Berichten

VERKLARING NAAMGEVING AKERVOORDERLAAN NOG NIET EENDUIDIG.

Akervoort wordt voor het eerst genoemd in de 13e eeuw en geschreven als Acghenvort en Agghenvort, waarbij agghen ontstaan is uit acghen. Vort betekende oorspronkelijk ‘doorgang’. De betekenis van Akervoorde kan ‘de doorgang door het water’, ‘de doorgang van de heer Acgh’ of ‘de doorgang door de beek Acghen’ zijn.

door Nico Groen

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 3, juli 2014

Wat betekent Akervoorderlaan? Om dat aan de weet te komen moet je de allereerste vermeldingen bekijken. Op welke manieren werd dit geschreven? Wat was de oude betekenis?
Na mijn artikel over de mogelijke betekenis als ‘vuur’ van de woorden ‘lisse’ en ‘vierkant’ in het nieuwsblad is nu de Akervoorderlaan bij de Engel in Lisse aan de beurt.
Zoals verderop in dit artikel zal blijken had ‘voorde’ de betekenis van ‘doorgang’. Meestal in relatie tot water, maar dat hoeft niet. Het kon ook ‘doorgang’ zonder water betekenen (bijvoorbeeld door de duinen). Akervoorderlaan werd in de 16e en 17e eeuw meestal geschreven als Akervoort.

Landschappelijke schets.

Vóór de mogelijke betekenissen van de woorden ‘aker’ en ‘voorde’ worden beschreven, moet eerst een schets worden gemaakt van het gebied bij de Akervoort. De Heereweg ligt aan de oostkant van de oude standwal van Lisse naar Sassenheim. Deze strandwal liep vanaf de Heereweg naar het westen tot ongeveer de eerste s-bocht in de huidige Akervoorderlaan bij huisnummer 6 (aannemer van der Hulst). Op deze plek was volgens de morgenboeken in 1544 al een boerderij. Mogelijk was de strandwal zo hoog, dat indertijd een doorgang gemaakt moest worden om bij deze boerderij te komen, Dat de strandwal ter plaatse hoog was blijkt uit het gegeven dat hier in 1561 het duin werd afgegraven. Dit staat in het boek ‘Wassergeest te Lisse’. Vanaf genoemde s-bocht in de Akervoort, zoals de laan vroeger heette, naar het westen tot de huidige Oude Heereweg/Achterweg lag een strandvlakte. In deze strandvlakte bedekte een laag veen het oorspronkelijke zand. Zo’n lage vlakte was vaak erg nat en moerassig. Ten westen van de Engel en ten noorden van de Akervoort was het toendertijd erg nat. Dit werd het Liesbroek genoemd. Ook ten zuiden van de Akervoort ter plaatse van de latere Beekpolder was het erg nat. Daarom werd volgens A. Hulkenberg mogelijk al in de 13e eeuw een sloot met de naam beek gegraven richting de Lisserpoel. Deze beek werd in de 14e eeuw gebruikt om stenen en ander materiaal aan te voeren voor de bouw of verbouw van slot Teylingen. Dit staat in het boek ‘Teylingen’ van A. Hulkenberg. Deze beek is nog te herkennen en loopt vlak langs de H.H. Engelbewaarderskerk. Het water van het Liesbroek kon niet naar het oosten, noorden en westen stromen. Het moest daarom via de Akervoort naar het zuiden stromen naar de latere Beekpolder. Mogelijk was de strandvlakte ter plaatse van de Akervoort wat hoger en ging het water hier in een beekje de weg over. Daar zou dan de voorde geweest kunnen zijn. De Akervoort kan ook in de Heereweg zelf gelegen hebben. Mogelijk was er nog geen brug over de beek bij de H.H. Engelbewaarderskerk. Ook stroomde er daar volgens A. Hulkenberg in zeer natte periodes water over de zandige, onverharde Heereweg richting de Poel. Tussen de huidige Achterweg/Oude Heereweg en de Loosterweg lag een tweede strandwal. Mogelijk moest in deze strandwal een doorgang gemaakt worden naar een meer naar het westen gelegen huis. Het oostelijk deel van deze strandwal tussen de huidige Torenlaan en de Oude Heereweg is volgens A. Hulkenberg in 1604 afgegraven. Ten westen van deze strandwal, dus ten westen van de Loosterweg, lag weer een strandvlakte. In deze strandvlakte, de Lage Venen genoemd, werd het water naar het zuiden afgevoerd via de Maandagse Wetering van Voorhout net ten oosten waar nu de Haarlemmertrekvaart ligt. Volgens de kaart van 1615 van F. Balthasar heeft de Akervoort hier doorgelopen naar het zuidwesten tot over het water, waar toen een huis stond. Hier kan dus ook een voorde hebben gelegen. Het huidige laantje naar hovenier Hoek, dat vanaf de Loosterweg naar het zuidwesten loopt, is volgens mij nog een restant van bovengenoemd gedeelte van de Akervoort.

De betekenis van voorde was doorgang.

Een modern woordenboek heeft als betekenis van ‘voorde’ een doorwaadbare plaats door een rivier, een beek of een gegraven vaart. Een ander woord voor ‘voorde’ was ‘wedde’. Betekende ‘voorde’ in het geval van Akervoort ook een doorwaadbare plaats? In de grafelijke kanselarij (1284-1287) wordt, zover we nu weten, voor het eerst gesproken over Akervoort. Voorde wordt dan geschreven als ‘vort’. In 1326 wordt bij een schenking gesproken over ‘vorde’ en in 1444 over ‘voerdt’. De oudste vermeldingen hebben het dus ook steeds over een voorde hoewel steeds iets anders geschreven. Betekende ‘voorde’ toen ook al doorwaadbare plaats? Het Germaanse ‘vorde’ is ontstaan door klankverschuiving uit het Latijnse ‘portus’. Dit komt doordat de Latijnse P in het Germaans een V of een F werd. De Latijnse T werd door de klankverschuiving een D. Dus kon ‘portus’ in het Germaanse via ‘vort’ veranderen in ‘vorde’ en in het Engelse ‘ford’, wat ook doorwaadbare plaats betekent. Ook het Noorse ‘fjord’ past in dit rijtje. ‘Portus’ betekende van oudsher ‘doorgang’. De haven van Rome heette in de 1e eeuw na Christus Portus. Via deze ‘doorgang’ werden alle goederen van en naar Rome verscheept. ‘Vorde’ betekende in de 13e eeuw dus ook ‘doorgang’. Dit is hoogstwaarschijnlijk doorgang in relatie met water. Het zou toentertijd echter ook een doorgang zonder water hebben kunnen betekenen. Het aardige is, dat ons woord ‘poort’ ook een leenwoord is van het Latijnse ‘portus’. ‘Poort’ betekende dus ook ‘doorgang’. In eerste instantie was een ‘poort’ de toegang over de gracht en door de stadswal naar de stad. Later werd ‘poort’ gebruikt voor allerlei soorten toegang zonder water in de buurt. Interessant is, dat het Engelse ‘port’, dat nu haven betekent, vroeger de betekenis van ‘doorgang’ vanuit een rivier naar de zee had. De conclusie is, dat ‘voorde’ rond de 13e eeuw hoogstwaarschijnlijk doorgang door het water betekende. Vooral ook omdat er veel plaats-, veld- en straatnamen in Nederland met voorde zijn, die van oudsher in relatie staan tot  een doorgang door het water (doorwaadbare plaats). In deze buurt, nabij de ‘s Gavendam in Noordwijkerhout werden in de 16e eeuw ook diverse wedden of voorden benoemd (zie hiervoor het kaartje van Van Merwen uit 1589). Hierop is te zien, dat er zelfs in de ’s Gravendam zelf een wedde lag.

Akervoort en Akersloot hebben niet dezelfde oorsprong.

