Berichten

VUURSTEEGLAAN KOMT VAN VIERSTEEG

Aannemelijk wordt gemaakt dat Vuursteeglaan vroeger Vuursteeg genoemd kan zijn.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

4 april 2017

door Nico Groen 

Wat is de herkomst van de namen Lisse, ’t Vierkant en de Vuursteeglaan? Deze vragen houden de gemoederen in Lisse al tientallen jaren bezig, zo niet langer. Er zijn volgens de deskundigen meerdere betekenissen mogelijk voor deze namen. Dit met soms felle discussies tussen voor- en tegenstanders van een bepaalde gedachtegang.
In deze column wordt naar de Vuursteeglaan gekeken. In 1951 heette deze weg nog de Vuursteeg. Een steeg had echter in den lande niet zo’n goede naam. In een steeg woonden voornamelijk armere mensen. De bollenkwekers die in de Vuursteeg woonden, kregen volgens zeggen om die reden bij het kopen van plantgoed geen krediet van mensen buiten het dorp. Met succes hebben zij bij het gemeentebestuur voor elkaar gekregen dat er toen ten overvloede laan aan de Vuursteeg werd toegevoegd: Vuursteeglaan.

Viersteeg al sinds 1600
In diverse historische artikelen over Lisse wordt geschreven over een Viersteeg, een weggetje dat vanuit het westen uitkwam op de Heereweg. Ook op oude kaarten is dit te zien. In 1881 wordt dit weggetje nog steeds Viersteeg genoemd. De Viersteeg lag ongeveer op de plek waar nu de Vuursteeglaan ligt. De Viersteeg moet echter Vuursteeg betekend hebben en geen 4e steeg. Het vroegmiddelnederlands woordenboek is namelijk duidelijk. Het tegenwoordige vuur werd in de 13e eeuw en later op diverse manieren geschreven, o.a. fier, vier en vir. De betekenis van deze woorden wordt naast het getal vier omschreven als vuur, brand(stapel) en hartstocht. Aan het einde van de 19e eeuw werden bijna alle woorden met vier, fier en vir in de betekenis van vuur herschreven als vuur. Zo is ook de officiële straat Viersteeg hertaald naar Vuursteeg.

Waarom Viersteeg?
Namen van wegen hadden vroeger een doel. Vaak werden zij vernoemd naar iets of een plaats. Zo was de Kerklaan in veel plaatsen de weg naar de kerk. De Viersteeg kan als betekenis de weg naar het vuur hebben gehad. Maar waar naar toe en waar vandaan? Dit moet wel vanuit de bossen op de duinen zijn: het huidige sportterrein en het Keukenhofbosch. Voor een vuur is namelijk hout nodig, dat moest worden aangevoerd vanuit de bossen. De Viersteeg ging mogelijk naar het Vierkant, niet rechtstreeks maar via de Heereweg ten zuiden van het Vierkant. Dit zou dan komen door de onbegaanbaarheid van het Berkhouterduin ten zuidwesten van Lisse en/of door de diepte van de beek (de huidige Kerksloot of Stinksloot langs de Agathakerk), die het water afvoerde vanuit het Berkhouterduin naar de Lisserpoel. Mogelijk was er ter plaatse van de Heereweg (bij de Agathakerk) toen al een brug of in ieder geval een doorwaadbare plaats. Op de oudste kaarten van rond 1600 is de Achterweg tussen de Vuursteeglaan en de Heereweg echter al ingetekend. De situatie, zoals boven beschreven moet dus al van vóór 1600 zijn. Er zijn echter van vóór die tijd geen nauwkeurige kaarten bekend. De Viersteeg kan echter ook helemaal tot boerderij Zwanendrift of het Turfspoor in Lisserbroek hebben doorgelopen, waar dan een vuurbaak aan het water zou hebben gestaan. Op oude kaarten staat hier inderdaad een kruisbaak, maar van vuur is geen sprake. Volgens A. Hulkenberg zouden er in de Viersteeg vuurbakens gestaan kunnen hebben om schepen naar Lisse te loodsen via de Greveling, die precies in het verlengde van de Vuursteeg lag.

Detail van een kaart van Floris Balthasar uit 1615. De Viersteeg wordt al genoemd. Kaart van het Hoogheemraadschap Rijnland.

