Berichten

HET VERHAAL VAN BAKKER ROTTEVEEL; De rommeling. (91)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

De heer J. Rotteveel, veehouder bij Dever heeft een 18de eeuws boek met perkamen­ten omslag, waarin zijn betovergrootvader (1804-1880), bakker, landbouwer en vee­houder te Lisse, in zijn laatste levensjaren enige bladzijden heeft volgeschreven. Diens bakkerij, tevens boerderij, stond aan de Heereweg, omtrent de huidige bakkerij Freriks. Daarachter stond een rijtje ar­beidershuisjes, Landzicht ofwel ” ’t Rottenest”. De tekst is geheel ongewijzigd, al­leen aangepast aan de huidige spelling. Ook komma’s, punten en hoofdletters zijn aangebracht.

Joannis Rotteveel en Krijntje van der Zon

In het jaar 1828, den 28 september zijn gehuwd Joannis Rotteveel en Krijntje van der Zon te Lisse. In datzelfde jaar, den 8 december, reden wij op schaatsen van Lis­se naar Amsterdam en die winter hebben wij 17 weken met de slee brood rondge­bracht. In het jaar 1829 een korte zomer en de­cember weer harde winter. Met “Kerzemis” zoveel sneeuw, dat er een huis bij de Broekweg (= Kanaalstraat) ondergesneeuwd was. In het jaar 1830 een natte zomer, weinig en slecht hooi gewonnen. En den 6 september is de woning van de Heer Van der Staal, bewoond door Karel Schrama (= De Phoenix), verbrand door het broeien van het hooi. In het jaar 1832 is de cholera bij ons te Lisse in augustus uitgebroken, maar gelukkig niet veel slachtoffers gevallen. In dat jaar is de korenmolen te Lisse verbrand. In het jaar 1837 heeft het den 29 novem­ber zwaar gestormd, dat verscheidene bo­men omgewaaid zijn en bijna alle huizen zwaar beschadigd. De storm kwam uit een zuidwestenwind en Kerstdag kregen wij een storm uit het noordoosten en oosten. Die was zo geweldig, dat alle polders on­der water liepen en zelfs de straatweg tot aan het Haagsche Schouw door het opzet­ten van de Haarlemmer Meer. Toen is ver­volgens Zijn Majesteit de Koning Willem l van Den Haag na Amsterdam gereden door water en ijs van het Haagsche Schouw tot aan Hillegom, en dat heeft aanleiding ge­geven om de Haarlemmer Meer droog te maken, zoals vervolgens in 1840 een aan­vang gemaakt is. In 1842 hebben wij met veel moeite en opoffering met Gods zegen een nieuwe R.C. Kerk gebouwd, toegewijd aan de H. Agatha en is geconsacreerd door Mon­seigneur Wijckersloot den 19 september 1843, onder toezicht van de tijdelijk pas­toor P.L. van der Hoven, kerkmeesters J. Rotteveel, H. Scherpenseel, Dirk Elsgeest en A. van der Vlugt.In het jaar 1842 een droge zomer zonder voorbeeld. Altijd koele oostenwind. Ik heb toen de drie morgen land in de Achterpol­der, Lisserbroek aan de Ringvaart, den 8 mei afgeweid met de koeien en toen on­der de mest gekard. En die mest is ver­droogd op het land en het land “verheijd” en wij krijgen in het begin van september voor het eerst wat regen. En daar groeide toen op dat gemeste land nog zo veel, dat ik het heb laten maaien den 15 oktober en hebben het gehooid den 2 november, Allerzielendag, en hebben 14 veld voers ervan gereden. En den 6 december, S. Nikolaas, bracht ik er 6 koeien op dien etgroen en haalt elk er vandaan den 31 de­cember 1842 datzelfde jaar. In het jaar 1843 hadden wij een storm uit het noordoosten, den 28 maart, waardoor de Lisserbroekpolder onder water liep. En de wind daags daaraan (“daagster an”) weer zuidwest, dat het water weer weg kon. En de molen malen zo hard als het maar kon, zodat wij den 16 april de koeien van stal deden en met veel gras in de wei.

In 1855 hebben wij bij ons een plan ge­maakt om concessie te vragen om te mo­gen venen in de Lisserbroek achterge­deelten, maar dat ging niet gemakkelijk. Daar kregen wij tegenstand van de Heer Leembruggen en onze burgemeester Van Rosse. Toen hebben wij hulp ingeroepen door de heer J. Martinie en daarop een re­kest aan Zijne Majesteit de koning en daar­op krijgen wij het antwoord van de minister Thorbecke weer terug met het antwoord, dat er nog een ingeland was welke niet wil­de mede doen, mocht wij niet venen. Toen heeft twee jaar stil gestaan en toen is minister Thorbecke van minister afgeraakt en toen is de heer Van Reenen minis­ter geworden en toen hadden wij een jaar later concessie om te mogen venen. En toen hadden wij weer last met Rijnland en dat duurde ook weer drie jaar om het regle­ment klaar te krijgen en toen bennen wij van Zuid-Holland overgegaan op Noord-Holland. En toen kregen wij tot onze hulp den ingenieur de heer Van Gent om ons te helpen. En toen “wasse” wij gauw klaar met onze reglementen koninklijk goedgekeurd, zodat wij toen in 1860 klaar waren om te kunnen venen. En toen is er een veenbestuur uit de ingelanden ge­kozen en daar hebben ze mijn toen als het hoofd van het veenbestuur gestemd. In twee en zestig hebben wij voor het eerst geveend. Ik heb geveend tot 1874 met goed succes. En toen heb ik mijn veende­rij verkocht; altijd het slik en de onder­grond is nog mijn. En daar komt best land van, beter als vroeger voor dat er ge­veend wier.

Lisse, den 24 december 1878

J. Rotteveel

Memorie van toelichting

In het jaar 1840 maakte onze pastoor Van Halen mijn kerkmeester, zonder te vragen of ik het goed vond. Ik hoor ik zondags het afkundigen en daar was ik niet erg met in mijn schik, want het één kerk­en armbestuur in een en daar was ik tegen. Maar daar kwam een hele verandering in. Met “Pinster” komt pastoor P. van Halen te sterven en toen kwam er verandering. Toen kwam de geestelijke overheid aan te pas en dat was toen de Eerw. Heer Van Gerren president te Waarmond en aartspriester en die heeft toen dat kerk- en armbestuur uit elkander gemaakt en kregen een nieuw kerkbestuur, waarvan ik eerste kerkmeester wiert en kregen toen een nieuwe pastoor de Wel Eerwaarde Heer P. L. van der Ho­ven. En die wenste de kerk verbouwen of anders een nieuwe en dan bij het dorp. En dat heeft veel moeite en kosten veroor­zaakt, want de parochie was niet eensge­zind en de verdeling van dat bestuur viel voor de kerk niet best uit. De kerk heeft voor haar aandeel gekregen een groot bunder met land in de Poelpolder en een buul met 1700 guldens aan geld. En de oude kerk stond altijd drie kwartier van het dorp. Maar wij hebben toen toch er gewerkt om de kerk bij het dorp te krijgen en dat is dan ook met veel moeite en op­offering gebeurd. De parochianen die daar bij de oude kerk woonden waren ons half tegen en die hielden vergadering en maak­ten rekesten tegen ons naar het gouverne­ment, want wij hadden toen nog geen bis­schop. En die op dat rekest getekend had­den waren sterker dan wij, want daar zat het meeste geld, en de meeste armen bij ons. Maar wij bennen met Gods hulp en zegen er toch klaar gekomen.

 

“DE NACHTEGAAL’ EN DE ZWARTE LAAN; De rommeling. (84)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In mijn kinderlijke verbeelding waren er twee speeltuinen, een in Groenendaal en een bij “De Nachtegaal”. Als we met moeder naar de speeltuin gingen liepen we naar Heemstede; voor mijn grootmoeder was de speeltuin bij “De Nachtegaal” ken­nelijk ver genoeg. Deze keer gaan we dus met Oma en dan krijgen we een kogel­flesje. Wat heeft een kind toch soms eigenaar­dige spelletjes of liefhebberijen. Of moet ik het behebtheden noemen? Ik wilde beslist van Hillegom af helemaal midden op de straatweg lopen. Dan telde ik de stappen die ik liep zonder opzij te gaan. Als mijn grootmoeder een snoepje had zou ik be­slist niet naar haar toekomen, ook al wei­gerden mijn zusjes me iets te brengen. Als ze riepen dat er een mooie bloem of een bijzondere plant in de wegberm stond — en dat was voor mij nog heel wat meer dan een snoepje — weigerde ik te komen kijken. Dat komt straks wel, dacht ik. Ik had bijna mijn record van 288 stappen bereikt. En wat een pech; wat voelde je je dan ongelukkig als er hard een auto aan kwam rijden en je dan op het laatste ogen­blik toch opzij moest! Maar wat voelde je je  anderzijds  opgelucht  en bevrijd als zo’n auto dan bijtijds ergens afsloeg of een paard-en-wagen met een bocht om je heen reed, zodat je toch door kon  lopen  …… Ik  geloof,  dat  kleine  kinderen  heel  wat dingen doen, waar wij grote mensen niks van begrijpen. Mijn grootmoeder vond me natuurlijk   erg   eigenwijs.   Maar   het   was geen eigenwijsheid; ik was gewoon net als ieder   kind   in   zijn   eigen   wonderwereld, een echt “wónderkind”.  Intussen kan ik niemand   aanraden,   dat  spelletje   —  nee, het was  eigenlijk  voor  mij een heel se­rieuze zaak — in 1981 nog eens na te doen. Maar goed, nu zijn we dan toch echt bij “De Nachtegaal” en de speeltuin.  Nu ja, speeltuin ……. ik geloof dat er alleen maar een kleine draaimolen was met een stel schommels, maar je kon roepen en hol­len en overal aanzitten of in je eentje wat prakkezeren tussen de bomen en het eikenhakhout aan de achterkant. En dan was er nog dat kogelflesje. “De Nachtegaal” is gebouwd in 1902. Vroeger moet er aan de overkant van de weg een boerderij hebben gestaan. Nach­tegalen heb ik er nooit gehoord. Wel zin­gende dames, die op fietstocht waren. In  “Lisse in oude ansichten”, deel 1, is op bladzijde 34 en 35 al heel wat over het café-restaurant en de eigenaar, de heer Van Zoelen, verteld. Ook over zijn knappe dochters. Daarover kunnen we dus thans zwijgen, ’t Ging trouwens aanvankelijk niet zo best met de zaak, in 1913 werd ze overgenomen door Van der Eerden en Van Zoelen failleerde.

Aan later tijd heb ik weer heel andere her­inneringen. Na een dansavond in “De Nachtegaal” — een soiree, heette dat — liep ik met een jongedame uit Lisse de he­le Zwartelaan af tot aan de vijvers van Zandvliet toe. ’t Was heel stil, een beetje vriezend; de maan scheen helder door de bomen. ” ’t Is net echt”, zei ik. “Is het dan niet echt?” vroeg ze verschrikt. Ach, ach, wat een situatie! Sint Nicolaas weet alles. Of zou ik toch wat te loslippig zijn ge­weest? Hoe dan ook, op Sinterklaasavond werd een hele grote pop naar binnen ge­bracht, die kennelijk op de bewuste jonge­dame leek. Een heel lang vers erbij, met als refrein: “Als je me ziet, dan kan je het wel gissen; ik ben een boerenmeid uit een gat als Lisse!” Ik geloof, dat er iemand jaloers was.

 

Boswachterswoning van Veenenburg

Maar ja, “De Nachtegaal” wordt nu groot, de romantiek is voorlopig weg en de bo­men zijn verdwenen. Ik speel er nu nooit meer met andere kinderen, ik dans er niet meer met jongelui uit Hillegom en Lisse, maar vind er wel steeds weer mijn goede vrienden van de “Probus”. Naast “De Nachtegaal” was de toegang tot de buitenplaats “Veenenburg” met de boswachterswoning van Rias (Zacharias) van der Burg. Ziet U die mooie palen ook goed? Zouden ze er nog staan? Niet zo lang ge­leden waren ze er nog. En waar zijn ze dan gebleven? Wanneer men jaren lang overpad verleend heeft over zijn eigen grond, dan mag men een weg niet maar zonder meer afsluiten; dat is bekend. En zo is ook langzamerhand wel het gevoelen ontstaan, dat men een paar palen die eeuwen lang aan de weg hebben gestaan niet zo maar zonder meer kan elimineren. Ook al zou toeval­lig achter het kadasternummer van het be­treffende perceel de naam van die of die zijn   vermeld    ……    De   Zwartelaan    had niet zijn huidige tracé. Hij liep vroeger met fraaie bochten tot vlak voor het huis Veenenburg, dat stond tussen de huidige Veenenburgbrug en de Frederikslaan. Er was daar zeer zwaar geboomte. Het was er ook overdag helemaal donker; vandaar de naam.

Villa Wildlust

De eigenaar van Veenenburg begon op be­scheiden schaal zijn duinen af te zanden. In 1888 was men al zo ver gevorderd, dat achter de buitenplaats Wildlust en achter de tegenwoordige “Nachtegaal” al een flink stuk duin weg was. Het land werd aanvankelijk als aardappelland verhuurd, maar met name in droge zomers liet de opbrengst veel te wensen over, omdat men minstens vier voet zand te veel had zitten. Na 1888 werd de zaak grootscheeps aange­pakt. Het zand werd verkocht aan een “zandleverantiemaatschappij” te Amster­dam, die het met “bakken” ofwel “blok­ken”, grote schuiten, deed vervoeren. Anna van Gogh-Kaulbach schreef: “En op de vlakten bewogen mensenlijven, gebukt naar de aarde, werkend, werkend. Plots sidderde de beuk in pijn van den eersten bijlslag, en nu haatte hij de mensen, die eerst de zegening van zijn bladerdak ge­vraagd hadden en nu wreed hem vermoord hadden, omdat zij de koude vlakte liever had­den  dan  ’t droomstille,  innig warme bos. Toch, in zijn stervenssmart nog hoopte hij, dat heerlijk kleur jubelende bloemen zou­den   groeien   op   de   plaats,  waar  hij  ge­leefd had”. (Nu, die beuk heeft zijn zin ge­kregen.)   Later werd door Baron van Hardenbroek,   de   schoonzoon   van   de   Heer Leembruggen,    de    kunstzandsteenfabriek opgericht.   De   Zwartelaan   werd   rechtge­trokken en al  het land aan de zuidwest­zijde van de laan met nog een gedeelte aan de andere kant aangekocht door de bloembollenfirma   M.   Veldhuyzen   van   Zanten &   Zonen.   Die   zaak   was   begonnen   op “Klein Veenenburg”   aan   de   Loosterweg (“De Lissers”, 24), waarvan men hier een foto ziet van omstreeks 1900, maar ze had zich op korte termijn sterk uitgebreid. Ze meende eigendomsrecht te hebben op een deel van de Zwartelaan, althans van af de — dezer dagen vernieuwde — Zwartebrug tot aan de Loosterweg. Aldus liet ze daar in het voorjaar van 1907 aan de zuidkant van  de laan  mooie boompjes zetten ……

En toen?

