamp tot priester ge­wijd werd.”

Het orgel, een zogenaamd romantisch or­gel, is met name na de grote restauratie bijzonder fraai en vanwege de orgelcon­certen heeft het thans een naam in de hele streek. Aanvankelijk schijnt het res­pect voor het orgel toch niet groot genoeg te zijn geweest. Of moeten we stellen, dat het orgel zo mooi was, dat iedereen er op of aan wilde zitten? We lezen in de notu­len van 1912/13: “De zangers zullen niet tegen de orgelkast of speeltafel leunen, daar dit op den duur het blanke hout zal besmeuren. Zij zullen niet bij de organist op de bank gaan zitten of naar eigen goed­dunken een of ander register openen of sluiten of op andere wijze de aandacht van de organist van diens spel afleiden.” De eerste organist, van 1880 tot 1904 was J. Schuts. Daarna kwamen P. Akerboom en Jac. Reeuwijk. Ook de heer Bemelman is organist geweest. Later kwam de onver­getelijke Gervais. Er was eerst nog geen electriciteit en aldus was er een orgel­trapper nodig. Het werd Stobbe voor 30 gulden per jaar en daarna W. van Velzen en zoon, f 32 1/2 gulden. Ik wil hopen dat ze het eerlijk deelden en dat niet de vader 30 gulden kreeg en de zoon met een rijks­daalder in het jaar naar huis werd gestuurd.

“STRONT VOOR HET LAND GOED SPUL, MAAR MIJN BEZIT ROTZOOI?…”; De rommeling. (151)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Bijna heel Lisse kent hem, de 57-jarige Jan Ponsioen,de zonderlinge verzamelaar van allerhande troep. Hij woont op de Rooversbroekdijk. Daar liet de Gemeente Lis­se kortgeleden een houten huisje voor hem neer zetten, omdat de woning waarin Jan tot op dat moment huisde, dreigde in te storten. Maar Jan slaapt nog steeds in dit krot en weigert te scheiden van zijn sinaasappelkisten, gereedschappen, lege melkflessen en oude kranten, die tot aan het pla­fond zijn opgestapeld. Wie is die Jan Ponsioen toch, hoe leeft hij? Hier volgt zijn levensverhaal.

