Berichten

Boerenhofstede Middelburg of Morschveen vanaf 1579

De geschiedenis van boerderij Middelburg wordt gegeven wat eigenaren en pachters betreft vanaf 1579 tot heden.

2014

Door Arie de Koning

Eindredactie Nico Groen

 

Op 11 december 1572 begon het jarenlange beleg van de stad Haarlem.

Lisse had door het beleg van Haarlem door de Spanjaarden enorme schade opgelopen op alle gebieden. Gezag ontbrak volkomen en de bevolking leed verschrikkelijk onder de totale anarchie. Ook de landerijen, die zo florissant ieder jaar hun oogsten opbrachten, waren grotendeels verwoest. De pachters waren, zover zij het hadden overleefd, niet in staat de pachtsommen te voldoen aan de meestal stadse eigenaren. Zij werden zonder mededogen failliet verklaard. Ook kleinere boeren die het hadden aangedurfd om grond te kopen werden na de ”troebelingen”, zoals deze ellendige tijd bekend is geworden, failliet verklaard. Wat een persoonlijk leed dit aanrichtte laat zich raden. Dit bood voor anderen, die deze destructieve periode goed hadden doorstaan, de mogelijkheden om te investeren. De één zijn dood was de ander zijn brood.

Maerten Ruychaver

Zo was er Maerten Ruychaver, poorter van Haarlem, een welgesteld en vermogend man. Hij was handelaar in buskruit. Hij was diverse malen burgemeester van Haarlem en Hoogheemraad van Rijnland geweest. Hij had goed garen gesponnen tijdens de gevechten rond Haarlem en Leiden. Zijn handel in buskruit was wat wij nu zouden zeggen booming business. Hij was geboren in 1546 als zoon van WilIem Jacobsz Ruychaver, brouwer en schepen van Haarlem, en van Guerte Pouwelsdr van Outschoten. Op 28 oktober 1570 was hij in Hillegom getrouwd met Alyt van der Laen, dochter van Nicolaes van der Laen, de bekende burgemeester van Haarlem. Maerten was eigenaar was van de hofstede Veenenburgh gelegen tussen Hillegom en Lisse. Op eerste kerstdag in 1626 overleed Maerten Ruychaver op zijn hofstede Oostende bij Hillegom.

Maerten begon failliete boedels op te kopen in Lisse. Op l juni 1579 kocht hij 5 morgen land tussen Veenenburgh en het land van Lysbet Jacobsdr van Nyenrode, het huidige bloemtententoonstelling terrein en de wildernissen. Dit land was in eigendom van Willem Jorysz. Deze had in 1563 het land gekocht. Hij was door de gevechten in “desolate toestand” gekomen en hij was failliet verklaard. In 1577 werd het land beschreven als “een hoeksken land en erfjen waar weleer ener huysken op gestaan heeft, leggende In de Banne van Hillegom”. Het faillissement van Willem Jorisz werd zondag 16 februari 1577 in de Kerk van Lisse afgeroepen na het zingen der psalmen en de preek. Kopieën waren te verkrijgen op het stadhuis van Leiden en op de woning van de schout van Lisse. Op 3 maart 1577 werd het land “gearresteerd” en door de schout en schepenen “gesteld in handen van de Koninklijke Majesteit”. Want Philips II was officieel nog steeds graaf van Holland. Hij was dus de wettige landsheer. Op de daarop volgende publieke verkoop werd Maerten Ruychaver eigenaar van het perceel voor 331 gulden. Waar Willem Jorysz was gebleven, vermeldt de geschiedenis niet.

De volgende aankoop van Maerten was weer uit een failliete boedel. Deze was van Cornelis Jans Florysz, alias Ruygeneeltje, getrouwd met Claesje Pouwelsdr, wonende aan de “Heerwech in ’t dorp Lisse”. Ruygeneeltje bezat onder andere land aan de Quadewech in de Lisserbroek en land in de Morschveen, groot 19 morgen. Ruygeneeltje had zich al diep in de schulden moeten steken en kon niet meer voldoen aan de aflossingen en werd in 1579 failliet verklaard. Deze schulden werden later door Maerten Ruychaver afbetaald. Cornelis Jan Florysz, alias Ruygeneeltje overleed in juni 1584.

De volgende failliete boedel, die Maerten opkoopt, was een perceel van 9 en 1/2 morgen land uit de desolate boedel” van Cornelis Ysbrantsz Rootgen op 13 juli 1584. Dit lag ook in de Morschveen en vormde één geheel met de vorige aankopen.

En als laatste, om de landhonger van Maerten te stillen, was er nog een “…zekere 1 hont lants ofte daaromtrent, bij der hoop, zonder mate met de voet gestoten”. Een klein stukje dat eigendom was van de Duinmeier Jan Gerytsz Hits. Ook dit stukje grensde aan Maertens vorige aankopen en aan het Nijenrode Duin, het huidige bloemtententoonstelling terrein. Op 29 mei 1582 kocht Maerten het voor “de somma van 35 guldenen, d’een helft gereed geld ende dandere helft over een jaar na datum”.

Dit toonde de diepe ellende waarin de boerenstand van Lisse zich na de “troebelingen” bevond. Het dorp zelf was zwaar beschadigd, de kerk beschoten door Spaans en Hollands geschut en deels afgebrand en vele inwoners hadden hun leven of have en goed verloren.

Middelburg

Ruychaver had een boerderij op zijn pas verworven bezit gebouwd. Dat was de geboortedag van de Buitenplaats Middelburg of Morschveen. Na het uiteenvallen van de buitenplaats werd de boerderij naar de buitenplaats vernoemd: “Boerderij Middelburg”. Ook werd de naam gebezigd in latere tijden als “de boerderij van Van Graven” naar de pachter destijds.

Op 17 september 1588 lezen we in de Rechterlijke Archieven van Lisse, dat Maerten Willemsz Ruychaver een woning met ongeveer 30 morgen land, ruim 26 ha, “gelegen in de Hooge Moschveenen te Lisse” heeft verkocht.

Op die dag verscheen voor Jan Reyersz, schout van Lisse en voor Cornelis Pietersz Boursgen en voor Mees Meesz Hoochcamer schepenen van Lisse “De eersaame Maerten Ruychaver, thans woonachtig op de huise van Bergendal te Voorhout“. Hij verkocht aan zijn zwager jonkheer Kapitein Arnoult van Duivenvoorde de woning met 30 morgen land. Ruychaver verklaarde “volkomenlijken vernoegd, voldaan ende wel betaald te zijn, den eersten penninge met den lesten, alles te goeder trouw en onder arg ende bedrog”. Niet vermeld werd wat dat bedrag dan wel was. Maerten Ruychaver verkocht aan zijn zwager “…zekere woning als huis, barg en schuur met ruim 30 morgen land gelegen aan diverse percelen over duin in de Hoge Mosvenen, strekkende van de Nyenrodens duinen af tot achter aan de vaart toe. Alles volgens de oude brieven, belast met 23 st erfhuur meest competerende Nicolaes van der Laen erfgenamen te Haarlem en 12 gulden en 10 st per jaar af te lossen met 200 gulden tbv Jr Johan Nicolaeszn. van Mathenesse” Dit onder overhandiging van de volgende brieven: “Een decreetbrief verleden door het Hof van Holland van 5 morgen land gekomen uit de boedel van Willem Joriszn, groot 12 bladen van 1-6-1579. Een eigendomsbrief van 8 bladen van 18 en 1/2 morgen land gekomen uit de boedel van Cornelis Jan Floriszn Ruygeneel van 28-9-1580 verleden voor de schout van Lisse. Dan nog een waarbrief van 1 en 1/2 hond land gekomen van Jan Gerritszn Hits van 29-5-1582 verleden voor de schout van Lisse. En nog een decreetbrief verleden voor de Baljuw van Rijnland van diverse percelen van landen groot 4 morgen, 2 morgen, 1 en 1/2 morgen en 2 morgen, gekomen uit de boedel van Cornelis IJsbrantszn. Rootgen van 18-7-1584”.