Klein Veenenburg

De Zwartelaan was nu binnen de invloed­sferen van drie grootmachten gekomen: Keukenhof/Wildlust, Veenenburg/Hardenbroek en M. Veldhuyzen van Zanten & Zonen. Het was algemeen bekend, dat er tussen deze supermachten niet veel liefde gespild werd. Op zekere morgen waren letterlijk alle mooie boompjes omgehakt. Wie dat gedaan had, wist men natuurlijk niet, maar iedereen wees naar Baron van Hardenbroek en zijn boschwachter. Erger­nis ……   In het najaar van 1907 wilde de firma Van Zanten toen de weg aan de Ge­meente Lisse schenken, maar deze hield zich voorlopig wijselijk op een afstand. Een paar jaar later, in 1910, plaatste de firma Van Zanten aan beide einden van de Zwartelaan een bord “Verboden Toegang”. In feite niet verboden voor iedereen, maar voor sommigen wél. Een andere zaak was de gasfabriek. De Gemeente had daartoe van “Piet van Rui­ten van Ter Specke” een perceel aange­kocht bij de Jannetjesbrug, waar later de “Tuinbouwwinterschoor werd gebouwd. Die plek bleek niet zo geschikt, men zocht een perceel aan een groot vaarwater, het liefst aan het Kanaal, en men had er al ver­schillende op het oog. Toen bood ineens de Heer Van Zanten, zelf lid der gemeente­raad, een stuk land aan, dat lag langs de Zwartelaan, vlak achter Wildlust, waar de oudste zoon van de eigenaresse van Keu­kenhof woonde. Uren lang is er in de raadsvergaderingen over gepraat. Aanhou­den, stemmen, alles verworpen. “Wat nu?” Graaf Van Lynden richtte zich tot de Raad in een rekest, om de fabriek vooral niet op het terrein van Van Zanten te stich­ten, omdat in dat geval het verblijf op Wildlust voor hem onmogelijk zou worden ge­maakt. De moeder van de graaf wilde de Gemeente Lisse zelfs f 2.000 schenken -dat was wat in die tijd! – als de fabriek geplaatst werd aan de Ringvaart. Boven­dien bood ze zelf een perceel aldaar aan. Daarop deelde de Heer Van Zanten mede, dat zijn firma een gelijk bedrag wilde schenken, als de fabriek wel op hun ter­rein aan de Zwartelaan zou worden gebouwd. Enz., enz.!!! Ten slotte kwam de fabriek aan het Kanaal, maar niet op het terrein aangeboden door “Keukenhof”.

Gebouwen van M. Veldhuyzen van Zanten & Zonen

Nu moeten we aan dit Lissese verhaal maar spoedig een einde zien te maken. Achter “De Nachtegaal” heeft de firma M. Veldhuyzen van Zanten & Zonen in 1910 haar royale bedrijfsgebouwen gezet (“De Lissers”, 25). Ze zijn juist dit jaar weer afge­broken. De Stichter van de zaak, die op zijn tachtigste jaar nog het ridderkruis van Oranje-Nassau kreeg opgespeld (“De Lissers”, 2), bouwde de villa Veenenburg, tussen de Zwartelaan en “De Nachtegaal”. Na het overlijden van de “Oude Marinus” werd — zeer wonderlijk — het huis ver­kocht, steen voor steen afgebroken en precies weer opgebouwd aan het “Laantje van Zwanendrift”. (Dit was, toen de Laan van Rijckevorsel nog niet bestond, de toegangsweg naar de boerderij Zwanendrift). De Heer L. Onderwater, die met de hyacint ‘Marconi’, een sport van ‘Cardinal Wiseman’, goede zaken had gedaan, bezat nu voor f 10.000 een ruime woning. Hij noemde het huis ook “Marconi”, en al­dus heeft Lisse nu haar “Marconilaan”. Ter plaatse van het afgebroken huis werd in de typische stijl der twintiger jaren een nieuwe villa “Veenenburg” gebouwd, die thans op haar beurt op de sloper wacht. In 1911 liep het met de prachtige buiten­plaats Veenenburg ten einde. De eigenaar, Arnoud baron van Hardenbroek, had zand nodig voor zijn steenfabriek en verkocht Veenenburg uit de hand aan de firma Gebrs. Driehuizen. In 1913 werd het huis gesloopt en een jaar later was de gehele buitenplaats reeds veranderd in tuingrond. De steenfabriek voer er wel bij!

DeE PRINSESSENFEESTEN; De rommeling. (95)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

(Uit een krant van 28 mei 1909)

Gisteren heeft men te Lisse, zoo wordt ons geschreven, de geboorte van Prinses Juliana feestelijk gevierd. Het was niet zonder reden, dat de dag van Donderdag enigszins met vrees werd te gemoet ge­zien door de Lissers, want het weer was reeds een paar dagen in de war en het was lang niet zeker, dat het gisteren goed zou zijn. Maar gelukkig, wel was de lucht niet geheel wolkeloos, maar toch deed het zich aanzien, dat het wel zou schikken. Reeds vroeg in den morgen wapperde van schier alle woningen de driekleur met oranje-wimpel, zoodat het, waar men ook keek, overal op een vlaggenrij geleek. Het feest werd te acht uren met klok­gelui begonnen en voortgezet met koraal-muziek in de tent van het Vierkant, uit­gevoerd door de muziekvereeniging “Eens­gezind” en onder leiding van haar direc­teur, den heer G. Verhey, te Leiden1.

  1. Foto’s van “Eensgezind” in “Kent U ze nog, de Lis­sers”, nrs. 41 en 42.

Te halfnegen begon de aubade van de kinderen der hoogste klassen van alle scho­len, waarna de kinderen, circa 1000 in getal, in optocht door het dorp gingen, opge­luisterd door een tweetal muziekkorpsen. Op dat uur was er reeds een zeer groote menschenmassa op de been, om de mu­zikale wandeling der kinderen gade te slaan. Deze optocht werd beëindigd met een defilé, waarna de kinderen zich naar hun respectieve schoolgebouwen begaven, waar ze rijkelijk onthaald werden op versnape­gen van allerlei aard. Te tien uren begonnen de volksspelen op het land van den heer L.L. Rijneveld aan den voormaligen Rijkstol, welke be­stonden in hardloopen, ringsteken, turfrapen, enz. en opgeluisterd werden door muziek.

Onderwijl gaf de muziekvereniging Eensgezind” een concert in het Vierkant hetgeen duurde van elf uren tot halféén. De versiering was in één woord prach­tig. Niemand had vooraf kunnen denken, dat de ingezetenen zelven er zooveel werk van zouden maken. Vanwege de feestcommissie waren een drietal poorten geplaatst aan den ingang van het Vierkant, in den vorm van ouderwetsche stadspoorten. Deze poorten waren zoo natuurlijk nagebootst, dat men werke­lijk oude verweerde steenen poorten meen­de te zien. Eén daarvan droeg het jaartal 1536 en een ander 1572. Deze poorten maakten een eigenaardig effect. Om van vele particuliere versieringen afzonderlijk melding te maken, is gewoonweg onmo­gelijk; vandaar, dat wij meenen te kunnen volstaan met te zeggen, dat de Hoofd­straat over haar geheele lengte prachtig was, terwijl de Grachtweg met de ver­sierde schepen in de haven en den met tallooze vlaggetjes versierden windkorenmolen, een prachtig effect opleverde. De Kapellesteeg, de Bondstraat, Vreewijk en Oosteinde waren eveneens zeer mooi.3 Behalve de prachtige gevel- en tuinversieringen waren er ook nog zeer vele en mooie etalageversieringen.

  1. De Kapellewei lag oostenlijk van de Kapelstraat. Daar stonden na het roten van het aangevoerde vlas de kapellen of ruiters met vlas op het weiland. Het Oost­einde — waar in de zomer de zon opkomt, dus meer naar het noorden! — is het noordelijk stuk van de Heereweg. De Kanaalstraat heette tot 1910 Broekweg, de weg naar de Lisserbroek. De huidige Broekweg heette toen Kruisweg en nog eerder “Quadewech”, wegens de toestand van het wegdek, (Kwaad beteken­de slecht), De tol was ongeveer waar thans de Oranjelaan uitkomt op de Heereweg

Het was zoo zoetjes aan twee uren geworden; het tijdstip, waarop het glanspunt van het feest een aanvang zou ne­men, namelijk de historische optocht, voor­stellende den Stamboom van Oranje. De menschenmassa was intusschen zoo buiten­gewoon aangegroeid, dat het één menschenzee was. Te circa half drie zette de stoet zich op het terrein van den heer L.L. Rijneveld in beweging naar de Nachtegaal, om van daar over het buitengoed van Graaf Van Lijnden4 langs de Hoofdstraat naar het Vier­kant te gaan en vervolgens verder langs de Vuursteeg en den Achterweg naar het Vierkant terug te keeren. Van daar ging het den Stationsweg op naar het kasteel “Keukenhof” en vervolgens terug naar den Broekweg3 over de Kapelleweide naar den Grachtweg, om van daar langs het Vier­kant en de Hoofdstraat weer terug te kee­ren naar het uitgangspunt, waar de stoet werd ontbonden.

Wat den optocht zelve betrof, deze was in alle opzichten schitterend en bestond uit 112 gekostumeerde personen, waarvan 48 te paard, benevens een groot aantal an­dere personen.

  1. Wildlust, “Ansichten” blz. 32.

Om ons alleen te bepalen tot de hoofdpersonen, was de volgorde als volgt: Juliana van Stolberg en Willem van Nassau, Marnix van St.-Aldegonde, Willem l, Prins van Oranje, met Louise de Colligny, Jan van Nassau, Lodewijk van Nassau, Adolf van Nassau, Hendrik van Nassau, Prins Maurits, Prins Frederik Hendrik, Prins Willem II, Stadhouder Willem III en Maria, Hertogin van York, Hendrik Ossimir II, Jan Willem Friso, Prins Willem IV, Prins Willem V, Koning Willem l, (D. Guldemond)5, Koning Wil­lem II (Joh. van der Mey)6. Hierna volg­den: Koning Willem III (F.M. Verduyn)7 en Koningin Emma (mevr. A. Theissen-Reckers)8, alsmede Koningin Wilhelmina (mej. Marie Pijnacker)9 en Prins Hendrik (Leo van der Mey), gezeten in twee open Landauers, elk bespannen met vier zwarte paarden. Daarna Hertog Friedrich en Hertogin Marie van Mecklenburg. Behalve de hoofdpersonen was de stoet aangevuld met pages; herauten, hellebaar­diers, musketiers, hofdames, officieren, enz. Nog waren in een open rijtuig, bespan­nen met twee zwarte paarden, gezeten: twee hofdames, een hofmaarschalk en een generaal-adjudant. De stoet werd vooraf­gegaan door bereden politie. De feestcommissie, waaronder de eere­voorzitter jhr. von Bönninghausen tot Herinckhave, was gezeten in twee open rijtuigen, elk met twee zwarte paarden bespan­nen.

  1. “De Lissers”, nr. 35.
  2. Van G. v.d. Mey’s Zoonen, kantoor aan het Vierkant, waar nu het nieuwgebouwde makelaarskantoor staat met die hoogopgetrokken en witgeschilderde clownswenkbrouwen.
  3. Van de graanhandel aan het Kanaal.
  4. Van het Vierkant, “Ansichten”, blz. 15.
  5. Idem, “Ansichten” (zoals alle vorige “deel 1”), blz. 11. Het verslag is waarschijnlijk van A. Raaphorst Hzn.