“Kijk maar niet teveel naar mij, hoor”, zegt Jan. “Ik kom net uit mijn bed en ben nog wat slaperig.” Hij ploft in een stoel en begint een shaggie te draaien. Ik kijk wat rond: kalenders van jaren terug, schilde­rijen, scheefgezakte boekenplanken, een stapel kranten van vorig jaar. De kachel brandt al sinds een eeuwigheid niet meer, het behang is geel uitgeslagen van het vocht. Jan is één met zijn omgeving: hij draagt een jasje waarvan de streepjes bijna even zwart zijn geworden als het jasje zelf. Op zijn grijsbehaarde hoofd kleeft een alpinopet. Een brede riem behoedt zijn veel te wijde broek voor afzakken. Aan een touw rond zijn middel slingert een grote sleutelbos. Zijn handen en zijn gezicht zijn vuil, de nagels hebben rouwranden. Het lijkt alsof hij zich jaren niet gewas­sen heeft. “Wie ik ben?”, herhaalt hij mijn vraag. Nadenkend wrijft hij ovez ijn stoppel­baard. “Mijn vader was redacteur van de Maasbode, een Rotterdamse krant. Ik ben in de Maasstad geboren, dat was in 1921. Voordat mijn moeder trouwde, was ze hoofd van een lagere- én een huishoud­school. Ik was de oudste thuis. Twee zussen, twee broers, echt een fijn gezin. Niks asociaals of zo. Na de lagere school ben ik begonnen aan de ambachtsschool, electrotechniek en zo. Ik klaagde niet. Die lui vroegen ook zoveel, ongelofelijk …… Ik ben toen maar aan het werk gegaan. Baantjes in de centrale verwarming business. Als electrornonteur was ik toch waar­deloos, zei een oom tegen me. Mijn moeder was al gestorven toen ik tien was. Nou wou het geval dat mijn vader een kreng van een wijf trouwde, mijn tweede moeder, zogezegd. Die kreeg het idee mij in een gek­kenhuis te stoppen. Ze was namelijk doodsbang dat ik haar zou vermoorden, omdat ik een hekel aan d’r had. Maar ik had nog nooit iemand vermoord, dus waarom zou ik dat ineens wel gaan doen? Maar goed, ik heb uiteindelijk acht jaar in het gekkenhuis “Padua” in Boekel ge­zeten, van 1940 tot 1948. Wat daar alle­maal is gebeurd! De Broeders van Penitentie deelden daar de lakens uit. Peniten­tie is boete doen? Maar daar was geen sprake van: ze vraten als de pest en hadden dikke buiken. Je kreeg shockspuiten en prikken om te kot­sen. Om je te kalmeren, weet je. Maar je werd er alleen maar een wrak.” Plots breekt Jan in een rochelende hoest­bui uit. Hij is verkouden. Geen wonder ook, het is ijskoud en vochtig in het huis. Grote spleten in de muren, gaten in het dak: de wind heeft vrij spel. Hij gaat verder: “In ’48 ben ik naar de directeur van het gekkenhuis toegestapt. Ik zei: Als ik er nou niet uit mag, knijp ik je strot dicht! Toen beseften ze ook wel dat ik eigenlijk normaal was. Ik mocht eruit. Na die periode ben ik bij een smid gaan werken. In Sassenheim was dat. Ik werd verliefd op de dochter van mijn kostbaas. Maar ik durfde niks. Een dokter heeft ooit een getekende meisjeskop voor me gehouden. Dat duurde een half uur. Ze had zo’n hypnotiserende blik. Daarna heb ik nooit meer normaal met vrouwen om kunnen gaan.” Jan belandt, naar zijn zeggen, in allerlei kosthuizen waar “de kleren van zijn lijf ge­stolen werden.” Opnieuw bracht hij een half jaar in een “gekkenhuis” door. “Na vervolgens weer een tijdje rondgehangen te hebben bij allerlei bazen ben ik op me­zelf gaan wonen. Ik had een Maarse en Kroonbus staan op het terrein van een woonwagenkamp. Daar heb ik vijftien jaar gezeten. Toen ben ik ook gaan verzame­len, allerlei spullen. Ik werd alweer ontsla­gen, ditmaal bij de steenfabriek. Kwam al­tijd te laat op mijn werk. Dat was vanwege de slapeloze nachten. “Zelfs de baas is hier al om tien uur, zeiden ze. Voor jou kunnen we geen uitzondering maken.” Inmiddels had ik een geweldige voorraad gereedschap en boeken verzameld. Die mocht ik van de gemeente Lisse niet mee­nemen naar dit huis, dat ik in 1967 kreeg. De liefste spullen van mijn vader en moeder hebben ze toen verbrand. Ik wilde nog een proces gaan voeren om één miljoen schade­vergoeding te claimen, maar dat is niet doorgegaan. Nu heb ik alweer heel wat materiaal te pakken gekregen, kom maar eens mee!” Vol trots toont Jan me zijn “laboratorium” dat gevuld is met stoffige flesjes, een ver­roeste telescoop en een ongelooflijke hoe­veelheid lampen, snoeren, boutjes, schroef­jes en reageerbuisjes. Het stinkt er een beetje. Vol ontzag passeer ik wanden, die behangen zijn met verroeste bahco’s, schroevedraaiers en nijptangen. Eén kamer staat propvol vergeelde boeken. “Tja, ik studeer hard. Biologie, psycholo­gie, sexuologie, scheikunde, alles! Mijn moeder had 26 diploma’s. Daar heb ik het van. Ik heb een grote geest en ben be­roemd. Deze spullen hier kunnen bij lange na niet in de schuur en het huis dat de ge­meente voor me heeft laten bouwen. Ik ben bang dat ze binnenkort komen, om me uit dit huis te zetten. Maar dan koop ik een revolver en maak ik ze allemaal koud!” Ponsioen laat tevreden zijn blikken glijden over zijn rottende, roestende en vergelen­de spulletjes. “Weet je”, zegt hij mistroos­tig, “de stront die een boer hier in de buurt op zijn erf heeft liggen, vind de gemeente prima spul. Maar mijn kostbare goed wordt gezien als afval. Vindt u het niet treurig, meneer?”. Samen wandelen we naar het nieuwe huis, dat 500 meter verder op de dijk staat. De gemeente heeft voor een schuur van vier bij acht meter gezorgd, opdat Jan zijn oude wasmachines, radio’s, slijpstenen, jute zak­ken en boormachines kwijt zou kunnen. Maar negentig procent staat nog in het scheefgezakte, gebarsten pand waaraan Jan zo gehecht is. “Een buurman vertelde me, dat de brand­weer hier laatst is geweest. Natuurlijk om te kijken of er putten waren, waar ze water uit kunnen halen, wanneer men mijn bezit gaat verbranden. Zo dwingen ze me nog tot gekke dingen. En dan kan ik het gekken­huis weer in. Als ze me komen halen, schiet ik de boel overhoop, óf ik hypnoti­seer ze, want dat kan ik ook ……”

Frenk van der Linden in het “Weekblad voor de Bollenstreek” van 22 februari 1978.

