Berichten

VAN VER GEKOMEN: Hongaarse roots van de familie Paardekooper

In de serie ‘Van Ver Gekomen. wordt deze keer de voorouders van Kees Paardekoopen onder de loep genomen. Op 17 februari 1924 is zijn moeder op 12 jarige leeftijd naar Nederland gekomen.

door Wim Bosch

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Kees Paardekooper en zijn vrouw Elly ontvingen mij en mijn vrouw Rina hartelijk in hun woning aan de Heereweg bij het Bevrijdingsbeeld. Kees legde mij met zijn notities van het levensverhaal van zijn
Hongaarse moeder Ottilia uit hoe zij in Nederland terecht is gekomen, zijn vader Arie Paardekooper heeft ontmoet en later met hem is getrouwd. Arie Paardekooper was bloembollenkweker. Nelly, de zus van Kees, heeft de prachtige oude foto’s verstrekt voor dit verhaal.

Otillia Valeria Gyurasko, was de officiële meisjesnaam van Ottilia, de vrouw van Arie Paardekooper en
moeder van Kees. Zij is in Hongarije geboren op 11 december 1911 als enigst kind van haar ouders. Haar moeder heette Borbala Guyrasko-Sas, geboren in Hongarije en in 1913 overleden aan longontsteking. De vader van Ottilia heette Istvan Gyurasko. Hij werd geboren in Eperjes (Tsjechië) in 1867 en was drukker bij de krant Pesti Hirlap in Boedapest. Hij overleed in 1917 aan een hartaanval. Ottilia werd dus al op zesjarige leeftijd wees. Zij werd in huis genomen en opgevoed door haar tante Róza en oom Istvan, die woonden in Dunapentele aan de Donau, ca. 60 km ten oosten van Boedapest. Haar oom en tante waren goed voor haar. Ottilia kreeg een goede opvoeding, volgde de lagere school en leerde zwemmen in de Donau.

Ottilia naar Nederland

Otillia op jonge leeftijd

Hongarije was toen nog een onderdeel van het Oostenrijkse Habsburgse keizerrijk, de dubbelmonarchie. Die viel in 1918 uit elkaar nadat met Duitsland de Eerste Wereldoorlog was verloren. Hongarije verarmde toen snel en leefde van de opbrengst van de landbouw, maar moest ook schulden aan de geallieerden betalen. Veel gezinnen geraakten toen onder het bestaansminimum. Ook Ottilia’s tante Róza en oom Istvan konden de opvoeding van Ottilia financieel niet meer opbrengen. Het Hongaarse Rode Kruis en de ‘Liga’-organisatie hebben toen besloten om 150.000 kinderen, vooral wezen en kinderen uit zeer verarmde gezinnen, een half jaar lang te laten onderbrengen bij Nederlandse gastouders. Dit was een nationale hulpactie log neutrale Nederland! Ze gaven aan deze Hongaarse kinderen een rustperiode van een half jaar. Zo kwam Ottilia op 17 februari 1924 als twaalfjarig kind naar Nederland. Ze werd toen ondergebracht bij ‘tante Pietje’ van den Berg in Voorhout.

Oma van den Berg, tante Pietje en Ottilia.

Adoptie van Ottilia
De bedoeling van het Rode Kruis was dat de Hongaarse kinderen hier een half jaar zouden blijven. ‘Tante Pietje’ van den Berg had geen kinderen en gaf te kennen dat ze Ottilia graag wilde adopteren. Mede door de hulp van de krant ‘Pesti Hirlap’ in Boedapest, waar Ottilia’s vader jarenlang drukker was geweest, en met behulp van officiële instanties slaagde de adoptie en werd Ottilia de pleegdochter van ‘tante Pietje’. Ottilia kreeg van ‘tante Pietje’ een gedegen katholieke opvoeding: doordeweeks ging ze naar een katholieke school, ‘s zondags naar de kerk en elke dag naar de ochtendmis voor de school begon. Later ging ze naar de huishoudschool en kreeg daar lessen in koken, naaien, breien en alles wat met de huishouding te maken had. Ze slaagde met vlag en wimpel voor de opleiding van coupeuse en
kon geweldig goed kleren maken, jurken, jasjes enz. Tante Pietje trouwde op zestigjarige leeftijd met
weduwnaar Leen van der Geer en Ottilia kreeg toen in een keer tien broers en zussen en werd helemaal
in het gezin opgenomen.

Verkering van Ottilia
Arie Paardekooper, zoon van een herenboer uit Oegstgeest, wilde het bloembollenvak leren en fietste elke dag naar zijn stageadres aan de Boekhorstlaan in Voorhout. Jawel, daar woonde ook Ottilia van
den Berg! Ze leerden elkaar kennen en het ’klikte’. Ze werden verliefd en de liefde tussen Ottilia en Arie bleek hecht. Toen de vader van Arie hoorde van de verkering werd hij woest! Voor zijn zoon had hij als vrouw een dochter van een rijke bollenboer in gedachte en zeker niet een arme vluchtelinge uit Hongarije. Het verhaal gaat dat ze plechtig moesten beloven dat ze elkaar twee jaar lang niet zouden zien, spreken of schrijven en op geen enkele wijze nog met elkaar contact zouden hebben. Als de twee jaar voorbij waren en ze waren nog steeds verliefd op elkaar, zou opa zijn zegen geven. Na twee jaar hadden ze dus echt verkering en Arie heeft heel wat afgefietst naar Voorhout. Arie en Ottilia zouden nu trouwen. Maar dit was niet eenvoudig! Veel instanties moesten dit huwelijk goedkeuren en werden daarvoor benaderd, tot en met een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken Hendrik van Boeijen, door Ottilia geschreven. Ook de krant ‘Pesti Hirlap’ in Boedapest verleende veel medewerking en tenslotte was aan alle voorwaarden voldaan.

Huwelijk van Arie en Ottilia
Arie en Ottilia trouwden op 11 mei 1938 en gingen wonen in Lisse aan de Heereweg 57. Op de volgende pagina staat de trouwfoto met links naast de bruid ‘tante Pietje’, die toen getrouwd was met Leen van der
Geer, die naast haar staat. Rechts van bruidegom Arie staat zijn moeder Clara en zijn vader Kees Paardekooper. Ze kregen zeven kinderen: Carla, Nelly (doopnaam Borbala, de naam van Ottilia’s
moeder), Kees, Tilly (doopnaam Ottilia!), Truus, Ad (doopnaam Adrianus Istvan, naar de vader van Ottilia) en tenslotte de jongste die Marian heet. Ad overleed op 1 januari 2002 na een ziekbed op 55-jarige leeftijd.

Latere voorvallen in Ottilia’s leven
Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, was er op het platteland best nog wat verkrijgbaar. Arie Paardekooper pachtte land aan de Loosterweg en teelde naast bollen ook aardappelen, bonen en tabak. Ottilia naaide de kleren van haar kinderen en verstelde ze, want ze was ontzettend goed met naald en draad! Aan het einde van WO II maakte ze voor Kees uit een lange onderbroek een pakje, mooi blauw geverfd en geborduurd. Tijdens de oorlogsjaren waren de contacten van Ottilia met haar familie in Hongarije heel beperkt. Ook na de oorlog bleef het moeizaam: Hongarije was door de Russen bezet, maar er was wel een briefwisseling van Ottilia met haar nichten Irma en Margit, totdat in 1956 de Hongaarse Opstand uitbrak. Er ontstond chaos in Boedapest met veel doden, gewonden en vluchtelingen. Toch werd door Ottilia nog wel contact gezocht d.m.v. brieven aan Irma en Margit. Er kwam toen een telegram met de tekst: ’Wij leven, help ons’. Er was namelijk aan alles gebrek in Hongarije. Ottilia’s man Arie stuurde een groot pakket met zaken die in Hongarije moeilijk of niet te verkrijgen waren, zoals nylons, lingerie, kleding en voedingswaren. Via de post werd een lijst gestuurd met alles wat er in het pakket moest zitten. Helaas bleek dat meer dan de helft was gestolen! De douane zelf had het gejat! Evengoed hebben Arie en Ottilia nog vele jaren kleding en andere goederen naar Irma en Margit en hun vriendin Erzi gestuurd.

Op 4 februari 1969 overleed Ottilia’s man Arie Paardekooper plotseling aan een hartstilstand, terwijlhij ter observatie in het Marinehospitaal in Overveen lag. Hij werd maar 56 jaar oud. Daarna brak een zware tijd aan voor moeder Ottilia en haar kinderen. Wel heeft ze veel steun gehad van familie en vrienden. Het woonhuis aan Heerewe 57 werd verkocht aan Ad Paardekooper, de broer van Kees. Ottilia ging in 1971 wonen in een toen nieuwgebouwd huis aan de Nassaustraat 1a in Lisse. Ze kon goed wennen in de Nassaustraat en had veel aanloop van haar kinderen en kleinkinderen, wat voor haar echt een grote troost was. Eind 1969 zei Ottilia tegen haar zoon Kees dat het haar heel grote wens was om nog een keer terug te gaan naar Hongarije. Want ja, er zat al zo’n 45 jaar tussen haar vertrek uit
Hongarije en 1969. Maar Hongarije was in 1969 nog bezet, dus erg moeilijk te bezoeken. Visa, reisdocumenten, verblijf en valuta moesten geregeld worden. Uiteindelijk is Ottilia in 1970 met Kees en zijn vrouw Elly vertrokken naar Hongarije. Ze reisden via Duitsland, Zwitserland (Schaffhausen), Oostenrijk (Salzburg en Wenen) naarbBoedapest. De grenscontrole was wel pittig, maar niet zo erg als in Oost-Duitsland en Oost-Berlijn. Op weg naar Irma in Dunapentele aan de Donau hadden ze prachtig
weer en reden over mooie landweggetjes en langs wilde rozenstruiken. Ottilia werd heel zenuwachtig,
want ze herkende de omgeving, de kerk, de school en natuurlijk het huisje waar ze was opgegroeid
met het nog steeds daarbij aanwezige varkenskot. Uit het boerderijtje tegenover haar oude huis kwam een oud vrouwtje, heel armoedig met slechte tanden, maar wel heel aardig. Ze zei tegen Ottilia: Ik ken
je wel niet, maar jij bent Ottilia, die na de grote oorlog naar Holland is gegaan! Toen brak bij beide vrouwen veel emotie los! In het boerderijtje van die oude vrouw was niets veranderd: dezelfde hoekbank en kruisbeeld. Het vrouwtje was wel veranderd, maar toch was ze nog steeds het vroegere buurmeisje. Ook bij haar nicht Irma werd Ottilia later hartelijk ontvangen. Op tafel stond zelfs een foto van Kees’
dochter Ilse, die oma Ottilia aan Irma gestuurd had. Na aankomst gingen ze meteen de boomgaard in, plukten kersen en praatten met elkaar. Kees en Elly waren verbaasd dat moeder Ottilia toch nog redelijk Hongaars sprak! Het was een mooie reis, vooral voor hun moeder. Ze mochten zelfs in de kerk in Dunapentele het originele doopregister van moeder Ottilia inzien! Later zijn Erzi en Irma nog verschillende keren in Nederland geweest bij de familie. Van het communistische bewind mochten oudere mensen die niet meer werkten, het buitenland bezoeken.

