Berichten

DE GEVELSTEEN VAN UYTERMEER; De rommeling. (40)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In ” ’t Roemwaard Lisse” staat op bladzij­de 5 een fraaie afbeelding van de buiten­plaats “Uytermeer”. In de voorgevel zit een steen; duidelijk te zien. Het huis is al lang gesloopt; maar waar zou die steen zijn gebleven? Het Leids Jaarboekje van 1973 vertelt meer over de steen. Hij was gevonden en zat inge­metseld in een waranda van het bouwhuis van Klein Leeuwenhorst te Noordwijkerhout; waar Mevrouw Hermance Adeline Amalia, baronesse van Heeckeren van Brandsenburg geb. jonkvrouwe Gevers woont. Het wapen blijkt van de bouwer van het huis, de vermaarde Petrus Scriverius, te zijn. Maar die steen hoort in Lisse ….. Hoe krijgen we hem hier?? Toevallig werd juist in de Poelpolder, op de plaats waar vroeger “Uytermeer” stond, de Christelijke Mavo gebouwd. Bij de heer Joh. A. Segers, directeur van de school, vatte nu de gedachte post: “Als die steen nu och weer naar Uitermeer terug zou kunnen keren ……” Beleefde vraag aan Mevrouw Van Heeckeren. Antwoord: “Nee!” Pas was haar dochter getrouwd, haar enig kind, en die woonde helemaal in Zuid-Afrika. Zouden al die dingen uit haar vertrouwde omgeving, uit haar jeugd, dingen waaraan ze zo gehecht was, haar nu ook moeten ontvallen? Nee, nooit, dat stond wel vast. Maar, wat een Segers in het hoofd heeft, is er ook zo maar niet uit ……; die steen komt terug en dan zal de school “Uitermeer” heten. De stellingen zijn ingenomen, de slotbrug is opgetrokken, de belegering van “Klein Leeuwenhorst” neemt een aanvang. Neen, geen belegering met stormrammen, blij­den en ander wapentuig.

De heer J.Ph.N. du Quesne van Bruchem doet zijn best, schrijver dezes wordt inge­schakeld. Hij verneemt, dat Mevrouw van Heeckeren erg gesteld is op haar neef Van Tets. De heer Segers trekt nog eens naar Leeuwenhorst met alle geduld waartoe een man die weet dat hij uiteindelijk toch zal en moet slagen in staat is. Ook anderen zijn in de weer …… En dan ……. het lijkt of er een kleine bres in de muur van Leeuwen­horst is geslagen. Mevrouw twijfelt. Zij raadpleegt haar neef, Jonkheer Van Tets van Goudriaan ….. “Ach Hermance, wij zijn toch allemaal sterfelijke mensen. En ons jeugdsentiment geldt voor onze kin­deren en kleinkinderen niet meer …… Je hebt toch genoeg gevoel voor traditie …… Welnu ……” En dit geeft de doorslag. Het gaat gebeu­ren: de slotbrug wordt neergelaten en dankbaar voor haar eigen besluit reikt de Baronesse de steen over …… Op 19 september 1975 werd hij ingemetseld in de grote hal van de school, plechtig door Me­vrouw zelf onthuld, en daarmede de school officieel in gebruik genomen. Prediker 3 zegt het reeds: ”Alles heeft een bestemde tijd; er is een tijd om af te bre­ken en een tijd om te bouwen …… Een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te vergaderen”. De Christelijke Mavoschool Uitermeer” was geopend. Moge er zegen rusten op deze school en allen die haar bezoeken.

HONDERJARIGE ECHTELIEDEN UIT HILLEGOM, LISSE EN SASSENHEIM; De rommeling. (38)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Het echtpaar Paulus Vincent en Barbara Jansen

Dat vroeger de mensen gemiddeld niet zo oud werden als thans is algemeen bekend. Toch waren er ook altijd een aantal bijzon­der hoogbejaarden, ook in de huidige bloembollenstreek. In Sassenheim leefde in de 18de eeuw het echtpaar Paulus Vincent en Barbara Jansen. In 1794 heeft Is. de Witt Jzn van hen naar Wijbrand Hendriks een kopergravure gemaakt! J. van Walré rijmde daarbij het volgende:

“Een oud dragonder2 van vier meer dan honderd jaar,

Die onbezeerd ontsnapte aan menig doods­gevaar,

Een vrouw op twee na zo oud als bestevaar,

Die al haar kinderen zag zetten op de baar,

Drie vierde van ene eeuw zijn deze twee een paar,

Zijn nog gezond en fris, nog vrolijk kant en klaar.

