Berichten

KONIJNEN- EN PLUIMVEESPORT VERENIGING 100 JAAR

De bloemenstreekshow in de HoBaHo hallen werd altijd druk bezocht. De geschiedenis wordt besproken.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

27 februari 2018

door Nico Groen 

Welke Lisser heeft in zijn jeugd of met zijn kinderen in de glazen hal van de HoBaHo niet naar konijnen, cavia’s, hoenders, duiven, siervogels en watervogels staan gapen. Later was deze Bloemenstreekshow in Hal 2, waar nu het nieuwe appartementengebouw ‘De Veilingmeester’ staat. Sinds Hal 2 niet meer mocht worden gebruikt, is de tentoonstelling naar Bloembollenbedrijf de Ree Holland BV  in Lisserbroek verhuisd.
Op 6 januari 1918 is de ‘Kleindieren Sportvereniging KPV Lisse’ opgericht. Dat is dus 100 jaar geleden. Een eerbiedwaardige leeftijd voor zo’n soort vereniging. Een mooi moment om de geschiedenis te beschrijven. Vanaf het begin was de heer F.W. Daudey voorzitter. Dat bleef hij heel lang, namelijk tot 1950. In het begin waren voornamelijk mensen lid, die in hun achtertuin enkele kippen of konijnen hielden voor de eieren en voor de slacht. De sierlijkheid en de kleur van de dieren kwam op de tweede plaats. Toch bleek er behoefte te zijn aan tentoonstellingen om de dieren met elkaar te kunnen vergelijken. Later werden kleur en uiterlijk belangrijker.Vanaf 1923 werd jaarlijks een tentoonstelling gehouden.
In de oorlog zijn de tentoonstellingen gewoon doorgegaan, behalve in 1945. In 1943 mocht vanwege het 25-jarig bestaan van de vereniging de nationale tentoonstelling in Lisse worden georganiseerd. Dit was de 21ste tentoonstelling. In het Haarlems Dagblad van 18 januari 1944 staat een uitgebreid verslag van deze geslaagde nationale tentoonstelling in de hallen van de HBG, de latere CNB. Met ruim 1600 inzendingen was het aantal inzendingen veel groter dan de jaren daarvoor. De meeste prijzen werden gewonnen door de voorzitter W.F. Daudey, toen woonachtig in Hillegom. Hij kreeg ook de wisselbeker voor het hoogst aantal punten van de hele tentoonstelling. Toen heette de vereniging ‘Konijnen- en Pluimveesport Vereniging (KPV) Lisse en omstreken.
De burgemeester van Lisse jhr. mr. F. van Rijckevorsel bracht hulde aan de vereniging en aan W.F. Daudey vanwege zijn 25-jarig jubileum als voorzitter. Vermeldenswaardig is dat de heer J.C. de Haan, gemeentesecretaris en oorlogsslachtoffer, beschermheer van de vereniging was. In de Engel is een straat naar hem vernoemd.
Van vóór 1945 is verder weinig bekend. Het archief is namelijk in de oorlog verloren geraakt. Dit komt volgens de site van de KPV doordat muizen het archief hebben opgevreten. Het was veilig voor de bezetter opgeborgen op een zolder aan de Achterweg.
Het 75-jarig jubileum in 1993 was groots opgezet in hotel de Nachtegaal met dank aan de directie. Het feest was onvergetelijk, evenals de problemen om een en ander financieel rond te krijgen. Voor de financiering van dit festijn zijn ongeveer 1200 bedrijven benaderd en werd een loterij georganiseerd.
Hans Dol was van 1950 tot 1975 voorzitter. Zijn hobby was het houden van kippen en hoenders. Onder zijn leiding is het een echte hoendervereniging geworden.  Hans Dol was postbode in Lisse en had daardoor met veel mensen contact. Mede hierdoor werd hij ook wel de kippendokter van Lisse genoemd. In 1975 is het voorzitterschap overgenomen door Jan van Leeuwen uit Sassenheim. In 1988 is Leen Hogervorst voorzitter geworden en in 2004 heeft Co Korsuize het stokje van hem overgenomen. In die 100 jaar heeft de vereniging dus maar 5 voorzitters gehad.

Bij de jubileumtentoonstelling is vorige week, 22 en 23 februari, groots uitgepakt bij Tuincentrum TuineXtra in Noordwijk.

De laatste Bollenstreekshow was in 2012, daarna heette de tentoonstelling de Clubshow. Foto: KPV

 

Bondstraat 13 – ‘Patronaatsgebouw’

Het pand werd voorheen gebruikt door de RK Volksbond. Nu is Dansschool ‘Welkom’ er gevestigd.

Kadaster: D-6186. Bouwjaar 1918. Architect: C.W. Barnhoorn.

Dit is het voormalige patronaatsgebouw van de St. Agathaparochie. Het ontwerp uit 1918 is van de hand van C.W. Barnhorn. Hij was toen nog student. In de top bevindt zich een aangesmeerde gevelsteen met: ‘PATRONAAT’, omrand door rode strengperssteen. De voorgevel wordt afgesloten met een topgevel van siermetselwerk in bloktandmotief, bekroond met stenen kruis. De zijgevels zijn in gelijke stijl uitgevoerd.

De voorkant van het patronaatsgebouw

Voor DSL beschrijving klik hier: Bondstraat_13

Oud-voorzitter Joop Zwetsloot krijgt bloemen van Alfred Pop

20 jaar CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG) vierde op 13 oktober het 20-jarig bestaan. Het CHG greep het jubileum aan om de gemeenten op te roepen tot meer samenwerking bij het beschermen van het unieke landschap en erfgoed van de regio.
Het jubileum van het CHG werd op 13 oktober jl. gevierd in Museum De Zwarte Tulp in Lisse. Daar waren niet alleen allerlei organisaties op het gebied van erfgoed en landschap aanwezig, maar ook vertegenwoordigers van de gemeenten en archieven kwamen het jubilerende genootschap feliciteren. Dames van de klederdrachtgroep Oud Noordwijk verzorgden de ontvangst met een feestelijk drankje. Het CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek is in 1997 opgericht als regionaal platform voor alle historische verenigingen, musea, kastelen en buitenplaatsen in de Duin- en Bollenstreek. Doel van het CHG is bescherming van het cultuurhistorisch  waardevolle en wereldwijd unieke cultuurlandschap in de Duin- en Bollenstreek. Oud-voorzitter en oprichter Joop Zwetsloot blikte terug op de beginjaren van het genootschap. Hij eerde streekhistoricus Fons Hulkenberg, die als eerste baanbrekend werk verrichtte voor de geschiedschrijving in de Bollenstreek en de restauratie van Dever. Hij prees ook Jan Beenakker, die als eerste opkwam voor het cultuurlandschap. Samen met hem richtte Zwetsloot in 1997 het CHG op, omdat er na het sluiten van het Pact van Teylingen behoefte was aan een overkoepelende cultuurhistorische organisatie. Burgemeester Lies Spruit van de gemeente Lisse prees het CHG namens de gemeenten in de regio voor alle inspanningen voor behoud  en herbestemming van bollenerfgoed, de totstandkoming van de cultuurhistorische atlas van de Duin- en
Bollenstreek en advisering over ruimtelijke ontwikkelingen. “U houdt ons scherp en dat doet ook wel eens au bij de gemeente, maar ga er vooral mee door. Het erfgoed verdient een plek in alle omgevingsvisies. Daar ligt een belangrijke toekomstige rol voor uw genootschap en de aangesloten organisaties.”
Daarna sprak CHG-voorzitter Alfred Pop, die aankondigde dat het CHG nog meer een verbindende rol wil gaan vervullen tussen de erfgoedorganisaties en de overheid. Hij riep de gemeenten op meer samen te werken op het gebied van landschap en erfgoed. “Het ontbreekt in de Duin- en Bollenstreek boven dien aan een professionele werkorganisatie, die projecten kan uitvoeren rond landschap en erfgoed. Vrijwilligersorganisaties hebben hiervoor niet de capaciteit.” Tot slot verscheen Jacoba van Beieren op het feest. De gravin die in de 15de eeuw op het slot Teylingen woonde, riep de huidige Bollenstreek-bewoners op goed te zorgen voor haar voormalig jachtgebied. “Koester het landschap en het waardevolle erfgoed, zodat de lijn van het verleden naar het heden zichtbaar blijft. Dan kunnen bewoners en bezoekers van de Duin- en Bollenstreek het gebied nog beter beleven.” Onder het genot van een drankje konden de genodigden de schilderijen van Anton Koster bekijken, die nog tot april in het museum te zien zijn. Deze schilderijen geven het unieke landschap van de Duinn- en Bollenstreek uitstekend weer.