Als je in een modern woordenboek kijkt wordt ‘aker’ omschreven als eikel, eikenboom, akker, emmer of een bepaalde landmaat (Engels acre). Oppervlakkig gezien zou je zeggen dat een van bovengenoemde betekenissen wel op de Akervoort zou slaan. Te meer daar er in het wapen van Akersloot 3 eikels staan. Als je echter naar de oudst geschreven vermeldingen van Akervoort kijkt, kan dit totaal niet kloppen. Als je in woordenboeken over middeleeuwse woorden kijkt, zie je dat de k bij bovengenoemde betekenissen voor ‘aker’ steeds met een k, kk of ck werd geschreven. Ook eindigen ze steeds op een r. Dat zie je bijvoorbeeld bij Akersloot. Dit werd geschreven als Ekkerslato (1083), Ekkerslot (1182) en Ackerslote (1175). Het kan daarom goed kloppen dat de betekenis van Akersloot iets met eikels te maken heeft. Dit is bij Akervoort echter totaal niet het geval. Bij de oudste benamingen werd de k van aker steeds geschreven met gg, ggh, gh of cgh. Ook zou men in de oudste vermeldingen een r op het einde verwachten. Dit is echter niet het geval, zoals we hieronder zullen zien.

Hoe werd Akervoort geschreven in de 13-15e eeuw?

Rond 1285 wordt geschreven over Acghenvort en Agghenvort, gelegen in West Holland. Een en ander komt uit de grafelijke kanselarij (1284-1287). Volgens het Middel Nederlands Woordenboek komt ‘agghen’ waarschijnlijk van ‘acghen’ en is dit dus het eerst geschreven. In 1326 passeert een acte met de naam Magriete Ghysendr. van Aghenvorde, die een stuk land in Noordwijk aan abdij Leeuwenhorst had geschonken. In de 14e eeuw wordt gesproken over jonkvrouw van Aggenvoorde, die woont aan de Poel. Hiermee wordt de Lisserpoel bedoeld. Dit staat in het Repertorium op de lenen van de abdij van Egmond (1174-1650). In 1444 wordt over Aggenvoerdt gesproken in leenboek A van de ridderhofstad Dever te Lisse. Een perceel genaamd Vranckenhofstede wordt begrensd door een lytweg genaamd Aggevoerdt. Bovenstaande staat in het Leidse jaarboekje 1984 in het hoofdstuk ‘Akervoort’, geschreven door A. Hulkenberg. Samenvattend: in de 13-15e eeuw werd de k van aker geschreven als cgh, gg, ggh of gh en de r als n.

Wat betekent ‘aker’?

We hebben gezien dat ‘aker’ geen eikel, eikenboom, akker of landmaat kon betekenen. Maar wat dan? De stad Aken (Duits Aachen) is uit het Romeinse ’aquis’ onstaan. ’Aquis’ betekende ‘bij de wateren’. Er waren daar namelijk warmwaterbronnen, waar de Romeinen warmwaterbaden bouwden. Deze baden waren in de Romeinse tijd beroemd en er is toen veel over geschreven. Een Germaanse variant uit 1212 was onder anderen ‘ache’. De allereerste keer dat er over Akervoort werd geschreven was tussen de jaren 1284 en 1287. Het werd toen geschreven als ‘acghenvort’. Vanuit deze schrijfwijze moet dus worden uitgegaan. Gezien de schrijfwijzen van ‘ache’ en ‘acghenvort’ kan deze laatste schrijfwijze gemakkelijk uit de eerste ontstaan zijn. De betekenis van Akervoort zou dan zijn ‘de doorgang of de doorwaadbare plaats door het water’.

Het kan ook zijn, dat een van de 3 hierboven beschreven beken de Acghen heette. Analoog aan Amersfoort, dat in 1028 Amersfoirde heette; een doorwaadbare plaats door de Amer. De Eem die door Amersfoort loopt, heette vroeger de Amer. Er zijn echter geen schriftelijke bronnen die kunnen bevestigen, dat er een beek was, die de Acghen heette. Leuk gegeven in relatie tot een plaatsnaam is, dat in het Middel Nederlands Woordenboek gesproken wordt over Agghenvort, plaats in ZH. Locatie onbekend. Agghen komt van acghen. Deze plaatsnaam komt uit de Grafelijke kanserij (1284-1287). Er staat; ‘Jan naghel…. 1 morghen tusscen vloedorp ende agghenvort’ . (In het artikel van A. Hulkenberg in het Leidse jaarboekje 1984 over Akervoort staat ten onrechte ‘Jan naghel… 1 morghen tusscen vloedorp ende anghenvort’). De betekenis van Akervoort zou dan zijn ‘de doorwaadbare plaats door de Acghen’

Vroeger was het gebruikelijk bezittingen, velden en straten namen te geven, die naar een persoon verwijzen. Dat zou in het geval van de Akervoort ook zo geweest kunnen zijn. In het Middel Nederlands Woordenboek staat, dat Acghen vroeger een genitief (een bepaalde naamval) was van de persoonsnaam Acgh, later ook als Agge geschreven. Een genitief betekende ‘iets van iemand of iemand van iets’. Bijvoorbeeld Des Gravendam of Des Gravenhage was de dam of de hage van de Graaf. In dit geval dus de voorde van Acgh. Er zijn echter geen geschreven bronnen bekend, die naar een persoon met die naam in de Bollenstreek verwijzen. De betekenis van Akervoort zou zijn ‘de doorgang of voorde van Acgh’ .

Laan komt uit de 18e eeuw.

De toevoeging ‘laan’ aan Akervoort speelt geen rol in het bepalen van de oude betekenis van Akervoort. De toevoeging laan komt pas in 18e eeuw voor het eerst voor in de geschreven teksten voor, zover nu bekend is.

Voorbeeld van een voorde of wedde. Deze voorde loopt door de Geul ten zuiden van Epen

Conclusie.

Akervoort wordt voor het eerst genoemd in de 13e eeuw en geschreven als Acghenvort en Agghenvort, waarbij het woord ‘agghen’ ontstaan is uit ‘acghen’. Bij het verklaren van ‘aker’, moet dus worden uitgegaan van ‘acghen’. Acghen in de betekenis van water. Aker- • voort betekent dan ‘de doorgang door het water’ of ’de doorwaadbare plaats door het water’. Acghen in de betekenis van ‘iets van een • persoon’. Akervoort betekent dan ‘de voorde van Acgh’. Er zijn echter geen bronnen die hebben geschreven over de persoon Acgh of Agge in Lisse. Acghen als naam voor een beek: de voorde • door de Acghen. Ook over een beek Acghen zijn geen schriftelijke bronnen bekend. ‘Vort’ betekende hoogstwaarschijnlijk doorwaadbare plaats, omdat dit bij veel andere voorden in Nederland ook doorwaadbare plaats betekende. De plek van deze doorwaadbare plaats is onbekend.

NOTARIS VAN STOCKUM

Notaris Stockum maakte in 1889 bezwaar tegen de komst van de stoomtram, omdat de muren van zijn huis te lijden zouden hebben van te snel rijdende treinen.

door Dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 4, oktober 2013

In onze vorige nieuwsbrief stond, dat notaris van Stockum het maar druk had met openbare verkopingen rond 1887.

Deze notaris D.J.van Stockum diende een bezwaarschrift in bij de gemeente op 4 juli 1889 tegen de NZH Stoomtrammij. Over het steeds voortgaan met teveel vaart binnen de kom der gemeente te rijden, waardoor onder anderen de muren zijner woning zeer te lijden hebben.

De notaris woonde aan de Heereweg en verwacht middelen te beramen om dit snelle rijden dat vooral met de eerste en laatste treinen gebeurt, te doen ophouden. De voorzitter zegt reeds herhaalde malen op dit snelle rijden aan de heer ingenieur van genoemde stoomtrammij, te hebben geschreven. Daar dit echter blijkt niet te helpen zal er voortaan tegen de machinisten die de vaart hunner machines binnen de kom der gemeente niet te matigen, tot op de bij reglement bepaalde snelheid van 6 kilometer per uur, proces-verbaal worden opgemaakt. De burgemeester zal de bevoegdheid hebben, wanneer hij zulks nodig acht, te vorderen dat de tram in de kom der gemeente in beweging zijnde, wordt vooraf gegaan door eenen beambte der stoomtrammaatschappij die de locomotief stapvoets zal moeten voorblijven.