ANNA VAN GOGH-KAULBACH; De rommeling. (146)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Tegen het einde der vorige eeuw werden aan de Heereweg een paar mooie huizen gebouwd, thans de nummers 296/98. In het eerstgenoemde pand vestigde zich het echtpaar Van Gogh. Het huis staat op de oude ansicht halverwege rechts achter de bomen; op de kaart uit de dertiger jaren halverwege links, eveneens achter een boom. De heer Willem J. van Gogh was waarschijnlijk even medelevend en gevoelig als zijn thans beroemde neef Vincent. Hij “ging in de bollen”. Maar het bloembollenvak kan soms zeer onbarmhartig zijn. Het werd dan ook geen succes. In 1903 vertrok het gezin voor korte tijd naar Sassenheim, om zich in 1906 in Haarlem te vestigen. Van Gogh vond werk bij de kunsthandel Meurs te Amsterdam. Lisse was hem vergeten. Meer bekend dan haar echtgenoot was diens vrouw, Anna van Gogh-Kaulbach, een vermaard schrijfster. In haar Lissese tijd verscheen o.a. “Rika”, de roman waar­in ze haar eigen stijl gevonden heeft. In dat jaar werd ook haar dochtertje Maria Cornelia geboren, het zusje van Eduard en Willem Daniel, beiden ook in Lisse geboren “Schrijven was mijn werk”, zegt ze, “mijn gezin mijn liefste liefhebberij”. En een andere keer: “Mijn werk opgeven zou onvoldaanheid betekenen en een onvol­daan mens kan geen opgewekte moeder zijn”. Ze was een vrouw van het type, dat we nu een feministe zouden noemen. Lisse had daar weinig oog voor, maar als ze in “reformkleding” door het dorp liep, gaapten de Lissers. (Voor wie niet mocht weten wat dat Lisses “gapen” eigenlijk was: ze gluurden met open mond tussen de kieren van de gordijnen.)

Juist als wan­neer Agnes Snethlage, de dochter van de dominee, met kort geknipt haar en een pijp in de mond over de straat stapte. Toch was Anna Kaulbach een vrouw van formaat, vooral ook een vrouw met durf! Er is dit jaar in het Haagse Gemeente­museum een interessante tentoonstelling aan haar gewijd. Schrijver dezes zou voor een foto zorgen van werkers in het bloembollenbedrijf omstreeks 1900, die dan ver­groot de blikvanger van de expositie zou worden. Maar het moest wel “een beetje zielig” zijn. Het werd de foto afgedrukt als nr. 15 in “Kent U ze nog, de Sassenheimers”. Maar of die tulpenpelsters zich nu zo zielig voelden? Welnee, dat is gewoon “hineininterpretiert”. In ieder geval is het wel een succes geworden. Van Anna van Gogh-Kaulbach verschenen onder meer “Moeder”, een roman die 25 herdrukken beleefde, het toneelstuk “Eigen Haard”, “De Hooge Toren” en “Het brandend hart”. Dat laatste was haar 25ste roman, alle met een sterk sociale bood­schap. In 1960 is de schrijfster hoogbe­jaard te Haarlem overleden. Het hierna volgende relaas is goeddeels genomen uit de tentoonstellingcatalogus “Vrouwen op de bres”, die op zijn beurt weer putte uit Mevrouw ^van Gogh’s “Eni­ge herinneringen”. Anna Kaulbach wordt in 1869 geboren te Velsen. Zij blijft het enig kind van een dorpsdokter. De ouders voeden haar mo­dern op. Haar speelkameraadjes mag zij kiezen uit alle standen, ook gewone dorps­kinderen. Na de lagere school in Beverwijk gaat Anna naar de meisjes-H.B.S. in Haar­lem. “Het werd een ander leven: elke dag met een troep meisjes en jongens een spoorreisje heen en weer”. Bij dit troepje hoorde ook Willem Royaards, de latere acteur. Hij draagt in de trein verzen voor, maar de meisjes kunnen die niet horen. In die da­gen is het immers gebruikelijk dat de jon­gens derde klas reizen en de meisjes tweede. Op school in Haarlem wordt zij zich lang­zamerhand bewust zich te willen uiten op papier. Maar na school komt ze thuis om voor haar moeder te zorgen die inmiddels blind is geworden. Ze leest alles wat voor­handen is; Frederik van Eeden is haar ge­liefde schrijver. Zelf besteedt ze ieder vrij ogenblik aan schrijven. Ze begint haar car­rière groots en droevig, op haar achttiende jaar voltooit ze een treurspel in vijf be­drijven, “Thusnelda” geheten. Als Anna tweeëntwintig jaar is ontmoet ze haar latere “toegewijde levenskameraad” Willem J. van Gogh.