Arnoult van Duivenvoorde was afkomstig uit de adellijke familie van Duivenvoorde en was een zoon van jhr. Adriaen van Duivenvoorde, deken van Dordrecht. Hij werd luitenant-kolonel in het leger van de prins van Oranje, Frederik Hendrik. Hij was getrouwd met de zus van Maerten. Zij heette Geertruyd Ruychaver.

De eigenaar van de Buitenplaats woonde uiteraard niet zelf op de boerderij. Deze werd verpacht. We weten wie deze pachter was uit de rechterlijke Archieven van Lisse. Het was Hendrik Adriaensz Langeveld, afkomstig uit het Langeveld onder Lisse. Hij was getrouwd met Aegie Dircksdr en vijf kinderen zijn bekend: Adriaen, Lenaert, Jan, Cornelis en Aagje. Toen Hendrik overleed in 1612 werd zijn weduwe “bruikster” ofwel pachteres. In 1624 was de pacht overgegaan op Adriaen den Boer uit Noordwijk, die met dochter Aagje op 11 augustus 1619 in Lisse was getrouwd. In 1628 lezen we dat zoon Lenaert Hendriksz Langeveld de nieuwe pachter was geworden.

Jhr. Adriaen van Duivenvoorde, inmiddels kolonel, nam deel aan het beleg van Oostende in 1601 en liep daar de pest op, waaraan hij op 4 juni 1602 overleed. Zijn vrouw Jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde kwam in bezit van de Buitenplaats Middelburg. Zij trouwde in 1618 met jhr. Jacob van Thienen. Hij was Meesterknaap, ridder van Holland en West-Friesland en schout van Grootebroek.

Dan, op 7 februari 1633 was er weer nieuws over Mosveen. Jhr. Jacob van Thienen, “als man en voogd over Jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde” had, na een openbare veiling “de Buitenplaats Mosveen te Lisse aan Geryth Jacobsz Hulft” verkocht. Deze was woonachtig te Haarlem.

Het bezit werd beschreven als: “….zekere woninge, huijs, bargen, schuijren, potinge ende beplantingen met sijnen heintuinen ende boomgaarden, geleegen in den Ambagte van Lisse in de Hoochmosse Veenen, tesamen groot omtrent 29 morgen toegemaakt land behalve 4 morgen daaromtrent niet toegemaakt sijnde”. Al het land is: “bij den andere geleegen en in pacht bij Lenaert Hendricxz tot Langeveld”. De koopprijs was 10500 gulden te betalen in drie termijnen telkens op de eerste mei. Bijzonderheid bij deze verkoop was dat Geryth Jacobsz Hulft van katholieke gezindheid was.

Geryth Jacobsz Hulft kocht steeds meer land in Lisse. Op 10 april 1634 verschenen voor “..de schout van Lisse, Adriaen van Gorcum, Jonkvrouwe Elisabeth van Duivenvoorde, wonende te ’s Gravenhage, geassisteerd met jonker Gijsbert van Duivenvoorde, haar broeder”. Zij verkochten via Jan Hendricxz van Langeveld aan Gerrit Jacobsz Hulft, een stuk land in de Lisserbroek, “genaamd de Breede Boecamp”.

Een jaar later, op 23 maart 1635, verkocht Adriaen Adriaensz den Boer, woonachtig in Noordwijk en familie van Jan en Lenaert Langeveld een Loosterkamp in de polder van de Mosvenen, groot 2 morgen grenzend aan het land van koper Hulft. Adriaen den Boer zou het Loosterkamp voor tien jaar huren voor 60 gulden per jaar en de pachtsom aan niemand anders dan aan Lenaert Hendricxz vermogen over te doen. Lenaert was zoals bekend zijn zwager.

Frans Barentsz Cousebant

Ook imperialisten hebben last van vergankelijkheid, zoals ook Geryth Jacobsz Hulft. Hij overleed. Uit zijn huwelijk met Haesghen Willemsdr van Foreest, was een dochter geboren, Adriana. Zij was getrouwd met de puissant rijke, katholieke Haarlemse brouwer Frans Barentsz Cousebant, weduwnaar van Wyve Cornlisdr van Rijck. Hij was een zoon van Barent Wiggertsz en Magdalena Adriaensdr Kies van Wissen, die beiden in oktober 1603 aan de pest waren overleden. Deze ziekte maakte geen onderscheid tussen arm of rijk. Men zou Frans Barentsz Cousebant kunnen zien als de rijkste man van Haarlem. Door zijn huwelijk met Adriana Gerritsdr Hulft kwam Middelburg in handen van de familie Cousebant. Of het prettig wonen is geweest, is maar de vraag, want buurman Cornelis van Sypestein was een zeer onaangenaam mens waar de familie Cousebant heel wat mee te stellen heeft gehad. Maar dat een andere keer.

Ook werd ondertussen een aanvang gemaakt met de aankoop van land voor de aanleg van de Trekvaart van Leiden naar Haarlem. Cousebant verkocht 345 roeden land Hij ontving hiervoor van de stad Haarlem 207 gulden en 6 stuivers.

Op 20 november 1689 overleed Adriana (van der) Hulft. Reeds op 30 juni 1676 had zij, ziek te bed liggende, haar testament opgemaakt. Haar man Frans Cousebant, was al in juni 1667 overleden, maar de buitenplaats Middelburg behoorde aan haar. Van de onroerende goederen werden bij de “schiftinge, scheidinge en delinge” vijf loten gemaakt; voor elk van haar zoons één.

Lot nummer B was de “Woning tot Lisse en ’n obligatie” samen 12.000 gulden.

De woning te Lisse, Middelburg dus, werd nauwkeurig omschreven als: “Een woninge met de landen daarbij gebruikt, alsmede het Heerschaps Huijs ende boomgaard gelegen tot Lisse”. De boerderij was voor 400 gulden per jaar verhuurd aan de weduwe Jan Claesse van den Helder.

Het woord “Heerschapshuis” wijst erop, dat het thans meer was dan een boerderij alleen. Waarschijnlijk was er tegen de voorzijde van de oude boerderij een nieuw gebouw gezet. Zomers kwam de eigenaar, het Heerschap dus, uit de stad met gezin lekker buiten wonen aan de voorzijde van de woning, terwijl de pachter het achterhuis en zijn boeren bedoening had.

Ik weet niet of er een vrouwelijke vorm van heerschap bestaat, maar Adriana weduwe Cousebant was eigenaresse van Middelburg. Zij had tot executeur-testamentair haar zoon Josephus benoemd, maar dat bleek een abuis. In haar testament lezen we: “Het is mijn wil dat het zal zijn Gerardus Cousebant”. En zo gebeurde het.

Lot nummer B, waartoe dit alles behoorde, werd getrokken door Josephus Cousebant. Hij was priester. Door het trekken van dit lot was de geestelijke Josephus Cousebant, zoon van Frans Barentsz Cousebant, dus heerschap geworden van de buitenplaats Morsveen of Middelburg in. Lisse. Josephus werd in juni 1633 in Haarlem geboren. Op 12-jarige leeftijd ging hij met zijn broer Gerardus naar Frankrijk. Daar werd hij opgenomen voor academisch onderwijs bij l’Académi Royale in het dorp Juilly. In 1651 en 1652 studeerde hij wijsbegeerte en theologie aan de Universiteit van Parijs. Hij promoveerde en ontving tevens zijn priesterwijding. Bovendien benoemde de Franse koning Lodewijk XIV hem op 19 juni 1662 tot zijn “conseiller et aulmosier”. Men zou denken dat zijn kostje daar gekocht was. Een glanzende carrière lag in het verschiet en ieder ander had alvast zijn naam verfranst in “Jarretière”. Op 21 juli 1682 keerde hij echter weer terug naar Haarlem en sloot zich aan bij de Hollandse Zending. Hij was bekend als een eerlijk toegewijd priester. Dat was een zeldzaamheid in die tijd. Hoeveel oog hij had voor misstanden en armoede blijkt uit het feit dat hij in 1667 “de Broederschap ter verlossing der slaven” heeft opgericht. Dit was juist in de jaren dat vele Hollandse kooplieden zich juist met diezelfde slavenhandel schandalig verrijkten. Hij werd Pro Vicaris van Haarlem.