Zij leven tot dit uur genoeglijk met elkaar.

Zeg lezer, is dit niet van alle kanten raar?”3

Ook in Hillegom en Lisse blijkt zulk een bejaard echtpaar geboren te zijn. De be­faamde Pieter Schrijver alias Petrus Scriverius, de bouwer van het huis Uytemeer te Lisse4, maakte in 1618 of 1619 een derge­lijk rijm, dat omgezet in moderne spelling hier moge volgen.

“Zeldzame ende merkwaardige, gedenk­waardige ouderdom van man en wijf

tot Delft in Holland in ’t jaar 1605

gestorven, die te samen in echten* staat geleefd hadden 75 jaren,

van de Magistraat op stadskosten begraven.

Als men duizend zeshonderd ende vijf heeft geschreven

Den een en twintigste Januari, weerdig te verklaren,

Heeft Antonis Corneliszoon de wereld begeven6,

Als7 hij die beleefd had één meer als honderd jaren.

En Meynsgen8 Huyghen, zijn huisvrouw, most ook van hier varen

weinig (drie) uren na hem, 99 jaar oud.

Hij van Lis en zij van Hillegom geboren,

Wettelijk over9 75 jaren gehouwd10,

Zijn beiden op den 22sten (in alder eenvoud)

Door last des Magistraats, die haar consent daartoe gaven11,

Ter eren harer ouderdom, die zo lang waren getrouwd,

Binnen Delft overluid en in de Nieuwe Kerk begraven.

Drie rijke wonderen merkt men in deez’ twee, arm van haven12

Dat’s, dat ze beiden deez’ weldaad hier hebben verworven, fijn:

Zo lang geleefd, zo lang gehouwd en gelijk gestorven zijn.”13

  1. Gemeentearch. Leiden, LPV 84400.
  2. Dragonders zijn de manschappen der lichte cavallerie, het “paardevolk”. Ze heten zo, omdat ze in vroeger tijd in Engeland een draak (dragon) in het wapen voerden.
  3. Barbara Jansen stierf op 21 december 1796, “oud ge­worden 104 jaren”. Ze werd “pro Deo” ofwel “van de armen” begraven.
  4. Zie Leids Jaarb. 1973, blz. 129 e.v. De bewuste steen is in september 1975 overgebracht naar Lisse en in­gemetseld in de muur der Christelijke Mavoschool “Uitermeer”, juist staande ter plekke van Scriverius’ buitenplaats.
  5. echtelijken
  6. is overleden
  7. Toen
  8. Mijntje, Wilhelmina
  9. meer dan
  10. gehuwd, getrouwd
  11. De overheid gaf daartoe toestemming.
  12. have, bezit
  13. “Alg. ophelderende Verklaring van het oude letter­schrift” (1818), blz. 53.

 

EEN PALENVERHAAL; De rommeling. (28)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Rosendael met hekpalen

Ja, dit wordt bepaald een palenverhaal, al zullen we ons thans tot bepaalde palen be­palen, bij de keuze waarvan de historische waarde van die bepaalde palen bepalend zal zijn. Bij Rosendaal stonden twee palen met prachtige leeuwen. In 1963 heeft Ir. A.F. de Graaft een artikel over Rosendaal gepubliceerd in het Leids Jaarboekje 1963. En daar schrijft hij over de palen: “En nu past Monumentenzorg er op, dat ze voor Lisse behouden blijven”. Ja, ja, maar ze zijn weg. Op 6 september 1963 las men in “Ons Weekblad”:

“Leeuwtje gesneuveld

Van de twee fraaie leeuwtjes die prijkten op de palen van het inrijhek van Rosendael — het buiten werd verleden jaar afgebroken — is er één in puin poeder gevallen.