 

VERKLARING NAAMGEVING AKERVOORDERLAAN NOG NIET EENDUIDIG.

Akervoort wordt voor het eerst genoemd in de 13e eeuw en geschreven als Acghenvort en Agghenvort, waarbij agghen ontstaan is uit acghen. Vort betekende oorspronkelijk ‘doorgang’. De betekenis van Akervoorde kan ‘de doorgang door het water’, ‘de doorgang van de heer Acgh’ of ‘de doorgang door de beek Acghen’ zijn.

door Nico Groen

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 3, juli 2014

Wat betekent Akervoorderlaan? Om dat aan de weet te komen moet je de allereerste vermeldingen bekijken. Op welke manieren werd dit geschreven? Wat was de oude betekenis?
Na mijn artikel over de mogelijke betekenis als ‘vuur’ van de woorden ‘lisse’ en ‘vierkant’ in het nieuwsblad is nu de Akervoorderlaan bij de Engel in Lisse aan de beurt.
Zoals verderop in dit artikel zal blijken had ‘voorde’ de betekenis van ‘doorgang’. Meestal in relatie tot water, maar dat hoeft niet. Het kon ook ‘doorgang’ zonder water betekenen (bijvoorbeeld door de duinen). Akervoorderlaan werd in de 16e en 17e eeuw meestal geschreven als Akervoort.

Landschappelijke schets.

Vóór de mogelijke betekenissen van de woorden ‘aker’ en ‘voorde’ worden beschreven, moet eerst een schets worden gemaakt van het gebied bij de Akervoort. De Heereweg ligt aan de oostkant van de oude standwal van Lisse naar Sassenheim. Deze strandwal liep vanaf de Heereweg naar het westen tot ongeveer de eerste s-bocht in de huidige Akervoorderlaan bij huisnummer 6 (aannemer van der Hulst). Op deze plek was volgens de morgenboeken in 1544 al een boerderij. Mogelijk was de strandwal zo hoog, dat indertijd een doorgang gemaakt moest worden om bij deze boerderij te komen, Dat de strandwal ter plaatse hoog was blijkt uit het gegeven dat hier in 1561 het duin werd afgegraven. Dit staat in het boek ‘Wassergeest te Lisse’. Vanaf genoemde s-bocht in de Akervoort, zoals de laan vroeger heette, naar het westen tot de huidige Oude Heereweg/Achterweg lag een strandvlakte. In deze strandvlakte bedekte een laag veen het oorspronkelijke zand. Zo’n lage vlakte was vaak erg nat en moerassig. Ten westen van de Engel en ten noorden van de Akervoort was het toendertijd erg nat. Dit werd het Liesbroek genoemd. Ook ten zuiden van de Akervoort ter plaatse van de latere Beekpolder was het erg nat. Daarom werd volgens A. Hulkenberg mogelijk al in de 13e eeuw een sloot met de naam beek gegraven richting de Lisserpoel. Deze beek werd in de 14e eeuw gebruikt om stenen en ander materiaal aan te voeren voor de bouw of verbouw van slot Teylingen. Dit staat in het boek ‘Teylingen’ van A. Hulkenberg. Deze beek is nog te herkennen en loopt vlak langs de H.H. Engelbewaarderskerk. Het water van het Liesbroek kon niet naar het oosten, noorden en westen stromen. Het moest daarom via de Akervoort naar het zuiden stromen naar de latere Beekpolder. Mogelijk was de strandvlakte ter plaatse van de Akervoort wat hoger en ging het water hier in een beekje de weg over. Daar zou dan de voorde geweest kunnen zijn. De Akervoort kan ook in de Heereweg zelf gelegen hebben. Mogelijk was er nog geen brug over de beek bij de H.H. Engelbewaarderskerk. Ook stroomde er daar volgens A. Hulkenberg in zeer natte periodes water over de zandige, onverharde Heereweg richting de Poel. Tussen de huidige Achterweg/Oude Heereweg en de Loosterweg lag een tweede strandwal. Mogelijk moest in deze strandwal een doorgang gemaakt worden naar een meer naar het westen gelegen huis. Het oostelijk deel van deze strandwal tussen de huidige Torenlaan en de Oude Heereweg is volgens A. Hulkenberg in 1604 afgegraven. Ten westen van deze strandwal, dus ten westen van de Loosterweg, lag weer een strandvlakte. In deze strandvlakte, de Lage Venen genoemd, werd het water naar het zuiden afgevoerd via de Maandagse Wetering van Voorhout net ten oosten waar nu de Haarlemmertrekvaart ligt. Volgens de kaart van 1615 van F. Balthasar heeft de Akervoort hier doorgelopen naar het zuidwesten tot over het water, waar toen een huis stond. Hier kan dus ook een voorde hebben gelegen. Het huidige laantje naar hovenier Hoek, dat vanaf de Loosterweg naar het zuidwesten loopt, is volgens mij nog een restant van bovengenoemd gedeelte van de Akervoort.

