Berichten

VERBORGEN VERLEDEN IN LISSE: Foto Engel

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2, juli 2019

door Dirk Floorijp

Van Heereweg 209, Foto Engel, wordt de bewoningsgeschiedenis beschreven. De namen van alle bewoners en hun beroep vanaf 1585 zijn bekend. Maar dat geldt voor veel panden niet. Daarom zoekt de VOL mensen met interesse voor de dorpsgeschiedenis om samen dit verre verleden weleer te doen herleven. Voelt u hier iets voor?

Heeft u dat ook wel eens, als u door het dorp loopt of fietst en zich afvraagt hoe een bepaalde plek er vroeger heeft uitgezien? In vroeger eeuwen speelde het openbare dorpsleven zich meest op straat af en vooral op het Vierkant en de Grachtweg. Je loopt er al snel aan voorbij. Ik wil u een stukje meenemen naar een pand op het Vierkant en zijn geschiedenis. En wel naar Heereweg 209 de plaats waar Foto Engel zich bevindt. Een locatie die heel wat aan zich voorbij zag trekken. Het uitzicht op het Criminele Raadhuis en gevangenis, tal van herbergen, de aankomst van de postkoets vanuit Leiden en vanuit Haarlem waar de passagiers overstapten, het uitzicht op het schavot en op de Groote of Groenen Eik waar recht gesproken werd, totdat het plaats vond in de Herberg aan het kerkhof, weer later overgenomen door de Witte Zwaan. De legereenheden die door Lisse trokken of hier overnachtten zonder te betalen. Maar het gaat natuurlijk ook over de bewoners die op die plek hebben geleefd. Het is misschien een unicum dat deze plek zo ver terug gaat in de tijd en we dat kunnen achterhalen.

Vanaf heden terug tot 1585.

In oude akten was de plaats 200 jaar lang op te sporen omdat deze bekend stond als “De Camer”. De nodige beroepen trekken aan ons voorbij van hen die hier hebben gewoond en geleefd door de eeuwen heen, zoals: landbouwers, chirurgijns, vleeshouwer, koopman in turf, bierbrouwer, duijnmeijer, herbergier, smid, kleermaker en wielmaker. Ook had het pand deftige buren, een Kapiteijn ter Zee die later Schout bij Nacht werd, daar woonde de bovenlaag van de bevolking met soms grote tegenstellingen aan inkomsten, mensen die in de kerk een grafkelder lieten metselen en waar nu nog grafzerken van aanwezig zijn. De namen van al deze mensen zijn bij ons bekend, maar er zijn ook nog veel puzzelstukjes die ontbreken. Daarom zoeken wij nog steeds mensen met interesse voor onze dorpsgeschiedenis om samen dit verre verleden weer te doen herleven. Voelt u er iets voor?

Veldnamen in Lisse

door A. de Koning

25 november 2018

VELDNAMEN ZO ALS VAN OUDS GEBRUIKT IN LISSE

BEEKCAMP: gelegen in de Lisserbroek
ZO Broekweg, ZW Bredeweg, NW Lisserbeek, NO wed. Adriaen Willems.

BENTCAMP: gelegen in de Lisserbroek

BOODCAMP: gelegen in de Lisserbroek.

BOSCAMP: ZO de Cruijsweg, NW de Schouwbeek

CALFCAMP: gelegen in de Lisserbroek

CRUIJSCAMP:

DONKERE CAMP:

GARSTCAMP: gelegen in de Lisserbroek
ZO de Schouwsloot, ZW de Kwadeweg, NW de Broekweg

GEESTCAMP: gelegen in de Lisserbroek
NW de Broekweg

GERRIT AVENWEG: noordelijke grens Lisse – Hillegom

GREVELINGCAMP: gelegen in de Roversbroek

HELLECAMP: gelegen in de Sassemerbroek
3 morgen land gelegen op Hellegat, NO Gravewater

HONGERCAMP: gelegen achter het Huijs te Lisse

KOECAMP: gelegen in de Lageveen

LOOSTERCAMP: 13 ½ hont land in de Mosveen

MIDDELWEIJ:gelegen in de Lageveen

NESSE VAN DE PASTORIE VAN LISSE: ZO de Lisserbroekweg

POELCAMP:

SANT TOOM:gelegen op Hellegat

SMALLE CAMP: gelegen bij de Broekweg

SMALLECAMP:

SIJMON WITZESCAMP:

VENNETGEN: gelegen in Oosteinde

ZWADDELCAMP: gelegen in Sassemerbroek

 

Het onderhoud en bestraten van de wegen in Lisse.

door Arie Koning

9 oktober 2018

Het onderhoud en bestraten van de wegen in Lisse.

Lees de kortere samenvatting De allereerste bestrating van wegen en straten in Lisse

In de vroege jaren van de 18e eeuw kon men nauwelijks van wegen of straten spreken in Lisse, zo was de Heereweg niets meer dan een karrepad van zand en puin zoals deze er al eeuwen bij gelegen had. Er was een onderhoudsplicht voor de inwoners van het dorp. Ieder moest zijn gedeelte waar zijn huis of boerderij aan lag begaanbaar en schoon houden en als het erg droog werd moest de weg nat gehouden worden om verstuiving van het droge zand te voorkomen. iedere inwoner van Lisse welke paarden bezat moest bij toerbeurt “puin karren” om de grootste gaten te dichten en weer af te vlakken met zand, welke in ruime massa aanwezig was in Lisse. Als vergoeding hiervoor mochten de paardenbezitters hun paarden laden grazen in het duin van de wildernis. De animo voor deze weg werkzaamheden was zoals men begrijpt niet erg groot, ook bij de bewoners zonder paarden. Men had het druk genoeg en het kwam er meestal op neer dat vrouwen en kinderen zomers de weg nat hielden. Dit werd gecontroleerd en verzaakte men hierin, werd er een boete gegeven.

’s Winters was de weg meestal onbegaanbaar door diepe karrensporen welke volstonden met regenwater. De dagelijkse postwagens uit Leiden en Haarlem, welke rond het middaguur elkaar in Lisse ontmoetten en elkaars post overdroegen en tevens de poststukken bestemd voor Lisse bezorgden, hadden met veel moeite en uiterste stuurmanskunst Lisse weten te bereiken.

De bestuurders van Lisse onder leiding van de Schout Jacob van Dorp, besloten dat er voor eens en altijd begaanbare wegen in het dorp moesten komen en besloten dat het tijd werd om de wegen van Lisse te bestraten. Dit was een zeer ambitieus plan en men besloot eerst te kijken of de financiering rond te krijgen was en men besloot een handtekeningen actie te houden waarmee men kon aangeven bereid te zijn om bij te dragen aan de realisatie van de bestrating. (Door deze lijst kunnen wij als geschiedvorsers mooi even meekijken welke inwoners niet konden lezen en schrijven. De analfabeten zetten namelijk een merkteken in plaats van een handtekening). De bestuurders hadden al gauw in de gaten dat het door vrijwillige bijdragen alleen niet haalbaar was en er dus via belastingen geld vrijgemaakt moest worden. Men had gedacht om een omslag op te leggen aan alle inwoners welke land in bezit hadden van 35 stuivers per morgen land. Maar dan kwam je op het terrein van het Hoogheemraadschap van Rijnland en daar moest je, als het even kon verre van blijven. Er werd een verzoek, een zg. Requeste, aan het Hoogheemraadschap van Rijnland gestuurd met het verzoek om te mogen bestraten. Dit verzoek werd op 20 februari 1723 verzonden maar er kwam geen antwoord. Nou was de Schout van Lisse een geduldig maar ook een zeer vasthoudend man dus een tweede Requeste werd geschreven, maar ook daarop werd geen antwoord gegeven. Pas na de vierde Requeste op 21 April 1725 kreeg men de gewenste toestemming en werd in Lisse de bestrating gerealiseerd. Dat werd een succesverhaal want Lisse werd nu met respect beschreven door voorbeeld de geschiedschrijvers Mattheus Brouërius van Nidek en Isaac Le Long als:
“Men heeft dit dorp in het jaar 1725 geheel bestraat. Onder deselfs straten loopt er één met een kromme bogt naar eene haven, welke de Graft genoemd wordt, en zyne uitwatering heeft door de Ringsloot van de Lisserpoel tot in het Haarlemmer meïr, alwaar dit water de naam van de Greveling aanneemt”
Anderen noemen Lisse een schoon en weelderig dorp welke geheel bestraat is. Niettemin bleef de verplichting van onderhoud van de wegen en voetpaden bestaan. Vuil, paardenpoep, stuifzand en rommel van afgevallen lading moesten door de aangrenzende bewoners schoon gehouden worden, de boetes waren even hoog als voor de bestrating. De bevolking welke normaal gewend waren hun afval overal neer te gooien, werden bewust gemaakt dat het ook anders kon. Dat heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Lissers stonden bekend om enorme rotzooimakers. Overal werd huisvuil gestort, tot op het Kerkhof aan toe. In bijvoorbeeld de Resolutie Boeken van Schout en Burgemeesteren komt het item vervuiling van het dorp veelvuldig ter sprake, maar de aanhouder, in dit geval Schout Jacob van Dorp, heeft dit gevecht glansrijk gewonnen

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26088-26089 pag. 76

Alsoo Henrik Janse Korsten, overleden, ende bij deselfs nagelaten wed: Cornelia Huberts Heemskerk afgestaan was aan de Delfweg.
Soo hebben Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, van des Ambagtswegen besteed, ende Pieter Engelse van Schie, schilpkarder, ende bouman aan de Delfweg in Lisse, voors: van deselve aangenomen, de vermelde Delfweg na vereijs, ende ten genoegen, ende prijs van de besteders, mitsgaders van den ingelanden, ende ingesetenen, soo als Schout ende Ambagtsbewaarders, in der tijd, sulks sullen ordenneren tot een bekwame Rijweg ’t elkens alle daags slenken, ende dellen te vereffenen uijt de bij gelegen hoogtens, ofte ribbens, ook ter bekwamer plaatse de Gruppen, ende afloopen van water te maken, ende als ’t vereijst Spijkers aan de hekken te slaan, soo lange den aannemer aan de Delfweg sal blijven wonen, sullen de Besteders bij gebreke van den aannemer, na voorgaande waarschouwinge, ende verloop van 24 uren tijd, ‘t selve tot des aannemers kosten, selfs tot haar genoegen mogen laten doen, waar voren den aannemer alleen sal geniete de beweijdinge van deselve delfweg, ende sal den aannemer boven ’t voors: Onderhout, alle jaren aan ’t Ambagt nog moeten betalen, op den Tweeden kersdag, een somme van eene Gulden, onder verband van den Aannemers persoon ende goederen, gene uijtgesondert, onderwerpende deselve de Geregtsdwang van allen Keuren, Regten ende Regteren, ende wel Specialijk de Judicature van de WelEd: Heeren Dijkgrave ende Hoogheemraden van Rijnland. Des blijft het sandkarren, ende verder onderhout der hekken op de voors: weg hier buijten gehouden, ende den aannemer daartoe niet verpligt.

Aldus gedaan tot Lisse in ’t Regthuijs op den 14 Junij 1720.