Dinsdagmorgen reed een veewagen tegen de linkerpaal. De stenen zuil viel op de Heereweg. Gelukkig liep er niemand op het trottoir. Minder plezierig was het te moeten con­stateren dat het leeuwtje onherstel­baar vernield was. Bijzonder jam­mer daar dit leeuwtje vermoedelijk bij het oude Keukenhof heeft be­hoord”.

Ook de pers kan het wel eens mis hebben. De vrachtwagen kwam als een dief in de nacht en van “puinpoeder” was geen spra­ke.

 

Toen had men “de rommel maar aan een of ander onbekende meegegeven”. Het is jammer dat ik niet rook, want bij het ge­sprek   werd   mij   in  weinige  minuten  vijf maal een sigaar aangeboden …… Men kan de leeuwen nu bewonderen aan de Grote Sparrenlaan te Bennebroek (zie 3e foto). Dat heb ik weer in Warmond vernomen. Er is f 3.000 voor betaald. Per stuk of voor samen, dat weet ik niet meer. Lisse, daar ga je!

 

De grenspaal met de initialen van Frans Gerard Eissink staat in het Keukenduin. Een tweede exemplaar vindt men ergens in een privétuin in Lisse.

Nu nog de paal aan de Essenlaan. Vroeger heette dit hier allemaal Catharijnelaan, ge­noemd naar Catryn, weduwe van Gerrit Amelrycx Graef, die hier enige percelen bezat. De oorspronkelijke “Eslaan” is de weg langs de boerderij “De Phoenix”. Terwille van de eigenaar van de buitenplaats Wassergeest is het eerste stuk der “Trynelaan” een honderdvijftig jaar geleden een stukje naar het zuiden verlegd. Vroeger lag ze in het verlengde van de Tweede Poellaan.

Maar nu terug naar die bepaalde paal. Aan de ene kant staat “Van der Lyn”, naar de toenmalige eigenaars van Groten­hof; aan de andere zijde “Sypesteyn”, de bezitter van Akervoorde, ter plaatse van het huidige bedrijf Berbee. Op het terrein van Keukenhof staat ook zo iets. Zo’n paal gaf de grens tussen de land­goederen aan.

Nog weer een paal. Die staat aan de Leidsevaart en geeft exact “Halfwegen” aan. Dat was belangrijk; het stuk van daar naar Leiden moest door die stad worden onder­houden, Haarlem moest zorgen voor de vaart en de weg naar het noorden. Vandaar die prachtige wapens! Die waren zo veel als een handtekening.

Weer een andere paal; een mooi gecanneleerd Ionisch zuiltje. Typisch Renaissancekunst van omstreeks 1550/60. Het is hoogst waarschijnlijk afkomstig van het in 1799 gesloopte huis Veenenburg. (Later heeft men weer een nieuw Veenenburg gebouwd, dat in 1913 is verdwenen.) Het zuiltje is thans ingemetseld in de buitenmuur van het “Zwitsers speelhuis” op Keukenhof.

Grote palen met stenen manden mei bloemen en fruit staan aan de oprijlaar van Keukenhof. Ze zijn afkomstig van het voormalige huis Puikendam aan de Noord-wijkerhoutse Kerkstraat en pas in 1912 door Keukenhof aangekocht.

 

De palen van Dever zijn nog te nieuw en de dekplaten der palen van het ingangshek van Akervoorde liggen — o droevigheid — als schampstenen bij een inrit aan de Akervoorderlaan. Als de grootste drukte in de bollen voorbij is, zullen ze — zo heeft men beloofd – van die plaats der schande wor­den weggenomen. Van de eigenaardig ge­vormde grenspalen der Gemeente Lisse staat er nog een aan de Loosterweg. In mijn jeugd stonden er nog meer; ik vond zo iets bijzonder gewichtig en belangrijk. Tegen­over “Demarcatie” aan de Heereweg heeft jaren lang een afgebroken exemplaar aan kant van de weg gelegen. Waar zou dat zijn gebleven?