Krantenartikel over Hongarije in 1956

VAN VER GEKOMEN: BLOEMEN EN DE LIEFDESMARKT

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

Jose Alvares werd in 1963 in west Spanje in de regio Extremadura geboren. Hij wordt verliefd op Carolien Kortekaas en komt in 1989 naar Nederland. Sinds die tijd staat hij op de markt in Lisse om maandag bloemen te verkopen.

In de Bollenstreek wonen heel wat personen met een niet-Nederlandse identiteit. Onveiligheid of het gebrek aan werkgelegenheid in het eigen land zijn vaak redenen om te vertrekken. Maar de liefde kan ook een reden zijn. De liefdesmarkt was in dit verhaal in het Spaanse Mallorca.

Baby José wordt geboren in 1963 en heet voluit José Luis Moreno Alvarez. In Spanje krijgen kinderen een dubbele achternaam, het eerste deel van hun vaders achternaam (Moreno), gevolgd door het eerste deel van moeders achternaam, Alvarez dus. Zijn voorouders van beide kanten komen uit Villanueva de la Serena. Dat is een stad met een rijke historie gelegen in de prvincie Badajoz in de regio Extremadura in West Spanje. Villanueva werd al gesticht in de 13e eeuw. La Serena is een steppenachtige hoogvlakte. Tegenwoordig zeer geliefd bij vogelaars. Hier lopen schapen en geiten, maar groeien ook veel wilde perenbomen. De rivier Guadiana, een belangrijke rivier in Spanje, loopt langs Villanueva. Daar is ook druiventeelt. ‘s Zomers kan het er heel heet worden. Ons record van 40°C wordt daar regelmatig gehaald. José’s vader is van beroep kraanmachinist, maar wel een met een agrarische nborst. Het gezin krijgt twee kinderen.

Het gebied in de 20e eeuw
Spanje kent in de 20e eeuw een turbulente geschiedenis. Het is een land met grote tegenstellingen. De situatie in het begin van de 30-er jaren is dat vijftigduizend landeigenaren meer dan dertig procent van de Spaanse bodem in handen hebben terwijl twee miljoen landarbeiders niet over eigen grond beschikken. Deze eigendomsverhoudingen vragen om drastische wijzigingen, maar dat stuit op stevig verzet van de oppositie. Toch worden in een periode van twee jaar bijna honderdduizend hectare verdeeld over negenduizend arbeidersgezinnen. De tegenstellingen (behoudend versus communistisch, vermogend/armoedig, agrarisch/industrieel) worden echter steeds groter. De situatie is chaotisch. Er volgt het drama van de Spaanse burgeroorlog (1936-1939), wat leidt naar een overwinning voor generaal Francisco Franco. Daarmee begint feitelijk het dictatoriale bewind onder Franco die zich “Caudillo d’España por la Gracia de Dios” (Leider van Spanje bij de Gratie Gods) laat noemen. Onder Franco vindt een grootschalige modernisering en reconstructie van het platteland plaats. Zijn planners ontwikkelen een strategie van binnenlandse kolonisatie. Deze ontwikkeling, ook wel Franco’s hydrosociale droom genoemd, omvat de constructie van grootschalige waterwerken om het land te irrigeren maar houdt ook de bouw in van driehonderd moderne plattelandsdorpen, de pueblos (1940-1971). Er moet aan zoveel
mogelijk landarbeiders grond worden uitgegeven, zonder dat dit ten koste gaat van het grootgrondbezit. Tussen 1951 en 1960 wordt 200.000 ha land door boeren geschikt gemaakt voor de landbouw door
het toepassen van irrigatiemethodes. De dorpen worden vanuit het niets uit de grond gestampt en gebouwd volgens eeuwenoude Spaanse tradities, d.w.z. een centraal plein, een kerk, het stadhuis
met woningen en winkels eromheen. De binnenlandse kolonisatie is dan wel geïnspireerd door bijvoorbeeld de zionistische kolonisatie in Palestina, maar Spanjaarden houden ervan elkaar te ontmoeten op pleinen en dus zou een opzet als van de kibboets op het Iberisch schiereiland geen kans van slagen hebben. De architecten die de dorpen ontwerpen en bouwen zijn bijna allemaal in dienst van het dictatoriale regime. Zij slagen er in om prettige en functionele publieke ruimtes te ontwerpen. Hoe de pueblos vandaag de dag worden gewaardeerd, varieert enorm. Men is terughoudend omdat het uit de periode Franco dateert en dus in zekere zin besmet erfgoed is. Zelfs de namen van dorpen staan ter discussie. Guadiana del Caudillo werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw gesticht door het regime van de ‘Caudillo (leider)’ om landbouwactiviteiten te ontwikkelen in de arme landelijke regio. Het Spaanse dorp gaat nu waarschijnlijk van naam veranderen. In dezelfde periode zijn ook andere dorpen gesticht, waarvan er enkele vandaag de dag nog verwijzen naar Franco. Dus zijn er nogal wat dorpen waarvan de naam ter discussie staat: Águeda del Caudillo en Ci, Alberche del Caudillo, Llanos del Caudillo , Villafranco del Guadiana, Villafranco del Guadalhorce en zo zijn er nog een paar. In mei 2019 was er bij de TU Delft een promovendus, Jean-François Lejeune, die deze dorpen heeft bestudeerd. Hij pleit voor een herwaardering van deze dorpen.

Valdivia
Ook bij Villanueva de la Serena, waar de voorouders van José woonden, werd er voor gekozen om een nieuwe plaats, Valdivia, te bouwen op ongeveer 15 km van de oude stad. De verordening daarvoor dateert van 4 juni 1952. In het project was de bouw van een kerk, een stadhuis, een school, een huis voor leraren, een bakkerij en een klein medisch centrum gepland, naast het bouwen van de stad op een manier, dat vier blokken gevormd werden. Het was de bedoeling om ongeveer 360 huizen te bouwen voor kolonisten. In 1953 werden de eerste 34 huizen opgeleverd. De stad Valdivia werd officieel in 1956 door president Franco ingehuldigd. De eerste kolonisten woonden vóór die datum al in het gebied waar de stad zou worden gebouwd. Ze woonden in barakken en hutten, wachtend op het moment dat ze een definitief huis toegewezen zouden krijgen. De eerste opzet voor deze kolonisatie dateerde al uit de tijd van de tweede republiek, uit de jaren dertig. In 1958 werd besloten om nog 11 huizen te bouwen voor nieuwe kolonisten. In het Zuid-Amerikaanse Chili is een prachtige stad met de naam Valdivia, vernoemd naar conquistador Pedro de Valdivia (1500-1553) die in Villanueva geboren zou zijn. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de verovering van Chili. De door deze Pedro de Valdivia in 1552 gestichte Chileense stad Valdivia wordt wel de mooiste stad van Chili genoemd. Ook vele andere conquistadores werden geboren in de regio Extremadura waar Pedro de Valdivia vandaan kwam. Het Spaanse Valdivia zal haar naam wel mogen behouden, hoewel het gedrag van deze conquistadores dikwijls een schandvlek op het christelijk blazoen was. Maar in het historisch perspectief is dat vergeten geraakt.

José groeit op.
José’s ouders en grootouders horen bij de kolonisten van Valdivia. Ze krijgen “een brok land, een huis, een paard en een kar”. Als klein jongetje komt José in Valdivia te wonen. Naar school gaat hij in Villanueva de la Serena. In de praktijk komt het er op neer dat ze van maandag tot vrijdag in Villanueva
verblijven en in het weekend in Valdivia wonen. Op het stukje land stonden oude perenbomen, maar die werden al gauw gerooid en er kwamen gewassen voor in de plaats die weinig aandacht vroegen. Tenslotte is vader van beroep kraanmachinist en is de teelt een bijzaak. Dus verbouwen ze maïs en zonnebloemen. Toen de schoolcarrière achter de rug was koos José voor de horeca. Hij schopt het tot beheerder van een discobar in de regio.

De Bollenstreek
In Voorhout woont het gezin Van Schooten-Kortekaas. Daar was in 1967 dochter Carolien geboren. Opa Kortekaas was kweker en stond op zaterdag met een kraam op de markt van Leiden. Op maandag werd de tocht naar de markt in Lisse gemaakt. De Lisser markt was, sinds de haven gedempt was (1961), op de Grachtweg. Een mooie locatie voor een markt in een tijd dat veel vrouwen nog hun handen vol hadden aan alleen het huishouden en blij waren dat op de markt een gulden nog een daalder waard was. Want een vetpot was het in de Bollenstreek zeker nog niet. Opa Kortekaas kreeg een prima plekje op de markt, vlak bij de Schoolstraat. Vader Jaap van Schooten wordt al begin jaren zeventig de compagnon van schoonvader Kortekaas. Bloemen worden ingekocht op de veiling van Rijnsburg. Zelf telen ze ook, bloembollen natuurlijk, maar ook andere bloemen als chrysanten. Ze huren de grond daarvoor op diverse plaatsen, waaronder in Lisse. Dat bleef zo tot opa Kortekaas overleed. De kraam in Leiden is niet overdraagbaar aan de schoonzoon dus alleen de markt in Lisse blijft over. Met veel vaste klanten; de bloemenkraam van Jaap is geliefd. Er is bovendien nog de verkoop uit de kas aan de Jacoba van Beierenweg. Carolien van Schooten groeit dus op met een vader en opa die altijd druk in de weer zijn met kweken en in- en verkopen van bloemen, echte buitenmensen. Ze zal er toen niet aan gedacht hebben dat ze zelf ook actief de bloemen in zal gaan. Ze gaat in Voorhout naar school en krijgt later een baantje bij de supermarkt. Als enig kind zal ze het wel lastig gevonden hebben om Voorhout voor een lange tijd te verlaten, maar toch wil ze graag een poosje naar het buitenland.

Mallorca
Mallorca is het grootste eiland van de Balearen, een eilandengroep in de Middellandse Zee die bij Spanje hoort. Het toerisme is van groot belang op Mallorca. Het aantal bezoekers neemt enorm toe en een baan in de horeca is een mooie kans. José heeft zijn discobar twee jaar, maar ziet meer kansen voor een goede toekomst op Mallorca. Daar kan hij manager bij een discobar worden. Carolien heeft ook stappen gezet om haar horizon te verbreden. Via een bureau krijgt ze werk op Mallorca. Het adres is om de hoek van de discobar. Dus een goedlachse blonde schone uit de Bollenstreek loopt regelmatig langs de bar waar een mooie donkere Spaanse manager al gauw naar haar uit gaat kijken. Het duurt niet lang of het is dik aan tussen die twee. Met Engels en Spaans kunnen ze zich redden, maar hoeveel woorden heb je nu nodig wanneer je verliefd bent. Het is 1989, december en januari zijn voor het toerisme een rustige tijd. Een mooie periode om eens naar Nederland op vakantie te gaan.