Handtekening Gerrit Hendrikse Hoogkamer
J. van Dorp Leendert Willemse Oote
1720

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26172-26176 pag.177

Aan de WelEdelen Heeren Dijkgraaf ende Hoogheemraden van Rijnland,

Geven met Eerbiedigheijt te kennen, Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, dat de Rijweg in Lisse, voor soo verre deselve Wedersijds betimmert is, tot nog toe is opgekarret ter bede bij beurten door alle de Lisseijselieden die paarden houden, soowel die wonen in de Lisserpoel, als daar buijten, ende den Weder sijdse Voetpaden, ende palen bij de gehuijsdens, ijder sooverre hare Erven strekken, gelijk den heereweg buijten de wedersijdse huijsens bij de gelandens aan den Heereweg, werd gemaakt en onderhouden bij die geland sijn, aan eene sijde de Rijweg, ende bij die geland sijn aan de andere sijde het voetpad met de palen, dat de gemelde rijweg in Sonderheijt tusschen de huijsen, door het menigvuldiger berijden, van de Postwagens, ende andere Rijtuijgen, als voor desen van tijd, tot tijd is vervangen, ende bij supplianten geen ander genoegsaam middel en kunnen uijtvinden, om de Rijweg tusschen den huijsen op te maken, ende onderhouden, als met deselven te bestraten, dat den heere van Lisse, ende andere heeren Ingelanden, Soo in als buijten de Lisserpoel,hadden getekend, daar tot Vrijwillig sekere Somme van penningen te sullen betalen, als den straat geleijd was, maar dat de tot nog toe ingetekende Somme op verre na soo veel niet bedragen, als de onkosten soude Lopen, waarom de supplianten met Verwilliginge van den heere van Lisse, ende den anderen Ingelanden, hen keerden tot UwelEd:, Ootmoedelijk versoekende UwelEd: consent om den Heereweg in Lisse, beginnende besuijdwesten den kerk, noordoost op, tot soo verre deselve met huijsen aan weder sijden betimmert is, te mogen bestraten, ende het gene het bestraten meerder sal komen te kosten als de Vrijwillige beloofde ofte nog te belooven, ofte anders te verkrijgen,onderstandig ende te ontfangen giften bedragen, te mogen brengen ten laste van alle de morgen talen van ’t Ambagt, soo als die in den binnelanden kosten Contribueren,mitsgader van de landen in den Lisserpoel onder Lisse, ende die afgesande landen, die in den jare 1666, in den verpondinge sijn aangeslagen, des dat den Ingelanden, soo ’t haar gelieft, hare Vrijwillige beloofde Sommen tegens haarlieder quiote in den ommeslagen soude mogen Rescontreren,te betalen den gemelde ommeslag, gereed op UwelEd: Consent, ofte bij die gene die sulks ongelegen mogten komen, ofte liever in termijnen soude betalen, in vijf jaar Termijnen, ’t elkens een opregte vijfde part, dog met bijvoeginge van Interest, van ’t agterstal, tegens vier percento, ’s Jaars, de gemelde termijn ’t elkens te verschieten bij de bruijkere ende voor den helft bij de Eijgenaars te korten.
Wijders dat UwelEd: gelieve te ordonneren dat alle de gehuijsdens, tot conservatie van de te leggen Straatweg, soo verre haar erven strekken, elks aan sijne sijde deselve Straatweg tot op het midden van, en tegens malkanderen aan sullen moeten onder ’t Sand ende bij droogte nat houden,als ook dat deselve ende alle andere gehuijsdens, ende inwoonders, aan den heere ende andere wegen in Lisse het bij de ordinaris schouwen tegenwoordig Subject, ofte niet, soo verre hare erven strekken een bekwaam voetpad sullen moeten onderhouden, ende de palen, die sij tot behoud van het voetpad gehouden sijn te stellen, ende houden op alle ordinaris schouwdagen, aan ’t bovenste, ende een halve Elle lang te laten verwen, verder dat niemand wie sig bij hem van nu voortaan sullen te vervoederen, den Heereweg, soo voetpad als Rijweg, als ook alle anderen gemene wegen, ende landen in Lisse, gene uijtgesondert, tot bewerpen, bestroojen ofte beleggen, met eenige vuijle materie, ’t sij drek, ofte schoven, hooij, stroo, potten, scharen, spaanderen, krullen ofte lappen, water, takken, ruijgten, bladeren, glas, ofte eenige dingen, daar mede deselve ontsiert ofte verergerd, souden kunnen worden, Elk poene op de ordinaris verbeurte van 12 stuijvers, ten behoeve van de Schout voor de Eerste reijs, ende van vier en twintig stuijvers voor de tweede reijs, ende van 10 gulden ten behoeve van den Heere Dijkgrave, voor 2/3 , ende van den Schout voor 1/3 voor de derde reijs, ende dat boven dien den overtreders ende de gebrekige gehouden sijn de straat te sanden ofte nat te maken, de Wegen en paden van de ingeworpe ende verbode materialen, te ontruijmen, de palen te laten Wit verwen, ende voetpaden te sanden, en gelijken, binnen 24 uur na gedane waar schouwinge, ofte dat de Ambagtsbewaarders gehouden sullen sijn, sulks te laste doen, tot kosten van de gebrekige, ende deselve kosten te laten Uijtleggen door den Schout, om die te innen na den Dijkregte, ’t welk doende was ondertekend, Fred: Heereman v: Suijdwijk, T.w de Wassenaar, A: G: Sohier de Vermandois, Vrij:hr van Warmenhuijse, Nicolaas Tjark, Pieter Tjark, L:L: van Dam, W: A: van der Stel, Johannis Kruijs, J. van Dorp, Schout, Lenard Willemsz Oote, ambagtsbewaarder, Dirk Janse van de Voord, ambagtsbewaarder, Johannis van ’t Hoog, Burgemeester, Herman Tijdeman, Burgemeester, Cornelis Jansz van der Jagt, Burgemeester, Jeremias Rouwens, MP dit merk is gestelt bij Dirk Maartense uijt den Hemel, Jan Vlaanderen, dit merk V is gestelt bij Mathijs Hubertse Erffort, Jan Saarse Krook, Jan Pieterse Verham, Klaas van der Does, Reijmpje Klaas, Adriaan Mathijsse, dit merk V is gesteld bij Barend Jansz van Bispik, dit merk C is gestelt bij Henrik Leonards van Roon, dit merk ^ is gestelt bij Cornelis Pieterse van Roon, Pieter van Aarle, Jacob Vranken Kats, Sijmen de Graaf, Rutgert Veldhuijse, Dirk van der Horst, Jan van der Jerk, dit merk ¥ is gesteld bij Jan Cornelisse Langeveld, Caterijna Jans Ammeraal, dit merk T is gestelt bij Adriaan Jacobsz de Goede, Cornelis Stellingwerf, Pieter de Bok, Jacob van ’t Hoog, Pieter Lenardse Brero, Frans Gerritse Brero, Benjamin Stellingwerf, dit merk + is gesteld bij Lenard Henrikse van Roon, Pieter Sijmonse Langendam, Barend Jochems Stellingwerf, dit merk T is gestelt bij Engel Dirkse van Steijn, dit merk Ö is gestelt bij Abraham Cornelisse van der Kluft, dit merk ñ bij Cornelis Adriaanse van der Wolf, dit merk X bij Gerrit Huijgense van den Bos, dit merk L is gestelt bij Willem Jans Slootman, Jacob Cornelisse van der Kluft, Jan Vlaanderen, Otto Jacobse Kranenburg, Sijmon Berkhout, Gerrit hendrikse Hoogkamer, Cornelis Onnosel, Jan Bekke, Warbout Jurriaans Vreburg, Jacob Florisse van Bourgondien, Huijbert Jans van de Voord, Elias Adriaanse van Geel, Crijn Cornelisse Geel, Cornelis van der Saal, Arent Meuse Velsbrugge, Tomas van Wetteren, Bart Jans Klinkenberg, Jochum Willemse Geel, Herman Schuurman, Willem Willemse Mens, Jacob Maarse Verduijn, Lenard Claasse van der Poel, Claas Janse ’s Gravenmade, Cornelis Verdel, dit merk X is gestelt bij Jan Jacobs Naardenburg, Jan Jacobs van der Hoven, Claas Arisse van der Helder, Andries Cornelisse Ploeg, Jan Arisse van der Wolf, Jan van Koorn, Jan Cornelisse Moerkerken, Jan Arisse van Sprokkelenburg, Lenard van den Bos, Jan Jans Vlaanderen, Jacobus Rek, Jan Jans van der Plas, Maartje Sijmons, dit merk X is gestelt bij Huijgh Jorisse Naardenburg, Jan Jans van der Jerk, Tieleman Stroom, Claas van Steijn, dit merk C is gestelt bij Dirk van Santen, Willem Philipsz, Catharina Verrijn, Gerrit Sijmonsz, David Panter, Pieter Arendse van Wateringen, Pieter Jansz Kok, Dirk Harmansz, Willem Cornelisse Dekker, dit merk B is gestelt bij Cornelis Cornelisse Geervlied, dit merk L is gestelt bij Joris Janse van Haastregt, dit merk C.d. is gestelt bij Cornelis Dirkse Huijgsloot, Joris [….], Cornelis van Dalen, Pieter van Velsen, Cornelis Huijgs, Cornelis Blok, voor de Diaconij, Jan Jansz van der Jagt, Maartje Arijs, Lourens Klaverweij, Jacob Willemse Akersloot, Maarten Korssen, dit merk (hij) is gestelt bij Henrik Jacobse van Boomen, dit merk X is gestelt bij Jacob Jans van Naardenburg, Cornelis Pieterse Akersloot, dit merk IB is gestelt bij Jacob Dirkse van Bruijnen, dir merk ß is gestelt bij Jan Philipsz van Velsen, dit merk CD is gestelt bij Pieter Cornelisse Larum. Dirk Claasse Klaver, dit merk Ü is gestelt bij Jan Jochemsz Stellingwerf, dit merk Å is gestelt bij Isaak Maartensz Verduijn, Mees Gerritse Outshoorn, Gerrid Burger, Gerrid Dirkse van Wateringen, Meijndert Huijgen, Jan Wassenaar, Jacobus van ’t Hoog, Dirk Cornelisse Oostdam, Clement Paulisse, Maarten van Outshoorn, Louwrens Jorisse van sGravenmade, Jan Tijs, dit merk X is gestelt bij Christina Dirks van Doelen, dit merk Ñ bij Anna Gerrits van Egmond, Maartje Jans Kok, Geertje van Adrichem, Cornelis Pieterse Gravendijk, dit merk Ü is gestelt bij Cornelis Pieters Barnhorn, Jacob Pieterse Wassenaar, Michiel Michielse, dit merk IWVM is gestelt bij Willem Willemse van der Moor, Arij Dirkse van Steijn, Trijntje Pieters de Jong, Elbertina Molleris, Trijntje Tijdeman, dit merk ÇÇ is gestelt bij Cornelia Jans Kok, Sijmon Langeveld, Jan Arisse SGravenmade, dit merk ¥ is gestelt bij Cornelis Gerrits SGravenmade, Albert Klaasse, Marij Pieterse, dit merk X is gestelt bij Henrik Pieters Arkshoek, voor mijn moeder: Cornelia Heemskerk, J.D: Graaf, Jan Pieters Langeveld, dit merk X is gestelt bij Anna Maartens Duijndam, wed: van Lenard Gerritse Brederoe, Jacob Cornelisse Warmond, dit merk X is gestelt bij Geertje Pieters Spitsbergen wed: van Willem Jansz Entepoel, Jacob Jans Fits, voor de kinderen van Cors Barendse van der Hoeven, Jacob Cornelisse Warmond, Sijmon Cornelisse de Graaf, Cornelis Pieterse van Schagen.

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26177-26178 pag.180

Aan de WelEdele Heeren Dijkgraaf ende hoogheemraden van Rijnland,
Geven met eerbiedigheijt te kennen, Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, dat sij supplianten, op den 20 Februarij 1723, aan UwelEd:, met verwilliginge van den Heere van Lisse, ende ’t meerendeel van den Ingelanden, soo in als buijten de Lisserpoel, bij Reqt: om reden, bij denselve Regt geallegueert hadden, versogt UwelEd: Consent, om den heereweg in Lisse te mogen bestraten, ende het gene het bestraten soude komen te kosten, als bij den vorigen, als bij den voorn: Regten, mede versmald was, te mogen brengen tot lasten van alle de morgen talen van ’t Ambagt, soo buijten als in de bedijkte Lisser poel, ende verders, soo ten Reguarde van het maken ende onderhouden van den Heereweg, buijten de huijsen, ende ook van de voet paden, als bij den voorsz; Reqt: breeder vermeld, tot het welke de Supplianten, hen alhier refereren dat UwelEd: alvoren op de voorsz: Requeste Finalijk te disponeren op den 27 Februarij kerkgebod hebben geordonneert, sig tegens het verlenen van het versogte Consent alleen geopposeert hadden Eijgenaars van den Landen in Lisse, ter Nombre van omtrent 120 morgen, en van omtrent 40 morgen binnen de voorsz: Lisser poel, ende de voorsz: opposanten, dat de voorsz: heereweg wel door inkarren van peuijn ende land konde worden gemaakt ende onderhouden, sonder bestraten, tot welke peuijn sij opposanten hun quote dan wel soude willen betalen, dat het Sant van de Duijnheeren wel, om niet te krijgen soude sijn, ende bruijkers wel souden willen karren, ter bede, en de Supplianten het Contrarie hadden gesustineerd, ende bij hun versoek hadden gepersisteert, gelijk ook de opposanten bij hare Weijgeringe gedaan hadden, dat UwelEd: sig selve inspectie oculair hadden mondeling gelieven tot ordonneren, dat tot lasten van de gene die verpligt waren, tot het maken van den voorsz: Heereweg, deselve Heereweg met peuijn, ofte besandige specie souden hebben in te laste vallen, ende ophoogen, tot gelijke hoogte als waren de drempels van de huijsen, aan de voorsz: Heereweg, ende sulks door die landmeter van Rijnland, hadden laten afbakenen, alle ’t welke gekomen sijnde tot kennisse, van de heere van Lisse, ende van de Ingelanden, soo die de gepresenteerde voorsz: Regte, benevens de Supplianten, ende getekend hadde, als die welke niet getekend hadden, maar door hun Vrijwillige beloofde giften, ende niet appelleren, tegen het gemelde kerkgebod, in der Suppliante voorsz; versoek, hadden geconsenteerd, soo hadden deselve ingelanden, aan de Supplianten, hun ongenoegen, wegens het inkarren van peuijn in den voorsz: Heereweg, te kennen gegeven, ook weten de supplianten geen raad, om soo grooten kwantiteit peuijn, of andere bestandige stoffen, als daartoe van Nooden soude sijn, te bekoomen, sijnde wijders niemand van de Bruijkers genegen peuijn te karren in de weg, en sullende over sulks, het karren alleen veel geld beloopen, ende het peuijn bijna soo veel kosten, als het bestraten ende van geen duur wesen, dat sij supplianten en bijna alle de ingelanden oordelen, dat den Heereweg met puijn niet goed gemaakt, veel mins goed gehouden, Sal kunnen worden, ende het daarom, dog Eijndelijk tot bestraten sal moeten komen, ende mitsdien het peuijnen Vergeefse onkosten soude sijn, Ja dat bevonden soude worden, dat de peuijn Weder uijt de weg soude moeten worden ontruijmt, eer men een Goede weg soude kunnen maken, ende wijle het Ambagt, het sij in het peuijnen, het sij in ’t bestraten, seer Importante kosten souden moeten ondergaan, ende ingelanden, ende bruikers, die de kosten daar van dragen sullen moeten, vermeden billijker te wesen, dat gevolgd word de Neijging van Eijgenaars van omtrent 1260 morgen, ende van alle de bruijkers, soo buijten als binnen de bedijkte Lisser poel, die sijn, ofte gehouden moeten worden voor het bestraten, ende tegens het peuijnen, als van de Eijgenaars van omtrent 120 morgens buijten ende omtrent 40 morgens in deselve bedijkte poel, soo menen de supplianten weder om met verwilliginge van den heer van Lisse, de Vrijheijt van UWelEd: nogmaals te versoeken, van de supplianten bij haar voorsz: eerste gepresenteerde Regt gedaan, soo als dat leijd te consenteren, en hen van het gemelde en bij UwelEd: geordonneerde peuijningen te ontheffen.

’t welk doende

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26179-26182 pag.182

Alsoo Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, Aan den Wel Edelen heeren Dijkgrave ende hoogheemraden van Rijnland, met verwilliginge van den heere van Lisse, ende van den grootsten, ende ’t meerendeel van de Ingelanden, soo in, als buijten den Lisser poel, bij Reqt: op den 20 Februarij 1723, om redenen bij deselve Requeste geallignieert, versogt hadde om Consent, om den Heereweg in Lisse te mogen bestraten, ende het gene het bestraten soude komen te kosten, invoegen als bij den voorsz; Reqt: mede vermeld was, te mogen brengen ten laste van alle de morge talen van ’t Ambagte soo buijten als in de bedijkte Lisserpoel, ende verders, soo ten Reguarde van ’t maken, ende onderhouden van den heereweg, buijten de huijsen, ende ook van de voet paden, als bij den voorsz: requeste breeder staat vermeld, dat haar WelEdele als vooren op de voorsz: requeste
Finalijk te disponeren, op den 27 Februarij kerkgebod hebben geordonneert, sig teegens het verlenen van het versogte consent alleen geopposeert hadden den heeren Directoires van de Poelpolder, besittende te samen omtrent 41 morgens, voor soo verre als er versogt wierd, den ommeslag over den Landen in de Lisserpoel, en wijders ook Eijgenaars van Landen buijten de Lisserpoel, ter Nombre van omtrent 120 morgens, Sustineeren de voorsz: opposanten dat de voorsz: Heereweg, wel door inkarren van peuijn ende sant konde worden gemaakt ende onderhouden, Sonder bestraten, tot welke peuijn sij opposanten hun quote dan wel souden willen betalen, dat het sant van de Duijnheeren wel om niet te krijgen soude sijn, ende de bruikers wel souden willen karren, ter bede, ende de voorsz Impetranten het contrarie hadden gepersisteert , gelijk ook de opposanten bij haar Weijgeringe gedaan hadden dat haar WelEdele na genomen inspectie oculair, op den 1 October Seventien hondert drie en twintig mondeling hadden gelieven te ordonneren, dat Schout en Ambagtsbewaarders, tot Lasten van die gen die verpligt waren tot het maken, van de voorsz: Heereweg, deselve Heereweg met peuijn ofte bestendige specie souden hebben te laten vullen, ende ophoogen, tot gelijke hoogte als waren de drempels van de huijse, aan de voorsz: heereweg, ende sulks door den land meter van Rijnland hadden kunnen laten af bakenen, alle ’t welke gekomen sijnde tot kennisse van den heere van Lisse, ende van den ingelanden, Soo die den voorsz: gepresenteerde Requeste, benevens Schout ende Ambagtsbewaarders, mede getekend hadde, als die wel niet getekend, maar door hun Vrijwillig beloofde giften, ende niet appelleren ’t gene het gemelde kerkgebod in ’t voorsz: versoek, van Schout ende Ambagtsbewaarders, hadden geconsenteert, deselve ingelanden aan Schout ende Ambagtsbewaarders, hun ongenoegen wegens het inkarren van peuijn, in de voorsz: heereweg hebbende, te kennen gegeven, Schout ende Ambagtsbewaarders, ook geen Raad wetende, om soo grote quantiteijt peuijn, ofte andere bestendige stoffen, als daar toe van nooden souden sijn, te bekomen, bij nader Requeste aan haar WelEdele gepresenteerde, nog meer dringende redenen in deselve nader requeste, geexamineert, tot welke beijde Requesten beijde alhier gerefereert word nogmaals versogt hadden, dat U WelEdele het versoek van Schout ende Ambagtsbewaarders, bij haar voorschreve eerst gepresenteerde Requeste gedaan,soo als dat leijd, geliefde te Consenteren, ende hen van ’t gemelde bij haar WelEdele geordonneerde peuijnen te ontheffen, ende dat den voorsz: opposanten op die nader Requeste in het gemelde eerste gedane versoek, wel hadden willen Consenteren, ende van de oppositie dog mits ontheven wordende, van de reparatie, soo hebben wij Burgemeesteren van Lisse op de tusschen spraak van wel gemelde heeren Dijkgraaf ende hoogheemraden van Rijnland beloofd, ende beloven bij desen dat soo wanneer haar Wel Edele, het voorschreven, bij de voorgeschreve Requeste gedane versoek, om den Heereweg in Lisse te mogen bestraten, ende de onkosten van het zelver bestraten, te mogen omslaan, soo als dat versoek leijd, alleen de 21 morgen lands van den hoofdkerken van Leijden, ende twintig morgen lands van den voorsz: heeren Directeuren, in de voorsz: bedijkte Lisserpoel, soo het hem gelieft, van hun aandeel inden ommeslag geeximeert sijnde, aan Schout en Ambagtsbewaarders accorderen wij in dien gevallle, alle de onkosten van de reparatien die na dat de meer gemelde straat geleijd sal sijn, in tijden en wijlen van nooden, sal worden bevonden over elks van den Ingelanden, in den dorpe ende Ambagte van Lisse, voor hun aandeel in die onkosten, van den reparatie, op den Eed tot onse Bedieninge staande sullen setten, quotiseren ende invorderen ende de Ingelanden daar van ontheffen, onder verband van ’s Dorps inkomen.