Volgens het jaarverslag van de gemeente is op 16 januari 1906 de woning van Notaris van Stockum geheel afgebrand. Van de inboedel werd een gedeelte gered terwijl het archief van de notaris vrijwel behouden bleef. Alles was verzekerd. De krant schreef echter een ander verhaal. Te Lisse zijn het huis en de kantoren van D.J.van Stockum notaris aldaar, totaal afgebrand. Eerst laat in de morgen werd de brandkast onder de puinhopen te voorschijn gehaald en daarna opengebroken. Het bleek bij opening, dat van de inhoud niet veel meer goeds was. De geldtrommels  waren uiteen gesmolten en totaal alle documenten waren verbrand. Bij deze gelegenheid zijn door agent W. Willemse twee personen, die bezig waren flessen wijn uit de kelder van het brandende perceel weg te nemen, op heterdaad betrapt. Tegen deze personen is proces- verbaal opgemaakt. Het eigenaardige van dit zaakje is, dat de persoon, die in de kelder stond om de flessen aan de tweede over te geven en natuurlijk niet anders dacht of zijn makker gereed stond om ze te ontvangen, de flessen overgaf in handen van de politie.

Notaris van Stockum overleed op 5 juni 1908 en werd 9 juni in Lisse begraven.

 

Bron: Gemeente Archief Lisse inv.nr.518

Topdrukte met stoomtram, auto ’s en bussen met toeristen voor de bloembollen.
’t Vierkant  17 april 1930.
Coll. Deen Boogerd

J.W.A. Lefeber en Zwanendreef

J. W.A. Lefeber

J.W.A. Lefeber begint in 1912 een eigen bollenkwekerij. Hij woonde in Riesenbeck op de hoek Heereweg en Laan van Rijckevorsel. Hij teelde bollen oa achter Riesenbeck en voor Zwanendrift. Hij koopt landgoed Riesenbeck in1909 van baron Heereman van Zuydtwijck van Dever.

Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 2, april 2013

Familie J.W. Lefeber

In 1860 wordt Joseph Willem geboren, zoon van bakker Lefeber. Zoon J.W. kiest niet voor het vak van zijn vader, maar voor het bollenvak. Hij wordt daarmee de stamvader van de Lefeber dynastie. Deze J.W., zelf een hardwerkende en succesvolle ondernemer, eist van zijn zoons dat ze ook de handen uit de mouwen steken. Oudste zoon Joseph Willem Antonius (J.W.A., Willem genoemd, geb. 1890) komt vanaf zijn 15e bij vader in het bedrijf werken. Vader ziet een toekomst voor al zijn zonen als bollenkweker. Bij bestudering van het hieronder weergegeven plattegrondje is te zien hoe vader J.W. de namen van de percelen voor zijn zoons al heeft ingevuld.

Het uitgedachte plan wordt niet helemaal uitgevoerd, maar toch, al zijn zoons verdienden op een zeer verdienstelijke manier hun sporen in het bollenvak. We schreven hier in het Nieuwsblad van jan. 2009 al eens over.

J.W.A. lijkt voorbestemd om thuis op de kwekerij te komen, maar in 1912 begint hij een eigen kwekerij. De firma J.W.A. Lefeber is geboren. Waarschijnlijk eerst met bollenhandel en bollenteelt op de percelen van zijn vader. In de praktijklessen van zijn vader zal het winnen van zaad en het kruisen van bolbloemen behoorlijk wat aandacht hebben gekregen. Van meester Beumer uit Sassenheim leert hij een betere methode voor het winnen van narcissen- en hyacintenzaad. Nieuwe kleuren en vormen, verkregen uit hybridisatie, zullen een belangrijke uitdaging in zijn leven worden.

Familie J.W.A. Lefeber

De villa Riesenbeck uit 1914, afgebroken 2001.De bollenschuur (uit 1910) is al eerder afgebroken  (Leidsch Dagblad 9 maart 1999)
en de bollenschuur (uit 1910) die al
eerder werd afgebroken

De familie J.W.A. woont sinds 1915 in “Riesenbeck “. Deze villa lag op de hoek van de Heereweg en de Laan van Rijckevorsel. Een heel karakteristieke villa die in 2001 moet wijken voor een beoogde uitbreiding van het bedrijf Microformat. Natuurlijk is het niet ogelijk om alles wat karakteristiek is te behouden, maar het is wel wrang om te constateren dat de beoogde uitbreiding van Microformat achteraf niet echt noodzakelijk is geweest. De achterliggende bollenschuur die in 1910 door vader J. W. gebouwd is, komt in 1924 in handen van zoon J.W.A. In die tijd worden er bollen geteeld op de tuinen Riesenbeck, Zwanendrift en op de Zanderij in Hillegom. Het landgoed Riesenbeck kwam overigens al in 1909 in eigendom van J. W. Lefeber. Hij kocht het landgoed van baron Heereman van Zuydtwijck uit Riesenbeck, Westfalen. Deze baron was een nazaat van de eigenaren van Dever, de vroegere Ambachtsheren van Lisse. In 1911 staat in de Leidsche Courant het bericht dat:… werkzaamheden op de bloemisterij “Riesenbeck”zijn afgeslooten… …is thans een uitstekend terrein voor villabouw.

Die villa is in 1914 door J.W.A. gebouwd. Februari 1915 trouwt J.W.A. (Willem) met Johanna Cornelia Pijnacker en betrekken zij het huis. Er is dan alleen aansluiting op het gasnet, maar geen water en geen elektriciteit. Voor het water is er een pomp op de Eerste Poellaan. Het water wordt met bussen gehaald. In huis is gaslicht. Telefoon had de firma al snel. J.W. Lefeber had tel.nr. 12. Zoon J.W.A. kreeg 32 toegewezen. Eind 30-er jaren laat J.W.A. een villa bouwen in de net aangelegde Zwanendreef met de bedoeling daar met zijn gezin te gaan wonen. In de krant van 23/2/38 vinden we de mededeling van de bouwopdracht voor een landhuis in de Zwanendreef door aannemer Lemmers Voorhout. In dit huis is de familie Lefeber echter nooit komen wonen. In die onzekere tijd (mobilisatie) wil mevr. Lefeber niet verhuizen. In de villa op de Zwanendreef komt de bekende dr. Beyer van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek te wonen. Een aardige bijkomstigheid, het huis van 1250 m3 wordt gebouwd voor de prijs van fl. 7400,00.

Uitbreiding bollenbedrijf J.W.A. Lefeber

Theo Mesman en Willem Lefeber (oudste zoon J. W.A.) tussen de bloembollen met op de achter¬grond de Agathakerk. Datering voor 1940. Het gebouwtje links achter Mesman is de holkamer van Gebr. Segers aan de Heereweg. De holkamer stond pal aan de vaart die er nu nog is. (tussen Agathapark en huizen Zwanendreef).

In 1920 koopt J.W.A. grond van boer Verdegaal. Dat is de boer van Zwanendrift, voorganger van boer Schrama. Het land is tot dan toe gewoon in gebruik als boerenland. Door J.W.A. wordt het omgezet naar bollenland. In die tijd is er van de Zwanendreef en de Laan van Rijckevorsel nog geen sprake. De percelen lopen, zeg maar, van de sloot bij de Matenesselaan tot de Elka. Een gebied van 11 ha.

In de CAO voor de bloembollenarbeiders staat in die tijd dat de arbeiders recht hebben op een groentetuintje en een naar gezin of leeftijd bepaalde oppervlakte aardappelen. Op de percelen worden afwisselend tulpen, hyacinten en narcissen geteeld. Het vierde jaar komen er geen bollen te staan maar worden er aardappels gepoot. Tegenwoordig zou dat niet meer kunnen want onze regio ‘De Zuid’ geldt als ‘aardappelteeltverbodsgebied’. Het winnen van nieuwe soorten narcissen en hyacinten is een grote hobby. In januari 1922 kan J.W.A. op de bloembollenbeurs in Haarlem een pot “Pink Pearl” tonen. Deze uit zaad verkregen hyacint gaf in 1917 voor het eerst goede bloemen. Uit deze “Pink Pearl” zijn later nog vele mutanten voortgekomen. En nog steeds is een derde van het hyacintenareaal terug te voeren tot deze hyacint. Ook andere cultivars, Carnegie en Delfts Blauw zijn door J.W.A. gewonnen en zijn nog steeds zeer succesvol. Natuurlijk gingen de zaken niet altijd voor de wind. De crisistijd (1929-1932) is in het bollenvak ook zeer voelbaar. Er worden te veel bollen geteeld. De export blijft achter. Dan blijkt al het organisatietalent van J.W.A.