In den stoet bevond zich voorts een groep Scheveningsche meisjes en een groep Haagsche burgeressen, en achter het rij­tuig van de Koningin en den Prins een sectie grenadiers. Voor en achter in den stoet bevonden zich muziekkorpsen. Te zeven uren begon weer de muziek in de tent, welke tot tien uren heeft geduurd. Ons blijft nog over te vermelden het ver­loop van de illuminatie. Was het weer buiten aller verwachting den geheelen dag reeds prachtig geweest, zoodat alles naar wensch was geslaagd, niet minder was het buiten aller verwach­ting, dat de wind tegen den avond geheel ging liggen, zoodat ook de verlichting ge­heel tot haar recht kon komen. Bij geen benadering durven wij het aan­tal vetpotten en lampions schatten, want het was eenvoudig legio. Toen dan ook de duizenden vetpotten en lampions, alsmede de op vele plaatsen aangebrachte gasverlichting was ontstoken, baadde het dorp in een zee van licht. Was de illuminatie aan het Raadhuis en aan bijna alle particuliere woningen in de kom van het dorp prachtig te noe­men, het allerprachtigst vonden wij toch de tuinilluminatie, bij zeer vele villa’s aangebracht. De tallooze oranjekleurige lampions tusschen het frissche groen der boomen, en de perken en gazons, om­lijst met vetpotten, scheen ons betooverend toe. Geen wonder dan ook, dat die wijze van verlichting vooral tal van belangstellenden trok, die allen vol bewondering waren over het heerlijk mooie effect, dat zoo’n verlichting op een stillen, prachtigen avond in Mei kan opleveren. De groote lichtstoet vertrok later dan was aangekondigd, wat echter niet weg­nam, dat de belangstelling hiervoor bijzon­der groot was. Opgeluisterd door muziek, trok de met brandende fakkels verlichte stoet door de verlichte en met jubelende menschen bevolkte straten, op vele plaat­sen begroet door het afsteken van ben gaalsch vuur en vuurwerk. Wij zijn hier aan het einde van ons feestverslag niet, omdat wij hiervan niets meer weten te vermelden; integendeel, maar omdat wij anders te veel ruimte zouden moeten vragen. Zoo ver ons bekend is, is geen enkele wanklank vernomen tusschen de spontane vreugdezangen van het feestvierende dorp, zoodat wij met een gerust hart kunnen melden, dat het feest een ordelijk verloop en einde heeft gehad. Nog wagen wij het ook, zonder overdrijving neer te schrijven, dat het onze meening is, dat Lisse op een alleszins waardige wijze de geboorte van prinses Juliana heeft gevierd, en dat deze mooie feestdag bij ons Lissers niet alleen, maar ook bij het groote aantal vreemde­lingen, dat deze gemeente gisteren heeft geherbergd, een aangename herinnering zal achterlaten. Nog rust op ons de plicht om een woord van hulde en waardeering te brengen aan de feestcommissie, die alles in het werk heeft gesteld om een waardig en schoon feest te organiseren, en daarom dan ook verheugen wij ons van harte, dat de comm. het groote genoegen heeft kunnen smaken van tevredenheid over haar werk, en dat zij den indruk heeft gekregen, dat de geheele gemeente een dankbare herinnering zal blijven behouden aan den dag van gisteren.

De Heer Raaphorst schrijft nog naar aan­leiding van de feesten in 1909 in zijn “Aanteekeningen”: “Ter gelegenheid van dit feest had men een drietal oud-Hollandsche Poorten opgetrokken, zoodanig dat het Vierkant geheel was afgesloten. De mooiste en grootste poort was geplaatst aan de in­gang van het Vierkant bij het Hotel de Wit­te Zwaan. De andere poorten stonden aan de ingangen van de Grachtweg en bij de woning van de heer C.H. Wolff.” (Lisse in oude ansichten, deel 1, blz. 16.) “Deze poorten vielen zoozeer in de gezetenen en vreemdelingen, dat deze nog 14 dagen na den dag van het feest het dorp hebben versierd.” Ten slotte zijn de poorten toch echt wel verdwenen. Maar zie, l’histoire se repète, de geschiedenis herhaalt zich. Toen in 1950 voor het eerst de bloemententoonstelling “Keukenhof werd geopend, kwa­men er weer nieuwe poorten te staan. Jacoba van Beyeren reed er met haar jachtstoet onderdoor. Ze zal wel wat verwon­derd hebben gekeken, want het zal haar ongetwijfeld toch wel bekend zijn geweest, dat Lisse nimmer stadsrechten heeft ge­kregen. En ze heeft de poort toch echt wel goed gezien, want ze had een bril op!

 

DE LISSESE SPOORWEGKWESTIE; De rommeling. (77)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Het is bekend, dat bij het aanleggen van de spoorweg Haarlem-Leiden over het terrein van Veenenburg de eigenaar, de Heer J. Leembruggen, alleen toestemming gaf, als de stoptrein ook aldaar, aan de Frederikslaan, juist over de grens met Hillegom, indien hij dat wenste, zou stoppen. Het­geen eindelijk werd geaccordeerd. Daar­over leest men uitvoeriger in “Keukenhof”, blz. 157/59. De Heer Leembruggen maakte er geen misbruik van; het was voornamelijk voor de kinderen, die in de stad naar school gingen. Een en ander gaf echter wel aanleiding tot de langslepende “Lissese spoorwegkwestie”. We lezen in de “Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij 1839-1889”: Het had aanvankelijk in het voornemen gelegen, om in plaats van te Veenenburg, zoals werkelijk geschiedde, aan de Hillegommerbeek en aan de Lisserweg een halt te ves­tigen. Bij de onderhandelingen over de onteigening van de bij Veenenburg liggen­de gronden, bleek de eigenaar evenwel zóó onhandelbaar, dat men tegenover de overdreven eischen wel genoodzaakt was te voldoen aan zijn verlangen, en dus te Veenenburg een halt moest vestigen, ofschoon dat station veel ongunstiger ten opzichte van de dorpen gelegen was.

 

Is dit station Veenenburg? redactie website)

In verband met de korte afstanden waarop deze halt van de geprojecteerden te Hillegommerbeek en aan den Lisserweg zou liggen, werd toen besloten van het vesti­gen van beide laatstgenoemde halten af te zien. Doch wat geschiedde? Over de Hillegommerbeek en den daaraan evenwijdig loop­enden weg, moest een brug gebouwd wor­den, waarvoor toestemming moest wor­den verkregen van den eigenaar. Deze wei­gerde haar evenwel te verleenen, indien ter plaatse geen halt gevestigd werd. “Z. Hg. WelGebooren” — aldus klaagde men in een brief aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, waarin werd aangedron­gen op een nieuw wetsontwerp voor de ont­eigening — “Z. Hg. Welgebooren muntte bij die onderhandelingen niet minder (dan de eigenaar van de Veenenburgsche gronden) uit in volslagen onhandelbaarheid, zoo zelfs, dat er met dezen eigenaar over de zaak niet te spreken was, zonder de drif­ten op een hooggaande wijze gaande te maken.” Er viel dus niets aan te veranderen: alleen werd eindelijk en met de meeste moeite verkregen, dat slechts één trein per dag in iedere richting behoefte te stoppen. Dat men er nu van afzag, ook nog aan den Lisserweg te stoppen, niettegenstaande de belanghebbenden hierop later aandrongen, ligt voor de hand. Nu lezen we in “Spoor- en tramwegen, 37e jrg, nr. 15”, het artikel van Ir. B.W. Colenbrander.

“Vanaf de aanvang der exploitatie bestond reeds 1 1/2 km ten noorden van Veenenburg, een stopplaats Hillegommerbeek, eveneens ter wille van een landeigenaar, waarbij men in de aanvang was overeenge­komen dat daar slechts één trein per dag in iedere richting zou stilhouden. Het stoppen aldaar impliceerde tevens een stop te Veenenburg krachtens de bestaande overeenkomst. De H.IJ.S.M. wilde nieuwe stations Hillegom en Lisse bouwen en het station Veenenburg laten vervallen en knoopte daartoe onderhandelingen aan met de familie Leembruggen, die echter geen afstand van haar aanspraken wilde doen. Bij arbitrale uitspraak in 1895 werd de H.IJ.S.M. in het ongelijk gesteld. Deze zon toen op andere middelen om het ge­stelde doel te bereiken. Er werden twee nieuwe stopplaatsen (hulpstations) geopend: Hillegom, 1 km ten noorden van Hillegommerbeek en Delfweg tussen Veenenburg en Piet-Gyzenbrug.

Is dit station Veenenburg? (redactie website)

De stoptreinen zouden derhalve te Voge­lenzang, Hillegom, Hillegommerbeek, Veenenburg, Delfweg (later omgedoopt in Lisse), Piet Gyzenbrug, zes maal op een traject van elf km moeten stoppen. De dienstregelingen moesten worden goedge­keurd door de minister van Waterstaat, op advies van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten. Het is zeker dat H.IJ.S.M. de Raad van Toezicht terzake heeft ingelicht en onderhands geadviseerd heeft een stopplaats te laten vervallen i.c. Veenenburg. Die opzet is gelukt. Voor de dienstregeling welke 1 oktober 1896 zou aanvangen diende de H.IJ.S.M. een ontwerp in waarbij de, uit hoofd der overeenkomst, voorgeschreven stoppingen voorzien waren. Het ministerie wijzigde het ontwerp in dier voege dat alle treinen te Veenenburg moes­ten doorrijden en deed daarvan mede­deling aan de H. l J.S.M. De Maatschappij protesteerde (23 sept.), maar de minister besliste dat het haltegebouw gesloten moest worden, hetgeen kenbaar werd door plaatsing in de Staatscourant dd. 27/28 september. De mise-en-scène was compleet omdat in de vroege morgen van 1 oktober een dis­trictsinspecteur van het Spoorwegtoezicht, een Rijksingenieur der Spoorwegen en Rijkspolitie naar Veenenburg gedirigeerd waren. De stationschef trachtte het sta­tionsgebouw binnen te gaan, hetgeen hem werd belet; de beveiliging werd ingevolge opdracht van de Raad van Toezicht en op schriftelijke last van de minister afgekop­peld en de sluiting door aankondiging ter plaatse openbaar gemaakt. De Maatschappij stelde op 5 oktober bij deurwaardersexploit de Staat aansprake­lijk voor de gepleegde handelingen. Over­macht was dus in optima forma aanwezig en daar was het juist om te doen; dit was de enige uitwijkmogelijkheid voor de H.IJ.S.M. De familie Leembruggen zat niet stil. Zij dagvaardde de Maatschappij, die op haar beurt de Staat in vrijwaring opriep. De Arrondissements Rechtbank te Amsterdam overwoog dat de overeenkomst van 1842 gesloten was vóórdat de eerste Spoorweg­wet (van 1859) tot stand kwam. De Rechtbank aanvaardde het beroep op over­macht van de Maatschappij en veroordeel­de eiser in de kosten. De erven Leembrug­gen gingen in hoger beroep, zodat de zaak in februari 1901 diende voor het Gerechts­hof te Amsterdam. Wat de hoofdzaak be­treft bleef de beslissing, zoals deze door de Rechtbank genomen was, doch de verde­ling der kosten werd iets gewijzigd. Daarmee was voor de erven Leembruggen de zaak afgedaan. Het nieuwe station Hillegom kostte f 150.000, dat te Lisse bijna f 200.000.

“De Locomotief’, 19 augustus 1896: Te Lisse is eene druk bezochte openbare ver­gadering gehouden naar aanleiding van de kennisgeving aan het gemeentebestuur, dat het station Veenenburg met 1 October op­geheven en vervangen zal worden door twee halten, eene meer in de nabijheid van Lis­se, de andere meer in die van Hillegom. De vergadering vereenigde zich eenstemmig met eene motie, uitdrukkende, dat die op­heffing, waardoor eene belangrijke vermin­dering van stoptreinen zou ontstaan, eene ramp zou wezen voor de gemeente Lisse, die daardoor een gevoelig verlies in haar belangrijk handelverkeer, en alzoo in hare welvaart zou lijden. Besloten werd eene commissie te benoemen om uit naam van de gemeente onverwijld en met den mee­sten nadruk bij de autoriteiten, die op de opheffing en ook op de handhaving van het spoorwegstation Veenenburg invloed kunnen uitoefenen, aan te dringen op het behoud van gemeld station” Het Maandblad der Ned. Ver. van Spw. Ambtenaren” gaf volgens “De Locomotief” van 14 october 1896 op de volgende wijze van de sluiting van het station Veenenburg aan haar lezers kennis.

O, lezer ‘k kom met een doodsbericht,

Met een diep en diep bedroefd gezicht:

Veenenburg, bekend of onbekend, om ’t even,

Is niet meer in leven!

Voorheen stopte daar een enkele trein,

Toen, de meesten van de lijn,

En   thans   ……   thans   blijft   de   toegang dicht

Al zetten de burgers een kwaad gezicht.

Mijnheer Leembruggen, ontevreden

Dat te Veenenburg vele treinen doorreden,

Dwong de H.IJ.S.M. op reden van contract

Tot  stilhouden   van   schier alle   treinen, exact!

Maar de Minister van Waterstaat

Hield een praatje met den Raad,

Maakte al dat dwingen uit

En gaf bevel: “Veenenburg sluit!”

Zoo ging dus Veenenburg te loor,

Alle treinen rijden 1 October door.

Te Lisse en te Hillegom nemen ze nu rei­zigers op,

Al staan de Veenenburgers ook op hun kop!

Ja, Ja, dat komt ervan,

Als men ’t onderste wil uit de kan!

Als men thans de lege stations Hillegom en Lisse ziet, dan vraagt men zich af, waar al die boosheid en al die ergernis toch eigenlijk voor nodig is geweest. Wat is er toch veel nutteloos gedoe op de wereld, als je het achteraf bekijkt.

 

 

Veenenburg

LISSER BAARZEN!; De rommeling. (73)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Lisse is nu alom bekend vanwege haar “Keukenhof”. Al eerder waren er de bloeiende bloemenvelden en eeuwen lang sprak men over Lisse vanwege het uitge­breide turfsteken op de veenderijen. Tot aan het droogleggen van het Haarlemmer Meer was Lisse ook befaamd wegens de beroemde Lisser baarzen, die je ook ner­gens zo lekker als in Lisse zelf kon eten. A.W. Kroon schrijft daarover in de “Te­genwoordige staat van Zuid-Holland” van omstreeks 1860.