En nu nog die antieke vaas op die moderne piedestal, ook ai op een paal. Waar die te vinden is, moet u nu zelf maar zien te ont­dekken. Er zijn trouwens nog veel meer interessante palen in Lisse. Daar moet ieder die van zijn dorp wil houden nu maar goed op gaan letten. Het bestuur van de gemeen­te zal natuurlijk daarin voorgaan.

“HALFWEGEN TUSSEN HAARLEM EN LEYDEN”; De rommeling. (28)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn.

Huize Halfweg. Tekening van J. v. d. Kloot uit 1772

“Ik ga bezien het lieflijk Halfwegen, Daar het kanaal bij heen stroomt en gelegen Voor de reiziger die elders henen wil Zeer dienstig, wijl het vaartuig nooit is stil.”

Aldus rijmde onze Jan de Graaff Szn or streeks 1770 in zijn “Lisser Arkadia”. Op deze tekening van J. v.d. Kloot uit 177 ligt het vaartuig toch echt wel stil. Het “jagertje” gaat het paard van de trekschuit verwisselen, twee heren staan wat te praten en een ander heeft de behoefte gevoel zich na de lange, trage schuitreis in de richting van een boom te vertreden. Op de achtergrond is een hooiberg en daar zijn ook de stallen voor de trekpaarden. Welk een rust op Halfwegen. In ” ’t Roem waard Lisse” kan men over Halfweg en de landelijke bedrijvigheid ter plaatse nog veel meer lezen.

 

Het huis van de schippers

Aan de overzijde, vlak bij de brug, staat een alleraardigst huisje. Het zou nog veel aardi­ger zijn, als het niet een aantal jaren gele­den een dak met zware hardrode pannen had gekregen. Met oude pannetjes, zoals die nu bij voorbeeld liggen op het gerestau­reerde poortwachtershuis van Dever, en met een echte simpele deur — al zou die dan ook zijn vastgezet — en zonder dat te moderne hout en die huidige grote ruiten zou het een nog veel bekoorlijker geheel zijn geworden. Jammer dat het huis niet op de “Monumentenlijst” stond, want dan had men graag (en gratis) adviezen gegeven en ergens nog wel een stel oude pannen opgeduikeld. In het archief van Keukenhof is wel een en ander over het huisje te vinden en in het boek “Keukenhof” wordt het ook ge­noemd. Het eerst vernemen wij erover in 1753 als het thans verdwenen buitenplaatje Middelburg en zijn boerderij, de huidige boerderij der familie Van Graven, zal wor­den verkocht. Een advertentie in de ” ‘s-Gravenhaegse Woensdagse Courant van den 14den November A° 1753″ vermeldt: nog een Huysinge, erf en thuyn, groot circa 300 roeden, geleegen aan de Haar­lemmer Trekvaart omtrent de brug van Halfwegen”.

De verkoop is niet doorgegaan; de boer­derij en het bewuste huisje bleven nog ja­ren lang in het bezit van Maria Jacoba Johanna Tjarck, de enig overgebleven dochter van de vorige, overleden eigenaar. (Zie Leids Jaarboekje 1972.) Zij was ge­huwd met Jean Baptiste Francois George Graaf van Oultremont de Warfusée en woonde meestal in België. Maar in 1781 doet ze het toch van de hand. Dan verko­pen haar gevolmachtigen aan “de schip­pers van Leyden op Haerlem een huijs en erve met zijn schuldbrief, teeltuijn, weyland en bosje, staande ende gelegen aan de Trekvaart omtrent de brugge van Half­wegen, volgens de kaart van landmeter Cornelis Velsen d.d. 14 febr. 1727 500 roeden”. De prijs is f 699. Helaas is die kaart van Cornelis Velsen tot nog toe onvindbaar.