Oud-voorzitter Joop Zwetsloot krijgt bloemen van Alfred Pop

LISSE , HET GROENSTE DORP VAN NEDERLAND

De historische organisaties hadden er een groot aandeel in. De jury vond dat de monumentale gebouwen en het groen er om heen er goed verzorgd uit zagen.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

7 november 2017

door Nico Groen 

Lisse deed mee met de Nationale Groen Competitie 2017, Entente Florale. De jaarlijkse wedstrijd waarbij de groenste stad en het groenste dorp worden uitgekozen. Bij de kleine gemeentes won Lisse, maar ons dorp eindigde bijna gelijk met nummer twee. Niet alleen het aanwezige groen is beoordeeld, ook het gemeentelijk beleid en de invloed van organisaties en burgers waren van belang. Volgens de jury was de enthousiaste participatie van organisaties en burgers in Lisse van doorslaggevende betekenis bij de uiteindelijke uitslag.

Zeven historische organisaties
Naast de logische groene organisaties werden ook een zevental historische organisaties in Lisse door de jury geroemd om hun enthousiaste en relevante inbreng. De fietstocht die de jury bij de beoordeling van het Lisser groen maakte, startte bij Dever met de Tuin Der Zinnen. Ook het overige goed onderhouden groen rondom de donjon, zoals de oprijlaan, gaf het geheel een historische uitstraling. Binnen de donjon werd aan de jury onder andere uitleg over de ontstaansgeschiedenis van de bollenteelt gegeven.

Onderweg werd onder andere de Zemelpoldermolen door de jury aangedaan. De molen is na de brand in 1999 herbouwd na acties van onder andere de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”. Zij zorgde er ook voor dat het een gemeentelijk monument werd. De vereniging was betrokken bij de ontwikkeling van het nieuwe Beleidsplan Bomen van de Gemeente Lisse in 2016, eveneens  is zij vertegenwoordigd in de bomenadviesgroep om waardevolle bomen zoveel mogelijk binnen de gemeente te beschermen.
In de gemeentelijke brochure, aangeboden aan de jury van de Groencompetitie, staat dat gemeente Lisse zich in wil zetten voor herstel van regionale groene, ecologische verbindingen met onder andere beukenhagen. Uitbreiding en behoud van bestaande beukenhagen vinden regionale organisaties als de Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging Geestgrond (ANLVG) en het Cultuurhistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (Het CHG is het regionale platform voor alle historische organisaties in de Duin- en Bollenstreek) heel belangrijk. De  vele oorspronkelijke beukenhagen tussen de bollenvelden zijn namelijk grotendeels verdwenen.
In de brochure worden ook de wandel- en fietsroutes langs monumenten, bomen en bruggen geroemd. Van deze routes zijn door de VOL 3 boeken in full couleur gemaakt. Deze boeken zijn nog steeds verkrijgbaar tijdens de inloop op dinsdagmorgen in de Vergulde Zwaan aan de 1e Havendwarsstraat. In de brochure wordt ook de Lissese Monumentencommissie genoemd.

De lunch was in Museum de Zwarte Tulp, waar men de historie van de Bollenstreek kan bekijken. Na een bezoek aan de cultuurhistorisch belangrijke begraafplaats Duinhof beëindigde  men de fietstocht op landgoed Keukenhof met zijn vele rijksmonumenten en zijn historisch belangrijke park.
Al met al hebben de historische organisaties een belangrijk aandeel gehad in het behalen van de eerste plaats in deze Groencompetitie. De jury vond dat de monumentale gebouwen en het groen er om heen er goed verzorgd uit zagen.

Een oude beukenhaag met de skyline van Lisse Foto uit het boek Wandel- en fietsroutes langs bomen in Lisse

JOHANN(JO) DE KOOKER

Johannis De Kooker geboren in 1904 was rijwielhersteller. Zijn levensverhaal wordt vertelt. Hij richtte een solexclub op.

Door Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Grootvader Johannis was in Breskens geboren en werkte al voor 1885 als grondwerker in de Haarlemmermeerpolder die al in 1852 was drooggelegd. Voor het verder geschikt maken van het land was veel arbeidskracht nodig. Dat trok jonge kerels aan uit gebieden waar minder werk was, ook uit het Zeeuwse. Toen Johannis hier een plekje had verworven, liet hij in 1885 zijn gezin overkomen, eerst in Abbenes en in 1902 zijn zij verhuisd naar Lisserbroek. Willem was het 7e kind uit dit huwelijk en trouwde met Jaantje Scheering. Vader Willem verdiende zijn geld als bloembollen-controleur. Jo was de oudste van de negen kinderen, twee zijn al vroeg gestorven en één kindje werd levenloos geboren. De kinderen gingen naar de openbare school in Lisserbroek. Een schoolfoto (1914) laat wel zes kinderen met De Kooker als achternaam zien, het was inmiddels al een grote familie geworden. Zie pagina 123 van “Zo was het in Lisserbroek”.

Hoe het begon

Hier heeft moeder Jaantje nog lang gewoond

Jo bracht zijn diensttijd door bij het Regiment Wielrijders. Zo zou zijn voorliefde voor de fiets kunnen zijn ontstaan en heeft hij er later zijn beroep van gemaakt. Maar zijn grootste liefde ging later uit naar Trijntje (Truus) van Houten, waarmee hij trouwde en zij kregen twee dochters. In oktober 1925 startte hij zijn eigen zaak. Hij begon met het repareren van fietsen in het schuurtje bij zijn ouders achter Kanaalstraat 157. Dat is het punt waar nu de Oranjelaan (die was er nog niet) met de Kanaalstraat kruist.

Nelson en Stokvis

Jo startte zijn loopbaan als rijwielhersteller maar daar kwam al snel ook de verkoop bij. Het was dan wel crisistijd, maar een fiets moest je in die tijd toch wel hebben. Het moesten wel degelijke fietsen zijn en we vinden de naam Jo De Kooker al vermeld als agent voor Nelson rijwielen in de Nieuwe Leidsche Courant van begin 1929. Deze Nelson rijwielen kwamen van de rijwielfabriek Alt uit Leiden. Degelijke fietsen, je ging er in die tijd nog vanuit dat een fiets je leven lang mee zou gaan. De vernikkelde delen van deze fietsen werden “vercadminiumd” en zouden niet meer roesten. Deze Leidse fabriek vervaardigde ook voor de Firma Stokvis te Rotterdam, dit bedrijf zullen we verderop nog tegenkomen.

 

werd in die tijd belasting geheven. Dat je betaald had kon je bewijzen door een fietsplaatje aan het stuur.
Zo’n plaatje kocht je voor drie gulden bij het postkantoor.

Jo met klant voor zijn bedrijf op Kanaalstraat 179. Deze huizen zijn nu wit gepleisterd. Kent u de klant en zijn motormerk?

Rond 1930 kon hij een pand huren op het adres Kanaalstraat 179. Daar begon hij zijn fietsenwinkel. Daar heeft hij ongeveer 5 jaar gezeten. Op 15-03-1935 opende hij een andere winkel op het adres Kanaalstraat 50. Later werd dit uitgebreid naar het pand van de buurman sigarenwinkelier Hendrik van Voorst, te weten Kanaalstraat 52.

Oorlogstijd

In de oorlog was het natuurlijk moeilijk in de rijwielbranche. Materiaal werd schaars, maar hersteld moest er natuurlijk worden. Het waren de Duitsers die de belasting op de fiets en dus het fietsplaatje afschaften in 1941, maar wat had je er aan. Nieuwe fietsen werden toen eigenlijk al niet meer gemaakt. Nieuwe banden waren ook niet meer te krijgen want het rubber werd niet meer geleverd. De houten band was een mogelijkheid om dat probleem op te lossen.

Stiekeme foto vanachter de gordijnen. Duitse soldaat met twee ingepikte fietsen in de Kanaalstraat. Wat zouden die jongens daar zachtjes tegen elkaar zeggen?

Eind 1944 volgt dan de maatregel dat fietsen ingeleverd moeten worden. Daar werd natuurlijk niet mee akkoord gegaan, veel fietsen verdwenen naar een onvindbare plek. De fiets kreeg ook wel een andere bestemming. Elektriciteit werd problematisch, maar met een fietsdynamo kon je wel stroom opwekken. Dus fiets in de kamer en trappen maar. Na de oorlog nam de vraag naar fietsen weer snel toe. Maar een nieuwe fiets kopen was niet voor iedereen weggelegd. Heel wat oudjes werden opgeknapt in de reparatie bij De Kooker. Een kinderfiets was echt een luxe waar je niet zo snel aan begon. De oude fiets van opoe voldeed prima. Met houten klossen natuurlijk want anders kon je de trappers niet rond krijgen. Er zijn vast nog wel lezers die zo aan het fietsen begonnen.