De betekenis van voorde was doorgang.

Een modern woordenboek heeft als betekenis van ‘voorde’ een doorwaadbare plaats door een rivier, een beek of een gegraven vaart. Een ander woord voor ‘voorde’ was ‘wedde’. Betekende ‘voorde’ in het geval van Akervoort ook een doorwaadbare plaats? In de grafelijke kanselarij (1284-1287) wordt, zover we nu weten, voor het eerst gesproken over Akervoort. Voorde wordt dan geschreven als ‘vort’. In 1326 wordt bij een schenking gesproken over ‘vorde’ en in 1444 over ‘voerdt’. De oudste vermeldingen hebben het dus ook steeds over een voorde hoewel steeds iets anders geschreven. Betekende ‘voorde’ toen ook al doorwaadbare plaats? Het Germaanse ‘vorde’ is ontstaan door klankverschuiving uit het Latijnse ‘portus’. Dit komt doordat de Latijnse P in het Germaans een V of een F werd. De Latijnse T werd door de klankverschuiving een D. Dus kon ‘portus’ in het Germaanse via ‘vort’ veranderen in ‘vorde’ en in het Engelse ‘ford’, wat ook doorwaadbare plaats betekent. Ook het Noorse ‘fjord’ past in dit rijtje. ‘Portus’ betekende van oudsher ‘doorgang’. De haven van Rome heette in de 1e eeuw na Christus Portus. Via deze ‘doorgang’ werden alle goederen van en naar Rome verscheept. ‘Vorde’ betekende in de 13e eeuw dus ook ‘doorgang’. Dit is hoogstwaarschijnlijk doorgang in relatie met water. Het zou toentertijd echter ook een doorgang zonder water hebben kunnen betekenen. Het aardige is, dat ons woord ‘poort’ ook een leenwoord is van het Latijnse ‘portus’. ‘Poort’ betekende dus ook ‘doorgang’. In eerste instantie was een ‘poort’ de toegang over de gracht en door de stadswal naar de stad. Later werd ‘poort’ gebruikt voor allerlei soorten toegang zonder water in de buurt. Interessant is, dat het Engelse ‘port’, dat nu haven betekent, vroeger de betekenis van ‘doorgang’ vanuit een rivier naar de zee had. De conclusie is, dat ‘voorde’ rond de 13e eeuw hoogstwaarschijnlijk doorgang door het water betekende. Vooral ook omdat er veel plaats-, veld- en straatnamen in Nederland met voorde zijn, die van oudsher in relatie staan tot  een doorgang door het water (doorwaadbare plaats). In deze buurt, nabij de ‘s Gavendam in Noordwijkerhout werden in de 16e eeuw ook diverse wedden of voorden benoemd (zie hiervoor het kaartje van Van Merwen uit 1589). Hierop is te zien, dat er zelfs in de ’s Gravendam zelf een wedde lag.

Akervoort en Akersloot hebben niet dezelfde oorsprong.

Als je in een modern woordenboek kijkt wordt ‘aker’ omschreven als eikel, eikenboom, akker, emmer of een bepaalde landmaat (Engels acre). Oppervlakkig gezien zou je zeggen dat een van bovengenoemde betekenissen wel op de Akervoort zou slaan. Te meer daar er in het wapen van Akersloot 3 eikels staan. Als je echter naar de oudst geschreven vermeldingen van Akervoort kijkt, kan dit totaal niet kloppen. Als je in woordenboeken over middeleeuwse woorden kijkt, zie je dat de k bij bovengenoemde betekenissen voor ‘aker’ steeds met een k, kk of ck werd geschreven. Ook eindigen ze steeds op een r. Dat zie je bijvoorbeeld bij Akersloot. Dit werd geschreven als Ekkerslato (1083), Ekkerslot (1182) en Ackerslote (1175). Het kan daarom goed kloppen dat de betekenis van Akersloot iets met eikels te maken heeft. Dit is bij Akervoort echter totaal niet het geval. Bij de oudste benamingen werd de k van aker steeds geschreven met gg, ggh, gh of cgh. Ook zou men in de oudste vermeldingen een r op het einde verwachten. Dit is echter niet het geval, zoals we hieronder zullen zien.