Het was deze bescheiden pastoor Josephus Cousebant, die van 1690 tot aan zijn dood op 12 april 1695 eigenaar van Morsveen te Lisse was. Geen enkel archiefstuk herinnert aan deze beminnelijke man en toch zal hij veel in Lisse zijn geweest. Aan het Mallegat in het Pastoorshuis bij de schuilkerk aldaar, woonde een vriend en geestverwant van hem, Joannes van der Werve, pastoor te Lisse. Deze was een even beminnelijk man als hijzelf. Pastoor van der Werve overleed op 13-06-1697 in Lisse.

Executeurs-testamentair van Josephus waren zijn jongere broers Jodocus en Frederik Cousebant. Door het graven van de Trekvaart was een deel van het land van Cousebant afgesneden en lag ten westen van de Trekvaart. De buurman Sypestyn had oostelijk van de vaart nog bezit. Er werd door de executeurs-testamentair en door Andreas van Sypesteyn een ruil met gesloten portemonnee gedaan. Het land van Middelburg of Morsveen loopt nu in rechte baan van de Loosterweg tot aan de Trekvaart en dat is heden ten dage nog het geval.

Josephus Cousebant werd in Lisse opgevolgd door zijn jongere broer Jodocus. Deze was in 1676 gehuwd met Maria Adriana Crucius, dochter van Adriaen Crucius, lakenkoper in Haarlem, en Maria Keyser. Zij was reeds weduwe van Arent van Gouthoven. Het huwelijk heeft niet lang geduurd. Zij overleed al na 6 jaar in 1682.

Op 20 april 1701 werd een overeenkomst opgesteld tussen een aantal partijen, o.a. Pieter Dierquens, heer van Veenenburgh en baljuw van Noordwijkerhout, Hendrick van Hoven, heer van Keukenhof en Jodocus Cousebant, heer van Middelburg. Daarin verplichtten zij zich om de Buurweg, de latere Loosterweg-noord, recht te trekken, te egaliseren en met fraaie gewassen te beplanten. Dit werd inderdaad uitgevoerd. Jodocus Cousebant overleed in 1709.

Tijdens het korte huwelijk van Jodocus Cousebant en Maria Adriana Crucius was hun enige zoon geboren op 20 januari 1682 in Haarlem, genaamd Adrianus Franciscus Cousebant. Hij trouwde in 1707 in ’s Gravenhage met Maria Catharina Emonds, dochter van mr. Pieter Emonds, advocaat van het Hof van Holland en van Adriana Dymphna van Beeck.

Op zijn bruiloft kreeg de bruidegom als gift van zijn vader Jodocus de buitenplaats Middelburg. Middelburg had dus een nieuwe eigenaar. De hofstede en boerenwoning bleken nu verpacht te zijn aan Jan Jacobsz Naardenburg en wel voor 500 gulden per jaar, jaarlijks te betalen op 18 oktober. Deze datum viel samen met de jaarlijkse Haarlemse “Lucasmarkt”, sinds de middeleeuwen een vaste datum waarop termijn betalingen moesten worden betaald. Adriaen Francois Cousebant trad niet veel in het nieuws.

Op 29 november 1719, “des avonds de klok omtrent zeven ure”, maakte Adriaen Francois Cousebant, ten overstaan van notaris Jan Barnevelt te Beverwijk, zijn testament op. Niet dat hij oud, zwak of ziek was, maar hij was van plan een reis naar Frankrijk te maken. Ingegeven door “de broosheid des levens” wenste hij zijn testament te maken.

Hij reisde alleen met zijn “valet” (bediende) en benoemde zijn vrouw tot eventuele voogdes over hun minderjarige zoon Franciscus Bernardus. Later schreef hij nog in sierlijke letters nog zelf toe in het testament: “Mijn plaats op de Schillque (hofstede Breeland in de Zilk) wil ik niet verkocht hebben, want dat moet blijven tot uw en mijn zoons plezier”. Hij had het goed voor met vrouw en kind.

Op 9 juni 1722 verscheen voor de schout en schepenen van Lisse “den heer Adriaan Francoijs Cousebant”. Hij verklaarde aan de heren Nicolaas en Pieter Tiark, Tjarck of Tjark te Leiden verkocht te hebben “een woninge met omtrent 32 morgen 10 roeden land te Lisse”, waarbij inbegrepen “een groter en een kleiner bos”. Hierbij was ook inbegrepen een huis met een lapje grond aan de Leidse Vaart en een Loosterkamp en de Breede Boecamp gelegen in de Lisserbroek. Alles tezamen voor “8000 gulden in gereed geld”. Pachter op Morsveen was nu Jacob Jansz Naardenburg die zijn vader had opgevolgd als boer op de boerderij. We lezen in het archief dat Jacob op 19 mei 1717 in de katholieke schuilkerk aan het Mallegat met Wijntje Maertensdr van der Meer in het huwelijk was getreden. Jacob Naardenburg wer niet oud. Op 7 november 1738 overleed hij in Lisse en Wijntje werd zelf pachteres en bouwvrouw”. Er zijn vier kinderen van hun bekend: Jan, Maarten, Willempje en Maria. Op 8 juni 1745 hertrouwde zij met de welgestelde Warrebout Jurriaensz Vreeburg. Wijntje was zijn vierde vrouw. Vreeburg was niet alleen een groot vrouwenliefhebber maar ook een groot grondbezitter en had overal in Lisse bezittingen. Hij overleed drie jaar later op 29 mei 1748 en was Wijntje voor de tweede maal weduwe.

Het zg “Heerschapshuis” wat aan de boerderij was gebouwd was klaarblijkelijk weer geheel opgenomen in de boerderij. Dat is te lezen in het Quohier van den verpondingen. De Heren Tiark resideerden in de nabijgelegen buitenplaats Middelburg. Op de “boereplaats” van de heren Tiark werd regelmatig vee en hout uit de bossen van Mosveen verkocht. Zo ook op 9 maart 1728 toen er “koebeesten” verkocht werden. Aardig om te weten is dat in 1728 een koe ongeveer 26 tot 34 gulden opbracht volgens het Oud Rechterlijk Archief van Lisse.

Op 4 oktober 1745 was mr. Pieter Tiark in Leiden overleden, 49 jaar oud. Mr. Nicolaas Tiark, met wie Pieter het buiten Middelburg had gekocht werd niet meer genoemd als eigenaar. In zijn testament dat op 20 april 1750 werd uitgevoerd, kunnen we lezen over de inventaris van “Hofstede Middelburg met woning en 73 morgen en 200 roe lands”. Middelburg was door enige aankopen dus flink groter geworden.

Mr. Pieter Tiark had twee dochters. De oudste, Petronella Geertruyd overleed op 1749 op Middelburg. De jongste Maria Jacoba Johanna Tiark erfde dus het gehele bezit van haar vader. Zij trouwde in april 1750 in Leiden met Jean Baptist Francois George, graaf van Oultremont de Warfusée. Maar omdat het jonge paar zich toch niet in deze omgeving vestigde, trachtten ze zich van hun bezit in Lisse te ontdoen.