Solex dealer

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

Gelukkig ging het voorspoedig met de wederopbouw. Men kon zich weer iets permitteren. Soms zelfs een Solex. Een Solex is van oorsprong een Frans ontwerp. In 1948 kwam de eerste Solex in Nederland aan bij de firma Stokvis te Rotterdam. Jazeker, dezelfde firma waar Jo de Kooker ook ver voor de oorlog al contacten mee had via rijwielfabriek Alt uit Leiden. Natuurlijk duurde het niet lang of ook in Lisse werd de “nieuwe” vinding getoond. Bij De Kooker uiteraard. Hij werd rayondistributeur. Animo om een Solex te kopen was er genoeg. Men kon zelfs niet meteen aan de levering voldoen. In 1949 was er zelfs een wachttijd van ruim 8 maanden! Wanneer Jo in oktober 1950 het jubileum viert ter ere van het 25-jarig bestaan van de zaak wordt ook het Solex-Service-Station geopend. In 1951 wordt door de Solex-maatschappij een Solex-rally georganiseerd vanuit allerlei plaatsen in Nederland met als eindpunt Schiphol. Dat bracht de Solexrijders bij elkaar. Iedereen vond het zo leuk dat er diverse Solexclubs in ons land werden opgericht. Als rayondistributeur van Solex nam Jo de Kooker hiervoor het initiatief in Lisse voor de Bollenstreek. Hier enkele namen van leden: dhr. Riedijk, dhr. Koordes en zijn vrouw T. Koordes–van Hoven, R. Moolenaar, dhr. Witte, dhr. Schaap, dhr. L.v. Dijk, de heren J. en M. van Zelst, en mvr. A.van Zelst-Bekkers.

De Solexclub staat startklaar voor de winkel,.. follow the leader.

Tijdens het seizoen werden dan door de Solexclub verschillende puzzelritten gereden en werden er ook andere activiteiten georganiseerd. Met de routebeschrijving in de hand leek de rit erg makkelijk. Maar soms viel het toch wat tegen en doolde men door de straten van Heemstede. De controleposten deelden met gulle hand de nodige strafpunten uit. Sommige deelnemers waren zo de weg kwijt dat ze niet in Bloemendaal maar bij Schiphol in de rondte reden. Maar toch overleefden 13 deelnemers de rit zonder strafpunten. Er lagen aardige prijzen te wachten op de winnaars. Levensgrote taarten, banden, fietstassen, blikjes brandstof e.d. De Solex bleef zeer succesvol en zo ook de verkoop hiervan.

 

Jo had 2 dochters maar geen opvolger in de zaak. Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper. De Solexclub herdacht Jo in de jaarvergadering van februari 1964, die zoals gewoonlijk in De Witte Zwaan werd gehouden. De winkel en de werkplaats werden overgenomen. En natuurlijk ook het dealerschap van Solex. Kuijper had al een zaak in Sassenheim en stond al tijden samen met Jo de Kooker en andere distributeurs vermeld in de advertenties van Solex. De zaak in Sassenheim bestaat nog steeds. In mei 1966 vierde de Solexclub haar 15-jarig bestaan in gebouw Salvatori. Voorzitter Van Duijnhoven memoreerde natuurlijk Jo de Kooker als initiatiefnemer van de club en meldde trots dat de saamhorigheid bij de leden groot was. Ook leden die inmiddels een auto als vervoermiddel hadden bleven vanwege die saamhorigheid nog steeds lid van de club. Ook de jaarvergadering van 1969, weer in De Witte Zwaan, verhaalt van een goed jaar en kondigt weer diverse activiteiten aan voor het volgende jaar. Op 10-02-1970 meldde de Nieuwe Leidsche Courant echter dat de Solexclub was opgeheven. De avond ervoor was de laatste officiële vergadering in De Witte Zwaan gehouden. Voorzitter Van Duijnhoven gaf aan dat het steeds moeilijker werd om als club tochten te ondernemen. Daarom werd

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

besloten de Solexclub op te heffen. Men wilde nog wel doorgaan als gezelligheidsclub maar of die nog lang bestaan heeft is ons niet bekend. De Solex bleef nog een tijdje erg populair. Er volgde nog een verhuizing van het merk naar Hongarije. Sommige modellen werden daar en ook in China nog lang gebouwd. Dan was er ook nog een Frans bedrijf dat de oude modellen opnieuw produceerde, maar om juridische redenen niet onder de naam Solex maar als Black ’n Roll. In totaal schijnen er meer dan 8 miljoen exemplaren van de Solex verkocht te zijn. Solex rijden is puur nostalgie en de oude modellen doen het nog steeds goed. Organisaties die toertochten organiseren zijn als paddenstoelen uit de grond gerezen. Zou er nog een Solex rondrijden die ook al meedeed met de toertochten van de Solexclub? Ik wacht vol spanning op eventuele reacties. ■

 

 

Net twee dagen getrouwd openden ze hun winkel op Kanaalstraat 50.

GRAND PRIX DE LIS

Het had weinig gescheeld of in het Langeveld was in 1925 een Automobiel Renbaan gerealiseerd.

Arie der Koning

Nieuwblad Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

Grand Prix van Lisse

Het had weinig gescheeld of er was ten westen van Lisse, in het Langeveld, een heuse Automobiel Renbaan gerealiseerd. Op 22 juni 1925 kopte het populaire tijdschrift “Sport in Beeld” dat er verregaande plannen waren en dat er reeds ƒ 410.000 aandelen van een totaal van ƒ 1.400.000 waren geplaatst in de nieuw opgerichte NV Nationale Sportterreinen “ ’t Langeveld” Auto-Renbaan. Trots meldt het tijdschrift verder dat als de zaak eenmaal een “fait accompli” is, Nederland een voornaam brok sport rijker is. “Dan kunnen wij onze koppen opsteken als de Engelschen, die hun Brooklands bezitten, als de Franschen die hun Monthléry trotsch der wereld toonen”.

Een plattegrond, die duidelijk aanduidt, hoe de auto-renbaan te Lisse, een grootse opzet, er in de naaste toekomst, zal uitzien.

Het plan was de piste te bouwen in de duinen tussen Lisse en Noordwijkerhout, gemakkelijk bereikbaar via de toen bestaande wegen en er zou een negen kilometer lange weg worden gerealiseerd naar Noordwijk aan Zee. Verder meldt het blad dat de baan zelf, uit gewapend beton gemaakt, 3 kilometer lang zal zijn, en er zal een stofvrij gemaakte wielerbaan van ingewalst puin en sintels worden gemaakt. Rondom de arena komen vier tribunes, plaats gevend aan 12.500 kijklustigen, terwijl op de overige rangen 45.000 geestdriftigen een plaatsje kunnen vinden. Er stonden in de plannen al vijf grote wedstrijden op het programma nl. een Grand Prix voor grote renwagens, een dito wedstrijd voor voiturettes, een Grand Prix de Tourisme, één voor heerrijders en tenslotte een kamp voor de Tuftuffen. Ook de amateurs zouden aan bod komen en konden op het circuit hun wagens op snelheid beproeven. Dit laatste had tweeërlei voordelen volgens het blad: ten eerste om het harde rijden op de openbare weg te beteugelen en verder het aanwakkeren van de autosport, waar in Nederland zeker behoefte aan bestond. Er moest op dat gebied wat leven in de brouwerij worden opgewekt.
Zoals bekend werd het project afgeblazen door de overheid en is het Langeveld gebleven zoals het eeuwen lang daarvoor was; een prachtig mooi duingebied en heeft Zandvoort in 1930 de handschoen weer opgenomen.

SINT ISIDORUS: De bloemistknechts-vereeniging deel 2

De eerste neutrale arbeidsorganisatie Flora werd in 1900 opgericht. Later wrd ookeen katholieke arbeidersorganisatie Sint Isidorus opgericht. De arbeisonlusten inde bollenteelt wordt beschreven.

Arie in’t  Veld

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Het touwtrekken rond allerlei arbeidsvoorwaarden is in de huidige tijd schering en inslag, wij “polderen”. Dat is dus niet altijd zo geweest, want in vroeger jaren was de ‘patroon’ de baas en had je als knecht maar mooi te pikken wat die baas vond en zei. Maar er kwam een kentering……

Een beeld van Sint Isidorus

Hoewel er in 1900 arbeiders werden ontslagen vanwege hun bondslidmaatschap, kwam er in het begin van de twintigste eeuw een kentering. Vijf vooraanstaande werkgevers in het bollenvak, de heren Krelage, Kerstens, Polman, Mooy en Van Meeuwen, wendden hun invloed op de leden van de Algemene Vereniging voor Bloembollencultuur aan om loonsverhoging voor de arbeiders te krijgen. Men bewandelde daartoe echter de verkeerde weg, door drie loongroepen (vakbekwaam, gedeeltelijk- en minder bekwamen) in te stellen en het aan de patroon over te laten bij welke groep hij zijn mensen indeelde. Zij die het zwaarste werk deden, werden daardoor vaak het slechtst betaald. Inplaats van de verhouding te zuiveren, zette deze regeling nog veel meer kwaad bloed. Omstreeks 1903 bedroeg in de Bloembollenstreek het gemiddelde loon ƒ8,- tot ƒ8,50 per week, in Haarlem en omgeving ƒ10,20 gedurende negen en ƒ8,10 gedurende drie maanden.