Wat moeten die schippers nu met dat huis? Ach!, soms bleef een schuit een nacht over, en dan moest er altijd iemand bij de hand zijn. Eventueel ook voor kleine reparaties. Toen in 1881 de N.Z.H.T.M, werd opgericht kwam er ook halverwege, in Hillegom, een remise met woningen voor het personeel. In 1843 was het met de schipperij gedaan; de trein reed en de schuiten hadden geen klanten meer. Toen verkochten de “schippers van het Volksschuitenveer van Haarlem op Leiden, wonende te Leiden”, hun gezamenlijk bezit aan Jhr. J. Steengracht van Oostcapelle, de eigenaar van Keukenhof. Het werd omschreven als “een huis, erf, tuin, wei- en boschland, gelegen in de Groote Looster onder Lisse, belend aan drie zijden den koper en voorts aan de trekvaart. “De schippers waren Pieter van der Velden, Johannes Rietber­gen, mede namens Cornelis Rietbergen en Jan Parmentier, “de eenige bestaande schippers van het Volksschuitenveer van Leijden op Haarlem en terug”. Ze konden geen bewijs van eigendom tonen, en dat is wel lastig. Voordat in de Napoleontische tijd het kadaster ontstond, diende men de vorige, perkamenten transportacten zorg­vuldig te bewaren! De schippers verklaren slechts, dat hun huis en erf al “sedert een onheuglijken tijd” toebehoort, en daar neemt men dit maal genoegen mee. Prijs f 2.500. Dan staat er nog, dat men tot 31 december 1845 vrijdom van grondbelasting had, “als geheel nieuw gesticht gebouw”. Het huidige huis is dus van omstreeks 1845, het vorige huis is dus toen (geheel?) afgebroken.

EGBERT VAN ‘T OEVER; De rommeling. (25)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn.

Toen ik in “Holland” van augustus 1980 een artikel “Overduin te Lisse” had gepu­bliceerd belde al dadelijk iemand me op: “Je heb een grote fout gemaakt! Je heb Egbert van ’t Oever vergeten!” Wel stond op bladzijde 64 de naam Van ’t Oever vermeld, maar dat was niet genoeg! In volle overtuiging hoezeer ik toen ben tekortge­schoten, kan ik het bij dezen dan helemaal goedmaken.

Overduin met de Duinsloot

Egbert van ’t Oever is inderdaad in 1927 op Overduin geboren. Op ’t slootje voor het huis, de vroegere “Duinsloot”, had hij schaatsen geleerd. “Helemaal niet geleerd, toen ik vijf jaar was kreeg ik schaatsen en toen ben ik zó weggereden”. Zo gezegd een schaatswonderkind en dat is later ook wel gebleken! Hij is Nederlands kampioen ge­worden en heeft zeven jaar internationaal geschaatst. Thans is hij al weer bijna 25 jaar trainer bij de K.N.S.B., de Koninklijke Nederlandse Schaatsrijdersbond. Jaren bij de topploeg en nu weer enthousiast bezig met de jeugd van 17 tot 22. Dat gaat maar door, in het hele land en gedurende het hele jaar. Vooral nu sinds 1961/62 de kunstijsbanen kwamen heeft een trainer weinig rust meer. Maar het schijnt hem niet te deren.

Egbert van t Oever en Kees Verkerk

Op de foto staat hij met Kees Ver­kerk, ex-pupil en thans collega, tijdens de Olympische Winterspelen te Lake Placid in 1980. Maus Wijnhout, Herman Homma en Frans Kors, Rob Bisschops uit de Vin­cent van Goghstraat en Jaap Kortekaas, die nu in Voorhout woont, kunnen er ook heel wat van, maar Egbert van ’t Oever, Witte de Withstraat 17, blijft ongetwijfeld de ongekroonde koning van de schaats!

Maar bij schaatsen blijft het niet. Van ’t Oever was ook zeven jaar lang voorzitter van de Ren- en Tourvereniging “De Bollenstreek” en hard lopen doet hij ook! Toen ik hem ’s avonds bezocht zat hij heel vergenoegd in zijn fauteuil aan de koffie. Hij had zojuist 35 km hard gelopen: Zwartelaan, Veenenburgerlaan, Looster-weg, Beeklaan, langs de Leidse Vaart tot “de Sikkens” achter Sassenheim, dan naar De Kaag en langs de Ringdijk weer naar huis. Naast hem zat een sportieve, stevige boy, die Ben Hagen, de dameskap­per uit de De Ruyterstraat, bleek te zijn. Die heeft het laatst gepresteerd om 100 km te lopen in 7 uur en 32 minuten. Er zijn nog sportsmensen in Lisse!