“Langs een aangenamen weg bereiken wij het naburige dorp Lisse, dat bijna gelijke voortbrengselen oplevert als het pas verla­ten Hillegom. Vroeger was de veenderij hier een der voornaamste takken van be­staan, thans echter beoefent men er voor­namelijk den landbouw, de veeteelt en be­reidt men er boter en kaas, welke tot de Leidsche soorten worden gerekend; voorts teelt men er bloemzaden, kruiden, veler­lei groenten, terwijl de afgezande streken zijn bepoot met aardappelen en de duingronden met houtgewas. Wordt Hillegom om zijne bevallige ligging en verscheidenheid, welke de natuur ons aanbiedt, door zeer velen bezocht, grooter stellig was het aantal vreemden, dat zich vroeger gedurende het zomerseizoen naar Lisse begaf. Het dorp had den roem ver­worven, dat nergens een zoo smakelijk geregt van geschubde waterbewoners kon worden genoten als hier in deze plaats. Geen baars in het gansche land was zoo blank van visch, zoo fijn van smaak, geen kok ter wereld in staat zoo het juiste ogenblik te bepalen, waarop de visch aan het ziedend vocht moest worden onttogen om hem dien graad van hardheid te doen verkrijgen, waarvoor de baars van Lis­se zoo heinde en verre was beroemd. Dui­zenden bij duizenden begaven zich elken zomer als in bedevaart herwaarts. Onuit­puttelijk was de bron, welke dit smakelijk geregt in den ruimsten overvloed tot in de verwijderste tijdperken scheen te zullen opleveren. Maar hoe wuft en onbestemd is alle menschelijke grootheid! Hoe zwak de grondslag van het gebouw, hetwelk men hier voor het laatste nageslacht scheen te hebben opge­trokken en dat, ter naauwernood voltooid, reeds tot een puinhoop werd! Het onaf­zienbare meer in de nabijheid van het dorp gelegen, was de onuitputtelijke bron, welke gedurende eeuwen onberekenbare winsten aan deze nederige landelijke gemeente be­loofde. Met het oog der verbeelding had welligt menigeen het dorp de grootste herscheppingen zien ondergaan. Reeds waren ten gevolge daarvan gebouwen verrezen, gelijk Lisse vroeger nimmer had aan­schouwd. En de naburige hoogeschool te Leiden gevestigd, welke ruime voordeelen bragt zij het stille dorp, vooral sommige zijner bewoners niet aan! Waren deze bei­de rijke bronnen niet in staat het dorp een ongekenden, voorbeeldeloozen trap van welvaart te doen bereiken, en dit te meer dewijl elk op zich zelve niet slechts onuit­puttelijk scheen, maar allengs ruimer cijns beloofde? Maar het Haarlemmermeer werd met een hoogen ringwal omsingel, de gol­vende vlakte in een starren bodem her­schapen en de geschubde bewoners, waar­op Lisse zo trotsch was, verdwenen schier geheel. Andere oorzaken oefenden gelijken invloed uit op de andere, vroeger zoo mildelijk vloeiende bron. Wat baat het den bewo­ners eener verwijderde streek, vroeger ruim besproeid door het kristalheldere vocht eener beek, of zij later nabij haren oor­sprong of op een geringen afstand van daar in den grond wegsijpelt? Het gevolg is toch voor hen hetzelfde”. Enz., enz.

Ik denk, dat de heer Kroon met Gerrit Veldhorst, de waard in “De Witte Zwaan”, heeft gesproken. Hij had van de “geschubde waterbewoners” en de liefhebbers daarvan en tevens ook van de Leidse stu­denten het meeste voordeel!

HEREN STUDENTEN IN LISSE; De rommeling. (58)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Lisse is om twee redenen eene der merk­waardigste dorpen van Rijnland. Vooreerst, zoo boschrijk als het daar in natura staat, zoo kaal en verlaten in script/’s1 staat het tusschen de tallooze dorpen in den omtrek, overrijk die zij allen zijn in legenden en historische bijzonderheden. Zulks in be­trekking tot den ouden tijd. Voor den toe-komstigen oudheidvorscher zal Lisse ech­ter rijker zijn in overleveringen dan eenig ander Bataafsch, Saxisch of Romeinsch Nederlandsch dorp, want aldaar leefde en leeft nog mijne tweede reden, thans het sieraad, de weldoener, later voorzeker de held van Lisses kronijken, onder wiens vijfendertigjarig gastvrij jong en oud die­nend bestuur, tooneelen voorvielen vol opgewondenheid en joligheid, wier herin­nering den versufden grijsaard sneller het bloed in de aderen zal doen stroomen, en hem de beste jaren zijns levens, de geurige en kleurige Studententijd herinne­ren.

  1.  In geschriften

Daar stond hij vader VELDHORST mijne tweede reden, zijn nederig petje in de hand in de deur der van ouds beroemde Zwaan1 te wachten tot de aanrollende Sociable2 blijkens het, boven het ratelen der wielen uit hoorbare gesprek, met zijne gewone gasten met Studenten gevuld, stilgehou­den had. De zachte lentewind deed de lokken van zijn vlasparuikje toen hij met verweerde hand het portier opende, even zoo wel rondzwieren, als die van den vrolijken jon­geling, toen deze met den gullen uitroep “dag Vadertje! den ouden man bijna in de armen vloog.” En hoewel het van een wind hij moge dan uit het noorden of zuiden komen, volstrekt niet aardig is, een grijsaard zoo onmeedoogend te plagen, op dat oogenblik zou het zelfs den teergevoeligsten aanschou­wer niet gehinderd hebben, want hij maak­te dien grijsaard, voor één oogenblik van buiten wat hij altoos van binnen was, jeug­dig. Zoo spoedig zulks mogelijk, door al­lerhande tombades en sauts per/l/ieux3, had zich het halve dozijn uit het rijtuig ge­werkt, en stond in een cirkel om Lisse’s juweeltje, den ouden man de handende drukkende, op den schouder kloppende, of omhelzende.

  1. “De Witte Zwaan”, evenals “De Deijl” te Wassenaar bij de studenten zeer geliefd.
  2. Een wagen, waarin men tegenover elkaar zit. –
  3. Valpartijen en gevaarlijke sprongen.

“Welkom Heeren op Lisse!” was de gulle ontvangst van VELDHORST. “Zoo vroeg in het jaar had ik nog geen bezoek ver­wacht, ik wil ’t wel bekennen: maar kom binnen! de Madera en Port staan te wach­ten, en geene onvrienden met hen, hoor! want het zijn geurige klantjes. Ik heb expres de oudsten en stevigsten boven doen komen, want de eerste partij van dit jaar, dient feestelijk ingewijd te worden.” ” ’t !s zoo mijne gewoonte,” vervolgde de oude, toen hij op aandringen den jongelui ook mede aan tafel hoewel iets ter zijde was gaan zitten, ” ’t is zoo mijne gewoon­te — de eerste partij in het jaar krijgt voor Doctor Snel altijd mijne oudste fleschjes. Vijfendertig jaar was zulks mijn gebruik, en zal zulks, zoo lang Leyden mij niet ver­geet, blijven.” Een luid bravo! loonde den goedhartigen oude, die zich echter spoedig daarop ver­wijderde, onder voorwendsel van de tafel in orde te brengen, en in de keuken een waakzaam oog te houden. Het uurtje vóór het diner in jolig gezel­schap, en onder een glas oude Port doorgebragt, is niet ongelijk aan een éclaireur1 zoo snel vliegt het voort, ten minste zoo vond het het zestal, toen de knecht kwam zeggen dat de tafel gereed was. Niet zonder weerzin scheidden zij van de benedenkamer en hare portwijn. De hoop echter, van boven, bij de hartige Rosbeaf eene tweede editie het licht te doen zien, versterkte bij het trappen klimmen hunne reeds eenigzins wankele schreden. Het diner was goed en het gesprek opgewonden, meer dan anders gewoonlijk het eerste uurtje te beurt valt.

  1. Verkenner. Misschien is bedoeld “éclair”, bliksem­schicht.

Geen meisje echter zoo schoon, of zij heeft eene groote mond of zomersproeten, of het een of ander negatief sieraad, hetzij van boven of beneden, uiterlijk of innerlijk, geen paard zoo gitzwart of er is niet een wit vlekje aan, geene tafel zoo keurig, of de een of andere schotel is niet zoo als het behoort. Ook de eetzaal van de Zwaan bevestigde deze waarheid. Want de zoo lekker schij­nende haas, lekkerder nog dewijl een ge­dienstige genius of jagtopziener hem, tot groote verwondering van Vader VELD­HORST, den vorigen avond in de keuken scheen vergeten te hebben, (want den ouden man die gedurende zijn leven zoo vele Juristen bij zich aan tafel zag, durven wij van geene overtreding der jagtwetten verdenken) was oneetbaar. Niet dat het ver gevorderd saisoen, de smakelijkheid der ver­boden vrucht vermindert, au contraire, maar de jongelui vielen niet in de categorie van menig Hoog Edel Gemaakt Heer, bij wien de meeste aanbeveling is, volle zestien kwartieren in zijn wapen te voeren.1 Overigens was er niets dat het materiele of immateriële van den maaltijd stoorde, en toen de laatste schotel rondgediend was, en allen moede waren van het strijden te­gen een’ weltoegerusten pikanten vijand2, zeldzaam verschijnsel voorwaar aan de Leydsche tafels, maakte het woordeken pause een einde aan den tweeuurigen tafelkamp, en gaf de moede strijders in het doorwandelen van Lisse’s omstreken gelegenheid nieuwe krachten te verzame­len, en de gedienstige geesten uit de Zwaan, de doorhakt en doorkerfde verschansingen te vernieuwen, de lijken te begraven, en versche benden in de plaats te stellen.3 Onder de weinige toestanden waarin de mensch zijn waarde als mensch gevoelt, waarin, ik wil niet zeggen zijne hooge be­stemming, maar zijn zedelijk overwigt als het ware in zonnehelderheid voor zijn geest zigtbaar wordt, is voorzeker het uurtje na een lekker diner.

  1. In deze zinnen is een woordspeling verborgen. Iemand “met zestien kwartieren in zijn wapen” moet wel een hoog-adellijk persoon zijn. Zo iemand geniet het meest van “het haas” als het reeds enige tijd gelegen heeft en “adel(l)ijk is. Naar de smaak der studenten had dit haas echter al te lang gelegen.
  2. De drank, de versufdheid, de slaap?
  3. Ze hebben de gerechten duchtig “aangevallen”. Er worden nieuwe spijzen gereed gemaakt. De “lijken”, lege flessen, worden geruimd en volle in de plaats gesteld.

De waarheid hiervan welke door de oude Philosophen reeds als axioma werd gehul­digd, en waarop tot in den tegenwoordigen tijd toe, (vid. 1) Geleerd. Genoot­schappen, Nutten etc. etc. in voce2) im­mer voortgebouwd wordt, aan u practische zoo wel als theoretische beoefenaars en be­wonderaars aan te toonen zou onnoodig zijn. En toch is het een onderwerp te rijk aan studie en door mij con maggiore amore 3) herdacht, dan dat ik het zoo maar zou wegwerpen, evenals een uitgerookte cigaar of het volumineuse middeleeuwsche dic­taat van Prof. X te …… niet te Leyden. Het ligchaam niet alleen, maar ook de geest ondergeschikt die zij is, geniet een zeker bien être 4) men gevoelt zich zoo wel, zoekt vrede met alle menschen en zou zijn ergsten vijand vergiffenis schenken. En wanneer de Manilla dan ontstoken wordt, en hare blaauwe geurige rookwolkjes, met de zenuwtepeltjes van uw reukorgaan darte­len — zie! ik geloof dat er niets noodig is dan het sluiten der oogen om den ouden Solon in zijn antwoord aan Croesus tot een leugenaar te maken 5). Ook het zestal gevoelde dezen invloed.

  1. Videlicet, namelijk.
  2. Om ze te noemen.
  3. Met grote liefde.
  4. Een zich welbevinden.
  5. Volgens Herodotus heeft de wijsgeer Solon uit Athene aan koning Croesus van Lydië, beroemd door zijn rijkdom, en mildheid, een bezoek gebracht. Hij sprak hem over de vergankelijkheid van het aardse geluk

Ongemerkt toch had zich de korte voorgenomene wande­ling rondom Lisse uitgestrekt, en toen zij het regte pad naar de Zwaan dachten in te slaan, droomerig, sentimenteel of opge­wonden zoo als zij, naarmate hun karakter medebragt daar rond — soesden — dwaal­den of – zwierden, zagen zij zich eensklaps verplaatst door de overblijfselen van het vroeger zoo bekende, thans vergeten Huys Deveren, éénmaal door een der edelste ge­slachten van vorige tijden bewoond, thans het eigendom van een vreemdelingMathias A. Baron Heereman van Zuydtwijck) , on­bewoond en verlaten. En reeds was de zon achter Noordwijks duinen in zee gezon­ken.

De roode tint waarmede het landschap als overgoten was, begon dra in een donker vaal over te gaan. Aan den Oostelijken hori­zon was het laatste zonnerood reeds geheel verdwenen en had voor een grijsachtig blaauw plaats gemaakt, waartegen de om­trekken van den Leeghwater4 zich spook­achtig zwart afteekenden. Zoo ééne is zulk eene gelegenheid gunstig, idealen en herin­neringen in het voor indrukken zoo ont­vankelijke jongelings gemoed op te wekken, de sluimerende vonk der poëzij en van het genie in eene zon te herscheppen, verwar­mend en koesterend, lichtend in het tegen­woordige en in de toekomst. “Gelukkig die één oogenblik zulk een genot mag smaken.” Daar klonk op vleugelen van den wind ge­dragen, verwijderd, de toonen van een hoorn. De postillon naauwgezet opvolger van het bevel om wanneer het dessert ge­reed was, het sein te geven, was de tooneelschel die voor eene korte doch aange­name scène het gordijn doet vallen. “Alles op zijn tijd,” sprak KEES, zich ge­weld aandoende, terwijl hij in twee spron­gen op de chaussee 5) stond. — “Allons jongens! wees geen stiefpapa’s voor je aardsche tabernakel 6) het wordt reeds duister, het dessert roept ons, de flesschen en toasten smachten het licht te zien, “helaas het kan niet anders, zoo als Napo­leon zei — op den terugtogt!”

  1. Het stoomgemaal is van 1843-45 gebouwd bij De Kaag. Alleen de Cruquius heeft zijn oorspronkelijke vorm bewaard.
  2. Straatweg.
  3. Je buik.

