Berichten

LISSE HEEFT NÓG EEN HOFJE: AAN DE PRINSESSESTRAAT

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Gebouwd voor ouderen, maar nu vooral bewoond door jongeren
Er is veel commotie rond het voortbestaan van het Hofje van Six aan de Kanaalstraat. Maar Lisse heeft nog een hofje! Niet zo oud als het Hofje van Six en ook niet direct in het centrum, maar in de Prinsessestraat. Ruim een halve eeuw geleden, om precies te zijn op 19 juni 1951, metselde burgemeester Mr. Th. M. J. de Graaf de eerste steen.

Dit hofje werd ontworpen door architect Van Tol en gebouwd in opdracht van de woningbouwvereniging Volksbelang die later met de woningbouwvereniging Het Gezinsbelang fuseerde en het huidige Trias vormde. De woningen waren voor de “ouden van dagen” zoals het plaatselijke blad ‘Ons Weekblad’ indertijd meldde. Dat de eer voor het leggen van de eerste steen aan burgemeester De Graaf werd gegund was niet zo vreemd omdat hij zich enorm bij het ministerie van Volkshuisvesting en wederopbouw (…) had ingespannen om in een tijd waarin een bouwstop gold toch deze woningen te realiseren. Het plan om die huizen te bouwen kwam overigens van Leen Tibboel die als gebaar de tweede steen metselde, gevolgd door wethouder J.W.A. Lefeber met de derde steen en woningbouwvoorzitter M. van der Lans de vierde. Een half jaar later werden de huisjes opgeleverd.

Kolenkist bij de achterdeur
Het hofje omvat 23 kleine woningen die rond een fiks plantsoen zijn geformeerd en dankzij het feit dat die binnenplaats slechts beperkt vanuit de omliggende straten bereikbaar is, is er sprake van een zekere geborgenheid. Een rustig stukje in het alsmaar drukker wordende Lisse. Aanvankelijk waren de huisjes dus gebouwd voor de oudere dorpelingen, inclusief een kolenkist bij de achterdeur want er werd nog op kolen gestookt en dan was het voor de oudere Lissers wel zo prettig als zij bij slecht weer niet al te ver de deur uit hoefden om kolen te scheppen. De woningbouwvereniging had er echter geen flauw idee van of het plan zou slagen. De bejaarden zouden wellicht opzien tegen het verhuizen van het vaste vloerkleed of de kans op scheuren van het linoleum bij de verhuizing! Aan de ongetwijfeld hogere huursom was wel een mouw te passen. Maar of men bereid was de oude, vertrouwde stek en omgeving te verlaten was een vraag waarop alleen de tijd het antwoord zou kunnen geven. Het plan van de woningbouwvereniging pakte echter goed uit, want alle woningen konden aan mensen uit de doelgroep worden toegewezen. Met in de plaatselijke pers de kantekening dat men daarbij nu ook weer niet moest denken dat de bewoners uitsluitend bestonden uit mensen met zilvergrijze haren die met behulp van een wandelstok van de ene kamer naar de andere kreunden., maar wel door mensen die geen wieg en geen luiers meer nodig hadden. Het plan was dus geslaagd, maar anno 2006 voldoen de huisjes niet meer aan de eisen die nu aan woningen voor ouderen worden gesteld. Inmiddels wordt een aantal huisjes dan ook bewoond door jongeren, die daar een schitterende plek hebben gevonden.