Werk in Nederland

 

Jose Moreno Alvarez

Er wordt al gauw over gesproken om voor José werk te zoeken in Nederland. In Spanje zijn de kansen op de arbeidsmarkt niet zo groot. Bovendien zou Carolien nooit permanent naar het zuiden willen. Als enig kind zou ze zo’n grote stap niet kunnen en willen nemen. Bovendien is opa Kortekaas overleden toen zij op Mallorca was, dus de familie heeft het al zwaar. José moet dus op zoek naar werk in Nederland. Hij mag hier werken want Spanje is sinds 1986 lid van de E.E.G. Er is een regeling waarbij Spanje voor drie maanden een uitkering betaalt, daarna stopt dat, maar werk zoeken in die periode moet lukken. Bij de supermarkt waar Carolien werkte kan José twee avonden in de week aan het werk. Hij meldt zich bovendien bij het arbeidsbureau in Leiden en kan daar twee dagen per week terecht bij de plantsoenendienst. Agrarisch werk is hem niet vreemd dus dat loopt goed. Bovendien kan hij één dag per week naar de agrarische school in Oegstgeest. Daar haalt hij na twee jaar zijn diploma voor hovenier. De plantsoenendienst in Leiden heeft geen mogelijkheid om hem in vaste dienst te nemen. Maar Lisser Van Leeuwen wijst hem daar op een vacature voor hovenier bij de gemeente Lisse. Daar wordt hij door Henk van der Kaaden aangenomen. Hij heeft 15 jaar gewerkt bij de Lisser plantsoenendienst. Door Van der Kaaden wordt hij erg gestimuleerd om door te gaan met een opleiding en vooral ook om de taal goed te leren. De taal blijft heel lastig voor José. Hij gaat weer verder met twee jaar hoveniersopleiding in Den Haag op Madestein. José voelt zich thuis bij de plantsoenendienst. Wanneer zijn vader keelkanker krijgt blijkt ook het begrip van de collega’s voor de Spaanse werknemer. In Spanje is het gebruikelijk dat de kinderen een deel van de zorg op zich nemen, dus José moet naar huis. Dat wordt binnen de dienst heel goed opgevangen.

Bij Jaap in de zaak

Later volgden José en Carolien hen op, zij staan nu ook al jaren op maandag op het Meer en Houtplein.

Schoonvader Jaap kan ook wel wat hulp gebruiken. Eerst is dat helpen in het weekend. Dan wordt besloten om één dag minder bij de gemeente te gaan werken. Op maandag mee naar de markt in Lisse en op vrijdag wordt een atv-dag opgenomen om in de kas van Jaap of op het land te werken. Zo krijg je de fijne kneepjes onder de knie. Zo langzamerhand wordt duidelijk dat het werken met bloemen José wel ligt. Het werken bij de plantsoenendienst wordt verder afgebouwd en uiteindelijk beëindigd. Het bedrijf van Jaap wordt voortgezet als Jaap & José. Carolien is ook al langere tijd actief in de zaak van Jaap. Een volgende stap is dat Jaap zich terugtrekt uit de zaak en deze door Carolien en José helemaal wordt overgenomen. Op de nieuwe standplaats van de markt op het Meer en Houtplein maken zij voortaan de boeketten en staan ze in de kraam.

 

 

Huwelijk
Carolien en José zijn dan al weer een tijd getrouwd. In 1995 wordt ’s morgens op het gemeentehuis
van Voorhout getrouwd en ’s middags is de inzegening in de Bartholomeuskerk. De Spaanse familie is er natuurlijk bij. Het is een beetje een Spaanse bruiloft. Geen receptie, zoals toen in Nederland nog gebruikelijk, maar wel een diner met 50 gasten. Eerst wonen ze nog in bij de (schoon)ouders, maar al gauw volgt een eigen huis. Waar José in Nederland het meest aan moest wennen was het eten. In die tijd werd nog traditioneel gekookt. Aardappels, vlees en groente apart op je bord terwijl in Spanje meer gemengde gerechten gegeten worden. En dan de kou, ’s ochtends om half zeven de hond uitlaten terwijl je gewend bent dat in het warme Spanje honden gewoon vrij buiten loslopen. Wat ook gemist wordt is het elkaar treffen op het dorpsplein. Hier leef je binnen.

Bloemenverkoop
De bloemenverkoop en het werken met bloemen is natuurlijk wel weer José weer op cursus, ditmaal een avondopleiding in Aalsmeer. Daar worden de fijne kneepjes van het vak geleerd, van stijlen van bloemschikken en diverse steektechnieken tot het maken van gelegenheidsbloemwerken als trouwen rouwbloemwerk. José doet dat laatste in de kas aan de Oude Herenweg 1 in Voorhout. Op die locatie zitten ze nu al weer 12 jaar en wanneer u nog nooit in de kas geweest bent is het zeker de moeite waard op eens aan te gaan. Ongeveer drie jaar geleden kwam er nog een verkooppunt bij. In de hal van Eikenhorst verkopen Carolien en haar moeder op donderdagochtend bloemen en plantjes. Makkelijk voor de bewoners waarvan er velen al gewend waren om bij Jaap op de markt te kopen. José zorgt voor de inkoop en gaat meestal vijf dagen per week naar de veiling in Rijnsburg. Om half vijf opstaan want de veiling begint om zes uur. Vader Jaap is, ondanks zijn broze gezondheid, nog geregeld te zien aan de Oude Herenweg. En José, die is gelukkig met de blom uit de Bollenstreek die hij plukte
in Mallorca. Thuis is hij omringd door nog 2 blommen, er werden 2 dochters geboren. Die hebben volgens de Nederlandse gewoonte de dubbele achternaam Moreno Alvarez van vader José. Voor ons logisch maar voor Spanjaarden lijken ze daarmee broer en zussen te zijn. In Spanje komt José nog regelmatig. Hij vliegt dan naar Madrid, huurt een auto en enkele uren later is hij bij de familie. Zijn
moeder woont sinds kort in Merida, maar daarvoor woonde ze nog in het familiehuis in Valdivia. Spanje blijft natuurlijk trekken, maar José is toch met hart en ziel verbonden met de kas in Voorhout, met de bloemenkraam op de markt in Lisse en bovenal met zijn eigen blommen.

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller van achter het IJzeren gordijn (deel 1)

Dietmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

In de serie VAN VER GEKOMEN voeren we dit keer een gesprek met een man die jarenlang het gezicht was van een bekende fotohandel in Lisse. Een van de winkels op het Vierkant die klanten uit de wijde omgeving trekt. De heer Müller ontvangt ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we via vijf grote ramen, aangebracht over de breedte van het pand, het Vierkant. Voorwaar het mooiste uitzicht dat je je bedenken kunt. En, zo verzekert hij, een belevenis om van hieruit het corso te bekijken. Voor de plaats van het interview kiezen we voor de ronde tafel in de gezellige keuken. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal vertellen.

Dietmar Georg Müller werd geboren op 7 juli 1938 in Hilbersdorf, een voorstadje van Chemnitz in het oosten van Duitsland, aan de voet van het Ertsgebergte. In een gezin met drie jongens was hij de middelste. De familie woonde op de tweede verdieping van een driehoge flat. Twee jaar voor de geboorte van Dietmar had vader Paul meegedaan op het onderdeel tienkamp tijdens de fameuze Olympische Spelen in Berlijn, overschaduwd door het nationaalsocialisme. Speerwerpen was het onderdeel waarop hij uitblonk. De heer Müller laat een beeldje zien van een speerwerper dat zijn vader kreeg uitgereikt: “Veel dingen zijn in de oorlog verloren gegaan, deze trofee heb ik nog”. Moeder zorgde thuis voor de kinderen en vader werkte bij de spoorwegen. Hij maakte brandkasten met speciale vergrendelingen, enorme kasten waren dat. Vader was niet veel thuis. Hij werkte als vrijwilliger bij een sportschool als instructeur van een groep van rond de 25 jonge meisjes die gymden met een nieuw apparaat: een Rhönrad. Een groot rad met dubbele hoepels waarin je met gespreide armen en benen alle kanten kunt opdraaien en kunstjes kunt uitvoeren. Een ware hype en een spectaculair gezicht. De meisjes demonstreerden hun kunnen tijdens bedrijfsfeestjes en voor de aanvang van voetbalwedstrijden. En moeder mocht na de voorstelling de kleding van de jongedames wassen. Het gezin was evangelisch-luthers, de kinderen werden gedoopt, de christelijke feestdagen gevierd. Een doorsnee Duitse familie, die geen gebrek kende, totdat het noodlot toesloeg.

Noodlot

Het gezin Müller vlak voor der dood van vader

Chemnitz was en is een belangrijk knooppunt in het Duitse spoorwegnet en Dietmars vader was als instructeur werkzaam bij de spoorwegen bij het RAW, Reichsausbesseringswerk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zwoegden hier vooral Franse krijgsgevangenen uit het “Arbeitslager” ‘Stammlager IV F’, een kamp vlakbij de werkplek van vader Müller. De resten uit de ketels van de bedrijfsgaarkeuken werden tussen de rails van de spoorbaan gedumpt, waar hongerende Fransen wat eetbaar was van de grond schraapten. Paul Müller kon deze mensonterende toestanden niet aanzien. “En wat deed mijn vader. Hij gaf ze een grote pot en zei, hier, eten jullie hier maar uit”. Deze humane daad kostte hem het leven. “Iemand heeft het gezien en hij werd direct naar het front gestuurd in de laatste week van de oorlog. Voor straf stuurden ze hem naar het OderNeisse-front ten oosten van Berlijn. Mijn vader kreeg geen militaire opleiding. Hij sneuvelde al na een week.” Twee dagen voor zijn vertrek werd een foto van het gezin gemaakt, een soldaat, zijn vrouw, twee opgroeiende jongens, een kleine in een kinderwagen…

Kinderjaren

Dietmar Müller als kind

Op moeder Gertrude rustte de zware taak de kost voor haar en haar drie jongens te verdienen. Ook zij ging werken bij de spoorwegen. De Russen bezetten na afloop van de Tweede Wereldoorlog het oosten van Duitsland. In de ogen van de communisten was zij de weduwe van een “Kriegsverbrecher” en had zij geen recht op ondersteuning. “Mijn grootmoeder ving mij op, mijn oudste broer zorgde voor mijn kleine broertje”. Chemnitz lag inmiddels niet meer in Duitsland, maar in de DDR, de Deutsche Demokratische Republik, de communistische vazalstaat van de Sovjet-Unie, waar de kinderen op school Russisch leerden. De stad zelf werd in 1953 omgedoopt tot Karl-Marx-Stadt, vernoemd naar de grondlegger van het communisme.