Hoe werd Akervoort geschreven in de 13-15e eeuw?

Rond 1285 wordt geschreven over Acghenvort en Agghenvort, gelegen in West Holland. Een en ander komt uit de grafelijke kanselarij (1284-1287). Volgens het Middel Nederlands Woordenboek komt ‘agghen’ waarschijnlijk van ‘acghen’ en is dit dus het eerst geschreven. In 1326 passeert een acte met de naam Magriete Ghysendr. van Aghenvorde, die een stuk land in Noordwijk aan abdij Leeuwenhorst had geschonken. In de 14e eeuw wordt gesproken over jonkvrouw van Aggenvoorde, die woont aan de Poel. Hiermee wordt de Lisserpoel bedoeld. Dit staat in het Repertorium op de lenen van de abdij van Egmond (1174-1650). In 1444 wordt over Aggenvoerdt gesproken in leenboek A van de ridderhofstad Dever te Lisse. Een perceel genaamd Vranckenhofstede wordt begrensd door een lytweg genaamd Aggevoerdt. Bovenstaande staat in het Leidse jaarboekje 1984 in het hoofdstuk ‘Akervoort’, geschreven door A. Hulkenberg. Samenvattend: in de 13-15e eeuw werd de k van aker geschreven als cgh, gg, ggh of gh en de r als n.

Wat betekent ‘aker’?

We hebben gezien dat ‘aker’ geen eikel, eikenboom, akker of landmaat kon betekenen. Maar wat dan? De stad Aken (Duits Aachen) is uit het Romeinse ’aquis’ onstaan. ’Aquis’ betekende ‘bij de wateren’. Er waren daar namelijk warmwaterbronnen, waar de Romeinen warmwaterbaden bouwden. Deze baden waren in de Romeinse tijd beroemd en er is toen veel over geschreven. Een Germaanse variant uit 1212 was onder anderen ‘ache’. De allereerste keer dat er over Akervoort werd geschreven was tussen de jaren 1284 en 1287. Het werd toen geschreven als ‘acghenvort’. Vanuit deze schrijfwijze moet dus worden uitgegaan. Gezien de schrijfwijzen van ‘ache’ en ‘acghenvort’ kan deze laatste schrijfwijze gemakkelijk uit de eerste ontstaan zijn. De betekenis van Akervoort zou dan zijn ‘de doorgang of de doorwaadbare plaats door het water’.

Het kan ook zijn, dat een van de 3 hierboven beschreven beken de Acghen heette. Analoog aan Amersfoort, dat in 1028 Amersfoirde heette; een doorwaadbare plaats door de Amer. De Eem die door Amersfoort loopt, heette vroeger de Amer. Er zijn echter geen schriftelijke bronnen die kunnen bevestigen, dat er een beek was, die de Acghen heette. Leuk gegeven in relatie tot een plaatsnaam is, dat in het Middel Nederlands Woordenboek gesproken wordt over Agghenvort, plaats in ZH. Locatie onbekend. Agghen komt van acghen. Deze plaatsnaam komt uit de Grafelijke kanserij (1284-1287). Er staat; ‘Jan naghel…. 1 morghen tusscen vloedorp ende agghenvort’ . (In het artikel van A. Hulkenberg in het Leidse jaarboekje 1984 over Akervoort staat ten onrechte ‘Jan naghel… 1 morghen tusscen vloedorp ende anghenvort’). De betekenis van Akervoort zou dan zijn ‘de doorwaadbare plaats door de Acghen’

Vroeger was het gebruikelijk bezittingen, velden en straten namen te geven, die naar een persoon verwijzen. Dat zou in het geval van de Akervoort ook zo geweest kunnen zijn. In het Middel Nederlands Woordenboek staat, dat Acghen vroeger een genitief (een bepaalde naamval) was van de persoonsnaam Acgh, later ook als Agge geschreven. Een genitief betekende ‘iets van iemand of iemand van iets’. Bijvoorbeeld Des Gravendam of Des Gravenhage was de dam of de hage van de Graaf. In dit geval dus de voorde van Acgh. Er zijn echter geen geschreven bronnen bekend, die naar een persoon met die naam in de Bollenstreek verwijzen. De betekenis van Akervoort zou zijn ‘de doorgang of voorde van Acgh’ .