In ‘De ’s Graevenhaegse Woensdagse Courant’ van 14 November 1753 werd Morsveen aangeprezen als “… een voorname Huysmans-woninge, voorzien met een zeer bekwame schuur, huizine, bargen, stallinge voor diverse beesten, en voorts alle ’t gene tot een wel geconditioneerde huismans-woninge behoort…etc”.

Van een verkoop was echter niets terecht gekomen, Wel werd er een jaar later “Boelhuis” gehouden. Op 17 april 1754 werden voor schout en schepenen van Lisse koeien, jong vee, paarden, schapen en varkens, bouwgereedschap en verdere goederen verkocht. De publieke verkoop bracht bijna 3200 gulden op. Pachter Naardenburg was niet meer op Morsveen. Hij werd in dat zelfde jaar in 1754 pachter op Nieuw Zandvliet aan de tegenwoordige Stationsweg. Nieuwe pachter op Morsveen was de jonge Wouter Pietersz van der Swet, geboren In Noordwijkerhout en zoon van Pieter Cornelisz van der Swet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt. Wouter van der Swet trouwde op 23 november 1755 in Hillegom met Aagje Joostendr van Diest, geboren in Hillegom. Wouter bleef tot zijn dood in 1806 pachter en boer op Morsveen.

Op 27 april 1781 was het er dan toch van komen. Schout van Lisse, Jacobus van Lutsenburg, vergezeld door schepenen Jeremias Rouwens en Jan Hits, ontvingen de heren Willem Pietersz van Egmond en Xavier Gerritsz van der Hout. Zij waren procuratiehouders van Maria Jacoba Johanna Tiark. Zij deelden de bestuurders van Lisse mee dat “op 20 april 1781 in het Heerenlogement aan den Burg binnen Leiden, de buitenplaats Middelburg is verkocht aan de heer Egbert Bosch te Amsterdam, in gerede en contante gelden, alles zonder archlist of bedrog”.

Egbert Bosch was geboren in Amsterdam op 25 juni 1721 als zoon van Arent Bosch en Aletta Thesingh. Hij was een welgesteld man, doopsgezind, en verstokt vrijgezel. In Lisse bezat hij reeds de hofstede Voorburg aan de westzijde van de Trekvaart waar hij ’s zomers graag vertoefde. Gerekend naar zijn geboortedatum in het doopsgezinde doopboek van de kerk ’t Lam in Amsterdam was hij dus al zestig jaar toen hij Middelburg kocht. Egbert Bosch overleed op 2 mei 1788 in zijn riante woning aan de Keizersgracht in Amsterdam. Hij was toen al geen eigenaar meer van Middelburg. Op 11 december 1783 verscheen voor schout en schepenen van Lisse de heer Ysbrand van Watering, “Meester Metselaar alhier, procuratie hebbende van den Wel Ed. Geb, Heer Egbert Bosch”. Hij had de buitenplaats Middelburg en de boerderij voor 8000 gulden verkocht aan “den Wel Edele Gestrenge heer Matthijs Ooster, Heer van Meygisfelden in Holstein, koopman, assuradeur, commissaris en schepen te Amsterdam”. Verder was deze Matthijs regent van het Leprozenhuis en directeur van de Levantse Handel. Ook was hij sinds 1781 eigenaar van de buitenplaats Santvliet te Lisse. Hij was geboren op 28 oktober 1747 in Amsterdam als zoon van Matthijs Ooster en Maria Cornelia Quenlon. Hij had dus als 33 jarige al aardig zijn zakken weten te vullen. Hij trouwde met Clara Hillegonda Hooft die hem drie kinderen schonk, die allen jong overleden. Matthijs overleed in 1842 in Utrecht op 94 jarige leeftijd.

Samengaan van Middelburg en Keukenhof

Op 14 mei 1797 verkocht Matthijs Ooster Middelburg aan Lucas Jan Michielsz Boon, koopman te Rotterdam voor de somma van 8000 gulden contant en een “custingbrief” van 5000 gulden. Lucas Boon, was geboren in Delft als zoon van Johan Michiel Boon, luthers predikant, en Johanna Adriana Swijggelman. Hij werd gedoopt op 4 juni 1758 in de Lutherse kerk te Delft. Hij was niet voor niets koopman en hij ontdeed zich zo snel mogelijk weer van zijn pas verworven bezit. Hij had daartoe zijn zwager, Jan Bartholomeus Snellen, gemachtigd. Op 22 april 1800 vond in het Rechthuis van Lisse (Witte Zwaan) de openbare verkoop van Middelburg plaats. Na veel geharrewar werd de koper uiteindelijk Simon Petrus Joosten, commissionair uit Amsterdam, die Middelburg kocht voor 10.200 gulden. Een pikant detail was dat Simon weduwnaar was van Sara van Hoboken, jongste dochter van Abraham van Hoboken en Anna Scheltes. Anna was na het overlijden van haar dochter in 1807 eigenares van Keukenhof geworden. Toen zij op 2 juli 1808 in haar huis aan de Keizersgracht overleed, was Simon Petrus Joosten zowel eigenaar van Middelburg als van Keukenhof!

Dat Simon Petrus ook nog pretenties in de poëzie had blijkt uit een gedicht dat hij maakte ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter Alida Sebilla met Hendrik Sleebes. Daarin ging overigens de hele familie Joosten zich te buiten “aan Huwelijksche Gezangen”. Hij liet dit in een boekje optekenen.

De Franse tijd was een onzekere tijd. Simon neemt het zekere voor het onzekere en doet zowel Keukenhof als Middelburg in de verkoop. Grote aanplakbiljetten prijzen het goed en onder punt zes kunnen we lezen:

“…Ene capitale en weldoortimmerde huismanswoninge, gelegen aan de Loosterweg, genaamd Middelburg, voorzien van ene stallinge voor 30 stuks hoornvee en 3 paarden met deselfs dorsvloer, ruime schuiringe, zomerhuis, wagenhuis, karnmolen, capitale kelder en varkenshokken. Twee vijf roeden hooibergen, ruime werf met opgaande bomen, een boomgaard mitsgaders met een strook bos halverwege de Loosterweg van de woninge halversloot tot aan de scheidinge van ’t bos aan de brugge met ende beneffens de daarbij gehorende nombre van 30 morgen, 150 roeden allerbest wei hooi en boslanden als één partij groot 25 morgen en 450 roeden geleegen bij, aan en omme de woning,..”.

En dan te bedenken dat het hier alleen om Middelburg ging. Keukenhof en de resten van Zandvliet vielen onder andere punten op het aanplakbiljet. Vrijwel de gehele polder van de Hooge Morsvenen was opgenomen in het landgoed Keukenhof.

Op 2 november 1806 was Wouter van de Zwet, pachter en boer op Middelburg overleden. Wouter had maar één zoon, die als zijn opvolger in aanmerking kwam, Simon van der Zwet. Maar deze was reeds boer op “Lammetje Groen” . Er was voor Middelburg dus geen opvolger. Dus werd er op 9 april 1807 een “Boereboelhuis” gehouden, Wat dit opbracht weten we niet ,want daar zijn helaas geen rechterlijke archieven van bewaard gebleven. Vast staat dat de nieuwe pachter, boer Jacob Leenslag werd.

Jacob Leenslag was gedoopt op 13 mei 1781 In de Gereformeerde Kerk in Hattem als zoon van Hendrick Leenslag en Barbera Jacobsdr Swaanepol. Jacob Leenslag overleed op 27 maart 1860 in Sassenheim. Hij was getrouwd met Willemijntje van Broekhuizen geboren in Leiden, Zij overleed op 30 mei 1823 in Sassenheim. Zij schonk hem twee zonen, Hendrik en Willem. Een boerin was absoluut noodzakelijk op een boerderij dus Jacob hertrouwde op 4 april 1824 in Sassenheim met Haasje Magdalena van Leeuwen, geboren op de Kaag.