Er moeten maatregelen komen om de sector weer gezond te maken. Vele malen wordt het toen nog bestaande Ministerie van Landbouw bezocht. De besprekingen daar hebben tot resultaat dat er een systeem van “teeltrecht” wordt aangenomen. Er worden minimumprijzen afgesproken en er wordt een Surplusfonds gesticht. Hoewel er zeker ook nadelen aan het systeem kleven (Voor jonge kwekers is het bijna onmogelijk een kwekerij te beginnen) heeft het systeem toch tot het ontstaan van de Europese Gemeenschap gefunctioneerd. Uit een toespraak van Lefeber citeert het Leidsch Dagblad van juli 1935: “Laat desnoods volgend j aar de prijzen los, maar wacht u voor ongebreidelde teeltuitbreidingen”.

Op 20 mei 1941 staat in de Leidsche Courant een verslag van de bollenbeurs. Daarin wordt verhaald van een nieuwe narcis, aangeboden door J.W.A. Lefeber, waarvoor t.z.t. bij de R.H.S. (Royal Hortical Society) ter registratie de naam Oranje Mei wordt voorgesteld. Een vorm van stil verzet. De narcis is inderdaad geregistreerd, maar al lang uit de handel. Blijkbaar toch niet zo’n goede.

Maatschappelijk actief

Lefeber is in die tijd al zeer maatschappelijk gericht. In 1932 wordt hij bestuurslid bij de Boerenleenbank. Deze plaatselijke boerenleenbank (voorloper van onze huidige RABO bank) werd in 1907 opgericht. In die tijd werden overal in het land Boerenleenbanken opgericht. Met de verzamelde spaargelden van de inwoners van het platteland werd in de behoefte aan krediet van landbouwers voorzien. Ook in de Bollenstreek is een dergelijke bank een noodzakelijkheid. In de vergadering waarin het 25 jarig bestaan van de bank wordt gevierd wordt Lefeber benoemd als bestuurslid. Hij is sinds 1936 actief in de gemeenteraad voor de R.K. Staatspartij (voorloper van de KVP en het latere CDA). Hij is lange tijd wethouder en  ook een tijd locoburgemeester. Natuurlijk blijft hij ook maatschappelijk actief op zijn vakgebied, bijvoorbeeld in de Coöperatieve veilingvereniging H.B.G.(nu CNB) en als lid van het hoofdbestuur van de Koninklijke Algemene Vereniging van Bloembollencultuur. En als medeoprichter van Keukenhof.

Zwanendreef

In de krant van 20 jan. 1938 komt het voorstel van B. en W. aan de orde tot het geven van den naam “Zwanendriftlaan aan de door den heer W.A. Lefeber aangelegde straat over de tuinen Zwanendrift.” Lefeber zelf voelde meer voor “Zwanendreef’. Raadslid Komijn kon zich niet in deze naam vinden omdat de straat geen dreef was, de straat was te smal voor die naam. Raadslid Tromp maakte daarop het geintje om Zwanendreefje voor te stellen. Het werd, zoals bekend, toch Zwanendreef. Wat ging hier nu aan vooraf. In 1937 overleed opoe Zon. Zij was de moeder van mevr. Verdegaal-van der Zon, die woonde in het naastgelegen Nieuw Zomerzorg. Om de Zwanendreef verder te ontsluiten moet men het water over. Een duiker zou een oplossing zijn, maar dat idee wordt gedwarsboomd daar de bollenfirma Slechtkamp. Deze zit aan de Heereweg, maar wil via de vaart de mogelijkheid behouden om over water de Greveling te bereiken. Nu ligt er nog steeds een restant van de vaart richting Heereweg. En je vraagt je af of er ooit gebruik van gemaakt is. Feit is dat daarom besloten wordt om de Zwanendreef verder te ontsluiten met een brug. De jongste zonen van Lefeber mogen de eerste steen metselen. De uitvoering van brug en de bestrating zijn uitgevoerd door het bedrijf Schouls uit Leiden. In de Leidsche Courant van 7 dec. 1938 vinden we onder de kop Straataanleg het verzoek “tot straat- en rioolaanleg voor de verlegging van de Zwanendreef vanaf de brug.” “Met algemene stemmen wordt de vereischte vergunning verleend’. Op 18 juli 1939 staat in de krant het voorstel voor overname van een gedeelte Zwanendreef. De heer Lefeber heeft aan de verplichtingen voldaan en het voorstel wordt dus aangenomen. Gerard Lefeber herinnert zich nog een autotochtje met zijn vader om naar huizen te kijken, geschikt voor het vervolg van de Zwanendreef. In Oegstgeest, in de Louise de Colignylaan, staan identieke woningen. De krant van 17/7/39 vermeldt een bouwvergunning voor de heer L.P. Buschman voor het bouwen van 4 woningen, architect is M Laurentius uit Voorschoten. Er worden uiteindelijk 8 woningen gebouwd. In de laatste woning, nr 28, komt notaris GJ. Roes te wonen die op 28 okt 1939 tot notaris is benoemd als opvolger van mr. A. van Pelt. De familie verhuist in mei 1940 vanuit Den Haag naar Lisse. Zoon Leopold woont nog steeds in deze woning. In het huis ernaast, op nr. 26, is het notariskantoor. In ’51 wordt notaris Roes opgevolgd door J.M. Pinxter. Er is in die tijd nog steeds woningnood. Ook in de Zwanendreef worden veel huizen dubbel gebruikt. De familie Pinxter komt boven het notariskantoor te wonen. Maar niet meteen, er woont daar tijdelijk nog een andere familie. Eerst wonen ze nog in bij nr. 24, bij de familie van Hulten (waarvan de zoon Michel later staatssecretaris zal worden).

Mogelijkheden voor uitbreidingsplannen

Zittend G.A.(Gerrit) Weijers. Staand vlnr. Arie vdBerg, Arie Veldhoven, Koos vd Zwet.
Foto -1949.
Achter de mannen is een deel van het tracé voor de Laan van Rijckevorsel te zien.
Links van deAgathakerk het complex van bloembollenbedrijf gebr. Segers. Locatie waar de foto genomen is: waar nu de hoek Laan van Rijckevorsel/Zwanendreef is.

Op de hoek Heereweg / Eerste Poellaan staat de bollenschuur van J. J. Grullemans en Zonen. Op 25/10/1941 brandt de bollenschuur geheel uit. Gelukkig is de wind niet zuid, anders waren de woonhuizen die er pal naast staan, er aan gegaan. Nu vormen ze nog steeds een mooie ingang naar het dorp. De aan de andere kant gelegen bollenschuur van Lefeber loopt wel gevaar, maar blijft gespaard. De brand

veroorzaakt een gat in de bebouwing van de Heereweg, maar Lefeber ziet daarin ook mogelijkheden voor een ontsluitingsweg. De doorgang door het dorp wordt met de toename van het verkeer steeds lastiger en de Blauwe tram worstelt zich van twee richtingen door het dorp. Op 4 maart 1941 staat er een bericht in de krant over onderhandelingen over aankoop van grond van Grullemans met als doel een uitbreidingsplan Eerste Poellaan en Zwanendreef. “Tevens vormt dit perceel de monding der oostenlijken randweg om de Gemeente-kom”. Dat het in de tijd van oorlog en wederopbouw niet zo snel gaat is te verwachten. Het tracé voor de weg is al lange tijd uitgezet, maar verder gebeurt er niks. In de oorlog wordt door de firma J.W.A. Lefeber op het tracé tabak geteeld. Tabak is op de bon en maar beperkt verkrijgbaar. Daarom is er veel eigen teelt. In de kranten staan advertenties waarin tabakszaad wordt aangeboden en bedrijven zich aanprijzen om tabak te fermenteren. De bloembollenteelt is grotendeels stilgevallen. Veel bollenkwekers begeven zich op het terrein van de tabaksteelt. Dat is een lucratieve business. De tabaksbladeren hangen in de bollenschuren te drogen. Dat is dan oppassen geblazen want er wordt nogal eens wat gepikt. Fermenteren is een lastig karwei en wordt uitbesteed. Er wordt terug geleverd met tabak en pakjes Consi (sigaretten).