Op de ene foto zien wij Overduin met de befaamde sloot. Het andere kiekje is door mijn broer Henk gemaakt met zijn nieuwe fototoestel op 19 april 1930. Ik was er zelf ook bij. Toen kon Egbert nog niet schaatsen. Of misschien kon hij het al wel, maar had hij nog geen gelegenheid gehad het te tonen!

Overduin in 1930 door Henk Hulkenberg

‘T LAMMETJE GROEN; De rommeling. (23)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn.

Een allerliefst huisje, dat “Lammetje Groen”. Toen ik er een twintigtal jaren geleden met een dame uit de “Grosse Heimat” naar stond te kijken smolt ze hele­maal weg in een aller aandoenlijkste ver­ering. “Was ich da tun tate? Ich tate nichts tun. Ich tate da sitzen und glücklich sein”. Sommige mensen menen, dat het huis zijn naam te danken heeft aan een “eeuwenoud” tegeltableau met een lammetje in het groen. Maar dat klopt niet; dat is pas goed vijftig jaar oud. Het is omstreeks 1927 gemaakt in “Het Tegelhuis” te Alphen aan de Rijn en door Marseille hier keurig inge­metseld. Het staat trouwens lang niet vast dat het huis zijn naam aan een lammetje heeft ontleend. Omstreeks 1650 ontmoet men hier steeds weer de naam van een ze­kere juffrouw Lambertje of Lammetje. De Stalen Brug dankt zijn naam aan Jhr Van der Staal, de Magere Brug te Amsterdam aan de gezusters Magher en de Groenhazen-gracht te Leiden aan een zekere juffrouw Haasje Groen. Het zou dus best kunnen, dat dit huisje naar Juffrouw Lammetje is genoemd. Het is al veel meer dan 300 jaar oud en in 1780 weer goeddeels vernieuwd en vergroot. De bouwnaad is nog duidelijk waarneembaar. Het was toen een boeren­huisje in het weiland. Die jachtbossen zijn pas in het begin der vorige eeuw aange­legd, toen het huis met Keukenhof verenigd werd.

In het Leids Jaarboekje 1973 staat van blz. 139 tot 162 een uitvoerige studie over ” ’t Lammetje Groen” gepubliceerd. Grappig is, dat de bejaarde Dirk Cornelisz Langeveld 300 jaar geleden heel zijn heb­ben en houwen aan de chirurgijn verkocht, waarbij deze dan beloofde “de voornoemde Dirck Cornelisz Langeveld zijn leven lang gedurende, te zullen alimenteren ende on­derhouden in eten, drinken, kleden en re­den, hem in ziekte en gezondheid van node wezende” en ten slotte ook als het zover “denzelven eerlijk te doen begraven”. In later tijd woonde op ” ’t Lammetje Groen” Pieter van der Lans, die al een heel gezin had toen hij trouwde met de weduwe van Jan Mens, die zelf zes kinderen had van ongeveer dezelfde leeftijd. “Piet Lans” had nog wel iets anders aan het hoofd dan “da sitzen”! In 1917 is de ijverige Van der Lans overleden. Zijn nageslacht en de familie Mens is in Lisse nog bijzonder talrijk.

DE ZONNEWIJZER; De rommeling. (21)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Aan de zuidzijde van de dorpstoren zit een oude en interessante zonnewijzer. Als de zon schijnt kan men zo de uren lezen; de “natuurlijke” uren, zonder zomer- of andere afwijkende tijd. Onder de wijzer staat in een cirkel “C. Keynenbreugel Fecit 1728”. Dit is iets bevreemdend. In die tijd hadden de kerktorens meestal reeds uur-