Zoals gezegd was het volop Franse Tijd: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap werd alom verkondigd. Van de gelijkheid kwam eigenlijk vanaf het begin niets terecht. Er waren mensen die veel gelijker waren dan anderen. In deze tijd werden veel landerijen in kleine stukjes verkocht; je kon niet weten. Buitenplaatsen raakten in verval door gebrek aan onderhoud en de schitterend aangelegde tuinen werden vernietigd. Te vrezen was dat Keukenhof ook zou verloederen.

Mr. Johan Steengracht van Oostcapelle

Maar op de heugelijke dag 2 oktober 1809, of moet ik zeggen op de 2e van de Wijnmaand, werd Keukenhof met alles wat daartoe behoorde, dus ook Middelburg, gekocht door jhr. Mr. Johan Steengracht van Oostcapelle. Hij was geboren in 1782 in ’s Gravenhage en overleed In 1846. Door deze verkoop maakte de Keukenhof een stap in de richting van het adeldom en kwam een einde aan Amsterdams burgerdom.

Direct begon Steengracht zijn bezittingen uit te breiden. Het was weliswaar een moeilijke tijd maar geld scheen bij hem geen rol te spelen. In 1820 kocht hij de Klopperslanden, een stuk wei of hooiland dat geheel omgeven werd door zijn land. De weg daarna toe, het Klopperslaantje was al in 1783 door Keukenhof aangekocht. Een strook bos van 2 morgen was toen gekocht door Arij van der Zaal, timmermansbaas binnen ’t Vierkant te Lisse. Keukenhof moest ook hem recht van overpad geven op het Klopperslaantje. In de bepalingen werd beschreven wat voor soort overpad werd bedoeld. Er werd gesproken over wagens, paarden, hout, hooi of te voet. Maar ook vlas stond er onopvallend bij. Het betrof hier het “rauwvlas”, dat in augustus vanaf de Zuid Hollandse eilanden en uit Zeeland aankwam in de Gracht te Lisse. Deze werden vervoerd naar de Klopperslanden om te worden “geroot” in de sloten en beken aldaar. Daarna werd het in “kapellen” op het land gezet om te drogen. De stank die hier van af kwam, verjaagde zelfs de waterratten en de Lisser koeien stonden met de kont in de wind. Dus voor de omliggende buitenplaatsen was het ook geen pretje. Eigenaar Steengracht kon dus niet het eeuwig gegeven recht van overpad intrekken, want dat was juridisch niet mogelijk.

De pachter op Middelburg in deze tijd was Maarten van der Vlugt, geboren in 1770 in Voorschoten, Zijn vrouw Keetje Veldhoven was in Stompwijk geboren in 1777. Toen haar man op 3 april 1830 overleed werd zijn vrouw bouwvrouw. Na haar overlijden op 18 oktober 1835 nam zoon Arend de pacht van zijn moeder over. Op l mei 1836 trouwde hij met Jannetje van Graven, dochter van Ceel van Graven en Clara van Bourgonje. Hij was pachter van Nieuw Zandvliet. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren Arie, Selis en Clara. Selis volgde zijn vader op als pachter boer van Middelburg. Hij was geboren op 9 oktober 1843 in Lisse. In 1877 trouwde hij met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Daarna volgden leden van de familie van Graven de familie van der Vlugt op. Selis had namelijk een eigen boerderij gekocht in Voorhout.

In 1846 nam dochter Jonkvrouwe Cecile Marie Steengracht het landgoed van haar vader over. Zij trouwde met Carel Anne, baron van Pallandt. Cecile Marie overleed in 1899 waarna haar dochter Cornelia Johanna van Pallandt, geboren op 4 maart 1840 in ’s Gravenhage, eigenaresse werd van Keukenhof en Middelburg. Zij trouwde op 10 oktober 1861 In Lisse met Jan Carel Elias, graaf van Lijnden. De volgende eigenaar was Jan Maurits Dideric, graaf van Lijnden en als laatste in de rij weer een Jan Carel, graaf van Lijnden.

©Arie de Koning 2014

Boerderij Middelburg in 2014

De Schandpaal of Kaeckpael komt naar Lisse

In 1613 kreeg Lisse een schandpaal van het Baljuwschap. Ook de kosten werden overgenomen. Beschreven wordt hoe dat tot stand kwam. ook diverse rekeningen worden gepresenteerd.

door Arie de Koning

2013

In 1613 besluit het dorpsbestuur van Lisse het dorp te verheffen in belangrijkheid door het schavot van het Baljuwschap Noordwijkerhout, Voorhout, Hillegom en Lisse, naar Lisse te verplaatsen. Zij namen niet alleen het gebruik van het schavot, die in die tijd gewoon “Kaeckpaal” heette, maar ook het onderhoud en opslag van de losse onderdelen op zich.

De filosofie er achter was dat wanneer het schavot gebruikt werd voor een strafexecutie, het altijd een leger aan toeschouwers trok. Het was een verzetje in de dagelijkse sleur. Tegenwoordig zouden we spreken van ramptoerisme. Die toeschouwers kwamen niet alleen kijken maar gebruikten ook consumpties wat weer goed was voor de inkomsten van kroegen en andere winkels, die zo een graantje mee pikten.

Officieel heette het, werd het schavot gebruikt als afschrikwekkend voorbeeld voor overtreders van de wet, landlopers, onechte bedelaars en vagebonden. De straffen, opgelegd door de Hoge Vierschaar van het Baljuwschap, varieerden van het te kijk zetten van de veroordeelde, geseling, brandmerken, oorspijkeren etc, al naar de hoogte van het delict. Het klinkt bruut en onmenselijk, wat het tenslotte ook was, maar het was heel gewoon in die tijd. De vader die voor zijn gezin een konijn verschalkte in de duinen en werd gesnapt, ontkwam niet aan een geseling in het openbaar.

Zoals een goed bestuur betaamd werden de kosten voor het oprichten van dat schavot, nauwkeurig in rekeningen verantwoord en het aardige is dat deze rekeningen vierhonderd jaar later nog steeds in het Gemeente Archief van Lisse te vinden zijn. Niet in al te beste conditie maar leesbaar.

Sloten voor de schandpaal

Zo vinden we onder inventarisnummer 250 een briefje van de Leidse slotenmaker Pouwels Willemse van Breda woonende in de “Nijeuwesteegh” gericht aan de Lisser timmerman Maerten Jacobsz (Langevelt) die hem had verzocht vier hangsloten te maken voor het dorp van Lis.

Het opschrift was;

den eersaame ende vroomenMaerten Jacobse timmerman tot Lis,

Looft godt bovenal. Zeer goede vrindt Maerten Jacobsse ent dat ick sende die vier slooten die ghij mij besteet hebt ofschoen maecken vanwege het dorp van Lis het stuck moet kosten 25 stuijver commen samen vijff gulden sijt godt aanbevolen uijt Leijden den 21sten september 16 dertien.

ende was ondert.

 Pouwel Willemse van Breda

Toestemming van de Landdrossaard

Er moest voor de verplaatsing uiteraard toestemming worden gevraagd aan de autoriteiten. Deze werd op 18 maart 1613 verleend door de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland en West Friesland. Belast met de uitvoering was de Landdrossaard van het Quartier van Kennemerland en Rijnland, het zogenaamde Noorder Quartier waar Lisse toen bij behoorde.

De Landdrossaard was de baas over alle Baljuwschappen in zijn Kwartier en was nog maar kort beëdigd. Zijn naam was Remigius Causaert en werd dan ook den “nijeuwen Landdrost” genoemd. Zijn belangrijkste taak was zijn regio vrijhouden en verjagen van struikrovers, bedelaars, landlopers en vagebonden. Vaak werden er tijdens de Kermis grote klopjachten georganiseerd.