Het verloofde stel onderneemt een reisje door het land om familie en vrienden op te zoeken. “Wij de­den die tocht op een voor die tijd origi­nele manier, namelijk per driewielertan­dem. Dat mijn ouders met ons plan instem­den was voor mij het verrukkelijkste be­wijs van hun vrijheid van denken en opvat­tingen.” Bovendien wordt fietsen voor een vrouw als onfatsoenlijk beschouwd, “het onzedelijke velocipederen”, en vinden art­sen het ongezond. Meisjes, vrouwen en mannen-van-boven-de-veertig wordt het fietsen afgeraden als te inspannend. Anna en Willem trouwen in 1899 en gaan in Lisse wonen vanwege zijn werk bij een bloembollenkwekerij. Het zijn bewogen ja­ren. Anna publiceert vlak voor de eeuwwis­seling haar roman “Levensdoel”. Het boek is een pleidooi voor het socialisme, zij wil daarin getuigen van de “schone verwach­ting, die ons, jongeren, vervulde”. De vrouwen leggen letterlijk hun knellende kleding af, de “reform”-kleding wordt ge­dragen in de kringen van vooruitstrevende mensen waartoe Anna en Wiillem behoren. Ze doet aan deze mode mee en wekt zo in Lisse de nodige opschudding. Haar naaste buren, de families Segers en Tromp, zullen deze nieuwlichterij ook wel maar zeer matig gewaardeerd hebben. Meer contact had zij met de familie De Graaff, die aan de overzijde van de straatweg woon­de. De omgeving van de bollenstreek, de kwekerijen en het harde leven van de arbeiders brengen Anna van Gogh tot een indringen­de beschrijving van het bestaan van de ar­beidersklasse. Toen schreef ze “Rika”, de geschiedenis van een arm volksmeisje, doch­ter van een ongehuwde moeder, een “schandekind”, zoals dat in de 19de eeuw heet. Het is een lang en triest verhaal. Ten­slotte loopt Rika in wanhoop het water in en verdrinkt zich ……

Anna had grote bewondering voor het werk van haar neef Vincent, leder kent wel diens “Aardappeleters”. Ook die schilderijen had­den een “boodschap”. Helaas is Anna’s schrijfstijl overleefd en het succes van de actuele problemen tijdgebonden. In tegen­stelling tot neef Vincent van Gogh kan zij de mensen van vandaag niet meer berei­ken ……

PASTOOR VAN VLASSELAAR; De rommeling. (142)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Arie Raaphorst had een grote bewondering — misschien moet men wel zeggen verering — voor deze pastoor, en daarin stond hij niet alleen! In het onderstaande stuk spreekt hij eerst over de bouw der kerk in 1902/03. In het tweede deel verzet hij zich er tegen, dat de latere Pastoor Kleikamp de hem toevertrouwde gelovigen moreel dwong Dokter Blok als arts op te zeggen. In “De Aagtenkerk van Lisse” kan men over Pastoor Van Vlasselaar nog veel meer lezen. Hij woonde in zijn pastorie, die aan de kerk was vastgebouwd. Huis­schilder G. Slegkamp heeft daar in 1888 een schilderijtje van gemaakt. Het is wel wat primitief, maar omdat er verder geen afbeeldingen van de achterzijde van de kerk bestaan waarlijk uniek en bovendien nog alleraardigst. “De uitgebreide en omvangrijke werkzaam­heden van den bouw eener nieuwe kerk waren veel te zwaar voor de zwakke schou­ders van den beminden herder dezer pa­rochie, Pastoor H.Th. van Vlasselaar. Een ieder vond, dat de werkzaamheden niet gelegd mochten worden op zijne schouders. Daarom wachtte men geduldig de tijd af die daarin verandering zou brengen. Die tijd was eerder aangebroken als men had verwacht, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: Pastoor Van Vlasselaar is dood. Hij was 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder ge­weest van de Parochie van St. Agatha. Zelden is er een mensch geweest, die op­rechter beweend is geworden als hij; niet alleen door de katholieken, maar ook door niet-katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen, een vriend voor allen, en bovenal een weldoener der armen zonder weerga. Zijn nagedachtenis zal dan ook in dankbare herinnering blijven voortleven in de harten van allen die hem gekend heb­ben”.