Op 26 jan. ’48 vermeldt een krantenbericht “Voorts zal de Laan van Rijckevorsel vanaf de le Poellaan tot de aan te leggen brug bij de kistenfabriek worden aangelegd en de Zwanendreef worden verlengd.” Vanaf ’49 volgen grondaankoop (en leningen) voor de aanleg van de Laan van Rijckevorsel en in ’50 lezen we voor de eerste maal over de Randweg (Oranjelaan, Gladiolenstraat, Laan van Rijckevorsel). Dan verrijzen ook de eerste woningen aan de Laan van Rijckevorsel.

Aan de noordkant van de Zwanendreef worden woningen gepland. De kavel tussen de Zwanendreef en de vaart is vrij breed. Er zou dus een ongelukkig stuk land tussen de woningen en de vaart overblijven. Maar dan is er een meevaller. B&W Leiden zoeken een terrein. In aug ’54 lezen we dat grond zal aangekocht worden door B&W Leiden voor “de bouw van een transformator- en schakelstation ten behoeve van de stedelijke lichtfabrieken”.

Zo langzamerhand wordt al het voormalige bollenland van fa. J.W.A. Lefeber verkaveld en volgt er woningbouw. In ’58 wordt ook een deel van de gronden na de verkaveling van het voormalige Lefeber-terrein verworven als gemeentelijk eigendom. Later (1968) wordt in deze omgeving een verzorgingsflat gepland. Naast het laantje van Onderwater. De naam wordt serviceflat Swaenendreef. In ’59 volgt een voorstel voor de verlenging van de Zwanendreef tot aan het Paulusbosje. Over de Don Boscostraat wordt gezegd dat het de bedoeling is deze ongeveer te laten eindigen bij de molen, maar de Don Boscolaan wordt pas in ’61 doorgetrokken tot de Zwanendreef. Het doortrekken tot de molen is, gelukkig, nooit uitgevoerd. Daarom hebben we praktisch midden in het dorp de heemtuin met het aardige paadje langs het weiland van boerderij Zwanendrift en langs de molen.

Fa J.W.A. Lefeber

Foto onder: 3 mannen tussen bollen aan het
wieden. 1951 Vlnr: Arie Veldhoven, Alfons Lefeber en Gerd Meyer. Locatie Zanderij Hillegom, 1951

Gerard Lefeber komt in 1947 bij zijn vader in de zaak werken. In 1971 wordt de zaak officieel overgenomen. De firma verhuist in hetzelfde jaar van de Heereweg naar de Delfweg, Noordwijkerhout. De volgende generatie J.W.A. Lefeber (zoon van Gerard) legt de eerste steen van het nieuwe bedrijfspand en grootvader J.W.A. sluit de steen af. In 1973 komt J.W.A. Sr. te overlijden. Daarmee is een einde gekomen aan het leven van een man die heel veel heeft betekend voor Lisse en voor het bollen vak. Het blijkt dat de brug in de Zwanendreef dan nog in het bezit is van J.W.A. Lefeber. De brug wordt aan de gemeente verkocht voor het symbolische bedrag van 1 gulden. Was het niet mooi geweest om, nu de bruggen een naam krijgen, deze brug te vernoemen naar de man die de brug heeft laten bouwen en zo verdienstelijk is geweest voor onze gemeente. Dus J.W.A. Lefeberbrug in plaats van Lefeberbrug. Dat laatste zegt immers niets over de geschiedenis. Er zijn zoals boven ook al geschreven is, vele zeer verdienstelijke Lefebers geweest, maar die hadden niets van doen met de brug. Die eer komt alleen J.W.A. toe.

Inmiddels staat er al weer jaren een J.W.A. Lefeber aan het hoofd van de firma. De kleinzoon van de oprichter. Indertijd had J.W. al een handel op Rusland. In de tijd van de Russische revolutie viel die markt weg. Maar inmiddels is communistisch Rusland verdwenen en heeft ook J.W.A. de handel op Rusland heropend. Afgelopen november vierde de firma J.W.A. Lefeber haar 100 jarig bestaan. Het is dan wel niet meer een Lisser bedrijf, maar de historische band met Lisse blijft! (en de Delfweg is toch bijna Lisse).

Reactie

Jan Mijnders reageerde op het artikel “J.W.A. Lefeber en Zwanendrift (gebied Zwanendreef)”. Hij schrijft: De holkamer van Gebr. Segers stond niet aan het vaartje (slootje) dat van de “Kerksloot” richting Zwanendreef naar het vijvertje bij de Marconiflat

 

 

Bruggen in de Poelpolder

In een reactie op een artikel over naamgeving in Lisse geeft Nic Geerling aan, dat de brug in de 1e Poellaan de Hoge brug werd genoemd. Hij geeft ook met originele tekst aan dat in 1628 de brug in de Poellaan te laag was.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

aar aanleiding van het bericht in het Nieuwsblad van oktober 2011 over de naamgeving van Lissese bruggen ‘ kregen wij een reactie van één van de leden van onze vereniging: volgens de heer Nic. Geerlings werd

de brug in de Ie Poellaan (en mogelijk eveneens de bruggen in de 2e en 3e Poellaan) ook wel ‘Hogebrug’ genoemd. Dat zou te maken hebben gehad met het feit dat deze brug zo hoog moest zijn dat er een vlet met koeien on­der door kon varen. Was de brug te laag, dan zou dat problemen opleveren voor de veeboeren in de Poelpolder en Roversbroekpolder.

Ook in de eerste helft van de zeventiende eeuw moesten de bruggen over de ringsloot van de Poelpolder een zodanige hoogte hebben dat schuiten bela­den met één roede hooi daar zonder problemen onder door konden varen.

Op 23 juli 1628 verklaarden Pieter DammasznCluft (36 jaar), Jan Wil-lemszn (36 jaar), schepenen, en Willem Jacobszn Veldgroen (45 jaar), bode, dat de brug over de ringsloot in de Poelpolder tweeënhalve roede te laag was. Zij hadden namelijk met eigen ogen gezien dat een schuit met één roede hooi (beladen door hooimeter Cornelis Thoniszn) niet onder de brug door kon varen. Kort daarna lieten zij de volgende verklaring op schrift stellen:2

Wij ondergeschreven Pieter DammaszCluft, out omtrent XXXVI jaeren, ende Jan Willemsz, out omtrent XXXVI jaeren, scheepenen inden ambachte van Lisse, mitsgaders Willem Jacobsz Veltgroen, boodealdaer, out omtrentXLVjaeren, ver-claeren bij deesen onder onsegewoonerhantbijdeneedt int stuckonserrespective offitien[=ambten] gedaen ter requisitie[=verzoek] vanden gezwoorens vanden voorseijde[=voornoemde] ambachte, waerachtich te weesen dat die brugge leg­gende over die ringsloot vandenijeuwebedijckte poelpolder bijde[= door de] bedij-ckersvandeselve polder inde voorleedennaesoomer doen leggen, wel omtrent der-dehalve [=tweeënhalve] voet te laegegeleijt[=gelegd] is omme daer deur [=door] te vaeren met een schoti [=schuit] gelaeden hebbende een roe hoijs [=hooi], voor reedenen van weetenschap, verclaeren wij ondergeschreven dat wij op donder-dachlestleeden hebben gesien een schou met hoijoptemaete van een roe hoijgeleijt bij Cornelis Thonisz, woonende op de Aa, ordinarishoijmeeteraldaer, de welcke deur de voors. bruggenijet en mocht vaeren op omtrent derdehalve voet als voor-engeseijt is, te vreedensijndetselvenaeder bij eede te bevestigen desnootsdaer toe versochtsijnde. Toirconde, soo hebben wij deesegedaen schrijven ende onderteekeen op ten XXIIIenjulijXVIC  acht ende twintieh.

Pieter Dommissen Kluft              Jan Willemsen
Willem Jacops Veltgroen gerechtsbode

Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 265.