Laan komt uit de 18e eeuw.

De toevoeging ‘laan’ aan Akervoort speelt geen rol in het bepalen van de oude betekenis van Akervoort. De toevoeging laan komt pas in 18e eeuw voor het eerst voor in de geschreven teksten voor, zover nu bekend is.

Voorbeeld van een voorde of wedde. Deze voorde loopt door de Geul ten zuiden van Epen

Conclusie.

Akervoort wordt voor het eerst genoemd in de 13e eeuw en geschreven als Acghenvort en Agghenvort, waarbij het woord ‘agghen’ ontstaan is uit ‘acghen’. Bij het verklaren van ‘aker’, moet dus worden uitgegaan van ‘acghen’. Acghen in de betekenis van water. Aker- • voort betekent dan ‘de doorgang door het water’ of ’de doorwaadbare plaats door het water’. Acghen in de betekenis van ‘iets van een • persoon’. Akervoort betekent dan ‘de voorde van Acgh’. Er zijn echter geen bronnen die hebben geschreven over de persoon Acgh of Agge in Lisse. Acghen als naam voor een beek: de voorde • door de Acghen. Ook over een beek Acghen zijn geen schriftelijke bronnen bekend. ‘Vort’ betekende hoogstwaarschijnlijk doorwaadbare plaats, omdat dit bij veel andere voorden in Nederland ook doorwaadbare plaats betekende. De plek van deze doorwaadbare plaats is onbekend.

Van Heereweg tot station

door Arie in ’t Veld

Uit De Lisser van 17 september 2008

Toen en nu: Berkhoutlaan

LISSE – De Berkhoutlaan is een prachtige straat. Links de voorzieningen van Eikenhorst en Berkhout en rechts schitterende woningen en oudere huizen, afgerond door de villa Vrijheid Blijheid waar ooit architect Leen Tol menige Lissese woning ontwierp, vervolgens de kosterij van de Christelijk Gereformeerde Kerk en de villa op de hoek met de Veldhorststraat. Een steenworp verder staat villa Veldhorst en daarna komen de moderne toestanden van de Westelijke Randweg, waarna de straat overgaat in de Stationsweg. En dat was ooit ook de Berkhoutlaan: de Stationsweg die liep vanaf de Heereweg tot aan het station.

Terug in de geschiedenis is van een laan, weg of zelfs straat geen sprake. Vanaf de Heereweg ging je namelijk de Steeg in, ook wel ‘de Peus’ genoemd. Op de hoek aan de linkerkant de kruidenierswinkel van Van der Mark met daar vlak achter kolenloodsen en enkele huizen en rechts het postkantoor met daarachter het huis van de familie Van Diest, die een pittig stel postduiven hield en de kolenloodsen van Van Rooyen. En verder…: huizen. Krotten eigenlijk en niet onbewoonbaar verklaard, maar onverklaarbaar bewoond. Omstreeks 1890 kon de gemeente Lisse de linkerzijde van drieënhalf à vier meter breed voor duizend gulden kopen, maar dat was te duur en aannemer Molenaar bouwde er toen een rij huisjes. Op het zogenoemde geitenkantje, dat maar een paar meter breed was.

Reumatiekhokken
‘Doorgangshuisjes’ zoals men ze noemde, want zo ongeveer half Lisse woonde eerst ‘op de Steeg’ voordat men de kans kreeg op een andere woning in het dorp. De Steeg werd in 1910 Stationsweg genoemd, maar de verandering in naam kon niet voorkomen dat de kwaliteit van de huizen achteruit holde en de Lissers steevast ‘de Steeg’ bleven zeggen en de huisjes uitmaakten voor reumatiekhokken, want met name in de natte herfst en winter was het er niet warm te stoken. Wat hen betrof, begon de Stationsweg pas na ‘Vrijheid Blijheid’.
Op de Steeg stond ook één van de oudst bewoonde huizen in Lisse (300 jaar) van de familie Lemmers. Het pand wordt al genoemd in 1654 en werd in 1732 gekocht door Warbout Vreeburg en daarna bewoond door diens dochter, die in 1738 trouwde met Hendrik Onnosel (eigenaar van De Witte Zwaan). In 1859 werd het pand gekocht door Hendrik Lemmers, klompenmaker (dertig cent per paar). Ook het café van Lieverse, ‘Het Haasje’, was er gevestigd, maar werd in 1916 opgeheven.