Mager

De ,,Federatie van Bloemistwerkliedenverenigingen” gaf enkele jaren later een lijst uit, waarop was aangetekend wat een gezin dat ,,met God en met ere” door de wereld wilde komen, had uit te geven. Men zie en oordele zelf:

De ,,Federatie van Bloemistwerkliedenverenigingen” gaf enkele jaren later een lijst uit, waarop was aangetekend wat een gezin dat ,,met God en met ere” door de wereld wilde komen, had uit te geven. Men zie en oordele zelf:

Op dit uitgezuinigde, beknibbelde, schrale budget was geen enkele post uitgetrokken voor drank, schoonmaakartikelen, boven- en onderkleding, aardewerk, spek en vlees, groenten, beddengoed, meubelen en kosten van ziekte of bevalling! Wanneer er dan ook ,,iets wezen moest” bezuinigde men maar op het eten. Allemaal maar een snee brood minder, een aardappel minder, wat water bij de ,,jus” en bij sommigen een oneindig ,,poffen”, lenen bij leenvrouwen en bij het pandjeshuis. Dat er ook niets overschoot voor ontwikkeling van de arbeider, valt te begrijpen. Ontwikkeling en ontspanning waren het voorrecht van de bezitters.

Succes

De opgerichte neutrale arbeidsorganisatie Flora, die in 1900 in Hillegom werd gesticht, mocht al gauw enkele successen boeken. Zo kreeg men het voor elkaar dat men zaterdag niet meer werkte tot ‘s avonds zeven uur, maar tot ’s middags vier uur. Na dit succes vloeiden onmiddellijk meer leden toe en al gauw werd ook in Lisse een afdeling opgericht. Een en ander had tot gevolg dat ook de werkgevers zich gingen aansluiten en zag de Patroonsvereniging het licht. Dit had tot gevolg dat er meer kansen tot overleg tussen werkgevers en werknemers kwamen. Tot ernstige moeilijkheden kwam het aanvankelijk niet. Eerst toen de werknemersorganisatie in 1913 enkele wensen kenbaar maakte, waarop de Patroonsvereniging niet wenste in te gaan, barstte de bom. De arbeiders wilden, dat de normale arbeidsdag zou zijn van ‘s ochtends zes tot ‘s avonds zeven uur en in de donkere maanden, waarin men natuurlijk niet om zes uur kon beginnen en men eerder naar huis moest omdat men niets meer kon zien, wilde men werken van ,,licht tot donker” zoals men dat uitdrukte. Voor de periode van 1 november tot 1 maart vroeg men twee uur en voor de overige maanden twee en een half uur schafttijd per dag. Bij ziekte zou gedurende dertien weken minstens het halve loon doorbetaald moeten worden. Voor overwerk vroeg men een kwartje per uur. Het zat er natuurlijk dik in..: De werkgevers bedankten hier voor.

Bom barst

Voor de baas en zijn bollen kroop hij nederig in ‘t Veld in het weekloonzakje 20 pieken en een heitje welgeteld.Foto A. in ’t Veld

De ontevredenheid werd voortdurend groter en in Hillegom barstte in 1913 de bom bij de fa. Van Til-Hartman en bij de fa. K. van Bourgondiën & Zn. De eerstgenoemde firma haalde snel bakzeil toen men zag dat het de arbeiders ernst was het werk erbij neer te leggen, maar de firma van Bourgondiën hield het been stijf. Het ging hard tegen hard want het werk moest doorgaan en er waren geen arbeiders. Elders trachtte men tegen abnormaal hoge lonen arbeiders te werven, maar dat ging niet gemakkelijk. Op het land betaalde men f. 10,- per dag en een dergelijk salaris had toen een minister nauwelijks… Toen men dat kon verdienen gingen verschillende werknemers door de knieën. Daar de landarbeidersbond meende dat de firma van Bourgondiën werd gesteund door nagenoeg alle grote werkgevers in de streek besloot men een staking tot de gehele gemeente uit te breiden. De 20ste juni werden alle landarbeiders bijeen geroepen in Flora terwijl een vertegenwoordiger van de landarbeiders alsnog trachtte contact op te nemen met de ,,onderkruipers” die voor het gouden kalf waren gezwicht. De onderhandelaar liep daarbij een der firmanten tegen het lijf en het onderhoud dat toen volgde was aanvankelijk van beide kanten niet bijster vriendelijk. Toch kwam men tot een voorstel. De werkgever beloofde op handslag dat men met ingang van 1 maart 1914 aan de verlangens van de arbeiders tegemoet zou komen. Tot die datum zou het loon verbeterd worden, maar de arbeidsdag zou dat jaar blijven zoals het was. Met deze boodschap kwam de afgevaardigde terug in Flora waar honderden arbeiders bijeen waren en met zijn voorstel de algemene staking niet af te kondigen, allesbehalve eens waren. Na veel vijven en zessen gelukte het hem om de werknemers te overtuigen en daarmee behoorde het conflict tot het einde. Hoewel van de zijde der werkgevers was toegezegd dat men tegen de stakers geen represaille maatregelen zou nemen, bleken deze werknemers het volgende jaar toch moeilijk aan de slag te kunnen komen. Er werd zelfs een pamflet verspreid waarin werd aangeraden bepaalde arbeiders niet in dienst te nemen. Uit de gevormde strijdkas werden deze arbeiders net zolang gesteund tot ze wel werk hadden. Zo hadden de arbeiders de eerste grote slag gewonnen, maar het zou een lange weg zijn die men nog af te leggen had.

Nieuwe tijd

Met de oprichting van de arbeidersorganisaties deed ook in de bollenstreek de nieuwe tijd zijn intrede. Weliswaar veranderde er aanvankelijk niet veel en was de invloed van de organisaties zeer gering, maar in 1914 had men de eerste etappe achter de rug. Nu was het in 1914 trouwens al heel wat beter dan in de laatste jaren der negentiende eeuw. In Haarlem en omgeving werd het als iets minderwaardigs beschouwd als men moest bekennen een bloemistknecht te zijn. Toen vluchtten velen jongemannen uit het bollenbedrijf, maar bij de spoorwegen, of als brugwachter of nachtwaker, verdiende men nauwelijks meer. In Haarlem, Overveen en Heemstede was het droevig gesteld. Men weigerde daar zelfs aardappelland aan de arbeiders te geven, iets wat in Hillegom en Lisse vrij algemeen geschiedde. De normale arbeidsdag was toen van ‘s morgens zes tot ‘s avonds zeven uur, voorzover het daglicht dit toeliet. In de praktijk kwam het erop neer dat de arbeider meestal verplicht was vanaf half juni twee uur per dag over te werken. Daarvoor werd dan een dubbeltje of twaalf cent per uur uitbetaald. In Lisse, Sassenheim en Hillegom betaalde men gedurende acht/negen maanden per jaar van ƒ7,- tot ƒ8,- per week. En men kon voor dat loon net zoveel arbeiders krijgen als men hebben wilde, want in Noordwijk, Noordwijkerhout en Voorhout betaalde men nog heel wat minder. Het spreekt vanzelf dat men lopend naar het werk ging. Fietsen waren er nagenoeg niet en men had maar te zorgen dat men op tijd kwam. In de zomer moest om vijf uur ‘s morgens worden begonnen. De ,knecht’ moest soms zes kilometer of meer tippelen en ging dus ‘s morgens ver voor vieren van huis. ‘s Avonds om zeven uur maakte hij hetzelfde ,,ritje” weer terug.

Barricaden

Na de staking in 1913 en de bijna-staking in 1914 klauterde men weer op de barricaden. De eerste Wereldoorlog is uitgebroken. Nederland staat daar buiten, maar aan de omhoog schietende prijzen zou je dat niet zeggen. De lonen zullen dus ook moeten stijgen. In 1917 componeren de drie landarbeidersbonden een voorstel dat opnieuw een loonsverhoging beoogt. Men wilde het gebracht zien op ƒ17,75 per week. Het wordt een loven en bieden over en weer. De werkgevers menen dat vijftien gulden genoeg is maar zijn later bereid tot ƒ15,50 te gaan. De arbeiders zakken naar ƒ17,- en als de ondernemers dan verklaren dat ze perse niet verder wensen te gaan dan ƒ16,- barst voor de tweede keer de bom. Op 10 april 1918 is de staking in Hillegom een feit en laten de werkgevers weten dat de staking voor de 15e april opgeheven dient te zijn, want anders zal men voor het gehele gewest de ,,uitsluiting” afkondigen. Het helpt nietveel. De werkgevers vormen geen eenheid. De ene firma doet wel mee aan de uitsluiting van arbeiders die gestaakt hadden en de ander niet. Bij de staking zijn ongeveer 1100 arbeiders betrokken. Pogingen om te bemiddelen faalden, omdat de werkgevers van de bemiddeling niets moesten hebben. Het merkwaardige feit deed zich voor dat men de onderhandelingen opende onder leiding van een ,,verzoeningsraad”. Als werknemers vertegenwoordigers werden benoemd drie arbeiders die geheel buiten de leiding van de bij het conflict betrokken organisaties stonden. Het werd nu dan ook een triomf voor de patroons, die een loon van ƒ16,- vastgesteld zagen. Voor elk kind beneden de vijftien jaar werd twee en een half roe land of vijf roe extra paden verstrekt. Het conflict dat in totaal veertien dagen duurde, behoorde hiermee tot het verleden.