Op dit moment is niet bekend of de brug na deze verklaring is verhoogd. Wellicht dat archiefonderzoek daar nog uitsluitsel over kan geven.

Op de onderstaande kaart uit 1624 is te zien dat er op dat moment twee bruggen over de ringsloot lagen: allebei in de ‘nieuwe wegh’, de huidige 2e Poellaan (één aan de westkant en één aan de oostkant van de Poelpolder).3

Van de huidige Ie en 3e Poellaan ontbreekt op de kaart uit 1624 ieder spoor. Blijkbaar zijn die wegen pas later aangelegd. Vermoedelijk houdt de in de nazomer van 1627 gebouwde brug verband met de aanleg van de weg die we tegenwoordig kennen als de Ie Poellaan. Deze brug had in 1628 geen naam, aangezien er door de Lissese functionarissen slechts in algeme­ne termen over ‘die brugge leggende over die ringsloot’ wordt gesproken.

3  Zie ook A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (2e druk; Lisse 1998) 6-7.

Kaart van Jan Pieterszn. Dou uit 1624, van de kort daarvoor bedijkte Poelpolder
(Archief van het Hoogheemraadschap Rijnland).

Een bouwvraag is ingediend voor het plan Mallegatsloot aan de westkant van de Engel. Een straatnaam is al bekend: W.L. Döllstraat. Hij was voor de oorlog tewerkgesteld bij de gemeente Lisse. Hij maakte in de oorlog oa valse persoonsbewijzen. Hij overleed in een concentratiekamp Rathenow.

door Arie in’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 10 nummer 3, juli 2011

Eet bouwplan in De Engel staat al langere tijd op de rol, maar er is nog niets opgestart. Het plan in de Engel en de bouw op het terrein Mallegatsloot zijn aan elkaar gelieerd en gestart wordt in waarschijnlijk 2013, nadat het bedrijf van Lamboo vanaf de Catharijnenlaan is verhuisd naar de nieuwbouw op het bedrijventerrein. Tegen de tijd dat Lamboo verhuist kan er al wat grondsaneringwerk op een andere plek in het woongebied Engel West gedaan zijn. Dan kan het bouwrijp maken plaats vinden en is de planning dat medio 2013 met de woningbouwontwikkeling kan worden gestart. Ook het nieuwe speeltuinonderkomen voor Kindervreugd maakt deel uit van het bestemmingsplan Engelhof. Naar verwachting zal dat bestemmingsplan eind augustus 2011 in werking kunnen zijn getreden. De bouwaanvraag is ingediend. De feitelijke start zal globaal ergens 4e kwartaal van dit jaar plaats vinden. Ook de verhuizing van Kindervreugd moet namelijk rond zijn in verband met het gegeven dat zij nu gevestigd is op een plaats waar ook woningbouw zal verrijzen. Er wordt dus nog niet gebouwd en er zijn geen straten te bekennen, maar een straatnaam is er wel. En het college van B en W komt hiermee tegemoet aan een eerder geuite wens door Ed Olivier die bij de introductie van zijn boek “Wat toch een tijd” pleitte voor straatnaamgeving aan Lissers die in de tweede wereldoorlog om het leven kwamen wegens onder andere hun verzetswerk.

Wilhelm Ludovicus (Willem) Döll,
naar wie nu in De Engel een straat
vernoemd zal worden.

Die straat wordt de W. L. Döllstraat. Wilhelm Ludovicus (Willem) Döll werd in Leiden geboren op 9 maart 1910 en overleed op 35-jarige leeftijd in het concentratiekamp Rathenow (bij Sachsenhausen). Hij stierf op 31 maart 1945 door honger en uitputting. Döll werkte onder andere bij de Twentse Bank en bracht het tot bankbediende. In de crisisjaren (’39) kwam hij als tewerkgestelde terecht bij de gemeente Lisse, afdeling bevolking. In augustus 1941 kreeg hij daar een vaste aanstelling als hoofdklerk en nam op verzoek van burgemeester Van Rijckevorsel en gemeentesecretaris De Haan enthousiast de uitgifte van valse persoonsbewijzen en distributiebescheiden voor Joodse vluchtelingen en onderduikers ter hand.

Tijdens de overval op het Lissese gemeentehuis op 15 februari 1944 door de verzetsgroep van Johannes Post was Willem Döll in het gemeentehuis aanwezig in de overwerkploeg. De groep drong direct achter de secretarieambtenaar het raadhuis binnen en overmeesterde daar de politieman Bastiaan Romeyn. Beiden werden daarom – evenals gemeentesecretaris Jan de Haan – door de Sicherheitsdienst verdacht van betrokkenheid bij de overval, die tot doel had de bevolkingsadministratie te vernietigen en levensmiddelenkaarten voor onderduikers achterover te drukken. Kort na de overval werden eerst De Haan (19 februari) en Döll (21 februari) gearresteerd en later ook Romeyn. De SD kon de betrokkenheid van de twee bij de overval echter niet direct aantonen. In plaats daarvan werden ze beschuldigd van het vervalsen van een persoonsbewijs voor een Joodse vluchteling. Beide ambtenaren bekenden zich hieraan schuldig te hebben gemaakt. De Haan werd overgebracht naar het kamp Vught. Willem Döll belandde via het Oranjehotel in Scheveningen in Vught en tenslotte in het concentratiekamp Rathenow. Jan de Haan overleefde zijn internering in het kamp Vught ternauwernood; hij kwam ziek en uitgeput terug in Lisse, waar hij op 9 oktober 1946 op 58-jarige leeftijd alsnog overleed. Hij is begraven in het oorlogsgraf bij de Agathakerk.

Bastiaan Romeyn, de politieman die
lijn leven liet. in Nettengamme.
Het zou passend zijn wanneer ook
naar hem een straat vernoemd zou
worden.

Bastiaan Romeyn stierf op 20 november 1944 op 31-jarige leeftijd in een buitenkamp van het concentratiekamp Neuengamme. De nieuwe straat grenst aan de J.C. de Haanstraat in De Engel. Jan de Haan en Willem Döll zijn de enige twee Lissese gemeenteambtenaren onder de gesneuvelde verzetsmensen en dienstplichtige soldaten en ze trokken samen op, o.a. bij het vervalsen van persoonsbewijzen.

De Romijnstraat in De Engel is overigens niet vernoemd naar de derde betrokkene, politieman Bastiaan Romeyn, zoals weieens wordt aangenomen, maar naar een Lissese wethouder. Na de oorlog stelde burgemeester Van Rijckevorsel in een bijzondere raadsvergadering vast hoe bitter het was dat juist Willem Döll, die zoveel mensen aan levensmiddelenbonnen had geholpen, de hongerdood moest sterven.    ,. Willem Döll liet een weduwe (Dirkje Buis) achter en twee jonge kinderen. Het complete verhaal is gepubliceerd in het boek ‘Wat toch een tijd’.

Straatnamen tijdens de oorlog

Redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

Onze vraag was of iemand nog weet hoe de straten werden genoemd die in de 2e Wereldoorlog door de bezetter een andere naam kregen. Aan veel personen hebben wij de vraag voorgelegd maar het was toch moeilijk te achterhalen. We zijn er toch achter gekomen. Om welke straten ging het en welke naam kregen zij in de oorlog ?

BEATRIXSTRAAT werd GALANTHUSSTRAAT.
JULIANASTRAAT werd MONTBRETIASTRAAT.
PRINS BERNARDSTRAAT werd ANEMONENSTRAAT.
WILHELMINASTRAAT werd LELIESTRAAT.
De Galanthusstraat kwam later niet meer terug in Lisse. De andere drie straten wel en kwamen vlakbij de Broekweg te liggen. Van Dhr. Koos Reijerkerk hoorden wij al gauw van de Leliestraat, omdat hij is geboren tijdens de verandering. (Zie scan van Geboortekaartje, Leliestraat v/h Wilhelminastraat !). De bewoners van de Beatrixstraat
zeiden al gauw dat ze in het Sneeuwklokje woonden. Een Sneeuwklokje is een Galanthus. Het is haast zeker dat het bij deze vier straten is gebleven. Van de andere straten die naar het Koningshuis waren vernoemd, is bekend dat die niet veranderd hoefden te worden, omdat die personen al overleden waren.