O! het was een schoon gezicht eene groep onzen TROOST3 waardig, van de partij toen de Lissertoren hare elf slagen galmde eens een kijkje te nemen. Niet op het tafellinen dat een ligt matroos4 voor een zeekaart zou aanzien, noch op die gebroken flesschen en glazen, noch op die vier bleeke jongelui in verschillende positien ingeslagen, noch op die verdachte hoopen zand ais of er eene executie zou plaats hebben, zou zijn oog blijven rusten5 — maar op die groep, waar grijsheid en jeugd, rustige ouderdom en levenslustige jongelingsjaren, broederlijk vereenigd het schuimende glas bedaard bleven ledigen. Op verzoek der beide jongelui, eenigzins gehavend maar toch levend uit den bloedeloozen tafelslag overgebleven, zat de waardige oude — wiens welwillend karak­ter niets, zijn kladboek misschien eenig­zins, in grootheid evenaart — een glas champagne tot afscheid te drinken. “Maar Vadertje,” — sprak een der twee die zoo hij in een meer uitgewerkt verhaal dan in deze vlugtige schets voor mogt komen, voorzeker het karakter van een’ menschen-kenner zou ontwikkelen. — Maar Vadertje! we zijn nu al zulke oude kennissen en je weet dat ik magtig veel van je hou, en toch heb ik nog nooit van je vorig leven iets hooren vertellen.

  1. Cornet is Troost (1696-1750), bekendste Hollandse schilder van de 18de eeuw. Hij schilderde voorname­lijk portretten en komische genrescènes.
  2. Lichtmatroos, aankomend matroos.
  3. Op de plaats der terechtstelling bevond zich altijd zand of zaagsel om het bloed op te vangen. Als er ge­morst was of overgegeven strooide men zand op de vloer.

Mij dunkt je moet al zoo wat gezien en bijgewoond hebben. “Ja wat zal ik zeggen Meneer, goed en kwaad heb ik ondervonden zoo als ieder mensch te beurt valt. Het weinige kwade ben ik vergeten, en het goede, zie! dat houd mij de lange winteravonden als de Zwaan leeg en verlaten is gezelschap.” — Maar Vadertje! hoe is het mogelijk dat je dat alles nog herinnert? “Wel,” antwoordde de oude, “U denkt toch niet dat VELDHORST geen verbeel­ding meer heeft? Neem Meneer, op dit oogenblik zie ik U daar niet zitten, maar Uw Papa in zijn tijd een olijke snaak, hoe klein of hij was, en die ook de Zwaan, meer dan van hooren zeggen, kende. En kijk! de volgende dag, ik herinner het mij nog als of het gister gebeurd was, had ik een deftige partij van een geleerd Ge­nootschap. Er waren ook verscheiden’ Professoren — ik geloof dat er onder de Heeren zijn, die nog bij sommige collegie houden, — Ja ja! maar daarom niet minder vrolijke gasten, natuurlijk zulke wilde par­tijen niet zoo als die van de Jagers in 311, alles bedaarder, want onderscheid moet er wezen, maar toch van binnen, in het hart want daar zit de regte vrolijkheid, even warm als in hun studententijd.”

  1. Tijdens de Belgische opstand trokken in de Tiendaagse Veldtocht in 1831 ook Leidse studenten mee. “Jagers”, krijgsvolk te voet, dienende als lichte troe­pen. Ook C.A.A. baron van Pallandt, die in 1837 de erfdochter van Keukenhof trouwde, was met de Ja­gers opgetrokken. Trommel en wapen hangen nog in kasteel Keukenhof.

Ge spraakt daar juist van die partij in 31, wat was dat Vadertje? “Ja Meneer, om dat alles te vertellen zou ik U drie avonden kunnen bezig houden. Ik zou dan beginnen met de morgen waarop mijne Leydsche vrienden naar België ver­trokken. Mijne vrienden — want al ben ik maar een kastelein, daarom hou ik toch ook wezenlijk en opregt van de jongelui — ja en dat weten ze ook wel, anders zou ik niet op een kouden Novembermorgen in 30 te Leyden gekomen zijn, om van hen op de Ruïne,1 gepakt en gezakt zoo als ze daar klaar stonden om naar Braband te marcheren, nog eens afscheid te nemen. Toen ik daar aankwam, en allen mij verwel­komden, en ik de lange reijen doorging en ieder de hand drukte, — zie Meneeren, toen wierden mijne oogen vochtig, en ik was bang dat ik mij niet goed zou houden. Maar een jaar daarna werd het in de half verlaten Zwaan weer levendig; mijne kin­deren, mijne Studenten waren terug, en nooit of nimmer heeft de Zwaan vrolijker dagen doorleeft.” Het gelaat van den ouden man blonk van genoegen bij deze woorden, maar eensklaps was het als of eene wolk hetzelve verduis­terde toen hij op weemoedigen toon voort­ging: “Allen, zeide ik zoo even, waren terug, neen!

  1. Open ruimte in de stad, ontstaan door de beruchte explosie van het kruitschip in 1806

Een die, hoewel niet lang Student, en ik hem dus minder goed dan vele ande­ren kende, mij reeds lief geworden was, zag ik niet in hun midden. — Naauw ne­gentien jaren, zag BEECKMAN2 den Vaderlandschen grond en het geliefde Leyden nooit weder. In den bloei zijner jaren, in den vreemde, wreed vermoord, moest hij sterven. O, geloof mij Meeren, de dronk dien avond ter zijner gedachtenis gedron­ken, was bitter.” De oude man, door aandoening overmand, hield op met verhalen. Ook zijne beide hoorders, door de smart van den grijsaard geroerd, zwegen. “Schenken-JAN!” Deze, lang als het postludium3 van een or­gel uitgerekte kreet, door een der ontwakenden geuit, verbrak eensklaps op een prozaïsche manier het poëtische zwijgen. – “Ah! VELDHORST, ouwe jongen! dat ’s bij mijn ziel goed dat je daar zit, — wil­len we eens drinken zeg? daar ga je!” En uit het verleden weer in het tegenwoor­dige teruggeroepen, vulde de oude man zijn glas en voltooide glimlagchend het onver­wachte lijntje. “Zeg, waar had jullie het over?” — vervolg­de de ontwaakte, door een uurtje slapens weer half nuchter geworden, en schoof zijn stoel bij het drietal. “Ik geloof jullie soest daar met je driën.”

  1. L.J.G. Beeckman uit Kampen, student in de Theolo­gie, gesneuveld in België.
  2. Naspel.

— “Neen, maar VELDHORST vertelde daar……” — “Vertellen, dat ’s goed; Allons vadertje, daar ga je! eerst nog een bekertje zamen drinken, en dan een verhaal uit je ouwe, heel ouwe Studentijd, zoo van ……” Och ja vadertje,” ondersteunden de beide anderen, “nog een enkel uurtje tot de flesch leeg is, en dan laten we je naar bed gaan.” — “Als het de Heeren niet verveelt wil ik met plezier wat vertellen, maar waarover? want ik zou wel een verhaal kunnen doen van verschillende partijen die hier zijn ge­weest — van ontgroenpartijen, daar tusschen ( ) gezegd altijd een boel kwaad van gesproken is, maar dat lang zoo erg niet was — of hoe ’n vrolijke gast Prof. WEY-ERS1 aan tafel was — of hoe Prof. v.d. PALM2, die altijd veel van mij hield, korten tijd nog voor zijn dood in een sleepkoetsje3 uit oude betrekking bij mij kwam, verlan­gend mij nog eens te zien; maar ook van die laatste tijden zullen de Heeren wel meer hebben hooren spreken. — Maar ja! daar valt mij juist een historie te binnen, in de eerste jaren toen ik hier woonde gebeurd, en die zeker geen van de Heeren zal ken­nen: “Het was in de Fransche tijd in ’t jaar 12..”

  1. H.E. Weijers (1805-1844), prof. in de Bespiegelende Wijsbegeerte en letteren. Hebreeuws, Arabisch en Syrisch.
  2. J.H. van der Palm, (1763-1840), prof. als boven. Oosterse talen.
  3. Een sleepkoetsje had i.p.v. wielen gladde ijzers en werd door een paard over de keien voortgesleept.

— “Dat ’s ferme tijd voor histories/’ viel de soes in. — “Houd je mond,” gromden de twee ande­ren. “Kom vadertje drink eerst eens, we hopen dat Meneer je niet weer lastig zal wezen.” De lastige Meneer beloofde beterschap, schoof drie stoelen naar de tafel, wikkel­de een ongelukkige meloen, doorluchtig overschot enz. in de nog bruikbare servet­ten, en legde hierop, na op alle mogelijke manieren het geïmproviseerde kussen ge­makkelijk gemaakt te hebben, zijn hoofd neder. De eerste stoel kreeg de eer het bovenstuk van zijn corpus te dragen, de tweede de andere helft, en de derde werd als overtollig weggeschopt. Langzamerhand werden de reeds zoo kleine en vischachtige oogjes nog kleiner en flaauwer, tot in het volgende oogenblik de gordijntjes neer­vielen, en een specie van muzijk, niet onge­lijk aan de Chinesche Tjor-tjong zijne zedelijke absentie te kennen gaf. Nadat dit klein intermezzo voorgevallen, de glazen geleegd en gevuld, en nieuwe cigaren opgestoken waren, vervolgde VELDHORST: “Het was dan zoo als ik zeide in het jaar 12. Dien dag was het weer schrikkelijk koud, want hoewel pas in het laatst van November, vroor het reeds dat het knapte. Onze Burgemeester en zijn Secretaris, mijn eenigste gasten dien avond, hadden reeds een smousjasje1 meer gespeeld, in hope dat de storm wat zou gaan liggen, en het sneeuwen ophouden; maar toen het tien uur begon te worden, en in plaats van te bedaren het weer nog hoe langer hoe wilder werd, waren ook zij heenge­gaan. Ik had de deur gesloten, want buiten sneeuwde en woei het zoo, dat men geen tien passen vooruit zien kon, en er geen nood was dat er nog volk zou komen. Daar ik nog weinig zin had om naar bed te gaan en het vuur zoo lekker brandde, dacht ik, kom! Ik heb de vorige week “een oprecht en waarachtig verhael van ’t Belech” gekocht, daar wil ik op mijn gemak een uurtje in lezen. Ik was juist aan de opeisching der stad in naem van de konink van Spangien, toen ik mij verbeeldde aan de buitendeur te hooren kloppen. Ik luisterde — alles was stil, uitgenomen dat het stormde alsof de Zwaan weg wil­de vliegen. Het zal de wind zijn, zei ik bij mijnzelven en las verder.Dan, een oogen­blik daarna hoorde ik weer kloppen, en nu duidelijker, zoo als geen wind, maar een ordentelijke menschenhand doet. Boek en pijp legde ik weg, was in twee sprongen bij de deur, nieuwsgierig wie daar nog zoo laat zijn mogt. Bang was niet, want ik had een paar stevige knechts in de keuken, en de Gensdarmes1 die toen in ons dorp lagen, waren dag en nacht in de weer.

  1. Smousjassen, kaartspel voor twee personen, waarbij de jas of boer de hoogste troef is.
  2. Gendarmes, politiesoldaten.

Pas had ik open gedaan, of een felle windvlaag blies het licht uit, zoo dat ik niet zien kon wie er was, maar eene stem die ik meende te herkennen, fluisterde mij toe: “Wie zitten bij je?” “Niemand Meneer,” antwoorde ik, “maar kom binnen, het is daar beter dan buiten of hier.”— “Stil!” viel hij mij in, “wach teen oogenblik, ik kom dadelijk terug.” Wip was hij de deur uit, en kwam zóó daarna met nog iemand terug, sloot en grendelde zelf de deur, en trad daarop met den ander de gelagkamer binnen, ook hier de deur sluitende. Ik begreep van de heele historie niets en was juist van plan mijne knechts te roepen, toen zij beiden hunne mantels afdeden en ik twee bekende gezichten zag. Het waren Studenten, twee Zeeuwen, die nog de vo­rige week op een ontgroenpartij bij mij ge­weest waren. Ze zagen doodsbleek, en ik merkte wel dat het niet zoo was als be­hoorde. “Om Godswil VELDHORST, help ons! er is in Leyden iets gebeurd dat de schrikkelijkste gevolgen zal hebben, den geheelen avond hebben wij reeds rondgedwaald, en zoo men ons vindt zijn wij verloren,” zeide DONNIUS2, een van hen, een ferme jongen, en anders voor geen kleintje ver­vaard.

2, Waarschijnlijk Dirk Jonker Curtius uit Den Bosch, 19 jaar oud.

Ik begreep er nog niets van, en wist niets beters te doen dan stoelen bij den haard te zetten, en een groot glas warme Grog in te schenken, want waarachtig, ik had mede­lijden met de arme jongens, zoo miserabel en doornat zagen zij er uit. VERBURG1, de ander, die tot nog toe geen woord had gesproken, maar tegen den schoorsteenmantel leunende onbewegelijk in het vuur bleef staren, greep met beide handen eensklaps de Grog, en hoewel hij het zonder op te houden leeg dronk, kon ik duidelijk zijne tanden tegen het glas hooren klapperen. — “Wil ik de doctor halen,” vroeg ik, want ik begon werkelijk ongerust te worden. “Doe geene moeite VELDHORST,” zeide Meneer DONNIUS haastig, “geen doctor maar alleen gij kunt helpen. Hoor wat er gebeurd is, en red ons dan zoo gij kunt. Fluisterend en snelsprekend vervolgde hij: “Je weet VELDHORST, hoe alles sedert eenige dagen veranderd is. Onze Academie, ons Leyden, is bij Keizerlijk Decreet opge­heven. We zijn nu geen studenten meer, maar Elèves de /’Academie, zoo als ze ons in hun Fransch poespas gelieven te noemen. Om collegie te houden, moeten wij altijd naar de Academie, en vinden de een of an­der Francoos, die ons daar onze toekomsti­ge moedertaal zal leeren, of onze geliefde SMALLENBURG2 schandelijk gedwongen. als een hansworst opgedirkt, de Pandecten3 in een fransch pakje te steken. We zijn onder het opzicht der hooge Prefecture de Police 4 geplaatst, en het geringste tee­ken van ontevredenheid wordt streng ver­volgd. Dat stuitte ons, en alle jongelui die het Hollandsche hart op de regte plaats dragen, tegen de borst; want zie je! uiter­lijk mogen zij onze Academie franchisseren, innerlijk blijft het nog de oude van vader WILLEM. Mijn vriend daar, die arme jongen, was, zoo als je misschien vroeger gehoord hebt, verloofd aan een meisje uit Utrecht. De laatste weken, was hij stil en peinzend geworden, hij anders de vrolijkheid zelve. Ik vroeg hem de reden, in het begin wilde het niet, doch eindelijk kreeg ik het er uit. De brieven van zijn meisje waren ongemerkt, sedert eenigen tijd, hoe langer hoe koeler geworden, toen eensklaps gisteren terwijl ik bij hem was, een laatste brief formeel zijn afscheid, en hare verloving met een ander aankondig­de. Nu moet gij weten, dat sinds eenigen tijd, bij ons studeert een zekere Franschman, sinds lang in Leyden voor spion van het Fransche bestuur gehouden, en wiens oude Prefect van Policie of zoo iets, in Utrecht is. Deze nu, op welke manier dan ook, dat ik nog niet weet, schijnt hiervan de oorzaak te wezen, ten minste heden middag in de Buiten kolfbaan, beroemde hij zich bij een paar zijner landgenooten, den dommen Hollander, zoo als hij VER­BURG noemde, uit den zadel geligtte heb­ben.