Ontzag

Sjouwen met de berry , op de achtergrond de Heereweg met de schuur van Teegelaar en rechts de hoge schuur bij Dubbelhoven.Foto A. in ’t Veld

De arbeidersorganisaties hadden inmiddels ontdekt dat de werkgevers een heilig ontzag begonnen te koesteren voor het stakingswapen. Toen men in 1919 vroeg om een loonsverhoging van maar liefst ƒ4,- per week werd dat verzoek zonder meer ingewilligd. In het jaar 1920 deden zich weer moeilijkheden voor. Men vroeg een toeslag van ƒ4,- gedurende negen maanden en van ƒ6,- gedurende drie maanden, plus enkele verbeteringen, zoals onder meer overal op zaterdagmiddag om vier uur het werk beeindigen. Met de katholieke en de christelijke patroonsbond werd snel overeenstemming bereikt, de neutrale bond wilde er niet van weten en wenste niet meer als contractant beschouwd te worden. Op 1 maart werd nagenoeg overal ƒ24,- per week betaald. Vermoedelijk zou men erin berust hebben dat twee werkgeversbonden niet hadden getekend, als niet was gebleken dat verschillende patroons, knechts in los dienstverband hadden genomen en dus gelegenheid hadden hun arbeiders ‘s winters te ontslaan. Daarom bepaalde de arbeidersorganisaties dat men van 1 juli tot 1 november het oorspronkelijke programma diende over te nemen van ƒ26,- per week omdat men anders in Hillegom, Lisse en Sassenheim de staking zou afkondigen. Fluks werd aan de eisen tegemoet gekomen.

Groei 

De arbeidersbeweging werd steeds sterker en hechter. Na 1920 kwamen geen conflicten meer voor met georganiseerde werkgevers. De lonen ondergingen tussen 1921 en 1929 geen schokkende wijzigingen. Maar toen de grote beurskrach in New York ook in ons land begon door te werken, het aanbod van artikelen veel groter werd dan de vraag en de bollenstreek een periode tegemoet ging waarin men met moeilijkheden te kampen had als nooit tevoren; toen de bollen bij duizenden onverkocht bleven, de sanering zijn intrede deed en bollen als gevolg van de verplichte ,,inkrimping” op de mestvaalt terecht kwamen, toen konden natuurlijk de lonen niet gehandhaafd blijven. We zien het loon van ƒ26,25 in 1930 dan ook teruglopen naar ƒ21,25 in 1932 en in 1933 was het ƒ20,25 geworden. Het dieptepunt werd in het midden der jaren dertig bereikt. Na 1937 begon vooral de export weer iets beter te draaien.

Overleg.

Tot stakingen is het in het bollenvak in de jaren na de oorlog nooit meer gekomen. Dat wil niet zeggen dat er nooit verschil van mening was. Aan de overlegtafel werd de oplossing gezocht en gevonden. Men koos de weg van overleg ook al bleek die, mede door de bemoeiingen van de rijksbemiddelaars soms een moeizame. De op papier getroffen overeenkomsten bleken in de praktijk niet altijd te kloppen. Doordat de arbeidersmarkt – een korte periode als gevolg van de bestedingsbeperking uitgezonderd – de laatste zes jaar hier in de zomermaanden vrijwel voortdurend overspannen is geweest kon aan de vraag naar arbeiders op geen stukken na voldaan worden. Dat schiep misstanden. Een groot deel daarvan werd in latere jaren opgevangen door de komst van de mechanisatie. Dat neemt niet weg dat er nog altijd behoefte is aan goed en gemotiveerd personeel doch situaties als in het begin van de vorige eeuw niet meer voorkomen. En gelukkig maar! ■

Uiteindelijk rolde het een stuk beter, maar het begon bij de eerste vakbond met als patroon de Heilige Isidorus. Foto A. in t Veld

De geschiedenis van het bloemencorso

Nieuwsflits

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

In dit nieuwe jaar rijdt het Bloemencorso alweer voor de 70e keer door de duin en Bollenstreek naar Haarlem. In die 70 keer is er veel gebeurd en bereikt. Het corsobestuur heeft altijd de blik vooruit maar wil ook recht doen aan de geschiedenis. Die geschiedenis echter ligt op zeer veel en diverse plekken, uiteraard bij de organisatie en (oud) bestuursleden, maar ook over de streek en daarbuiten verspreid. Om die reden wordt binnenkort gestart met de commissie Archivering geschiedenis Bloemencorso, met liefhebbers, die al die informatie bijeenrapen, digitaliseren en toegankelijk maken. Best een klus, maar erg leuk om te doen. We zouden het erg leuk vinden wanneer
VOL vrijwilligers hier aan mee willen werken. Ook de andere Cultuur-Historische Verenigingen langs de Bloemencorso-route zal worden gevraagd mee te werken.
Leo van der Zon voorz. Bloemencorso Commissie.

Foto:  Een gedeelte van de walvis uit 1946 Foto: uit het boek ‘Corso Bollenstreek’ uit 1986

De oprichting van Vereniging Oud Lisse en activiteiten in de eerste jaren

De high liths van de afgelopen 25 jaar worden weergegeven.

door Frits Treffers en Wim Bosch

Dit artikel staat gedeeltelijk op de Nieuwsbrief Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

1. Inleiding

Hieronder schrijven we een aantal punten neer die wij nooit vergeten zullen uit de eerste jaren van onze Ver. Oud Lisse. De indeling is als volgt:

  1. Het ontstaan van de Vereniging Oud Lisse
  2. Projecten
    1. Oude bollenvilla’s trachten te beschermen tegen sloop.
    2. Voorgenomen sloop van het monumentale NS station voorkomen.
    3. Behoud van het Driehuizen bollenschuurcomplex door herbestemming
    4. Strijd om behoud van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191
    5. De sloop van villa Rozenheim
    6. Sloop villa “Wildlust” Heereweg 14 bij hotel- restaurant “De Nachtegaal”.
    7. Herbouw afgebrande Zemelpoldermolen.
    8. De ondergang van het Bollenlaboratorium in 2004
    9. Hofje van Six blijft bestaan.

a. Het ontstaan van de Vereniging Oud Lisse

Het is alweer meer dan 25 jaar geleden dat de vereniging eigenlijk door toeval is opgericht. Het gebeurde dat de overbuurman van Frits Treffers , Matthieu den Boer op een avond een praatje met hem begon en zijn zorg uitsprak over de geruchten die de ronde deden over de sloop van de mooie villa’s tegenover het huis “Somalo” van Frits Treffers Heereweg 28 (Heereweg Noord) .
Hij stelde toen voor om samen met Frits een vereniging op te zetten om waardevolle panden tegen sloop te beschermen.
Onze gedachte was om nieuwbouw op het achterliggende gebied van de villa’s toe te staan met behoud van de villa’s en oude bomen.

De vereniging werd opgericht en bestond uit 6 bestuursleden:
1. Matthieu den Boer (voorzitter)
2. Els Weening (secretaris)
3. Chris Paardekooper (penningmeester)
4. Ir. Frits Treffers (bouwzaken)
5. Loe Buijze (publiciteit)
6. Ir.Wim Bosch (ruimtelijke ordening)
De openingsvergadering werd op 15 december 1990 gehouden in de Gewoonste Zaak.

b. Projecten1. Oude bollenvilla’s trachten te beschermen tegen sloop.

24-02-1991 Bewuste vernieling om toewijzing als monument en eventuele bezetting van het pand te voorkomen. Zo stond Merenburgh er nog een paar maanden bij.

Het eerste project was het redden tegen sloop van de villa’s: Merenburgh (nr 25), Magnolia (nr 27) , en Buitendorp (29) gelegen aan de Heereweg Noord. Na diverse pogingen via juridische procedures en ondanks de grote aandacht in de pers, is het uiteindelijk helaas toch niet gelukt en is de villa Merenburgh in 1991 toch onverwacht gesloopt en is er na de sloop van ook de andere villa’s uiteindelijk nieuwbouw neergezet. De beeldbepalende bomen werden wel gespaard.

Merenburgh met protestborden tegen het beleid van Harry Smith, alias “Harry de Sloper” toen Weth. ruimtelijke-ordening. Mede door deze sloop is VOL juist in de steigers gezet.

2. Voorgenomen sloop van het monumentale NS station voorkomen.

Het tweede project was het oude NS station te beschermen tegen de voorgenomen sloop van NS. Ook daarvoor werden diverse gesprekken gevoerd, in dit geval met de Nederlandse Spoorwegen.