Hieronder volgt de akte van consent voor het verplaatsen van de schandpaal naar Lisse. Deze bevind zich ook in het gemeente Archief van Lisse onder inventaris nummer 251:

De gecommitteerde Raden van de Staten van Hollant ende west Vrieslant authoriseeren Remigius Causaert, lantdrossaert  in het quartiere van Kennemerlant ende Rhijnlandt met de officieren ende regeerders van de dorpe inde quartier te  spreecken ende deselve daertoe houden datse de Kaecke bij den voornoemde Lantdrost instructie geordonneert tot der respective dorpen costen metter allereersten doen maecken ende onderhouden ten aensien vande verlichtinge die hunne ingeseetenen genieten,  dewete verdrijven ende verjagen van de lantloopers, bedelaers ende  vagebonden ofte selfe des blijven soude willen in gebreecke, dat men tot der Dorpscosten de selve bij orde van deesen en te doen maecken ende betalen.

Gedaen inden hage den 18e martij anno 1613. 

 ter ordonnantie van de gecommitteerde ende voornoemden, Duijck

De toestemming was er maar er werd wel duidelijk gemaakt dat het de Staten geen penning mocht kosten. De Staten van Holland hadden andere prioriteiten. Het was de tijd van het Tréves, ofwel het Twaalfjarig Bestand, die liep van 1609 tot 1621. Bestuurlijk liep het niet op rolletjes en de schatkist was door de oorlog zo leeg geraakt dat er zelfs geen bodem meer in zat. De dorpen Noordwijkerhout, Voorhout, Hillegom en Lisse moesten het onderling maar uitvechten hoe de kosten werden verdeeld.

Kostenverantwoording

De declaratie van het maken van de nieuwe schandpaal is verrassend helder;

Declaratie ende specificatie van de costen dewelcke de Gesworens van Lisse voorwenden van den nijeuwen Lantdrost Clemens Geesaert als uitvoerende de ordonnantie van de gecommitteerde Raden van Staten tot het oprigten van eener nijeuwe Kaeck Pael gedaen hebben deesen Hoogen Vierschaar van 1613 gelijck naer volcht;  

 Ten eersten aen Maerten Jacobsz Langevelt, timmerman eene somme van  seven guldens vijff stuijvers over het maecken ende Arbeijtsloon vande voor seijde Kaeck Pael, van eene groote greenen Kaeck, met het stellen, delven   ende anders te doen opt dorp onder de linden daer omme hier de voorschreve  7 guldens en 5 stuijvers.  

 Ten tweeden aen den selven timmerman noch een somme van vijff guldens dien hij verclaert betaelt te hebben aen Pouwels Willems van Breda, slootenmaecker tot Leijden ter causie van de vier slooten ende twee sleutels tot de voorschreeven Kaeck dienende yeder tot vijff ende twintigh stuijvers. Dus hier de voorschreeve 5 guldens

Ten derden aen mr. Marten Dircxz, Smit, een somme van twaalf guldens over het maecken oft Arbeijtsloon van vier groote sware halsbanden van yser ende den aencleven yder tot drie guldens oock tot den voorschreeve Kaeckpael behoorende daeromme hier de voorschreeve 12 guldens.

Ten vierden noch aan Heijcke Heijckesse een somme van twee guldens ten  causie van de voorschreeve Kaeckpael te verwen in wit ende blaeu te weeten alreede voor eene reijs ende oock noch eens te doen naer den Eijsch vant werck, dus hier de voorschreeve 2 guldens.

Samen een somme van 26 guldens en 5 stuijvers.

 Bekennen wij voorgenoemden ende ondergetekende personen aan de voorseijde, omme elck int sijne ontfangen te hebben ende daermede voldaen te sijn, ende Gesworens voornoemt.

  Actum tot Lisse onder ons hant desen 7e novembris anno 1613 stilo novo

  Ende was onderteijckent; Maerten Jacobsz Langevelt, Marten Dircx dit merck is gesteld  XXX  bij Heijcke Heijckesse.

  Het doet zelfs een beetje aandoenlijk aan. Wie wil er nou niet gegeseld worden op een keurig wit en blauw geschilderd schavot, als ik mij niet vergis de oude kleuren van Lisse, en als je als vrouw met een zwaar ijzeren halsband om je nek aan de ketting te schande wordt gezet, dan natuurlijk wel met een halsband van meester-smid Dircx. Reclamemakers zouden hier een prachtige slogan voor bedacht kunnen hebben. De Kaeck werd dus geplaatst onder den Linden aan het Vierkant van het dorp.

Maar we zijn nog niet klaar met de verantwoording. De officieren en regeerders van het Noorder Kwartier, kwamen regelmatig met hun gevolg kijken hoever de werkzaamheden vorderden en bleven dan een nachtje over en onderhielden zich dan met Wijn, Weiß und Gesang. Ook deze zg. teercosten moest door het dorp Lisse betaald worden.

 Declaratie ende specificatie van de teercosten gevallen tot laste vant het dorp van Lisse ter herberge van Maritghen Engelsdr, weduwe van Jacob Florisse Heemskerck, waerdinne aent Kerkhof gelijck naer volcht.

Ten eersten opten derden ende vierden junij anno zesthien hondert twaelff den Lantdrost van der Woude, sijn Luitenant ende knegt met drie paarden aldaer int logeeren off overnachten. Een somme van vijff guldens zes stuijvers.

  Ten tweeden in martij de anno zesthien hondert derthien, bij Clemens Geesaert, de nijeuwen Lantdrost tot Haerlem aen commen van sijn dienstm met den zijnen een somme van 3 guldens 1 stuijver 8 penningen.

Ten derden opten 23 martij weder bij denselven nijeuwen Lantdrost met eenighe geswoorens int brengen off verthoeven van ordonnantie bijde gecommitteerde raden van staten gemaeckt aengaande de Kaeckpael om de vagebonden daer aen te stellen. Eene somme van 2 guldens 4 stuijversen  8 penningen.

  Ten vierden noch bij denselven Lantdrost opten 25 augusti rijden ende passeeren om te sien off die voorseijde alhier maeckt was. 12 stuijvers.                                 

Ten vijffden op den 30e september bij denselven Lantdrost dienen int passeeren ende weder naer Leijden met bevel van de Lantdrost om de Kaeck alsnoch sonder langer dilay te maecken. 14 stuijvers.

Ten sesden ende lesten noch bij den voornoemden Lantdrost Geesaert, met sijne dienaers opten 6 den octobris inde Kermis daagen int vervolgen van vagebonden. Eene somme van 8 gulden 16 stuijvers 8 penningen.

 Totaal eene somme van 16 guldens 9 stuijvers 8 penningen.

 Ten oircontschap van welck ick, Engel Jacobsz vanwege mijn moeder deese onderhants hebbe.

 Actum tot Lisse deesen 7den novembris 1612 stilo novo ende was onderteijckent;

 Engel Jacobsz Heemskerck. 

De genoemde Engel Jacobsz Heemskerck was de zoon van de Waardin van de “Herberg aan ’t Kerkhof”, in die jaren de belangrijkste herberg in het Dorp waar alle beslissingen door de notabelen genomen werden. Later is men overgegaan naar de nieuw gebouwde Witte Zwaan welke eeuwenlang het Rechthuis van Lisse werd genoemd.

Het schijnt dat de eerste veroordeelde tot het schavot, een manspersoon welke konijnen had gestroopt, de voor hem toegedachte geseling ontliep, doordat het schavot nog niet gereed was. Over mazzel gesproken. Ook valt op dat ik tot nu toe in de oude boeken geen enkele strafexecutie ben tegen gekomen welke in Lisse werd uitgevoerd.