De jonge Dietmar Müller ging naar de Grundschule in een nabijgelegen plaats. In de wintermaanden bond hij de skis onder en met zijn rugzakje om skiede hij naar school. Zijn leven lang heeft hij de skisport beoefend, tot twee jaar geleden knieproblemen dat verhinderden. Na de lagere school ging hij naar de Berufsschule voor een theoretisch-praktische opleiding voor machinebankwerker.

Weltfestspielen der Jugend

In 1951 werden in Oost-Berlijn de Weltfestspielen der Jugend gehouden. Doel van de massabijeenkomst van veertien dagen was onderling begrip te kweken tussen jongeren van alle volkeren en zo de wereldvrede te bevorderen. Een ideale propagandagelegenheid voor de piepjonge DDR om internationaal indruk te maken. 26.000 deelnemers uit 104 landen verbleven in tentenkampen en namen deel aan discussies, massale parades, muziek- en dansdemonstraties. De jongeren werden met goederenwagons naar Berlijn getransporteerd. Dietmar Müller was een van hen. Dietmar werd ondergebracht in een tentenkamp aan de Müggelsee, een Berlijns binnenmeer. “Ik had een tante wonen in Charlottenburg, in de Britse sector van Berlijn. Ik wou mijn tante in het Westen bezoeken en ben stiekem met de U-Bahn naar Charlottenburg gegaan. ’s Avonds kwam ik terug in het tentenkamp en iemand had mij gezien. Toen moest ik mijn rugzak inpakken en terug naar Karl-Marx-Stadt. Ik mocht daar niet meer blijven. Ik leerde het vak van machinebankwerker bij een bedrijf met 2500 mensen in dienst. Die werden bijeengeroepen voor een ‘Betriebsversammlung’ speciaal voor mij, omdat ik naar West-Duitsland was gegaan op kosten van de Oost-Duitse staat. Ik was fout geweest. Ik zat op een stoeltje op het podium. En toen trokken ze van leer. Ik moest alles terugbetalen. De reis in de goederenwagon naar Berlijn, de reis terug. Dat geld had ik niet. Dus moest ik de gevangenis in voor drie dagen. Ik was bijna klaar met mijn opleiding, die liep nu een half jaar vertraging op.” Na deze traumatische gebeurtenissen trad Dietmar vervolgens als machinebankwerker in dienst van het laatste bedrijf in Karl-Marx-Stadt dat niet onteigend was. Ook zijn oudere broer werkte daar. Tijdens de lunchpauze sprak hij wel met een jonge collega, een jehova’s getuige. “Zeugen Jehovas” werden vervolgd in de communistische heilstaat en de jongen wilde naar het vrije Westen. Na zijn ervaringen met het DDR-systeem wilde ook Dietmar graag weg en hij vroeg of hij mee mocht.

Gevlucht

Dietmar Müller op de fiets

De tweede dag na zijn 18de verjaardag gingen ze samen op de fiets door heuvelachtig land naar het Oost-Duitse grensstadje Plauen, in het Vogtland. In de rugzak een korte en een lange broek en twee of drie hemdjes. Bij Plauen werden ze opgevangen door hulpjes van de jehova’s. Via sluiproutes werden ze midden in de nacht naar de grensgovergang gegidst. Een gevaarlijke tocht, het gebied lag vol mijnen. Over de grens namen de twee jongens
afscheid en Dietmar meldde zich bij de politie in het plaatsje Hof in West-Duitsland, waar hij vouchers kreeg voor voedsel en overnachtingen in jeugdherbergen. Hij fietste alleen verder, naar Frankfurt am Main – 500 kilometer – en meldde zich ook daar bij de politie, werd verhoord en naar een luxe hotel in Bad Nauheim gebracht. Daar werd hij een week lang verhoord door de bezettende machten van West-Duitsland: de Fransen, Canadezen, Amerikanen en Engelsen. “In het voorstadje van Karl-MarxStadt waar ik woonde, was een Russische kazerne. De Amerikanen projecteerden een kaart op de muur en wezen aan, dáár is uw huis, en dáár is de kazerne. Ze wisten dat ik elke ochtend met de tram naar mijn werk was gegaan. Op een dag was op een kruispunt een Russische vrachtwagen omgekieperd, de straat lag vol munitie. Ik moest beschrijven wat ik allemaal gezien had.” Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord-Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje. ►

volgend nummer deel 2

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 3)

De Poolse roots van Jozef Rudz worden beschreven. Hij heeft 40 jaar bij openbare werken in Lisse gewerkt. Zijn vader was voor zijn geboorte naar Nederland gekomen. Het wel en wee van zijn vader na de oorlog komt aan de orde.

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

De afgrijselijke donkere periode van de Tweede Wereldoorlog is voorbij. Aan de onzekerheid kwam een eind. Men kon weer een toekomst tegemoet zien, er was weer licht aan de horizon. Wederopbouw was het devies. Eindelijk gemoedsrust. Het prille echtpaar Rudz was ook toe aan die vredige rust.

Een Pools gezin in Lisse

In het gezin Rudz werd thuis Pools gesproken. Vader Rudz leerde Nederlands vooral van zijn collega’s bij Sikkens. Hij kon het goed verstaan, maar spreken was een probleem. Moeder Rudz leerde ook in de dagelijkse omgang met buren, in winkels en zo. Zij sprak een eigen Nederlands, doorspekt met veel Duitse woorden. Daardoor werd ze wel eens, heel pijnlijk natuurlijk, uitgescholden voor mof. Inburgeringscursussen? Dat bestond nog niet, je moest je zelf zien te redden. Er was wel ambtelijke hulp van de gemeente. De naam van de heer Willemsen, van de afdeling bevolking, valt een paar keer. Hij heeft heel veel gedaan voor nieuwkomers bij de gemeente. De Rudzen waren stateloos, het Polen waar ze ooit bij hoorden bestond niet meer en het Nederlandse staatsburgerschap konden ze nog niet krijgen. Er waren door de Nederlandse regering wel toezeggingen gedaan. Maar dat was nog een heel gedoe en er waren nogal wat voorwaarden waar aan voldaan moest worden. Gelukkig was daar meneer Willemsen die als het moest afreisde naar Den Haag om zaken rond te krijgen. In 1968 kreeg de heer Rudz het Nederlanderschap. Ook zoon Jozef was stateloos. Hij kreeg gelijk met zijn vader het Nederlanderschap, dat voor hen samen werd gepubliceerd in het Staatsblad. Vader Rudz kreeg zijn Nederlandse paspoort gratis, zoon Jozef moest het zelf betalen. Tot die tijd hadden ze een soort identiteitskaarten. De eerste jaren moesten ze daarvoor op het politiebureau komen waar dan ook vingerafdrukken werden afgenomen. Dat vond men bij de politie blijkbaar gênant, brave burgers op het bureau ontbieden voor vingerafdrukken, dus kwam men daarvoor in het vervolg bij hen thuis. Bij dit soort zaken werd wel de hulp van Frans Godilla als tolk ingeroepen. Ook Jan Pazola hielp weleens met formulieren. Hij trouwde een Nederlandse en leerde daardoor de taal beter. Op een gegeven moment waren de vingerafdrukken niet meer nodig, identiteitskaarten wel, tot ze bij het officiële Nederlanderschap vervangen werden door het paspoort. Bij moeder Rudz lag het krijgen van een paspoort lastiger. Zij was huisvrouw en dus economisch afhankelijk. Bovendien bleek nog iets heel bijzonders. Mevrouw Rudz was voor de oorlog getrouwd, maar over haar man had ze sinds 1939 niets meer gehoord. Ze was er al die tijd van uitgegaan dat hij gesneuveld was, maar bewijzen waren er niet. Pas veel later kwam hiervan een mededeling. Officieel was hij alleen vermist. De heer en mevrouw Rudz waren dan wel in de Agathakerk getrouwd, maar voor de Nederlandse wet bleken ze niet gehuwd. In het Polen dat ze gewend waren was een huwelijk in de kerk meteen een wettelijk huwelijk. Nu waren ze dus officieel niet samen gehuwd. Mevrouw Rudz was officieel wel gehuwd, weliswaar met iemand die waarschijnlijk omgekomen was, maar toch. Weer was de hulp van de heer Willemsen onontbeerlijk. De oplossing was via een advocaat een scheiding aanvragen. Toen de scheiding uitgesproken was zijn ze in 1972 voor de wet getrouwd. Zoon Jozef hoorde dit pas op de dag dat ze voor de wet trouwden. Nu zou je zeggen, waar maakten ze zich druk over, maar in die tijd schaamden ze zich zo voor het feit dat ze eigenlijk ongehuwd waren dat ze dat stil wilden houden. Gelukkig was de weg naar het Nederlanderschap nu ook mogelijk.

Rode Kruis

Na de Tweede Wereldoorlog werd de verdeling in Europa ”het westen” en “het oosten”. Hoe wist je of je familie de oorlog overleefd had? Waar waren ze nu? Zoveel vragen, maar waar begin je. Het Rode Kruis biedt uitkomst. Over de lotgevallen van de familie van vader Rudz is niks concreets naar boven gekomen. Alleen een vaag verhaal over de enige zus Lodzja van vader Rudz Zij zou door de Russen meegenomen zijn en gedwongen te werk gesteld in de goudmijnen. De strafkampen van de Kolyma liggen in Siberië. ’s Winters zakt de temperatuur er onder de -50 graden. De winter duurt erg lang, werken in de mijnen is zeer zwaar, het is praktisch een doodsvonnis wanneer je er naar toe verwezen wordt. Er zijn zeker 10.000 Polen omgekomen in de Kolyma. De strafkampen van de Kolyma, wat wel het Russische Auschwitz wordt genoemd, en waar mogelijk dus ook de zuster van vader Rudz bezweek, eisten onder het regime van Stalin miljoenen slachtoffers. Voor mevr. Rudz is het vinden van familieleden wel gelukt. Eerst ontdekt men neven die nog in Barek Stary wonen en er blijken ook nog ooms en tantes te zijn. Dan volgt een wonderlijke ontdekking. Mevr. Rudz heeft een oudere broer die al voor de oorlog Polen verliet om werk te zoeken in West-Europa. Die blijkt in Frankrijk te wonen en aan het begin van de oorlog al mee te hebben gevochten aan de Franse kant. Daarvoor ontving hij ook enkele Franse militaire onderscheidingen. Vader Rudz kreeg voor zijn aandeel in de strijd meerdere Engelse onderscheidingen. De broer van moeder Rudz woonde net over de Belgische grens. Daar kon zonder problemen contact mee gelegd worden.