Uiteindelijk is daar  overeenstemming bereikt. Maar dat vroeg wel om zeer creatieve oplossingen. Door de Vereniging Oud Lisse werd speciaal voor dit doel in 1994 een beheersstichting opgericht, de Stichting Oud Lisse, die zorg kon dragen voor de restauratie en het onderhoud van het station. Stichting Oud Lisse kwam met de NS overeen om het stationscomplex voor een gering bedrag van NS te huren, met de verplichting het pand op eigen kosten te renoveren en te onderhouden.

Station Lisse monument

Als resultaat van het grote renovatie project van het station, waar in het bijzonder Frits Treffers heel veel aan bijgedragen heeft, werd met medewerking van de Gemeente Lisse het pand aangewezen tot Rijksmonument.

Het restauratieproces

Door Stichting Oud Lisse werd een totale renovatie van het oude NS station toegepast, hoofdzakelijk op de begane grond. De bovenbouw werd bij de restauratie voorzien van nieuwe verwarming, maar werd verder zo gelaten. De firma Necon, het oude bureau van Frits Treffers, heeft de noodzakelijke reparatie adviezen gegeven.

Station in ±1905. Detail ingekleurde ansicht . Dit monument is door de inzet van de oprichters van VOL behouden gebleven.

Om inkomsten te verwerven voor de renovatie en onderhoud van het station werd met de gemeente Lisse in 1995 overeenstemming bereikt om het geheel een horecabestemming te geven. De beneden verdieping van het station werd verhuurd aan het restaurant De Verloren Koffer. met behoud van de karakteristieke elementen aan het exterieur en in het interieur. John Nederstigt, de eigenaar van de Verloren Koffer, werd de eerste restauranthouder. De firma Necon, het oude bureau van Frits Treffers, heeft de noodzakelijke reparatie adviezen gegeven

Er was een probleem om een gastoevoer aan te leggen voor het restaurant. Die zou volgens de leverancier onder het spoor moeten worden aangelegd, hetgeen extra kosten met zich mee zou brengen. Via het plaatsen van een gastank naast het parkeerterrein werd dit opgelost.

Geschiedenis station

Het oude stations complex was in opdracht van de toenmalige Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij gebouwd aan het traject Leiden-Haarlem. Het bij de spoorwegovergang staande stationsgebouw is gebouwd naar een ontwerp van de architect D.A.N. Margadant, die elders in het land vergelijkbare stationsgebouwen in een aan de Art Nouveau verwante stijl heeft gebouwd en van ca.1870 tot 1909 bij de H.IJ.S.M. als architect en opzichter werkzaam was. Kenmerkend voor het station in Lisse is de ver doorgevoerde asymmetrie en het afwisselende materiaalgebruik (baksteen, natuursteen en houtwerk).

De lijn Haarlem-Leiden werd in 1842 aangelegd. Landgoedeigenaren kregen het voor elkaar om de lijn op een (voor hun) zo gunstig mogelijke plek aan te leggen. De toenmalige eigenaar van het landgoed Venenburg, ten noorden van Lisse, had bij de HIJSM zelfs een eigen stopplaats bedongen. Het zou vervolgens nog tot 1896 duren voordat de HIJSM eindelijk van deze stopplaats verlost was. Er was dus geen halteplaats vlak bij het dorp. Maar in 1891 werd een halte Delfweg aangelegd bij het Halfweg. De naam werd in 1896 gewijzigd in Lisse (code LIS). Pas in 1904-1905 verrees het stationsgebouw iets ten zuiden van de halte Delfweg.

In het jaar 1904 vindt een rigoureuze aanpassing van de situatie op dit gedeelte van het terrein rond de spoorbaan plaats. Van douarière Van Pallandt-Steengracht van Oostcapelle worden door de Spoorwegen gronden verkregen voor de bouw van een station. Er volgt een omlegging van wegen en sloten. Dit verklaart ook het wat merkwaardige traject van de Stationsweg met de bochten vlak voor de spoorwegovergang.

Het gebouw is voorzien van wachtruimtes der eerste, tweede en derde klasse, een plaatskaartenkantoor met loketten en een bovenwoning voor de stationschef. Het aardige is dat er ook nog heel specifieke details te zien zijn die verwijzen naar de bloembollencultuur. Op de bogen in de hal zijn afbeeldingen te zien van narcissen en tulpen. In een bijgebouwtje was vroeger het toilet. In 1905 werd het station in gebruik genomen. Het oude station Delfweg kreeg weer haar oorspronkelijke bestemming van baanwachterswoning.

Einde spoorwegfunctie

In september 1944 ( de grote spoorwegstaking in de 2e wereldoorlog) werd de halteplaats gesloten. De wachtkamer 3e klasse deed in die tijd nog dienst als noodwoning. Na de oorlog werd de halteplaats uit de dienstregeling geschrapt. Door de grote afstand tussen Lisse en het station werd er te weinig gebruik van gemaakt door reizigers. In 1970 was het ook gedaan met de stopplaats voor het goederenvervoer. Vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw stopten er in het voorjaar nog treinen voor bezoekers van de Keukenhof. De stopplaats ‘Lisse-Keukenhof’ was gedurende het bollenseizoen druk bezocht. Het noodperron van station Lisse is voor het laatst (90-er jaren) gebruikt door Lovers Rail om reizigers voor de Keukenhof af te zetten.

Einde bemoeienis met station

Omdat de NS het stationsgebouw wilde verkopen en John Nederstigt en de Stichting Oud Lisse niet ingingen op de aangeboden verkoopprijs van €400.000, heeft op 23 mei 2008 de Stichting Kasteel Keukenhof het station Lisse voor €350.000 gekocht van NS.
Na deze aankoop van het station van NS bleek dat de Stichting Kasteel Keukenhof eigen plannen had met het station. Mede gezien ook het feit dat de Stichting Oud Lisse haar doelstelling (renovatie en onderhoud van het station) had bereikt, heeft de Stichting Oud Lisse besloten de onderhuur aan het restaurant en haar verplichting tot onderhoud van het pand per 1 januari 2011 over te dragen aan de nieuwe eigenaar Stichting Kasteel Keukenhof. In het pand is nu restaurant “het Tussenstation” gevestigd. Gelukkig zijn in het interieur de specifieke details, zoals de tulpen en narcissen in de stenen bogen, nog steeds te bewonderen.

3. Behoud van het Driehuizen bollenschuurcomplex door herbestemming

Het bollenbedrijf was nog volop in bedrijf

Het bollenschuur complex van Driehuizen dat aan de Heereweg Noord staat tussen de villa’s Rutsbo en Somalo is door toedoen van de Ver. Oud Lisse een Rijksmonument geworden. Oorspronkelijk was het de bollenkwekerij het ‘Hollandse Bloembollen Huis’, bestaande uit een BOLLENSCHUUR met aangebouwd KANTOOR. Het ensemble is gebouwd in 1922, in opdracht van de firma Gebr. Driehuizen, naar een ontwerp van de in de bollenstreek bekende architect Leen Tol uit Lisse. Het complex is gebouwd in een stijl die verwant is aan de architectuur van de Nieuwe Haagse School, een strakke variant van de Amsterdamse School. De grote schuur is van het type bollenschuur met vide. Van dit type komen nog enkele in de Bollenstreek voor, maar deze hebben niet meer hun oorspronkelijke functie. Dit kwekerijcomplex is sinds 1981 niet meer als zodanig in gebruik.

Het heeft sindsdien gefungeerd als onderkomen voor antiekhandel van Damme. Projectontwikkelaar Hillgate Properties en Bouwbedrijf Huib Bakker maakten in 2008/2009 in de schuur 27 twee-, drie- en vierkamerwoningen, waarbij de karakteristieke kenmerken van het gebouw behouden bleven. De gigantische bollenschuur is een Rijksmonument. Het was dus van belang dat de oorspronkelijke uitstraling zoveel mogelijk intact zou blijven, terwijl de bollenschuur toch moest worden aangepast aan de moderne wooneisen. Daarom vond nauw overleg plaats met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Het schitterend atrium, waar de woningen omheen liggen, is natuurlijk bewaard gebleven. De appartementen konden via een starters subsidie worden gekocht. Het voorste gedeelte van het complex is het voormalige kantoorgedeelte. Ook dit werd omgevormd tot woning. Hier is nog  een glas-in-lood ingevulde lichtkoepel, een vloer met decoratieve betegeling en er zijn nog deels met originele tegels beklede wanden. In april 2013 kreeg het kantoorgedeelte van het complex de erepenning van Vereniging Oud Lisse toegekend. Rondom het complex is nieuwbouw gerealiseerd.

(hierbij illustratie glas-in-lood, tegel, oude ontwerptekening van tol)

4. Strijd om behoud van het oudste pand van Lisse, Heereweg 191

Archeologisch onderzoek 2014. Bij het archeologisch onderzoek na de sloop vond men sporen van prehistorische akkers op dit perceel.