werken; de schildering van zo’n grote zonnewijzer ligt vroeger. En nostalgische ge­voelens naar een oude zonnewijzer zoals we dat nu zouden kennen bestond toen niet. Oorspronkelijk stond hier ook 1629 en de naam “Kleinenbreugel” en die zou de zonnewijzer hebben gemaakt. Nu klopt dat ook niet helemaal, want blijkens de kerkrekeningen was de ijverige koster Klei­nenbreugel gestorven in het jaar 1747 Waarschijnlijk heeft hij de figuren overgeverfd en toen zijn naam in de cirkel gezet. We gaan weer verder kijken. Nu staat er bovenaan “Anno 1823 A. Guldemond. Dat moet natuurlijk zijn. A. Guldermond, toen ter tijd huisschilder te Lisse die de schildering opnieuw heeft hersteld. Dan zag men nog n de rechthoek onder de cijfers “G.S. 1864”, dat waren de initialen van schilder Gijsbert Slegtkamp die niet ver van de toren begraven ligt. Binnen de krul links beneden stond “G.M 1899”, Gerrit Marseille. Op het lint stond weerszijde van de cirkel “A.W. v.d. M. en “1894”. Dat was A.W. van der Meer uit de Kanaalstraat, die ook al met de verfkwast bezig is geweest. Al die initialen zijn bij de laatste restauratie verdwenen. Erg sneu voor de schilders. Ze hebben zo erg hun best gedaan en toch maar zo beschei­den hun initialen geplaatst. Zoals zo vaak wordt bescheidenheid niet beloond.

CONSTANTIJN HUYGENS OP MEER-EN-BERGH ; De rommeling. (19)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

“Van stomme schepselen en weet ick geen’ als Boomen,

Die onse biddende gedaente naerder komen:

Wij streken even soo ons’ handen Hemelwaerd,

Maer onse wortelen zijn machtigh vast in d’Aerd.”

Huygens hield erg veel van bomen en tui­nen, en hij is die in 1669 komen bezien in Lisse op de machtige buitenplaats Meer-en-bergh van de Heer Gerard van Wassenaer van Alkemade. Dat toont al meteen zijn ruime geest; jonker Gerard was “Rooms-gezind” en stond dus geheel buiten het Haagse Hofleven, waar Huygens als secre­taris van Prins Frederik Hendrik kind aan huis is geweest.

Constantijn Huygens was een der fijnzinnigste dichters van onze Gouden Eeuw, lid van de “Muiderkring”, maar gelijkertijd ook een begaafd politicus. Zijn buiten­plaats te Voorburg, “Hofwijck”, een wijkplaats na de beslommeringen van het hof­leven, is geheel gewijd aan zijn nagedach­tenis en aan die van zijn zoon Christiaan en het bezoeken vol op waard. Ook deze Christiaan, Heer van Seelhem, een beroemd wis- en sterrenkundige en de uitvinder van het slingeruurwerk, was in Lisse niet onbekend. Hij is waarschijnlijk identiek met “Christianus Huygen van Seelhoff”, die in 1655 voor Schout en Schepenen van Lisse verscheen, in verband met de verkoop van Keukenhof. De heren Huygens met voorname gratie rijdende in de koets door het landelijke Lisse. Men ziet ze in den geest nog voor­bijgaan.

VAN DER LAEN EN TER SPECKE; De rommeling. (16)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Aan de Achterweg, dicht bij de Spekkelaan, staat nog altijd het Huys ter Speck ’t Is wel vaak veranderd en een twintigtal jaren geleden zelfs geheel afgebroken en opnieuw opgebouwd, maar het is waar wat de Engelsen altijd zeggen: “The site genuine”.

Na de Van der Specke’s en de Van Alphens woonde hier sinds 1535 de Haarlemse familie Van der Laen, waarmee men in Lisse heel wat te stellen heeft gehad. Niet met Cornelis van der Laen die het kocht — hij werd “un saint par ses vertues”, een heilig door zijn deugden, genoemd —, maar wel met een aantal van zijn kinderen en klein kinderen. Met name Jonker Adriaen moest men wel heel erg dun schillen …. Wij zien hier Ter Specke, zoals het in 163 door landmeter Steven van Brouchuyse is getekend.