  1. Misschien H. van der Burgh uit Den Haag, 20 jaar. De namen Verburg en V.d. Burg werden vaak door elkaar gebruikt.
  2. Prof. N. Smallenburg, jurist, onderwees de Code Napo­léon.
  3. Een systematische verzameling van uittreksels uit de werken van Romeinse rechtsgeleerden.
  4. Hoofdcommissariaat van politie.

— Wij kwamen juist binnen.— Bleek van woede ging mijn vriend naar hem toe, uitlegging dezer woorden verzoe­kende. “Bruidegom zonder Bruid — was het ter­gende antwoord — waar een zoon der Groote Natie1 verschijnt, moet ten minste een lompe Hollander …… Hij had nog niet uitgesproken, of de zware kolf door VER­BURG van den wand gerukt, verhief zich snel als het weêrlicht in de hoogte, en voor een onzer het beletten kon, lag daar de snoever in zijn bloed badende. De beide Franschen wilden ons te lijf, maar eenige jongelui, die met ons binnen gekomen waren, vlogen tusschen beide, sloten de deuren, om het ongelukkige ge­val zoo lang mogelijk geheim te houden, en ons gelegenheid te geven tot ontvlugten. Met moeite kreeg ik VERBURG, die nog altijd met de bebloede kolf in de hand, bij het lijk van zijn slachtoffer stond, de herberg uit. Zwijgend, want tot nu toe heb ik geen woord uit hem kunnen krijgen, hebben wij door bosch en heg in de diepe sneeuw rondgedwaald, tot wij hier zijn gekomen; Gij VELDHOIST zijt onze hoop, altijd hebt gij getoond het wel met de jongelui te meenen, en ook nu vertrouw ik zult gij ons in den nood niet verlaten.

  1. Frankrijk.

— Ik wilde juist antwoorden, toen er hevig op de buitendeur werd geklopt. “Zie daar zijn ze reeds om den moorde­naar te vatten,” gilde VERBURG, eens­klaps uit zijne wezenloosheid ontwakende, “hier is hij, ik ben het.” DONNIUS werd zoo wit als een doek, ook ik was als verbijsterd, ik moest hen ver­bergen, dat was zeker, doch waar? mijn God! -waar? Daar was het als gaf de hemel het mij in. Ik vatte het licht, opende de deur van den wijnkelder, en drong hen mij te volgen. Ver in het uiterste gewelf, was eene plaats afgezonderd van de vorige, een soort van laag hokje in de muur gemetseld, waar ik nog een enkel oud fleschje liggen had. Aldaar duwde ik ze, meer halfdood dan levend in, wierp een hoop stroo over hen, en voor den ingang, en spoedde mij hoewel mijne beenen zoo zwaar als lood wogen, zoo gaauw ik kon naar boven, de kelder­deur achter mij sluitende. Ik opende. Het was hoog tijd, want het viertal Gendar­mes dat zich buiten bevond, begon onge­duldig te worden. Zonder een woord te spreken, een paar sacré nom’s1 die ik naar den kop kreeg uitgezonderd, vlogen zij binnen, doorzochten alles van kamer tot kamer, tot zij mij eindelijk riepen de kel­der open te sluiten.

  1. Letterlijk “heilige namen”, vloeken.

Het koude zweet stond op mijn gezicht. Ik vermande mij echter, draaide met vaste hand de deur open, en ging zelf met het licht vooruit. De localiteit kenden zij niet, en ik hield ongemerkt de lantaarn steeds zoo, dat het licht op alle plaatsen, slechts op die eene niet scheen. Een der Gendar­mes trad toevallig naar dien kant uit, maar de propositie die ik deed, een glas echte bordeaux op des Keizers gezondheid te ledigen, maakte een einde aan het onder­zoek. Een uur daarna was de Zwaan ledig. De Gendarmes waren de weg naar Sassenheim opgetrokken, en de beide vlugtelingen, na van mij andere kleèren bekomen te hebben, in mijne sjees op weg naar Am­sterdam, waar zij behouden aankwamen.” Hier hield VELDHORST op, en stak zijne cigaar aan, die onder het vertellen was uit­gegaan. — “Maar hoe liep het met hun af Vader­tje?” vroegen zijne beide toehoorders te gelijk. — “Ja,” antwoordde de oude, “gelukkig beter dan de Heeren zullen denken, want na verloop van korten tijd was de geheele zaak in orde. De drift namelijk, waarmede Meneer VERBURG den Franschman aan­viel, deed de kolf in zijn hand draaijen, en door het platte bovenste gedeelte, niet door de scherpe punt, getroffen stortte hij neer. Langzamerhand kwam hij weder bij, tot hij na verloop van eenige dagen weer zoo goed als hersteld was. Het ge­heele voorval bleef overigens geheim zoodat hunne ontvlugting gelukkig eigenlijk onnoodig was, en zij dan ook na verloop van een paar dagen uit Amsterdam naar Leyden terugkeerden. — “Maar hoe werd het met zijn meisje in Utrecht,” vroeg een der beide toehoor­ders, “trouwde zij ook met den Francoos?” – “Ja Meneer,” antwoordde VELDHORST de schouders ophalende — “maar het regte van de zaak ben ik nooit te weten geko­men, men zegt dat zij om de wille van haar vader die onder zware verdenking lag van in eene zamenzweering tegen het bestuur betrokken te zijn, den zoon van den Pre­fect van Politie hare hand niet dorst wei­geren. Wat er echter van zij, dit weet ik alleen, dat later in tegenwoordigheid van VERBURG nimmer haar naam genoemd werd. “En nu Meeren!” vervolgde VELDHORST, terwijl hij de flesch leeg schonk, “ge hebt daar een ouden man op zijn stokpaardje gebragt, en als ik u wat lang ben gevallen neem het dan den ouden praatvaar niet kwalijk: Meneeren U aller gezondheid! – “VELDHORST daar ga je!” — “Maar mijn juweeltje — sprak de een, wiens knippende oogjes en zwakbeenigheid, terwijl hij opstond om het slapend klaverbladje1 wakker te maken, duidelijk bewezen dat hij onder het verhaal de flesch niet vergeten had — zeg eens wat de­den dan eigenlijk die nachtwachts, ik meen die Gendarmes zoo laat bij je?”

  1. Het betrof hier vier studenten.

“Ja,” was het antwoord, “ik heb de Heeren nog vergeten te zeggen dat dien nacht een heel partij koloniale waren bij Noordwijk werd aangehouden, en dat ook de Zwaan van sluikerij verdacht was, doch geloof me, ten onregte! want ik zeg altoos, eerbied aan de wet. Ja dat zei ik ook nog laatst tegen Sire, toen hij hier even stil hield.” “Wat! benje zoo familair met de Koning.”2 VELDHORST zeide niets, maar lachtte en dronk zijn glas ledig. Een volgende gele­genheid — als de Heeren mij de eer aan willen doen hun bezoek te hervatten, het is reeds laat en U weet een oud man is als een kind, hij moet vroeg naar bed. — “Maar die schaakhistorie daar ik laatst eens van heb hooren spreken?” — “Waar drie paarden bij dood gereden werden, en Meneer HARDENBERG 3 die op de bok reed, van het hanteerden der teu­gels en zweep, veertien dagen lang, lamme handen had zoodat hij op collegie niet kon schrijven, en zijn oppasser hem het eten in den mond moest steken — allemaal bij gezondheid een volgende keer Heeren.” En nog eens werd de plegtige gezondheid van VELDHORST vijfendertig jaren lang de geliefde kastelein, gedronken, en een luid lovivat waarin de herlevenden als ook Vadertje zelf, trots de beste student in choro invielen, kondigde het vertrek aan.

  1. Het is bekend, dat koning Willem II door het land zeer lange ritten te paard maakte.
  2. Deze student is op zo korte termijn niet te traceren. Gegoede studenten hadden een eigen “oppasser”, een persoonlijke bediende.

Met groote moeite werd de Sociable we­der vol. De koetsier klom op den bok, de paarden grinnikten, en schenen het eens voorgenomen te hebben spoedig te huis te wezen. De lantaarn waarmede VELD­HORST het woelige inpakkingstooneel bijlichtte moest worden weggezet, en toch kwam hij handen te kort. Alles klaar Hee..e..ren? “Ja!” antwoordde VELDHORST nadat hij voor de tiende keer zijn handen uit en in het rijtuig gestoken had. Daar schalde de hoorn van den postillon, de stalling dreun­de onder de hoeven der paarden, het zware rijtuig, en het bulderende afscheidskoor, en toen vijf minuten daarna VELDHORST buiten kwam, om de lantaarn boven de deur uit te doen, klonk het nog flaauw in de verte, eindelijk stierf het geheel weg, en het werd weder eenzaam en stil binnen Lisse.

Sedert zijn eenige jaren verloopen. Verdient een oud militair op zijn ouden dag, eene zorgelooze rust te genieten, tot belooning voor zijne aan den lande gewij­de beste levensjaren, ook zonder den lande gediend te hebben, was het VELDHORST niet kwalijk te nemen, dat hij zijne vermoeijende betrekking nederlegde, en in een klein lief gelegen huisje zijne laatste dagen dacht te eindigen. De Zwaan ging in andere handen over. Met den vrolijken gullen grijsaard, scheen echter alle leven en vrolijkheid te zijn ge­weken, promotiepartijen en feesten werden hoe langer hoe zeldzamer, tot de Zwaan nogmaals van bestuur wisselde. Nu veranderde het wel eenigzins. Bij bij­zondere gelegenheden verlaat VELD­HORST wel zijn kamertje, dirigeert dan keuken en kelder, en staat als vroeger op zijn post in de eetzaal, maar toch is het niet het regte. Dat ziet VELDHORST ook in, en daarom zal, wanneer de lieve God leven en gezondheid schenkt, het jaar 1847 hem weder op zijn ouden troon terug­vinden.En wanneer dan nu de winter zal zijn voor­bijgegaan, en de lente gekomen, de maag­delijke levenwekkende lente, wanneer de knoppen ontspruiten, het groen kleuriger wordt en de lucht met balsemgeuren ver­vuld tot genieten noopt, dan vroeg in den ochtend de vier schimmels voor de deur, het oude gemakkelijke jasje aan, de ligte pet op een oor, alle zorgen ampart gezet en dan – “voort koetsier naar VELD­HORST in de Zwaan te LISSE!” Volgens Alexander VerHuelI’s “Eerste en Laatste Studentenschetsen” was de schrij­ver van bovenstaand “juweelig prozastukje” de student Willem Fockens Meijer, de­zelfde die met enige andere Heren Studen­ten in 1848 de hertekop uit Dever heeft gestolen, zoals men in ” ’t Huys Dever” beschreven vindt.

  1. Veldhorst verkocht zijn herberg in 1845 aan Leonard Uljée, die hem twee jaar later weer doorverkocht aan J.P. Rotteveel, logementhouder. Of de bejaarde Veldhorst toen weer “op zijn oude troon” is terugge­keerd?? Zijn “klein liefgelegen huisje” stond omtrent de latere villa Veldhorst, waarnaar de Veldhorst­straat is genoemd.

Hij woonde in Leiden op het Rapenburg en is in 1848 op stellingen gepromoveerd. In hetzelfde boek van VerHuell leest men ook hoe de studenten in Lisse “schildpad­soep, fesant en zwijnskop voor niks” kon­den eten. Er was de dag te voren een “pro­motiepartij” geweest. En koelkasten be­stonden nog niet; het consumeren der restanten was altijd een aangename zaak. Het stuk over de studenten in Lisse is geno­men uit de “Studenten Almanak voor het jaar 1847”. Hoe “het eerste exemplaar van den nieuwen almanak op de sociëteit” werd ontvangen, toont VerHuell U op bij­gaande tekening.

DE DORPSSTRAAT IN 1893; De rommeling. (56)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

De Heereweg van Lisse, thans de nummers 208-210, gefotografeerd door de welge­stelde vrijgezel/boterhandelaar Gaspar Henricus Wolff (“Cas de Wolf”). Links de groentewinkel van Wout van Oosten, alias “Wout Knar”. Boven de deur staat onder meer “Handel in aardappelen”. In een wa­gentje met een witte hit ervoor ging hij zijn waren uitventen. Dat wagentje werd ge­stald in de Lindenbuurt ofwel de Snertwerf naast en achter het winkeltje. Zijn vrouw Aagt Warmerdam, had ook “een cent van het blad”, voor de ouderen onder ons een jeugdherinnering. Nu volgt de oude dorpssmederij van Pelle, na 1896 van Schouten. Daarover vindt men meer in het Leidse Jaarboekje 1977. Er naast was oorspronkelijk het kruideniers­winkeltje van Maartje de Haan en later van Hugo Scholten. Voor het huis was een klein pleintje. Daar is toen een huis gebouwd en daar begon in 1896 Cornelis Caspers, vlees­houwer te Katwijk, een slagerij. Thans vinden we hier verschillende koffie­shops, of hoe dat verder ook moge heten. De Heereweg is wél veranderd!