Geboorte kaartje uit 1942uit de Leliestraat

Van Heereweg tot station

door Arie in ’t Veld

Uit De Lisser van 17 september 2008

Toen en nu: Berkhoutlaan

LISSE – De Berkhoutlaan is een prachtige straat. Links de voorzieningen van Eikenhorst en Berkhout en rechts schitterende woningen en oudere huizen, afgerond door de villa Vrijheid Blijheid waar ooit architect Leen Tol menige Lissese woning ontwierp, vervolgens de kosterij van de Christelijk Gereformeerde Kerk en de villa op de hoek met de Veldhorststraat. Een steenworp verder staat villa Veldhorst en daarna komen de moderne toestanden van de Westelijke Randweg, waarna de straat overgaat in de Stationsweg. En dat was ooit ook de Berkhoutlaan: de Stationsweg die liep vanaf de Heereweg tot aan het station.

Terug in de geschiedenis is van een laan, weg of zelfs straat geen sprake. Vanaf de Heereweg ging je namelijk de Steeg in, ook wel ‘de Peus’ genoemd. Op de hoek aan de linkerkant de kruidenierswinkel van Van der Mark met daar vlak achter kolenloodsen en enkele huizen en rechts het postkantoor met daarachter het huis van de familie Van Diest, die een pittig stel postduiven hield en de kolenloodsen van Van Rooyen. En verder…: huizen. Krotten eigenlijk en niet onbewoonbaar verklaard, maar onverklaarbaar bewoond. Omstreeks 1890 kon de gemeente Lisse de linkerzijde van drieënhalf à vier meter breed voor duizend gulden kopen, maar dat was te duur en aannemer Molenaar bouwde er toen een rij huisjes. Op het zogenoemde geitenkantje, dat maar een paar meter breed was.

Reumatiekhokken
‘Doorgangshuisjes’ zoals men ze noemde, want zo ongeveer half Lisse woonde eerst ‘op de Steeg’ voordat men de kans kreeg op een andere woning in het dorp. De Steeg werd in 1910 Stationsweg genoemd, maar de verandering in naam kon niet voorkomen dat de kwaliteit van de huizen achteruit holde en de Lissers steevast ‘de Steeg’ bleven zeggen en de huisjes uitmaakten voor reumatiekhokken, want met name in de natte herfst en winter was het er niet warm te stoken. Wat hen betrof, begon de Stationsweg pas na ‘Vrijheid Blijheid’.
Op de Steeg stond ook één van de oudst bewoonde huizen in Lisse (300 jaar) van de familie Lemmers. Het pand wordt al genoemd in 1654 en werd in 1732 gekocht door Warbout Vreeburg en daarna bewoond door diens dochter, die in 1738 trouwde met Hendrik Onnosel (eigenaar van De Witte Zwaan). In 1859 werd het pand gekocht door Hendrik Lemmers, klompenmaker (dertig cent per paar). Ook het café van Lieverse, ‘Het Haasje’, was er gevestigd, maar werd in 1916 opgeheven.

Postkantoor
Op de hoek van de Heereweg stond het in 1899 gebouwde postkantoor. Een statig gebouw dat aanvankelijk eigendom was van de gemeente, maar in korte tijd dermate vaak onderhanden moest worden genomen vanwege allerlei uitbreidingen, dat besloten werd het gebouw over te doen aan het ‘Rijk’. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor 17.500 gulden, inclusief de bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein in eigendom en globaal gesproken gaat het hier over de hoek Berkhoutlaan/Heereweg, aan de zijde van het winkelpand De Madelief. Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht, volgde er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en twaalf personen, alsmede acht vaste postbodes. Enkele tientallen jaren geleden werd het postkantoor gesloopt om plaats te maken voor een groot winkelpand, dat later in de volksmond de naam ‘De Madelief kreeg. De huisjes in Stationsweg waren toen al met de grond gelijkgemaakt.

Berkhout
Halvewege de zestiger jaren van de vorige eeuw gingen ze plat, waarna er ruimte kwam voor nieuwe ontwikkelingen, zoals de bouw van Berkhout en nieuwe (grotere) woningen. Een verandering die nog op de rails staat, is dat een deel van de straat opnieuw een naamswijziging zal ondergaan. Enige tijd geleden werd namelijk bekend dat het deel vanaf de Heereweg tot aan de Westelijke Randweg de Madelief gaat heten. Zo is de aloude Steeg versnipperd geraakt en lijkt deze qua naam en inrichting in geen enkel opzicht meer op de vroegere Steeg.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Vreewijk – Peuepark

Post

NIEUWSBLAD Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Bij toeval op uw site gestuit en met genoegen het stukje over Vreewijk gelezen, ben daar zelf in 1939 geboren en heb er tot mijn huwelijk in 1965 gewoond. Daarna vertrokken naar Nieuw Vennep. Over de oorsprong van de naam Peuepark kan ik u het volgende vertellen. Mijn vader, in 1901 geboren, heeft het dikwijls verteld. De eerste eigenaar van de woningen, Pieter Marseille, ging in Lisse door het leven als “Piet de Peu” en omdat je toen nog aan de achterzijde van deze woningen een weids uitzicht had over de bollenvelden (dat pas verdween met de aanleg van de Oranjelaan) en het aan de rand van Lisse lag, ontstond er een buurt die een relatie had met de natuur en omdat Lissers altijd goed waren in het bedenken van spotnamen was het al gauw “Peuepark”. Over Arie Tet kan ik nog vertellen dat wanneer hij vroeg of je een snoepje wilde, je op je hoede moest zijn, want als je daarop bevestigend antwoordde en je daarna je hand ophield, duwde hij zijn pruim in je hand. Nieuw Vennep, RJ. Langelaan

De Kapelsteeg werd in 1910 ‘eene straat’

De Kapelsteeg of het Slop was indertijd een voetpad en ontleent zijn naam vrijwel zeker aan de Kapellewei. De steeg werd omstreeks 1864 bestraat. Er mogen geen paard en wagens door de steeg. In 1910 is de Kapelsteeg verbreed tot 7 meter.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

De Kapelstraat, beter bekend onder de naam van Het Slop, was voorheen een smalle steeg van circa 2½ meter breedte. Zijn naam ontleent hij zeer zeker van de Kapellewei, waarover of waarlangs deze steeg indertijd is aangelegd als een voetpad van de Gracht naar de Broekweg.*
De Kapelsteeg werd in of omstreeks het jaar 1864 bestraat. In vroeger jaren schijnt men deze smalle gang ook al gebruikt te hebben voor rij- en voertuigen, want in het jaar 1845 werd het rijden met paard en wagen, op verzoek van de aangelande eigenaren, door Burgemeester en Assesoren van Lisse verboden.
In het jaar 1910 is de Kapelsteeg zoodanig verbreed dat het eene straat werd van 7 meters breedte. Deze verbreeding vond zijn oorzaak in het feit dat de heer M.J.Guldenmond eigenaar was geworden van de villa en de bloembollenschuur van de geliquideerde firma Maathuis & van Alphen, op de hoek van de Heerenweg en de 1e Poellaan. Naar aanleiding daarvan wilde hij zijne bezittingen aan de noordwestzijde van de kapelsteeg en langs de Grachtweg verkoopen.
Dientengevolge bood hij de gemeente Lisse te koop aan eene strook grond ter breedte van 4½ meter, gerekend uit het hart van de Kapelsteeg, voor eene eventueele verbreeding dezer steeg.
In verband met het steeds drukker wordende verkeer naar de haven, die slechts langs ééne straat, namelijk de Grachtweg, te bereiken was voor rij- en voertuigen, besloot de Raaad om met de heer Guldenmond te onderhandelen, en te trachten eene strook grond aan te koopen van voldoende breedte om eene verkeersweg te verkrijgen, die in eene lang bestaande behoefte zou voorzien.
Na verschillende onderhandelingen besloot de raad, in zijn vergadering van 28 mei 1910, om van de heer Guldenmond aan te koopeneene strook grond ter breedte van 51/2 meter, gerekend uit het hart van de kapelsteeg, voor de som van f. 4.790,-
Met deze gelegenheid heeft men ook getracht de Kapelsteeg aan de Zuidoostzijde te verbreeden, maar de eischen die aan die zijde gelegen eigenaren, namelijk de heeren Gebr. Malta en C. van Parijs, waren zoo hoog dat daar ter plaatse eene verbreeding in afzienbare tijd niet mogelijk is.
Men heeft echter toen aan de zuidoostzijde van de kapelsteeg een bouwverbod gelegd waardoor bij eventueele verbouwing, de rooilijn zoodanig moet worden teruggebracht, dat deze komt op 4 1/2 meter uit het hart van de oorspronkelijke Kapelsteeg.
Voor de verbreeding van meergenoemde Kapelsteeg moest het woonhuis van de heer Guldenmond worden gesloopt, alsmede eene steenen bollenschuur en de steenen muur die het erf van de heer Guldenmond langs de oorspronkelijke steeg afsloot.
Het nog overige terrein werd verkocht voor bouwterrein, hetgeen binnen zeer korte tijd was bebouwd. Met de verbreeding van de kapelsteeg is een verbetering aangebracht, die tot in lengte der dagen zal worden toegejuicht.
De eerste versie van dit verhaal in Boek I van de Aantekeningen van Raaphorst vermeldt ook nog:
Het terrein op den hoek van de Gracht kocht de heer P. Verzijde die daar een goud- en zilverwinkel bouwde en later in de Kapelsteeg nog twee woonhuizen waarvan een winkelhuis. De twee overige gedeelten werden verkocht aan de heeren Th. Van der Wiel, kleermaker en de heer J.Overduin, vleeschhouwer. Eerstgenoemde bouwde daar een winkelhuis en laatstgenoemde een naar de eischen des tijds ingerichte slachterij en vleeschhouwerij.
* De Kanaalstraat heette in die tijd Broekweg.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Lisse had al in 1566 een bomenverordening