Jozef Rudz groeit op

Jozef blijft enig kind. Hij gaat naar de St. Willibrordschool. Natuurlijk is het lastig, thuis Pools spreken, met vriendjes buiten Nederlands praten en op school Nederlands leren schrijven. Met ouders die, dat kan niet anders, beschadigd zijn door wat zij allemaal hebben meegemaakt. Maar wanneer er iets op school te bespreken viel dan zorgde moeder Rudz wel dat ze er was. Desnoods moest Jozef tolken, maar moeder wist van wanten! Sinterklaas wordt niet gevierd, maar Jozef krijgt wel een cadeautje. Kerst is in Polen een echt familiefeest en het belangrijkst is Kerstavond. Maar helaas, familie is er niet. Wel wordt er die avond traditioneel gegeten. Dat betekent vis (karper). En zuurkool die op een speciale manier wordt klaargemaakt en paddenstoelen. Zuurkool wordt veel gegeten, vaak met veel vlees, of zelfs als zuurkoolsoep, maar met Kerst wordt er minder vlees bij gegeten.

Jozef Ruts op de Willibrordschool

Er komen wel Poolse lotgenoten op bezoek, maar er zijn in deze regio niet, zoals er wel zijn in bijv. Breda of de mijnstreek, verenigingen van Polen. Jozef is wel nieuwsgierig naar de Poolse achtergrond. Zijn vader vertelt wel het een en ander, maar zijn moeder heeft waarschijnlijk te veel meegemaakt. Zij kan er tegen haar zoon blijkbaar niet over spreken. Wanneer Jozef al volwassen is weet hij zijn ouders te overtuigen om een keer naar Polen te gaan. We schrijven dan 1970. Het IJzeren Gordijn is er dan nog, dat viel pas zo’n 20 jaar later. Ze gaan voor 2 weken, met de trein. Ze hebben dollars en Nederlands geld en moeten 2 dollar per dag besteden. Vader heeft zijn Nederlandse paspoort, maar moeder is nog stateloos. Zij heeft papieren met een wit kaft. Bij de Oost-Duits/Poolse grens worden ze uitgebreid gecontroleerd en mevrouw Rudz wordt door de Vopo’s zeer onheus benaderd. Met een trap tegen haar zitting en de uitroep “Schwein”! Moeder Rudz was toch al niet zo blij om terug te gaan en dit was genoeg om te verzuchten: “ik ga hier nooit meer naar toe”. Vader Rudz is verbaasd over de achterstand die in het Oostblok heerst. “Ze rijden hier nog met stoomtreinen”. Aan de Duitsers hadden ze een grondige hekel, maar vader Rudz had een nog grotere hekel aan de Russen. Aan de grens moesten ze in een lange rij wachten door toedoen van Russen. Vader Rudz maakte zich kwaad, stoof op de Russen af en er volgde in het Russisch een scheldkanonnade. Het had wel effect: ze mochten vooraan komen.

Jozef Rudz op eigen benen

Vader en moeder Rudz hebben nog wel van hun pensioen en AOW kunnen genieten. Maar omdat veel jaren in het leger doorgebracht waren was er geen volledig pensioen. Er is, o.a. door de afdeling bevolking van de gemeente en door de huisarts, nog geprobeerd om via Londen een uitkering over die legerjaren te krijgen, maar dat is niet gelukt. Moeder Rudz overleed in hetzelfde ziekenhuis als waar ze in 1947 in Nederland was begonnen. Daar kreeg ze nog bezoek van zuster Zita. Deze zuster werkte in de Mariastichting in de wasserij toen mevr. Rudz er begon Zuster Zita sprak wel Pools, maar met een raar accent. Het is mogelijk dat zij van de Hongaarse grens kwam. Bij die laatste ontmoeting in het ziekenhuis was de zuster al in de 90. Ze kwam de ziekenhuiskamer binnen en de vrouwen glimlachten naar elkaar. Moeder Rudz overleed die dag en, heel merkwaardig, zuster Zita overleed 3 uur later. Jozef is, zoals in de inleiding al gezegd is, een echte Lisser. Maar Polen heeft natuurlijk een speciaal plekje in zijn hart. Hij trouwde ook met een Poolse, is nog dikwijls, ook met zijn ouders, naar Polen geweest en spreekt de taal uitstekend. Zijn kinderen zijn ook met Pools opgegroeid en het was voor de grootouders een groot geluk dat ze daardoor met hen een goed contact konden opbouwen. De oudste dochter werd ook vernoemd naar de grootouders, iets dat in Polen niet echt gebruikelijk is. Ze kreeg de namen Barbara (naar haar moeder), Janina (naar haar oma van moeders kant), Bratislava (naar de moeder van Jozef). Tegenwoordig krijgen Poolse kinderen die hier opgroeien de kans ook onderwijs te krijgen in de Poolse taal. Jozef vindt het jammer dat hij de Poolse taal niet kan schrijven. Met de brandweer, waar hij sinds 1-10-75 actief voor was, is hij in 2001 naar Polen geweest, naar concentratiekamp Auschwitz. Dat was eerst wel heel moeilijk voor hem. Hij voelde de dreiging enorm en realiseerde zich heel erg wat zijn moeder allemaal had meegemaakt. Het bezoek ging verder wel goed. De contacten met de brandweer in Polen kwamen een beetje bij toeval tot stand. De oudste dochter van Jozef had een peettante die in Rytro woonde. Ze waren er op bezoek, Jozef ging een eindje lopen en kwam toevallig langs de brandweerkazerne. Als brandweerman moest hij natuurlijk een praatje maken. Het werd een gezellige boel en hij werd zelfs met de brandweerwagen naar het huis van de peettante teruggebracht. In die tijd was er in Polen nog gebrek aan van alles. Dit bezoekje zorgde voor allerlei stromen van hulpgoederen. Het brandweerkorps in Rytro werd via de regionale brandweer Leiden eigenaar van allerlei brandweermateriaal dat hier overbodig was geworden. Ook kinderhuizen werden geholpen, bijvoorbeeld met dekens. Diverse keren reden ze met de brandweer naar Rytro. Ze overnachtten dan bij mensen thuis. Daar werden ze altijd zeer gastvrij ontvangen. Soms zelfs een beetje te veel, zoals die keer dat ze in de goede week (week voor Pasen) kwamen. De hele week werden ze onthaald met gerechten met, hoe kan het anders, kip, kip en nog eens kip. Prima contacten, en dan word je op een bepaalde dag zelfs uitgeroepen tot ereburger van Rytro. Deze eretitel werd bij die gelegenheid ook toegekend aan een Pool die na de Tweede Wereldoorlog wel terug was gegaan naar Polen (hij wilde naar zijn jonge vrouw terug). Toen hij Jozef’s achtergrond hoorde vertelde hij hoe slecht hij het in Polen had gehad na zijn terugkeer. Als teruggekeerden werden ze gezien als vijanden en riskeerden ze dat ze het slachtoffer van schijnprocessen werden. Je moest altijd op je hoede zijn. Jozef’s ouders hadden gelukkig voor het westen beslist, hoewel ook zij het zeker heel zwaar gehad hebben. De andere brandweermannen die de transporten naar Rytro begeleidden kregen ook het ereburgerschap van Rytro, want, zoals Jozef het zegt, je doet het met elkaar. ■

behorende bij 131, gesloopt in 1951. Hier kwam de bloemenwinkel van Grimme

Bronnen

Een leger in ballingschap en de geschiedenis van het tweede Poolse legercorps door luitenant-generaal W. Anders. Diverse internetsites.

Fotomateriaal uit gemeentelijk-archief, familie archief, VOL-archief, Nationaal Archief het Publiek Domein. Gijs Roem foto Irenestraat.

 

 

 

 

De Blauwe druif Heereweg 131. Hier woonde de familie Rutz met nog 4 gezinnen

De Irenestraat. Daar is het gezin Rudz uiteindelijk gaan wonen. Foto 1978

 

VAN VER GEKOMEN: De Poolse roots van Jozef Rudz (deel 1)

De Poolse roots van Jozef Ruds worden beschreven. Hij heeft 40 jaar bij openbare werken in Lisse gewerkt. Zijn vader was voor zijn geboorte naar Nederland gekomen. Het wel en wee van zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog komt aan de orde. 

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Het Nieuwsblad laat verhalen horen van Lissers met een niet Nederlandse achtergrond. Het verhaal van de Lisser Jozef Rudz mag daar niet aan ontbreken. In Nederland zijn we wel gewend aan personen van buitenlandse afkomst. In een rapportage uit 2016 bleek dat van iedere 14 Lissers er 1 in het buitenland was geboren. Een deel van hen is buitenlander en de grootste groep vormen de mensen met een Poolse achtergrond. De meesten van hen kwamen hier met het idee om geld te verdienen en dan terug te gaan naar hun geboorteland, als arbeidsmigrant.

Jozef met collega aan het straten.