Een andere zaak was het z.g. witte pand op de Heereweg. Onze vereniging heeft in 1999 het vorige college van B&W (in casu wethouder F.W.H.P. Prins destijds verantwoordelijk voor het Monumentenbeleid) er van overtuigd het pand toen beschermwaardigheid te bieden door het op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Het college heeft de beschermwaardigheid van het pand echter weer opgeheven t.b.v. nieuwbouw, door het pand in december 2003 weer van de gemeentelijke monumentenlijst af te voeren, gebruik makend van een zeer summier uitgevoerde verkenning door een ingehuurde bouwhistoricus. Een aanbod voor een gratis en grondig bouwhistorisch onderzoek door onze vereniging werd botweg geweigerd. Dit pand, de oudste woning van Lisse uit de 17e eeuw, is indertijd opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MiP). Het was geen Rijksmonument, maar het was wel een zeer bijzonder pand met oude tongewelven uit de 17e eeuw en inwendig voorzien van diverse oude 18e -eeuwse tegels . Zie schilderij van Carl Daudeij hieronder. De Vereniging Oud Lisse en de Bond Heemschut hebben helaas zonder resultaat diverse juridische procedures ondernomen om te trachten dit object te beschermen tegen een geplande sloop. Nu staan daar nieuwe gebouwen gebouwd in een enigszins “oude klassieke stijl”.

5. De sloop van villa Rozenheim

Rond 1995 stonden er twintig panden in Lisse op de nominatie voor de selectie voor aanwijzing als jong rijksmonument. Door de gemeente werden zij geplaatst op de “concept-Indicatieve Lijst”. Deze lijst was de neerslag van een eerste (landelijke) inventarisatie van panden uit de periode 1850 – 1940 die mogelijk in aanmerking zouden komen voor bescherming als jong monument. Van dit initiatief is niet veel terecht gekomen. De definitieve selectie bleef uit en wie de (mogelijke) monumentenstatus hinderlijk vond voor zijn bezit, had zo alle kans om tot sloop over te gaan. Ook villa Rozenheim stond op de lijst en trof dit lot. Het pand werd na enkele jaren leegstand en verloedering plotseling en onverwacht rond de jaarwisseling van 1996/1997gesloopt.
Villa Rozenheim (Heereweg 276) werd in 1881 gebouwd. In 1887 wordt een nieuwe bollenschuur van 3 verdiepingen gebouwd. In 1906 wordt het geheel gekocht door Frederik Franciscus Bernardus de Meulder van het sinds 1898 bestaande bollenexportbedrijf Fred. De Meulder. Oude catalogi van de firma vermelden als adressering Fred. de Meulder Rozenheim nurseries Lisse. Na zijn overlijden blijft het pand tot 1976 in eigendom van zijn weduwe A.W.A. de Meulder-Takkenberg. Na de sloop van de villa verrees op deze plek het ”glazen huis” van architect Wiel Arets.

6. Sloop villa “Wildlust” Heereweg 14 bij hotel- restaurant “De Nachtegaal”

 

T.b.v. de aanleg van een rotonde op de hoek Zwarte Laan/Heereweg/Meer en Duin, wilde de provincie ZH de villa “Wildlust” slopen. Het was een karakteristiek pand en de plek had een heel oude historie (zie hieronder). Hoewel dit pand, zowel door de Monumentencommissie en ook door de VOL bouwkundige werkgroep als Gemeentelijk monument werd gewaardeerd, wilde het College zich om politieke redenen helaas bij de provincie niet inzetten voor het behoud van deze historische villa en werd de villa in 2008 niet in de lijst Gemeentelijke monumenten opgenomen.
De eigenares mevr. De Regt (toen 86 jaar) wilde in 2007 niet weg en daarom is de provincie een onteigeningsprocedure gestart. In eerste instantie werd geprobeerd dit pand op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten te zetten, maar Provincie en ook Gemeente Lisse wilden niet meewerken en ook is uiteindelijk de eigenares met de aanwijzingsprocedure tot Gemeentelijk monument gestopt.

In maart 2009 werd de villa met instemming van de Gemeente Lisse door de Provincie ZH gesloopt i.v.m. de aanleg van de rotonde, ondanks de herhaalde inzet van de Ver. Oud Lisse voor het behoud van dit monumentale pand. Ook het Cuypers genootschap werd door de Gemeente niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar (geen belanghebbende).Deze riet­gedekte Bollenvilla “Wildlust”, gebouwd omstreeks 1923, was gaaf en representatief voor de regio­nale geschiedenis van de bloembollenteelt en karakteristiek vanwege de situ­ering (gelegen aan doorgangsweg en omgeven door tuin met bomen en achter­land).

De provincie had in het kader van het Monumenten Selectie Project ten behoeve van aanwijzing als rijksmonu­ment, de villa bij gebrek aan voldoende waarden niet geselecteerd.
De Provinciale Adviescommissie Monumenten had eerder in 2004 in het kader van de aanleg van de onderhavige rotonde, het cultuurhistorisch belang van de villa met tuin getoetst aan de hand van de toetsings- en selectiecriteria voor aanwijzing als provinciaal monument. Geconcludeerd werd dat het niet aan deze criteria voldeed.

Oorspronkelijk waren er achtereenvolgend 3 verschillende huizen die de naam Wildlust droegen. De gesloopte villa was het derde huis met die naam.

In de 18e eeuw bestond Wildlust nog niet. Toen stond daar een boerderijachtig pand

De buitenplaats “Wildlust” was rond 1800 gebouwd en is op 2 augustus 1814 gekocht door “de Heer Casparus Henricus Wolff , chirurgijn en apothecar” te Lisse. (zie ‘t Roemwaard Lisse door A.M. Hulkenberg , blz. 61). Op 30 jan. 1819 koopt de heer Jacob Coenraad Temminck, een verdienstelijk dierkundige en later directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, van de eigenaar Casparus Henricus Wolff, de buitenplaats Wildlust voor 1000 Gulden.

De heer Temminck trouwt met de dochter van Marinus Smissaert, die in die tijd eigenaar was van Veenenburg. De heer Temminck overlijdt op 30 januari 1859 op 79 jarige leeftijd, en zijn weduwe blijft op Wildlust wonen tot haar dood in 1865. Haar tweede zoon Marinus Temminck, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd, verhuurt Wildlust aan Baron Snouckaert van Schauburg.

Marinus Temminck heeft het oude Wildlust gesloopt en vervangen door het landhuis Wildlust. Omstreeks 1890 verkoopt Marinus Temminck, het landhuis Wildlust aan de Graaf van Lynden (Meneer Jan), gehuwd met Gravin van Palland die later Keukenhof erft . Zij wonen er tot 1923, dan gaan ze naar Keukenhof. Cornelis Marinus Grullemans woont sinds 1900 tegenover Wildlust op de Heereweg 19, met bollenland erachter. In 1905 huurt Grullemans grote stukken land van de Graaf en in 1923 koopt de heer Grullemans het landhuis Wildlust en breekt het verwaarloosde huis tot de grond toe af. Hij maakt bollenland van het vroegere landgoed Wildlust.

Zijn zoon Karel (Cees) trouwde met Annie Speelman op 12 Mei 1925. Vader Grul laat op de hoek van het land van Grullemans een huis bouwen voor het stel: “Villa Wildlust”.

7. Herbouw afgebrande Zemelpoldermolen
1ste Poellaan 65 - Poldermolen van de Zemelpolder

De zemelpoldermolen na de herbouw

Op 4 november 1999 werd door jongeren de Zemelpoldermolen in brand gestoken. Zie foto’s hieronder.

Met de melding van de vermoedelijke namen van deze vandalen heeft de Gemeente Lisse helaas niets gedaan.
Deze molen was oorspronkelijk een Rijksmonument. Een werkgroep o.l.v. buurtbewoner Hans Kok en Piet Balkenende heeft er samen met de Ver.Oud Lisse voor gezorgd dat de molen weer helemaal werd hersteld. De gemeente Lisse heeft een groot deel van deze kosten op zich genomen. Via allerlei inzamelacties heeft de werkgroep een substantieel deel aan de kosten kunnen bijdragen. Toch kreeg de molen door de vele vernieuwingen die in de molen zijn uitgevoerd niet meer de Rijksmonumenten status. De molen is wel een gemeentelijk monument.

8 Uitreiking van de penning

Naast het pogen om waardevolle panden van de sloop te redden werd ook ingezet op het waarderen
van initiatieven om waardevolle panden te behouden en verantwoord de restaureren. Het is een goed gebruik jaarlijks een pand te waarderen met een penning. Eerst hadden we penningen van de vereniging Hendrick de Keyser, de bekende Amsterdamse stadsarchitect , o.a. van de Westerkerk. Sinds 1992 reikt “Oud Lisse” penningen uit en zijn diverse panden door de vereniging geëerd.

De VOL erepenningen worden inmiddels al jaren gemaakt door Frans en Truus van der Veld.