Aldus gedaan tot Lisse, in ’t Regthuijs, ten overstaan, ende met goedkeur van Schout ende Schepenen ende alle de Burgemeesteren op den 24 Februarij 1724

Handtekening Elias Adriaanse Geel Cornelis Jans van der Jagt
Jacob van Dorp Cornelis van der Saal Joachim Willemse
1724 Jan Vlaanderen Jacob Fransse Kats
Otto Jacobs Cranenburg Adriaan Cornelis Plooy
Klaas van der Does

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26190 pag.194

Wij, Burgemeesteren van Lisse, nemen op het voorstel van Schout ende Ambagtsbewaarders, van wegen den WelEdele Heeren Dijkgraaf ende hoogheemraden van Rijnland, bij desen van wege ’t Dorp, te suppleren, ende over Elke van onser ingesetenen, in den Dorpe ende Ambagt van Lisse, voor hun aandeel in die vervulling, op den Eed, tot onse Bedieninge staande, te sullen setten, quotiseren, ende invorderen, alle het gene het bestraten van den Heererijweg in Lisse, Beginnende besuijdwesten de Kerk, noordoost op, tot soo verre deselve Heererijweg, met huijsen aan wedersijden betimmert is, so als die tegenwoordig is begonnen, ende afgebakend meerder sal kosten, als den vijfendertig stuijvers per morgen, de welke den voorn: haarWelEd: hadden voorgeslagen, tot kosten van den Landen in Lisse voorsz: te Consenteren, dat wij de ingelanden van de verdere Onkosten dienaangaande te vallen, sullen ontheffen onder verband van ’s Dorps inkomen.

Aldus gedaan tot Lisse in ’t Regthuijs, ten overstaan en met goedkeuring van de Schout, ende Schepenen ende bij alle de Burgemeesteren op den Eersten September 1724.

Handtekening Elias Adriaanse Geel
J. van Dorp Leendert Willemse Oote Cornelis van der Saal
Jan Vlaanderen Otto Jacobs Cranenburg
Johannis van ‘t Hoog
Sijmon Berkhout
Cornelis Janse van der Jagt
Joachim Willemse
Klaas van der Does

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26217 pag.227 – 229

Aan de WelEd. Heeren Dijkgrave
ende Hoogheemraden van Rijnland

Geven met Eerbiedigheijt te kennen Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse dat sij, Supplianten, op den 23 Februarij 1723 aan UwelEd. met verwillinge van den Weledelen heere van Lisse ende ’t meerendeel van de ingelanden, soo in als buijten de Lisserpoel bij requeste om redenen bij deselve regte geallegueert hadden versogt Consent om de Heereweg in Lisse te mogen bestraten ende het gene het bestraten soude komen te kosten invoegen als bij de voork: requeste mede vermeld was te mogen brengen tot laste van alle de Morgentalen van ’t Ambagt, soo buijten als in de bedijkte Lisserpoel, ende verders, soo ten reguarde van ’t maken en onderhouden Vanden heereweg. Buijte de huijsen ende ook Van de voetpaden als bij de voors: Requeste breeder straat vermeld.
Dat Uedelen alvoren op de voorz: Req.-ten finalijk te disponeren op den 27 Februarij kerkgebod hebben geordonneert sig tegen het verlenen van ’t versogte consent geapposeert hadden, de heeren Directeurs van de Lisserpoel besittende tesamen omtrent Een en Veertig Morgens voor soo verre, als er versogt wierd een ommeslag over de Landen in de Lisserpoel en wijders ook Eijgenaars van Landen buijten de Lisserpoel ter nombre van omtrent Hondert en Twintig Morgens.
Dat UwelEd. de redenen van Oppositie alsook de Supplianten ende opposanten ende het wedersijtse Persistit hebbende gehoord UwelEd. na genomen inspectie Oculair op den 1 Oktober 1723 hadden gelieve te Ordonneren , dat de Supplianten tot laste van degene die verpligt waren tot het maken van de voorz: Heereweg met peuijn ofte bestendige specie souden hebben te laten vullen ende ophoogen. Dat de ingelanden sulks ter ooren sijnde gekomen bij alle aan de Supplianten hun ongenoegen wegen het peuijnen hadden te kennen gegeven, dat sij Supplianten ende ’t meerendeel van de ingelanden bij een tweede requeste aan Uedele om nog meer dringende redenen nogmaals versogt hadden. Dat Uedele het versoek bij haar Supplianten voorz: eerste gepresenteertde Request gedaan soo als dat leijd geliefde te consenteren ende hen van het geordonneerde peuijnen te ontheffen dat de voork: Opposanten op die tweede Requeste in het gemelde eerste versoek, den geconsenteert ende van de opposanten gerenunciert. Dog mits ontheven werden van de Reparatie welke volgende Burgemeesteren van Lisse op de tussenspraak bij acte onder Uedele gefurneert ten behoeve van de opposanten van dato 24 Februarij 1724 belooft hadden dat soo wanneer Uedele het voork: bij de voork: requeste gedane versoek soo als dat versoek leijd alleen de een en twintig morgen lands van de hooftkerken van Leijden en de twintig morgen van de voork: heeren Directeurs in de voors: bedijkte Lisserpoel soo ’t hun geliefde van hunne aandeel geeximeert sijnde aan de Supplianten accordeerden, Burgemeesteren van Lisse, indien gevalle alle de onkosten van de Reparatie die nadat de meer gemelde straat geleijd soude sijn. In tijden en wijlen van nooden soude werden bevonden over elck van de ingesetenen in de Beede soude setten ende de ingelanden daarvan ontheffen. Dat naderhand voor Uedele nog waren opgekomen drie ingelanden welke te voren niet geopposeert en hadden, waarna door Uedele de Suppliante voorgeslagen was.
Dat de Supplianten souden beginnen te straten ende ’t Arbeijtsloon van ’t leggen te besteden op den 15 Augusti 1724 het welk ter selve dag door de Supplianten also ook was ingevolgd, Eijndelijk dat op de nader Requisitie was geopposeert hebben de ingelanden in de tussenspraak van Ued. Burgemeesteren van Lisse bij een tweede acte van dato Eersten September 1724 desen annex op haar genomen, hadden van wege ’t Dorp uijt de bede te suppleren alle het gene het bestraten
Van voork: heere Rijweg soo als die tegenwoordig was begonnen ende afgebakent meerder souden kosten dan vijf en dertig stuijvers per morge, ende aangenomen de ingelanden van de verdere dienaangaande te vallen onkosten te sullen ontheffen tot alle welke soo vorige Req-ten als actens de Supplianten hen alhier Refereren, aanbiedende de Supplianten bovendien aan de ingelanden de vrijheijt om jaarlijks als het haar gelieft ter Secretarij van Lisse Dingsdag, acht dagen voor het doen van de Ambagtskeuringen derhalve Ambagtsrekeningen ende verificatien van dien te mogen komen visiteren ende daar van desnoods dog ’t haren Redelijken kosten copien bekomen ten eijnde sij ingelanden daar uijt souden kunnen informeren ende securen dat boven die voorz: 35 stuijvers per Morgen niet [wes] meerder tot betalinge vande onkosten van ’t voorz: bestraten ofte ook van reparatie aan die straat ingebragt sal sijn, mits alle ’t welk de Supplianten hun wederom keerden tot UweEd. Ootmoedelijk versoekende Uedele Consent om tot betalinge van de onkosten van de voorsz: straat boven de vrijwillige beloofde ofte nog te beloven ende te ontfangen giften ende boven ’t gene alreeds in vorige Ambagtige rekeningen is ingebragt te mogen ommeslaan ende ontfangen wegens de alle Morgentalen van ’t Ambagt soo als die in de binnelandse kosten Contribueren mitsgaders over alle de landen van de Lisserpoel ende landen die in den jare 1666 in de Verpondinge sijn aangeslagen. De vooren gemelde vijf en dertig stuijvers per Morge, alleen de voorgenoemde Een en twintig stuijvers van de hooftklerken tot Leijden ende twintig Morge van de andere heeren Directeuren in de Lisserpoel welke geopposeert ende niet bewilligt en hadden soo ’t haar gelieft van hun aandeel onder een vrijwillige gifte, ofte andersints geeximeert sijnde. Dus dat de ingelanden ook soo ’t haar gelieft hare vrijwillig beloofde sommen tegens haar heders quote in de voork: vijf en dertig stuijvers per morgen souden Rescontreren, te betalen den gemelden ommeslag gereed op Ued. Consent, ofte bij de gene die sulks ongelegen soude mogen komen ofte liever in Termijnen souden betalen in vijf jaar Termijnen, ’t elkens een op regt vijfde part, dog met bijvoeginge van interest van ’t Agter Stal, tegens vier per Cento ’s jaars, vrij van alle lasten. Dog soo Ued. niet mogte gelieven Consent te verleenen tot den ommeslag van vijf en dertig stuijvers per morge over den landen in de bedijkte Lisserpoel, soo de Supplianten niet alleen, om dat, so als bij der Supplianten eerste request geallegueert is, de nu bestrate Rijweg bevorens die bestraat is altoos opgehart bij ter bij beurten door alle de huijslieden die paarden hielden, soo wel die woonden in de Lisserpoel als daar buiten, blijkende bij Certificatie van Schepenen van Lisse van dato 15 September 1724.
Dese mede Annex op dat de ingelanden van Lisse, buijten de bedijkte Lisserpoel die der Supplianten twee eerste requesten mede getekent hebben onder beding dat den Ommeslag ook soude moeten worden versogt ende gaan over de landen in den bedijkten Lisserpoel buijten reden van verder oppositie, klachten ofte ongenoegen souden kunnen worden gehouden. Nogtans verhopen van Ja. Dat als van UwEd gelieve te dupicieren ende bij provisie te doen gelden een andere Modique Contributie ofte gifte van die van de Lisserpoel tot onderstand van ’t Ambagt in ’t dragen van de onkosten van ’t bestraten van de Rijweg in Lisse soo als UweEd. sullen bevinden Regtmatig te wesen ende te behooren. De gemeld Termijnen ’t Elkens te verschieten bij de bruikers ende voor de helft aan de Eijgenaars te korten. Wijders dat UwEd. gelieven te Ordonneren dat alle den gehuijsdens tot Conservatie van de voors: Straatweg, soo verre hare Erven strekken, daar aan weder Sijden voetpaden ende palen sijnde Elks aan sijne sijde tot op het midden toe, en tegens malkanderen aan, ende daar geen voetpaden ende palen aan weder sijden van den weg en sijn, bij de gene die tegenwoordig geen voetpad ende palen te onderhouden heeft in ’t geheel deselve Straatweg sullen moeten onder het Sand en bij droogte nat houden, ende ten opsigte van die wonen aan de Kruijsweg ende lanen uijtkomende aan den Heereweg, elks Sijn helft voor die weg of lanen, tegens malkanderen aan, ende van die huijsen die door twee of meer huijsgesinnen bewoond worden, elks hun aandeel na Proportie van den huur penningen, bij de Ambagtsbewaarders af te delen. Alsook dat deselve gehuijsdens ende alle andere gehuijsdens aan de heere ende andere wegen in Lisse, dat sij de ordinaris Schouwen tegenwoordig Subject, ofte niet, soo verre hare Erven Strekken een bekwaam voetpad te plaatse, daar tegenwoordig een voetpad is, sullen moeten onderhouden, ende de palen die sij tot behoud van ’t voetpad te Stellen, ende houden, ende tenminste vier voeten hoog boven de grond sullen moeten wesen Uijtgeseijd die palen, die alreede op de weg Staan, wit geverft, ende drie voeten boven de grond sijn, welke sullen kunnen blijven maar verniewt mogtende worden niet lager mogen sijn, als vol uijt vier voeten boven de grond, op alle Ordinaris Schouwdagen aan ’t bovenste ende een half Elle lang, wit te laten verven. Verder dat niemand wie hij sij hem van nu voortaan sal hebben te vervorderen, den heereweg, soo voetpad als rijweg, ook als alle andere gemeene wegen, ende Lanen in Lisse, geene uijtgesondert, ofte ook de bestrate wegen te bewerpen, bestroijen ofte beleggen met Eenige vuijle Materie, ’t sij Drek ofte schoven hoij, stroo, potten scharen, spaanderen, krullen, oude lappen, water, takken Ruijgte, bladeren, glas ofte eenige andere dingen. Daar mede de straat ontsiert ofte ver Ergert soude kunnen worden, ofte ook losse ende ongelijke steen, potten, scharen, glas ofte peuijn voor hare Erven op de bestrate wegen, schoon door anderen daar op geworpen, te laten leggen tot nadeel tot het bestrate. Elk peuijnt op de ordinaris Verbruijk van twaalf stuijvers ten behoeve van de Schout voor de Eerste Reijs ende van vier en twintig stuijvers voor de tweede Reijs ende van tien Guldens ten behoeve van den heere Dijkgrave voor twee derde ende van de Schout Een Derde voor de derde Reijs ende dat niet te min ijder van de ingesetenen ende ingelanden die van de straat ofte wegen ofte lanen belend sijn, gehouden sullen wesen in als voegen en als voren de Straat bekwaam te Sanden ende bij droogte nat te maken, De wegen ende paden van de opgeworpe, ende ver bode Materialen te ontruijmen, de palen te laten Wit Verven ende voet paden te laten Sanden, ende gelijkens, ende gelijken binnen vier en twintig uren na gedane van Waarschouwinge, ofte dat de Ambagtsbewaarders, eerst gehouden sullen sijn, sulks te laten doen, tot kosten van de gebrekige, ende deselve kosten te laten uijtleggen door den Schout, voor die door Den bode van ’t Ambagt bij pondinge te innen na den Dijkregte, ’t Welk doende so.

Transcriptie Resolutieboek 2 Lisse. film 26217 pag.230-231

Vierde Requeste,
Aan de Weledele heeren
Dijkgraven ende hoogheem
raden van Rijnland

Geven met Eerbiedigheijt te kennen, Schout ende Ambagtsbewaarders van Lisse, dat Sij Supplianten op den 20 Februarij 1723 aan UwelEd. met verwilliginge van den WelEdelen heere van Lisse, en ’t meerendeel van de ingelanden, bij requeste hadden Versogt, Consent, om den heereweg in Lisse te mogen bestraten ten laste van alle den Morgentalen van ’t Ambagt, ende tot beter onderhoud van den heereweg buijten de huijsen, ende ook van de voetpaden, tot welke, alsook tot het kerkgebod oculaire inspectie , twee acten van burgemeesteren van Lisse, bestek Van ’t Arbeijtsloon van het leggen vande straat, Certificaten van Schepen van Lisse, ende tweede ende derde Requeste van de Supplianten aan UwelEd., alle dese Sake betreffende de Supplianten haar alhier refereren, dat UwelEd. tot nog toe niet goedgevonden hadde op den inhoude van alle deselve Eijndelijk te Disponeren. Ende nademaal de Leveranciers van de steen, de Arbeijtsluijden, ende gevallen onkosten, Noodwendig moeten werden betaald, soo keerden de Supplianten hen nogmaals aan UwelEd. Ootmoedelijk vesoekende UwelEd. Consent, om gedurende UwelEd. deliberatie over den verdere inhoude van voorz: Requesten, boven de vrijwillige beloofde, ofte nog te beloven giften, tot betalinge van voorsz: Onkosten Van de voorsz: Straat, ende boven ’t gene alreede in vorige geslote Ambagts rekeningen is ingebragt, ende betaalt, te mogen ontfangen, wegens alle de morgentalen van ’t Ambagt, de voorgeroerde vijf en dertig stuijvers per Morge. Des dat de ingelanden soo het haar gelieft, hare Vrijwillig beloofde , ende betaalde sommen, tegens haarlieden quote in de voorsz: vijf en dertig Stuijvers per Morge Souden mogen Rescontreren.
Te betalen den gemelden ommeslag gereed op UwelEd. Consent, of bij de gene die Sulks ongelegen mogte komen, ofte liever in Termijnen souden betalen, in vijf jaar Termijnen, ’t Elkens een opregt vijfde part, dog met bijvoeginge Van interest van ’t Agterstal, tegen vier per Cento ’s jaars. Vrij Van alle Lasten. De gemelde Termijnen ’t Elkens te Verschieten bij de bruijkers ende voor de helft aan de Eijgenaars te korten ’t welk doende so.