Jozef Rudz is een geboren en getogen Lisser. Veel Lissers zullen hem kennen, want hij werkte 40 jaar bij openbare werken in Lisse. Hij kent Lisse op zijn duimpje. Met het wagentje om Lisse schoon te houden leer je de straten wel kennen. En niet te vergeten de jaren met de vuilniswagen door het dorp: eerst nog met zinken emmers, toen plastic zakken en vervolgens de containers. Openbare werken zat oorspronkelijk in de Kanaalstraat aan de Ringvaart, later werd het de milieustraat aan de Venneweg waar Rudz de laatste 12 jaar van zijn werkzame leven te vinden was. Daarnaast was hij actief bij de vrijwillige brandweer. Een echte Lisser die veel verhalen over Lisse kent en al weer een tijd als vrijwilliger bij Oud Lisse is betrokken. Maar in het kader van deze serie gaat het over zijn wel heel bijzondere familiegeschiedenis.
De naam Rudz Aan de naam Rudz kun je al zien dat die geen Nederlandse oorsprong heeft. Bij een telling van 1947 werd die naam nog niet in Nederland gevonden. Je vindt die naam in Polen, maar ook in Wit-Rusland en Litouwen. Een gebied waar de landsgrenzen nogal eens verschoven zijn. De ouders van Jozef Rudz groeien op in de republiek Polen, een land dat na de 1e wereldoorlog weer een zelfstandige staat is geworden (Eind 18e eeuw was het gebied van Polen verdeeld over Rusland, Oostenrijk en Pruisen). Moeder Bronislawa Osobka werd vlak na de verzelfstandiging van Polen geboren in Borek Stary, een plaats in het zuiden. Vader Wladyslaw werd geboren in 1909 in het dorp Kazarzy bij Wilna in het noorden van Polen. De zelfstandigheid van de jonge Poolse staat werd echter steeds bedreigd. De buurlanden waren het niet eens met de bij het verdrag van Versailles vastgestelde landsgrenzen voor Polen. In 1919 ontstond strijd met de Russen, een strijd die de Polen in hun voordeel wisten te beslissen. De Polen verwachtten in 1938, na de bezetting van Tsjecho-Slowakije door Duitsland, problemen met Duitsland. Gelukkig had Engeland met Polen een bijstandspact afgesloten waarvan men hoopte dat het een bescherming zou bieden voor een Duitse aanval. Polen had een leger en intussen was het Poolse leger versterkt met dienstplichtigen, want vanwege de dreiging was er een mobilisatie. Ook vader Rudz moest zijn land verdedigen. Tot die tijd had hij bij zijn ouders gewoond. Hij werkte in de houtkap op het groot landgoed, in dienst van een baron. Daar zat hij in de bosbouw. In dienst kwam hij als ordonnans terecht bij een motorbrigade. De troepen waren geconcentreerd aan de westgrens, daar kwam de dreiging vandaan. Duitsland en Rusland sloten echter in augustus 1939 een niet-aanvalsverdrag, het Molotov-Ribbentroppact. Later kwam uit dat in dat pact een geheime afspraak was gemaakt om Polen tussen deze beide landen te verdelen. De aanval van Duitsland op Polen volgde op 1 september 1939 en begon met luchtaanvallen, maar ook over land werd aangevallen. Er werd zwaar gevochten. Hoewel de Polen dappere strijders waren hadden ze geen schijn van kans tegen de militaire overmacht van Duitsland. De Polen hoopten dat ze door de strijd te rekken nog een kans hadden wanneer Engeland en Frankrijk zich aan de westkant van Duitsland in de strijd zouden mengen. Tenslotte was er dat pact tussen Polen en Engeland. Helaas, er kwamen wel oorlogsverklaringen, maar militaire acties bleven uit. Toen gebeurde het drama van het oostfront. Op 17 september trokken de Russen Polen binnen, iets waar het Poolse leger niet op gerekend had. De Poolse strijdkrachten waren min of meer ingesloten en dachten nog een ontsnapping te kunnen forceren door naar het zuiden terug te trekken en zich via die route weer bij de geallieerden aan te sluiten. Een deel van het Poolse leger ontkomt zo ook via Roemenië naar Frankrijk en ook Poolse vliegers ontkomen naar Engeland wanneer de strijd verloren is. Zij vechten tot het einde van de oorlog met de geallieerden tegen nazi-Duitsland. Het overgrote deel van de Poolse strijdmacht heeft die kans niet. Op 28 september valt Warschau in handen van de Wehrmacht en was Polen verslagen en letterlijk vernietigd. Oostelijk Polen werd Russisch. Naar schatting werd een miljoen Polen verbannen naar Rusland. Tienduizenden Poolse krijgsgevangenen werden direct gedeporteerd naar de werkkampen van de Goelag. Bij deze groep hoorde ook vader Rudz. Ook burgers, met vrouwen en kinderen, werden wel naar de kampen gestuurd. Goedkope arbeidskrachten en bovendien, ze vormden geen gevaar meer in het verzet tegen de Russen.

Siberië

Eind september 1939 werd vader Rudz krijgsgevangen gemaakt, er volgde deportatie naar Siberië. De reis er heen was een verschrikking, maar het verblijf in de Goelag tart alle beschrijving. Hij werd tewerkgesteld in de bossen, waardoor hij misschien een beetje in het voordeel was omdat hij gewend was aan bosbouw. Maar werken bij -30 C0 is nog wel wat anders. De huid van je gezicht bevriest en gaat ontsteken, de etter druipt wanneer je binnen komt van je gezicht. Eten is zwaar op rantsoen. Een homp(je) brood ’s ochtends, een soort thee van ontdooide sneeuw en dan was er nog een waterige massa die wel afwaswater leek, maar voor soep moest doorgaan. Gelukkig had je dan nog eten gehad, want het kwam ook voor dat er 3 dagen geen eten werd uitgedeeld. Het was een feest wanneer er een paard dood ging, dan konden ze het vlees verdelen. Er heerst een beestachtig regime dat velen niet overleefden. Deze ellende duurde zo’n anderhalf jaar. Politiek was er inmiddels veel gebeurd. Al in 1939 was een Poolse regering in ballingschap ontstaan. Medio ’41 lanceerde Duitsland operatie ‘Barbarossa’: Rusland werd aangevallen. Daarmee werd Rusland min of meer in de westerse gelederen getrokken en dat opende ook de mogelijkheid om iets voor de vele krijgsgevangenen in Rusland te doen. Sikorski, Pools premier in ballingschap die inmiddels in Londen zetelde, bereikte met de Russische ambassadeur in Londen een overeenstemming. Stalin ontbond alle oude afspraken tussen Duitsland en Rusland en stemde er ook mee in dat Poolse staatsburgers, inclusief de krijgsgevangenen, een leger, het 2e Poolse korps, konden vormen dat aan de zijde van de geallieerden kon meevechten, onder bevel van de Poolse regering in ballingschap. Als bevelhebber werd generaal Anders aangewezen, een generaal die in 1939, bij de strijd tegen de Russen gewond was geraakt, krijgsgevangen was gemaakt en al die tijd onder barre omstandigheden in Rusland gevangen zat.

De vorming van een leger

Op 4 augustus 1941 hoort Anders wat er van hem verwacht wordt. Het is een volkomen verrassing voor hem. Hij komt uit de gevangenis in zijn gevangenisbroek en zonder sokken en wordt met een limousine van de geheime dienst naar een flat gebracht van waaruit hij met de organisatie kan beginnen. Hij is nog zo zwak dat hij zelfs gewoon voedsel niet kan verdragen. Hij moest dus een leger zien te vormen, maar over hoeveel Polen het zou gaan en waar ze verbleven was onduidelijk. In ’39 was er een getal van 300.000 man Poolse troepen gemeld dat gevangen was genomen, maar hoeveel waren er niet in gevangenschap omgekomen? En dan waren er nog de Poolse burgers die naar Rusland gedeporteerd werden. De Polen waren verdeeld over diverse gevangenissen en kampen. Het was schier onmogelijk om een leger te formeren. Er werd echter wel een datum genoemd waarop de formaties gevechtsklaar moesten zijn: 1 oktober 41. Volkomen onhaalbaar natuurlijk. Het leger zou samengesteld worden in Buzuluk. Dat ligt in Zuid Rusland, aan de zuidkant van het Oeralgebergte. Uit allerlei uithoeken van Rusland kwamen Polen die zich bij het leger wilden aansluiten. Lopend, met veewagens, per spoor. Vanuit Siberië ging ook vader Rudz op pad om zich aan te melden. Veel mensen hadden nauwelijks kleding of schoeisel. Maar in hun lompen waren ze zeer gemotiveerd om zich bij het leger te voegen. Voor kleding en voedsel zouden de Russen zorgen. Maar dat was meteen al een probleem. Mondjesmaat werd er voor kleding gezorgd, maar de afgesproken hoeveel
heid voedsel werd niet geleverd. Dat was nog extra moeilijk omdat er zich ook vrouwen en kinderen meldden die hiermee de kans wilden grijpen om uit Rusland weg te komen. Zij werden door de Russische organisatoren niet meegeteld voor de voedselrantsoenen. Ze kwamen uit de ellende en het bleef bijna hetzelfde: het povere wat er was moest gedeeld. De ellende was natuurlijk veel beter te dragen want er was uitzicht op het verlaten van het gehate Rusland en men zou de strijd aangaan tegen nazi-Duitsland. Generaal Anders neemt op 14 sept. een eerste defilé af: 17.000 soldaten, in lompen gehuld, vaak in resten van Poolse uniformen, uitgemergeld en met zweren overdekt vanwege de geleden honger, maar wel allemaal netjes geschoren en met een fiere militaire houding. Toen was er de eerste mis die ze konden bijwonen, waarbij ook gezongen werd: “oh heer, geef ons vrije land aan ons weerom”. Diepe ontroering was er en de beloning, terug naar een vrij Polen, leek in zicht. Ondertussen bleven zich nog steeds Polen aanmelden. De eerste militaire oefeningen begonnen, er kwam langzamerhand lijn in de organisatie. Maar van de kant van de Russen werd duidelijk getraineerd. De kwestie van wat nu de grens tussen Polen en Rusland moest worden ging weer meespelen. Het begon er op te lijken dat Ruslands eigenlijke doel was de hoogste macht in Polen te bereiken. Geen vrij Polen dus. Gelukkig voegde Amerika zich in dec. ‘41 in de strijd. Dat gaf de Poolse strijders weer moed.

Eerst Perzië, dan via Palestina en Egypte naar Italië

Begin ‘42 werd besloten dat de Poolse eenheid verplaatst zou worden naar het zuiden, van Buzuluk naar Yangi-Yul bij Tasjkent. Ook de burgers zouden meegaan. De militairen kregen Engelse uniformen. Maar de gezondheidstoestand was nog abominabel. Er kwam overeenstemming over verplaatsen van de Polen naar Teheran in Perzië (heet nu Iran). In het late voorjaar tot in de laatste weken van augustus ’42 werden de troepen en burgers verplaatst. Een hele onderneming, deels per trein en per boot over de Kaspische zee. Door bombardementen werd dat later noodgedwongen een langere route over land per trein. Er werden meer dan 100.000 personen gerepatrieerd. Het Anders’ leger telde toen zo’n 74.000 militairen en werd samengevoegd met Poolse eenheden die al in het westen waren. In Perzië werd het Poolse leger omgevormd tot een echt leger. De conditie van de soldaten was verbeterd, men had Engelse uniformen en was bewapend en getraind. Het Poolse leger was gevechtsklaar en werd verplaatst naar Gaza. Vader Rudz kreeg hier zijn training als tankschutter. Daar werden ook oefeningen gehouden (kerst werd gevierd in Bethlehem).

Een verhaal dat vader Rudz vaak vertelde ging over de zandstorm. Er was een troepentransport. Ze hadden zich er tijdens het transport over verwonderd dat ze nergens tegenstand ondervonden van Duitse troepen. Het transport vond plaats tijdens een woestijnstorm. Zo’n storm is heel heftig, je wordt door het zand gegeseld en ziet geen hand voor ogen. Daar trokken ze dus doorheen. Toen de storm eindelijk ging liggen en ze weer wat zicht kregen bleek dat de vijand ook door de zandstorm was getrokken. Alleen in de andere richting. Ze hadden elkaar ongemerkt gepasseerd. Van Gaza ging het leger via Egypte naar Italië. Afrika was toen inmiddels totaal in geallieerde handen en via Italië moest nazi-Duitsland bedwongen worden. ▶

Wordt vervolgd in het zomernummer.

VAN VER GEKOMEN: Guicherituit Indië (deel 2)

Magda Guicherit woont in de van der Veldstraat. Magda is een telg uit een familie, die rond 1950 Indonesië ontvluchtte. De geschiedenis vóór die tijd wordt beschreven.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Het vervolg van het verhaal van Magda Guicherit over haar familie, die door de machtsovername van Soekarno gedwongen werd hun Indië te verlaten. Hoe zij met vele anderen na een lange bootreis in Nederland van boord gingen. De familie Guicherit vond haar plek uiteindelijk in Lisse.