Hoe kwam nu zo’n uitreiking tot stand. In de krant van april 1994 staat een artikel met in de kop Kanaalstraat 117, een sieraad in Lisse. De vereniging heeft dan net afspraken gemaakt voor de restauratie van het station. Dat is niet het enige aandachtspunt. Om de krant de citeren: “Uiteraard kijken de leden regelmatig rond in het dorp. Hun aandacht werd getroffen door een fraai gerestaureerd pand aan de Kanaalstraat 117”. Dat het pand opviel was niet verwonderlijk. Renate de Zwart, haar toenmalige partner en familie hebben maar liefst anderhalf jaar geklust. Een initiatief om met de penning van de vereniging te waarderen. Het pand dateert uit 1902. Bij de verkoop werd gesteld “verkeert nog in de oorspronkelijke staat”. Of dat als aanbeveling bedoeld was blijft de vraag, maar de kopers zagen een uitdagende klus voor zich. Helemaal oorspronkelijk was het huis ook niet, het oorspronkelijke aanzicht was niet helemaal terug te halen. De voorgevel bleef de oude indeling behouden.

Renate de Zwart, hoeveel stenen nog te gaan?

Wanneer je nu naar de woning kijkt heb je geen idee wat een gigantisch project het indertijd was om die voorgevel dat oorspronkelijke uiterlijk te laten behouden. De hele gevel werd eerst afgebroken. De oorspronkelijke stenen werden afgebikt waarna de voorgevel weer opgemetseld kon worden. In de afbraakperiode werd een briefje bezorgd met de vraag: “In de gevel van dit huis is een tegel geplaatst met de tekst ‘de eerste steen is gelegd door Marijtje van Houten….als u geen prijs stelt op de steen zou ik hem graag hebben omdat Marijtje van Houten mijn moeder was ”.

Renate de Zwart op de steiger tegen Kanaalstraat 117

Spijtig voor de dochter, maar de steen zit nog in de gevel. De dochter van Marijtje heeft een briefje gehad dat de steen netjes opgeknapt zou worden. In de hoop dat ze er nog vaak langs zou lopen en de steen dan zou kunnen zien. Dat kunnen we nu nog steeds. De steen zit naast de voordeur. Die gevel was maar een deel van de enorme restauratieklus die heel veel vrije uren en vakantiedagen heeft gekost. Het huis ziet ver perfect uit en is een voorbeeld van een pand dat gelukkig door enthousiaste mensen behouden is gebleven en op die manier onze plaatselijke geschiedenis levend houdt. En heerlijk wonen midden in het dorp. Op onze jaarvergadering zal opnieuw een initiatief voor een stijlvolle restauratie beloond worden met een penning!

8. De ondergang van het Bollenlaboratorium in 2004

Zie artikel van Guus Maas Geesteranus in die periode secretaris van de Vereniging Oud Lisse.

9. Hofje van Six blijft bestaan

Het hofje in oude tijden

Er is vanaf 2001 al heel wat te doen geweest over het Hofje van Six, genoemd naar de in 1741 door Jonkheer Pieter Six aan de diaconie geschonken fundatie voor de armen.

De panden van het “Hofje van Six”, inclusief het oorspronkelijk bij het hofje behorende sigarenmagazijn “Juliaantje” (Kanaalstraat 44), waren in 2001 aangewezen als gemeentelijk monument. Tegen dit besluit heeft de diaconie zich toen niet verweerd en ook geen beroep ingediend.
Wel heeft de eigenaar van Kanaalstraat 44 zich toen verweerd waarop de rechtbank in 2003 uitsprak dat de monumenten aanwijzingsprocedure door de gemeente niet correct was uitgevoerd , waardoor het pand op verzoek van de projectontwikkelaar in 2006 gesloopt werd en door een hoog pand (winkel met een appartement erboven) werd vervangen. De sloop van de resterende woningen van het hofje om de nieuwbouwplannen van de diaconie te realiseren dreigde toen ook.

 

De Vereniging Oud Lisse protesteerde en Mien Dol, die nog de enige bewoonster is van een van de 5 resterende hofjeswoningen van het Hofje van Six, (Kanaalstraat 34), verzamelde 500 protest handtekeningen! Maar de rechter bepaalde in 2010 dat het hofje door de bouw van het hoge pand er naast, niet meer monumentwaardig was en gesloopt mocht worden. De gemeente Lisse moest toen alsnog een sloopvergunning voor de hofjeswoningen afgeven aan de diaconie. De onderhandelingen van de diaconie met de gegadigden voor het hofje met de sloopvergunning verliepen echter moeizaam doordat door de economische crisis de een na de andere projectontwikkelaar afhaakte. Omdat de biedingen steeds lager werden hakte de diaconie de knoop in 2016 door om de bestaande hofjes woningen met het verkoopbedrag van Mien Dols pand grondig op te knappen omdat er genoeg belangstelling is voor de 4 hofjeswoningen. Mien Dol kon haar geluk niet op: “Ik ben de gelukkigste vrouw van Lisse” . Ook al zou ze na haar aanhoudende strijd tegen de sloop van het hofje niet meer in haar pand mogen wonen, dan nog is ze voor Lisse heel blij dat het karakteristieke Hofje van Six nu blijft behouden. Daar heeft Mien samen met de Ver. Oud Lisse jaren voor geknokt!

Terug naar info Over de VOL

DE LISSESCHE IJSCLUB BESTAAT 125 JAAR

In 1891 werd de ijsclub opgericht op initiatief van dokter A.C. Ewijk. Het wel en wee na die tijd komt aan de orde.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

28 juni 2016

door Nico Groen

Tot 1895 was hij ook de eerste voorzitter. Toen werd hij opgevolgd door G. Blokhuis. Sinds die tijd is het een club met veel actieve leden. Het onderhoud van banen en clubgebouwen wordt allemaal door deze leden uitgevoerd. Op dit moment zijn er 2200 leden met Eric Wagner als voorzitter. In 1926 kreeg de ijsclub een officiële naam, namelijk Lissesche IJsclub.
Bij de oprichting was het doel van de vereniging uiteraard het maken en onderhouden van ijsbanen. Belangrijker was eigenlijk nog het inzetten van daggelders, waar in de winter geen werk voor was. Gelukkig vroor het dat eerste jaar al dat het kraakte. Door de tien aangestelde daggelders werden dat jaar ijsbanen aangelegd op de Gracht, de Ringvaart, de Rijnsloot en het Mallegat. Er waren dat jaar veel sneeuwstormen, hetgeen veel werk met zich mee bracht.
In 1922 werd op de vijver van Keukenhof een hardrijderij gehouden ten behoeve van behoeftige ingezetenen van Lisse. Dat gebruik van de vijver in Keukenhof ging niet zonder problemen. De graaf J.E.C van Lynden had namelijk als voorwaarde gesteld, dat alleen leden gebruik van de vijver mochten maken. Dit viel niet in goede aarde bij andere mensen, die geen lid waren. Omdat er op de vijver zand werd gestrooid, moest deze ijsbaan worden bewaakt.
In de beginjaren werden er, net als in 1891, op een aantal sloten en plassen ijsbanen gemaakt. Het nadeel was, dat het lang kon duren voordat het ijs dik genoeg was om een baan te maken. Daarom kreeg de ijsclub in 1929 een heuse ijsbaan en wel aan de Grachtweg. Omdat er weinig vorst was, werd deze ijsbaan pas voor het eerst in 1932 gebruikt. In 1948 moest men daar weg. De ijsclub kreeg toen de beschikking over een ijsbaan aan de Oranjelaan. Deze ijsbaan moest men in 1970 weer verlaten, omdat er daar toen nieuwbouw voor het Fioretticollege was gepland. De nieuwe ijsbaan kwam bij de Frans Halsstraat te liggen, juist aan de andere kant van de slaperdijk ten hoogte van de Rembrandtschool. De uitbreiding van de Poelpolder stond echter niet stil. Na de sloop van de slaperdijk werd op de plaats van de ijsbaan een nieuwe school gepland, nl de Waterval. De ijsclub moest dus weer verhuizen.
In 1987 werd een nieuwe ijsbaan met een clubgebouw gerealiseerd aan de Randmeerstraat. Daar zit men nog steeds.
De vereniging is financieel gezond. Dit komt voornamelijk door de hoge mate van zelfwerkzaamheid van voornamelijk 13 bestuursleden. Het onderhoud van ijsbaan en clubgebouw wordt zelf gedaan. Recent heeft men nog in eigen beheer een tweede opslag voor materiaal gemaakt. Vorig jaar werden 10 nieuwe lichtmasten met kabels gerealiseerd. Door alles zelf te plaatsen en aan te sluiten bleef ook dit project betaalbaar. Al met al een levendige vereniging met naast het schaatsen veel activiteiten, zoals bijvoorbeeld het steken van een corsowagen.
Bovenstaande is ontleend aan een uitgebreid artikel uit het laatst uitgekomen Nieuwsblad, het kwartaalblad van de Vereniging Oud Lisse. Dit artikel is geschreven door Arie in ’t Veld ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de IJsclub.
Alle leden van de Vereniging Oud Lisse krijgen dit blad gratis. Dit blad is ook te koop zolang de voorraad strekt tijdens de wekelijke inloop op dinsdagmorgen.

Het Nieuwsblad van het tweede kwartaal 2016