Antwoord
Alsoo Schout, ende Ambagtsbewaarders van Lisse, de Weledele heeren hooge heemraden van Rijnland bij requeste hadden vertoond dat Sij Suppliante op den 20 Februarij 1723 aan haar WelEd. Met verwilliginge Van den WelEd. Heer van Lisse, ende het meerendeel van de ingelanden, bij Requeste hadden versogt, Consent om den heereweg in Lisse te mogen bestraten tot laste van alle de morgentalen van ’t Ambagt ende tot beter onderhoud van de heereweg, buijten de huijsen en ook van de voetpaden, tot welke alsook tot het kerkgebod, oculaire inspectie, twee actens van burgemeesteren van Lisse, bestek Van ’t arbeidsloon van ’t leggen van de straat, Certificatie Van Schepenen van Lisse ende de tweede ende derde Requeste van de Supplianten aan haar WelEd. alle dese Saken betreffende de Supplianten haar alhier refererende dat haar WelEd. Tot nog toe niet goedgevonden hadden, op den inhoude Van alle deselve Eijndelijk te Disponeren, dog nademaal de Leveranciers van de steen, den arbeijdsluijden, ende gevallen onkosten Noodwendig moesten werden betaald, soo waren de Supplianten haar nogmaals keerende tot haar WelEd. Ootmoedelijk Versoekende haar WelEd. Consent, om gedurende haar WelEd. deliberatien over de verdere inhouden Van de voorsz: Requesten, boven de vrijwillige beloofde ofte nog te beloven giften, tot betalinge van de voorsz: onkosten van den voorsz: Straat, ende boven het gene alreede in de vorige geslote Ambagts rekeningen was ingebragt, ende betaalt, te mogen omslaan, ende ontfangen wegens alle de morgentalen van ’t Ambagt, vijf en dertig Stuijvers per morgen, des dat ingelanden, soo ’t haar geliefde, hare geloofde vrijwillige, ende betaalde sommen, tegens haarliedens quote in de voorsz: vijf en dertig Stuijvers per morgen, souden mogen Rescontreren, te betalen den gemelden Ommeslag gereed op haar WelEd. Consent, ofte bij die genen die Sulks ongelegen mogte komen, ofte liever in Termijnen souden betalen, in vijf jaar Termijnen, ’t Elkens een opregt vijfde part, dog met bijvoeginge Van interest Van ’t Agterstal, van vier per Cento ’s jaars, Vrij van alle Lasten, de gemelde Termijnen ’t Elkens te verschieten bij de bruijkers, ende voor de helfte aan de Eijgenaars te korten. (Soo is ‘t) Dat welgemelde heeren in ’t Versoek hebben overgemerkt , ’t Selve Consenteren, en toestaan gelijk haarWelEd. Doen bij desen, mits hen Regulerende na de keuren en daar van doende behoorlijke rekeninge, bewijs ende Reliqua op Poene Van te Vervallen, in de Boeten daar jegens gestatueert.
Actum in ’t gemeene Lands huijs van Rijnland binnen Leijden den 21 April 1725.
Onderstond in kennisse Van mij, was getekent,

D.V. Leijden

De pest was ook in Lisse

De pest kwam uit het Oosten. In 1347 bereikte de epidemie de havensteden van Italië en verspreidde zich van daaruit over Europa en bracht ongekende rampspoed met zich mee. In enkele jaren stierf een kwart van de Europese bevolking.  De ziekte bleef in Europa hangen. Met wisselende tussenpozen veroorzaakte ze her en der catastrofes. Zo sloeg de pest toe in Amsterdam in 1602, 1617, 1624, 1635, 1655 en 1664. In lisse waren er 4 overledenen door de pest.

door Arie de Koning

LEZING op 18 september 2018 voor de VOL in de Vergulde Zwaan.

Als er iets is wat stadsbestuurders, de z.g. Magistraten, of Schout en Schepenen van dorpsgemeenschappen in vroeger tijden vreesden was onrust onder de bevolking, want uit die onrust konden de meest vreselijke dingen gebeuren. Een relletje van hongerende inwoners kon  met de schutterij nog wel onderdrukt worden, daarna hing je een paar leiders van de relschoppers met de grootste mond op en de rust keerde meestal dan weer vanzelf terug.

Met epidemieën lag dat iets anders.

 “Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, had alles veel scherper contouren dan nu. Tegen rampen en gebrek was veel minder verzachting dan nu; zij waren meer geducht en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid.”

Johan Huizinga

Met deze woorden vulde de historicus Johan Huizinga in 1919 de eerste alinea’s van zijn boek “Herfsttij der Middeleeuwen”, een studie over levens en gedachtenvormen in de 14e en 15 eeuw in de Nederlanden. Het gaat over goed tegen kwaad, rijkdom tegen armoede, licht tegenover duisternis, leven tegen de dood, God tegen Satan zo als U wilt. Huizinga is een begaafd schrijver.

Hij laat het beeld van de late Middeleeuwen en vroeg moderne tijd  aan ons voorbij gaan en wat mij het meeste schokte is de schaduwkant van het leven en het bestaan in die tijd. Die schaduwzijde komt niet alleen snoeihard binnen bij ons, de 21e Eeuwers, ook de tijdgenoten van toen leefden zelf in het besef van de onbeheersbare krachten die hun aardse bestaan dagelijks bedreigden, zoals oorlogen, brandschatting, moorden, duurte van de meest essentiele bestaansgoederen, hongersnood, overstromingen of besmettelijke ziekten, al dan niet in combinatie met elkaar. Holland was daar geen uitzondering in. Als je de oude bronnen aan het doorlezen bent en je let goed op de kleine lettertjes, val je van de ene in de andere verbazing. Zo vonden we op de aanstellingsakte uit 1558 van de vader en moeder van het Schiedamse Pesthuis een eenvoudig rijmelarijtje van een anoniem persoon die op niet mis te verstane wijze kenbaar maakt hoe de tijdgenoten  hun toekomst in zagen.

“Dier tyden, pestelencie ende oorloch groot , breyngt meenich man in grooten noot”, een ander persoon, ander handschrift, had hier aan toegevoegd; ”Ende hangt ons over ’t hooft “. Wat kan een mens onder zulke leefomstandigheden anders dan wanhopig zijn. Tien jaar later, in 1568, brak bovendien de opstand uit tegen de landvorst, de koning van Spanje, die gedurende 80 jaar veel rampspoed over de Nederlanden zou brengen.

Een anonieme  priester schreef in hele kleine lettertjes in een Leids Kerkboek;  “Ach waar sullen wy blyven, wie sal  den Pest verdrijven”. De priester twijfelde wellicht aan bijstand van boven.

Van alle besmettelijke ziekten die de mensheid teisterde,heeft vooral de Pest op de tijdgenoten en de latere geslachten een onuitwisbare indruk achter gelaten, zo veel zelfs dat onze taal vandaag de dag nog doorspekt is met het woord Pest. Niet één besmettelijke ziekte of andere ramp is op zoveel verschillende manieren in ons taalgebruik aanwezig. De werkwoorden pesten of verpesten, zelfstandige naamwoorden; pestbui, pestkop of zegwijzen; stinken als de pest en mijden als de pest. Vul zelf maar aan.

Waarom heeft uitgerekend de pest zo’n negatieve bijklank gekregen en behouden? Het antwoord op deze vraag denk ik te vinden in de geschiedenis van de ziekte  en de directe maatschappelijke en persoonlijke gevolgen. De achterliggende gedachte is dat de pest zowel het individu als de samenleving  stevig moet hebben beroerd.

Epidemieën kwamen, maakten een hoeveelheid slachtoffers en leken dan weer in te slapen en verdwenen een tijdje uit beeld. De artsen van die tijd, en we spreken nu van  de 14e t/m 17e eeuw, wisten helemaal niets van bacillen, die ontdekkingen zouden pas veel later gedaan worden. De totale onbekendheid met de oorzaken en de aard van de verschillende ziekten van de toenmalige heren doktoren is te lezen in de enorme hoeveelheid literatuur waarin de ene na de andere arts zijn visie geeft op de aard van de verschillende aandoeningen, de ene arts absolute onzin neerschrijvend en de andere bedachtzaam nadenkend waarbij hij soms akelig dicht in de buurt van de oplossing kwam, maar daar zelf geen benul van had.

Het volkomen ontbreken van enig hygiënisch benul zorgde er voor dat Holland op regelmatige tijden werd bezocht door een scala aan ziekten, de een nog besmettelijker dan de andere, Cholera, Pokken, Tering, Lepra, T.B.C., Rotkoorts ook wel Typhus genoemd, Roodvonk, Rode Loop en ten slotte de meest gevreesde  de Haastige Ziekte, ofwel Zwarte Dood, de Pest.

Overig is de benaming Zwarte dood een naam die pas een paar eeuwen later, door een waarschijnlijke vertaalfout is ontstaan. Er werd in de Middeleeuwen helemaal niet gesproken over de Zwarte dood en de artsen uit die tijd noemden het pestis of pestilentia  het volk noemde de ziekte de slaande Hand Gods, of de gave Gods   en hoewel de zieken zwarte puisten kregen werd er niet gesproken of geschreven Zwarte dood. Waarschijnlijk is een wat al te literaire vertaling van het Latijnse pestis atra of atra mors daaraan schuldig. Atra kan zowel met verschrikkelijk als met zwart worden vertaald, dus atra mors werd Zwarte Dood terwijl Verschrikkelijke Dood werd bedoeld. Het blijft lastig dat Latijn.

De ziekte Pest is ongetwijfeld de grootste massamoordenaar ooit. Hij verscheen voor het eerst in West-Europa in 1349, althans dat vermoeden we, dat het de eerste keer was, en duurde tot 1353. Dit eerste bezoek ontvolkte West-Europa bijkans en de schattingen van het aantal slachtoffers beloopt tussen de 75 en 100 miljoen. Het duurde tot het jaar 1600 voor het bevolkingspeil van begin 14e eeuw weer was bereikt, 250 jaar, terwijl de Pest  ondertussen steeds maar weer nieuwe aanvallen deed op de mensheid.

Ook Holland heeft een enorme bevolkingsdaling gehad in de jare 1349-1353, de Ierse historica Maria Kelly berekende dit op basis van de rekeningboeken der Hollandse graven, dat één derde van de Hollandse bevolking stierf. Dit blijkt uit de enorme inkomstendaling  van de graven in 1349 en daarna, die alleen logisch verklaard kan worden door een bevolkingsdaling als gevolg van de pest. Kelly vermelde dit in haar in 2003 uitgegeven boek “The Great Dying” wat handelt over de Pestuitbraken in Dublin in de 14e en 15e eeuw.

Van deze epidemie weten we zeker dat het de Pest was, van vroegere epidemieën staat niet vast of het daadwerkelijk de Pest was. Zoals in de 2e en 3e eeuw in Rome, toen een kwart van de bevolking in Rome omkwam en mede de oorzaak was van het verval van het West Europees Romeinse Rijk. Of neem de Bijbel, het alternatieve geschiedenisboek bij uitstek en tel het aantal pestilentiën die genoemt worden.

De 17e eeuwse vooraanstaande Geneesheer en Heelmeester Paulus Barbette te Amsterdam omschreef de Pest als het ware in dichtvorm:

“De Pest is een onbegrijpelijke ziekte, schijnende te koomen uyt een geestige en besmettelijke damp, die de vastigheyt des bloets schielyck los kan maacken, om het herte van syn kragte en leeven te berooven” (dr. Paulus Barbette 1658)

Dat dokter Barbette geen idee had hoe  de Pest te bestrijden moge duidelijk zijn, al zat hij met zijn geestige en besmettelijke damp wel in de buurt van een mogelijke oorzaak tot een Pest epidemie.

Ook in Lisse moet eeuwenlang tussen de huizen de kwalijke dampen hebben gehangen van menselijke en dierlijke stront, rottend vuil, rotend vlas, slachtafval en de ontbindende karkassen van huisdieren en klein vee en dan hebben we het nog niet eens gehad over de geuren die de gemiddelde chronisch ongewassen inwoner van Lisse rond om zich verspreidde. Afhankelijk van de windrichting zal de geur van vers gebakken brood  ’s morgens vroeg het leed nog enigszins verzacht kunnen hebben.

Hierin zal Lisse niet zo veel hebben afgeweken van andere plaatsen en in de steden als Haarlem en Amsterdam zal de situatie waarschijnlijk nog vele malen erger zijn geweest. Een stad als Leiden, waar de bevolking van Lisse zich veel ophield om daar dingen te kopen die in Lisse niet verkrijgbaar waren, of de jonge gezellen uit Lisse die het Gildenvak leerden van hun meesters, die stad Leiden stak met kop en schouders boven de andere steden uit als het Pest epidemieën betrof en als er geen Pest heerste was er wel een andere dodelijke epidemie aan het woeden in Leiden. Leiden was na Amsterdam de tweede grootste stad in het gewest Holland, waar wij ons vanavond grotendeels mee bezig zullen houden. Bedenk hierbij dat het totale aantal inwoners in 1622 van het hele gewest Holland en West Friesland slechts 672.000 mensen bedroeg en Leiden herbergde er al zo’n 55.000, nog geen 10%. Dank zij brieven uit die tijd die bewaard zijn gebleven, weten we wanneer en waar er wat aan de hand was. Bij voorbeeld vond in de jaren 1669-1670 in Leiden een grote epidemie plaats die tienduizenden slachtoffers eiste. Een tijdgenoot, dr. A. van der Goes, beschreef in een brief aan een collega de ziekte als “coortsen, ontstaan door het brack stinckent  water ende het bier daaruit gebrouwen”. Heel uitdrukkelijk stelde dokter van der Goes  echter dat dit geen Pest was. Men was dus in staat de Pest te onderscheiden van andere ziekten, maar in een te laat stadium.

De pest in Lisse

U begrijpt het al, het thema van vanavond is de ziekte die bij ons weten de meeste slachtoffers heeft gemaakt in de geschiedenis van de mens: “De Pest” en met name de vraag of de Pest ook slachtoffers in Lisse heeft gemaakt. Deze vraag kan ik bevestigend beantwoorden. Er sijn in totaal vier slachtoffers gevonden in de archieven van Lisse . De eerste betrof een akte waarin ene Dirck Thonis Vranckenssoon alias van der Burgh, geboren te  Lisse, ziek te bedde leggende van de Pest, bezweek in augustus 1603. Het slachtoffer woonde nog maar kort in Lisse en was afkomstig van Heemstede. Met zijn vrouw Maritge Lenaertsdr van Tetrode en drie kinderen streek hij neer in Lisse in 1597 niet wetende wat zijn lot zou zijn.

Voor dat hij bezweek had hij honderd gulden vermaakt aan de Heilige Geest Armen van Lisse en zijn vrouw loste nu  deze schuld in. Door een uitstekende boekhouding van de Heilige Geestmeesters is dat dus weer terug gevonden en hebben wij een antwoord op onze vraag. Er zijn nog duizenden stukken Lisser archief door te nemen, misschien krijgen we dan nog beter zicht op de gevolgen van de Pest in Lisse.

Het is voor ons onderzoekers zeker van belang te weten dat de Pest ook heerste in Oud-Lisse. Dat verklaard de vaak merkwaardige overlijdens waarbij een groot gedeelte van een gezin ineens van het toneel verdwijnt.

Aangezien er over de Pest, in het Gemeente Archief van Lisse zelf hierover maar mondjesmaat iets te vinden is ben ik gaan buurten in het Leids Archief dat vrij benaderbaar is via Internet. De keuze op Leiden  ligt voor de hand omdat die stad percentsgewijs gezien het zwaarst heeft geleden onder  de mokerslagen van de Ziekte die maar liefst 34 keer de stad heeft bezocht waarbij gezegd dat Haarlem “slechts 17” keer werd getroffen. Een kind dat geboren werd in Leiden tussen 1615 en 1668 en ouder werd dan twaalf jaar had tenminste één keer in zijn leven direct of indirect met de Pest te maken gehad. Niet alleen de stad zelf maar ook de dorpen in de Leidse Regio  moeten getroffen zijn door de ziekte. Elk dorp in Holland lag minder dan 25 kilometer van één of meerdere steden en had meestal goede verbindingen via marktschepen, trekvaarten etc. Neem alleen de dagelijkse postkoetsen uit Leiden en uit Haarlem die in Lisse op het Vierkant rond Noen  hun wisselpunt hadden en niet te vergeten de diverse karrendiensten vanuit  en naar Leiden.