Magda hoe verliep de opvang in Nederland? “Mijn vaders moeder had haar eigen ticket betaald van Tandjong Priok Batavia naar Rotterdam, een bedrag van 1800 gulden. Vader heeft de overtocht van ons gezin zelf betaald, een bedrag van 7650 gulden. Mijn ouders hebben heel veel moeten verkopen om alles te betalen. Er waren in Indonesië mensen die voor ons de spullen gingen verkopen, daar zijn mijn ouders ook mee bedrogen. Het inkomen van vader was best heel goed, maar zo waren wij wel meteen door al het gespaarde geld heen”. Magda laat foto’s zien van het contractpension Hotel “Zee en Duin” in Katwijk aan Zee,  waar de familie negen maanden woonde en vervolgt: De periode in het contractpension, daar kregen ze wel een vergoeding voor, maar het grootste deel moesten ze zelf betalen. Daarna kregen ze toen ze in Lisse kwamen wonen meubelvoorschotten en kledingvoorschotten, maar het woord zegt het al: je moest het wel terugbetalen. Van het Rode Kruis kregen we een soort trainingspakken, van die kriebelpakken.” Magda zegt lachend: “Daar kan ik me ook nog wel iets van herinneren. Het kriebelde. Ik was nog maar een baby, maar ik zal best wel van die afgedragen pakken hebben gehad.”

Hoe hebben je ouders de opvang beleefd?

“Vader en moeder klaagden niet. Je moet je voorstellen: vader had als dwangarbeider aan de Birma-spoorlijn gewerkt. Hij was helemaal vermagerd teruggekomen, kon bijna niet meer op zijn benen staan, kreeg een uniform aan en nam in 1946/1947 deel aan de politionele acties en dat is ook weer heel heftig geweest. Bali was zijn eerste standplaats en daar werd hij na bijna vier jaar herenigd met ons gezin. Die militairen werden steeds verplaatst en die gezinnen hobbelden er maar achteraan. Mijn moeder is van Bali, naar Lombok, naar Sumatra en al die eilanden meegegaan. Ze moest steeds afwachten waar ze terecht kwam en ging elke keer met alle spulletjes en kinderen op sjouw. Ze hebben zo’n hectische tijd meegemaakt, dus als je hier in Nederland niet goed behandeld werd, dat was dan peanuts. Je leven liep hier geen gevaar. Alles was in wezen een verademing”. Een dag na Magda’s eerste verjaardag, 18 mei 1951, verhuisde het gezin van het pension in Katwijk naar een gloednieuw huis in de Romijnstraat in De Engel.

Hoe zijn jullie in Lisse terechtgekomen?

“Dat we in Lisse zijn gaan wonen, kwam door burgemeester De Graaf. Vader kende hem al in Indië. Onze pa was in Indië gouvernementsambtenaar en werkte de laatste jaren in Makassar bij de politie. Hij werkte niet in uniform, maar hij was daar hoofd van het kantoor. De Graaf woonde met zijn gezin ook in Indië. Hij had indologie gestudeerd, hij was indoloog. De familie De Graaf moest daar natuurlijk ook weg, vlak na de oorlog. In Nederland kwamen zij elkaar weer tegen. Toen wij hier in 1950 naar toe kwamen, was De Graaf inmiddels kamerlid voor de KVP en was hij net benoemd tot burgemeester van Lisse. In die periode heeft hij contact gehad met mijn vader en heeft hij gezegd ‘waarom kom je niet naar Lisse?’. Het zat niet in de planning dat we naar Lisse zouden komen. Ze wilden ergens in Nederland gaan wonen, niet in Den Haag, want daar woonde een grote groep Indische Nederlanders. Ze wilden eigenlijk integreren, dat was het hoogste doel.”

Was het aanpassen moeilijk voor je ouders?

“Nee. Mijn ouders waren al in Nederland geweest, hadden in Nederland op de lagere school gezeten. In de jaren twintig gingen ze om met Nederlandse kinderen. Je had toen helemaal geen bruine kinderen of bijna niet. Ze wisten hoe het zat. In de Anemonenstraat woonden vier andere Indische families, Heineken, Kramer, Vogel en Kater. Maar daar hadden mijn ouders geen aansluiting bij. Ze gingen niet om met de Nederlandse, maar ook niet met de Indische families.” Magda zegt met enige aarzeling: “Ze waren in Indië echt van een hoge sociale klasse. Ze hadden aanzien en ze hadden goede banen. Ze verdienden heel veel geld. Ze hadden bediendes. Toen kwamen ze hier in De Engel in een heel andere sociale omgeving. Er was wel onbegrip en onkunde, maar mijn ouders hadden een soort kracht van binnen. Dat ze dachten van nou ja, die mensen weten niet beter. Lisse was een klein dorp, De Engel was een volksbuurt. Dan zeiden ze “pindapoepchinees” en dan zei je wat terug, witte kaaskop of rooie stier. Het was ook niet onderhuids. Het was niet gemeen. Het was geen vijandigheid. Er waren wel vijf, zes Indische families in de Engel. Voor onze ouders en ons gezin is het goed geweest dat we in Lisse terecht zijn gekomen. Ik kan het een beetje vergelijken met familieleden van mijn moederskant. Een groot deel van haar familie is bij elkaar gaan wonen in Almelo. Een paar broers en een zus. Die klitten bij elkaar en die ervoeren veel meer discriminatie en achterstelling. Daar klaagden de tantes nogal over en mijn moeder zei altijd ‘dat ligt aan jezelf’. Mijn ouders hamerden op integratie en zeiden ‘zorg dat je er sterker van wordt als iemand je kwaad doet en verval niet in een slachtofferrol’. Mijn ouders hadden weinig aansluiting in de buurt, ook omdat ze daar geen tijd voor hadden. Mijn vader was wel actief in de Hervormde Kerk. Ze gingen om met familie en met mensen van de kerk. Mijn moeder was actief in het verenigingsleven. Zij zat in het bestuur van de padvinderij. Moeder zat ook bij de hervormde vrouwenvereniging. Ik denk dat het een sociaal probleem was. Pa en ma hadden altijd in hogere kringen verkeerd en voelden zich niet zo op hun gemak in de buurt. Ik ben erin opgegroeid, voor mij lag dat anders. Maar ze konden wel met iedereen goed opschieten. Er was bij ons wel een grote gastvrijheid. De melkboer, de bakker en de slager kregen koffie. Ze hebben het er nog over.

Was er een vorm van begeleiding voor jullie gezin?

“Nee, we hadden wel te maken met een sociaal werkster, dat was juffrouw De Vries, maar dat had te maken met het feit dat mijn moeder in 1955 naar het ziekenhuis ging. Ze had bot-tbc en heeft tweeënhalf jaar in een gipsbed gelegen. Ruth, de jongste, was net een jaar. We kregen steeds een andere gezinsverzorgster. Ze mochten niet langer dan zes weken blijven, anders kregen ze een band met ons gezin en dat was niet wenselijk. Een anekdote: mijn vader was naar het sanatorium, het was op zaterdag. Mijn oudste broer was thuis uit militaire dienst. Toen hadden we een draak van een gezinsverzorgster. Zij kookte warm voor de kinderen tussen de middag. Ik vergeet het nooit, het is een trauma geweest. Ze had spinazie gekookt met allemaal zand erin en het was heel stug, het was niet fijngesneden, heel grof. Ik voel het nog glibberen in mijn keel en het kwam er zo weer uit. Ze was zo boos, ik moest het opeten. Mijn broer zei: ‘Je bent toch niet gek geworden, je laat dat kind toch niet haar eigen overgeefsel opeten’. Ik was zo blij dat mijn broer thuis was. Daarna hebben twee vrijgezelle tantes twee jaar voor ons gezin gezorgd. Pas toen we naar de Anemonenstraat verhuisden in 1957, kwam mijn moeder weer thuis.” Magda herinnert zich dat zij en haar broer Theo twee keer in de week op bezoek gingen bij haar moeder in het sanatorium in Katwijk. Op zaterdag met vader en op woensdagmiddag gaan ze, vijf en zes jaar oud, zelfstandig met de bus. Ze stapten op bij Juffermans. “We konden toen nog niet lezen, maar wisten wel welke bus we moesten hebben. Er ging een bus naar Leiden en één over Katwijk naar Den Haag. Bij Den-Haag stond er een streepje tussen de woorden, zo wisten we welke bus we moesten nemen.”

Naar welke school gingen jullie?

Magda zegt vol trots: “Onze oudste broer is van 1935 en mijn moeder heeft hem in de oorlog en tijdens de Bersiap-tijd zelf onderwezen. In Makassar heeft hij een diploma gekregen van de lagere school daar. Hier kon hij zo naar de HBS. Mijn broer Bert was acht toen hij naar Nederland kwam. Hij is in Katwijk gewoon doorgegaan met het Indische rapportboekje. Dat is wel grappig. Kijk, mijn moeder heeft het nog keurig gekaft. Ik heb zelf een jaar op de openbare lagere school gezeten.

Christelijke Nationale School “ De School met de Bijbel” Broekweg 112. De kinderen uit de meeste andere Indische families zoals Benjamins, De Pineda, Douglas kwamen hier ook naar school.

Daarna gingen we naar de School met de Bijbel op de Broekweg. Dat was om de hoek. Daar zaten ook alle andere kinderen met een Indische achtergrond. De meeste mensen uit Indië waren protestant.
Voelden je ouders zich verraden door de staat? “Ja, dat wel. Mijn vader was aan het begin van de oorlog gemobiliseerd, hij was soldaat. Toen is hij in het kamp terechtgekomen. Hij werkte aan die Birma-spoorlijn. En al die tijd heeft hij geen soldij gekregen. En die vrouwen moesten maar zien hoe ze rondkwamen. Mijn moeder had geluk dat ze uit een rijke familie kwam. Ze moesten hun bezittingen verkopen. Mijn vader heeft ook later nooit een vergoeding gekregen voor de jaren dat hij als militair gevangen heeft gezeten. Door burgemeester De Graaf heeft mijn vader werk gekregen als gemeenteambtenaar met onder andere de functie van meteropnemer.

Webmaster:

De rest van het verhaal plaatsen we hier niet in verband met de privacy. Dat kunt u lezen in het Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018, in te zien tijdens de inloop op dinsdagmorgen.

VAN VER GEKOMEN: Guicherit uit Nederlands Indië (deel 1)

Magda Guicherit woont in de van der Veldstraat. Magda is een telg uit een familie, die rond 1950 Indonesië ontvluchtte. De geschiedenis vóór die tijd wordt beschreven.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het verhaal van een familie die door de machtsovername van Soekarno hun vaderland moest verlaten en een plek  vond in een voor hen vreemde maatschappij.Dit is het eerste deel van een serie verhalen over mensen die vanuit een ander land kwamen om in Lisse een nieuw bestaan op te bouwen. Vaak werden zij door omstandigheden gedwongen hun vaderland te verlaten, anderen zochten een beter bestaan.