De Dorpsstraat in 1893

 

LISSE MET ZIJN KORENMOLEN; De rommeling. (52)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Lisse in 1624 naar een kaart van Jan Pietersz Dou(w). In het midden het Vierkant met de kerk. De donkere percelen rechts behoorden aan de — reeds lang geconfis­queerde — Abdij van Leeuwenhorst te Noordwijkerhout. De Heereweg loopt op het kaartje van Noord tot Zuid. Rechts gaat de “Molewech” langs “de Haven van Lis” naar de “Coorenmolen”. In 1569 kreeg Adriaen Cornelisz Pater, molenaar te Katwijk en Valkenburg, toe­stemming in Lisse een korenmolen te bou­wen. Het is een z.g. standaardmolen, waar­bij de gehele houten molenkast mee op de wind wordt gezet. De Lissese molen werd zo belangrijk, dat men door de concurren­tie in Sassenheim geen eigen molen van de grond kreeg. Cornelis Pietersz van der Gade, molenaar te Heemstede, had in 1663 het recht verkregen een molen te bouwen aan de Sassemse Vaartkade, maar hij wist niet beter te doen, dan zijn rechten aan de Lissese molenaar Jan Aelbertse Heemskerk te verkopen, 9 januari 1667. Maar een mo­len bouwen deed die ook niet. Hij had, naar zijn zeggen, met zijn Lissese molen de bak­kers van Sassenheim “tot haren genoegen bediend en bemaald, gelijk zijn grootvader ende vader zaliger wel zeventig jaren aan den anderen dezelve gediend en bemaald hadden”. De bewuste grootvader was Jan Aelberts Heemskerk, molenaar sinds 1598. Hij was opgevolgd door Aelbert Jans en die weer op zijn beurt door genoemde Jan Aelbertsz. Neeltje Engelsz Heemskerk droeg de molen in 1693 over aan Wit Pietersz Vis. Aan een reeks Heemskerken als molenaars kwam aldus een einde. n 1737 ging het minder goed. De mole­naar, Adriaan Luk, was insolvent en de molen moest worden verkocht. In 1753 werd Pieter van der Scheer molenaar en 4 juli 1782 verkochten diens kinderen de molen aan hun zwager Willem Ingenollandt. Diens weduwe droeg de molen dan weer over aan Pieter Oudshoorn op 4 april 1811. Met “Huys, Erve en Thuin, staende en geleegen meede op de Grachtweg” kregen ze er f 5.200 voor. Kort daarop vinden we Van Ingen als molenaar. In 1832 is de molen afgebrand. Toen bouwde molenaar Beelen uit Heemstede hier een nieuwe molen. Honderd jaar eer­der had Gerrit Beelen zich van Weert in Noord-Limburg uit in Heemstede geves­tigd, waar het geslacht als bleker een zeer goede naam kreeg. In 1830 kwam een Bee­len als molenaar naar Lisse. Diens nage­slacht “ging in de bollen”. Thans vindt men  leden van de familie Beelen ook in allerhand andere beroepen; ook in de antiek! Nu kijken we nog eens naar het kaartje. Iets naar het Noorden is de “Brouckweg”, de huidige Kanaalstraat. Aan de andere kant van de Heereweg is de “Veenwech”, Veen-derweg, Delfweg of Berkhouterweg en na het graven van de Leidse Vaart de Halfwegsche Steeg. Nu is daar sinds enige jaren het kruispunt Berkhoutlaan/Heereweg/Kanaalstraat. Het was allemaal nog wat lan­delijk; de wegen waren nog geen van allen bestraat en zelfs nog niet “begrint”. Dat laatste begon pas honderd jaar geleden. En officiële namen hadden ze ook niet. De bestrating van de Heereweg begon pas in de 18de eeuw. Wanneer men thans van het ein­de der Spekkelaan — met een wandelkaart natuurlijk — over de oude Loosterweg naar Keukenhof loopt, krijgt men ongeveer een idee, hoe het er in Lisse honderd jaar ge­leden uitzag. Om van 1624 maar te zwij­gen.

DE KLAPWAKER, 1815: De rommeling. (50)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Instructie waarnaar de Klapwaker zich zal hebben te gedragen.

Artikel 1. De Klapwaker zal zijn wacht beginnen van Primo Mey tot Ultimo September des Avonds ten Elf Uren en eindigen na den gang van Vier Uren te heb­ben afgelopen, en van Primo October tot Ultimo April des Avonds ten Tien Uren en eindigen na afloop van den gang van Vijf Uren des Mergens.

Artic. 2. Dezelve zal gehouden zijn Uur voor Uur den dorpe rond te gaan, te be­ginnen aan de Huizinge n° 2 langs de Grachtweg tot aan de Koornmolen, de Ca-pelsteeg voorlangs, de Halfwegsche steeg tot aan de laatste Huizinge toe en eindigen voorbij N° 200. (De Halfwegsche steeg is de huidige Berkhoutlaan.)

Artic. 3. Dezelve zal bij ieder Uur de Klap Twee maal slaan en de tijd van de Nacht duidelijk en overluid Roepen.

Artic. 4. Dezelve zal in geenen deelen ver­mogen in den tusschentijd van deszelfs Nachtgangen iemand te geleiden naar de Schuit op Halfweg of af te halen van de Schuit op Halfweg.

Artic. 5. Dezelven zal gehouden zijn bij zijn Ronde, iets ontdekkende ’t welk de publieke veiligheid is stoorende, daar van dadelijk kennisse te geven aan den Heer Vreede-Rechter van dit Canton, en bij deszelfs afwezigheid, ziekte of anderzints aan den President van het Plaatselijk Be­stuur dezer Gemeente, of aan diegeene welke deszelfs plaats vervangd.

Artic. 6. Dezelve zal gehouden zijn goede toezicht te neemen over de Eigendommen der Ingezetenen, of er ook hier of daar ongemak van Brand als andersints is, als­mede of de Huizinge behoorlijk zijn ge­sloten, en ook of er door de Ingezetenen iets is buiten gelaten geworden.

Artic. 7. Dezelve zal eenig ongemak van Brand ontdekkende, dadelijk den Klap moeten verkeerd slaan en ter stond ken­nisse geven aan de President van het Plaatselijk Bestuur, of diegenen welke des­zelfs plaats vervangd dezer Gemeente, alsmede aan de Opzienders der Brand­spuiten.

Artic. 8. Dezelve zal toezien dat door niemand in de Nacht eenige Meubilen of iets dergelijks werde vervoerd, alsmede met geen Ladder den Dorpe werde door­gegaan, maar word verplicht dezelve dade­lijk aan te houden en zonder eenig verwijl daarvan kennisse te geven als in Articel 4 vermeld is.

Artic. 9. Dezelve zal ingeval van nood des gerequireerd   werdende  de  ordinaire   (d.i. gewone) Policie ten dienste wezen.

Artic.   10.   Indien   bewezen  werd, dat de Klapwaker   zich   aan   plichtverzuim   heeft schuldig gemaakt door de NachtRonde niet behoorlijk te hebben gedaan of andere Zaken in deze instructie vervattende, zal hij voor de Eerste maal voor een Maand gesuspendeerd werden, en deze zijne functie door een ander ten zijnen kosten werden waargenomen, doch voor de Tweede maal zal hij door het Plaatselijk Bestuur van des­zelfs Post als Klapwaker vervallen werden verklaard en een ander in deszelfs plaats werden aangesteld.

Artic. 11. Bij afwezigheid of ziekte zal hij gehouden zijn te zorgen, dat er iemand voor denzelven ten zijnen Koste zijne func­tie als Klapwaker waarneemt, waartoe hij een persoon, staande ter goede Naam en faam zal mogen voordragen, ter goed- of afkeuring om aan den Heer President van het Plaatselijk Bestuur of aan diegenen, welke deszelfs plaats vervangd, bij verzuim hiervan zal hij gestraft werden, ingevolge het voorgaande 10° Artic. en zal hiervan copie afgegeven worden aan den in den tijd fungeerende Klapwaker.

Aldus Gedaan en gearresteerd bij het Plaat­selijk Bestuur van Lisse. Den 2e Februari 1815

In kennisse van mij L. van Arxhoek Secr

HET DAGBOEK VAN VAN DER ZAAL UIT 1913; De rommeling. (43)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Op twee oude, vergeelde kranteknipsels van voor de herdenkingsfeesten 1813-1913 vinden we het navolgende, hoogst interessante relaas. (Men vergelijke “De Aagtenkerk van Lisse, blz. 107, en “Het Huis Dever te Lisse”, blz. 146/47.) Ter in­formatie nog iets over enige der genoemde personen. G.A. Entink was van 1798 tot 1811 schout van Lisse. Jacob van Ingen was een zoon van de korenmolenaar aan de Gracht. Hij was een neef van Cornelis van der Zaal, de schrijver van het verhaal. De Van der Zaals hadden eeuwen lang een timmerbedrijf in het Vierkant, waar nu een der fraaiste huizen van Lisse staat, dat nog steeds door een Van der Zaal be­woond wordt. (Jhr.) J. Steengracht van Oostcapelle was de eigenaar van Keuken­hof. Hendrik Meijer, de “tollenaar” (!), was de gaarder aan de tol in de Heereweg bij het huidige huis “De Tol”. “Mijnheer Bieland” is hoogstwaarschijnlijk Otto Anne graaf van Bylandt, de eigenaar van Berg en Daal onder Voorhout. Verder komt nog ter sprake (Jhr.) Mr. Dirk Cornelis Gevers, Heer van Endegeest te Oegstgeest. Hendrik Nieuwenhuis, oorspronkelijk tuinbaas op Keukenhof, kocht in 1812 voor de sloop het huis Meer en Duin. In die omgeving zijn nog steeds veel Nieuwenhuisen woon­achtig. De boerderij van Vreeburg stond tegenover het rechthuis “De Witte Zwaan”. Cornelis de Graaft had zijn kwekerij ter hoogte van het huidige Plan de Graaft. (Zie “Plan de Graaft”, inleiding.) Een “Oranjeboom”, een soort sinaasappelen­boom, werd door De Graaft voor de bui­tenplaatsen in kuipen gekweekt en ’s win­ters ook wel in bewaring genomen. Het is opvallend, dat patriottische figuren als Steengracht, Entink e.a., die aanvanke­lijk met de Fransen hadden medegewerkt, na de bevrijding weer dadelijk een rol spe­len. Maar in de proclamatie van 1813 stond ook    zeer    duidelijk:    “Alle    partijschap heeft opgehouden. Al het geledene is vergeeten en vergeeven” …… wel heel anders dan in 1945.

De heer Bert. van der Zaal te Lisse was zoo vriendelijk ons een uittreksel van het dagboek 1780-1838 van Cornelis van der Zaal te Lisse, van 10 November 1813-Juni 1814, af te staan. Dit uittreksel druk­ken wij hier af. Ter wille van de histori­sche waarde van dat geschrift brachten wij er geen veranderingen in aan, slechts werden enkele zinnen omgezet om het aangenaam leesbaar te maken. Het navol­gende is weinig bekort; het maakt dus aanspraak op trouwe weergave van het dagboek wat betreft de verklaring van Neerland’s Onafhankelijkheid en wat in verband daarmee in dien tijd te Lisse voor­viel. Men houde er rekening mee, dat een ingezetene van Lisse steeds aan het woord is.

(De Redactie)

In het jaar 1813 hebben wij een omwenteling beleefd, wij zijn toen van het Franschejuk verlost door de wonderlijke bestiering Gods. In   de   maand   November,   den   10e  van die maand, kwam er een gerucht, dat ons land gecapituleerd had, met wien of hoe wist  niemand.   Donderdag den   11e werd bevestigd,   dat   men   vrede   had   gesloten want de Maire (het hoofd van het gemeentebestuur)  was Woensdag bij den Prefect (bestuurder van het departement) ontboden, waar hem werd aanbevolen de goed rust te  handhaven, want er stonden eei daags vreemde troepen te komen, waaror de   Maire,   hier  te   Lisse  bij  alle  burger rondging om te verzoeken de rust te be waren. Vrijdag waren er weer andere g< ruchten en dat ging tot Maandag den 15< toen kreeg de Maire een brief, dat het al! valsche geruchten waren en dat de Keiz< weer  in orde was gesteld. Ondertussche gingen  de douanen weg en zag men ee hoop   Fransche   heeren   vertrekken.   Die dag begon het in Amsterdam, omdat da; de Douanen optrokken, en ’s avonds o 7 uur begon het gemeen daar “Oranje” te roepen; om 10 uur begon men de huizen van de Douanen te verbranden enz. Maar Woensdag zag men een en ander, met Oranje, hier komen doorrijden van den Haag naar Amsterdam en toen ’s avonds, brak het hier ook uit en hoorde men “Oranje” roepen; Donderdag zag men den geheelen dag weer eenigen tezamen met Oranje, de adjunct-maire vlugte en ’s avonds om 9 uur ging de heer van den Upweg naar Haarlem. De heer van der Staal, die maire was, had ’s morgens een man naar Leiden gezonden om te zien of daar de vlag op den toren stond, maar neen; daar was mede alles met Oranje versierd, terwijl ’s middags de vlag op den toren zou komen, gelijk toen ook hier geschiedde.