Volksbelang
De woningbouwvereniging Volksbelang werd opgericht in een tijd waarin het gros van de Lissese inwoners het bepaald niet breed had. Het was de tijd van lage weeklonen (minder dan een tientje) en hele lange werkdagen van ’s morgens zes tot ’s avonds zeven uur en op zaterdag kon men ook nog eens een keertje aan de bak tot in de middag. Huizen waren er in Lisse uiteraard wel maar niet al te veel en als we dan de kapitale villa’s langs de Heereweg maar even wegdenken, was het allemaal nog zeer eenvoudig ook. Welnu, het allereenvoudigste was goed genoeg voor met name de groep bloemistknechts waaruit zo ongeveer heel werkend Lisse bestond, maar het bleek een hele klus om een dergelijke woning in bezit te krijgen. Bekend is, dat zelfs menigeen in een schuur de nacht doorbracht of er zelfs totaal woonde. Het kon dan ook niet uitblijven dat in de rijen van de Volksbond eens nadrukkelijk over dit onderwerp werd gesproken en ziedaar, men boekte resultaten. Onder leiding van de geestelijk leider van de Volksbond en de heer H. v.d. Lans werd een oprichtingsvergadering gehouden en meldden zich gelijk al 26 leden voor de nieuwe woningbouwvereniging Volksbelang. Een vereniging die weliswaar op Rooms-Katholieke leest was geschoeid, doch steeds voor alle gezindten bereikbaar is gebleken hetgeen het sociale streven van deze vereniging weerspiegelt. Wel, de vereniging was er in 1907, maar men had nog geen enkel huis om uit te delen. Zelfs nog geen plekje grond en geen enkele steen om de eerste arbeiderswoning te gaan bouwen. Er werd, voordat het uiteindelijk zover was, nog heel wat vergaderd.

Vijftig vergaderingen
Na zo’n dikke 50 bestuursvergaderingen was het dan eindelijk zover. De woningbouwvereniging Volksbelang kreeg de kans om een aantal huizen voor haar wachtende leden te gaan bouwen. Het was toen inmiddels al zeven jaar na de oprichting, dus 1914, en met gezwinde spoed ging men er tegenaan. 25 Woningen werden gebouwd in de Julianastraat, te weten de nummers 102 tot en met 124 en 103 tot en met 125. Huizen die inmiddels zijn gesloopt in het kader van de vernieuwing van de Oranjebuurt, tegenwoordig Vorstenhove genoemd. Voor de eerste 25 huizen van de vereniging kwamen ook de eerste 25 leden in aanmerking en dat gaf weinig moeilijkheden bij het verdelen. De oorspronkelijke huur bedroeg een gulden 85 per week en werd iets later verhoogd naar twee gulden tien. En dat op bouwgrond die voor twee kwartjes per meter werd gekocht…..
De explosie in de woningbouw door en voor Volksbelang kwam in de na-oorlogse jaren. Eerst werd de Koningstraat en omgeving gebouwd, alsook de Prinsessestraat en omgeving. Inclusief het hofje dat er na 55 jaar nog altijd in puike conditie bij staat en waarvan de huisjes erg gewild zijn. Al was het alleen al vanwege de rustieke ligging……

Entree van het Hofje in de prinsessestraat

 

De tuin met huisjes van het Hofje

COÖPERATIE ONDERLING BELANG SLUIT DE DEUREN, MAAR HET WERK GAAT DOOR

De Coöperatie Onderling Belang sluit de deuren, maar het werk gaat door. De huuropbrengsten van de winkels komt ten bate van de Lissese gemeenschap. De historie begon in 1918.

door S. Smakman

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

.

Huuropbrengst winkels ten bate van Lissese gemeenschap

Coöp Cooking op de hoek van de Kapelstraat en de Kanaalstraat. Dit gemeentelijk monument is reeds verhuurd aan een Lissese ondernemer

Om maar meteen het grootste misverstand uit de wereld te helpen: met de sluiting op 1 juni van dit jaar is de Coöperatie Onderling Belang géén verleden tijd. Maar, beaamt secretaris René Elfering meteen, in de beleving van de Lissers komt op die dag wel degelijk een einde aan een historie die begon op 27 september 1918. ‘Met het vermogen van de meubelzaak en de luxe kookwinkel, kunnen we nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.’

Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog – ‘Waarschijnlijk in de kermisweek,’ grapt voorzitter Kees van der Zwet – kreeg Lisse zijn Rooms-Katholieke UA (die letters staan voor uitgesloten aansprakelijkheid) Onderling Belang. De plaats van vestiging was een klein winkeltje in de Kapelstraat. Die plaats heeft de coöperatie nooit meer verlaten, ook al beschikt de winkel daar sinds jaar en dag over 1200 vierkante meter.
De coöperatie, zegt Van der Zwet, kwam niet zozeer voort uit de angst van de confessionele zuilen voor het socialisme, waartegen via het opbouwen van eigen zuilen een solide tegenmacht moest worden geschapen, maar kwam eerder overgewaaid uit Engeland. Daar bloeiden de verbruikscoöperaties op waarmee de arbeiders een einde wilden en konden maken aan de gedwongen winkelnering. De arbeiders werden daar door hun werkgevers niet zelden verplicht om hun salaris bij bepaalde winkels te besteden.
Van der Zwet: ‘Die coöperaties zorgden ervoor dat de arbeiders zich vrij konden bewegen. En je moet het zien in de tijd: in die tijd paste het coöperatieve denken. Dat zie je aan bijvoorbeeld de kredietcoöperaties, wat de enige manier was om geld bij elkaar bij te krijgen. En in de agrarische wereld zie je de coöperatieve veilingen opkomen.’

‘In Nederland,’ zegt Henk Elfering – zoon van oprichter Hein Elfering en 39 jaar actief geweest in het bestuur van Onderling Belang – ‘was het idee achter de verbruikscoöperaties vooral: een tegenwicht te vormen tegen het grootwinkelbedrijf dat langzaam maar zeker opkwam: Albert Heijn, De Gruijter en de Spar.’
Voor een paar gulden kon je lid worden. Dat was niet voor iedereen direct te betalen in een tijd waarin een volwassen man met 6 of 7 gulden in de week thuis kwam en daarvan een groot gezin van moest onderhouden. Daarom was er mogelijkheid om in termijnen te betalen. Langzaam maar zeker kwam dat geld terug, herinnert Henk zich: ‘Er stond een grote kast op kantoor en daar werden alle bonnen van de kassa ingedaan. Aan het einde van het jaar werden de bonnen opgeteld en ieder lid kreeg dan een dividend van 1, 2 of 3 procent over het geld dat hij in de winkel had besteed. Iedereen kon kopen, maar alleen de leden kregen dat dividend uitgekeerd.’
Maar er gebeurde meer. Op een gegeven moment deed het bestuur het voorstel aan de leden om de Agathakerk een beeld cadeau te doen van Sint Nicolaas. Een paar leden waren daarop tegen: de kerk was al mooi genoeg en bovendien ging dat ten koste van de winst en daarmee van het dividend. Uiteindelijk is het beeld er ook nooit gekomen: de toenmalige pastoor wilde het beeld alleen aannemen als de leden daar met algemene stemmen achter stonden. Ondanks de oorlog ging de coöperatie door. Henk: ‘Ik herinner me nog hoe er een juffrouw de hele dag niets anders deed dan bonnen plakken. Met de volgeplakte vellen gingen we dan naar de distributie om nieuwe voorraad te halen. Ik weet nog wat een feest het was toen aan het einde van de oorlog het Zweedse wittebrood werd uitgedeeld.’

Jaren vijftig en zestig: bloeiperiode

De echte bloeiperiode van de coöperatie ligt in de jaren vijftig en zestig. In die tijd van de wederopbouw leefde het coöperatieve denken nog volop en waren de zuilen nog volledig intact. De protestanten hadden bijvoorbeeld hun eigen coöperatie Ons Belang aan de Heereweg. Na de manufacturenhandel en de kruidenierswaren had Onderling Belang een bakkerij, een steenkolenhandel en uiteindelijk de tot op de dag van vandaag bestaande meubelhande. Dat laatste was overigens geen bewuste keuze, vertelt Henk: ‘In die tijd hadden de chef van de manufacturenwinkel en de tweede man een probleem met elkaar en daar moest een oplossing voor komen. Toen zijn ze met meubelen begonnen. In een weekeinde werden een paar wanden in het pand getimmerd en vervolgens verkocht de coöperatie meubelen.’
In die hoogtijdagen telde Onderling Belang 1900 leden: vrijwel alle katholieke arbeiders in Lisse waren lid. Maar toen braken de jaren zestig aan. Het streng gereguleerde Nederland ging op de schop. Het coöperatieve denken maakte plaats voor meer individualisme, de welvaart nam toe en een paar loongolven overspoelden Nederland. Mijnders begon een zelfbedieningszaak in de Kanaalstraat (‘Wat van Mijnders komt is goed.’) en een paar jaar later werd de aardgasbel bij Slochteren werd ontdekt. De steenkolenhandel verdween en de opkomst van de supermarkten werd onderschat.
Van der Zwet: ,,We hebben heel laat ingeschoven op de zelfbediening en daarmee hebben we de slag gemist. Maar los daarvan: de winkel was er ook niet geschikt voor.’’
René, de derde generatie Elfering in Onderling Belang die zes jaar geleden aantrad in het bestuur, toen er alleen nog meubelen werden verkocht: ‘Het punt is dat we zijn begonnen met een aantal klanten en dat we met die klanten zijn meegegaan. Een van de eerste vragen die ik stelde bij mijn aantreden was: wat is de doelgroep van de coöperatie? Ik kreeg te horen: 40 procent van onze klanten zit in Berkhout. Dan moet er een bel gaan rinkelen en moet je je afvragen: ben ik wel goed bezig? Een van de eerste dingen waar ik ook achter kwam: de klant had al besloten om te gaan kopen voor dat hij bij de coöperatie binnenstapte. Dat is wel leuk, alleen: hoeveel klanten komen op die manier binnen?’