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

 

‘SCHOUT EN KROOSHEEMRADEN VERKLAREN DE WILLIGE BOOMEN VAN HUYSE DEVER EEN CIERAAD LANGS DEN HEEREWEG’.

Sinds kort heeft Lisse haar bomenverordening. In het verleden waren het de keuren van Rijnland die alles regelden. Wat komen we in het Register op de keuren en ordonnantien van het Hoog-Heemraadschap van Rijnland (Leiden 1823) zoal tegen?

Allereerst worden in de keuren regels gesteld omtrent het planten van bomen op slootkaden. Aan de Zon- of Zuid-Zijde van schouwbare kaden mochten bijvoorbeeld geen bomen geplant worden. Vermoedelijk was deze regel gesteld, aangezien deze bomen anders hun schaduwen zouden werpen op de kaden en dat kon een belemmering vormen bij het schouwen hiervan door Rijnland. Bij zo’n schouw werd onder meer gekeken of de slootkanten wel goed onderhouden werden door de eigenaren. Voor de bomen aan de noordzijde gold slechts dat deze tot zekere hoogte gesnoeid moesten worden.
Ook nabij enige Wind-Watermolens mochten geen bomen geplant worden, waarschijnlijk om een vrije vlucht te garanderen van de wieken.
Wat gold voor de sloten ging ook op voor de wegen binnen het beheersgebied van Rijnland. Langs de wegen – vooral openbare wegen – mochten natuurlijk niet zomaar bomen geplant worden zonder toestemming van het Hoogheemraadschap. Voor de Straatweg tusschen den Haag en Haarlem , tegenwoordig de Rijksstraatweg, Heereweg of ook wel de Hoofdstraat (in Sassenheim) genoemd, gold zelfs een aparte keur, die in 1807 in het leven was geroepen. Het verbood het kappen of planten van bomen waarbij de grond nader geroert werd dan op 20 duim (ongeveer 50 cm) afstand van de kantlage der Straet, dus vanaf de randen van de straat. Trok men zich hier niets van aan, dan was een boete van 25 pond het gevolg. Moest de weg toch worden opgebroken, dan diende men zich te adresseren bij het Departementaal Bestuur van Holland, die (in 1807) als eigenaar en beheerder van de weg optrad. Langs de Heereweg liepen voetpaden, waarlangs in de bermen nogal wat Ruigte, dus onkruid, voorkwam. We lezen: De Ruigte langs de voetpaden zal, vanwege het Departementaal Bestuur, mogen worden geblood (verwijderd), voor zoo verre zulks aan het Plantsoen aldaar, niet schadelijk zij, teneinde op den weg tot dekking te kunnen worden gebruikt. Kennelijk werd dus deze ruigte als wegbedekking gebruikt. Deze nieuwe keur die alleen voor de Heereweg gold, is waarschijnlijk in het leven geroepen, daar in 1807 deze weg werd bestraat.

Minder strukelen
In één van de dingboeken van Lisse die de periode 1681-1699 beslaat en die zich bevindt in het Algemeen Rijksarchief, Rechterlijk Archief Lisse lezen we op fol. 54 de volgende tekst:
Wij Mr. Adriaan van Gorcum, Schout, Claas Maartense van der Poel, Adriaan Aalbertse van den Bos, Willem Adriaanse Steenvoorden, ende Pancras Dammisse Sandvliet, kroosheemraden in Lisse, verklaren ter requisitie van den hoogedelen welgeboren heere Wilhelm de Waal van Vronesteijn, heere van Dever etc. dat de willige boomen bij sijn hoogEd. doen stellen aan’t Voetpad van den heereweg voor den huyse ende Landerijen van dever in den voorsz. ambagte van Lisse in plaatse ende op de Royinge van de palen die de aangelandens aan de Zuydoostzijde van den heereweg tot bewaringe van’t voetpad genootsaakt sijn te houden, na ons oordeel, tot niemands verhinderinge, maar in tegendeel tot Cieraad, ende meerder gemak als palen verstrekken, insonderheijt voor de gene die de weg bij avond moeten passeren, alsoo deselve ’t pad des te beter kunnen royen (begrenzen) ende minder strukelen ende dat de weg ende passage door deselve geensints belemmert of beslijkt word, sijnde aldaar soo ruym ende droog als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Aldus gedaen in’t Regthuys van Lisse op den negenden octob. xvi c ’t Negentig….
Ondertekend door bovengenoemden met hun namen.

Voetgangers beschermen
De wilgen werden dus geplaatst langs de oostkant van de Heereweg, aan de Dever-zijde. Ze kwamen in de plaats van palen die daar waren geplaatst om voetgangers te beschermen voor het verkeer. Reeds in 1566 lezen we over de afpaling van een voetpad langs de Heereweg voor eventuele passanten, in het bijzonder de schoolkinderen. Kennelijk gebeurde het echter regelmatig dat sommige nachtelijke passanten de palen niet opmerkten en er dus struikelpartijen plaatsvonden. (Waarschijnlijk waren de palen dus niet zeer hoog). Geen wonder dan ook dat, als de Heer van Dever, Willem de Waal van Vronesteyn, de palen vervangt door wilgen, zowel schout als kroosheemraden er geen enkel bezwaar tegen uiten. In bovengenoemde verklaring kan men dat lezen. Volgens hen strekken de wilgen zelfs tot Cieraad van de weg!
Natuurlijk waren er weer mensen die dachten dat de Heereweg bevuild zou worden door de bladeren van de bomen, maar bovengenoemde personen verklaren dat de Heereweg hier even schoon is als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Bovendien belemmeren de bomen de passage ook niet, want de Heereweg is ruym genoeg.
De bomen hebben er uiteindelijk zo’n 74 jaar gestaan. Toen zijn ze tenslotte door de toenmalige Heer van Dever verwijderd en werden er nieuwe geplant: Dirk Jan Ignatius Heereman is op zijn verzoek toegestaan en geconsenteerd dat hij Suppliant alle de Boomen staande langs de Heereweg aant voetpad van de Eerste Poellaan aff tot aen de Brugge van Wassergeest toe (de Staalbrug) mag uytroyen (kappen), de grond omdelven en andere Boomen planten (…). Actum 22 december 1764″.

Bronnen: Bibliotheek Oud Archief Rijnland (keuren), K.J.B. Keuning, Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ (Haarlem 2000)

Tekening van Schoemaker