Leiden was een stad met een enorm probleem. Het was een soort pakhuis van mensen geworden, door de enorme toeloop van bijvoorbeeld 1577, van Vlamingen die hun land ontvluchtten door de verschrikkingen van de oorlog en neerstreken in Leiden. Zij zorgden met nieuwe technieken, de zogenaamde, Saai-weeftechniek, voor een bloeiende lakenindustrie. Maar er kwam nauwelijks uitbreiding van de stad met meer wooneenheden. Alle plekjes in Leiden waren bezet door arme dakloze inwoners en bij een epidemie crepeerden en stierven zij het eerste, voor een ieder zichtbaar geveld door de Pest lag zo’n slachtoffer voor je deur waardoor de doodsangsten van de overige inwoners voor totale chaos zorgde. Het stedelijke Pesthuis was overvol met stervende mensen. De Pest zorgde voor angst, ontreddering, radeloosheid en onzekerheid en daarbij komt het  verdriet over omgekomen familieleden of geliefden. In 1636 tijdens een grote Pest uitbraak, waren de inwoners van Leiden zo bedrukt dat zij elkaar vaarwel wensten ’s avonds voor het slapen gaan. Vele geschiedschrijvers menen dat er geen sprake was van enige paniek  en angst onder de bevolking omdat die niet anders gewend waren. Ik waag dat te betwijfelen, onze voorouders  hadden ook hun emoties.

Een scherpzinnig waarnemer in Leiden merkte in 1642 op: “So wy onse stadt niet en vergrooten, so hebbe wy weder een nieuwe Peste te vreesen, dat de stadt seer van volck sal ontblootten, doordien dat de luyden so nau op malckanderen woonen”. In 1574 had Leiden 12.500 inwoners in 1640 65.000 terwijl de omvang van de stad nauwelijks groter was geworden.

De Leidse kerken mochten zich verheugen in extreem hoog bezoek van de gelovigen en de Pest -Heilige, St. Rochus, werd vierentwintig uur per dag aangeroepen. Het Vaticaan vond deze verering te ver gaan en gelaste dat men voortaan uitsluitend via voorspraak van de Heilige Maagd kon vragen gespaard te blijven. Dit massale kerkbezoek was natuurlijk koren op de molen van de Pest. Hoe meer mensen bijeen des te groter is de kans op een besmetting.

Heel bijzonder was dan ook de vondst  van de Leidse  stadsarcheologen  op de Garenmarkt  in juli 2017.Een bruinrood terracotta heiligenbeeldje, heel zeldzaam in deze gebieden. Hoewel het beeldje geen hoofd meer had was het duidelijk herkenbaar aan de attributen die het beeldje meedroeg, dit was Sint Rochus de Pestheilige. Op het parkeerterrein van de Garenmarkt hoek Raamsteeg, was in vroeger jaren textielfabriek Lepoole gevestigd, maar dieper gravend vonden de archeologen  de resten van huizen en hun beerputten uit de 15e en 16e eeuw  en in één van die beerputten werd het beeldje gevonden. Onze afdeling kleien, kliederen en plakken heeft nog pogingen gedaan de goede Heilige te restaureren, want een Heilige zonder hoofd is eigenlijk geen gezicht !!!

Volgens de archeologen die de beerputten doorzochten stonken ze nu nog steeds als 600 jaar geleden.

Bedenk dat Hollanders bekend stonden als een proper volkje. In verschillende reisbeschrijvingen  uit vroeger eeuwen door buitenlandse reizigers, werd er op gewezen, hoe zindelijk we wel waren. Wat wij niet weten is, hoe de bezoekers die dit indertijd noteerden in de reisverslagen, het thuis gewend waren.

Deze schrijvende buitenlandse reizigers waren over het algemeen niet onbemiddeld, dus de vraag rijst of zij in Holland wel in de armere buurten, de volkswijken,volksherbergen en logementen zijn geweest. Misschien gingen zij teveel op de buitenkant van de huizen af. Zij zagen de meiden stoepen schrobben en ramen zemen, maar zou het binnen wel hygiënisch aan onze maatstaven hebben voldaan? We lezen in een van de reisverslagen  een beschrijving dat de kookplaats, en een regenton en ook het privaat gelegen waren in een Pothuis van drie meter lengte, één meter breedte  en vijftig tot negentig centimeter hoogte.

Het is al veel vaker geconstateerd;  Nederlanders zijn schoner op hun huis  dan op hun lijf.

Het moet niet moeilijk zijn voor een eenentwintigste eeuwer zoals wij een onthutsend beeld te schetsen van de ontzettende vervuiling langs straaten, in de waterlopen en in de huizen. Er is alle reden om niet aan te nemen, na het lezen van de literatuur hierover, dat het in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw op het gebied van hygiëne beter  zou zijn geworden. Bedenk dat de zogenaamde Gouden Eeuw op hetzelfde moment ook bezig was.

Na het vertrek van de Romeinen uit West-Europa was het gedaan met riolering en WC. De Romeinen vonden dat essentiele voorzieningen voor het bestaan. Hier, in Barbarenland keerde men terug naar de traditionele manier; buiten op straat en het duurde tot in de late Middeleeuwen voor deze bezigheden veranderden.

Zelfs eerzame burgers deden hun behoefte op straat of thuis op de po. De inhoud daarvan werd  zonder erbarmen naar buiten gegooid. Het was zaak ’s ochtends vroeg niet te dicht langs de huizen te lopen want dan werden de po’s geleegd. Uiteindelijk belandde alles op straat vanwaar het de grachten sloten en beken inliep. De Leidse wol – blekerijen bijvoorbeeld leden erg door het vieze water. In Delft werd de situatie ronduit  precair omdat de bierbrouwerijen aangewezen waren op het water uit de gracht. Rond 1465 kwamen er in vele steden bepalingen dat ieder huis een beerput diende te hebben. Deze putten werden een aantal malen per jaar geleegd. In Leiden ordonneerde het stadsbestuur  dat ieder huis, ja zelfs iedere verhuurde kamer een  stille of pishuis moest hebben.  De inhoud daarvan mocht in geen enkel water worden geloosd. Wat men er dan mee moest doen was niet duidelijk met als gevolg dat de smalle niet verharde straatjes van Leiden veranderden in vieze modderpoelen. Dieren deden daarin hun behoefte en mensen ook, slachtafval  werd er neergegooid en pishuizen loosden erop. In Leiden zijn ’trippen’ opgegraven, schoenen met houten zolen, waaronder houten klossen zaten van 10-15 cm hoog. Hiermee probeerde je door de viezigheid te waden zonder je schoenen of broek te bevuilen.

Het Leidse stadsbestuur vond het maar niets dat zij op 10-08-1557 op bevel van de Spaanse bevelhebber, Holland maakte nog deel uit van het Spaanse Rijk, vijftig Franse krijgsgevangenen moest opnemen die gevangen waren genomen bij de slag bij St. Quintin die de Spanjaarden glorieus gewonnen had. De wapenbroeders hadden dan wel geen Pest maar wel “troemelesoen”, een dysenterie ziekte  en bovendien voorzichtigheid was geboden. Er werden er eerst maar zestien toegelaten, de minst erg zieke en drie weken later kreeg de rest toegang tot de stad. Ondanks deze voorzichtigheid van het stadsbestuur kreeg Leiden nog vele Pestuitbraken te verduren. In totaal kreeg de stad 34 keer een grote officieel erkende Pestuitbraak te verduren en in totaal in het gewest Holland  is tussen 1450 en 1668 107 keer Pest geconstateerd. Hierbij zijn niet de ziekten die wel leken op Pestsymtomen maar niet officieel als zodanig geregistreerd staan gerekend. Gezien de frequentie van bezoek aan Leiden door inwoners van Lisse, zowel beroepsmatig, als zuiver particulier, heeft het zeker wel geleid tot besmetting van inwoners van Lisse. Hoeveel Lisser slachtoffers er zijn geweest hopen we ooit nog een keer boven te krijgen. Dit staat hoog op ons verlanglijstje.

Wat is Pest eigenlijk.

Alexandre Yersin ontdekker van de Pestbacil in 1894

Hoewel nog niet alle problemen rond Pest zijn opgelost kunnen we zeggen dat onze kennis over de ziekte in al zijn aspecten snel is toegenomen.

Het begon in 1894 toen de Franse onderzoeker Alexandre Yersin de Pestbacil ontdekte. Zijn naam werd gelijk aan het organisme gehecht: “Yersina pestis”. Deze bacil veroorzaakt een uiterst besmettelijk infectieziekte waarvan twee hoofdvormen te onderscheiden zijn. De Longpest en de Builenpest.

Verder zijn er legio varianten. Longpest is bijzonder besmettelijk en overdraagbaar van mens tot mens via besmette druppeltjes speeksel die vrij komen uit de longen bij spreken, kuchen en niezen.

De druppeltjes worden gelanceerd over een afstand van twee meter in geval van spreken en drie à vier meter bij kuchen en niezen. Bij een koud en vochtig klimaat blijft de bacil gedurende lange tijd uiterst besmettelijk. De incubatietijd van Longpest is heel kort, één tot drie dagen. De zieke krijgt het zwaar te verduren. Hoewel de temperatuur maar iets stijgt bereikt de polsslag met gemak 120 slagen. Er treden ademhalingsproblemen op en samentrekkingen met pijn in de zij gepaard met neurologische moeilijkheden welk grote angsten veroorzaakt waarna de zieke in coma raakt. Binnen twee à drie dagen is de patient overleden. Longpest is in nagenoeg 100% van de gevallen fataal.

De tweede vorm van Pest, de Builenpest, daarvan is de incubatietijd  één tot zes dagen. Het gaat allemaal heel erg snel.

De rattenvlo

Besmet raakt men door een vlooienbeet op een van de benen. Op de plaats van de beet vormt zich een puistje, dat snel uitgroeit tot een zwarte zweer, een karbonkel genaamd. Op de tweede of derde dag ontstaat een vergroting van de Lymfklieren meestal in de lies. Deze worden hard, groot en zeer pijnlijk en neigen tot etteren. Deze gezwollen klieren worden bubonen genoemd. Na acht tot tien dagen is het mogelijk  dat de pest verdwijnt, ongeveer 20 tot 40% heeft kans te overleven. Als dit niet gebeurt treedt er een stadium op van acute bloedvergiftiging waarbij de temperatuur stijgt  naar 42º en dan zal spoedig de dood intreden. Er bestaan aanwijzingen dat de Pestepidemieën meestal Bubonisch van aard waren in de zestiende en zeventiende eeuw. Builenpest dus. Van de jaren daarvoor is geen literatuur aanwezig.

Waar komen deze dodelijke bacillen vandaan en waarom worden ze actief   is moeilijk te verklaren.

 

 

de bruine rat

Men veronderstelt dat ze uit de grond komen waar ze door uitwerpselen van vlooien terecht zouden zijn gekomen. Op een gegeven moment worden ze door de aanwezigheid van knaagdieren met hun vlooien weer actief. Dit uit zich meestal door een massale sterfte onder de zwarte ratten. Een belangrijke kwestie om de snelle verspreiding van de ziekte te kunnen begrijpen is het probleem van de overdracht van de bacil van het ene naar het andere organisme.

De Pestbacil parasiteert op knaagdieren  die als infectiehaard voor andere dieren en mensen kunnen optreden. Daarvoor is wel een drager nodig. De overdracht van de besmetting komt tot stand door de vlo. De zwarte rat en de rattevlo (Xenopsylla Cheopis) hebben wat dit betreft een kwalijke reputatie, een soort van Bonnie and Clyde, maar ook luizen en mensenvlooien (Pulex Irritans) gaan hier niet vrijuit. De bewuste rattevlo heeft een temperatuur nodig van 15 tot 20º en een luchtvochtigheid van 90 tot 95%, zoals van kleding op een lichaam. Zij legt haar eitjes in stof en kieren van vloeren, deze komen direct uit bij regenval . Een geval in Leiden spreekt hierbij boekdelen. Een dame uit Leiden liet haar alvorens zij weer ging wonen in haar Leidse woning, het gehele huis door een groot aantal schoonmaaksters schoonmaken met water nadat eerst alles goed was gebezemd. Wat er bijeen geveegd was werd buiten op een hoop geveegd waarna de kippen er in zochten naar voedsel. Drie dagen later waren 9 kippen gestorven en nog eens een aantal dagen later was de hele bevolking van het kippenhok 18 stuks, overleden.

De klassieke  theorie over de wijze van besmetting is de volgende:

De rattevlo die zich voed met het bloed van haar gastheer, de zwarte rat, wordt besmet  door pestbacillen. De opgenomen bacillen  blokkeren een ventielachtig orgaan naar de maag van de vlo. (de Proventriculus)

De vlo is dan geblokkeerd. Het bloed dat door deze blokkade de maag van de vlo niet kan bereiken, wordt teruggepompt  naar de rat die zo besmet wordt en dood gaat. De vlo ondertussen die nog steeds geblokkeerd is, is nu ondertussen uitgehongerd en heeft geen voorkeur meer en zal ieder  dier of mens die binnen haar bereik komt  aanvallen en besmetten in haar poging tot eten.

Zo, nu weten we wat de veroorzaker is , nu gaan we bekijken wat de pest heeft aangericht.

En denk nou niet, ach die zien we nooit weer, de Pest blijkt nog springlevend te zijn heden ten dage.

Zo zijn er in India van 1898 tot 1948 12.600.000 sterfgevallen door Pest geweest.

In 1983 wereldwijd  715 sterfgevallen

Tijdens de Vietnam oorlog  zijn 2756 Pestgevallen geconstateerd waarvan 163 doden zijn gevallen.

Anno nu:  Pest op grote schaal met honderden slachtoffers in Madagaskar.

Dankbaar gebruik makend van de archieven  vinden we dat er in 1635 een grote Pestuitbraak was in Leiden die zijn weerga niet heeft gehad. Leiden zat, zoals reeds gezegt mudvol met mensen toen de ziekte arriveerde. Ook dorpen als Oegstgeest en Zoeterwoude worden getroffen en enige honderden mensen sterven daar aan de ziekte  Op een totaal aantal inwoners van 64.000 mensen waren één op de acht inwoners van Leiden binnen drie maanden dood. Achtduizend mensen, de epidemie van 1635 heeft 11.000 slachtoffers gekost. De epidemie van 1655 heeft aan 15.000 mensen het leven gekost.  In augustus 1655 werden in plaats van 123 doden het jaar ervoor,  maar liefst 2638 mensen begraven en in september zelfs 3256. De grafmakers, aansprekers  en uitvaart personeel werkten continue. Leiden had al  zeer vele Pestepidemieën over zich heen gekregen maar wennen kon het niet. De angst voor besmetting en het hartverscheurende verdriet over de doden hield  Leiden in zijn greep. Mensen pleegden zelfmoord door in de gracht te springen waar zij verdronken. In 1624 tijdens een Pestuitbraak sprongen op het kerkhof grote groepen jongelingen  gek van angst, in de open graven en beletten de grafmakers en hun knechten hun arbeid te verrichtten.

In Leiden was er een gebod om in voorkomende gevallen van Pest in huis op de voordeur een P te schilderen als waarschuwing, men mocht ook een bos stro aan de deurklink hangen.

In 1569 verbood het stadsbestuur de Leidse strohandelaren  bossen stro op te hangen als reclame in verband met de angsten die dit opriep bij de bevolking.

De weinige mensen die de Pest overleefd hadden  moesten een witte stok dragen  zodat een ieder kon zien dat jij besmet bent geweest. Ieder kon dan zelf bepalen of hij of zij het veilig genoeg achtte  met je om te gaan. Ik denk dat een witte stok drager  nergens bij een marktkraam hoefde te wachten en in de kerk zullen de stoelen om hem/haar heen opvallend leeg gebleven zijn.