Mondigheid van de klant

Henk: ‘Ik woon in Vorstenhove. Als je ziet hoeveel meubel- en andere leveranciers daar komen en waar die vandaan komen…. niet uit Lisse in ieder geval. Paul Windt heeft er een showappartement ingericht. Als hij twee of drie appartementen heeft geïnstalleerd, dan is het op.’
René: ‘De mondigheid van de klant is ook toegenomen. Vroeger ging je naar de coöp, je kocht daar je hele interieur en twintig jaar later kocht je er een nieuw interieur. Je ouders deden dat, dus jij deed dat ook. Dat was normaal.’’
De coöp moest dus veranderen, vond het bestuur. De etalage van het bedrijf, het pand op de hoek Kanaalstraat-Kapelstraat, moest de entree worden van de grote winkel. René: ‘We hebben daar wel veel aan gedaan door verbouwingen en interieur-aanpassingen. Cooking had puur als doel om meer klanten te trekken. Het zou de entree worden van de grote winkel, ooit. Maar hoever moet je gaan als je vier, vijf jaar geen zwarte cijfers draait? Dan moet je de beslissing nemen om door te gaan met de lijn die je eigenlijk al vele jaren had: activiteiten afstoten. Waarbij het schrijnende in dit geval is dat het de laatste zichtbare activiteit is. En het is natuurlijk heel schrijnend voor de mensen die er werken. We hebben voor negen mensen ontslag moeten aanvragen, maar gelukkig heeft een aantal van hen al weer een andere baan gevonden.’

Coöperatie blijft actief

Maar het einde van de meubelzaak en de cooking-afdeling, benadrukt hij, is níet het einde van de coöperatie zelf. ‘We kunnen nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.We hebben nu vastgelegd dat het vermogen in de winkelpanden niet verder wordt aangetast en dat we met die winkeloppervlakte weer geld kunnen generen en dat weer ter beschikking kunnen stellen aan de gemeenschap voor bepaalde doelen.’
Niet aan de leden, zoals weleer, zegt Van der Zwet: ‘Waar alle coöperaties mee zitten, ook bijvoorbeeld de Rabobank, is dat je het contact met je leden langzaam bent kwijtgeraakt. Al jarenlang is er geen uitkering meer geweest aan de leden en vanaf dat moment is de band ook steeds losser geworden. Ook als je kijkt naar de ledenvergaderingen: het is voornamelijk personeel dat er zit. Officieel zijn er 200 leden, maar ook van een grote groep weten we niet weten of ze nog leven. Het lidmaatschap vererft wel naar de partner, maar niet naar de kinderen.’

Bijdrage aan de gemeenschap

Hoe het geld teruggaat naar de gemeenschap, is volgens Elfering en Van der Zwet iets waar het bestuur zich de komende tijd over zal gaan buigen. Van der Zwet: ‘Daarbij moeten we denken: wat is in de geest van de oprichters? Dat kan iets wezen op het gebied van ouderen of van de jeugd. Maar het kan ook best zijn dat je ergens een bijdrage kunt leveren aan het dorp. Maar laten we eerst maar eens zorgen dat de zaak gezond is.’