De Van der Laens hebben het vaak nog al hoog in het hoofd gehad. Daarover staat in het boek “Keukenhof” heel wat geschreven. Natuurlijk lieten ze boven het graf van Gerrit van der Laen, overleden in 1635 een fraai “glas” aanbrengen in de Lisse dorpskerk. In 1815, toen de tekening gemaakt is, was het dus nog aanwezig, maar wel tamelijk afgesleten. Bovenaan leest men iets als “Ab ortu solis” en dan denkt men dat zal volgen “usque ad occasum”, tesamen de Bijbelse woorden: “Van de op­gang van de zon tot aan de ondergang”, maar dat staat er niet. Daaronder is de wa­penspreuk van de familie: “Fata viam invenient”, “Het noodlot zal zijn weg vin­den”, ofwel: wat eenmaal bestemd is moet ook gebeuren. Het is een vers uit de Aeneas van Virgilius. Dezelfde spreuk staat ook op zijn grafzerk, die thans buiten tegen de kerkmuur staat. (Wijlen Ir. A.F. de Graaff heeft over deze zerken een interessante studie gepubliceerd in het Leids Jaarboekje 1941.)

In het midden van het glas zien we het wa­pen Van der Laen met de keper en de drie vaten. Daarboven de wrong van de helm met als helmteken weer een vat tussen een “vlucht”. Daarnaast staan de vier kwartier­wapens de wapens van de vier grootouders Cornelis van der Laen, de vader van de overledene, was gehuwd met Beatrix van Montfoort, de dochter van de Leidse burge­meester Jacob van Montfoort en Dirckje Boelesdr. van Lindenburg. Die wapens staan rechts. Nu zou men menen, dat de grootouders van vaderszijde een echtpaar Van der Laen-Van Adrichem zou zijn weest. Links vinden we die wapens. Maar het is niet waar! Grootvader Gerrit van Laen was gehuwd met een dochter van Bouwen Albrechtsz, een drapenier, d.w.z. een lakenbereider, uit de Haarlemse Veerstraat. Maar als je het nu ver hebt geschopt en je je daarbij ook nog heel wat verbeeld dan is zo’n afkomst toch wel erg gewoon. Dan doe je maar net of je van het aanzienlijke geslacht Van Adrichem stamt! De familie had met het geslacht Van Assendelft al eerder hetzelfde grapje uitgehaald. Ach, alle eeuwen door zijn de mensen ijdeltuiten geweest. Wij zijn het ook; ieder heeft, aldus Dr. Terruwe, bij tijd en wile behoefte aan een zekere “bevestiging”.

Ter Specke op een kaart 1616

LISSE IN 1616; De rommeling. (15)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

De abdij van Egmond en die van Ter Leede of Leeuwenhorst te Noordwijkerhout had stukken land in de hele omgeving; ook in Lisse. In 1616 waren die abdijen helemaal geen klooster meer en werden de opbreng­sten van de landerijen door anderen opge­streken. Dit zijn twee (perkamenten) bladen van het kaartenboek, waar de verf van de “Sant Vaert” op de linker bladzijde is overgedrukt. Die “Sant Vaert”, ook “Verlaner” of “Van der Laener Santvaert” genoemd, is de huidige Vennesloot. Dat bochtje in de sloot bij de Jannetjesbrug was er toen ook al. Ze is gegraven voor het afzanden van de duinen van Van der Laen op het Huys ter Specke. Ook het aangrenzende Grotenhof was eigendom der Van der Laens; “Gerrit van Der Laen”. Verder ziet men de “Lytwech” (Achterweg), de “Vuer Steech” en op de voorgrond de Heereweg met de “Poort vant Huys Deveren”.

Geheel rechts is de dorpskerk en daar vlak bij de herberg van de “Waert aent kerckhoff”, Engel Jacobsz Heemskerk, toen ter tijd het Rechthuis van Lisse. Dan volgen nog wat huisjes aan ’t Vierkant, of — zo­als men vroeger zei — in ’t Vierkant. In een van die huizen was al sinds 1579 de herberg “De Witte Zwaan” gevestigd, die na het faillissement van Engel Heemskerk het Rechthuis van Lisse is geworden. Links van de kerk is “De Watering”, de nog be­staande “Stinksloot”.

Kaart uit 1616

Voor het leesgemak (redactie website)