Vaak werd men van de armen begraven

In  dit soort hectiek kwam het voor dat mensen levend begraven werd. In Delft is een voorval opgetekend waarbij één van de uitvaartverzorgers  meende iets te horen in een kist en terwijl hij gehaast de kist probeerde open te krijgen sloeg met een grote klap het voorschot van de kist in splinters, weggetrapt door de bewoner van die kist  die eerst luid en duidelijk een enorme hap lucht inhaleerde en vervolgens de Pesthuis vader en moeder begon te vervloeken en dat ze beter moesten kijken of je echt dood was. Het  Stadsbestuur ordonneerde daarna dat een lijk pas na drie dagen begraven mocht worden. De timmerlieden werkten keihard om aan de vraag naar kisten te kunnen voldoen en er werd zelfs al hier en daar tweede hands doodskisten verhandeld.

In de kerk van Delft stonk het zo verschrikkelijk naar de dood, veroorzaakt door de begravenen in de kerk dat de Predikant aan de koster opdracht gaf om bij de apotheker wierrook en jeneverbes te halen om te verbranden in de kerk tegen de stank. De nota van de apotheker hiervoor is keurig opgetekend in het kasboek van de Kerk vandaar dat wij dit nu ook weten.

Was een uitvaart in normale dagen meestal een zuipvaart, daar was nu geen tijd meer voor.

Nou was een begrafenis in die dagen  ook niet van risico ontbloot. Men was gewoon hierbij lange zwarte mantels te dragen die veelal gehuurd werden bij de kleermaker. Men stond niet stil bij het feit dat de mantels ook door besmette mensen gedragen zouden kunnen zijn en de rattevlo voelde zich uitstekend thuis in zo’n mantel. Tijdens het hoogtepunt van de epidemie ordonneerde het Gemeente Bestuur van Leiden dat vrouwen niet meer aanwezig mochten zijn bij een begrafenis, dit zou te maken hebben met het feit dat dezen vaak nog uren na bleven praten (Labbekakken) en er mocht niet meer gegeten en gedronken worden op de kerkhoven. Dit alles om besmetting tegen te gaan en uiteraard dronkemansschap.

Het Leidse Gemeentearchief  bevat een opgave van legaten etc waar een aardige anekdote uit te halen is.

Drukte in een Stedelijk Pesthuis

Aan het begin van een epidemie  waarschuwden de notarissen de mensen dat zij niet het risico wilden lopen om bij iemand die besmet was, testament op te maken, ook niet meer door een open raam, doe het dan voor dat je laatste uur geslagen heeft. Dat aan deze oproep gehoor is gegeven is duidelijk als je in de Notariele Archieven bladert  en daarna de stichtingsdata bekijkt van de vele Hofjes in Leiden, neem bijvoorbeeld het Persijnshofje: testament opgemaakt in 1655, een pestjaar, en hofje gebouwd in 1666, of het Pieter Loridanshofje, 1655 testament gemaakt, een Pestjaar, in 1656 gebouwd. Deze rijke personen dachten zich hiermee een plekje in de hemel te kunnen kopen.

Was Lepra de ziekte waarmee God het individu strafte  werd de Pest gezien als goddelijke straf voor de zondigheid van een hele gemeenschap. Het moet een onbegrijpelijke wrede straf zijn geweest.

In Amsterdam  moest men soms op één dag meer dan hondert doden begraven  tijdens de grote epidemie van 1664-1665 toen de Pest in Amsterdam vijfentwintig duizend doden maakte. Vijftien procent van de bevolking  van de stad was kansloos tegen de ziekte die overigens niet in alle lagen van de bevolking even hard toesloeg maar manifesteerde zich het meest in de dichtbevolkte en vervuilde wijken waar de armen woonden. Verscheidene straten waren geheel uitgestorven. Er hing een niet definieerde geur in de lucht.

Ook gevonden in diezelfde Leidse Archieven een Armen gebed  uit het duurte en schaarstejaar 1530 en opgetekend door een anoniem persoon.

“Och lieve Heere, en gaat ons niet voorbij mit U gave der heete siecte. Want wij liever sterven dan langer leeven”

In de jaren dat er geen Pest heerste hield men de situatie scherp in het oog dat men geen voortekenen van een naderende epidemie zag. De Pest beheerste eigenlijk ieders leven en wie kans zag te ontvluchten aan de ziekte nam de wijk en verliet de stad, zoals de rijken die voor dat doel buitenhuizen had laten bouwen op het platteland. Met name het gedrag van vogels werd scherp in de gaten gehouden en zo kwam het dat in Amsterdam een merkwaardige vogel werd waargenomen, die men vandaag de dag in Lisse ook nog wel eens tegenkomt,  die iedere avond  landde op het kruis van de Westerkerk, daar de nacht doorbracht en de andere morgen weer uitvloog. Het gaf een boel onrust, zo’n rare vogel en voorspellers en predikers zeiden dat dit een goddelijke voorbode was van een naderende Pestepidemie. De onrust werd zo groot dat de overheid besloot het dier van de toren af te schieten en zo loste dat probleem zich geruisloos op.  Het bleek om een vale gier te gaan die je met recht een dwaalgast mocht noemen. De vogel had zijn laatste bocht wel erg ruim ingezet en zo in Mokum verzeilt geraakt. Ook vinden we in de literatuur meldingen van vreemde hemellichamen. Zo werd er in 1566 opgetekend dat er aan de oostelijke hemel een komeet verscheen met een staart van zo’n achttien Duitsche mijlen, ongeveer 27 kilometer, een forse dus, en ook op 29 april 1664 om acht uur ’s avonds  verscheen er een vurige kloot of gloeiende kogel aan de hemel en scheurden de bomen, een jaar later was de Pest dominant aanwezig in Holland en maakte tienduizenden slachtoffers. Niet verwonderlijk dat mensen heilig geloofden in deze voortekenen en allerlei kwakzalvers  probeerden zalfjes of poedertjes met kalkschraapsel van de Kerk aan de man te brengen als medicijn. In Leiden meldde zich in 1635 ene doctor van Dam uit Utrecht die een elixer, het zogenaamde Pestwater aanbood als medicijn tegen de Pest. In een niet gedateerd document geeft deze dr. Van Dam een instructie hoe en wanneer zijn pestwater moest worden gebruikt. De stadsautoriteiten gaven vervolgens een commissie van professoren en doktoren de opdracht het middel op bruikbaarheid te onderzoeken. Op 5 oktober 1635 bracht de commissie een vernietigend rapport uit. Van Dam had zijn middel aangeprezen als een middel dat zowel preventief als curatief zou helpen maar de commissie stelde in nette bewoordingen vast dat een dergelijke bewering lariekoek was en stelde ook vast dat het water van nul en generlei waarde was omdat, naar hun mening het niet anders was dan gedistilleerd water van wijnruijt ofte diergelycke kruijden getrokken.

Doctor van Dam aanvaarde diezelfde dag nog de terugreis naar Utrecht.

Bovenstaande is hét bewijs dat de Magistraten van getroffen plaatsen zeker niet in paniek raakten zoals nog wel eens gedacht werd.

Opvallend is het gemis van het woord Pest of de Ziekte in de notulen van de vergaderingen van Burgemeesteren en Regeerders van de stad Leiden. Alle andere zaken gingen gewoon door maar over de Pest werd niet genotuleerd, ze waren met heel andere zaken bezig. Het moet hen toch ongetwijfeld zijn opgevallen dat de sterfte onder de Leidenaren fors was toegenomen. Pas op 5 november 1635, als de sterfgevallen al weer aan het afnemen zijn, lezen we in de notulen dat op last van de Schout, Burgemeesteren en Schepenen pektonnen zullen worden gebrand in de straten ivm de Pest. Dit diende om de lucht zuiver te maken, dit op advies van de stads artsen. Dezelfde artsen doende naar het zoeken voor een remedie! Er werd een aanbeveling gedaan om de boetepredicatiën  en – gebeden bij te wonen in de Kerken om God te vragen de Pest weg te nemen, maar ook God bleek zich bezig te houden met andere zaken.

Ook werd bevolen de spullen en huizen van overledenen  (van 11.000 doden) de eerste vier weken niet te gaan bewonen en spullen te verkopen. Eigenlijk waren deze maatregelen mosterd na de maaltijd. Was het gebrek aan daadkracht,was het paniek? Ik zelf denk dat de Leidse Vroedschap dacht: ”als je geschoren wordt moet je stil zitten”. Er losten zich zo een groot aantal, financieel onaantrekkelijke, problemen voor de stad  op. Van deze tactiek hadden de Leidse bestuurders zich al eerder bediend namelijk in het Pestjaar 1603. Men was ook toen zeer terughoudend met het doen uitgaan van Ordonnanties bang als men was de handel te verstoren en met name van de Laken weverij die een enorme inkomstenbron was voor de stad. Pas op 4 september 1603, toen de epidemie al weer bijna voorbij was, werd er in Leiden vanaf het stadhuis voorgelezen  de ordonnanties  ende gebod nopende de Hete Ziekte  of de Pest. We vonden deze complete ordonnanties in boekvorm in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en het zijn eigenlijk lachwekkende orders als de aanleiding niet zo triest zou zijn geweest:

Stads Secretaris Jan van Hout van Leiden beveelt op 4 september 1603:

“Omme voor zo veel mogelicken is, ordre ende geregeltheyt te stellen dat de heete sieckte  der pesten, daer mede de Heer almachtich eenige huiyzen alhier heeft begaeft, ende versogt ten weynichsten mach voortspruyte , ende de besmettinge van ander personen verhindert hebben die van die Geregte   deser Stadt Leyden  geboden ende geordonneert. gebieden ende ordonneren mitsdesen  tgene hier naar volcht.”

1).Het begint met de doodskisten, die mogen alleen zo licht mogelijk zijn en gemaakt van vurenhout,  de hoogte mag niet meer zijn dan 15 gemeene duymen, zo’n  38 cm van buiten gemeten. Bij niet nakomen van deze bevelen staat een geldboete van  zes gulden.

2). De overledenen mogen op werkdagen pas na twee uur ’s middags en op zondag na drie uur worden begraven. De begrafenis zelf mag niet langer duren dan een half uur. Het luiden van klokken is alleen toegestaan voor de kleine klokken. Hierop stond een boete van twaalf gulden.

3).Het versieren van kisten van jonge mensen kwam ook weer voor in deze ordonnantie. Alleen een gitzwart doodskleed was toegestaan onder een boete van 24 guldens. De adel en regenten waren hiervan vrijgesteld  en mochten wel de kist versieren met bv het familiewapen of iets dergelijk.

Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de burgerij. Blijkbaar kwam het voor dat boze burgers deze versiering er van af trokken want er stonden zware straffen in het verschiet  voor de gene die dat zou doen.

4). Vrouwspersonen waren uitgesloten om bij een begrafenis aanwezig te zijn. Het kostte 25 guldens bij overtreding.

5).Begrafenisstoet moest de aller kortste weg naar ’t kerkhof nemen wat weleens meebracht dat dwars over een markt men een begrafenisstoet zag schuifelen.

6). Dan de diepte van de graven. Dit kwam eigenlijk bij iedere ordonnatie voor, dus dat betekende dat de grafmakers onnauwkeurig werkten, en zich nog niet gebeterd hadden. In Leiden werd tot drie kisten hoog begraven en de bovenste kist moest minstens met 18 duimen = 45 cm  grond bedekt worden en vast worden ingestampt.

7). Bedelaars werd harder aangepakt na een periode van gedogen in een poging ze de stad uit te krijgen.

8). Men mocht volstrekt geen pest zieken verplaatsen van de ene naar de andere buurt. Men kon de zieke naar het pesthuis brengen buiten de stad.

9). Huizen van overledenen moesten zes weken gesloten blijven

10). Deze laatste is een merkwaardige. Een verbod om drukinkt te koken of branden ten behoeve van  drukken. Dit scheen een verschrikkelijk stank te veroorzaken die op de lijst stond van verdachten voor de oorzaak van de Pest. Om de drukkers en printers niet brodeloos te maken werd toestemming gegeven om dit branden of koken te doen “opten tee van ‘t punct van ‘t bollewerc aan den blaeuwen toorn, mitsgaders inden Zuijdtoost houck van deser brede chingele om de vryheit in de waart, maar niet elders”.            In de andere grotere steden in de Republiek hadden de Burgemeesteren en Regeerders dezelfde problemen. Rondom Nijmegen werd een omvangrijk leger in stelling gebracht in juni 1635 om de vesting Schenkenschans  te heroveren op de Spanjaarden. Een maand later in juli 1635 brak de pest uit onder de soldaten. Van Nijmegen, uit die periode zijn geen sterftecijfers  voorhanden. De historicus Welters heeft echter van de Nijmeegse Sint Stevenskerk  het klokluigeld in kaart gebracht als zijnde de grootste kerk van Nijmegen en al is dit niet indicatief voor de omvang van de sterfte  geeft het aantal begrafenissen per maand  waarschijnlijk een aardig beeld in het sterftepatroon. De vraag is wat deed het stadsbestuur gedurende de sterfteperiode?

Op 16 augustus 1635 vinden we voor het eerst een bericht over de Pest in Nijmegen. Het aantal zieken onder de Franse soldaten is zo groot dat alle gasthuizen overvol zijn en dat vele zieken langs de straten en voor deuren liggen en “miserabelick sterven causerende zoodanige stanck ende besmettingh datt veele burgeren  ende ingesetenen  voorde voet sieck worden ende mede commen ’t overlijden.”

Op 9 september 1635 waren de sterfgevallen het dubbele als in augustus 1635 en de Regenten verbieden de Kermis.

Op 16 september 1635 wordt er in Leiden een besluit genomen over de grote aantallen weeskinderen. Men probeert zoveel mogelijk weeskinderen onder te brengen bij overlevenden en de rest wordt in het Heilige Geest  of Arme Wees en Kinderhuis van Leiden opgenomen. Dit tehuis aan de Hooglandse Kerkgracht  was in 1583 ontstaan uit het Onze Lieve Vrouwe Gastgasthuis.

Op 22-04-1636 wordt een klacht behandeld over Hendrik van Langeraet, doodgraver te Nijmegen. Hij zou zich niet aan de voorgeschreven grafdiepte houden. Dit speelde eigenlijk bij alle andere steden ook, overal maakte men de graven niet diep genoeg. Hieruit kunnen we opmaken dat ook in Nijmegen, waar de Pest twee jaar heerste, een groot aantal mensen overleed maar de authoriteiten van Nijmegen maakten zich evenals hun collega’s in Leiden er  klaarblijkelijk niet druk over.

Over Amsterdam kunnen we heel kort zijn. Men was daar met hele andere dingen bezig. Handel en alle andere belangrijke zaken passeerden de revue men was alleen maar bezig met het bouwen aan een Gouden Eeuw, maar geen woord over de Pest tot  3 oktober 1663 waarin de Magistraten bekend maken dat speciale doktoren, chirurgijns, vroedvrouwen en apothekers de mensen bijstand konden bieden zonder kosten. Deze specialisten konden op kosten van de stad patiënten enigszins bijstaan maar liepen daarbij een heel groot risico besmet te worden.

Zij ontvingen daarom een dubbel salaris als risicopremie. Doktoren droegen een zogenaamd Snavelmasker waarin een hoeveelheid geurige kruiden zat om de lucht te zuiveren. Ook de functie van Pestmeester in het Pesthuis was levensgevaarlijk. Deze actie van Amsterdam was puur zakelijk. Er werd een probleem geconstateerd waarvan de oplossing direct werd neergelegd bij de curatieve gezondheidszorg. Om vanaf het begin meteen de juiste mensen in te brengen dacht men de economische schade voor de stad te beperken dan gewoon af te wachten.

Het ware zware tijden om in te leven. De dood was altijd al dichtbij maar nu was hij tastbaar. De angst voor de dood maakte sommige mensen  roekeloos, of noem het fatalistisch, het was toch immers Gods wil of je wel of niet besmet raakte. Ik noem dit roekeloos maar we kunnen het eigenlijk net zo goed onwetend noemen. Er zijn tal van voorbeelden van mensen die voorzichtig  waren. De notarissen meldde ik u al, maar ook  Predicanten  weigerden Pest-patiënten te bezoeken, zo ook Adolphus Venator, predicant in Alkmaar. Dominees’ naam was eigenlijk Adolph de Jager maar de Latijnse vorm vond hij toch wat chiquer.   In 1599 weigert hij zieken te bezoeken en hij verdedigt zich fijntjes door er op te wijzen dat vorig jaar in Nijmegen drie Predicanten, waaronder zijn eigen broer aan de Pest ten offer waren gevallen.