(Nu op een andere plaats in het omvang­rijke manuscript:)

“Voorop stel ik, dat ik een leerling ben van de nooit genoeg te betreuren en steeds in de gedachten van elk weldenkend mensch voortlevende Pastoor van Vlasselaar. De man die hier in Lisse ruim 30 jaren als her­der heeft geleefd en in wiens schaduw nog niemand die na hem is gekomen, heeft kunnen staan.

Die man heeft mij geleerd en ook anderen, door woord en door daad, dat het eerste en grootste gebod in de wet is: “Bemint God bovenal en uw naaste gelijk uw zelven!” Toen Pastoor Van Vlas­selaar dan ook, op hooge ouderdom geko­men, zijn hoofd voor eeuwig te ruste leg­de, is hij betreurd geworden, niet alleen door zijn eigen kinderen, maar ook door de kinderen van anderen; niet alleen door de Katholieken van Lisse, maar ook door de Protestanten van Lisse. En waarom? Omdat hij, Pastoor Van Vlasselaar, zijne plicht deed tegenover God en de menschen, omdat hij allen liefhad, zonder onder­scheid. Ook hij heeft katholieke instel­lingen in het leven geroepen, en toch werd hij bemind door de niet-katholieken. En waarom? Enkel en alleen omdat hij zijne plicht deed tegenover God en de menschen; enkel en alleen omdat hij ver­draagzaam was en ieder in de waarde liet waarin hij was. Als er tijdens het leven van Pastoor Van Vlasselaar hier in Lisse een katholieke ge­neesheer was geweest, zou hij de eerste zijn geweest, die zich door hem zou laten behandelen, maar hij zou nooit of nimmer zoo laag en laf zijn geweest, om een ge­neesheer, die voor de komst van dokter Haase hier ter plaatse bijna alle meerge­goede Katholieken onder zijne patiënten had, op alle mogelijke en onmogelijke ma­nieren te belasteren en te benadeelen; daarvoor was Pastoor Van Vlasselaar té edel, té katholiek, té goed en vooral veel té godvruchtig”. Enz., enz..

DS. HENRICUS VELSE; De rommeling. (139)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Ds. H. Velse werd op 6 september 1683 te Woerden geboren. Als jong kandidaat, 23 jaar oud, werd hij beroepen naar Lisse, waar hij tot november 1709 werkzaam is geweest. Toen vertrok hij naar Deventer en niet zeer lang daarna naar Delft. Van 1715 tot 1744 heeft hij gestaan in ‘s-Gravenhage. Onder zijn portret in de consistoriekamer der Grote of Sint Jacobskerk aldaar staan de woorden:

Te Lis heb ik met vreugd Gods akker milt bezaeit,

Daerna in Deventer een rijken oogst gemaeit;

Dus deed ik ook te Delf, en acht en twintig jaeren

Zag ’s Gravenhaeg’ de vrucht in zijne schuer vergaeren.