Ik wier gehaald van Hillegom om onze vlag op den toren te zetten, gelijk ik deed. Die had ik Woensdagavond om 9 uur nog voor den dag moeten halen en dien nacht in orde laten maken, want het was een Fransche vlag; het rood werd er afgeno­men en een Oranjestrook en boven gezet, dat was maar voor noodhulp. Ze hadden geen andere vlag kunnen krijgen omdat Woensdagavond de poorten te Leiden ge­sloten waren. Het ging heel wel (met die vlag) voor behulp, en het ging toen den heelen nacht door “Oranje boven” onder het gemeen, evenzoo Vrijdag en Zaterdag, zij gingen rond bij alle burgers en boeren om een drinkpenning of om getracteerd te worden. Maar Zondag en Maandag kwa­men er weer andere geruchten; wij zagen een     menigte    deserteurs    en     anderen, die bedankt waren, vreemde troepen kwa­men echter niet, zoodat wij moesten zeg­gen:   het   is   wonderlijk   in   onze   oogen, wij   zien  het,  maar  doorgronden   ’t  niet, zoodat ons land in een akelige omstandig­heid  was.  Zaterdag den  20ste  ‘s  avonds resolveerde ik om te zien of ik mijn zoon Arie,   die   in   de   rekwesitie  gevallen  was en den 29 September te voren was uitge­trokken en die door behulp van den heer Entink onder Gods zegen op den scheeps­werf   te  Antwerpen  gekomen  was  onder het   werkbatteljon   ……;   waarop   ik  mijn neef Jacob van Ingen verzocht daar na toe te gaan om te zien of er mogelijkheid was om hem daar in stilte vandaan te krijgen. Hij vertrok ook den eigensten nacht. Dinsdag ging er een menigte van de dor­pen en Haarlem naar den Haag om dienst te nemen om de Franschen het land ver­der uit te drijven en gingen de geruchten dat de Engelschen geland waren zoo hier als daar. Maar Woensdagmorgen kwam er tijding, dat de Franschen Uitert (Utrecht) verlaten hadden en dat de Engelschen te Scheveling (Scheveningen) uitgescheept werden en dat de Coesakken te Amster­dam gekomen waren, zoodat er toen een groote vreugde was, en dit duurde tot den avond, toen wij in de kerk waren en den trompetter hoorden, zoodat een en ander uit de kerk liepen en niet wisten wat er gaande was. Men hoorde, dat het de Commedant en Captijn van de Nationale Garde was en die kwamen om haar manschap­pen en weer anderen die wilden, (om uit­te trekken) tegen een stroopbende Fran­schen, die van Uitert was gekomen en, zoo men zeide, langs de Rijn plunderde en op Leiden afkwam; zoodat hier nog 17 personen meegingen en toen naar Hillegom, alwaar nog eenigen, ja zelfs groote Meeren (zich er bij voegden). Toen werd er overlegd om hier een wacht te houden waartoe ook ik, en nog elf andere burgers werden opgeroepen, ja zelfs mijnheer Steengracht en mijnheer Entink en meer anderen bij ons kwamen in de herberg en den heelen nacht bij ons bleven. Wij werden 2 aan 2 aan weersende uitgezon­den, maar hoorden niets. Om twaalf uur kwamen lieden van Hillegom met een wagen of zes vol volk weer door Lis om naar Noordwijk te gaan ver­nachten en mijnheer Bijland had zijn twee knechts ook mede gegeven, waaronder en een was met een trompet, die maar blaasde, zoodat het allerakeligst was om het aan te hooren. In dien nacht hoorde men, dat het weer leugentaal was, dat er geen Engelschen waren aangekomen, want mijn­heer Van der Staal was er om naar den Haag gereden; en men hoorde ook, dat de Franschen niet verder waren als Woer­den, zoodat de lieden, die naar Noordwijk getrokken waren, Donderdagmorgen een Coerier naar Leiden zonden om te hoo­ren of ze op moesten komen. Maar neen, zij werden bedankt tot nader orde. Wij zagen dien dag nog geen vreemde troepen, maar (hoorden) veel andere en door elkander loopende praat. Dat duurde eenige  dagen,  doch  Maandag  den  29ste Ne vember  kwamen  er bij Scheveling Engesche schepen  aan, zoodat daar 250 man ontscheept werden en naar den Haag gingen. Die brachten ook de tijding mede, de de erfprins van Oranje volgde, gelijk op gebeurd is. Dinsdagmiddag om 5 uur is hij te Scheveling aan land gekomen en naar den    Haag gereden in een Vergon (onlees baar)   en   daar   gebleven   tot   Donderdagmorgen, 2 December, toen Zijn Hoogheid naar Amsterdam is gereden en hier door is gekomen en hier op Lis versche paarden moest hebben, zooals ook gebeurd is. Zijne Hoogheid en de andere Heeren, die hem verzelden, stapten hier uit de Koetsen en gingen in de herberg op de recht Kamer, terwijl mijnheer Gevers, onderprefect  van   Leiden,  hier gekomen  was als mede  mijnheer Staal en andere regeering op   het   Rechthuis   bijeen   waren.   Gevers sprak Zijne Hoogheid aan met een gepaste aanspraak,   die   Z.H.   beantwoordde,   alsmede mijnheer Entink en onze predicant en mijnheer Staal, dien dezelve vriendelijk beantwoordde en gelijk meer andere bugers en  burgeressen  die allen in menigte op de Kamer waren en ons ook vertelde dat  Z.H.  van  den  morgen  de  heugelijke tijding had gekregen, dat den Briel van Franschen   verlaten  was  ……   Zoodat, Heer zij geloofd, wij hier het grootste genoegen hebben gehad, Z.H. op deze plaate hebben gezien en gesproken, terwijl van onze predicant wel ten hoogste werd verzocht aan Z.H., dat hij het niet kwa­lijk moest nemen, dat er geen toestel was gemaakt van Eerepoort en andere dingen, om hem in te halen, omdat de tijd zoo kort was geweest. Zijne Hoogheid antwoordde, daar niet op gesteld te zijn, maar dat het zijn grootste genoegen was de goede gezindheid van de gemeente te zien, want dat ging niet zonder eenig geroep van “Oranje boven” en “Lang leve Zijne Hoogheid”. Ondertusschen kwamen er eenige flesschen met wijn op tafel, wat Z.H. werd aangebo­den, maar niet van gebruikte, maar wel die andere heeren. Na vertoeven van meer dan een half uur vertrok Z.H. naar Am­sterdam, zoodat die dag weder met algemeene vreugde werd door gebracht. In den schemeravond om half vijf uur kwamen hier 3 koezakken doorrijden naar Leiden toe; de een hield men aan en gaf hem een glas jenever of twee. Hij was zeer vrindelijk, zoodat er toen ook een menigte menschen op de been was en wij leiden denzelve tot buiten het dorp. Vrijdag daaraan hoorde men door een expresse op den middag, dat er eenige coe-zakken zouden komen en dat Z.H. de Prins weerom van Amsterdam kwam, om­dat aan Scheveling de Engelschen geland waren. Daar moesten weer paarden klaar wezen, gelijk ook alles gebeurde. Om één a twee uur kwamen eenige rijtuigen van den Prins door en daarna de coezakken, 32 in getal. Zij hielden halt en vroegen hooi en haver voor de paarden, en vleesch en brood en drank voor zichzelf. Zij bon­ den de paarden aan de boomen en daar voor hooi gelegd en haver in de voerzakken; toen vleesch bij den slager gehaald, ruim 50 Pd., en dat moesten ze koken, wat een disperate boel was, want eer zij in orde waren, gingen zij bij den een en den ander in de huizen en bij menigeen moesten zij vleesch of spek koken. In de herberg kookten zij een ketel vleesch en bij Warbout Vreeburg en bij Maarten van Dalen, maar zij moesten dat zelf koken, en dan moesten zij wijn en kool en aard­appelen hebben, en azijn en zout, en dat kookten zij een uur of twee. Ik bragt bij Vreeburg schragen en plan­ken voor een tafel en toen dat klaar was hebben zij gegeten met bier en jenever er bij. Het ergste was, dat men ze niet kon verstaan, maar gelukkig was er een heer die door kwam rijden van Amsterdam en met hen kon spreken. Hij hielp de regee­ring daarin voort. Toen zij klaar waren om heen te gaan, kwam de Prins, die versche paarden moest hebben. Hij bleef in de koets zitten, met zijn glas open, zoodat mijnheer Entink en de Maire den­ zelve aanspraken, alsook eenige anderen, die een heele redevoering met hem hiel­den en het belang van ons dorp vertelden van de zware inkwartiering, die hier al­toos was. Toen de paarden ingespannen waren reden ze weg onder het geroep “Oranje boven”, van de coezakken bleven er 4 hier liggen om ordannans te rijden De regeering wou ze bij Jan Lemmers gehad hebben, maar zij wilden bij Vree­burg niet vandaan en moesten weer brood en vleesch hebben. Het was een aardige middag, er geschiedde geen mensch eenig leed, zoodat de Heer ons voor alle on­heilen bewaarde. God zij ook daarvoor gedankt! Zaterdagmorgen om 9 a 10 uur trokken al eenige coezakken en ook andere volken door en na den middag nog een heele hoop coezakken benevens een menigte Russen-infanterie, waar wij geen hinder van gehad hebben; zij trokken door naar Leiden. Zondag kreeg men ook weer eenige coe­zakken, die stil doorgingen, zoodat wij in het dorp daar geen hinder van hadden wel enkele boeren buiten het dorp, als ook wel des nachts van de ordonnansrij­ders, die moesten echter dien avond nog weg, zoodat wij Maandag daar ook van verlost waren, God zij dank! Maandagmorgen hoorde men eenige klok­ken luiden en kanonnen lossen, waardoor er weer verschillende geruchten in om­loop kwamen, maar ’s middags om 2 uur werd ons door het Bestuur bekend ge­maakt, dat wij moesten limmeneeren; dat gaf dien middag een heele drukte, want een ieder moest latten en permieten heb­ben. Alles kwam zoo goed als ’t kon klaar, er werd heel goed gelimmeneerd. Een menigte had bij Corn. de Graaf een Oran­jeboom gehaald en in een kruiwagen ge­zet; men maakte er een soort poort van, met groen, blommen en papier. Verder werd de boom verlicht en zoo door het dorp gereden, met een menigte menschen en kinderen er omheen, die van vreugde juichten. Het was toen de verjaardag van prins de 7e , die nog in Spanje was maar, naar Holland zou komen. Zoo zijn die dag en nacht geëindigd. De Dinsdag is heel stil afgeloopen, al­leen ’s namiddags kwamen er zoo wat 1500 Spanjaarden door, van den Helder, die krijgsgevangen waren gemaakt en al­daar hadden moeten werken en nu vrij­gelaten waren. Zij namen allen dienst te­gen de Franschen. De regeering hier gaf ze voor het grootste gedeelte een slok jenever, opdat ze maar zouden doortrek­ken, gelijk ook gebeurde. Vrijdag 10 December is afgelezen, dat de Prins tot Koning, Souverein Vorst, was afgeroepen; toen bleef het heel stil en kwam er geen volk meer door dan eenige ordonnancen en officieren van de troepen, waarvoor hier ook altoos paarden en wa­gens moesten klaar staan. Het kwam zoo ver, dat er allen dag 10 wagens en 20 paarden moesten zijn, die moesten van 5 dorpen komen. Den 24en December kwam er een pu­blicatie van een landstorm, dat alle man­nen van 17 tot 50 jaar in de wapenen moesten en de ongehuwden van 17 tot 45 jaar moesten loten. Voor den 1e Janu­ari 1814 moest 20.000 man in actieven dienst zijn. In al dien tijd had ik geen tijding van mijn zoon Arie noch van mijn neef Ja­cob van Ingen, ik wist niet waar zij wa­ren, want er kon geen brief daar vandaan komen, maar er was een man te Hillegom van Antwerpen thuis gekomen. Daar ging ik den 27en December heen om eens te hooren. De man vertelde mij, dat al de Hollanders daar uit de omstreken (Ant­werpen) waren opgevoerd als gevangenen naar Frankrijk op den 25en November. Hij moest ook mee maar was ontvlucht, en had zich al dien tijd in Antwerpen verscholen gehouden. Met levensgevaar was de man thuisgekomen, zoodat wij daaruit moesten gaan begrijpen, dat mijn zoon en Jacob ook waren weggevoerd. In dien nacht om 2 uur werd er aan mijn huis geklopt; wij deden open en dachten, daar zijn zij, maar het was Jacob van Ingen alleen en mijn zoon niet, zoodat men wel kan denken in welke omstandig­heid wij waren.

In die dagen werd er hier een Eerepoort gemaakt door eenige jongelieden en ook door Hendrik Meijer den Tollenaar; dat was een zeskant, iedere hoek 16 voet lang, zoodat het een heel groot lichaam was. Zij werkten er wel drie weken aan en de tollenaar moest op het laatst het werk alleen doen, want er werd geen geld aan verdiend, zoodat men wel kan denken dat het over het geheel niet genoegelijk ging, nog te meer omdat de loting toen op handen was. Den 4en December ge­schiedde dat; mijn zoon Simon trok het lot 969, er waren 1808 loten. Er moesten uit dit canton maar 107 man opkomen; zij zijn bij den raad van recraleering te Leiden maar tot 528 opgeroepen, zoodat mijn zoon door Godes zegen is vrijgebleven. Toen kwam de wapenstilstand, Bo­naparte lei zijn kroon af en werd ver­voerd naar een eiland. Daarna werden alle militairen naar hun vaderland teruggezon­den, zoodat wij alle dagen tijding van mijn zoon wachten. Die kregen wij den 3en Juni, tot onze groote blijdschap; hij schreef ons toen uit Avignon er was al weer 27 uur op zijn terugreis naar huis. Van Tolon af, waar zij heen waren ge­marcheerd en waarover zij 60 dagen ge­daan hadden, schreef hij ons, dat wij hem niet eerder thuis moesten wachten dan in Juli, maar, heel onverwachts, door de wijze Voorzienigheid, kregen wij de tij­ding op Donderdagavond, van Hendrik Nieuwenhuis, dM hij te Leiden was. Ik kon het niet wel gelooven, maar Vrijdag­morgen om 3 uur gingen mijn twee zoons Simon en Cornelis naar Leiden en om 7 uur kregen wij een brief van mijn zwa­ger, dat mijn zoon daags te voren daar aangekomen was, zoodat hij om elf uur, door des Heeren goedheid, in gezondheid tot ons naderde in zijn volle monteering. Het was een blijde dag voor ons en de heele gemeente om hem weer te mogen aanschouwen. Ik verzocht toen aan on­zen Predicant om op den volgenden Zon­dag een dankzegging te doen voor hun gelijk hij ook een dankpredicatie deed uit de woorden van Genesis 46 vers 29 en 30 met de woorden: “En als hij zich aan hem vertoonde, zoo viel hij hem aan de hals en weende lang aan zijn hals, en Is­raël zeide tot Joseph: dat ik sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb dat gij nog leeft.” En dit geschiedde niet dan met veel aandoening tot Godes lof en eer.