Postkantoor
Op de hoek van de Heereweg stond het in 1899 gebouwde postkantoor. Een statig gebouw dat aanvankelijk eigendom was van de gemeente, maar in korte tijd dermate vaak onderhanden moest worden genomen vanwege allerlei uitbreidingen, dat besloten werd het gebouw over te doen aan het ‘Rijk’. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor 17.500 gulden, inclusief de bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein in eigendom en globaal gesproken gaat het hier over de hoek Berkhoutlaan/Heereweg, aan de zijde van het winkelpand De Madelief. Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht, volgde er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en twaalf personen, alsmede acht vaste postbodes. Enkele tientallen jaren geleden werd het postkantoor gesloopt om plaats te maken voor een groot winkelpand, dat later in de volksmond de naam ‘De Madelief kreeg. De huisjes in Stationsweg waren toen al met de grond gelijkgemaakt.

Berkhout
Halvewege de zestiger jaren van de vorige eeuw gingen ze plat, waarna er ruimte kwam voor nieuwe ontwikkelingen, zoals de bouw van Berkhout en nieuwe (grotere) woningen. Een verandering die nog op de rails staat, is dat een deel van de straat opnieuw een naamswijziging zal ondergaan. Enige tijd geleden werd namelijk bekend dat het deel vanaf de Heereweg tot aan de Westelijke Randweg de Madelief gaat heten. Zo is de aloude Steeg versnipperd geraakt en lijkt deze qua naam en inrichting in geen enkel opzicht meer op de vroegere Steeg.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

De Kapelsteeg werd in 1910 ‘eene straat’

De Kapelsteeg of het Slop was indertijd een voetpad en ontleent zijn naam vrijwel zeker aan de Kapellewei. De steeg werd omstreeks 1864 bestraat. Er mogen geen paard en wagens door de steeg. In 1910 is de Kapelsteeg verbreed tot 7 meter.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