Ds. Henricus was een broer van Ds. Wilhel­mus Velse te Delft en de vader van Ds. Gerardus Velse te Geervliet en dr. Cornelis, hoogleraar in de anatomie en chirurgie. Voorwaar een geleerde familie. Dat gold zeker ook voor Ds. Henricus zelf. Er ver­schenen verscheidene boeken van zijn hand, zooals “Grondvesting des christendoms onder de heidenen op de kusten van Choomandel en Malabar”, “Onderscheyd tusschen die God dient en niet dient”, Kleine Concordantie of Register des O. en N. Testaments” en “Leven van den Grave van Rochester”. Aldus vermeldt Dr. E.J.W. Posthumus Meyjes in “Kerkelijk ‘s-Gravenhage in vroeger eeuw”, 1918. Zoals gezegd, heeft Ds. Velse maar ruim twee jaar in Lisse gestaan, maar ook hier moeten dat bijzonder vruchtbare jaren zijn geweest. Bij zijn beroep naar Lisse waren er al dadelijk moeilijkheden geweest, aan­gezien de kerkeraad Gerardus Vonck had laten vertrekken, zonder de vereiste “acte van satisfactie van non praejudicie” van de zijde van Jonker Adriaen de Wael van Vronesteyn. Deze was Heer van Lisse en moest volgens het toen algemeen gel­dend recht in demissie en beroep gekend worden. Jonker Adriaen maakte er echter geen punt van en Ds. Velse kon zonder meer zijn functie aanvaarden. De moeilijk­heden kwamen ook niet zo zeer van zijn kant, maar van die van de schout/secretaris, Jacob van Dorp, overigens zelf lidmaat van de Gereformeerde Kerk. Men moet niet uit het oog verliezen, dat zo’n man vroeger geen salaris kreeg, integendeel, hij moest voor de uitoefening van zijn ambt een pachtsom betalen! Hij miste nu heel wat inkomsten en nog een lekker etentje bo­vendien. Alles kwam goed. De “ouderlin­gen en diakonen in de Gereformeerde Ge­meente” zouden alles wat benoemingen en losmakingen betreft laten schrijven door de Secretaris van Lisse. Bovendien zouden ze alles doen wat mogelijk was om te be­werkstelligen, dat de schout weer mocht deelnemen aan de “maaltijd in de Classe, die gewoonlijk geschiet op de losmakinge van deselve Classe”. Schout Van Dorp kon tevreden lachen; de opzet was ge­lukt! Bij een latere benoeming in 1724 waren er natuurlijk weer moeilijkheden. Ds. H. Velse bericht nog, dat het benoemingsrecht van ouds “aan de Heerlykheyd van Lisse behoord heeft”. Hij raadde de kerkeraad dan ook aan, zich met de Heer van Lisse te verdragen. Zo moeilijk was dat nu ook niet. Deze was wel “Roomsgezind”, maar een demissie werd altijd toegestaan en uit een lijst van te beroepen personen werd al­tijd de bovenste gekozen. Dat dit toch tot hevige conflicten kon leiden, leest men in “Het Huis Dever te Lisse” (1966). Uit zijn “In memoriam” in 1744 blijkt, dat Ds. Velse zich met name toelegde op de verklaring der catechismus tot onder­wijzing der gemeente.

“Het gouden kleinoot, dat, met eedele gesteentens

omzet, aan Heydelberg zijn naam verschuldigt blyft,

en nog de band is der hervormde ChristGemeentens

en blijven zal zo lang als waarheidhovendryft,

was hem een borstcieraat, vol gloedt van Bybelstralen,

waarvan de schitterkragt met aangedrevenstem

door yders oog tot op den grond van ’t hart moest dalen”.

Hoe wist hij voorts in zijn prediking

“van ’t echte Bybelmerch de rechte smaak te proeven,

de gouden schakelen van Oudt en Nieuw Verbondt

als één te smeeden, en op yders hart te schroeven,

niet slechts Belydenis te leggen in den mond.

De kragt der zuivere Genade-leer,

een klaar gezigt van Heil- en Hemelweg te geeven,

was al zijn hartelust.”

Ten slotte merkt de dichter op, dat “het Jufferdom”, dat zijn onderricht volgde hem “tot gedenkzuil” zou zijn “in yder huisgezin”. Die Lisser “juffers” zijn nu echt allemaal wel gestorven. Daarom wordt zijn naam met Roomse hand nog eens met respect neergeschreven “tot gedenkzuil in yder huisgezin”.