Op een mooie, zonnige maar koude dag in november ontvangt Magda Guicherit ons met koffie in haar gezellige jaren 20-huis in de Veldhorststraat. Vanuit de kamer kijken we op de speelse tuin met niveauverschillen. Magda is een telg uit de familie Guicherit, een van de families die in de jaren vijftigvan de vorige eeuw Indonesië ontvluchtten en in
Lisse terecht kwamen. Hoe verging het ze hier? Hoe hebben zij hun weg gevonden in de Nederlandse samenleving? Op deze en andere vragen geeft Magda openhartig en uitvoerig antwoord.

Franse en de Sumatraanse roots

Magda Guicherit is in 1950 geboren in Indonesië, het voormalige Nederlands-Indië. Vlak daarna vertrok de familie naar Nederland. Na het overlijden van haar vader besefte Magda dat zij niet zoveel van de geschiedenis van haar familie afwist. Zij vroeg haar moeder die op te schrijven en zij is heel blij dat haar moeder en ook haar moeders zusje dat hebben gedaan. Wij mochten de memoires van Magda’s moeder Irene Daniela Guicherit-Schift gebruiken als inleiding op het interview met Magda. Grootvader Rudolph Theodoor Guicherit stamt uit  een Frans hugenotengeslacht. Magda’s vader Hans Guicherit is in 1914 in Indië geboren, maar zijn lagereschooltijd brengt hij door in Amsterdam. De familie keert terug naar Indië en daar gaat hij naar de HBS. Magda’s grootvader van moederskant is afkomstig van de Riau-archipel behorende bij Sumatra. Hij wordt geboren in 1893 als zoon van een inlandse vorst en krijgt de naam Mohammed Ali Nurpiah. Zijn titel is Raden, een aanspreektitel voor adellijke personen. Zijn familie brengt hem voor zijn schoolopleiding onder bij een rijk, kinderloos, Hollands echtpaar, de familie Schift. Zij laten het jongetje niet meer gaan en adopteren hem officieus. Magda vertelt dat hij wel een opleiding kreeg, wel mocht leren, maar niet teveel. Hij moest niet te ontwikkeld worden. Hij zou het niet verder brengen dan een baantje als stationschef.
Vreemd verhaal van moeder Irene “Het vreemde was” schrijft Irene Daniela Guicherit “dat alhoewel mijn vader al op heel jonge leeftijd bij de familie in huis kwam en zijn adoptief moeder hem tegenover anderen altijd haar pleegzoon noemde, hij van zijn kant altijd ‘mevrouw’ tegen haar bleef zeggen. Er was dus nooit een toonbare liefdesband tussen hen geweest. Heel vaag herinner ik mij nog een voorval met betrekking tot mijn vader. Er heerste op een of andere dag opschudding, want een oom van mijn vader had zijn bezoek aangekondigd. Hij kwam in een rijtuig aan en ik herinner me dat achter hem aan een man liep, die een gouden pajung (paraplu) boven zijn hoofd hield, dat was het teken van heel hoge adel. Hoe hij er zelf uitzag, kan ik me niet meer herinneren, alleen die pajung had grote indruk gemaakt”. In 1913 trouwt Noerpia met Magda’s oma, de 15-jarige Maria Theresia, de natuurlijke dochter van de Nederlander J.M. van Amstel en een inlandse onderwijzeres, Raden Ajoe Soemiah, ook afkomstig uit een aristocratisch geslacht.
Het jonge paar woont in bij de familie Schift en neemt in 1915 ook de naam Schift aan. Irene Daniela Guicherit-Schift: “Ik ben geboren op 8 mei 1914 in Cheribon. Mijn moeder was nog heel jong, nauwelijks zestien jaar en mijn vader nog geen twintig. Of zij mij met blijdschap ontvangen hebben, weet ik niet. Dat zal wel, want ik was de eerste. Maar wie er wel dolgelukkig waren, dat waren hun pleegouders. Zij waren van mening dat ik HUN kind was en leerden mij van jongs af aan, dit zo te zien. Mijn ouders moest ik als broeder en zuster beschouwen. Ik moest tegen hen, de pleegouders van mijn vader, “pappie” en “mammie” zeggen en tegen mijn werkelijke ouders “Jozef en Trees”. Het waren zeer welgestelde mensen. Hij was assistent-resident, een hoge bestuursfunctie in die tijd. Ruim een jaar na mijn geboorte werd er een tweede dochter geboren en ook hiermee gebeurde hetzelfde. Toen ik twee jaar was verhuisden wij van Cheribon naar Batavia. Daar hadden zij een huis laten bouwen in – voor die tijd – moderne stijl. Het was een heel groot en mooi huis. We hebben er na de oorlog wel met 45 personen in gewoond. Op de voorgevel stond in mooie letters “IRENE”, mijn naam, want dat huis zou na hun dood alleen voor mij bestemd zijn.
Mijn ouders bleven ook in het huis wonen en kregen het paviljoen. Daar werd ook een derde kind geboren, mijn zusje Nita. Wij, mijn zusje De en ik, sliepen in het hoofdgebouw, bij mijn grootouders” [de familie Schift, red.] De familie Schift, zegt Magda, pikten de drie meisjes als het ware in. Voor de twee later geboren jongetjes had het echtpaar Schift geen belangstelling. Die mochten bij hun ouders blijven wonen. De drie meisjes leiden een luxeleventje, met veel pretjes en uitjes. Ze worden opgevoed voor een leven in de hogere kringen. Ze krijgen vioolles en pianoles. Mevrouw Guicherit wordt een uitstekende pianiste. Magda’s moeder brengt een deel van haar lagere schooljaren door in Nederland, in Den Haag. Terug in Indië gaat ook zij naar de HBS. Op 10-04-1941 trouwde de ouders van Magda. Vader Hans Guicherit en moeder Irene Daniela Schift vormen vanaf nu een paar, samen met René eigenlijk al een klein gezin.

Oorlog in Nederlands Indië

VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung,  oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.

Een verschrikkelijke tijd breekt aan voor het jonge gezin als in 1941 Nederland Japan de oorlog verklaart. Het gezin Guicherit telt één zoon, een tweede kind is op komst. Tijdens zware bombardementen op Batavia wordt eind februari 1942 zoon Bert geboren. De gemobiliseerde Hans Guicherit, die de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt kort daarna krijgsgevangene van de Japanners. Die transporteren hem naar
VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung, oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.
Thailand, waar hij als dwangarbeider zwoegt aan de aanleg van de beruchte Birma-spoorlijn, de Dodenspoorlijn. Bijna vier jaar duurt het voor hij vrouw en kinderen weer ziet. Mevrouw Guicherit leeft al die tijd in onzekerheid over zijn verblijfplaats. Zij trekt in bij haar ouders, haar echte. Haar vader heeft nu profijt van zijn Indonesische afkomst en houdt zijn baan bij de Spoorwegen en zo zijn er nog enige inkomsten. Als Indische Nederlandse, als Indo, wordt Irene Guicherit niet geïnterneerd in een kamp, maar woont ze aan de rand daarvan, ze is een “Buitenkamper”. Ze slaagt erin met de kinderen de oorlog door te komen.
Bersiap-periode Uit de memoires van Magda’s moeder: “Maar eindelijk kwam voor ons toch ook een einde aan de ellende…? Ja dat dachten we. We merkten dat de bevolking, de Indonesiërs, zich plotseling heel vijandig tegenover ons gingen opstellen. Niet allen natuurlijk, maar wel de jongeren. Die hadden een leger opgericht. Ze wapenden zich voorlopig nog met bamboespietsen en messen. Er brak toen een tijd voor ons aan, die nog veel onzekerder en onveiliger was dan we in de bezettingsjaren gekend hebben. Tassen en fietsen werden uit je handen gerukt. Ze sloegen je vaak, zodat je niet meer alleen de straat opdurfde. Families die een beetje verder van de Engelse Militaire Commando woonden (deze bestond slechts uit enkele honderden mensen), werden volkomen uitgemoord. De Engelsen konden met zo’n handjevol niet optreden en daardoor werd de situatie hoe langer hoe gevaarlijker. De verkopers aan de deur mochten hun waar niet meer aan ons verkopen. Zo werd de voedselsituatie hoe langer hoe moeilijker. Was dit nu VREDE??” Onder de mensen die nog geïnterneerd zijn in de kampen, vallen in deze Bersiap-periode betrekkelijk weinig slachtoffers. Zij vallen onder de bescherming van de Japanners. Juist de Buitenkampers lijden zwaar onder het extreme geweld. “Wij woonden toen nog in de Struiswijkstraat, maar verhuisden al heel gauw nadat we zagen hoe Indonesische jongeren het huis tegenover ons helemaal leeghaalden. Ze stonden met messen en bamboespietsen voor het huis.” Onder bescherming van de Engelsen verhuist de familie naar de eigen villa ‘Irene’. “We zaten daar toen met 45 mensen. Het was zo’n gespannen toestand dat ruzies natuurlijk niet uitbleven. Het was een hele nare tijd. Beschietingen van extremisten op ons huis, dat pal naast het interneringskamp stond en waar Jappen zaten, die voor de veiligheid van van de ex-geïnterneerden garant moesten staan. Het was een complete chaos eigenlijk”. Als vele andere ex-krijgsgevangenen komt Hans Guicherit weer in dienst van het Nederlandse leger en neemt deel aan politionele acties. Eerst op Bali, waar hij herenigd wordt met zijn gezin, en
later op andere eilanden. Eind maart 1947 wordt dochter Trix geboren. Een maand later volgt de demobilisatie en verhuizen ze naar Makassar op het eiland Celebes.
Behouden vaart Hans Guicherit komt in dienst van het Nederlands gouvernement en bevordering op bevordering volgt. In Makassar ziet in 1948 zoon Theo het levenslicht. In mei 1950 breken in Makassar bloedige gevechten uit tussen de soldaten van Soekarno en opstandige Molukse groeperingen. Magda’s vader kan vanuit zijn werk zijn huis en zijn hoogzwangere vrouw niet meer bereiken. Het huis van de Guicherits ligt in de vuurlinie van de strijdende partijen. Na vijf dagen is er een staakt-het-vuren en bereikt hij zijn huis via de muur van het huis van de directeur van het ‘krankzinnigenwezen’. Die zegt hem: “U bent meneer Guicherit, ik feliciteer u met de geboorte van uw dochter”. Die dochter is Magda, door de directeur ter wereld geholpen. Op 30 augustus 1950 gaat de familie Guicherit met oma Guicherit in Tandjong Priok scheep aan boord van het Engelse stoomschip de Ormonde. Het schip vaart via het Suezkanaal over de Middellandse Zee langs Portugal naar Rotterdam. Een plezierreisje met kinderfeestjes, dinertjes, bal masqués en een captains dinner. 24 september legt het schip aan in Rotterdam en verlaat de familie de Ormonde. Magda Guicherit vertelt hoe het de familie verder verging, in de wintereditie van 2018.

Wordt vervolgd.