De Kapelstraat, beter bekend onder de naam van Het Slop, was voorheen een smalle steeg van circa 2½ meter breedte. Zijn naam ontleent hij zeer zeker van de Kapellewei, waarover of waarlangs deze steeg indertijd is aangelegd als een voetpad van de Gracht naar de Broekweg.*
De Kapelsteeg werd in of omstreeks het jaar 1864 bestraat. In vroeger jaren schijnt men deze smalle gang ook al gebruikt te hebben voor rij- en voertuigen, want in het jaar 1845 werd het rijden met paard en wagen, op verzoek van de aangelande eigenaren, door Burgemeester en Assesoren van Lisse verboden.
In het jaar 1910 is de Kapelsteeg zoodanig verbreed dat het eene straat werd van 7 meters breedte. Deze verbreeding vond zijn oorzaak in het feit dat de heer M.J.Guldenmond eigenaar was geworden van de villa en de bloembollenschuur van de geliquideerde firma Maathuis & van Alphen, op de hoek van de Heerenweg en de 1e Poellaan. Naar aanleiding daarvan wilde hij zijne bezittingen aan de noordwestzijde van de kapelsteeg en langs de Grachtweg verkoopen.
Dientengevolge bood hij de gemeente Lisse te koop aan eene strook grond ter breedte van 4½ meter, gerekend uit het hart van de Kapelsteeg, voor eene eventueele verbreeding dezer steeg.
In verband met het steeds drukker wordende verkeer naar de haven, die slechts langs ééne straat, namelijk de Grachtweg, te bereiken was voor rij- en voertuigen, besloot de Raaad om met de heer Guldenmond te onderhandelen, en te trachten eene strook grond aan te koopen van voldoende breedte om eene verkeersweg te verkrijgen, die in eene lang bestaande behoefte zou voorzien.
Na verschillende onderhandelingen besloot de raad, in zijn vergadering van 28 mei 1910, om van de heer Guldenmond aan te koopeneene strook grond ter breedte van 51/2 meter, gerekend uit het hart van de kapelsteeg, voor de som van f. 4.790,-
Met deze gelegenheid heeft men ook getracht de Kapelsteeg aan de Zuidoostzijde te verbreeden, maar de eischen die aan die zijde gelegen eigenaren, namelijk de heeren Gebr. Malta en C. van Parijs, waren zoo hoog dat daar ter plaatse eene verbreeding in afzienbare tijd niet mogelijk is.
Men heeft echter toen aan de zuidoostzijde van de kapelsteeg een bouwverbod gelegd waardoor bij eventueele verbouwing, de rooilijn zoodanig moet worden teruggebracht, dat deze komt op 4 1/2 meter uit het hart van de oorspronkelijke Kapelsteeg.
Voor de verbreeding van meergenoemde Kapelsteeg moest het woonhuis van de heer Guldenmond worden gesloopt, alsmede eene steenen bollenschuur en de steenen muur die het erf van de heer Guldenmond langs de oorspronkelijke steeg afsloot.
Het nog overige terrein werd verkocht voor bouwterrein, hetgeen binnen zeer korte tijd was bebouwd. Met de verbreeding van de kapelsteeg is een verbetering aangebracht, die tot in lengte der dagen zal worden toegejuicht.
De eerste versie van dit verhaal in Boek I van de Aantekeningen van Raaphorst vermeldt ook nog:
Het terrein op den hoek van de Gracht kocht de heer P. Verzijde die daar een goud- en zilverwinkel bouwde en later in de Kapelsteeg nog twee woonhuizen waarvan een winkelhuis. De twee overige gedeelten werden verkocht aan de heeren Th. Van der Wiel, kleermaker en de heer J.Overduin, vleeschhouwer. Eerstgenoemde bouwde daar een winkelhuis en laatstgenoemde een naar de eischen des tijds ingerichte slachterij en vleeschhouwerij.
* De Kanaalstraat heette in die tijd Broekweg.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Lisse had al in 1566 een bomenverordening

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

 

‘SCHOUT EN KROOSHEEMRADEN VERKLAREN DE WILLIGE BOOMEN VAN HUYSE DEVER EEN CIERAAD LANGS DEN HEEREWEG’.

Sinds kort heeft Lisse haar bomenverordening. In het verleden waren het de keuren van Rijnland die alles regelden. Wat komen we in het Register op de keuren en ordonnantien van het Hoog-Heemraadschap van Rijnland (Leiden 1823) zoal tegen?

Allereerst worden in de keuren regels gesteld omtrent het planten van bomen op slootkaden. Aan de Zon- of Zuid-Zijde van schouwbare kaden mochten bijvoorbeeld geen bomen geplant worden. Vermoedelijk was deze regel gesteld, aangezien deze bomen anders hun schaduwen zouden werpen op de kaden en dat kon een belemmering vormen bij het schouwen hiervan door Rijnland. Bij zo’n schouw werd onder meer gekeken of de slootkanten wel goed onderhouden werden door de eigenaren. Voor de bomen aan de noordzijde gold slechts dat deze tot zekere hoogte gesnoeid moesten worden.
Ook nabij enige Wind-Watermolens mochten geen bomen geplant worden, waarschijnlijk om een vrije vlucht te garanderen van de wieken.
Wat gold voor de sloten ging ook op voor de wegen binnen het beheersgebied van Rijnland. Langs de wegen – vooral openbare wegen – mochten natuurlijk niet zomaar bomen geplant worden zonder toestemming van het Hoogheemraadschap. Voor de Straatweg tusschen den Haag en Haarlem , tegenwoordig de Rijksstraatweg, Heereweg of ook wel de Hoofdstraat (in Sassenheim) genoemd, gold zelfs een aparte keur, die in 1807 in het leven was geroepen. Het verbood het kappen of planten van bomen waarbij de grond nader geroert werd dan op 20 duim (ongeveer 50 cm) afstand van de kantlage der Straet, dus vanaf de randen van de straat. Trok men zich hier niets van aan, dan was een boete van 25 pond het gevolg. Moest de weg toch worden opgebroken, dan diende men zich te adresseren bij het Departementaal Bestuur van Holland, die (in 1807) als eigenaar en beheerder van de weg optrad. Langs de Heereweg liepen voetpaden, waarlangs in de bermen nogal wat Ruigte, dus onkruid, voorkwam. We lezen: De Ruigte langs de voetpaden zal, vanwege het Departementaal Bestuur, mogen worden geblood (verwijderd), voor zoo verre zulks aan het Plantsoen aldaar, niet schadelijk zij, teneinde op den weg tot dekking te kunnen worden gebruikt. Kennelijk werd dus deze ruigte als wegbedekking gebruikt. Deze nieuwe keur die alleen voor de Heereweg gold, is waarschijnlijk in het leven geroepen, daar in 1807 deze weg werd bestraat.