‘HUIZE SANDVLIET’; De rommeling. (136)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Het is een heel mooi huis, waar de heer C.W. van der Mark woont. Zo’n drie a vierhonderd jaar geleden stond hier het huis van de duinmeier — een soort kodde­beier — Dirk Engelsz van Steyn. Hij was de betachterkleinzoon van Dirck Pietersz, een der “ambachtsbewaarders” van Lisse, toen in 1514 de “Informacie opt stuck der Verpondinghe” plaats vond, waarbij de autoriteiten inlichtingen inwonnen in ver­band met de op te leggen belastingaanslag voor het gehele dorp. Dirk Pietersz heeft vast wel erg zuinig gekeken; het was bittere armoe in die jaren in Lisse. De zoon van Dirck Pietersz, “jonge Dirck Dircksz”, noemt zich “Van Larum”. Misschien kwam de familie oorspronkelijk wel uit “Larum”, Laren in het Gooi. Na hem volgt Adriaan Dircks, daarna Engel Adriaanse en dan ten slotte onze duinmeier Dirck Engelsz van Larum, die zich echter om onbekende reden “Van Steyn” is gaan noemen: “Dirck Engels van Larum geseyt van Steyn”. Een andere zoon van boven­genoemde “jonge Dirck Dircksz van La­rum”, Jacob, woonde aan de Voort bij de Akervoordelaan. Zijn nageslacht heet “Van der Voort”. Van Stein, Van Steyn, Van Stijn, Van Steijn en Van der Voort, de telefoongids van Lisse staat er nog bol van!

Later stond hier de boerderij Nieuwzand-vliet, die tijdens de “kroningsfeesten” van 1898 geheel is afgebrand. Daar woonde in de vorige eeuw het gezin van Seel van der Vlugt. Waarom die Marcelissen of Marcels in de families Weijers, Van Graven en Van der Vlugt eigenlijk Wesselus of Wessel hadden moeten heten, leest men ergens in het boek Zandvliet, dat binnen afzienbare tijd van de persen komt. (Foto’s J.F. Keijzer).

DE KELDER; De rommeling. (137)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Waar zijn we nu terecht gekomen? In een kelder, een zeer oude kelder. Hij bevindt zich onder de boerderij Oud-Zandvliet, door sommige oude Lissers ook Marinus of boerderij van Beelen genoemd. In dat huis hebben leden van het geslacht Zandvliet en Van Beieren en daar­na vele generaties Van Graven gewoond. De stal en verdere bedrijfsruimten zijn bollenschuur geworden. In het boerenhuis woonde later de familie Wassenaar, bekend om zijn vakkundigheid op het gebied der bollenkwekerij; uitstekende landenschuur bazen! En binnenkort woont hier Hans Beelen. Hij is op de Rijks Middelbare Tuinbouwschool geweest, dus hij móét wel goed zijn! Dat Oud-Zandvliet is een heel interessant gebouw. Volgend jaar verschijnt een boek over Zandvliet en daarin valt heel wat te kijken en te lezen.

 

HET HOTPOELTJE EN DE HEUL; De rommeling. (135)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Nog eens Lisse in 1624. Tussen de Gracht en de Kanaalstraat lag De Hot poell” ofwel het Hotpoeltje, (Hoppoel, redactie)een aardig meertje, zoals reeds gezegd, ongeveer ter hoogte van de kerk aan de Tulpstraat. Het is ge­bruikt als vuilnisbelt en in de loop der jaren met allerlei rommel aangeplempt. Als het er toch nog eens was! Met de mo­len, wat oude boerderijtjes, het Gracht­huisje natuurlijk; een kleine oase in ons dorp Lisse. Zoiets als het Park in Sassenheim, maar veel interessanter natuurlijk. Maar het is er niet meer……

Van de Hotpoel stroomt “de Beeck” naar het Haarlemmer Meer. Over die beek was in de Broekweg (Kanaalstraat) een brug. Later maakte men daar een soort van dui­ker, een heul. Wijlen de Heer G. van der Meij Jr. schrijft, dat daar een steen was in­gemetseld met de volgende “spreuk”:

Johan van Blommenstein van Oldenzeel genaemt

Lei voor dees heul den eersten steen,

Men rij er veilig overheen,

Lang blijv dit noodig werk met dezen naem befaemt.

Den…… Mei 1764.

En dan vervolgt hij: “Den datum kan men niet te best meer lezen, omdat er een stuk van den steen af is. Persoonlijk door mij gecopieerd van het geheel als schooljongen. G. van der Mey Jr”.