Ook in Haarlem, in 1636, durfde niemand een vrouw, met een zoontje, in barensnood te helpen. De toevallig langskomende burgemeester Willem van Teylingen durft wel naar binnen te gaan en gelast de Stadsvroedvrouw te helpen. Die antwoordde waarschijnlijk dat hij de pest kon krijgen. De andere dag  zijn de kraamvrouw, het zoontje en het pas geboren kindje overleden en de vader overleed niet lang daarna.

Maar gelukkig waren er ook legio gevallen van onbaatzuchtigheid en naastenliefde. Zo zijn er brieven uit Rotterdam en Gouda dat ouders hun kinderen uit het Pesthuis opeisten om ze thuis, omringt door liefde te laten sterven en een man die zijn vrouw  weer naar huis brengt om daar op een menselijke manier afscheid van elkaar te kunnen nemen. Dit zijn de mensen achter de cijfers en die blijken ook  gevoelens te hebben, niets menselijks is ze vreemd.

Dan waren er de gevallen van onverschilligheid of onwilligheid. Bijvoorbeeld de levende traditie om de doodskist van jong  gestorvenen met bloemen te versieren, die door de overheid was verboden in verband met besmettingsgevaar.

Overigens was dit een dingetje want de Kerk was dit versieren een doorn in ’t oog, dit was namelijk een overblijfsel  uit de  heidense tijd en ook vanaf de kansel werd dit verboden.

Vaak werd binnen een week de nalatenschap van een overledene geveild, incluis beddengoed en kleding  die vaak dezelfde dag nog werd gedragen. Dit was onverantwoord.

Tijdens een Pestepidemie vond er een grote verstoring in de handel en sociale gebeurtenissen plaats. Zo verboden de Leidse regenten in 1635 de Leidse Jaarmarkt, in augustus 1563 kwam er een verbod op Engels bier, dat verdacht was, herbergiers werd verboden reizigers op te nemen uit besmet gebied,  schepen uit Engeland moesten veertien dagen voor anker blijven in de haven . Al dit soort verboden hielpen een klein beetje mee ter bestrijding van de pest al hadden de tijdgenoten zelf daar geen benul van.

De overheid had klaarblijkelijk advies ingewonnen bij mensen die nadachten en weldra werden in de hele Republiek der Nederlanden  maatregelen van kracht om de Pest min of meer te isoleren.

Quarantaine bleek een zeer effectief middel om de Pest buiten te houden, mensen werden er op gewezen geen risico’s te lopen en dit bleek toch te werken want vanaf het jaar 1668 was de Pest bacil in de republiek geheel uitgewoed. In de rest van Europa, met name in Duitsland en Italië bleef de ziekte nog miljoenen mensen opeisen, daarom werd hier scherp in de gaten gehouden waar iets of iemand vandaan kwam voor dat de persoon of zijn handelsgoederen toegang tot het land kregen.

Niet alleen in Holland werd de bestrijding van de Ziekte ter hand genomen, vaak was men in andere landen hier al langer mee bezig, van lokaal naar regionaal en tenslotte naar nationaal. Een stadsstaat als Venetië waar vrije handel urgent was beschikte in 1385 al over een aantal sanitaire voorschriften waaronder een isoleringgebod dat veertig dagen bedroeg. Wie zien hier gelijk de oorsprong van het woord  Quarantaine(= veertig). Toch weer wat opgestoken vanavond.

Ook in en uitvoermaatregelen werden er genomen zodat geen besmette ladingen konden worden gelost in de havens en er was een uitgebreid netwerk ontstaan van informanten die waarschuwden als er pest werd geconstateert. Er is bewijs dat deze maatregelen Venetië heeft geholpen in haar strijd tegen de Pest. In Engeland werd op bevel van Koning Karel II alle beerputten in Londen geopend in een poging door de enorme stank die dit gaf de Pest te verdrijven, dit zal waarschijnlijk niet hebben geholpen.

In Holland waren ze nog niet zover en regelmatig werd een stad en regio getroffen door de Haastige of Heete Ziekte, zoals de Pest werd genoemd. Als we nu zouden moeten oordelen kunnen we stellen dat een stadsbestuur eigenlijk geen beleid kon maken,  simpelweg door te weinig kennis over de ziekten die regelmatig de steden teisterden. De artsen hadden niet de kennis om de Pest in een vroeg stadium te herkennen, dus waren altijd een stap te laat.

Ongeacht of men dacht dat de pest een door God gezonden plaag was of dat men geloofde dat het van de verrotting en vuiligheid kwam, men was het er over eens dat het besmettelijk was (als de pest), maar hoelang zo’n periode zou duren wist men toen ook niet van te voren. Dus de Overheid  hield zich min of meer gedeist tijdens een epidemie. Er  verschenen ordonnantien  met maatregelen van de overheid die er voor moesten zorgen dat de inwoners anders gaan handelen dan voorheen, tijdelijk dan wel permanent. En dan gaat het om handelingen die vaak voorkomen.

Als men op die manier naar de ordonnanties kijkt dan kan men alleen maar tot de conclusie komen dat het in alle steden een grote smeerboel was, erger dan het smerigste varkenskot.

Bloed, darmen, dode honden en kippen, vuiligheid, het werd allemaal op straat gegooid of in het water. Slachten gebeurde op straat en de bepaling dat een graf diep genoeg moest zijn geeft ook te denken. Goederen werden verkocht zonder ze schoon te maken en tijdens de preek gaat het begraven van overledenen gewoon door, op het kerkhof en ook  in de kerk zelf. Als we bedenken dat de dorpen op het platteland een afspiegeling waren, zeker in gedrag, van de grote steden was het in Lisse, zoals gezegd ook een smerige boel.

In de tegenwoordige tijd heeft de overheid voor elke infectieziekte een beleid. Afhankelijk van welke ziekte varieert het beleid van alleen maar diagnostiek, zoals bij voorbeeld  bij aarsmaden tot een pakket van uitvoerige draaiboeken wanneer bijvoorbeeld het pokkenvirus weer opduikt.

Infectieziekten zijn ingedeeld in verschillende groepen (A, B1, B2, en C) op basis van meldingsplicht van de arts aan de GGD. Zodra een arts zelfs maar vermoed dat iemand een infectieziekte heeft behorend bij  groep A moet hij dat onverwijld melden. Zo is de pest ondergebracht in groep B1. Dat houd in dat de arts dit binnen vierentwintig uur moet melden, dus iets soepeler dan bij groep A waaronder Pokken, Polio en SARS  vallen.

In de zeventiende eeuw was het voor de overheid een stuk lastiger om beleid te maken tegen besmettelijke ziekten. Men was onbekend met bacteriën en artsen hadden niet de kennis en het inzicht om de pest in een vroeg stadium te herkennen. De vraag is welke maatregelen nam een stadsbestuur om de pest in te dammen en op wat voor moment nam men die maatregelen. Deze maatregelen kunnen worden onderverdeeld in curatieve en preventieve maatregelen. Zo had het stadsbestuur van Leiden rattenvangers in dienst omdat het vermoeden bestond dat deze iets te maken zouden hebben met de ziekte.

De oorzaken van de pest die men dacht te kennen waren de toorn van God  en vuile dampen en verrotting. Hoe de toorn van God kon worden getemperd was een lastig vraagstuk en het bestrijden van vuile dampen en verrotting was een stuk concreter aan te pakken te weten een vorm van hygiëne en isolatie van zowel de zieken als de besmette huizen. In die gedachtegang kon een overledene ook een bron van besmetting zijn dus werden er regels opgesteld voor het begraven. Ook dacht men dat via de handel besmetting kon worden verspreid en nam men maatregelen om verspreiding via deze route te voorkomen. Tot slot waren er maatregelen waarbij de relatie tot vuile dampen en verrotting  niet zo makkelijk kan worden gelegd dan wel dat die relatie helemaal ontbreekt of een ander doel diende.

Voor begraven gold dat de uitvaartstoet de kortste weg moest nemen naar het kerkhof en de kist moest onderhands worden gedragen in plaats van op de schouder en het graf moest diep genoeg zijn. In Haarlem gold dat de kist van binnen moest worden ingesmeerd met pek en in Leiden kon men pas na twee uur ’s middags worden begraven.

Tijdens pestperiodes moest men honden doodslaan, zij konden besmetting doorgeven. Waarom dit niet voor katten en konijnen gold is niet duidelijk.

Een heel opmerkelijke maatregel was dat zieken en hun verzorgers zes weken lang niet naar de preek mochten komen. Als men werkelijk pest had dan was men immers binnen twee tot tien dagen overleden en zoals gezegd vrouwen mochten in Leiden niet meer mee naar de begrafenis.

Veel van dit soort ordonnanties bleken achteraf een politiek doel te dienen.

Tijdens de pestepidemie in Leiden in 1655 zijn er veertien ordonnanties uitgegaan waar van er drie over hygiëne gaan en slechts één over de handel, die werd blijkbaar te kostbaar geacht om beperkingen te ordonneren. Beddenstro mocht niet meer op straat gelucht worden maar moest worden verbrand. Belangrijk was dat de inwoners hun gewoonten veranderden en een heel klein beetje hygienisch besef meekregen. Op het begraven van overledenen stiekem ‘nachts op het kerkhof of elders stonden strenge straffen. Zomaar een greep uit de vele ordonnanties die we hebben gevonden in de oude archieven. Of het veel geholpen heeft is de grootste vraag.

Dat er ook politieke en geestelijke aspecten werden verordonneert lezen we ook in die oude archieven. “De Keure ende Ordonnantie thegens de stouticheyt der pausgezinden  ende derselven excessen” uit Haarlem zit daar ook tussen. Niemand mocht pausgezinde geestelijken onderdak bieden, geen pausgezinde vergaderingen gehouden worden en nog vijf van die merkwaardige onzinnige ordonnantien tussen de pest verordeningen. Er stonden buitenissige boeten op tot verbanning toe.

Hoe men dat handhaafde is niet duidelijk. Zo stond er ook dat iemand die besmet is en wil gaan wandelen een witte stok moet dragen. Nou iemand die de pest heeft is doorgaans zo ziek dat hij niet veel zin zal hebben gehad in een wandeling.

Na 1668 is de Pest in slaap gevallen in de Republiek der Verenigde Nederlanden, of al die maatregelen iets hebben bijgedragen tot het verdwijnen van de ziekte zal voor altijd een vraag blijven.

Vlas en Lisse: een mooi koppel

De verwerking van vlas tot linnen wordt beschreven. De teelt van vlas, het repelen, het vervoer, de verkoop in Lisse, het kapellen, het drogen in vlasovens, het braken en het spinnen wordt beschreven.

Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het oogsten van vlas

Altijd behoort men voor het zaaijen eenen helderen zachten dag uittekiezen………..
Zo begint de eerste instructie voor het juist telen van vlas welke bestemd is voor de linnenindustrie.
In Lisse, maar ook in Rijnsburg en Sassenheim werd op grootschalige manier de verwerking van vlas tot vlaslint of garen beoefend. Nou hield Lisse zich niet echt bezig met het telen van vlas, daarvoor was de grond in het Ambacht Lisse eenvoudig niet goed genoeg. Vlas had zware klei met zavel of ietwat leemachtige grond nodig om succesvol te kunnen groeien en dat was in Lisse niet aanwezig. Het weinige vlas wat hier geteeld werd was eigenlijk te ”mager”, daarom kwam ieder jaar van de Zuid-Hollandse eilanden en de Zeeuwse eilanden een konvooi van schepen dat het vlas in Lisse bracht. Dit stevige vlas met rechte lange stengels zou in Lisse een behandeling ondergaan waar een groot gedeelte van de bevolking zijn brood mee verdiende en met hen nog duizenden anderen in de regio.
Dat vlas telen nog een hele kunst was leert ons het instructieboekje. Allereerst was het belangrijk om het juiste zaad te gebruiken, zaad van minimaal twee jaar oud. Men had de keuze uit Zeeuws Zakzaad of uit Memels Tonnenzaad, dit zaad gaf een stevige lange stengel. Dan de hoeveelheid zaad welke werd ingezaaid. “Ses Dortsche agchelen per morgen, niet meer ende niet minder”. “Het dient met twee paarden te worden ingeslecht, en daarop zoo spoedig mogelijk het land digt gerold”. “Zoodra het vlas een handsbreedte uit den grond is, trekt een dikwijls zeer talrijke en vrolijke hoop wieders en wiedsters naar het land, om het onkruid uit te trekken, hetgeen, opdat de tedere vlasplant niet gekneusd zoude worden, barrevoets of enkel op den kousen geschiedt en teevens altijd teegen den wind in, waardoor het neergedrukte plantje gemakkelijker herrijst”. Als de stengen geel, de zaadknoppen bruin en rijp geworden zijn, begint men met de stengen te plukken. Op de grond uit gespreid, blijft het 8 dagen liggen en wordt daarna in bosjes gebonden en naar een naburig afgemaaid weiland gebracht waar men op een groot kleed de zaadbollen er af haalt. Dit doet men met een ijzeren kam of een klopper ook wel boothamer genoemd. Dit werk noemt men het repelen van het vlas. Van dit vergaarde zaad wordt onder andere lijnzaadolie geproduceerd voor de verfindustrie en koeienkoeken. Dan worden de lege stengen weer gebonden en gaan ze op transport naar Lisse onder de benaming rauwvlas.

Voor dat de met rauwvlas gevulde transportschepen binnen konden lopen in de haven van Lisse was er al een enorme bedrijvigheid hier aan vooraf gegaan. De route van de schepen van de Eilanden liep via de Bernisse, een brede vaarweg die de eilanden Voorne en Putten van elkaar scheidde. Daar waar de stad Geervliet lag was sedert 1179 een grafelijkheidstol opgericht. De inwoners van Lisse hadden van ouds vrijheid van passage van de Tollen van Holland, maar dat moest wel ieder jaar worden bevestigd en recognitie worden betaald. Deze bedroeg 5 Ponden vrij geld. De Schout van Lisse had de belangrijke taak dit zogenaamde “Verding van den Tholle” jaarlijks in orde te maken zoals in de Resolutieboeken van Lisse inderdaad jaarlijks beschreven staat. Hij diende hiervoor zich te begeven naar Dordrecht, die principaal over de tollen van Geervliet was. In Lisse werd de haven geheel schoon gemaakt en een ieder die er opslag had en er nering beoefende werd dringend verzocht op te krassen. Het rauwvlas was in aantocht. Als de vloot was afgemeerd in Lisse begon het werk. Vanuit het schip werden partijen rauwvlas verkocht aan de meest biedende. Zo werden alle schepen leeg gekocht waarna de nieuwe eigenaren zich op maakten voor de volgende behandeling. Het rauwvlas moest geroot worden en werd hiertoe naar de Klopperslanden via het Klopperslaantje vervoerd om daar in de sloten en beken deze behandeling te krijgen. Als het even kon koos de vlasboer voor het roten sloten uit waar elzenhout boven groeide, dit was bedoeld om het water te “breken” zoals staat aangegeven. In het gezuiverde water van de sloot werden de bossen rauwvlas onder een laag van stro en graszoden onder water gehouden. Hoe lang het rauwvlas onder water moest blijven werd bepaald door de vlasboer die daar zijn eigen proefmethode voor had. Meestal was 6 tot 12 dagen voldoende. Daarna werd het in “kapellen” op het land gezet om te drogen. De stank die hier van af kwam verjaagde zelfs de waterratten en de Lisser koeien stonden met de kont in de wind, dus voor de omliggende buitenplaatsen was het geen pretje. Het drogen noemde men ”in den sprei liggen” en als het voldoende in de sprei gelegen had, bond men het weer op en bracht het naar huis. Hier werd het boven vuur nog meer gedroogd in de vlasovens, waarna het wordt gebraakt, gebroken dus. Dit dient om het houtachtige omhulsel van de vlasvezel af te halen en door het te zwingelen wordt dit nog verder geperfectioneerd. Hierna wordt het gehekeld, de laatste sessie, waarin de vezels worden gescheiden van het stro. Dit alles gebeurde in de zgn. hekelkotten, schuurtjes welke nog wel eens brand veroorzaakten door slordigheid met vuur en tabak roken.