Minder strukelen
In één van de dingboeken van Lisse die de periode 1681-1699 beslaat en die zich bevindt in het Algemeen Rijksarchief, Rechterlijk Archief Lisse lezen we op fol. 54 de volgende tekst:
Wij Mr. Adriaan van Gorcum, Schout, Claas Maartense van der Poel, Adriaan Aalbertse van den Bos, Willem Adriaanse Steenvoorden, ende Pancras Dammisse Sandvliet, kroosheemraden in Lisse, verklaren ter requisitie van den hoogedelen welgeboren heere Wilhelm de Waal van Vronesteijn, heere van Dever etc. dat de willige boomen bij sijn hoogEd. doen stellen aan’t Voetpad van den heereweg voor den huyse ende Landerijen van dever in den voorsz. ambagte van Lisse in plaatse ende op de Royinge van de palen die de aangelandens aan de Zuydoostzijde van den heereweg tot bewaringe van’t voetpad genootsaakt sijn te houden, na ons oordeel, tot niemands verhinderinge, maar in tegendeel tot Cieraad, ende meerder gemak als palen verstrekken, insonderheijt voor de gene die de weg bij avond moeten passeren, alsoo deselve ’t pad des te beter kunnen royen (begrenzen) ende minder strukelen ende dat de weg ende passage door deselve geensints belemmert of beslijkt word, sijnde aldaar soo ruym ende droog als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Aldus gedaen in’t Regthuys van Lisse op den negenden octob. xvi c ’t Negentig….
Ondertekend door bovengenoemden met hun namen.

Voetgangers beschermen
De wilgen werden dus geplaatst langs de oostkant van de Heereweg, aan de Dever-zijde. Ze kwamen in de plaats van palen die daar waren geplaatst om voetgangers te beschermen voor het verkeer. Reeds in 1566 lezen we over de afpaling van een voetpad langs de Heereweg voor eventuele passanten, in het bijzonder de schoolkinderen. Kennelijk gebeurde het echter regelmatig dat sommige nachtelijke passanten de palen niet opmerkten en er dus struikelpartijen plaatsvonden. (Waarschijnlijk waren de palen dus niet zeer hoog). Geen wonder dan ook dat, als de Heer van Dever, Willem de Waal van Vronesteyn, de palen vervangt door wilgen, zowel schout als kroosheemraden er geen enkel bezwaar tegen uiten. In bovengenoemde verklaring kan men dat lezen. Volgens hen strekken de wilgen zelfs tot Cieraad van de weg!
Natuurlijk waren er weer mensen die dachten dat de Heereweg bevuild zou worden door de bladeren van de bomen, maar bovengenoemde personen verklaren dat de Heereweg hier even schoon is als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Bovendien belemmeren de bomen de passage ook niet, want de Heereweg is ruym genoeg.
De bomen hebben er uiteindelijk zo’n 74 jaar gestaan. Toen zijn ze tenslotte door de toenmalige Heer van Dever verwijderd en werden er nieuwe geplant: Dirk Jan Ignatius Heereman is op zijn verzoek toegestaan en geconsenteerd dat hij Suppliant alle de Boomen staande langs de Heereweg aant voetpad van de Eerste Poellaan aff tot aen de Brugge van Wassergeest toe (de Staalbrug) mag uytroyen (kappen), de grond omdelven en andere Boomen planten (…). Actum 22 december 1764″.

Bronnen: Bibliotheek Oud Archief Rijnland (keuren), K.J.B. Keuning, Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ (Haarlem 2000)

Tekening van Schoemaker