Berisping

Alleen een merkwaardige botsing der machten met betrekking tot een executie van een zg. Criminele Sententie op 19 December 1765 waarvoor de schoolmeester en koster Jacob van der Jagt, de schuld en een reprimande krijgt van het Dorps bestuur.

Vergaadering gehouden bij Schout  en  Burgemeesteren  van  Lisse  op den 30 December 1765 ’s avonds  des 5 Uuren 

 Den Schout van Lisse heeft ter vergaadering ingebragt, dat hij vernoomen hadde dat zonder zijnEd: consent, off zonder consent van een der Burgemeesteren, den Schoolmeester en Koster alhier, Jacob van der Jagt, door ordre van den Stedehouder van den heer Bailliuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout, was gelast bij het doen van de executie van een crimineele Sententie alhier, op Donderdag den 19e der loopende Maand December, den Dorps Klok te kleppen hetgeen deselver Schoolmeester en Koster ook gedaan heeft. En Nademaal het geeven van ordres tot het luijden off kleppen van de Klok in buijten gewoone tijden, altoos is van het departement van Schout en Burgemeesteren, zoo vermeende de gemelde Schout dat hierinne voor het toekoomende  moest worden voorzien als na behoorend: waar over gedelibereert zijnde is goedgevonden en verstaan den gemelden Schoolmeester en Koster van der Jagt dergelijk te gelasten, en des noode te ordonneeren,  zoo als hem gelast ende geordonneert word bij deesen, omme nooijt zonder permissie  ofte consent van Schout en Burgemeesteren, ofte ten minsten in haastigen zaaken van een van haar Ed: Agtb: alleen uijtgezondert  het luijden op gewoone kerk tijden, catechisatien, bij het sterven en begraven eener begrafenis der dooden, des Dorps klokke moogen luijden, off kleppen, op poene van correctie, zoo als verstaan zal worden te bekoomen. En zal Extract deeser aan de gemelde Schoolmeester en koster  worden gegeeven, tot zijn Narigt.

 Aldus geresolveert en gearresteert, en deesen Document bij den Schout en alle de Burgemeesteren ten dage als boven.

In kennisse van mij Secretaris W.J. Sennepart   

 Onbekend is gebleven wie de ongelukkige was, welke aan de Kaeckpael zijn straf moest ondergaan, maar hieruit blijkt dat de Kaeck wel degelijk gebruikt werd.                         

©VOL 2013

Bronvermelding:

Gemeente Archief Lisse inv.nr.250 en 251

Transcriptie Resolutieboek 6 Lisse. pag.16

Persoonsregister van Cultuurhistorische Vereniging Oud Lisse

Een schandpaal of kaeckpael

 

Lezing Aad van der Geest over de herkomst van de naam Lisse in 1198

In 1198 vinden we de vermelding ‘aput Lis’. Dit duidt op een plaatsnaam. 

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

In september hield Aad van der Geest een zeer interessante lezing over de herkomst van plaatsnamen. De oudste namen zijn doorgaans van oorsprong waternamen, die op den duur overgingen op de nederzettingen. De oorsprong van Lisse is daar niet uit te verklaren. Van de Geest benadrukt dat altijd teruggekeken moet worden naar de eerste bronnen. De naam Lisse vinden we, als Lis, in 1182 terug in verband met de bruiloft van Margaretha, dochter van graaf Floris III, met Dirk van Kleef. Er staat dan “Magnifice Lis celebratis”, wat duidt op steekspelen, (het grootse tournooiveldse feest). De oorsprong van het Franse woord “Lice” gaat terug op het oud-latijnse “Stlis” via het Latijnse “Litis” of “Lis”, wat strijd of geschil betekende. Later werd de betekenis via het Frans strijdperk of tournooiveld. Tijdens de bruilofsfeesten zou er in deze omgeving een tournooi geweest kunnen zijn. Lis wordt dan dus niet gebruikt als plaatsnaam. Mogelijk was er een eerdere nederzetting met een naam waarvan de betekenis niet meer begrepen werd. In 1198 vinden we een vermelding “apud Lis”. Op dat moment wordt het gebruikt als plaatsaanduiding. Aanpassing in het dagelijkse taalgebruik uit die tijd kan veroorzaakt hebben dat het woord Lis van bijvoeglijk naamwoord veranderde in plaatsnaam.

EEN SCHANDPAAL OP HET VIERKANT: Miserabele bedelaars met schurfheyt besmet

Ieder dorp moest een schandpaal hebben. Lisse werkte daar niet van harte aan mee .Na lange tijd moest het toch gebeuren

door dr. A. J. Kölker

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

Kent u het spreekwoord ‘Iemand aan de kaak stellen?’of ‘Ieman aan de schandpaal te kijk zetten’? En kent u nog de pijptakabreclame van Van Rossums Troost waar een deftige gezette heer een arme magere sloeber die aan de schandpaal staat, even een trekje uit zijn pijp aanbiedt? Welnu, op 18 maart 1613 gaven de Gecommiteerde Raden van Holland en West Friesland aan de landdrost van Kennemerland en Rijnland opdracht om in de diverse dorpen ‘kaecken’ op te richten.

Elk dorp moest namelijk op eigen kosten zo’n schandpaal oprichten en onderhouden. Het platteland werd toen nogal geteisterd door ‘lantloopers, bedelaers ende vagebonden’. Deze moest men ‘verdrijven ende ver­jagen ‘. In geval een dorp zou weigeren een dergelijke paal op te stellen, dan was de drost gemachtigd op kosten van dat dorp er zelf een doen oprichten.

Heeft Lisse er nu een laten maken? Jawel, maar kennelijk niet van harte. Ook al hebben wij geen verslag van het overleg over deze kwestie, in een klein dossier vinden we een zeer gespecificeerde rekening van de ’teer-kosten’, dat zijn de kosten voor de verteringen tijdens de overlegbijeen­komsten genuttigd fter herberghe van Maritgen Engelsdr, weduwe van Jacob Florisz Heemskerck, waerdinne aent kerkckhof’. Daarnaast vinden we in de Ambachtsrekening van 1613 nog verdere aanvullingen.

Verteringen

De eerste post betreft een bezoek van de oude, scheidende landdrost op 3 en 4 juni 1612. Kennelijk heeft men toen al gesproken over de overlast van bedelaars en landlopers en is het bovengenoemde besluit voortgekomen uit de steeds toenemende klachten.

In maart 1613 komt de nieuwe landdrost, Remers Coesart, met gevolg,  waarschijnlijk om kennis te maken en zich te presenteren bij het dorpsbestuur. De verteringen belopen een bedrag van 3 guldens, l stuiver en 8 pen­ningen (in het vervolg geciteerd als 3 l 8).

Enige dagen later komt deze hoge ambtenaar weer langs samen met enige gezworenen om de bovenvermelde opdracht van de Gecommitteerde Raden over te brengen. De verteringen bedragen dan 2 guldens 4 stuivers en 8 penningen.

Lisse moet dus aan de slag! Dat had men gedacht, want op 25 augustus, dus vijf maanden later, komt de drost eens even langs “om te sien of die voorseyde kaeck al aengemaeckt” is. De vertering bedraagt dan slechts 12 stuivers, waarschijnlijk voor hem en zijn gevolg alleen maar een biertje.

Meer dorst

Was men geschrokken? Uit de rekeningen blijkt namelijk dat er op 29 augustus overleg is geweest van gezworenen met de ambachtslui, die de klus moeten klaren. Maar van haast is nog niet veel te merken, want wan­neer de ambtenaren van de drost op weg naar Leiden op 30 september hier weer passeren, hebben zij een bevel van de landdrost bij zich “om de kaeck alsnoch sonder langer delay (uitstel) te maecken “. Dit gezelschap was groter, of ze hadden misschien meer dorst, want hun vertering is nu het dubbele, nl. 24 stuivers

Als laatste post zien we dat de landdrost samen met zijn dienaars op 6 october “in de kermisdagen ” in Lisse zijn geweest “int vervolgen van de vage­bonden. ” Ze nemen het er goed van en verteren voor een bedrag van 316 8. Het totaal bedrag van al deze consumpties beloopt de forse som van 16 9 8.