Tijdens de 17e eeuw was het spinnewiel in Lisse nog een normaal meubelstuk

Tijdens de 17e eeuw was het spinnewiel in Lisse nog een normaal meubelstuk. In de vroege jaren 1620 woonde er zelfs een spinnewielmaker in Lisse, Heycke Heykesz met zijn vrouw Griete Thomasdr. en hun dochter. Deze spinnewielen produceerden het eindproduct van het rauwvlas: grove garens en het fijnere lintgaren. Hoe langer de vezel des te fijner het garen. Deze garens werden in strengen of stukken van 2000 omhalen verkocht aan de linnenindustrie in Leiden. Halverwege de 18e eeuw stortte de linnenindustrie in en hiermee verdween een zeer belangrijk stuk aan werkgelegenheid in Lisse. Werk wat al sinds mensenheugenis bij Lisse hoorde en eigenlijk niet weg te denken was, maar toch verdween. Het heeft vele jaren gekost voor dat Lisse deze klap te boven is gekomen en in die jaren hebben veel vlaswerkers Lisse verlaten op zoek naar ander werk. Deze industrietak heeft zich nooit meer hersteld. Het laatste vlas was in Lisse gelost.

Oud Nieuws: Klootschieten en tollen

In 1747 worden divers verboden tijdens het klootschieten en tollen ingevoerd, zoals het schieten tegen bomen of palen.

door Dirk Flooorijp

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

Schout ende Burgemeesteren van Lisse, voorgekomen sijnde verscheijden klagten van jong gesellen met het schieten van de kloot en met het tollen, en daar op gevolgde ongelukken. Verbiedende hiermede aan allen. Ende een ijgelijk met de kloot te schieten, veel minder de kloot te mogen goijen tegens eenige dorps boomen, of palen so als men segd op den aftick alsmede met taas of swieptollen te mogen tollen ende ook wel expresselijk het Soogenaamde werrepen met de tol. Ende dat tusschen s in den dorpe van Lisse van de lisserbrugge tot Adam Vreburg graftweg broekweg ende veenderweg, op verbeurte telkens van ses stuijversd de ene helfte ten behoeve van den Schout van Lisse ende de andere helfte ten behoeve van de H Geest armen van Lisse, sullende de ouders voor haarlieden kinderen ende de voogden voor hare wesen, moeten  instaan, ende den boete betalen, onvermindert het regt van den balliuw. Aldus gedaan gekeurt ende verboden bij den Schout ende alle de Burgemeesteren in ’t regthuijs van Lisse op den 11 maart 1749 en op den 12 daar aanvolgende na voorgaande klokkegeslag ter poeje van het regthuijs van Lisse voor den volke afgelesen en geasfireert.

bron: Gemeentearchief Lisse inv.nr. 16

 

 

STORM TIJDENS DE KERMIS IN 1716

In een notariële akte, getekend op 24 oktober 1716 door Notaris/Schout Jacob van Dorp,  wordt melding van de kermis gemaakt.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

20 september 2016

door Nico Groen    

 De kermis komt er weer aan. Het is een gebeurtenis, waar veel Lissers naar uit kijken en waar vele vrijwilligers aan mee werken. Wanneer zal in Lisse de eerste kermis gehouden zijn? In ieder geval was er 300 jaar geleden al kermis in Lisse. Dat weten we, met dank aan Arie de Koning,  omdat er toen in een notariële akte, getekend op 24 oktober 1716 door Notaris/Schout Jacob van Dorp, melding van de kermis wordt gemaakt. Op de dinsdag van de Lissese kermis op 6 oktober 1716 was er een kleine ramp gebeurd.

Op 6 oktober sprak Cornelis van der Meer met Pieter van der Bent, marktschipper van Lisse op Rotterdam op de werf van Van der Bent. Het was tussen 7 en 8 uur en de twee mannen hadden zorgelijk over het weer gesproken en “sy beyde geoordeeld hadde ende geseyd, dit is voor Jacob Vranckenzn een leggert”. Zij doelden hierbij op Jacob Kats, stiefzoon van Cornelis van der Meer en marktschipper van Lisse op Amsterdam. Zij wisten beiden dat Jacob zich in Amsterdam bevond en vandaag weer zou terug varen naar Lisse. Hij zou hiervoor over het IJ moeten varen om bij Spaarndam het Spaarne op te kunnen zeilen.
Beide mannen bestempelden dit als gekkenwerk en namen aan dat Jacob zou blijven “leggen” aan de kade, in Amsterdam wel te verstaan. Het schip was grotendeels beladen met tarwe dat voor de Lissese bakkers, Aagje Broers en Pieter van der Bijl was bestemd.
Aagje Broers, weduwe van Jacob Cranenburgh had 5 Last besteld. Een Last was een scheepsmaat van ongeveer 1926 kilo. Dus Aagje zou 9630 kilo tarwe moeten krijgen. Bakker van der Bijl had 1½ Last besteld, dus ongeveer 2890 kilo tarwe. Over de andere goederen welke waren geladen, werd niet gerept.

Jacob Kats was een zeer ervaren schipper die al diverse jaren met zijn IJkerschip de vaste route Lisse-Amsterdam visa versa bevoer. Een IJkerschip was een soort turfschip met witte horizontale ijkstrepen aan de zijkanten, waaruit de diepgang en dus de grootte van de lading kon worden afgelezen. Dit was belangrijk bij het passeren van sluizen en bruggen ivm tol.
Het was geen super groot schip volgens de koopovereenkomst: “lang over den steeven 48 voet en 9 voet 3 duijm hol, na advenant hierbij verkogt een mast met de wigt, een staag met twee zijdtaakels alles tot mijn volle genoegen ontvangen”.  Het schip is dus ongeveer 16,5 meters lang en 3,40 meter breed. Een veel voorkomend binnenwaterschip in die dagen.
Kats was niet voor een kleintje vervaard, maar overspeelde nu zijn hand door, ondanks het stormachtige weer, het kolkende IJ op te varen richting Lisse. Was het de kermis die hem deed besluiten toch af te varen?
Hij kwam niet ver op het razende water van het IJ dat door de stormwind over zijn dolboorden sloeg en net voor de Saardammer Ton (Saardam =Zaandam), zonk zijn schip.
Jacob werd direct opgepikt door een schuit die vlak naast hem voer en hield alleen een nat pak over.

Maar daar was het nog niet mee afgelopen. De Lissese bakkers stelden Jacob Kats aansprakelijk voor hun verlies. Hij accepteerde dat. Het schip zou door de Scheepsassuradeur getaxeerd worden en een uitkering zou volgen.
En de tarwe welke zich in het wrak bevond? Daarin zat hem nou nèt de winst. Er werd overeengekomen dat Dirck Uyt den Hemel de tarwe uit de IJker zou lossen, drogen en verkopen. De opbrengst zal worden verdeeld in de verhouding 10/13 en 3/13 aan de beide bakkers.

Een voorbeeld van een ijkschaal op een ijkschip. De grootte van de lading kon worden afgelezen. Foto: www.debinnenvaart.nl

Resolutieboeken van Lisse

In het archief van de gemeente Lisse zijn 8 resolutieboeken aanwezig. Ze beslaan de periode 1681 tot 1793. Arie de Koning heeft nu alle resolutieboeken getranscribeerd. Er zijn 8 ingebonden boeken ter inzage. Er is ook een digitale versie, waar gericht gezocht kan worden op bepaalde onderwerpen.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 3, juli 2016

In het archief van de gemeente Lisse zijn 8 resolutieboeken aanwezig. Ze beslaan de periode van 1681 tot 1793 en geven de officiële verslaglegging van besluiten genomen door schout en burgemeesteren weer. Heel interessant materiaal om wat meer te weten te komen over die periode uit de Lisser geschiedenis. Maar, oh, zo moeilijk leesbaar. De schrijfwijze van letters wijkt bijvoorbeeld al erg af van wat we tegenwoordig gewend zijn. En dan hebben we het nog niet eens over ander taalgebruik of veranderde grammatica! Arie de Koning heeft nu zijn project om de resolutieboeken te transcriberen voltooid. In de Vergulde Zwaan zijn 8 mooi ingebonden exemplaren ter inzage en is het ook mogelijk om gericht op een onderwerp te zoeken in de digitale versie.

Een voorbeeld

Vergadering gehouden bij Willem Jacobus Sennepart, Schout, Reijnier van Leeuwen ende Maarten van der Jagt, Burgemeesteren van Lisse, absenten, Goverd van Parijs ende Barend Stellingwerf, meede Burgemeesteren, op Donderdag 12 December 1765, in’t Regthuijs, des na de Middags ten 2 Uuren. Alwaar ook tegenwoordig waaren, den Schout en twee Regenten van Noordwijkerhout, ende den Schout en twee Regenten van Hillegom. Omme te obedieeren aan de Resolutie van haar Edele Moogende Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland en Westvriesland, in dato 8 December deeses jaars, is met algemeen genoegen geresolveerd, dat het schavot, met al het geene daar toe behoort, berustende te Noord-wijkerhout, door de twee genoemde Burgemeesteren van Lisse, Reijnier van Leeuwen en Maarten van der Jagt, zoude worden geinspecteert, en al het geene daar aan, door denselve in een goede order bevonden, wierd naar Lisse zoude worden getransporteert, en bij Taxatie van die van Noord-wijkerhout, zoude worden overgenomen en moeten worden Geëmployeert aan het Schavot, dat de kosten van die van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout, ingevolge de gemelde Resolutie ten spoedigsten moet worden gemaakt, en door die van Lisse moet worden bewaart en onder-houden. Ende is ook met Algemeen genoegen de bezorging en beheersing van ’t Schavot aan Schout en Burgemeesteren van Lisse overgelaten, en heeft den Schout en Secretaris van Lisse aangenoomen die van Voorhout (volgens het versoek van den Secretaris aldaar)van dit selve de kennis te geeven. In kennisse van mij Secretaris,
W.J. Sennepart

Maar let op: het is nog steeds de destijds gebruikelijke tekst. Omzetten naar huidig taalgebruik blijft nog steeds een uitdaging. Dat maakt het bovenstaande voorbeeld wel duidelijk.

Wat hier aan de hand is in december 1765? Het gaat om de koop van het Bailliuwschap-schavot van Noordwijkerhout. Lisse wilde deze al heel lang hebben want voor de middenstand is het Schavot een goudmijn. Als er iemand op het Schavot bestraft werd kwam de hele regio kijken (leedvermaak) en daarna werd er behoorlijk gepeerd ! (ingenomen) in de cafés. 30 December 1765 ’s avonds des 5 Uuren wordt er weer vergaderd. Dan krijgt de arme Jacob van der Jagt, schoolmeester, koster, kachelaanmaker en manusje van alles, op zijn ziel omdat hij op bevel van de Stedehouder de dorpsklok had geluid tijdens een strafvoltrekking op het Schavot, terwijl de Stedehouder daar helemaal geen bevoegdheid voor had, alleen Schout en Burgemeesteren waren daartoe bevoegd!

Een voorbeeld uit het originele resolutieboek van de datum Dingsdag den 8e Julij 1777 des avonds ten 7 Uuren.

Een prachtig handschriften ook nog goed leesbaar. Arie heeft ook de nodige minder goed leesbare teksten overgezet. In dit geval gaat het weer over die arme schoolmeester. Hij klaagt dat er valse concurrentie is omdat d’ weduwe van Pieter Anthonisse van der Heller, Cornelia Gerritse van der Bijl, zig niet en ontsiet, verschijdene aankoomende jonge lieden te leeren spellen en leesen.
Zo krijgen we, dankzij Arie de Koning, aan aardig inkijkje in het leven van ruim 200 jaar geleden. De resolutieboeken zijn klaar, maar Arie is nog met meer projecten bezig. Daar horen we mettertijd wel van.

Belasting bij huwelijk en begrafenis.

De impost was een belasting bij huwelijk en begrafenis. De hoogte van de impost geeft een indruk van de economische betekenis van de betrokkenen.

Arie de Koning

Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Bijna iedereen die zijn afkomst wil laten onderzoeken hoopt stilletjes dat hij of zij afkomstig is van een rijke en invloedrijke familie. Meestal valt dat een beetje tegen. Er zijn dan ook veel vragen over geld en goederen welke onze voorouders in hun bezit zouden hebben gehad. Welnu, de vaststelling van stand en standing in economische begrippen van een bepaalde familie gebeurde bij het huwelijk en bij overlijden en is gemakkelijk af te lezen aan het bedrag van de Impost welke betaald moest worden bij datzelfde huwelijk of begrafenis.

Impost classificatie

Die Impost was een belasting, een soort leges en bestond uit vijf klassen. Klasse 1, de hoogste, was 30 gulden, klasse 2 was 15 gulden, klasse 3 was 6 gulden, in klasse 4 betaalde men 3 gulden en de laagste klasse 5 was gratis ofwel pro deo. Dit was op 15 november 1695 door de Staten van Holland en WestFriesland bij wet vastgesteld.

Pro Deo

De meeste inwoners van Lisse werden pro deo begraven en als men bedenkt dat een jaarinkomen van een ongeschoolde arbeider 220 gulden was, is dit niet zo vreemd. Het was het bestaansminimum in de jaren 1650-1700.
Daarbij komt dat men het ‘s zomers moest verdienen in de zonne-uren want ’s winters waren de dagen korter dus werd men minder betaald. Dit ging in op Sint Maartensdag de elfde van de elfde en duurde tot Sint Pietersdag, tweeëntwintig februari. Na 1700 stegen de lonen een heel klein beetje en verdiende men ’s zomers ca. 1 gulden per dag en ’s winters een kleine halve gulden. Kleine zelfstandigen zoals schoenmakers, kleermakers of spinnewielmakers leefden bij de gunst en gunning van de overige inwoners en kon men vaak straatarm noemen. Men nam er vaak baantjes bij waarvoor moest worden betaald, verkopers en uitslijters van sterke drank, zeep en zout of men pachtte een stukje land. Vaak was het afwachten of de investering werd terug verdiend en men leest regelmatig dat kleine neringdoenden failliet werden verklaard.

Conclusie

Ga er dus niet voetstoots van uit bij onderzoek, dat uw familie welvarend was, dan kan het nog altijd meevallen. U bent van harte welkom bij de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” iedere dinsdag van 10 tot 12 uur op Havendwarsstraat 4, dan kunnen we samen uw familieverleden bekijken.

Resolutieboek getranscribeerd

Arie de Koning heeft de resolutieboeken van 1681 tot 1993 getranscribeerd.

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Arie de Koning is bezig met een enorme klus: het transcriberen van de resolutieboeken (1681 t/m 1793). Resoluties zijn besluiten van het dorpsbestuur (in het Lisse van toen: 1 Schout, 4 Burgemeesteren en 8 Schepenen aangevuld met 2 kroosheemraden), vergelijkbaar met de huidige gemeenteverordeningen en raadsbesluiten. Hieronder volgt een voorbeeld:

Getranscribeerd ziet dit er als volgt uit:

Uitleg bij de transcriptie

De handschriften uit deze boeken zijn vaak slecht te lezen. Arie zet ze min of meer letterlijk om, met behoud van de oude spelling en ook de punten en komma’s. Daardoor is het een stuk leesbaarder geworden, hoewel er nogal wat woorden gebruikt zijn die we in ons huidige spraakgebruik niet meer terugvinden. Met de transcriptie van een boek is Arie zeker 2 maanden bezig. Twee getranscribeerde resolutieboeken zijn nu ter inzage bij de VOL. Deze transcripties worden ingebonden in stevige boeken. Het wordt een serie van 7 delen. Wil men iets opzoeken dan is bij Oud Lisse een digitale versie ter beschikking. Graag een gerichte vraag over iets indienen. De transcriptie is gebaseerd op filmmateriaal dat Dirk Floorijp in een eerder stadium van de boeken heeft gemaakt. Deze klus zou dit jaar geklaard kunnen zijn. En wat dan? Dan gaat Arie gewoon verder met andere boeken uit het Lisser archief! De boeken zijn eventueel te bestellen.