 

HET GESLACHT MOOLENAAR IN LISSE; De rommeling. (133)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In 1824 vestigde zich aan de Heereweg te Lisse de Haarlemse Johannes Moolenaar, die bij het huidige nummer 136, zo onge­veer tussen de Amrobank en het Lisser Automobielbedrijf een zadelmakerij be­gon. Zijn in 1827 geboren zoon Abraham werd timmerman en stichtte een eigen aannemersbedrijf in 1870. Hij was ge­trouwd met Jansje Marseille en woonde in een huisje op de Broekweg (= Kanaalstraat) ter hoogte van de huidige panden van Wek­king, Kanaalstraat 66. Later bouwde hij een woonhuis tussen het huidige pand Kanaalstraat 80 en de laagbouw van de Dumphal. Het bestaat nog. Veel materiaal hiervoor werd gebruikt van de sloop van een kerk in Sassenheim. Zo bevinden zich aan de achtergevel nog duidelijk waarneem­bare kerkramen. Helaas was het zakendoen geen onverdeeld succes. Volgens allerlei familieverhalen is tweemaal gebalanceerd op de rand van een faillissement. Beter ging het toen de twee zoons, Albertus en Abraham de zaak over­namen. Onder de naam Gebroeders Moole­naar werden enorme aantallen woonhuizen en bollenbedrijven gebouwd. Zo werden o.a. de Molenstraat en de Prinsessestraat aangelegd en bebouwd. De straten zelf werden dan overgedaan aan de gemeente. Woningen zijn verder nog te zien in de Tulpenstraat, Julianastraat, Gladiolenstraat, achter op de Kanaalstraat, enz., enz. In 1922 besloten de broers uit elkaar te gaan ter wille van de opgroeiende kinderen welke in het bedrijf kwamen. Albert Moole­naar bouwde alleen nog voor eigen rekening huizen, die hij dan verhuurde, en Abraham zette de aannemerij en kistenmakerij voort met zijn kinderen Bram, Jan en Rens. De gebouwen op de foto werden als volgt gebruikt. Links staat de houten loods met het teerhok. Hier was de opslagplaats van bruine teer, koolteer en carbolineum (“karbeléum”). Boven was de werkplaats van de kistenmakerij. Kisten werden voor een ver­zending van bloembollen heel veel gemaakt. Rechts is de stenen loods, de werkplaats van de aannemerij. Op de bovenverdieping was de opslag van schotten, een halfpro­duct van de kistenmakerij. De zolderver­dieping werd gebruikt voor opslag, maar ze is ook vaak verhuurd geweest, o.a. aan Tissing voor de opslag van balen kapok. Natuurlijk gaf zo’n bedrijf veel afval. Watmoest je ermee? Een vuilophaaldienst was er nauwelijks. En dat gold dan alleen nog het huisvuil. Welnu, de oplossing lag dicht bij de hand. Het werd allemaal gestort in de Hotpoel ofwel het Hotpoeltje, ook wel de Hoppoel genoemd. Oorspronkelijk was het een alleraardigst binnenmeertje, een zeer grote vijver, die men op de oude kaarten van Lisse telkens weer terugvindt. Het lag ergens ter hoogte van de kerk der Ge­reformeerde Gemeente. Helaas, ook het Hotpoeltje is weg; dichtgegooid met vuil, afval, rommel. Achter de werkplaats stond een rijtje van acht huizen, tegenover de huidige wonin­gen. Deze waren bereikbaar via een slop vanaf de Gracht. Dat buurtje werd de Kapellenweide genoemd. Vroeger werd in Lisse veel vlas aangevoerd, voornamelijk uit Overflakkee en de verdere Zuid-Hollandse eilanden. Dat werd dan op de gracht uit­geladen en bij opbod verkocht. Dan werd het in de sloten “geroot” en daarna op de weilanden in kapellen, een soort schoven, gezet om te drogen. Hier, op de Kapellenwei, bij de latere Kapelstraat, stonden de kapellen van het vlas uit de gracht. Toen de firma Moolenaar daar nog meer huizen ging bouwen, verlangde de gemeente dat een straat werd aangelegd en doorge­trokken tot de Kanaalstraat. Aldus moest de houten loods gesloopt. Later is de Mo­lenstraat voor één gulden aan de gemeente overgedaan.

En nu nog de personen op de foto. Van links naar rechts staan op het erf Abraham Moolenaar, Klaas van ’t Wout, Floor Kerkvliet, Jaap Hulst, Bert Schaap, Hannes Wetter, Willem van Groen, Arie de Kwaaisteniet en Albert Moolenaar. In de deur­opening van de kistenmakerij staan Carl Friedrich Daudey met zijn zoontje Piet. Daarvoor zit Flip van Bakkum. Ten slotte nog op de trap, van links naar rechts en van onder naar boven: Jan de Haan, Velthoven, Dirk Vergunst, Ko Moolenaar Albzn en Reinier van der Neut. Zo, nu heeft het lang genoeg geduurd; nu moeten ze allemaal weer aan het werk.