Grenen balck

Toch heeft Lisse uiteindelijk maar aan het bevel voldaan. In de ambachts­rekening 1613 vinden we de vijf volgende posten: Maerten Jacobsz Langevelt, timmerman, ontvangt 7 guldens en vijf stui­vers voor het maken van een “kaekckpael van een grenen balck” alsook voor het plaatsen van deze “opt dorps vrij dam ” of zoals in de bijlage staat “opt dorp onder de linden. ” Bedoeld is hier het Vierkant, vóór de herberg waar het gemeentebestuur en het gerecht vergaderden. Bovendien krijgt de timmerman een som van vijf guldens terug, die hij even had voorgeschoten aan Pauwels Willemsz van Breda, slotenmaker te Leiden voor vier sloten en twee sleutels.

Mr. Jan Dircxz, smid, ontvangt 12 guldens voor de levering van “vier grote sware halsbanden van ijser. “.

De stoelenmatter Heyck Heycsz declareert twee guldens voor het twee­maal verven van die paal “in wit en blaeu “.

Kennelijk moest de voltooiing en plaatsing gevierd worden, want als laat­ste post vinden we een bedrag van 20 stuivers met medeweten van de schout en de bode voor de consumptie tijdens het overleg van de gezwo­renen met de werklieden op 29 augustus en 4 oktober samen

In het Gemeente Archief Lisse zijn de nota’s rond het vervaardigen van de schandpaal bewaard gebleven. Op dit deel staat: (Te voldoen aan smid mr. Jan Dircxsz:)

een somme van twaelf gulden mme het maecken qft arbeyts loon van vier groote swarte halsbanden van yser en den aencleven yder tot drie guldens oock tot de voorz* kaeckpaal behorende, daerommehi er de voorsz —————————XII £

Het archiefstuk begint als volgt:

“vijffmengelen biers ” a vier stuivers, maakt 20 stuivers. De kaak stond er dus twee dagen voordat de landdrost hier ter kermis kwam. De totale kosten bedroegen dus 27 guldens en 5 stuivers. Samen met de consumpties tijdens het vooroverleg genuttigd kwam dat het dorp te staan op 43 gulden, 19 stuiver en 8 penningen.

Bedelaars

Maar heeft deze kaak nu ook dienst gedaan? Hoe vaak zijn er hier men­sen te kijk gezet? Onderzoek in de oud-rechterlijke archieven, die momenteel nog in het Nationaal Archief te Den Haag berusten, kan hierop mogelijk antwoord geven, maar vraagt een afzonderlijk onder­zoek.

Afgezien van het feit dat de oprichting van een kaak van hogerhand ver­plichtend werd opgelegd, waren de dorpen daar toch ook wel mee geholpen. Misschien kunnen we nu wel over een dergelijke maatregel onze wenkbrauwen fronsen. Was die bedelarij en landloperij dan zo erg?

Men moet goed beseffen dat er in de zeventiende eeuw geen sociale voorzieningen waren, zoals wij die kennen en zeker niet voor dakloze zwervers. Bedelarij was vaak een plaag, vooral op het platteland. Daarbij komt nog dat zieke bedelaars moesten worden verpleegd en in geval van overlijden begraven en dat allemaal op kosten van het betreffende dorp.

Ik wil mij beperken tot een enkel voorbeeld. In de jaarrekening van 1686 vinden we onder uitgaven een afzonderlijk hoofdstuk voor “onderhoud, meesterloon, medicamenten, assistentie ende den gevol­ge van dien van verscheyde miserabele bedelaars… ende onbekwaam om terstont te kunnen worden geweert. ”

Schurftheyt

Wat was het geval? David Panten mr.Chirurgijn tot Lisse declareert 35 gulden voor “geleverde medicamenten ende gedane visite ” op bevel van de schout en burgemeesters aan een bedelaarster die op 13 augus­tus “met een stukken gebroken been in (t duyn ” werd gevonden, naar het huis Lauris Pieterse Langeveld gebracht, daar verzorgd en op 25 augustus overleden.

Bovendien had deze geneesheer ook nog hulp verleend aan een stomme en lamme bedelaar “met schurftheijt besmet”, die in de nacht van 5 oktober 1686 in de schuur van Pieter Willemse Rode was blij­ven liggen en toen naar Maerten Pieterse Langeved overgebracht, waar hij tot 14 december werd verzorgd. Lauris Pieterse Langeveld ontvangt voor zijn geleverde verzorging en assistentie aan de bede­laarster van 13-25 augustus een bedrag van 7 guldens en 10 stuivers.

De assistent van de chirurgijn Jan de Bair, die zijn hulp verleende bij het verbinden van deze bedelaarster, declareert de som van 6 guldens 13 stuivers en 8 penningen.

Maarten Paulus Schoter leverde nog “bier, brandewijn, wijn en stroo ” ten behoeve van de bedelaarster en beurt 2 guldens en 6 stui­vers. Jan Dirkse Klinkenberg, timmerman, ontvangt voor het maken van de doodskist voor genoemde vrouw 3 guldens en 10 stuivers. Jacob Engelse Broekhuysen, biersteker, krijgt voor “een half vat bier met verschot van den impost op de begravenisse ” van haar, een belasting, tesamen 4 guldens, 3 stuivers en l penning. Pieter Willemse Rode krijgt voor onderhoud van de stomme, lamme en zieke bedelaar, die buiten zijn weten in zijn schuur is gekomen en daar is blijven liggen, veertien dagen lang, een bedrag van 5 guldens.

Luyskruyt

Maarten Pieterse Langeveld ontvangt voor zes weken onderhoud van deze arme drommel, die kennelijk ook nog onder de luizen zat, per week 2 guldens en 10 stuivers.en voor twee geleverde hemden en “luyskruyt” de lieve som van 16 guldens en 14 stuivers. Jacob Ottense Kranenburg leverde “een lake, gebruykt ten dienste van de voorz. bedelaarster ende een paardekleed voor de gemelde bedelaar” en ontvangt l gulden en 16 stuivers. Maarten Dirkse van ’t Hoog mag voor zijn geleverde brandewijn en hulp aan de twee genoemde bedelaars en aan twee anderen, waarvan er een aan vallende ziekte leed, en verder nog twee kinderen totaal 8 guldens en 12 stuivers in zijn beurs stoppen. Tenslotte ontvangt Lijsbet Willems, weduwe van Adriaen Clase van der Helder, 5 gul­dens: 13 stuivers en 8 penningen voor “verteringe op de begrave­nisse ” van de bedelaarster en de stomme bedelaar “ende nog een andere bedelaar en een bedelaarster die vallende siekte had alsook over een deken ende stroo. ” Kennelijk zijn er dus vier bedelaars overleden, maar we vinden in deze rekening slechts een vermelding voor één doodskist.

Het totale bedrag van deze noodzakelijk verleende hulp telde 96 gul­dens, 18 stuivers en 4 penningen. Dus ruim twee maal de onkosten van de kaak. Vergeleken met het totaal van de jaarrekening van 1686 te weten 901 guldens 5 stuivers en 12 penningen, is dat ruim 10% van de jaaruitgaven! En dat is toch een hele hap!

Bronnen: Archief gemeente Lisse, te weten Ambachtsrekening 1613, inv.nr. 34; 1686, inv.nr.35; Dossier: Oprichten van een schandpaal inv.nr.250.